Budgettair-structureel plan voor de middellange termijn 2026-2030
Bijlage
Nummer: 2026D17274, datum: 2026-04-13, bijgewerkt: 2026-04-13 10:11, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Budgettair-Structureel Plan voor de Middellange Termijn en de Jaarlijkse Voortgangsrapportage (2026D17273)
Preview document (🔗 origineel)
BUDGETTAIR-STRUCTUREEL PLAN
VOOR DE MIDDELLANGE TERMIJN
2026-2030
NEderland
April 2026
Inhoud
Hoofdstuk 1: Politieke goedkeuring en consultatieproces 4
Hoofdstuk 2: Budgettaire inzet en samenvatting van economische en budgettaire variabelen 5
2.2 Nationale en Europese begrotingsregels 7
2.3 Samenvatting belangrijkste economische en budgettaire variabelen 8
Hoofdstuk 3 Macro-economische aannames 9
Hoofdstuk 4 Budgettaire ontwikkelingen 14
4.1 Ontwikkeling overheidsfinanciën 14
4.2: Omschrijving inkomsten- en uitgavenmaatregelen 18
Hoofdstuk 5: Schuldprojecties 20
Hoofdstuk 6: Hervormingen en investeringen 22
Hoofdstuk 7: Voorwaardelijke financiële verplichtingen 28
Annex 1: Technische informatie 30
Annex 2: Beoordeling Raad van State 34
Annex 3: Consultatie Sociaal Economische Raad 35
Annex 4: Toelichting hervormingen en investeringen 37
Samenvatting
In het Stabiliteit- en Groeipact (SGP) stellen Europese lidstaten in principe iedere vier jaar een budgettair-structureel plan voor de middellange termijn (Medium-Term Fiscal Structural Plan, FSP) op. Dit FSP bestaat uit een meerjarig uitgavenpad en een beschrijving van de hervormingen en investeringen die het kabinet zich voorgenomen heeft in het kader van de landspecifieke aanbevelingen en de gemeenschappelijke prioriteiten van de Europese Unie. Het op 21 januari 2025 door de Raad van de Europese Unie (de Raad) aan Nederland aanbevolen uitgavenpad loopt nog tot 2028. Bij aantreden heeft een nieuw kabinet echter de mogelijkheid om een nieuw FSP in te dienen. Het nieuwe kabinet-Jetten heeft besloten van deze mogelijkheid gebruik te maken en dient bij dezen een nieuw FSP in.
In dit FSP presenteert het kabinet een door het CPB geraamde netto uitgavengroei die overeenkomt met de maximaal toegestane uitgavengroei die volgt uit de aangepaste technische informatie. De Europese Commissie (Commissie) heeft technische informatie verschaft. Deze informatie biedt inzicht in de volgens de regels van het SGP maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven gedurende de budgettaire aanpassingsperiode. Deze technische informatie is op enkele punten aangepast, in overeenstemming met het raamwerk (zie hoofdstuk 2 en bijlage 1). In het Europese begrotingsraamwerk zijn de tabellen volgend uit het DSA-model van de Commissie en de onderliggende (aangepaste) technische informatie leidend bij de beoordeling van het FSP. Deze tabellen tonen hoe de overheidsfinanciën zich ontwikkelen in het DSA-model van de Commissie indien de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven wordt gevolgd. Nationaal vaart Nederland echter op de door het Centraal Planbureau (CPB) geraamde uitgavengroei. De door het CPB geraamde uitgavengroei overschrijdt de maximaal toegestane groei uit de aangepaste technische informatie gedurende de aanpassingsperiode niet.
Daarnaast committeert het kabinet zich aan de Europese referentiewaarden voor het saldo en de schuld. Het EMU-saldo en de EMU-schuld blijven gedurende de kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden van -3% bbp en 60% bbp. De cijfers in deze rapportage zijn gebaseerd op de cijfers van het CPB voor de geraamde uitgavengroei, en de aangepaste technische informatie voor de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven.
Het FSP beschrijft daarnaast de hervormingen en investeringen in het licht van de landspecifieke aanbevelingen en gemeenschappelijke prioriteiten van de Europese Unie. Met deze maatregelen wil het kabinet onder andere de economie stimuleren, de stikstofcrisis oplossen, het woningtekort terugdringen en de nationale en internationale veiligheid waarborgen. De belangrijkste maatregelen die het kabinet wil nemen staan beschreven in het coalitieakkoord.
Dit FSP gaat eerst in op het begrotingsbeleid en de economische aannames, vervolgens wordt gekeken naar de hervormingen en investeringen. Hoofdstuk 1 biedt een toelichting op het gevolgde proces voor verkrijgen van politieke goedkeuring. Hoofdstuk 2 behandelt de ontwikkeling van de uitgavengroei zoals geraamd door het CPB en vergelijkt deze met de maximaal toegestane groei. Hoofdstuk 3 beschrijft de economische aannames die ten grondslag liggen aan respectievelijk de door het CPB geraamde uitgavengroei en de maximaal toegestane groei binnen de regels van het SGP op basis van de aangepaste technische informatie van de Commissie. Hoofdstuk 5 schetst de ontwikkeling van het EMU-saldo en de EMU-schuld op de middellange termijn volgens de berekeningen van de Commissie. Hoofdstuk 6 gaat in op zowel de landspecifieke aanbevelingen en gedeelde prioriteiten van de Commissie als de hervormingen die het kabinet voorstelt om deze te adresseren. Tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de voorwaardelijke financiële verplichtingen en de mogelijke budgettaire gevolgen hiervan.
Hoofdstuk 1: Politieke goedkeuring en consultatieproces
Dit hoofdstuk gaat in op het proces waarmee politieke goedkeuring wordt verkregen en hoe het consultatieproces is vormgegeven.
Het FSP is voorgelegd aan beide Kamers van het parlement, in overeenstemming met EU Verordening 2024/1263. Hieruit volgt dat het kabinet het FSP vóór indiening kan bespreken in het nationale parlement in overeenstemming met zijn nationale rechtskaders. In het Nederlandse begrotingsproces vindt afstemming plaats met de Eerste en Tweede Kamer, volgend uit het grondwettelijk verankerde budgetrecht van beide Kamers. Het kabinet heeft het concept-FSP verzonden naar de Eerste en Tweede Kamer op 13 april 2026.
Daarnaast is een concept van het FSP voorgelegd aan de Raad van State. De Afdeling Advisering van de Raad van State is de Nederlandse onafhankelijke begrotingsinstellingen die is belast met het toezicht op de naleving van de Europese begrotingsregels. Deze rol vloeit voort uit EU Verordening 2024/1263 en Richtlijn 2024/1265 en is vastgelegd in de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet Hof).
Het CPB is belast met het opstellen van onafhankelijke ramingen en analyses, terwijl de Afdeling advisering van de Raad van State verantwoordelijk is voor het onafhankelijke begrotingstoezicht. Daarmee is een duidelijke scheiding aangebracht tussen enerzijds de normatieve toetsing en (deels bestuurlijke) weging van de naleving van begrotingsafspraken en anderzijds het onafhankelijk opstellen van prognoses en analyses. Voor de geraamde groei van de netto primaire uitgaven zijn de meest recente cijfers van het CPB leidend, namelijk het macro-economisch beeld en de raming van de overheidsfinanciën uit het Centraal Economisch Plan (CEP). Voor het bepalen van de maximaal toegestane netto primaire uitgavengroei is de methodiek van de Commissie en de onderliggende (aangepaste) technische informatie leidend. De reactie van de Raad van State zal als annex worden toegevoegd aan dit FSP voor verzending naar de Commissie.
Ook is er een concept van het FSP voorgelegd aan de sociale partners via de Sociaal Economische Raad (SER). Een reactie van de sociale partners is in het FSP is als annex toegevoegd. Bij totstandkoming van het beleid dat in dit FSP wordt beschreven, worden alle relevante stakeholders betrokken via de reguliere wetgevingsprocessen.
Hoofdstuk 2: Budgettaire inzet en samenvatting van economische en budgettaire variabelen
In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen de beleidsmatige en budgettaire inzet van het kabinet gepresenteerd. Daarnaast wordt de ontwikkeling van het uitgavenpad gedurende de aanpassingsperiode geschetst en wordt er gekeken naar de Europese en nationale begrotingsregels.
Het FSP is parallel opgesteld aan de Voorjaarsnota1, die tevens fungeert als Startnota van dit kabinet. In de Voorjaarsnota heeft het kabinet de inkomsten- en uitgavenkaders voor de komende kabinetsperiode vastgesteld. Deze kaders liggen ten grondslag aan het uitgavenpad en aan de investeringen en hervormingen zoals gepresenteerd in dit FSP.
Het kabinet hecht waarde aan begrotingsdiscipline en gezonde overheidsfinanciën. Het Nederlandse trendmatige begrotingsbeleid speelt hierin een belangrijke rol. Dit begrotingsbeleid is in beginsel anticyclisch van aard. Daarmee wordt voorkomen dat in economisch slechte tijden aanvullende bezuinigingen nodig zijn en worden de economie en de arbeidsmarkt gestabiliseerd. Het vooraf vaststellen van de uitgaven en de lastenontwikkeling voor de rest van de kabinetsperiode, en het vasthouden aan deze kaders, draagt bij aan stabiliteit. Het trendmatig begrotingsbeleid biedt daarmee houvast aan burgers en bedrijven.
Houdbare overheidsfinanciën zijn een belangrijke randvoorwaarde voor de welvaart van toekomstige generaties. Het kabinet stelt daarom maatregelen voor om de houdbaarheid van de begroting te verbeteren, onder meer door het beheersen van de uitgaven aan zorg en sociale zekerheid. Daarnaast worden maatregelen genomen om de overheid efficiënter en slagvaardiger te maken. Als gevolg van deze maatregelen komt het begrotingstekort, ondanks forse intensiveringen, met name in defensie, uit op 2,2% bbp aan het einde van de kabinetsperiode (2030).
In het coalitieakkoord is vastgelegd dat het kabinet onder de Europese referentiewaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp) wil blijven. Opeenvolgende Nederlandse kabinetten hebben zich gecommitteerd aan begrotingsdiscipline, in het bijzonder door het tekort en de overheidsschuld binnen de referentiewaarden van het SGP te houden. Dit is verankerd in de Wet Hof. Deze wet bepaalt dat Nederland trendmatig begrotingsbeleid voert met inachtneming van de geldende Europese referentiewaarden, waaronder die voor het EMU-saldo en de EMU-schuld.
Tijdens de kabinetsperiode blijven het tekort en de schuld naar verwachting binnen de referentiewaarden. Het tekort komt volgens de raming van het CPB uit op 2,2% bbp in 2030. De schuld komt in de raming van het CPB uit op 46,8% bbp in 2030. Hoofdstuk 4 bevat een uitgebreide omschrijving van de budgettaire ontwikkelingen. Door voldoende afstand tot de referentiewaarden te houden in de kabinetsperiode, zorgen we ervoor dat er een buffer is voor economische tegenwind en onvoorziene situaties, zeker in deze onzekere geopolitieke tijden.
Dit kabinet pakt uitdagingen en keuzes voor de toekomst aan. De komende jaren zijn grote investeringen in defensie noodzakelijk. Ook de structurele uitdagingen van de energietransitie en de kosten van de vergrijzing vragen om een ambitieuze aanpak. Dit kabinet wil daarnaast, samen met het parlement, doorbraken bereiken in het stikstofbeleid en op het gebied van de woningmarkt. Deze ambities vragen om moeilijke keuzes en hervormingen, zowel op het gebied van bezuinigingen aan de uitgavenkant als op het gebied van lastenverhogingen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Deze investeringen en uitdagingen zijn niet alleen een opgave van dit kabinet, maar vragen ook een nauwe samenwerking met het parlement.
2.1 Uitgavenpad
Het uitgavenpad is de sturingsvariabele in het SGP. Daarnaast blijven de referentiewaarden uit het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie van maximaal 3% bbp voor het begrotingstekort en 60% bbp voor de schuld onverminderd bestaan. Het uitgavenpad is gedefinieerd als de maximale groei van de netto primaire uitgaven. Dit zijn de overheidsuitgaven exclusief rentelasten, cyclische werkloosheidsuitgaven, uitgaven die worden gedekt met middelen uit de EU-begroting, cofinanciering van Europese subsidies en tijdelijke en eenmalige uitgaven (‘one-offs’). Bij het vaststellen van de netto primaire uitgaven wordt daarnaast rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen. Dat wil zeggen dat een verhoging van de belastingen mag leiden tot hogere uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de samenstelling van de begroting in termen van inkomsten en uitgaven door de lidstaat zelf te bepalen is.
Het uitgavenpad waaraan Nederland volgens de regels van het SGP moet voldoen wordt afgeleid van het benodigde structureel primair saldo aan het einde van de aanpassingsperiode. Dit structureel primair saldo (het EMU-saldo geschoond voor de economische conjunctuur en rente-uitgaven) moet ervoor zorgen dat de overheidsschuld van lidstaten op de middellange termijn (de tien jaar na de aanpassingsperiode) op een prudent niveau blijft onder de 60% bbp, of geloofwaardig daalt indien de schuld hoger is dan 60% bbp. Ook moet dit structureel primair saldo ervoor zorgen dat het tekort onder de 3% bbp wordt gebracht voor het einde van de aanpassingsperiode én daar onder blijft op de middellange termijn (de tien jaar na de aanpassingsperiode). Of de schuld op een prudent niveau blijft of geloofwaardig daalt, wordt door de Commissie getoetst met een zogenoemde schuldhoudbaarheidsanalyse (Debt Sustainability Analysis, DSA). Het structureel primair saldo wordt vervolgens omgerekend naar de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven (het uitgavenpad). De Commissie verschaft technische informatie om dit pad te berekenen.
De door het CPB geraamde groei van de netto primaire uitgaven en de maximaal toegestane groei die volgt uit de aangepaste technische informatie zijn weergegeven in tabel 1a. De geraamde uitgavengroei is berekend aan de hand van de laatste raming van het CPB, het CEP 2026, terwijl de maximaal toegestane groei is berekend aan de hand van het DSA-model van de Commissie en de onderliggende aangepaste technische informatie. 2 Omdat de kabinetsperiode doorloopt tot 2030, dient Nederland een FSP in dat loopt tot en met 2030. Dit is toegestaan onder de voorwaarde dat het structureel primair saldo in 2030 bij ongewijzigd beleid niet verslechtert ten opzichte van 2029.3
Voor de beoordeling van het FSP is de groei van de netto primaire uitgaven gedurende de periode 2026-2030 daarom leidend (tabel 1). Uit de aangepaste technische informatie volgt dat de maximaal toegestane groei gedurende deze periode gemiddeld 3,7% per jaar is. Deze maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven wordt in dit FSP afgezet tegen de netto primaire uitgavengroei zoals geraamd door het CPB. De geraamde uitgavengroei is berekend aan de hand van de laatste raming van het CPB, het CEP 2026.
Op basis van het CEP komt de groei van de netto primaire uitgaven over de periode 2026-2030 uit op gemiddeld 3,7% per jaar. De netto primaire uitgavengroei wordt namelijk geraamd op 4,7% in 2026, 3,5% in 2027, 3,1% in 2028, 3,5% in 2029 en 3,7% in 2030 (tabel 1). Deze uitgavengroei bevat onder andere een toename in defensie-uitgaven, van 1,7% bbp in 2025 tot 2,7% bbp in 2030 (COFOG-definitie). Hiermee komt de cumulatieve uitgavengroei in de periode 2026-2029 met 15,6% uit op hetzelfde niveau uit als de volgens de regels van het SGP maximaal toegestane groei gedurende de aanpassingsperiode die volgt uit de aangepaste technische informatie. Ook over de periode 2060-2030 komt de door het CPB geraamde uitgavengroei overeen met de maximaal toegestane groei die volgt uit de aangepaste technische informatie.
| Groei in % | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
|---|---|---|---|---|---|
| CPB: Groei van de netto primaire uitgaven per jaar, geraamd | 4,7 | 3,5 | 3,1 | 3,5 | 3,74 |
| CPB: Groei van de netto primaire uitgaven cumulatief, geraamd | 4,7 | 8,4 | 11,7 | 15,6 | 19,9 |
| Aangepaste technische informatie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven jaarlijks | 4,7 | 3,5 | 3,1 | 3,5 | 3,75 |
| Aangepaste technische informatie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven cumulatief | 4,7 | 8,4 | 11,7 | 15,6 | 19,9 |
De Commissie zal het uitgavenpad in dit FSP toetsen aan de vereisten van het SGP. Bij de beoordeling bekijkt de Commissie of het uitgavenpad ervoor zorgt dat tekort en schuld op de middellange termijn (de tien jaar na afloop van de aanpassingsperiode) onder de referentiewaarden blijven. Als het uitgavenpad in het FSP wordt goedgekeurd, zal de Raad dit uitgavenpad vaststellen. De Commissie monitort de voortgang vervolgens jaarlijks via de jaarlijkse voortgangsrapportage op het FSP. Hierbij wordt getoetst hoe de werkelijke jaarlijkse uitgavengroei zich verhoudt tot het door de Raad vastgestelde pad. Belangrijk hierbij is dat de Raad geen handhavingsmaatregelen kan nemen zolang het begrotingstekort kleiner is dan 3% bbp en de schuld lager is dan 60% bbp.
2.2 Nationale en Europese begrotingsregels
Het kabinet neemt maatregelen om gedurende de kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden voor het EMU-saldo en de schuld te blijven. In de Wet Hof is expliciet opgenomen dat het Nederlandse trendmatige begrotingsbeleid wordt gevoerd met inachtneming van de Europese referentiewaarden voor het begrotingstekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp). Het kabinet gaat er daarom vanuit dat volgende kabinetten zich, net als het huidige en voorgaande kabinetten, zullen inspannen om binnen de referentiewaarden te blijven.
Het kabinet hanteert bij de besluitvorming de nationale begrotingsregels, zoals vastgelegd in de Startnota (bijlage 1 van de Voorjaarsnota in dit geval). Het gaat daarbij onder meer om de scheiding tussen inkomsten en uitgaven en het communiceren over de jaar-op-jaar ontwikkeling van uitgaven en inkomsten. Het kabinet beslist jaarlijks in het voorjaar op één moment integraal over (de aanpassingen van) de begroting en de hoofdlijnen van de inkomsten. In augustus wordt de besluitvorming over de inkomsten en daarmee de koopkrachtontwikkeling afgerond. Aan de uitgavenkant moeten nieuwe uitgaven gedurende de kabinetsperiode worden ingepast in het vooraf afgesproken uitgavenkader. Eventuele tegenvallers in de uitgaven worden binnen het vastgestelde kader opgevangen en worden niet gecompenseerd door verhoging van belastingen of premies. De inkomsten bewegen mee met de economie. Niet-beleidsmatige ontwikkelingen in de inkomsten lopen mee in het saldo. Beleidsmatige ontwikkelingen worden binnen het vastgestelde kader gecompenseerd.
Het uitgavenpad onder de Europese begrotingsregels heeft een aantal overeenkomsten met de nationale begrotingsregels. Ten eerste komt het meerjarig karakter van het uitgavenpad overeen met het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid, waar het uitgavenkader aan het begin van de kabinetsperiode meerjarig wordt vastgesteld. Een meerjarige begroting stimuleert investeringen en hervormingen met een langere horizon. Daarnaast wordt de maximaal toegestane groei van de netto-primaire uitgaven onder het SGP uitgedrukt in nominale termen, net zoals de uitgavenkaders in het nationale begrotingsraamwerk. Ook worden de netto primaire uitgaven geschoond voor cyclische werkloosheidsuitgaven.
Een belangrijk verschil tussen de Nederlandse begrotingsregels en het Europese begrotingsraamwerk is dat in het Europese raamwerk extra uitgaven gedurende de rit bekostigd kunnen worden via een lastenverzwaring. In de nationale begrotingsregels is er gedurende de kabinetsperiode een scheiding tussen inkomsten en uitgaven. Dit zorgt ervoor dat beleidsmatige lastenverzwaringen in beginsel niet ingezet kunnen worden voor extra uitgaven, en tegenvallers aan de uitgavenkant niet gepaard hoeven te gaan met een lastenverzwaring. Dit is niet het geval in de Europese begrotingsregels, waar hogere uitgaven tijdens de aanpassingsperiode kunnen worden bekostigd door een beleidsmatige lastenverzwaring (discretionaire inkomstenmaatregel). Een ander verschil is dat uitgaven gefinancierd met inkomsten uit EU-fondsen worden uitgezonderd van de netto primaire uitgaven. Een derde verschil is dat de nationale uitgavenkaders worden geïndexeerd voor loon-en prijsontwikkelingen, terwijl dit voor het Europese uitgavenpad niet geldt. Dit betekent dat een hoger dan verwachte inflatie leidt tot hogere uitgaven via loon- en prijsbijstelling, terwijl dit vanuit de systematiek niet leidt tot een hogere maximaal toegestane groei van de netto-primaire uitgaven (en vice versa).
2.3 Samenvatting belangrijkste economische en budgettaire variabelen
Tabel 2a presenteert de belangrijkste budgettaire variabelen op basis van de CPB-raming. Het bbp neemt de komende jaren naar verwachting toe, van 1180 miljard euro in 2025 naar 1431 miljard euro in 2030. De ontwikkelingen van deze variabelen zal verder worden toegelicht in hoofdstuk drie (macro-economische variabelen) en hoofdstuk vier (budgettaire variabelen).
| %bbp | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| EMU-saldo | -1,6 | -2,6 | -1,9 | -1,7 | -2,0 | -2,2 |
| Structureel saldo | -1,0 | -1,4 | -1,3 | -1,2 | -1,4 | -1,7 |
| Structureel primair saldo | -0,4 | -0,6 | -0,3 | -0,1 | -0,3 | -0,5 |
| Overheidsschuld | 44,4* | 45,3 | 45,3 | 45,6 | 46,0 | 46,8 |
| Verandering in overheidsschuld | 0,7 | 0,9 | 0,0 | 0,3 | 0,4 | 0,8 |
Tabel 2a: ontwikkeling belangrijkste variabelen CPB-raming
*Aangepast naar aanleiding van de meest recente CBS-realisaties, deze wijken af van het CEP.
Voor de berekening van de maximaal toegestane uitgavengroei zijn het DSA-model van de Commissie en de onderliggende macro-economische en budgettaire aannames en ramingen uit de aangepaste technische informatie leidend. Deze aannames wijken vanaf 2026 af van de cijfers in tabel 2a. Tabel 2b toont hoe de belangrijkste budgettaire variabelen zich in het DSA-model van de Commissie (en onderliggende aangepaste technische informatie) ontwikkelen indien de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven niet wordt overschreden.
| %bbp | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| EMU-saldo | -1,6 | -2,4 | -1,5 | -1,3 | -1,2 | -1,2 |
| Structureel saldo | -1,0 | -1,1 | -1,1 | -0,9 | -0,9 | -1,0 |
| Structureel primair saldo | -0,4 | -0,3 | -0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Overheidsschuld | 44,4 | 46,8 | 46,5 | 46,1 | 45,6 | 45,2 |
| Verandering in overheidsschuld | 0,7 | 2,5 | -0,3 | -0,4 | -0,5 | -0,4 |
Tabel 2b: Ontwikkeling belangrijkste variabelen in het DSA-model van de Commissie op basis van de aangepaste technische informatie
Hoofdstuk 3 Macro-economische aannames
Dit hoofdstuk gaat verder in op de belangrijkste macro-economische en budgettaire aannames die zijn gehanteerd bij het opstellen van de geraamde uitgavengroei door het CPB. Hierbij is de meest recente macro-economische raming van het CPB gebruikt. Ook worden ter vergelijking de macro-economische aannames uit de aangepaste technische informatie gepresenteerd, die de basis vormen voor de berekening van de maximaal toegestane netto uitgavengroei in het Europese begrotingsraamwerk.
Na relatief sterke economische groei in 2025 zal de Nederlandse economie de komende jaren naar verwachting gematigd verder groeien. Het CPB raamt een economische groei van 1,4% in 2026 en 1,1% in 2027.6 In 2025 bedroeg de bbp-groei 1,8%. Deze realisatie was hoger dan verwacht in Macro Economische Verkenning (MEV) 2026 van het CPB. De overheids- en huishoudconsumptie droegen het meest bij aan deze groei. Deze groeiden respectievelijk met 2,2% en 1,4% in 2025. Naar verwachting groeit de economie verder in 2026 en 2027. De stijging van de reële inkomens en de stijgende koopkracht stimuleren de consumptie van huishoudens. Daarnaast dragen ook de investeringen en overheidsbestedingen positief bij aan deze verwachte economische groei. Gedreven door consumptie en investeringen wordt de economische groei in de jaren 2027–2030 geraamd op gemiddeld 1,2% per jaar.
Op middellange termijn zal de potentiële economische groei door vergrijzing en stagnerende productiviteitsgroei afnemen tot circa 1,0% per jaar. In de periode 2027-2034 komt de potentiële groei uit op gemiddeld iets meer dan 1,0% per jaar. In de afgelopen 25 jaar lag dit rond of boven de 1,5% per jaar. De geraamde afnemende groei komt voornamelijk doordat de groei van het structureel arbeidsaanbod de komende jaren stagneert wegens vergrijzing en dalende geboortecijfers.7 De ruimte voor een hogere participatie is bovendien beperkt. Inmiddels werkt 73,4% van de mensen in Nederland tussen 15 en 75 jaar oud, waarvan iets minder dan de helft in deeltijd. Tegelijkertijd blijft de vraag naar arbeid in bepaalde sectoren hoog, waaronder in de zorg, onder andere vanwege vergrijzing. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schat dat het aandeel van de beroepsbevolking dat werkt in de zorg bij ongewijzigd beleid zou moeten stijgen van 16% in 2019 tot 36,5% in 2060.8 Voor het toekomstige verdienvermogen is een hogere productiviteitsgroei daarom belangrijk. Deze vertoont in Nederland en in de EU de afgelopen decennia een dalende trend. De productiviteitsgroei wordt geraamd op ongeveer 0,7% per jaar in de komende jaren. Als oorzaak hiervan wijst het CPB op de afgenomen groei in globalisering, het onzekere verloop van kunstmatige intelligentie, de verdienstelijking van de Nederlandse economie en de afnemende groei van de scholingsgraad van de beroepsbevolking.
De inflatie neemt af richting de 2%-doelstelling, maar is onzeker en blijft naar verwachting hoger dan in de rest van de Eurozone. De huidige daling van de inflatie wordt vooral verklaard door afnemende kerninflatie en product gebonden belastingen, waarvan de bijdrage in de afgelopen periode verdween. Het CPB raamt de inflatie (hicp) voor in 2026 op 2,1% en in 2027 op 1,9%. Daarmee beweegt de inflatie richting de ECB-doelstelling. Deze inflatieramingen zijn echter met grote onzekerheid omgeven door het conflict in het Midden-Oosten en diens effect op de energieprijzen. In het CEP stelt het CPB dat de marktverwachtingen van begin maart leiden tot een hogere energie-inflatie, waardoor de algehele inflatie hoger uit kan komen. Ook DNB heeft gekeken naar de mogelijke economische impact van de gestegen energieprijzen en verhoogde onzekerheid, waarbij de inflatie in 2026 en 2027 mogelijk (fors) toeneemt afhankelijk van de ernst van het scenario.9 Er zijn daarnaast meer geopolitieke spanningen, hoge mondiale schulden en risico’s van de opbouw van handelstarieven, waardoor het verloop van de inflatie richting de toekomst onzeker blijft. Ondanks dat de forse loongroei van de afgelopen jaren iets afneemt richting 2027, blijven ook de lonen de inflatie stuwen.
Investeringen groeien in de komende jaren naar verwachting met 2,1% gemiddeld in 2026-2030, terwijl de groei van consumptie naar verwachting constant blijft. De onzekere economische omgeving in buiten- en binnenland heeft bedrijfsinvesteringen in de jaren 2024 en 2025 afgeremd. Investeringen zullen richting 2030 een groter deel van het bbp vertegenwoordigen. Dit wordt aangejaagd door woningbouw en de energietransitie; zo wordt er geïnvesteerd in het elektriciteitsnet, hernieuwbare energie, en verduurzaming van de industrie.10 De consumptie van huishoudens groeit door. Door loongroei zal de consumptie blijven groeien, maar er zal naar verwachting ook meer gespaard worden.
Ondanks een gematigd groeiende economie, neemt de werkloosheid licht toe. De economie groeit al een aantal jaren gestaag en de verwachting is dat dit richting 2030 zo zal blijven. De arbeidsmarkt blijft krap, maar de werkloosheid neemt wel licht toe. Eind 2025 waren er voor het eerst in vier jaar meer werklozen dan vacatures met voor elke 100 werklozen 93 vacatures. 73,2% van de beroepsbevolking was aan het werk. Op dit moment is 4,0% van de beroepsbevolking werkloos. Naar verwachting van het CPB zal dit percentage richting 2030 oplopen tot 4,3%.
De economische vooruitzichten zijn onzeker door geopolitieke spanningen en handelsconflicten. Economische schokken die samenhangen met geopolitieke spanningen en conflicten blijven het voornaamste risico voor de financiële stabiliteit en economische vooruitzichten. De belangrijkste bronnen van onzekerheid zijn de voortdurende Russische agressie in Oekraïne, het huidige conflict in het Midden-Oosten en het grillige beleid rondom importheffingen vanuit de VS. Nederland is via directe handel en via internationale waardeketens blootgesteld aan het Amerikaanse handelsbeleid.11 Daarnaast is er veel volatiliteit op financiële markten.12 Tot slot vormen ook cyber- of hybride incidenten gericht op kritieke (digitale) infrastructuur of het financiële systeem een risico voor de Nederlandse economie. Eventuele nieuwe geopolitieke schokken vormen richting de komende jaren een risico via de open economie die Nederland heeft. De Nederlandse economie heeft zich echter het afgelopen jaar robuust getoond. Dit is mede te danken aan het aanhouden van kapitaalbuffers bij financiële instellingen en een relatief lage overheidsschuld. Daarnaast draagt de sterke verwevenheid met de interne Europese markt juist bij aan stabiliteit. Dankzij deze goede uitgangspunten is de verwachting dan ook dat de groei de komende jaren aanhoudt, zij het iets gematigder dan in 2025.
De lange rente schommelt de komende jaren naar verwachting rond de 2,9%. In 2025 was de lange rente voor Nederland iets lager met 2,8%, in 2026 weer 2,9%. De ontwikkeling van de lange rente hangt af van de inflatieontwikkelingen, het rentepad van de Europese Centrale Bank en de reactie van financiële markten op de economische ontwikkelingen en -onzekerheden. Het CPB baseert de raming van de rente op marktprijzen. Tussen 2027 en 2030 wordt de lange rente door het CPB in elk jaar geraamd op 2,9%.
Voor de berekening van de maximaal toegestane uitgavengroei zijn het DSA-model van de Commissie en de onderliggende macro-economische aannames en ramingen uit de aangepaste technische informatie leidend. Tabel 3a en 3b bevatten de (externe) macro-economische variabelen van het CPB die ten grondslag liggen aan de geraamde uitgavengroei. Tabel 3c en 3d tonen de (externe) macro-economische variabelen die ten grondslag liggen aan de maximaal toegestane uitgavengroei zoals gepresenteerd in tabel 1. De gegevens in deze tabel wijken vanaf 2026 af van de cijfers in tabel 3a en 3b .
| 2024 | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ESA-code | niveau | Verandering t.o.v. voorafgaand jaar (%) | ||||||||||||||
| 1. Reëel bbp | B1*g | 915,5 | 1,1 | 1,8* | 1,4 | 1,1 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | |||||||
| 2. Bbp deflator | 5,7 | 3,2 | 2,9 | 2,5 | 2,9 | 2,5 | 2,6 | |||||||||
| 3. Nominaal bbp | B1*g | 1122,5 | 6,9 | 5,0* | 4,3 | 3,6 | 4,2 | 3,7 | 3,7 | |||||||
| Componenten van het reële bbp | ||||||||||||||||
| 4. Particuliere consumptieve bestedingen | P.3 | 1,1 | 1,4 | 1,5 | 1,7 | 1,3 | 1,1 | 1,1 | ||||||||
| 5. Consumptieve bestedingen van de overheid | P.3 | 3,6 | 2,2 | 1,7 | 0,8 | 1,5 | 1,7 | 2,0 | ||||||||
| 6. Bruto investeringen in vaste activa | P.51 | -0,4 | 0,5 | 1,2 | 1,5 | 2,7 | 2,9 | 2,2 | ||||||||
| 7. Voorraadmutaties (∆) | P.52 + P | 0,0 | 0,2 | 0,0 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,0 | ||||||||
| 8. Uitvoer van goederen en diensten | P.6 | -0,2 | 2,6 | 2,3 | 1,5 | 1,3 | 1,3 | 1,2 | ||||||||
| 9. Invoer van goederen en diensten | P.7 | 0,1 | 2,5 | 2,5 | 2,0 | 1,8 | 2,0 | 1,9 | ||||||||
| 10. Finale binnenlandse vraag | 1,5 | 1,4 | 1,5 | 1,4 | 1,7 | 1,7 | 1,6 | |||||||||
| 11. Voorraadmutaties (∆) | P.52 + P.53 | 0,0 | 0,2 | 0,0 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,0 | ||||||||
| 12. Extern saldo van goederen en diensten | B.11 | -0,2 | 0,4 | 0,1 | -0,2 | -0,3 | -0,3 | -0,3 | ||||||||
| 13. Particuliere consumptiedeflator | 2,5 | 2,4 | 1,7 | 1,8 | 2,6 | 2,3 | 2,5 | |||||||||
| 14. HICP | 3,2 | 3,0 | 2,1 | 1,9 | 2,5 | 2,0 | 2,2 | |||||||||
| 15. Overheidsconsumptie-deflator | 6,0 | 3,7 | 2,8 | 3,2 | 3,2 | 2,7 | 2,7 | |||||||||
| 16. Investeringsdeflator | 4,7 | 3,7 | 3,0 | 2,5 | 2,9 | 2,5 | 2,6 | |||||||||
| 17. Uitvoerprijsdeflator (goederen en diensten) | 0,9 | 0,4 | 0,5 | 1,6 | 1,8 | 1,7 | 1,7 | |||||||||
| 18. Invoerprijsdeflator (goederen en diensten) | -1,7 | -0,2 | -0,6 | 1,3 | 1,5 | 1,5 | 1,6 | |||||||||
| Arbeidsmarkt | ||||||||||||||||
| 19. Werkgelegenheid (1000 personen, nationale rekeningen) | 10266 | 1,0 | 0,6 | 0,3 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | ||||||||
| 20. Gemiddeld aantal jaarlijkse gewerkte uren per werkzaam persoon | 1452 | 0,3 | -1,5 | 0,3 | 0,0 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | ||||||||
| 21. Reëel bbp per werkzaam persoon | 0,1 | 1,2 | 1,1 | 0,6 | 0,8 | 0,7 | 0,7 | |||||||||
| 22. Reëel bbp per gewerkt uur | -0,2 | 2,9 | 0,8 | 0,6 | 0,8 | 0,7 | 0,6 | |||||||||
| 23. Loonsom van werknemers (in mld.) | D.1 | 525,3 | 7,3 | 6,3 | 5,1 | 4,6 | 4,3 | 3,9 | 3,8 | |||||||
| 24. Loonsom per werknemer (€) (x 1000) | 51,2 | 6,3 | 5,6 | 4,7 | 4,1 | 3,8 | 3,4 | 3,3 | ||||||||
| 25. Werkloosheid (% van de beroepsbevolking) | 3,7 | 3,9 | 4,1 | 4,3 | 4,4 | 4,3 | 4,3 | |||||||||
| Componenten van het potentiële bbp | ||||||||||||||||
| 26. Potentieel bbp | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,3 | 1,3 | 1,3 | |||||||||
| Bijdragen aan potentiële bbp | ||||||||||||||||
| 27. Arbeid | 1,0 | 0,9 | 0,6 | 0,4 | 0,3 | 0,3 | 0,3 | |||||||||
| 28. Kapitaal | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | |||||||||
| 29. Totale factor productiviteit | 0,3 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,5 | 0,5 | 0,4 | |||||||||
| 30. Output gap (% potentieel bbp) | -0,9 | -0,8 | -0,8 | -1,0 | -0,9 | -0,9 | -0,8 | |||||||||
*gebaseerd op de recentste realisaties van het CBS. Hierdoor kunnen er op andere plekken in deze tabel inconsistenties ontstaan.
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1. Korte termijn rente | %, jaarlijks gemiddelde | 3,6 | 2,2 | 2,0 | 2,2 | 2,5 | 2,7 | 2,8 |
| 2. Lange termijn rente | %, jaarlijks gemiddelde | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 2,9 | 2,9 | 2,9 | 2,9 |
| 3. USD/EUR wisselkoers | jaarlijks gemiddelde | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,2 | 1,2 | 1,2 |
| 4. Wereld reëel bbp (excl. EU) | groei % | 3,9 | 3,7 | 3,5 | 3,4 | 3,3 | 3,3 | 3,2 |
| 5. EU reëel bbp | groei % | 0,9 | 1,5 | 1,3 | 1,3 | 1,1 | 1,0 | 0,9 |
| 6. Wereld import volumes (excl. EU) | groei % | 5,2 | 5,1 | 3,1 | 3,5 | 3,4 | 3,2 | 3,2 |
| 7. Olieprijzen | Brent, USD/vat | 78,6 | 67,4 | 59,6 | 59,4 | 60,8 | 62,4 | 63,8 |
Tabel 3b: Ontwikkeling externe macro-economische variabelen CPB-raming
Tabel 3c: Ontwikkeling macro-economische variabelen in het DSA-model van de Commissie op basis van de aangepaste technische informatie.
| 2024 | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ESA-code | niveau | Verandering t.o.v. voorafgaand jaar (%) | |||||||
| 1. Reëel bbp | B1*g | 915,5 | 1,1 | 1,8 | 1,3 | 1,5 | 1,3 | 1,4 | 1,3 |
| 2. Bbp deflator | 5,7 | 3,2 | 3,3 | 2,5 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | ||
| 3. Nominaal bbp | B1*g | 1122,5 | 6,9 | 5,0 | 4,6 | 4,0 | 3,9 | 3,8 | 3,7 |
| Componenten van het reële bbp | |||||||||
| 4. Particuliere consumptieve bestedingen | P.3 | 1,1 | 1,4 | Deze data worden in de aangepaste technische informatie niet gedeeld. Voor de CPB-raming is de data wel beschikbaar. | |||||
| 5. Consumptieve bestedingen van de overheid | P.3 | 3,6 | 2,2 | ||||||
| 6. Bruto investeringen in vaste activa | P.51 | -0,4 | 0,5 | ||||||
| 7. Voorraadmutaties (∆) | P.52 + P | 0,0 | 0,2 | ||||||
| 8. Uitvoer van goederen en diensten | P.6 | -0,2 | 2,6 | ||||||
| 9. Invoer van goederen en diensten | P.7 | 0,1 | 2,5 | ||||||
| 10. Finale binnenlandse vraag | 1,5 | 1,4 | |||||||
| 11. Voorraadmutaties (∆) | P.52 + P.53 | 0,0 | 0,2 | ||||||
| 12. Extern saldo van goederen en diensten | B.11 | -0,2 | 0,4 | ||||||
| 13. Particuliere consumptiedeflator | 2,5 | 2,4 | |||||||
| 14. HICP | 3,2 | 3,0 | |||||||
| 15. Overheidsconsumptie-deflator | 6,0 | 3,7 | |||||||
| 16. Investeringsdeflator | 4,7 | 3,7 | |||||||
| 17. Uitvoerprijsdeflator (goederen en diensten) | 0,9 | 0,4 | |||||||
| 18. Invoerprijsdeflator (goederen en diensten) | -1,7 | -0,2 | |||||||
| Arbeidsmarkt | |||||||||
| 19. Werkgelegenheid (1000 personen, nationale rekeningen) | 10266 | 1,0 | 0,6 | Deze data worden in de aangepaste technische informatie niet gedeeld. Voor de CPB-raming is de data wel beschikbaar. | |||||
| 20. Gemiddeld aantal jaarlijkse gewerkte uren per werkzaam persoon | 1452 | 0,3 | -1,5 | ||||||
| 21. Reëel bbp per werkzaam persoon | 0,1 | 1,2 | |||||||
| 22. Reëel bbp per gewerkt uur | -0,2 | 2,9 | |||||||
| 23. Loonsom van werknemers (in mld.) | D.1 | 525,3 | 7,3 | 6,3 | |||||
| 24. Loonsom per werknemer (€) (x 1000) | 51,2 | 6,3 | 5,6 | ||||||
| 25. Werkloosheid (% van de beroepsbevolking) | 3,7 | 3,9 | |||||||
| Componenten van het potentiële bbp | |||||||||
| 26. Potentieel bbp | 924,6 | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | |
| Bijdragen aan potentiële bbp | |||||||||
| 27. Arbeid | 1,0 | 0,9 | |||||||
| 28. Kapitaal | 0,5 | 0,5 | |||||||
| 29. Totale factor productiviteit | 0,3 | 0,4 | |||||||
| 30. Output gap (% potentieel bbp) | -0,9 | -0,8 | -1,0 | -0,8 | -0,7 | -0,5 | -0,3 | ||
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1. Korte termijn rente | %, jaarlijks gemiddelde | 3,6 | 2,2 | 1,9 | 2,0 | 2,2 | 2,3 | 2,5 |
| 2. Lange termijn rente | %, jaarlijks gemiddelde | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 |
| 3. USD/EUR wisselkoers | jaarlijks gemiddelde | 1,1 | 1,1 | Deze data worden in de aangepaste technische informatie niet gedeeld. Voor de CPB-raming is de data wel beschikbaar. | ||||
| 4. Wereld reëel bbp (excl. EU) | groei % | 3,9 | 3,7 | |||||
| 5. EU reëel bbp | groei % | 0,9 | 1,5 | |||||
| 6. Wereld import volumes (excl. EU) | groei % | 5,2 | 5,1 | |||||
| 7. Olieprijzen | Brent, USD/vat | 78,6 | 67,4 | |||||
Tabel 3d: Ontwikkeling externe macro-economische variabelen
in het DSA-model van de Commissie op basis van de aangepaste technische
informatie.
Hoofdstuk 4 Budgettaire ontwikkelingen
Dit hoofdstuk toont de ramingen voor het EMU-saldo en de EMU-schuld. Ook de ontwikkeling van de rente-uitgaven wordt gepresenteerd en de voorgestelde inkomsten- en uitgavenmaatregelen worden beschreven.
4.1 Ontwikkeling overheidsfinanciën
Naar verwachting blijft het EMU-saldo gedurende de aanpassingsperiode binnen de Europese referentiewaarde van -3% bbp. In de raming van het CPB bedraagt het saldo -2,6% in 2026. Dit valt grotendeels te verklaren door het omzetten van de begrotingsgefinancierde militaire pensioenen naar een kapitaaldekkingsstelsel (affinancieren), wat tot een incidentele verslechtering van het saldo van 0,7% bbp in 202613 leidt. Na een verbetering in de jaren 2027 (-1,9%) en 2028 (-1,8%), verslechtert het saldo richting -2,0% in 2029. Aan het einde van de kabinetsperiode (2030) wordt een saldo van -2,2% geraamd.
Figuur 1: Realisatie en raming EMU-saldo (Bron: CBS (2025) en CPB 2026-2030))
Het niveau van de Nederlandse EMU-schuld blijft de komende jaren naar verwachting ruim onder de referentiewaarde van 60% bbp. In 2025 komt de schuldquote op basis van CBS-realisaties uit op 44,4% bbp. Gedurende de kabinetsperiode zal de schuldquote geleidelijk toenemen, tot 46,8% bbp in 2030 (figuur 3). Dit is nog steeds ruim onder de Europese referentiewaarde van 60% bbp. Het kabinet acht deze referentiewaarde van belang en spant zich daarmee in voor een gezonde schuldquote die in staat is om schokken op te vangen. Deze inspanning is ook noodzakelijk om schuldoploop te voorkomen op de lange termijn, door oplopende begrotingstekorten en uitdagingen zoals de toenemende investeringen voor defensie, internationale veiligheid, klimaat, energie-infrastructuur en de kosten van vergrijzing.
De geraamde rente-uitgaven nemen toe van 0,7% bbp in 2025 tot 1,2% bbp in 2029.
Deze stijging in rente-uitgaven komt door gestegen rentetarieven en toenemende financieringsbehoefte in de komende jaren. Omdat de Nederlandse staatsobligaties een looptijd hebben van gemiddeld ongeveer 8 jaar, worden deze stijgende rente-uitgaven geleidelijk gerealiseerd.
Figuur 2: Realisatie en Raming EMU-schuld (bron: CBS (2025) en CPB (2026-2030))
Verschil raming Voorjaarsnota en het FSP
Het EMU-saldo in de Voorjaarsnota wijkt af van de raming van het CPB in het CEP. Beide saldi zijn te zien in tabel 4a. Het grootste beleidsmatige verschil tussen de raming van Financiën en het CPB is de extra onderuitputting die het CPB veronderstelt ten opzichte van de begroting. De Financiën-raming van de uitgaven is een optelsom van de begrotingen. Het CPB verwacht dat een deel van de budgetten in de begrotingen niet in het geplande jaar tot besteding zullen komen. Daarnaast verwacht CPB dat de geplande efficiencytaakstelling en taakstelling op de Rijksdienst niet de beoogde besparing zullen realiseren. Ook raamt het CPB vanaf 2028 hogere EU-afdrachten, omdat het CPB een lagere inschatting heeft van de korting op het Meerjarig Financieel Kader die het kabinet in Europees verband wil vastleggen. De beleidsmatige verschillen die het CPB veronderstelt ten opzichte van de begroting zijn toegelicht in het verantwoordingsdocument bij de CEP-raming.
Naast deze beleidsmatige verschillen zijn er ook overige ramingsverschillen. Vanaf 2028 raamt het ministerie van Financiën hogere inkomsten dan het CPB. Financiën en CPB kennen beide een eigen inkomstenraming. Onderliggend wordt het verschil onder andere verklaard door een andere ontwikkeling van de vennootschapsbelasting. Daarnaast ontstaan er verschillen door timing. Zo waren de kasschuiven en een gedeelte van de uitvoeringsinformatie uit de Voorjaarsnota nog niet bekend ten tijde van het opstellen van de CEP-raming.
| In procenten bbp | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
|---|---|---|---|---|---|
| EMU-saldo Voorjaarsnota | -2,5% | -2,9% | -2,5% | -2,3% | -2,1% |
| Raming onderuitputting CPB | 0,3% | 0,8% | 0,8% | 0,3% | 0,1% |
| Verschil raming taakstellingen apparaat | 0,0% | 0,0% | 0,0% | -0,1% | -0,1% |
| Verschil EU-afdrachten MFK | 0,0% | 0,0% | -0,1% | -0,1% | -0,1% |
| Mutaties na publicatie CEP en overige verschillen | -0,4% | 0,2% | 0,1% | 0,1% | 0,0% |
| EMU-saldo CPB CEP | -2,6% | -1,9% | -1,7% | -2,0% | -2,2% |
Tabel 4a: Verschil raming Voorjaarsnota en het FSP
Ontwikkeling budgettaire variabelen
Voor de berekening van de maximaal toegestane uitgavengroei zijn het DSA-model van de Commissie en de onderliggende macro-economische en budgettaire aannames en ramingen uit de aangepaste technische informatie leidend. Tabel 4b bevat de budgettaire variabelen van het CPB die ten grondslag liggen aan de geraamde uitgavengroei. Tabel 4c toont hoe de budgettaire variabelen zich in het DSA-model van de Commissie (en onderliggende aangepaste technische informatie) ontwikkelen indien de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven niet wordt overschreden. De gegevens in deze tabel wijken vanaf 2026 af van de cijfers in tabel 4b.
| Budgettaire projecties | Niveau | % bbp | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Inkomsten | ESA code | 2024 | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
| 1. Belastingen op productie en import | D.2 | 126,3 | 11,2 | 11,1 | 11,1 | 11,1 | 11,4 | 11,2 | 11,2 |
| 2. Belastingen op inkomen, vermogen etc. | D.5 | 167,7 | 14,9 | 14,6 | 15,0 | 15,3 | 15,4 | 15,6 | 15,6 |
| 3. Sociale bijdragen | D.61 | 141,2 | 12,6 | 12,9 | 12,7 | 13,1 | 13,2 | 13,1 | 13,1 |
| 4. Overige inkomsten | (P.11+P.12+P.131)+ D.39 + D.4 + D.7 |
48,8 | 4,3 | 4,2 | 4,1 | 4,2 | 4,1 | 4,1 | 4,1 |
| 5. Vermogensheffingen | D.91 | 3,5 | 0,3 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 |
| 6. Overige kapitaalinkomsten | D.92+D.99 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| 7. Totale inkomsten (= 1+2+3+4+5+6) | TR | 487,9 | 43,5 | 43,3* | 43,3 | 44,1 | 44,5 | 44,4 | 44,3 |
| 8. Waarvan: EU-overdrachten | D.7EU+D.9EU | 1,9 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 |
9. Totaal inkomsten anders dan overdrachten van de EU (= 7-8) |
486 | 43,3 | 43,0 | 43,2 | 44,0 | 44,4 | 44,3 | 44,2 | |
| 10. Inkomstenmaatregelen (incrementen, exclusief door EU gefinancierde maatregelen) |
2,7 | 0,2 | -0,5 | 0,2 | 0,6 | 0,6 | 0,2 | 0,1 | |
| 11. Eenmalige inkomsten opgenomen in de prognoses (niveaus, exclusief door EU gefinancierde maatregelen) |
4,8 | 0,4 | -0,1 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | |
| Uitgaven | Niveau | % bbp | |||||||
| 12. Beloning van werknemers | D.1 | 97,5 | 8,7 | 8,7 | 8,7 | 8,8 | 8,8 | 8,9 | 8,9 |
| 13. Intermediair verbruik | P.2 | 75,3 | 6,7 | 6,7 | 6,6 | 6,6 | 6,5 | 6,5 | 6,6 |
| 14. Rente-uitgaven | D.41 | 7,9 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,2 |
| 15. Sociale uitkeringen ( exclusief sociale overdrachten in natura) |
D.62 | 118,2 | 10,5 | 10,7 | 10,8 | 11,1 | 11,0 | 10,9 | 10,9 |
| 16. Sociale overdrachten in natura aangekochte marktproducten |
D.632 | 117,7 | 10,5 | 10,6 | 10,8 | 10,9 | 11,0 | 11,1 | 11,2 |
| 17. Subsidies | D.3 | 15,3 | 1,4 | 1,3 | 1,4 | 1,5 | 1,5 | 1,5 | 1,4 |
| 18. Overige uitgaven | D.29 + (D.4-D.41) + D.5 + D.7 + D.8 | 20,2 | 1,8 | 2,0 | 2,2 | 2,0 | 2,2 | 2,1 | 2,0 |
| 19. Bruto-investeringen in vaste activa | P.51 | 36,9 | 3,3 | 3,5 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,8 | 4,0 |
| 20. Waarvan: nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen |
36,7 | 3,3 | 3,5 | 3,6 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 4,0 | |
| 21. Kapitaaloverdrachten | D.9 | 10,3 | 0,9 | 0,6 | 1,2 | 0,7 | 0,6 | 0,6 | 0,4 |
| 22. Overige kapitaaluitgaven | P.52+P.53+NP | -0,7 | -0,1 | -0,1 | -0,2 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 |
23. Totale uitgaven (= 12+13+14+15 + 16 +17+18+19+21+22) |
TE | 498,5 | 44,4 | 44,9* | 45,9 | 46,0 | 46,2 | 46,3 | 46,5 |
| 24. Waarvan: Uitgaven gefinancierd door EU overdrachten (= 8) |
D.7EU+D.9EU | 1,9 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 |
| 25. Nationaal gefinancierde uitgaven (23-24) | 496,6 | 44,2 | 44,6 | 45,8 | 45,9 | 46,0 | 46,2 | 46,4 | |
| 26. Nationale co-financiering van programmas gefinancierd door de Unie |
0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | |
| 27. Conjuncturele component van werkloosheidsuitkeringen |
0,0 | 0,0 | 0,1 | 0,1 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | |
| 28. Eenmalige uitgaven inbegrepen in de projecties (niveaus, exclusief EU gefinancierde maatregelen) |
5,1 | 0,5 | 0,0 | 0,7 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | |
| 29. Netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven (voor inkomstenmaatregelen) (= 25-26-27-28-14) |
483,3 | 43,1 | 43,8 | 44,1 | 44,7 | 44,9 | 44,9 | 45,0 | |
| Netto primaire uitgavengroei | % groei | ||||||||
| 30. Netto nationaal gefinancierde primaire uitgavengroei |
5,9 | 7,2 | 4,7 | 3,5 | 3,1 | 3,5 | 3,7 | ||
| Balansen | niveau | % bbp | |||||||
| 31. Netto overschot/tekort(= 7-23) | B.9 | -10,6 | -0,9 | -1,6 | -2,6 | -1,9 | -1,7 | -2,0 | -2,2 |
| 32. Primaire balans (= 31-14) | B.9-D.41p | -2,7 | -0,2 | -0,9 | -1,7 | -0,9 | -0,7 | -0,8 | -1,0 |
| Conjuncturele aanpassing | % bbp | ||||||||
| 33. Structureel saldo | -0,4 | -1,0 | -1,4 | -1,3 | -1,2 | -1,4 | -1,7 | ||
| 34. Structureel primair saldo | 0,4 | -0,4 | -0,6 | -0,3 | -0,1 | -0,3 | -0,5 | ||
| Schuld | niveau | % bbp | |||||||
| 35. Overheidsschuld | 491,1 | 43,7 | 44,4* | 45,3 | 45,3 | 45,6 | 46 | 46,8 | |
| 36. Verandering in schuld | 9,6 | -2,1 | 0,7 | 0,9 | 0 | 0,3 | 0,4 | 0,8 | |
| 37. Bijdragen aan verandering in schuld | |||||||||
| 38. Primair saldo (= minus 32) | 0,2 | 0,9 | 1,7 | 0,9 | 0,7 | 0,8 | 1 | ||
| 39. Sneeuwbaleffect | -2,3 | -1,5 | -1 | -0,6 | -0,8 | -0,5 | -0,5 | ||
| 40. Rentebetalingen (=14) | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,2 | ||
| 41. Groei | -0,5 | -0,8 | -0,6 | -0,5 | -0,6 | -0,6 | -0,5 | ||
| 42. Inflatie (HICP) | -2,5 | -1,3 | -1,2 | -1,1 | -1,3 | -1,1 | -1,2 | ||
| 43. Stock-flow aanpassing (= 36-38-39) | -0,1 | 1,3* | 1,9 | -0,3 | 0,4 | 0,1 | 0,4 | ||
| % | |||||||||
| 44. Impliciete rente op schuld | 1,6 | 1,6 | 2,1 | 2,2 | 2,4 | 2,5 | 2,7 | ||
| Defensie | niveau | % bbp | |||||||
| 45. Totale defensie uitgaven | COFOG 2 | 18,3 | 1,6 | 1,7 | 1,9 | 2,1 | 2,3 | 2,6 | 2,7 |
| 46. Waarvan investeringen | COFOG 2, P.51g | 1,9 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,3 | 0,3 |
Tabel 4b: Ontwikkeling budgettaire variabelen CPB-raming
*gebaseerd op de recentste realisaties van het CBS. Hierdoor kunnen er op andere plekken in deze tabel inconsistenties ontstaan.
Budgettaire projecties |
Niveau | % bbp | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Inkomsten | ESA code | 2024 | 2024 | 2025 | 2026* | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
| 1. Belastingen op productie en import | D.2 | 126,3 | 11,2 | 11,1 | Deze data worden in de aangepaste technische informatie niet gedeeld. Voor de CPB-raming is de data wel beschikbaar. | ||||
| 2. Belastingen op inkomen, vermogen etc. | D.5 | 167,7 | 14,9 | 14,6 | |||||
| 3. Sociale bijdragen | D.61 | 141,2 | 12,6 | 12,9 | |||||
| 4. Overige inkomsten | (P.11+P.12+P.131)+ D.39 + D.4 + D.7 |
48,8 | 4,3 | 4,2 | |||||
| 5. Vermogensheffingen | D.91 | 3,5 | 0,3 | 0,4 | |||||
| 6. Overige kapitaalinkomsten | D.92+D.99 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | |||||
| 7. Totale inkomsten (= 1+2+3+4+5+6) | TR | 487,9 | 43,5 | 43,3 | |||||
| 8. Waarvan: EU-overdrachten | D.7EU+D.9EU | 1,9 | 0,2 | 0,1 | |||||
9. Totaal inkomsten anders dan overdrachten van de EU (= 7-8) |
486 | 43,3 | 43,0 | ||||||
| 10. Inkomstenmaatregelen (incrementen, exclusief door EU gefinancierde maatregelen) |
2,7 | 0,2 | -0,5 | ||||||
| 11. Eenmalige inkomsten opgenomen in de prognoses (niveaus, exclusief door EU gefinancierde maatregelen) |
4,8 | 0,4 | -0,1 | ||||||
| Uitgaven | Niveau | % bbp | |||||||
| 12. Beloning van werknemers | D.1 | 97,5 | 8,7 | 8,7 | |||||
| 13. Intermediair verbruik | P.2 | 75,3 | 6,7 | 6,7 | |||||
| 14. Rente-uitgaven | D.41 | 7,9 | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 |
| 15. Sociale uitkeringen ( exclusief sociale overdrachten in natura) |
D.62 | 118,2 | 10,5 | 10,7 | Deze data worden in de aangepaste technische informatie niet gedeeld. Voor de CPB-raming is de data wel beschikbaar. | ||||
| 16. Sociale overdrachten in natura aangekochte marktproducten |
D.632 | 117,7 | 10,5 | 10,6 | |||||
| 17. Subsidies | D.3 | 15,3 | 1,4 | 1,3 | |||||
| 18. Overige uitgaven | D.29 + (D.4-D.41) + D.5 + D.7 + D.8 | 20,2 | 1,8 | 2,0 | |||||
| 19. Bruto-investeringen in vaste activa | P.51 | 36,9 | 3,3 | 3,5 | |||||
| 20. Waarvan: nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen |
36,7 | 3,3 | 3,5 | ||||||
| 21. Kapitaaloverdrachten | D.9 | 10,3 | 0,9 | 0,6 | |||||
| 22. Overige kapitaaluitgaven | P.52+P.53+NP | -0,7 | -0,1 | -0,1 | |||||
23. Totale uitgaven (= 12+13+14+15 + 16 +17+18+19+21+22) |
TE | 498,5 | 44,4 | 44,9 | |||||
| 24. Waarvan: Uitgaven gefinancierd door EU overdrachten (= 8) |
D.7EU+D.9EU | 1,9 | 0,2 | 0,1 | |||||
| 25. Nationaal gefinancierde uitgaven (23-24) | 496,6 | 44,2 | 44,6 | ||||||
| 26. Nationale co-financiering van programmas gefinancierd door de Unie |
0,3 | 0,0 | 0,0 | ||||||
| 27. Conjuncturele component van werkloosheidsuitkeringen |
0,0 | 0,0 | 0,1 | ||||||
| 28. Eenmalige uitgaven inbegrepen in de projecties (niveaus, exclusief EU gefinancierde maatregelen) |
5,1 | 0,5 | 0,0 | ||||||
| 29. Netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven (voor inkomstenmaatregelen) (= 25-26-27-28-14) |
483,3 | 43,1 | 43,8 | ||||||
| Netto primaire uitgavengroei | % groei | ||||||||
| 30. Netto nationaal gefinancierde primaire uitgavengroei |
5,9 | 7,2 | 4,7 | 3,5 | 3,1 | 3,5 | 3,7 | ||
| Balansen | niveau | % bbp | |||||||
| 31. Netto overschot/tekort(= 7-23) | B.9 | -10,6 | -0,9 | -1,6 | -2,4 | -1,5 | -1,3 | -1,2 | -1,2 |
| 32. Primaire balans (= 31-14) | B.9-D.41p | -2,7 | -0,2 | -0,9 | -1,6 | -0,7 | -0,4 | -0,2 | -0,3 |
| Conjuncturele aanpassing | % bbp | ||||||||
| 33. Structureel saldo | -0,4 | -1 | -1,1 | -1,1 | -0,9 | -0,9 | -1,0 | ||
| 34. Structureel primair saldo | 0,4 | -0,4 | -0,3 | -0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | ||
| Schuld | niveau | % bbp | |||||||
| 35. Overheidsschuld | 491,1 | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,5 | 46,1 | 45,6 | 45,2 | |
| 36. Verandering in schuld | 9,6 | -2,1 | 0,7 | 2,5 | -0,3 | -0,4 | -0,5 | -0,4 | |
| 37. Bijdragen aan verandering in schuld | |||||||||
| 38. Primair saldo (= minus 32) | 0,2 | 0,9 | 1,6 | 0,7 | 0,4 | 0,2 | 0,3 | ||
| 39. Sneeuwbaleffect | -2,3 | -1,5 | -1,2 | -1,0 | -0,8 | -0,8 | -0,7 | ||
| 40. Rentebetalingen (=14) | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 | ||
| 41. Groei | -0,5 | -0,8 | -0,5 | -0,7 | -0,6 | -0,6 | -0,6 | ||
| 42. Inflatie (HICP) | -2,5 | -1,3 | -1,4 | -1,1 | -1,1 | -1,1 | -1,1 | ||
| 43. Stock-flow aanpassing (= 36-38-39) | -0,1 | 1,3 | 2,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | ||
| % | |||||||||
| 44. Impliciete rente op schuld | 1,6 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,1 | 2,2 | ||
| Defensie | niveau | ||||||||
| 45. Totale defensie uitgaven | COFOG 2 | 18,3 | 1,6 | 1,7 | |||||
| 46. Waarvan investeringen | COFOG 2, P.51g | 1,9 | 0,2 | 0,2 | |||||
Tabel 4c: Ontwikkeling budgettaire variabelen in het DSA-model van de Commissie op basis van de aangepaste technische informatie.
4.2: Omschrijving inkomsten- en uitgavenmaatregelen
Bij het toetsen van het uitgavenpad gedurende de budgettaire aanpassingsperiode wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen. Tabel 4d toont het overzicht van de totale discretionaire inkomstenmaatregelen per jaar. Dit overzicht bevat niet alleen de maatregelen die door dit kabinet zijn getroffen, maar ook maatregelen die door vorige kabinetten zijn genomen en nog effect hebben in de komende jaren.
Voor de discretionaire inkomstenmaatregelen is het statische effect van fiscale beleidswijzigingen relevant. Het statische effect is het effect van een beleidsmatige tariefswijziging bij gelijkblijvende grondslag of het effect van een beleidsmatige grondslagwijziging bij gelijkblijvend tarief. Daar waar relevant, telt ook het eerste-orde gedragseffect mee. Dit zijn directe effecten op de grondslag van de belasting waar de maatregel betrekking op heeft. Dit leidt tot een meer realistische inschatting van de effecten van een tariefswijziging en daarmee tot een betere afweging. Ook wordt rekening gehouden met direct samenhangende fiscale kruiselasticiteiten wanneer die van toepassing zijn. Met kruiselasticiteiten tussen een beleidswijziging aan de uitgavenkant (waaronder normerende maatregelen) en de fiscaliteit wordt geen rekening gehouden tenzij dit leidt tot mogelijk ondoelmatige keuzes of onbedoelde uitkomsten. Een stimulans, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant, van elektrisch rijden kan bijvoorbeeld ook (andere) auto-gerelateerde belastingen substantieel beïnvloeden.
Op het moment dat inkomstenmaatregelen in wetgeving worden omgezet, worden de budgettaire effecten van de maatregelen eenmalig herijkt. Bij het herijken worden de laatste (economische) inzichten meegenomen om te zorgen voor een zo accuraat mogelijke raming.
| Belastingsoort | Eenmalig | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bankenbelasting | Nee | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| BPM | Nee | 586 | 557 | -461 | 54 | 75 | -26 | |
| CBAM | Nee | 0 | 211 | 26 | -237 | 0 | 0 | |
| CO2-heffing glastuinbouw | Nee | 52 | 5 | -54 | 0 | 1 | 0 | |
| CO2-heffing industrie | Nee | 0 | 0 | 55 | 20 | 200 | -69 | |
| Kolenbelasting | Nee | 0 | 0 | 77 | 0 | 0 | -35 | |
| Vennootschapsbelasting | Nee | 990 | -233 | -136 | -207 | -169 | -119 | |
| Vennootschapsbelasting | Ja | -1040 | 1040 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Dividendbelasting | Nee | 74 | 115 | 32 | 32 | -29 | 6 | |
| Dividendbelasting | Ja | 966 | -483 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Alcoholaccijns | Nee | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Bieraccijns | Nee | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Accijns op lichte oliën | Nee | -77 | 228 | -115 | 700 | -44 | -17 | |
| Accijns op minerale oliën anders dan lichte olie | Nee | -77 | 56 | 417 | -9 | -12 | -24 | |
| Tabaksaccijns | Nee | 170 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Wijnaccijns | Nee | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Energiebelasting | Nee | 14 | -198 | 35 | -267 | -37 | 211 | |
| Schenk en erfbelasting | Nee | -13 | 55 | 14 | 6 | 0 | 6 | |
| ETS | Nee | -187 | 152 | -13 | 3926 | -964 | -420 | |
| Vliegbelasting | Nee | 24 | 13 | 271 | 16 | 18 | 49 | |
| Kansspelbelasting | Nee | 102 | 100 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Premie zorgverzekeringswet | Nee | 1250 | -3050 | 1487 | 768 | -401 | 485 | |
| Belasting op zware motorrijtuigen | Nee | 0 | -109 | -115 | -6 | -6 | 0 | |
| Inkomensheffing box 1 | Nee | -1232 | 1706 | 4815 | 2346 | 1155 | 963 | |
| Inkomensheffing box 2 | Nee | -128 | -272 | -155 | 14 | 0 | -56 | |
| Inkomensheffing box 2 | Ja | -5375 | 246 | 36 | 28 | 28 | 8 | |
| Inkomensheffing box 3 | Nee | -1787 | 454 | -209 | 417 | 2028 | -416 | |
| Inframarginale heffing | Nee | -179 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| Niet nader toe te rekenen | Nee | -3 | -2 | -2 | -3 | -3 | 0 | |
| Verhuurderheffing | Nee | -399 | -219 | -19 | 0 | 0 | 0 | |
| Motorrijtuigenbelasting | Nee | 30 | 49 | -91 | -59 | -25 | 351 | |
| Premies werknemersverzekeringen | Nee | 588 | 545 | 1529 | 275 | 501 | -22 | |
| Overdrachtsbelasting | Nee | -185 | 6 | 292 | -185 | 9 | 9 | |
| Suikerbelasting | Nee | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 900 | |
| Opslag duurzame energie | Nee | 25 | -40 | -2 | 4 | 43 | 35 | |
| Verbruiksbelasting niet-alcoholhoudende dranken | Nee | 0 | 0 | 41 | 0 | 75 | ||
| Omzetbelasting | Nee | -211 | 1195 | 188 | 451 | -16 | 5 | |
| Afvalstoffenbelasting | Nee | 0 | 0 | 1 | 285 | 6 | 69 | |
| Waterbelasting | Nee | 0 | 64 | 41 | 0 | 0 | 0 | |
| Totaal | -6019 | 2191 | 7986 | 8370 | 2434 | 1894 | ||
| Totaal (eenmalig) | -5449 | 803 | 36 | 28 | 28 | 8 | ||
| Totaal (niet eenmalig) | -570 | 1388 | 7950 | 8342 | 2406 | 1886 | ||
Eenmalige uitgaven (one-offs) kunnen worden uitgezonderd van het uitgavenpad. Tabel 4e bevat een overzicht van deze eenmalige uitgaven. Het betreft een eenmalige verslechtering van het saldo in 0,7% bbp in 202614 als gevolg van de uitgaven voor het omzetten van de begrotingsgefinancierde militaire pensioenen naar kapitaaldekkingsstelsel (affinancieren).
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
|---|---|---|---|---|---|
| One-offs | 0,7% | 0,0% | 0,0% | 0,0% | 0,0% |
Hoofdstuk 5: Schuldprojecties
In dit hoofdstuk worden de tekort- en schuldprojecties voor de middellange termijn gepresenteerd op basis van de DSA-methodiek van de Commissie en de onderliggende aangepaste technische informatie. Deze methodiek is in het Europese begrotingsraamwerk leidend in het bepalen van de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven (de benchmark), terwijl Nederland voor de geraamde uitgavengroei vaart op de raming van het CPB. In dit FSP wordt de door het CPB geraamde uitgavengroei vergeleken met de maximaal toegestane groei uit de aangepaste technische informatie.
In het basispad van de aangepaste technische informatie (op basis van het DSA-model, exclusief de maatregelen uit de Voorjaarsnota) loopt het begrotingstekort op van 1,6% in 2025 tot 2,9% in 2034. Daarna zal in dat basispad het tekort de Europese referentiewaarde van 3% bbp overstijgen. Het tekort neemt toe van 3,1% bbp in 2035 naar 4,1% bbp in 2039. Het oplopen van het tekort bij ongewijzigd beleid kent meerdere oorzaken, waaronder vergrijzingskosten en stijgende rente-uitgaven. Een toenemend tekort vertaalt zich in een oplopende schuld. In de schuldprojectie tot en met 2039 van de Commissie is dan ook te zien dat de Nederlandse EMU-schuld naar verwachting geleidelijk oploopt, van 44,4% bbp in 2025 naar 58,1% bbp in 2038. Daarna overstijgt de schuld de referentiewaarde van 60% bbp, met 60,1% bbp in 2039. Tabel 5a toont de ontwikkeling van de overheidsfinanciën in het basispad van het DSA-model van de Commissie en onderliggende de aangepaste technische informatie (het ‘No Fiscal Policy Change’ scenario).
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bruto Schuld | 56 | (% bbp) | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,8 | 46,8 | 46,9 | 47,0 | 47,7 | 48,6 | 49,7 | 51,0 | 52,5 | 54,2 | 56,1 | 58,1 | 60,1 |
| Overheidssaldo | 76 | (% bbp) | -0,9 | -1,6 | -2,4 | -1,8 | -1,8 | -1,8 | -1,8 | -2,2 | -2,5 | -2,7 | -2,9 | -3,1 | -3,4 | -3,7 | -3,9 | -4,1 |
| Structureel primair saldo | 12 | (% pot. bbp) | 0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 |
| Conjunctuurcomponent | 61 | (% pot. bbp) | 0,0 | 0,5 | 0,6 | 0,4 | 0,3 | 0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 |
| Rentelasten | 67 | (% bbp) | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,4 | 1,5 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 1,9 |
| Langetermijnrente | 36 | (%) | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 4,0 |
| Kortetermijnrente | 37 | (%) | 3,6 | 2,2 | 1,9 | 2,0 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,3 | 3,2 | 3,1 | 3,1 | 3,0 |
| Impliciete gemiddelde rentevoet | 35 | (%) | 1,6 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,1 | 2,2 | 2,4 | 2,5 | 2,7 | 2,8 | 3,0 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 |
| Potentieel bbp | 26 | (% groei) | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| Reëel bbp | 23 | ((% groei) | 1,1 | 1,8 | 1,3 | 1,6 | 1,5 | 1,4 | 1,4 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| bbp-deflator | 41 | (% groei) | 5,7 | 3,2 | 3,3 | 2,5 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,2 | 2,2 |
| Nominaal bbp | 32 | (% groei) | 6,9 | 5,0 | 4,6 | 4,1 | 4,0 | 3,9 | 3,8 | 3,5 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 |
| Begrotingsmultiplier | (%) | 0,60 |
Tabel 5a: Ontwikkeling van de overheidsfinanciën op basis van het DSA-model van de Commissie en de onderliggende de aangepaste technische informatie
Tabel 5b toont hoe de overheidsfinanciën zich in het DSA-model van de Commissie ontwikkelen in het geval de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven niet wordt overschreden. Aan de hand van bovengenoemde basispad wordt in het DSA-model op basis van de aangepaste technische informatie een uitgavenpad berekend dat ervoor moeten zorgen dat het tekort en de schuld op de middellange termijn in de ramingsmethodiek van de Commissie wél binnen de referentiewaarden blijven. Dit scenario heet het ‘adjustment-scenario’ en is de basis voor het bepalen van het uitgavenpad. Het DSA-model van de Commissie is zo ingericht dat het tekort en de schuld in dit scenario tot en met 2039 voldoen aan de bovengenoemde vereisten. De maximaal toegestane groei van de uitgaven die hiertoe leidt wordt modelmatig bepaald. De door het CPB geraamde uitgavengroei valt cumulatief hetzelfde uit als de maximaal toegestane groei die volgt uit het DSA-model en de onderliggende aangepaste technische informatie.
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bruto Schuld | 57 | (% bbp) | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,5 | 46,1 | 45,6 | 45,2 | 45,1 | 45,2 | 45,5 | 46,1 | 46,8 | 47,7 | 48,8 | 50,0 | 51,2 |
| Overheidssaldo | 77 | (% bbp) | -0,9 | -1,6 | -2,4 | -1,5 | -1,3 | -1,2 | -1,2 | -1,5 | -1,7 | -1,8 | -2,0 | -2,2 | -2,5 | -2,8 | -2,8 | -3,0 |
| Structureel primair saldo | 12 | (% pot. bbp) | 0,4 | -0,4 | -0,3 | -0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Conjunctuurcomponent | 62 | (% pot. bbp) | 0,0 | 0,5 | 0,6 | 0,5 | 0,4 | 0,3 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| One-off | 14 | (% bbp) | 0,5 | 0,0 | -0,7 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Rentelasten | 68 | (% bbp) | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,4 | 1,4 | 1,5 | 1,6 |
| Langetermijnrente | 37 | (%) | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 4,0 |
| Kortetermijnrente | 38 | (%) | 3,6 | 2,2 | 1,9 | 2,0 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,3 | 3,2 | 3,1 | 3,1 | 3,0 |
| Impliciete gemiddelde rentevoet | 36 | (%) | 1,6 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,1 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,0 | 3,1 | 3,2 | 3,3 |
| Stock-flow-aanpassing | 72 | (% bbp) | -0,1 | 1,3 | 2,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Potentieel bbp | 27 | (% groei) | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| Reëel bbp | 24 | ((% groei) | 1,1 | 1,8 | 1,3 | 1,5 | 1,3 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,2 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| bbp-deflator | 42 | (% groei) | 5,7 | 3,2 | 3,3 | 2,5 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,2 | 2,2 |
| Nominaal bbp | 33 | (% groei) | 6,9 | 5,0 | 4,6 | 4,0 | 3,8 | 3,8 | 3,7 | 3,6 | 3,6 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 |
Het DSA-model van de Commissie verschilt van de ramingsmethodiek van het CPB. De raming van de overheidsfinanciën op de middellange termijn door het CPB15 wijkt daarom af van de ontwikkeling zoals gepresenteerd in tabel 5b. Annex 1 gaat nader in op de verschillen tussen de methodiek van de Commissie en het CPB.
Hoofdstuk 6: Hervormingen en investeringen
In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt met welke hervormingen en investeringen Nederland de landspecifieke aanbevelingen en de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie adresseert. Daarnaast wordt de investeringsbehoefte per gemeenschappelijke prioriteit omschreven en waar mogelijk gekwantificeerd.
In dit hoofdstuk worden relevante investeringen en hervormingen beschreven. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen lopende investeringen en hervormingen en investeringen en hervormingen die zijn aangekondigd in het coalitieakkoord 2026-2030, waarvoor geldt dat deze nog uitgewerkt moeten worden en die nog niet door het parlement zijn goedgekeurd.
In dit hoofdstuk worden maatregelen behandeld die ingaan op de structurele (niet-budgettaire) landspecifieke aanbevelingen teruggaand tot 2020 die volgens de jaarlijkse Commissiebeoordeling nog niet substantieel of volledig zijn geïmplementeerd of uitgevoerd16. Ook de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie worden geadresseerd. Deze zijn 4 juni jl. gepubliceerd1718, waarna de Raad de 2025 aanbevelingen op 1 juli jl. heeft goedgekeurd19.
Tabellen 6a t/m 6d bevatten een overzicht van de maatregelen per landspecifieke aanbeveling en gemeenschappelijke prioriteit. Het criterium voor opname is dat de maatregel bijdraagt aan de gemeenschappelijke prioriteit of aanbeveling maar nog niet volledig geïmplementeerd is. Volledig geïmplementeerde maatregelen uit het HVP zijn wel opgenomen. De invulling van deze maatregelen kan wijzigingen n.a.v. de augustusbesluitvorming. Annex vier bevat een longlist van alle maatregelen inclusief toelichting (zie nummering maatregelen). Tabel 6e geeft een overzicht van de investeringsbehoeften van de gemeenschappelijke prioriteiten.
Gemeenschappelijke prioriteit: Het verwezenlijken van een eerlijke groene en digitale transitie, met inbegrip van de klimaatdoelstellingen zoals vastgelegd in de Europese Klimaatwet
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een eerlijke groene en digitale transitie te stimuleren. Deze maatregelen adresseren de landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot duurzame landbouw, randvoorwaarden verbeteren voor het elektriciteitsnet, en energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving en onderzoek en ontwikkeling.
| Tabel 6a. Hervormingen en investeringen in het kader van een eerlijke groene en digitale transitie | |
|---|---|
| Landspecifieke aanbeveling | Maatregelen (# correspondeert met de tabel in bijlage vier) |
Duurzame landbouw 2025.4.4 Structurele maatregelen om overmatige stikstofdepositie en de verslechtering van de waterkwaliteit effectief aan te pakken, met name door verdere inzet op duurzame landbouw. Oudere LSA’s 2024.4.2, 2023.4.4, 2022.4.5 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
Transitie naar hernieuwbare energie 2025.4.1/4.2 Terugdringen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen door versnelde uitrol van hernieuwbare energie en verbeteren energie-efficiëntie. Oudere LSA’s: 2024.4.1, 2023.4.2, 2022.4.2, 2020.3.4 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
Energie-efficiëntie, met name in de gebouwde omgeving 2025.4.2 versnelling van de uitrol van hernieuwbare energie en verbetering van de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving. Oudere LSA’s: 2023.4.3, 2022.4.3 |
Lopende maatregelen:
|
Vaardigheden t.b.v. de groene transitie 2025.5.4. Verhoog de deelname aan STEM-opleidingen door gerichte onderwijsondersteuning en loopbaanadvies, vooral voor vrouwen en studenten met een migratieachtergrond. Oudere LSA: 2023.4.5 |
Lopende maatregelen
|
Onderzoek en ontwikkeling (R&D) 2025.3.1 Verhoog publieke en private R&D gerichte steun op investeringen in sleuteltechnologieën. 2025.3.2 Pak het financieringstekort voor start-ups en scale-ups in een latere fase aan door gebruik te maken van beschikbare financieringsinstrumenten en door stimulansen te bieden om institutionele investeerders aan te trekken. |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
| Overige maatregelen | Lopende maatregelen:
Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) (23) |
Gemeenschappelijke prioriteit: Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten De gemeenschappelijke prioriteit van sociale en economische veerkracht adresseert dit kabinet met maatregelen die betrekking hebben op belastingheffing, de woningmarkt, de zorg, de arbeidsmarkt en het onderwijs. De relevante landspecifieke aanbevelingen die hierbij worden geadresseerd zijn o.a. het wegnemen van belemmeringen voor de woningbouw, het minder aantrekkelijk maken van flexibele of tijdelijke arbeidscontracten en basisvaardigheden op scholen verbeteren. Tabel 6b. Hervormingen en investeringen in het kader van sociale en economische veerkracht |
|
|---|---|
| Landspecifieke aanbeveling | Maatregelen (# correspondeert met de tabel in bijlage vier) |
Belastingsysteem 2024.1.3 De belastingheffing op de verschillende soorten inkomsten uit vermogen op één lijn brengen, onder meer om de bevoordeling van schulden van huishoudens te beperken. Oudere LSA’s: 2023.1.5, 2022.1.4 |
Lopende maatregelen:
|
Woningmarkt 2025.1.3 Harmoniseren van de belastingheffing op verschillende vormen van vermogensinkomen, onder meer om prikkels voor schuldfinanciering van woningbezit te verminderen. 2025.1.4 Verminderen van obstakels voor nieuwbouw door het vereenvoudigen van planvorming en vergunningverlening. 2025.1.5 Ondersteunen ontwikkeling van betaalbare particuliere huursector, onder meer door investeringen in deze sector aantrekkelijker te maken. Oudere LSA’s: 2024.1.4, 2023.1.6 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
Zorg 2025.1.6 Aanpakken van de verwachte stijging van leeftijdsgerelateerde uitgaven aan langdurige zorg door het stelsel kosteneffectiever te maken, onder meer via een doelmatiger toewijzing van voorzieningen. Oudere LSA’s: 2024.1.5, 2020.1.2, 2022.3, 2023.3 |
Lopende maatregelen:
|
Arbeidsmarkt 2025.5.1 Maatregelen om prikkels voor het gebruik van flexibele of tijdelijke contracten te verminderen. 2025.5.2 Maatregelen om tekorten aan arbeid en vaardigheden aan te pakken, onder andere door: ongebruikt arbeidspotentieel te benutten, de mogelijkheden voor bij- en omscholing voor iedereen te versterken, en mobiliteit naar hoogproductieve sectoren en sectoren die verband houden met maatschappelijke uitdagingen te stimuleren. Oudere LSA’s: 2024.3.1, 2024.3.2, 2023.3.1, 2023.3.2, 2023.3.3, 2022.3.3, 2022.3, 2022.3.2, 2022.3.1, 2022.3.5, 2020.2.2 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
Onderwijs 2025.5.3 Verbeter basisvaardigheden, onder andere door het aanpakken van lerarentekorten en het bieden van gerichte ondersteuning aan achterstandsscholen. 2025.5.4 Verhoog de deelname aan STEM-opleidingen door gerichte onderwijsondersteuning en loopbaanadvies, met speciale aandacht voor vrouwen en leerlingen met een migratieachtergrond. Oudere LSA’s: 2024.3.3 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
| Overige maatregelen | Lopende maatregelen
|
Het kabinet neemt maatregelen om energiezekerheid te verbeteren door in te zetten op meer energieonafhankelijkheid en duurzame energieproductie. Relevante maatregelen zijn bijvoorbeeld het Landelijke Actieprogramma Netcongestie en de voorgenomen crisiswet Netcongestie. Tabel 6c. Hervormingen en investeringen in het kader van Energiezekerheid |
|
| Landspecifieke aanbeveling | Maatregelen (# correspondeert met de tabel in bijlage vier) |
Elektriciteitsnet 2025.4.3 Verminderen van netcongestie door verhogen transmissie- en distributiecapaciteit, flexibiliteitsoplossingen te implementeren, grensoverschrijdende handel te maximaliseren en vereenvoudigen vergunningsprocedures. Oudere LSA’s: 2024.4.1, 2023.4.2, 2022.4.2 |
Coalitieakkoord:
Lopende maatregelen:
|
Energie-efficiënte, met name in de gebouwde omgeving 2025.4.2 versnelling van de uitrol van hernieuwbare energie en verbetering van de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving. 2023.4.3 2022.4.3 |
|
| Overige maatregelen |
|
Samen met andere landen zet Nederland in op meer strategische zelfstandigheid en samenwerking bij transport, productie en industrie op het terrein van defensie. Zo brengt het kabinet de defensie-uitgaven in lijn met de NAVO-doelstelling. Nederland blijft ook deelnemen aan het vergroten van de NAVO-capaciteit op het grondgebied van NAVO-lidstaten en internationale missies. Tabel 6d. Hervormingen en investeringen in het kader van de opbouw van de defensiecapaciteiten |
|
| Landspecifieke aanbeveling | Maatregelen (# correspondeert met de tabel in bijlage vier) |
Overige maatregelen 2025.1.1 verhogen van defensie- en veiligheidsuitgaven met waarborging van de houdbaarheid overheidsschuld |
|
Investeringsbehoeften voor de gemeenschappelijke
prioriteiten
Lidstaten worden volgens de vereisten voor het plan gevraagd om
investeringsbehoeften te rapporteren die gerelateerd zijn aan de
gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie. Voor de
gemeenschappelijke prioriteiten wordt aan de belangrijkste
investeringsbehoefte voldaan door de gerelateerde maatregelen in Tabel
6e. Het is niet mogelijk om een inschatting te maken van de
investeringsbehoefte in algemene zin.
| Gemeenschappelijke prioriteit | Beschrijving van investeringsbehoefte |
|---|---|
| Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | Zie Tabel 6a |
| Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | Zie Tabel 6b |
| Energiezekerheid | Zie Tabel 6c |
| Waar nodig, de opbouw van defensiecapaciteiten | Zie Tabel 6d |
Hoofdstuk 7: Voorwaardelijke financiële verplichtingen
Dit hoofdstuk presenteert een overzicht van de voorwaardelijke verplichtingen van de Rijksoverheid, met name de garanties, achterborgstellingen en financiële risico’s voortkomend uit juridische procedures. Deze verplichtingen kunnen in de toekomst budgettaire gevolgen hebben.
Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement. Het totaalbedrag aan uitstaande garanties van het Rijk in 2025 bedraagt 228 miljard euro. De garantieregelingen van het Rijk in 2025 staan gepresenteerd in Tabel 7a. De specifiek vermelde garanties hebben allemaal een uitstaand risico groter dan een half miljard euro en zijn verbonden met de financiële sector. Deze garanties ondersteunen via de financiële sector de reële economie in het buitenland en komen voort uit internationale afspraken, zoals NGEU, het IMF en internationale ontwikkelingsbanken. Het totaalbedrag van de overheidsgaranties in percentage van het bbp in 2025 is gedaald ten opzichte van 2024: van 19,6% bbp in 2024 naar 19,3% bbp in 2025.
Naast garanties kent Nederland ook nog andere voorwaardelijke verplichtingen, namelijk de achterborgstellingen. Bij achterborgstellingen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk, maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon in de vorm van een stichting. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen daarom niet als verplichting opgenomen. Een overzicht van de achterborgstellingen is gepresenteerd in Tabel 7b. Het gaat in 2025 om een totaalbedrag van afgerond 338 miljard euro geborgd vermogen. Dit is een toename ten opzichte van 2024. Afgerond 68% van het totaal aantal achterborgstellingen bevindt zich in het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW), waar de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) onder valt.
| Omschrijving | Uitstaande garanties | Verleende garanties | Vervallen garanties | Uitstaande garanties | Jaarplafond | Totaalplafond |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
| Raad van Europa | 287 | - | - | 287 | - | 287 |
| Garantieregeling forensische zorg | - | - | - | - | - | 300 |
| Indemniteitsregeling | 132 | 452 | 252 | 332 | - | 450 |
| Wet aansprakelijkheid kernongevallen (WAKO) | 9.200 | - | - | 9.200 | - | 9.200 |
| Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO) | 15.402 | - | 1.785 | 13.617 | - | 13.617 |
| Garantie TenneT | - | - | - | - | - | 51.600 |
| Security Action for Europe (SAFE) | - | 15.287 | - | 15.287 | - | 15.287 |
| Oekraïne Faciliteit | 1.999 | 103 | - | 2.102 | - | 2.102 |
| Macro-Financiële Bijstand - Ukraine Loan Cooperation Mechanism (MFB-ULCM) | 3.416 | 78 | 1.649 | 1.845 | - | 1.845 |
| Kredieten EU-betalingsbalanssteun (BoP-faciliteit) | 3.870 | 204 | - | 4.074 | - | 4.074 |
| Headroomgarantie macro-financiële bijstand (MFB) | 1.089 | 57 | - | 1.147 | - | 1.147 |
| Garantie Wereldbank - IBRD garantie kapitaal | 5.826 | - | 675 | 5.151 | - | 5.151 |
| Garantie Wereldbank - IBRD garantie Oekraïne | 100 | - | - | 100 | - | 100 |
| European Stability Mechanism (ESM) | 35.339 | - | - | 35.339 | - | 35.339 |
| European Investment Bank (EIB) | 11.796 | - | - | 11.796 | - | 11.796 |
| European Financial Stability Facility (EFSF) | 34.154 | - | - | 34.154 | - | 34.154 |
| European Financial Stabilisation Mechnism (EFSM) | 2.691 | 119 | 162 | 2.648 | - | 2.648 |
| European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) | 589 | - | - | 589 | - | 589 |
| EIB - pan Europees Garantiefonds | 954 | - | 28 | 925 | - | 925 |
| DNB - deelneming in kapitaal IMF | 34.454 | - | 2.034 | 32.420 | - | 32.420 |
| Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB) | 794 | - | 92 | 702 | - | 702 |
| Bilaterale garantie Macro-financiële bijstand (MFB) | 215 | - | - | 215 | - | 215 |
| Next Generation EU (NGEU) | 27.176 | 3.704 | 1.573 | 29.307 | - | 29.307 |
| Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE) | 5.984 | - | 19 | 5.965 | - | 5.965 |
| Exportkredietverzekering | 17.541 | 3.371 | 6.225 | 14.686 | 10.000 | - |
| Borgstelling MKB kredieten (BMKB) | 1.167 | 291 | 366 | 1.092 | 765 | - |
| Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) | 199 | 19 | 76 | 142 | 200 | - |
| Borgstelling MKB-Landbouwkredieten | 231 | 13 | 45 | 199 | 120 | - |
| Garantie voor natuurgebieden en landschappen | 223 | - | 19 | 204 | - | 204 |
| Instellingen voor de gezondheidszorg | 125 | 2 | 21 | 107 | - | 107 |
| Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF) | 108 | 8 | 10 | 107 | - | 675 |
| Garanties Inter American Development Bank (IDB) | 291 | - | 11 | 280 | - | 280 |
| Garanties African Development Bank (AfDB) | 2.355 | - | 78 | 2.277 | - | 2.277 |
| Garanties Asian Development Bank (AsDB) | 1.252 | - | 41 | 1.210 | - | 1.210 |
| Herplaatsingsgarantie | 24 | 83 | - | 107 | - | 783 |
| Nationale garanties coronacrisis | 47 | - | 34 | 12 | - | 3.088 |
| Overig | 675 | 103 | 165 | 613 | 85 | 1.073 |
| Totaal | 219.705 | 23.894 | 15.361 | 228.238 | 11.170 | 268.917 |
| Geborgd vermogen | Verleend | Vervallen | Geborgd vermogen | Buffer kapitaal | Obligo | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | 2025 | 2025 | |
| Nationaal Restauratie Fonds (NRF) | 409 | 59 | 57 | 411 | 82 | N.v.t. |
| Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) | 5.779 | - | 141 | 5.639 | 302 | 170 |
| Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) | 213.517 | 37.519 | 19.564 | 231.472 | 1.810 | N.v.t. |
| Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) | 94.937 | 9.582 | 3.755 | 100.765 | 631 | 2.615 |
| Totaal | 314.642 | 47.160 | 23.516 | 338.287 | 2.825 | 2.785 |
Tabel 7b: Achterborgstellingen van het Rijk (in miljoenen euro’s)
Annex 1: Technische informatie
Het DSA-model van de Commissie en de onderliggende aangepaste technische informatie zijn in het Europese begrotingsraamwerk leidend in het bepalen van de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven (de benchmark). Voor de geraamde uitgavengroei vaart Nederland op de raming van het CPB. In dit plan wordt de door het CPB geraamde uitgavengroei vergeleken met de maximaal toegestane groei uit de aangepaste technische informatie.
De Europese Commissie bepaalt aan de hand van een schuldhoudbaarheidsanalyse het benodigde structureel primair saldo aan het einde van de aanpassingsperiode, wat vervolgens wordt omgerekend naar het uitgavenpad. Dit structureel primair saldo moet ervoor zorgen dat de overheidsschuld van lidstaten op de middellange termijn (een tijdsperiode bestaande uit de aanpassingsperiode van 4 of 7 jaar plus 10 jaar) op een prudent niveau blijft onder de 60% bbp, of geloofwaardig daalt indien de schuld hoger is dan 60% bbp. Ook moet dit structureel primair saldo ervoor zorgen dat het tekort onder de 3% bbp wordt gebracht voor het einde van de aanpassingsperiode én daar onder blijft op de middellange termijn (de tien jaar na de aanpassingsperiode). Of dit het geval is wordt getoetst aan de hand van de DSA. Het structureel primair saldo wordt vervolgens omgerekend naar de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven (het uitgavenpad).
In het DSA-model wordt eerst de ontwikkeling van het structureel primair saldo geraamd op basis van ongewijzigd beleid. In het model wordt invulling gegeven aan ongewijzigd beleid (‘no fiscal policy change, NFPC’) door het structureel primaire saldo na het basisjaar (2025) ongewijzigd te laten, met uitzondering van (met name) de invloed van demografische effecten. Vooral door vergrijzing verslechteren de overheidsfinanciën geleidelijk over de periode tot en met 2039. Het CPB neemt beleidsontwikkelingen na het basisjaar in beginsel wel mee in de raming. In de CEP-raming van het CPB zijn ook de plannen van het kabinet meegenomen.
In het basispad (het NFPC-scenario in het DSA-model en onderliggende aangepaste technische informatie) lopen de schuld en het tekort op tot respectievelijk 60,1% en 4,1% bbp in 2039 (zie tabel A1). Dit scenario toont de ontwikkeling van de Nederlandse overheidsfinanciën in het DSA-model van de Commissie en onderliggende aangepaste technische informatie in het geval van ongewijzigd beleid.
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bruto Schuld | 56 | (% bbp) | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,8 | 46,8 | 46,9 | 47,0 | 47,7 | 48,6 | 49,7 | 51,0 | 52,5 | 54,2 | 56,1 | 58,1 | 60,1 |
| Overheidssaldo | 76 | (% bbp) | -0,9 | -1,6 | -2,4 | -1,8 | -1,8 | -1,8 | -1,8 | -2,2 | -2,5 | -2,7 | -2,9 | -3,1 | -3,4 | -3,7 | -3,9 | -4,1 |
| Structureel primair saldo | 12 | (% pot. bbp) | 0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 | -0,4 |
| Conjunctuurcomponent | 61 | (% pot. bbp) | 0,0 | 0,5 | 0,6 | 0,4 | 0,3 | 0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 | -0,1 |
| Rentelasten | 67 | (% bbp) | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,4 | 1,5 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 1,9 |
| Langetermijnrente | 36 | (%) | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 4,0 |
| Kortetermijnrente | 37 | (%) | 3,6 | 2,2 | 1,9 | 2,0 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,3 | 3,2 | 3,1 | 3,1 | 3,0 |
| Impliciete gemiddelde rentevoet | 35 | (%) | 1,6 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,1 | 2,2 | 2,4 | 2,5 | 2,7 | 2,8 | 3,0 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 |
| Potentieel bbp | 26 | (% groei) | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| Reëel bbp | 23 | ((% groei) | 1,1 | 1,8 | 1,3 | 1,6 | 1,5 | 1,4 | 1,4 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| bbp-deflator | 41 | (% groei) | 5,7 | 3,2 | 3,3 | 2,5 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,2 | 2,2 |
| Nominaal bbp | 32 | (% groei) | 6,9 | 5,0 | 4,6 | 4,1 | 4,0 | 3,9 | 3,8 | 3,5 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 |
| Begrotingsmultiplier | (%) | 0,6 |
Tabel A1: saldo- en schuldprojecties Commissie en onderliggende aannames (no-fiscal-policy-change)
Tabel A2 toont hoe de overheidsfinanciën zich in het DSA-model en onderliggende aangepaste technische informatie ontwikkelen in het geval de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven niet wordt overschreden. Dit scenario heet het ‘adjustment-scenario’ en is de basis voor het bepalen van het uitgavenpad. Het DSA-model van de Commissie is zo ingericht dat het tekort en de schuld in dit scenario tot en met 2039 voldoen aan de bovengenoemde vereisten. De maximaal toegestane groei van de uitgaven die hiertoe leidt wordt modelmatig bepaald. Aangezien de door het CPB voor Nederland geraamde uitgavengroei de maximaal toegestane groei niet overschrijdt, voldoet Nederland in het DSA-model van de Commissie aan het vereisten (zie ook hoofdstuk 2). Tabel A3 toont de onderliggende componenten van de schuld.
De ramingsmethodiek van de Commissie is leidend in het bepalen van het uitgavenpad. Dit betekent dat de groei van de netto primaire uitgaven niet hoger mag uitvallen dan de maximaal toegestane groei die de aangepaste technische informatie voorschrijft. Deze maximaal toegestane groei zorgt ervoor dat het tekort en de schuld in het DSA-model van de Commissie ook op de middellange termijn onder de 3% en 60% blijven. Uiteindelijk zal de Commissie het FSP beoordelen, waarna de Raad de aanbeveling voor het uitgavenpad vaststelt.
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bruto Schuld | 57 | (% bbp) | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,5 | 46,1 | 45,6 | 45,2 | 45,1 | 45,2 | 45,5 | 46,1 | 46,8 | 47,7 | 48,8 | 50,0 | 51,2 |
| Overheidssaldo | 77 | (% bbp) | -0,9 | -1,6 | -2,4 | -1,5 | -1,3 | -1,2 | -1,2 | -1,5 | -1,7 | -1,8 | -2,0 | -2,2 | -2,5 | -2,8 | -2,8 | -3,0 |
| Structureel primair saldo | 12 | (% pot. bbp) | 0,4 | -0,4 | -0,3 | -0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Conjunctuurcomponent | 62 | (% pot. bbp) | 0,0 | 0,5 | 0,6 | 0,5 | 0,4 | 0,3 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| One-off | 14 | (% bbp) | 0,5 | 0,0 | -0,7 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Rentelasten | 68 | (% bbp) | 0,7 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | 0,9 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,4 | 1,4 | 1,5 | 1,6 |
| Langetermijnrente | 37 | (%) | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,2 | 3,3 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 3,9 | 4,0 |
| Kortetermijnrente | 38 | (%) | 3,6 | 2,2 | 1,9 | 2,0 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,1 | 3,3 | 3,2 | 3,1 | 3,1 | 3,0 |
| Impliciete gemiddelde rentevoet | 36 | (%) | 1,6 | 1,6 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,1 | 2,2 | 2,3 | 2,5 | 2,6 | 2,8 | 2,9 | 3,0 | 3,1 | 3,2 | 3,3 |
| Stock-flow-aanpassing | 72 | (% bbp) | -0,1 | 1,3 | 2,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| Potentieel bbp | 27 | (% groei) | 1,8 | 1,7 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,0 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| Reëel bbp | 24 | ((% groei) | 1,1 | 1,8 | 1,3 | 1,5 | 1,3 | 1,4 | 1,3 | 1,2 | 1,2 | 1,0 | 1,0 | 1,1 | 1,1 | 1,2 | 1,3 | 1,5 |
| bbp-deflator | 42 | (% groei) | 5,7 | 3,2 | 3,3 | 2,5 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,4 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,3 | 2,2 | 2,2 |
| Nominaal bbp | 33 | (% groei) | 6,9 | 5,0 | 4,6 | 4,0 | 3,8 | 3,8 | 3,7 | 3,6 | 3,6 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,4 | 3,5 | 3,6 | 3,7 |
Tabel A2: saldo- en schuldprojecties en onderliggende aannames (adjustment-scenario)
| 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bruto Schuld | 92 | (% bbp) | 43,7 | 44,4 | 46,8 | 46,5 | 46,1 | 45,6 | 45,2 | 45,1 | 45,2 | 45,5 | 46,1 | 46,8 | 47,7 | 48,8 | 50,0 | 51,2 |
| Waarvan Geherfinancierde langlopende schuld | 94 | (% bbp) | 0,0 | 3,5 | 2,3 | 2,5 | 2,7 | 2,8 | 2,9 | 3,0 | 3,1 | 3,3 | 3,4 | 3,6 | 3,6 | 3,7 | 3,8 | 3,9 |
| Waarvan Geherfinancierde kortlopende schuld | 95 | (% pot. bbp) | 0,0 | 3,6 | 3,5 | 3,8 | 3,8 | 3,8 | 3,7 | 3,7 | 3,7 | 3,7 | 3,8 | 3,8 | 3,9 | 4,0 | 4,1 | 4,2 |
| Waarvan Nieuwe langlopende schuld | 96 | (% pot. bbp) | 0,0 | 0,8 | 4,0 | 1,4 | 1,1 | 1,1 | 1,1 | 1,3 | 1,5 | 1,7 | 1,8 | 2,0 | 2,2 | 2,5 | 2,6 | 2,7 |
| Waarvan Nieuwe kortlopende schuld | 97 | (% bbp) | 0,0 | 0,1 | 0,4 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,3 | 0,3 | 0,3 |
Tabel A3: onderliggende componenten van de schuld bij het ‘adjustment scenario’
Aanpassingen van de macro-economische en begrotingsaannames in de technische informatie voor het DSA-model van de Commissie
De Commissie bepaalt aan de hand van haar DSA-model en de onderliggende technische informatie de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven. Verordening 2024/1263 schrijft voor dat lidstaten in hun budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn gebruik mogen maken van afwijkende aannames onderliggend aan deze maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven, en daarmee de prognoses van de overheidsfinanciën in de ramingsmethodiek van de Commissie. In dit geval moeten zij de verschillen op transparante wijze en op basis van deugdelijke economische argumenten naar behoren toelichten en motiveren in de technische dialoog en in hun nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn. Enkele aannames zijn in de oorspronkelijk gedeelde technische informatie van de Commissie geactualiseerd.
Voor het structureel primair saldo voor 2025 wordt uitgegaan van de meest recente raming van het CPB (-0,357% bbp) in plaats van de -0,6% bbp uit de gedeelde technische informatie van de Commissie. Hiervoor is gekozen omdat de CEP-raming van het CPB is gebaseerd op recentere en meer gedetailleerde begrotingsgegevens dan de herfstraming (2025) van de Commissie.
Voor enkele variabelen is de technische informatie geactualiseerd op basis van recente realisatiecijfers van het CBS (tabel A4). Het gaat hierbij om de schuldquote voor 2025 (44,4%) en de bbp-groei over 2025 (1,8%). De stock-flow adjustment20 wordt in het model aangepast naar 1,08% in 2025 om de actualisatie van de schuldquote te verwerken. Deze aanpassingen worden niet gebruikt om de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven aan te passen.
| Technische informatie | Aangepaste technische informatie | |
|---|---|---|
| Schuldquote 2025 | 45,2% bbp | 44,4% bbp |
| Reële groei bbp 2025 | 1,697% | 1,8% |
| Stock-Flow-Adjustment 2025 | 1,579 %bbp | 1,0799 %bbp |
Voor de bbp-deflator in 2027 wordt uitgegaan van de meest recente raming van het CPB (2,5%), in plaats van de 2,1% uit de technische informatie van de Commissie (tabel A5). Voor 2026 wordt juist vastgehouden aan de raming van de Commissie (3,3%), die hoger ligt dan die van het CPB (2,9%). Deze keuzes zijn gebaseerd op de verwachting dat de inflatie in de periode 2026-2027 cumulatief hoger zal uitvallen dan eerder voorzien. Gezien de huidige geopolitieke spanningen en de marktverwachtingen is het aannemelijk dat de inflatie in de periode 2026-2027 hoger uitvalt door de doorwerking van geïmporteerde energieprijzen in de binnenlandse prijzen. Het CPB geeft in een scenario-analyse in het CEP dan ook aan dat de inflatie in 2026 door de oorlog in het Midden-Oosten 0,6%-punt hoger kan uitvallen dan hun initiële raming. Daarom is voor dit jaar gekozen om vast te houden aan de hogere raming uit de technische informatie van de Commissie. Voor 2027 verwacht het CPB op basis van diezelfde analyse dat de inflatie weliswaar 0,1%-punt lager uitvalt dan in hun basisscenario, maar dit cijfer is nog steeds hoger dan de raming van de Commissie. Na 2027 neemt de inflatie in de aangepaste reeks geleidelijk af tot 2,3% in 2035.
| 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | ... | 2035 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| bbp-deflator technische informatie | 3,154 | 3,263 | 2,103 | 2,125 | 2,3 | |
| bbp-deflator aangepaste technische informatie | 3,154 | 3,263 | 2,455 | 2,473 | 2,3 |
Tabel A6 toont de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven op basis van zowel de initiële als de aangepaste technische informatie. In de aangepaste technische informatie zijn de twee bovengenoemde variabelen aangepast. Dit resulteert in een maximaal toegestane cumulatieve uitgavengroei over de periode 2026-2029 die gelijk is aan de door het CPB geraamde cumulatieve uitgavengroei. Ditzelfde geldt voor de periode 2026-2030. Vervolgens is ook de jaarlijkse groei in lijn gebracht met die van het CPB, zodat de reeksen die volgen uit het DSA-model ook consistent zijn met de door het CPB-geraamde jaarlijkse geraamde uitgavengroei. Dit laatste heeft verder geen invloed op de cumulatieve uitgavengroei over de budgettaire aanpassingsperiode (2026-2029). De Commissie hanteert deze aangepaste technische informatie als uitgangspunt voor de beoordeling van dit FSP (zie ook tabellen 3c, 3d, 4c, 7a en 7b).
| Groei in % | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
|---|---|---|---|---|---|
| Technische informatie Europese Commissie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven jaarlijks | 4,3 | 3,0 | 3,0 | 2,9 | 3,3 |
| Technische informatie Europese Commissie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven cumulatief | 4,3 | 7,5 | 10,7 | 14,0 | 17,7 |
| Aangepaste technische informatie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven jaarlijks | 4,7 | 3,5 | 3,1 | 3,5 | 3,7 |
| Aangepaste technische informatie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven cumulatief | 4,7 | 8,3 | 11,7 | 15,6 | 19,9 |
Tabel A6: Uitgavengroei op basis van de oorspronkelijke en aangepaste technische informatie
Tabel A7 toont het benodigde structureel primair saldo (SPS) aan het einde van de aanpassingsperiode op basis van het DSA-model van de Commissie en de onderliggende (aangepaste) technische informatie. Het benodigde SPS is 0,1% bbp aan het einde van de aanpassingsperiode op basis van de initiële technische informatie. Op basis van de aangepaste technische informatie, zoals voorgesteld in het voorliggende FSP, is dit 0,0% bbp.
Tabel A7: Benodigd structureel primair saldo (SPS) aan einde aanpassingsperiode op basis van het DSA-model van de Commissie, in de originele en aangepaste technische informatie
| Technische informatie | Aangepaste technische informatie | |
|---|---|---|
| Benodigd SPS aan einde aanpassingsperiode (zonder verlenging) | 0,1% bbp | 0,0% bbp |
| Verschil met SPS 2025 | 0,6% bbp | 0,4% bbp |
Annex 2: Beoordeling Raad van State
In de voorjaarsrapportage 2026 zal de Raad van State onder andere ingegaan op de vereisten vanuit het hervormde SGP. De onderdelen van de voorjaarsrapportage die relevant zijn voor dit budgettair-structureel plan zullen hieronder worden toegevoegd. Hiermee zal worden voldaan aan de vereiste dat het plan onafhankelijk getoetst moet worden door de Raad van State.
Annex 3: Consultatie Sociaal Economische Raad
In deze bijdrage delen wij de voornaamste boodschappen die wij als Sociaal Economische Raad (SER)21 mee willen geven aan de Nederlandse regering en aan de Europese Commissie in haar beoordeling van het Nederlandse plan, maar geven wij geen integraal oordeel over het coalitieakkoord. Onze inbreng is gebaseerd op de eerdere prioriteiten die wij het kabinet hebben meegegeven tijdens het formatieproces22 alsmede de brief met hervormingsprioriteiten die wij hebben gestuurd naar de verkiezingsprogrammacommissies23.
Voor de SER dient begrotingsbeleid aan te sluiten op de principes van brede welvaart. Het begrotingsbeleid dient het welzijn te bevorderen, in het hier en nu, maar ook voor toekomstige generaties en andere delen van de wereld. Daarnaast dient het niet alleen gericht te zijn op materiële welvaart, maar ook op indicatoren rondom gezondheid, veiligheid, sociale relaties, milieu en werk-privébalans.
De afspraken uit het pensioenakkoord, het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ en het SER-MLT24 moeten blijven gelden. Het arbeidsmarktpakket dat nu gepresenteerd is in het FSP komt daarnaast op onderdelen niet overeen met de prioriteiten die wij aan de informateur hebben meegegeven. Ook onderstrepen wij dat belangrijke wetgeving uit het SER-MLT onderdeel is van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan en daarmee van de landspecifieke aanbevelingen uit het Europees Semester.
De SER onderschrijft het belang van houdbare overheidsfinanciën, maar maatregelen kunnen niet worden genomen zonder breed maatschappelijk draagvlak. De afgelopen jaren heeft de Europese Commissie kritiek geuit op het Nederlandse begrotingsbeleid. Zonder aanvullend beleid schiet het begrotingstekort op termijn door de toegestane 3% en verslechtert de Nederlandse schuldpositie. Zie in dit verband het landenrapport van de Europese Commissie en de landspecifieke aanbevelingen 2025, waarin de Commissie stelt dat Nederland economische knelpunten voor de lange termijn onvoldoende aanpakt. Wij zien als SER dat ingrepen in de overheidsfinanciën voor houdbaarheid op de lange termijn van belang zijn, mits deze in lijn zijn met het bevorderen van brede welvaart op lange termijn. Tegelijkertijd geven wij het kabinet mee dat deze maatregelen wel gebaseerd moeten zijn op breed maatschappelijk draagvlak, zoals onder andere verwoord in de brief van de SER aan de informateur.
De Europese begrotingsregels bieden voor de korte termijn incidenteel ruimte om budgettair beleid beter aan te laten sluiten op langjarige uitdagingen. Dit kan bijvoorbeeld via de ontsnappingsclausule voor defensie of het verlengen van de aanpassingsperiode in ruil voor hervormingen en investeringen die verifieerbaar bijdragen aan schuldhoudbaarheid. Deze ruimte is nu niet genomen. Het is van belang dat de regering haar keuzes en onderbouwing in deze transparant maakt.
Wij roepen het kabinet op om voldoende ruimte vrij te maken om te investeren in de toekomst. Investeringen en hervormingen gericht op de lange termijn kunnen bijdragen aan schuldhoudbaarheid. Hiertoe is het van belang dat de regering baten van beleid over een langere begrotingshorizon voldoende meeneemt in haar weging en inzicht geeft in investeringstekorten ten opzichte van gezamenlijke Europese prioriteiten.25
Betrokkenheid van sociale partners is van cruciaal belang voor transparante en inclusieve beleidsvorming.26 Wij constateren dat het kabinet dit keer slechts de mogelijkheid bood aan de SER om achteraf commentaar toe te voegen onder hoge tijdsdruk. Wij zouden dit graag in een eerder stadium en met meer tijd doen zodat er ruimte is voor inhoudelijke verdieping.
De SER ziet uit naar de beoordeling van het budgettair-structureel plan. In de eerdere brief aan de informateur heeft de SER een handreiking gedaan om te komen tot een breed maatschappelijk draagvlak voor hervormingen en investeringen. De uitgangspunten in die brief zijn nog steeds relevant.
Annex 4: Toelichting hervormingen en investeringen
In deze annex wordt toelichting gegeven op de verschillende hervormingen en investeringen die in het budgettair structureel plan genoemd worden (in Hoofdstuk 6). De hervormingen zijn geclusterd per thema. De nummers in Tabel A8 corresponderen met de nummers in de toelichting onder de tabel.
Tabel A8: Hervormingen en investeringen
| Hervormingen/investeringen | HVP/MFK27 | LSA28 | Gemeenschappelijke prioriteit29 | |
|---|---|---|---|---|
| Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||||
| Duurzame landbouw | ||||
| (Coalitieakkoord) Investering: investeringspakket voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak | - | 2025 4.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Hervorming: Startpakket uit de ministeriële commissie economie en natuurherstel (MCEN) | - | 2025 4.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Investering: omschakelprogramma ‘duurzame landbouw' | - | 2024.4.2 2023.4.4 2022.4.5 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Hervorming: (addendum op) 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn | - | 2025 4.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Transitie naar hernieuwbare energie | ||||
| (Coalitieakkoord) Investering: Continuering SDE++ na 2027 t/m 2032 (8 mld. per jaar) | - | 2025.4.1/4.2 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4, | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| (Coalitieakkoord) Investering: Wind op Zee uitbreiding tot 40 GW in 2040 (cumulatief 60 mld. tot 2055) | - | 2025.4.1/4.2 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4, | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
(Coalitieakkoord) Investering: Uitvoeringsmiddelen voor medeoverheden van € 800 mln. van 2031-2040 |
- | 2025.4.1/4.2 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4, | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet , Energiezekerheid | |
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Crisiswet Netcongestie | 2025.4.3 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet , Energiezekerheid | ||
| Hervorming: Landelijk Actieprogramma Netcongestie | HVP (C8-R1) | 2025.4.3 2024.4.1 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet , Energiezekerheid | |
| Investering: Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat | HVP (C8-R1) | 2024.4.1 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Investering: Programma Energiehoofdstructuur | - | 2024.4.1 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Investering : Klimaat- en Energiefonds | - | 2023.4.2 2022.4.2 2020.3.4 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
Energie-efficiëntie, met name in de gebouwde omgeving |
||||
| Hervorming: Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving (PVGO) |
- | 2023.4.3 2022.4.3 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Vaardigheden t.b.v. de groene transitie | ||||
| Hervorming: Actieplan Groene en Digitale Banen | 2025.5.4. 2023.4.5 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten; een eerlijke digitale transitie; Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Onderzoek en ontwikkeling (R&D) | ||||
| (Coalitieakkoord) Investering: (NADI) Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie | 2025.3.1 2025.3.2 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| (Coalitieakkoord) Investering: Nationale investeringsinstelling (eenmalige storting van 3-5 mld.) | 2025.3.1 2025.3.2 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| (Coalitieakkoord) Investering: Innovatie regionale campussen (100 mln. EUR structureel) | 2025.3.1 2025.3.2 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Investering: Investeringen in onderzoek en ontwikkeling en kennisontwikkeling vanuit het Nationaal Groeifonds (in totaal wordt via het NGF 11 mld. EUR geïnvesteerd) | - | 2025.3.1 2025.3.2 |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Gerichte programma’s van het industriebeleid: extra inzet op 6 markten op basis van de NTS en groeimarktenanalyse. | 2025.3.1 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Overige maatregelen | ||||
| Investering: Strategie Digitale Economie: Generieke Instrumenten | - | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Investering: Strategie Digitale Economie: Specifieke Instrumenten | - | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Investering: Strategie Digitale Economie: Nationaal Groeifonds | - | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Investering: Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) | 2022.4.4 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | ||
| Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||||
| Belastingsysteem | ||||
| Hervorming: belasten van inkomen uit vermogen | - | 2024.1.3 2023.1.5 2022.1.4 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Woningmarkt | ||||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: maatregelen t.b.v. beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen | HVP (C3.1 R3-1, C3.1 R3-2, R3-4) | 2025.1.4 2025.1.5 2025.1.5 2024.1.4 2023.1.6 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Aanwijzing grootschalige woningbouwlocaties en NOVEX gebieden | - | 2024.1.4, 2023.1.6 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Investering: Financiële ondersteuning om sneller en betaalbaarder te kunnen bouwen (1 miljard jaarlijks tot en met 2035) | HVP (C3.1 R3-1, C3.1 R3-2) | 2024.1.4 2023.1.6 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Wet Versterking regie Volkshuisvesting Versnellen en verkorten beroepsprocedures | HVP (C3.1 R3-4) | 2024.1.4 2023.1.6 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Wet betaalbare huur: modernisering WWS, nieuwbouwopslag, afspraken met IVBN en corporatiesector over nieuwbouw middenhuur (100.000 woningen in totaal) | - | 2024.1.4 2023.1.6 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Wetsvoorstel Vereenvoudiging Huurtoeslag | - | 2024.1.4 2023.1.6 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Zorg | ||||
| Hervorming: Tijdelijk extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd (Nationale Zorgreserve en Sector Plan plus) | HVP (C5.1 I1-3) | 2020.1.2 2022.3 2023.3 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: IC-opschaling | HVP (C5.1 I2) | 2020.1.2 2022.3 2023.3 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Ouderenzorg (Hoofdlijnen-akkoord kabinet-Schoof) | - | 2024.1.5 | - | |
| Hervorming: Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking | - | 2024.1.5 | - | |
| Hervorming: Nationale dementiestrategie 2021 – 2030 | - | 2024.1.5 | - | |
| Hervorming: Verbeteren en Verbreden van de Toets op het Basispakket (VVTB or ‘improving and broadening the assessment of the Dutch basic benefit package’) | - | 2024.1.5 | - | |
| Hervorming: Kennisinfrastructuur in de Langdurige zorg | - | 2024.1.5 | - | |
| Arbeidsmarkt | ||||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Talentenstrategie, waaronder een drie-jaar-pilot om actief en gericht uit het buitenland halen van goed geschoolde krachten in vooraf afgebakende sectoren | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Het concurrentiebeding moderniseren | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Investering: een nieuwe LLO-regeling gericht op tekortsectoren en kansrijke beroepen, invoeren van een stelsel van individuele leerrechten | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Transitievergoeding | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: een meer activerende WW | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| (Coalitieakkoord) Hervorming: Meer uniformeren gemeentelijk re-integratiebeleid | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| 14. | Hervorming: Actieplan Groene en Digitale Banen | 2025.5.2 2023.4.5 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten; een eerlijke digitale transitie; Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | |
| Hervorming: Meer zekerheid flexwerkers | 2025.5.1 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Hervorming: Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen | HVP (C4.1 R2-1) | 2025.5.1 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Aanpak Arbeidsmarktkrapte | 2025.5.2 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Hervorming: Actieplan aanpak van schijnzelfstandigheid | HVP (C4.1 R4) | 2025.5.1 2024.3.1 2023.3.1 2022.3.3 2022.3.2 2022.3.1 2020.2.2 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Hervorming: Programma voor een inclusieve arbeidsmarkt | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Hervorming: Regionale Mobiliteitsteams/ Regionale Werkcentra | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Hervorming: Wet Breed Offensief | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Investering: Ontwikkelpaden | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 2020.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
Investering: SLIM-regeling a. SLIM-mkb regeling |
2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 2020.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Hervorming: Meer uren werkt! | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Investering: Van School naar Duurzaam werk | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Investering: Programma Simpel Switchen | 2025.5.2 2024.3.2 2023.3.3 2023.3.2 2022.3.5 2022.3.4 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
| Onderwijs | ||||
| (Coalitieakkoord) Investering: Aanpakken leerachterstanden | - | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| (Coalitieakkoord) Investering: Staatscommissie leerprestaties | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | ||
Hervorming: Nieuwe kerndoelen basisvaardigheden primair onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs |
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Hervorming: Nieuwe examenprogramma’s bovenbouw voortgezet onderwijs
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Subsidieregeling Verbetering basisvaardigheden
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: gerichte bekostiging basisvaardigheden
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Hervorming: toevoegen van het evidence-informed werken aan de wettelijke deugdelijkheidseisen funderend onderwijs
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: stimulering leerlingvolgsystemen in de onderbouw vo
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: BoekStart en de Bibliotheek op school
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Investering: extra ruimte voor kwalitatief goede leraren in het Onderwijsakkoord | - | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Regeling zij-instroom
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Regeling SOOL (subsidie onderwijsperso-l opleiding tot leraar)
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Regeling statushouders en de stap naar de klas
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Verhoging salarissen van leraren in het primair onderwijs
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Verlagen werkdruk
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Investering: Professionalisering leraren, schoolleiders en ondersteunend personeel | - | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
Investering: Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs
|
- | 2025.5.3 2024.3.3 |
Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Overige maatregelen | ||||
| Hervorming: Wet toekomst pensioenen | HVP (C4.1 R3) | 2022.1.5 | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |
| Project Beethoven | Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | |||
| Energiezekerheid | ||||
| Elektriciteitsnet | ||||
| 9. | Hervorming: Landelijke Actieprogramma Netcongestie | HVP (C8-R1) | 2025.4.3 2024.4.1, 2023.4.2, 2022.4.2, 2020.3.4, |
Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet , Energiezekerheid |
| Energie-efficiëntie, met name in de gebouwde omgeving | ||||
| 13. | Hervorming: Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving (PVGO) |
- | 2023.4.3 2022.4.3 | Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet |
| Overige maatregelen | ||||
| Hervorming: Wet bestrijden Energieleveringscrisis | - | - | Energiezekerheid | |
| Hervorming/Investering: Aanpassing Wet Voorraadvorming Aardolieproducten | - | - | Energiezekerheid | |
| Hervorming/Investering: CER/NIS | - | - | Energiezekerheid | |
| Hervorming/Investering: Waterstof | HVP (C1.1 I2-2) | 2023.4.5, 2023.4.2, 2023.4.1, 2022.4.1, 2022.4.2, 2020.3.2, 2020.3.5, 2020.3.4, |
Energiezekerheid | |
| Opbouw van defensiecapaciteiten | ||||
| Overige maatregelen | ||||
Investering 1: Investeringen Defensiebreed materieel 2024-2028 €10,96 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Investering 2: Investeringen Maritiem materieel 2024-2028 €13,98 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Investering 3: Investeringen Land materieel 2024-2028 €16,7 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Investering 4: Investeringen Lucht materieel 2024-2028 €14,85 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Investering 5: Investeringen Infrastructuur en Vastgoed 2024-2028 €8,83 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Investering 6: Investeringen IT 2024-2028 €9,13 mld |
- | - | de opbouw van defensiecapaciteiten | |
Toelichting maatregelen
Gemeenschappelijke prioriteit: Het verwezenlijken van een eerlijke groene en digitale transitie, met inbegrip van de klimaatdoelstellingen zoals vastgelegd in de Europese Klimaatwet
Duurzame Landbouw
Omschakelprogramma ‘duurzame landbouw’
Met het omschakelprogramma ‘duurzame landbouw’ wordt beoogd om de omschakeling naar duurzamere vormen van landbouw financieel mogelijk te maken voor agrarische ondernemers die in het kader van stikstofreductie en op basis van een levensvatbaar duurzaam bedrijfsplan willen omschakelen, maar daarbij tegen financiële belemmeringen aanlopen. Boeren worden binnen het programma ondersteund via demobedrijven, bedrijfsvouchers voor advies en de investeringsmaatregel: Investeringsfonds Duurzame Landbouw. Voor het omschakelprogramma is 175 miljoen euro gereserveerd, en de verwachte looptijd van het Investeringsfonds Duurzame Landbouw is tot 2034.
(Addendum) op het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn
Met het (addendum op) het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn beoogt Nederland de maatregelen te nemen om te voldoen aan de doelen van de Nitraatrichtlijn en daarmee een bijdrage te leveren aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Inmiddels wordt gewerkt aan het opstellen van een 8e actieprogramma.
Start- en vervolgpakket uit de ministeriële commissie economie en natuurherstel (MCEN)
Met het startpakket dat is voortgekomen uit de MCEN beoogd Nederland bij te dragen aan de stikstofproblematiek en natuurherstel. De middelen uit deze pakketten worden gebruikt voor vrijwillige beëindigings- en extensiveringsregelingen, het inrichten van een doelsturingsmethodologie, een regionale maatwerkaanpak voor o.a. de Veluwe en de Peel, aanvullende natuurherstelmaatregelen en verbetering van de natuurmonitoring. Er wordt momenteel gewerkt aan de verschillende maatregelen, waarvan enkelen reeds ter notificatie bij de Europese Commissie zijn voorgelegd.
Coalitieakkoord: investeringspakket voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak
In het coalitieakkoord van het Kabinet-Jetten I is 20 miljard euro gereserveerd voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak. Daaruit volgen middelen voor verschillende maatregelen aangekondigd in het MCEN-vervolgpakket, zoals innovatie en een gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast is er in het akkoord aandacht voor generieke maatregelen, gebiedsgerichte stikstofreductie rond kwetsbare natuurgebieden, natuurbehoud en -herstel, en doelsturing. Dit zal in de komende maanden nader worden uitgewerkt.
Transitie naar hernieuwbare energie
Coalitieakkoord: Continuering SDE++ na 2027 t/m 2032 (8 mld. per jaar)
De SDE++ is het belangrijkste subsidie-instrument voor de grootschalige productie van hernieuwbare energie en andere CO2-reducerende technieken. De SDE++ wordt jaarlijks opengesteld. In 2025 en in 2026 is er een budget beschikbaar van € 8 miljard. In het coalitieakkoord heeft het kabinet middelen vrijgemaakt waarmee de SDE++ tot en met 2032 voor € 8 miljard per jaar kan worden opengesteld.
Coalitieakkoord: Wind op Zee uitbreiding tot 40 GW in 2040 (cumulatief 60 mld. tot 2055)
In het coalitieakkoord is opgenomen dat voor het behalen van 40GW via Wind op Zee in 2040 investeringsmiddelen worden vrijgemaakt tot 2050. Daarnaast is opgenomen dat 139 miljoen euro structureel wordt uitgetrokken voor de integrale Noordzee investeringsopgave voor onder meer veiligheid en natuur.
Coalitieakkoord: Uitvoeringsmiddelen voor medeoverheden van € 800 mln. van 2031-2040
In het coalitieakkoord is opgenomen dat naar aanleiding van het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) tussen 2031 en 2040 jaarlijks 800 miljoen euro wordt uitgetrokken voor de uitvoering van klimaat- en energiebeleid door medeoverheden.
Coalitieakkoord: Crisiswet Netcongestie
Het aanpakken van de netcongestieproblemen heeft de hoogste prioriteit van het kabinet. Naast de lopende aanpakken en het wetgevingsprogramma “sneller uitbreiden elektriciteitsnet” is in het coalitieakkoord een Crisiswet Netcongestie aangekondigd, hiermee moeten de procedures voor vergunningen worden versneld en mogelijkheid worden gegeven om in te grijpen als de bouw/aanleg stagneert.
Landelijk Actieprogramma Netcongestie
Het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) is bedoeld om de uitdagingen rondom het elektriciteitsnet aan te pakken. Netbeheerders voeren investeringen op om het net sneller uit te breiden en het flexibel en optimaal te gebruiken. Het kabinet maakt het wettelijk mogelijk om procedures, en daardoor doorlooptijden, voor energie-infrastructuurprojecten te versnellen. Hiermee draagt het programma bij aan het verbeteren van de randvoorwaarden om investeringen in het elektriciteitstransmissie- en het elektriciteitsdistributienet te stimuleren.
Deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C8-I1).
Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat
Met het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) versnelt de Rijksoverheid de besluitvorming over de aanleg van de benodigde energie-infrastructuurprojecten, krijgen bepaalde projecten meer prioriteit in de investeringsplannen van de netbeheerders en worden knelpunten bij de realisatie van projecten zoveel mogelijk weggenomen. Deze projecten zijn essentieel voor de verduurzaming van de industrie, de mobiliteit, de gebouwde omgeving en voor de realisatie van windenergie op zee. Het MIEK richt zich op de modaliteiten die centraal staan in de energietransitie: elektriciteit, waterstof(-derivaten) en groen gas, CO2-transport en -opslag, en warmte. Prioritaire projecten van nationaal schaalniveau zitten in het nationale MIEK, projecten van regionaal schaalniveau in het provinciale MIEK.
Deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C8-I1).
Programma Energiehoofdstructuur
Voor de ruimtelijke planning van de energie-infrastructuur van nationaal belang richting 2050 werkt Nederland aan de uitvoering van het vastgestelde Programma Energiehoofdstructuur (PEH). Deze maatregel is bedoeld om toekomstige energieprojecten sneller te kunnen realiseren. Aan de hand van verschillende scenario’s voor de ontwikkeling van het klimaatneutrale energiesysteem voor 2050 kijkt het PEH naar de benodigde ruimte om knelpunten in het energiesysteem op te lossen. Door proactief ruimte vrij te maken voor toekomstige ontwikkelingen kunnen toekomstige energieprojecten sneller worden gerealiseerd. Hiermee draagt het programma bij aan het verbeteren van de randvoorwaarden om investeringen in het elektriciteitstransmissie- en het elektriciteitsdistributienet te stimuleren.
Klimaat- en Energiefonds
Om het klimaat- en energiebeleid te financieren is een Klimaat- en Energiefonds voor de komende 10 jaar opgericht, aanvullend op de huidige Subsidieregeling Duurzame Energie SDE++. Bij aanvang was 35 miljard euro beschikbaar, in verband met diverse mutaties is via het fonds ongeveer 45 miljard euro beschikbaar gesteld voor investeringen in de Klimaat- en Energietransitie. Deze middelen zijn deels al toegekend voor specifieke maatregelen en tot besteding gekomen en deels nog niet. Het fonds helpt om de benodigde energie-infrastructuur (elektriciteit, warmte, waterstof en CO2) aan te leggen, de groene industriepolitiek te verwezenlijken en de mobiliteit en de gebouwde omgeving te verduurzamen. Tevens wordt extra ingezet op de stimulering van het aanbod van hernieuwbare energiebronnen, door in te zetten op extra wind op zee, zon-op-dak, aardwarmte, groen gas en aquathermie, alsmede op de productie en import van waterstof. Naast hernieuwbare energie wordt ook ingezet op andere CO2-arme technologieën, om onder meer de afhankelijkheid van de import van gas te verkleinen, middels het voornemen de kerncentrale in Borssele langer open te houden en de benodigde stappen te zetten voor de bouw van nieuwe kerncentrales. Hiermee draagt het fonds bij aan steun voor investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en overige technologieën ter vermindering van broeikasgasemissies.
Energie-efficiëntie, met name in de gebouwde omgeving
Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving (PVGO)
Het doel van het Programma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving is een restemissie van 13,2 Mton CO₂ in 2030. Naast CO₂-doelen is er sinds de publicatie van de nieuwe Europese Energy Efficiency Directive (EED) ook meer aandacht voor het reduceren van het finale energiegebruik. De operationele doelstellingen voor de gebouwde omgeving zoals geformuleerd in het programma zijn:
1 miljoen geïsoleerde huurwoningen
1,5 miljoen geïsoleerde koopwoningen
120.000 verduurzaamde utiliteitsgebouwen
1 miljoen hybride warmtepompen in bestaande bouw
500.000 extra warmtenet aansluitingen in bestaande bouw
1,5 miljoen verduurzaamde woningen binnen de wijkaanpak
Het Programma, gestart in 2022, bestaat uit vijf programmalijnen.
gebiedsgerichte/wijkgerichte aanpak
individuele aanpak woningen (koop- en huurwoningen)
aanpak utiliteitsgebouwen
bronnen en infrastructuur
innovatie in de bouw
In juni 2024 is de tweede voortgangsrapportage gepubliceerd. Daaruit bleek dat de CO2-uitstoot van woningen en gebouwen tussen 1990 en 2023 met 38% is gedaald van 30 naar 18,6 megaton CO₂. Bijna de helft van die daling vond plaats in de laatste twee jaar. Hiermee komt de doelstelling in zicht om de CO₂-uitstoot van de gebouwde omgeving in 2030 met meer dan 55 procent te verlagen ten opzichte van 1990. Tussen 2021 en 2023 nam het aardgasverbruik in woningen met een kwart af. In 2024 is het aardgasverbruik t.o.v. 2023 weer licht gestegen. De grote daling tussen 2021 en 2023 komt door verduurzaming van woningen en voor een belangrijk deel door zuiniger gedrag. Gezien de lichte stijging in 2024 is het de vraag of de dalende lijn in 2025 weer wordt hervat en in welke mate. Inzet blijft nodig om de doelstellingen te halen.30
Vaardigheden t.b.v. de groene transitie
Actieplan Groene en Digitale banen
Het kabinet heeft het Actieplan Groene en Digitale Banen gepresenteerd, waarin extra inspanningen worden aangekondigd om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken in sectoren die cruciaal zijn voor energie- en klimaattransities.
Maatregelen van technische en ICT-werkgevers.
Aanvullende maatregelen vanuit het generieke tekort op de arbeidsmarkt.
Aanvullende maatregelen specifiek voor de groene en digitale transitie.
De maatregelen moeten leiden tot een effect op:
Verhoging instroom in bèta- en techniekonderwijs;
Behoud en toename van technische werknemers in techniek en ICT;
Arbeidsproductiviteit verhogende innovaties;
Het versterken van de governance en het voorkomen van versnippering van initiatieven.
Het opschalen van succesvolle regionale publiek-private partnerschappen in het beroepsonderwijs is een van de belangrijkste maatregelen van het actieplan. Het kabinet investeert 210 miljoen euro in deze publiek-private partnerschappen om bij te dragen aan het aanbieden en verwerven van vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de groene transitie. Naast gerichte inspanningen voor vaardigheden voor de transitie investeert de Nederlandse overheid ook in een brede leercultuur. Een leven lang leren is essentieel voor een dynamische en wendbare arbeidsmarkt die verschillende transities kan ondersteunen, waaronder de groene transitie. Via het Nationaal Groeifonds (NGF) zet het kabinet hier ook op in met de projecten 'Versterking infrastructuur Leven Lang Leren' en de 'Nationale Katalysator Leven Lang Leren', gericht op de energie- en grondstoffentransitie . Tot slot investeert het kabinet de komende jaren ruim 350 miljoen euro in het programma Techkwadraat. Dit programma is een van de nieuwste maatregelen uit het Actieplan Groene en Digitale Banen. Het doel is om alle kinderen en jongeren in de leeftijdsfase van het primair en voortgezet onderwijs in aanraking te laten komen met de kansen van (natuur)wetenschap, techniek, technologie en ICT. Dit draagt ook bij aan het versterken van het innovatieve vermogen van Nederland, en op de lange termijn aan de Nederlandse productiviteit.
Nieuwe kerndoelen basisvaardigheden primair onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs
Deze maatregel is bedoeld om tot nieuwe kerndoelen voor basisvaardigheden in primair onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs te komen. De conceptkerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde zijn in najaar van 2023 opgeleverd. De conceptkerndoelen voor burgerschap en digitale geletterdheid zijn in het voorjaar van 2023 opgeleverd. De overige leergebieden worden in het najaar van 2024 verwacht. Om scholen en leraren te ondersteunen bij de implementatie van de nieuwe kerndoelen ontwikkelt SLO de komende tijd in opdracht van OCW tussendoelen, leerlijnen en handreikingen. Over andere aspecten van de implementatie, zoals bij- en nascholing van leraren, worden de komende tijd gesprekken gevoerd met het onderwijsveld.
Onderzoek en ontwikkeling (R&D)
Coalitieakkoord: NADI
Naar aanleiding van het 3%-R&D-actieplan heeft een ambtelijke projectgroep een verkenning uitgevoerd naar de oprichting van een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). De oprichting van zo’n organisatie, naar voorbeeld van het Advanced Research Projects Agency (ARPA) model uit de Verenigde Staten, is ook opgenomen in het coalitieakkoord van het aanstaande kabinet, en hiervoor zijn 500 miljoen euro middelen gereserveerd. Hierover zal nog nadere besluitvorming plaatsvinden. Met NADI kan Nederland een onafhankelijke organisatie creëren die het doel heeft om complexe maatschappelijke problemen rondom onder meer veiligheid, energie, gezondheid en digitalisering op te lossen door baanbrekende innovaties te forceren. Buitenlandse succesvoorbeelden laten zien dat dit gepaard gaat met aanmerkelijke economische spill-overs. Anders dan bestaande instrumenten combineert NADI hoge risicotolerantie met snelle en flexibele besluitvorming en financiering over de gehele innovatieketen.
Coalitieakkoord: Nationale Investeringsinstelling
Twee jaar na de start van het kabinet wordt een Nationale Investeringsinstelling opgericht om de Nederlandse kapitaalmarkt te versterken. Invest-NL en Invest International vormen de bouwstenen voor deze instelling. Hiermee ontstaat een krachtige investeringsinstelling om in Nederland substantieel kapitaal beschikbaar te stellen en te mobiliseren voor Nederlandse bedrijven. Zo stimuleert de Nationale Investeringsinstelling niet alleen groei en innovatie, het versterkt ook de concurrentiekracht, productiviteit en internationale waardeketens van Nederlandse bedrijven, en draagt daarmee direct bij aan zowel het verdienvermogen en de strategische economische positie van Nederland als aan internationale projecten die voorzien in oplossingen voor wereldwijde vraagstukken. Voor de komende jaren is momenteel ruim 1,1 miljard euro gereserveerd ten behoeve van het kernkapitaal van Invest-NL en Invest International. In het coalitieakkoord is daarnaast opgenomen dat er 3-5 miljard euro wordt gereserveerd voor een kapitaalstorting in de Nationale investeringsinstelling.
Coalitieakkoord: Regionale innovatieclusters
Voor de uitvoering van de Nationale Technologiestrategie, regionale innovatieclusters, deelname aan Europese innovatieprogramma’s en publiek-private innovatieprogramma’s worden structureel middelen toegevoegd aan de begroting van Economische Zaken.
Investeringen in onderzoek en ontwikkeling vanuit het Nationaal Groeifonds (11 miljard euro)
Met het Nationaal Groeifonds wordt 11 mld. euro geïnvesteerd in projecten die bijdragen aan het duurzaam verdienvermogen van Nederland. Deze middelen worden geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling en kennisontwikkeling. Hoewel het Nationaal Groeifonds niet wordt gecontinueerd met nieuwe indieningsrondes, worden komende jaren nog significante investeringen gedaan rondom reeds gehonoreerde projecten, in totaal wordt hiermee 11 mld. euro geïnvesteerd. Enkele maatregelen binnen het NGF zijn onderdeel van het HVP.
Gerichte programma’s op zes markten uit Industriebeleid met focus
In oktober 2025 is de kamerbrief Industriebeleid met focus gepubliceerd waarin het kabinet een nieuwe koers in het industriebeleid aankondigt in het licht van de geopolitieke en economische uitdagingen. Als onderdeel van de nieuwe koers geeft het kabinet een extra impuls aan een beperkt aantal markten die belangrijk zijn voor verdienvermogen, weerbaarheid en maatschappelijke opgaven. Het kabinet zet met gericht industriebeleid in op de verdere versterking van de Nederlandse positie op halfgeleiders, biotechnologie, aan de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025-2029 (DSII) gerelateerde groeimarkten (in het bijzonder 6G, radar, lasersattelietcommunicatie, quantum), digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Dit zijn markten die uit technologie- en marktanalyses naar voren komen (Nationale Technologiestrategie en Groeimarkten voor Nederland). In het coalitieakkoord is aangegeven dat het kabinet doorgaat met het nieuwe strategische industriebeleid met focus op bepaalde domeinen en markten op basis van potentieel verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en belang voor onze strategische autonomie.
Overige maatregelen
Strategie Digitale Economie: Generieke Instrumenten
Generieke innovatie instrumenten bestaande uit subsidies en fiscale maatregelen kunnen door ondernemers worden gebruikt voor onderzoek en innovatie waar digitale technologie een onderdeel van kan zijn. Dit is een bottom-up aanpak met generiek instrumentarium zoals de WBSO (gericht op stimuleren van Research & Development), de PPS-toeslag (Privaat-Publieke Samenwerkingstoeslag), het Digital Europe Programma en Internationaal Innoveren. Hieronder worden enkelen uitgelicht. In totaal wordt er jaarlijks gemiddeld 460 miljoen euro uitgegeven aan generieke instrumenten ten behoeve van digitalisering. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
De fiscale regeling WBSO89 is gericht op het stimuleren van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O, ofwel R&D) door het bedrijfsleven. In 2022 ging ruim 15% van het budget (ongeveer 193 miljoen euro) naar innovatie met digitale technologie. Dit percentage is bepaald op basis van toegekende aanvragen uit het ICT-vakgebied. Aanvragen van bedrijven uit andere sectoren die wel S&O activiteiten uitvoeren op het gebied van ICT of digitalisering zijn hierin niet meegenomen, omdat deze lastiger te bepalen zijn. Hierdoor valt het percentage vermoedelijk hoger uit.
Het Digital Europe Programma (DIGITAL) is een programma binnen het MFK (Meerjarig Financieel Kader van de EU) om het innovatie- en concurrentievermogen van de EU te verhogen en de strategische digitale capaciteiten te versterken. Het budget dat beschikbaar is op de EZ begroting voor nationale cofinanciering door Nederland is in totaal 75 miljoen euro voor de gehele looptijd van het programma. Hieruit zijn de 6 European Digital Innovation Hubs, de Test en Experimenteerfaciliteiten AIMatters en Agrifood gecofinancierd; deze hebben direct bijdrage aan het digitalisering van de MKB en innovatie rondom AI.
In het kader van het beleid voor Internationaal Innoveren is voor Nederlandse deelname aan publiek-private onderzoeksprogramma’s in Europees verband cofinanciering beschikbaar. Deze middelen worden ingezet voor Eureka (Global Stars, Eureka-clusters) en de Joint Undertaking Key Digital Technologies (KDT JU), dat is gelieerd aan Horizon Europe. Beide initiatieven ondersteunen innovatiesamenwerking van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen met partners uit de EU-lidstaten en EU-geassocieerde landen als partners buiten de EU. Jaarlijks is hier 20 miljoen euro budget voor.
Strategie Digitale Economie: Specifieke Instrumenten
Specifieke middelen zijn middelen die zijn gealloceerd en worden toegekend aan specifieke programma’s met als doel de digitale economie te stimuleren. Gelet op dit doel hebben deze middelen een aandeel van 100% in de digitale economie, inclusief uitvoeringskosten. Dit zijn budgetten die een top down karakter hebben en op basis van het specifiek uit te voeren programma worden toegekend. Voorbeelden hiervan zijn IPCEI Cloudinfrastructuur en services (CIS), Smart Industries, IPCEI Micro Elektronica (ME2). Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
IPCEI (Important Project of Common European Interest) CIS richt zich op het creëren van een stelsel van verbonden Europese Cloud infrastructuren, bestaande uit een nieuwe generatie veilige, energie-efficiënte, privacy-vriendelijke, transparante en interoperabele clouddiensten. Voor deelname van Nederlandse partijen is vanuit EZ 75 miljoen euro beschikbaar.
IPCEI ME2 is gericht op het versterken van de productieketen en het behouden van het concurrentievoordeel van de innovatieve Europese Tech industrie. Hiermee worden Nederlandse startups, mkb-toeleveranciers en grootbedrijf toegang gegarandeerd tot de nieuwste micro en nano-elektronica en software. Voor deelname van Nederlandse partijen is vanuit EZ 71,2 miljoen euro beschikbaar.
Strategie Digitale Economie: Nationaal Groeifonds
Het Nationaal Groeifonds (hierna: NGF) is een specifiek geoormerkt investeringsfonds dat is gericht op publieke investeringen om het verdienvermogen van Nederland duurzaam te vergroten. Dit betreft extra investeringen, -incidenteel en niet-reguliere – op het terrein van (i) kennisontwikkeling en (ii) R&D en innovatie. Deze voorstellen worden aangedragen door ondernemers, mkb-bedrijven, kennisinstellingen en andere partijen uit het veld.
Het is niet voor alle projecten precies te bepalen welk deel van de investeringen aan de digitale economie toekomen. Wel is aan de hand van enkele criteria en een verdeelsleutel een inschatting gemaakt per toegekend project in de eerste twee tranches, we zien daarin dat er in totaal 1,4 miljard euro is geïnvesteerd in digitalisering. Enkele maatregelen binnen het NGF zijn onderdeel van het HVP.
Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA)
De subsidieregeling stelt bedrijven in staat om de uitrol van publiek toegankelijke laadlocaties te versnellen. De subsidie is bedoeld voor kosten die gemaakt worden om laadinfrastructuur voor zware elektrische voertuigen aan te leggen of uit te breiden. Ook is het mogelijk om aanvullende subsidie aan te vragen voor een stationaire batterij. De regeling is voor het eerst opengesteld in 2024 en heeft bijgedragen aan de realisatie van meer dan 300 laadstations in Nederland. In totaal is er in 2026 €14,5 miljoen beschikbaar voor de subsidie en de aanvraagperiode loopt van 3 februari 2026 tot 19 december 2026. De maatregel heeft een meerjarig karakter en draagt bij aan het versnellen van investeringen in duurzaam vervoer doordat het bedrijven aanmoedigt om te investeren in laadinfrastructuur voor zwaar vervoer zodat er een landelijk dekkend netwerk van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer wordt gerealiseerd. Dit vergemakkelijkt en versneld de overstap naar emissievrije voertuigen door vervoerders. Verder draagt de subsidieregeling bij aan het vergroten van de aanwezigheid van laadinfrastructuur rond de TEN-T-corridors en daarmee ook aan de AFIR-doelstellingen. De maatregel is geen onderdeel van het Herstel- en Veerkrachtplan.
Gemeenschappelijke prioriteit: Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten
Belastingsysteem
Belasten van inkomen uit vermogen
De afgelopen periode zijn er stappen gezet om het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2-vermogen) evenwichtiger te belasten. Hierdoor wordt inkomen uit aanmerkelijk belang breder in de heffing betrokken en meer in balans gebracht met de belasting op inkomen uit arbeid. Er is een gedifferentieerd tarief voor box 2 ingevoerd dat enerzijds stimuleert om winst eerder uit te keren en anderzijds om hogere winstuitkeringen zwaarder te belasten. Het lage Vpb tarief is verhoogd en de bijbehorende schijfgrens verlaagd.
De afgelopen periode is tevens gewerkt aan een wetsvoorstel om het huidige stelsel van box 3 (vermogensrendementsheffing) te hervormen naar een stelsel dat werkelijk rendement belast. De omvorming van box 3 naar een stelsel dat het werkelijk rendement belast past bij het evenwichtiger belasten van inkomen uit vermogen. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen en wordt binnenkort behandeld in de Eerste Kamer.
Woningmarkt
Coalitieakkoord: Maatregelen t.b.v. beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen
In het Coalitieakkoord 2026-2030 zijn maatregelen aangekondigd om belemmeringen t.a.v. bouwen en transformeren van woningen weg te nemen, meer te bouwen, en betaalbaarheid van wonen te verbeteren. Om belemmeringen weg te nemen kondigt het kabinet bezwaarprocedures te beperken, een Vereenvoudigingswet voor structurele vereenvoudiging van wet- en regelgeving en de zelfbewoningsplicht en opkoopbescherming inperken. De Wet betaalbare huur wordt gewijzigd m.o.o. investeringsklimaat huurmarkt. Daarnaast wil het kabinet 30 grootschalige nieuwbouwlocaties bouwen, innovatie in het bouwen stimuleren met een fastlane voor prefabwoningen, en standaardisatie duurzaamheidsnormen en bouwregelgeving (waaronder prefab). Het Rijk neemt opnieuw een sterkere regierol in ruimtelijke ordening en woningbouw. De financiële positie van woningcorporaties moet verbeteren. Voor nieuwe instroom in de sociale huursector wil het kabinet een vermogenstoets invoeren. Om betaalbaarheid te verbeteren stelt het kabinet een set aan maatregelen voor. In dit kader is ook de bredere hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel relevant, incl. de huurtoeslag.
Het betreft onderstaande maatregelen:
Vereenvoudigingswet voor structurele vereenvoudiging van wet- en regelgeving
Beperking bezwaarprocedures
30 grootschalige nieuwbouwlocaties
Digitale planprocessen en fastlane voor prefabwoningen
Vereenvoudiging en standaardisatie duurzaamheidsnormen en bouwregelgeving (waaronder prefab).
Implementatie Wet Regie Volkshuisvesting
Verbetering financiële positie woningcorporaties
Vermogenstoets instroom sociale huursector
Wijziging Wet betaalbare huur m.o.o. investeringsklimaat huurmarkt
Inperking zelfbewoningsplicht en opkoopbescherming
Hervorming belasting- en toeslagenstelsel (incl. de huurtoeslag)
Aanwijzing grootschalige woningbouwlocaties en NOVEX gebieden
Momenteel zijn er verspreid over het hele land 21 nationaal grootschalige woningbouwgebieden, goed voor ongeveer 400.000 woningen tot en met 2034. In aanvulling op de financiële middelen die in 2022 en 2023 beschikbaar zijn gesteld heeft het kabinet in 2025 € 1.017.500 gebiedsbudget beschikbaar gesteld en is € 1,2 miljard beschikbaar gesteld voor de bereikbaarheid van de nationaal grootschalige woningbouwgebieden. In 2025 is daar bovenop € 1.017.500 gebiedsbudget beschikbaar gesteld en is € 1,2 miljard beschikbaar gesteld voor de bereikbaarheid van de nationaal grootschalige woningbouwgebieden.
Financiële ondersteuning om sneller en betaalbaarder te kunnen bouwen
Er is ingezet op maatregelen om de bouw te versnellen. Het kabinet heeft 1 miljard per jaar beschikbaar gesteld voor dit doel. Daarnaast is met verschillende maatregelen ingezet op een versnelling van de woningbouw. Zo is het programma STOER er op gericht de stapeling van lokale regels en procedures aan te pakken en regeldruk te verminderen. Ook is eind 2024 het Innovatie en Opschalingsprogramma ingesteld met als doel innovatie, digitalisering en organisatorische vernieuwing de woningbouw te versnellen, betaalbaarder en duurzamer te maken.
Een deel van deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C3.1 R3-1, C3.1 R3-2).
Wet Versterking regie Volkshuisvesting - Versnellen en verkorten beroepsprocedures
Via het Wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting worden de beroepsprocedures verkort en versneld en bovendien kunnen projecten waarvan de uitvoering van zwaarwegend maatschappelijk belang is door de minister worden aangewezen, waarna er dan een aantal procedure versnellingen mogelijk is, zoals beroep in één instantie en uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden.
Deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C3.1 R3-4).
Wet betaalbare huur
De Wet Betaalbare Huur is 1 juli 2024 in werking getreden. De betaalbaarheid is geborgd door betere handhaving van de huurregulering via het woningwaarderingsstelsel en door het doortrekken van deze regulering naar de middenhuur bij een bewonerswissel. Bij de vormgeving van de regulering is er expliciet aandacht geweest voor het investeringsklimaat voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. Dit is gedaan door het woningwaarderingsstel te moderniseren. De handhavende taak van gemeenten ten aanzien van onder meer te hoge huurprijzen op grond van de Wet betaalbare huur is per 1 januari 2025 in werking getreden. De woningmarktontwikkelingen worden nauwlettend op kwartaalbasis gemonitord en wordt waar nodig bijgestuurd. We zien dat met name particuliere verhuurders momenteel vaker hun huurwoningen bij vertrek van de huurder verkopen. Dit komt overigens niet enkel door de Wet betaalbare huur. Ook de wijziging van de fiscale regelgeving, overige huurregelgeving en macro-economische ontwikkelingen waaronder de gestegen rente dragen hieraan bij. De verkoop van huurwoningen vermindert het aanbod aan private huurwoningen. Deze verhuurders kiezen er vaker voor om bij verkoop de woning aan een eigenaar-bewoner te verkopen. Dit leidt tot meer aanbod van betaalbare koopappartementen, die voorzien in de vraag van jonge gezinnen en stellen met een sterke koopwens. Evenwel wordt actie ondernomen om de verkoop van betaalbare huurwoningen in te perken. Zo is het ontwerpbesluit aanpassingen regelgeving verhuur aan de Tweede en Eerste Kamer voorgelegd. Dit besluit bevat maatregelen die knelpunten wegnemen voor de verhuur door met name particuliere verhuurders.
Wetsvoorstel Hervorming Huurtoeslag
Het Wetsvoorstel Vereenvoudiging Huurtoeslag is per 2026 in werking getreden en maakt onder andere ondersteuning van huurders met een laag inkomen en (al dan niet noodgedwongen) wonend in het midden- en vrije huursegment mogelijk. Deze wijziging draagt bij aan de betaalbaarheid van woonlasten voor huurders die, tijdelijk of door omstandigheden noodgedwongen, te duur wonen voor hun inkomen. Aangezien voor het huurdeel boven de maximum huurgrens geen huurtoeslag wordt verstrekt, blijft het van belang dat huurders de betaalbaarheid van woningen met hogere huren in het oog houden en bij een structurele verlaging van het inkomen een passendere woning zoeken.
Zorg
Tijdelijk extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd (Nationale Zorgreserve en Sector Plan plus)
Met deze maatregel wordt geïnvesteerd in het versterken van de zorgsector met tijdelijk extra personele capaciteit in crisistijd. De maatregel bestaat uit twee onderdelen:
De Nationale Zorgreserve (NZR) draagt hieraan bij door in tijden van crisis zorgreservisten in te zetten. De NZR kan als crisisfaciliteit voorzien in de behoefte van tijdelijk en snel inzetbare zorgcapaciteit. De maatregel is onderdeel van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).
De maatregel Sectorplan Plus ziet toe op de investeringen in de opleidingen van zorgpersoneel voor het schooljaar 2023-2024 en het schooljaar 2024-2025. Deze subsidie ondersteunt werkgevers bij opleidingstrajecten gericht op nieuwe instroom, scholing en behoud van medewerkers.
De Nationale Zorgreserve maakt onderdeel uit van het HVP (C5.1 I1-3).
IC-opschaling
De maatregel Opschaling curatieve zorg COVID-19, in het HVP bekend onder de naam IC-opschaling, ziet op het uitvoeren van bouwkundige aanpassingen aan IC’s en het opleiden van IC-personeel. Als vervolg hierop, geen onderdeel zijnde van het HVP, is ook een extra medische inventaris gesubsidieerd waaronder extra IC-capaciteit.
Een deel van deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C5.1 I2).
Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO)
Het Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO) is een ambitieus plan dat moet zorgen voor passende ondersteuning en zorg in de buurt die goed geregeld en toegankelijk is. Ondersteuning en zorg die beter aansluit op de leefwereld, voorkeuren en mogelijkheden van ouderen. Met minder bureaucratie, meer steun voor mantelzorgers en extra investeringen in scholing. Samen met alle betrokken organisaties wordt er gewerkt aan toekomstbestendige ouderenzorg, waarin ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen leven met ondersteuning en zorg die bijdraagt aan de kwaliteit van hun bestaan.
Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking
Dit programma heeft als doel om de zorg voor mensen met een beperking toekomstbestendig te maken door de ingezette beweging naar vernieuwende, persoonsgerichte zorg te verstevigen, op te schalen en te borgen. We werken toe naar veerkrachtige zorgorganisaties die hierop inspelen. Dit maakt mogelijk dat het zorgaanbod beter in kan spelen en goed aansluit op de veranderende zorgbehoeften van mensen met een beperking. Een van de prioriteiten van dit programma is mensen met een beperking met complexe zorgbehoeften voorzien in kwalitatieve en passende zorg. Vanuit het programma worden verschillende activiteiten ontplooid, zoals het voorzien in een adequate kennisinfrastructuur over het organiseren van de zorg voor mensen met een beperking en onderzoek in het updaten van zorgprofielen. Verder wordt er ingezet op het werken met langdurige indicaties vanuit de Wmo2015 voor mensen met een (stabiele en) levenslange ondersteuningsbehoefte. Dit leidt zowel voor gemeenten als mensen met een beperking zelf tot minder administratieve lasten. Op deze manier draagt ook de toekomstagenda bij aan het kosteneffectiever maken van de langdurige zorg in Nederland. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Nationale Dementiestrategie 2021 – 2030
NDS is in januari 2026 geactualiseerd. De herijkte missie van deze strategie is om te garanderen dat ‘Mensen met dementie en hun naasten kunnen als waardevol lid van onze samenleving functioneren en goede ondersteuning en zorg ontvangen. Om deze missie te realiseren doelt deze strategie op (1) het tot stand laten komen van voldoende wetenschappelijk onderzoek in de mogelijkheden voor het voorkomen, vroegdiagnostiek, behandeling van symptomen en genezing van dementie, (2) verzekeren dat mensen met dementie meer begrip en ondersteuning steun krijgen vanuit de omgeving waarbij er voorzieningen zijn voor actief deelname aan het dagelijks leven en (3) het versterken van het aanbod van ondersteuning en zorg aan mensen met dementie en hun geliefden op basis van inzichten uit de praktijk en resultaten vanuit onderzoek. Naast wetenschappelijk onderzoek, draagt de strategie dus bij aan het optimaliseren van de dementiezorg en vraagt het aandacht voor de kansen en mogelijkheden van mensen met dementie en de implementatie van een standaard voor dementiezorg. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Verbeteren en Verbreden van de Toets op het Basispakket (VVTB or ‘improving and broadening the assessment of the Dutch basic benefit package’)
Recentelijk heeft het nieuwe kabinet besloten om enkele onderdelen van het basispakket uit de Wet Langdurige Zorg en de Zorgverzekeringswet (curatieve zorg) te screenen op effectiviteit en noodzakelijkheid van de vergoedde zorg. Daarbovenop heeft het kabinet ook besloten om de wet te screenen op het al dan niet aanbieden van passende zorg. Het doel van deze activiteiten is om bij te dragen aan de toegankelijkheid, duurzaamheid, kwaliteit en kosteneffectiviteit van de langdurige zorg.
De Nederlandse regering is voornemens om deze activiteiten op te nemen in een reeds bestaand programma genaamd ‘Verbeteren en Verbreden van de toets op het Basispakket’ of de VVTB. De vorige regering startte dit programma een aantal jaren geleden met de voornaamste focus op de Zorgverzekeringswet. De bijdragen van dit programma omvatten, maar zijn niet beperkt tot, het verbeteren van de kennis over en de kosteneffectieve inzet van vergoedingsbesluiten in de zorg. De hiergenoemde toevoeging van de Wet Langdurige Zorg heeft nadere analyse nodig. Nadere analyse is nodig omdat de (wetenschappelijke) kennisbasis voor (kosten)effectiviteit in de langdurige zorg nog te beperkt is. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Kennisinfrastructuur in de Langdurige zorg
Sinds 2019 wordt gewerkt aan het versterken van de kennisinfrastructuur in de langdurige zorg. Dit was nodig omdat zorgverleners niet altijd over de kennis beschikken om de juiste zorg te bieden aan ouderen of mensen met een handicap. Er is inmiddels een systeem ontwikkeld waarbij zorgverleners hun kennisvragen kunnen stellen, en deze beantwoord krijgen. Als er nog geen antwoord is, dan wordt er onderzoek op geprogrammeerd. De kennis wordt gratis verspreid via websites, beroepsorganisaties, via (bij)scholing, richtlijnen, enz. Aandachtspunten zijn dat de kennis moet bijdragen aan het voorziene tekort op de arbeidsmarkt. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Begin 2023 is als onderdeel van de aanpak om de kennisinfrastructuur te versterken ook de werkagenda passende zorg voor de Wlz gepresenteerd. Hierbij worden de interventies die worden gebruikt in de langdurige zorg transparant gemaakt, data voor onderzoek ontsloten, wordt specifiek naar de Wlz / passende zorg onderzoek gedaan. Hiermee ontstaat een basis voor andere onderdelen van passende zorg zoals pakketbeoordelingen. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Arbeidsmarkt
Coalitieakkoord: Talentenstrategie, waaronder een drie-jaar-pilot om actief en gericht uit het buitenland halen van goed geschoolde krachten in vooraf afgebakende sectoren
Er komt een talentstrategie om ervoor te zorgen dat we het juiste talent gericht selecteren en voor Nederland behouden. Zo zorgen we voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn en halen we het wetenschappelijk toptalent in huis, dat nodig is voor baanbrekend onderzoek en innovaties.
Gedurende een driejarige pilot gaan we goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde hebben naar Nederland halen, in vooraf afgebakende sectoren. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis, en een maximale termijn van drie jaar. Voor deze pilot komen in ieder geval kandidaat EU-lidstaten in aanmerking.
Coalitieakkoord: Het concurrentiebeding moderniseren
We willen de vrijwillige arbeidsmobiliteit verhogen. Daarom gaat het kabinet het concurrentiebeding moderniseren zodat werknemers meer ruimte krijgen.
Coalitieakkoord: Nieuwe LLO-regeling gericht op tekortsectoren en kansrijke beroepen en invoeren van een stelsel van individuele leerrechten
Het vorige kabinet heeft in december 2025 een brief naar kamer gestuurd over de te zetten vervolgstappen om LLO verder te brengen (Kamerstukken 30 012 nr. 161). Hierbij stonden drie doelen ventraal: meer mensen volgen scholing, meer bedrijven en organisaties investeren in informeel leren en een sterke leercultuur, leren en ontwikkelen sluit beter aan op de behoeften van het bedrijfsleven en de regio. Uiteindelijk dient het beleid bij te dragen aan een gedragsverandering waarin leren en ontwikkelen vanzelfsprekend wordt.
Het huidige kabinet kiest voor het investeren in Leven Lang Ontwikkelen. Zo zorgen we ervoor dat werknemers sterk staan in een snel veranderende economie. Op de korte termijn doen we dit door een nieuwe regeling op te richten die gericht wordt ingezet door te kijken naar bijvoorbeeld tekortsectoren en kansrijke beroepen (zoals bijvoorbeeld het UWV in beeld brengt). Ondertussen werken we toe naar een stelsel van individuele leerrechten. We zorgen ervoor dat de mensen die het meest baat hebben bij om- en bijscholing (zoals mbo’ers en mkb’ers) daar ook het meest gebruik van kunnen maken.
De nadruk is gericht op werk, meedoen en bijdragen. Het doel is voorkomen dat mensen überhaupt thuis komen te zitten door écht aan de slag te gaan met een leven lang ontwikkelen.
Coalitieakkoord: Hervorming van de transitievergoeding
We hervormen de bestaande transitievergoeding zodat deze doet waar hij voor bedoeld is, namelijk de transitie van werk naar werk. De transitievergoeding wordt daarom in ieder geval qua besteedbaarheid gekoppeld aan de (nieuwe) LLO-infrastructuur. Werkgevers die tijdig en voldoende hebben geïnvesteerd in bijscholing, omscholing of zich maximaal inzetten rondom de re-integratieverplichtingen uit de Wet poortwachter hebben lagere tot helemaal geen verplichtingen ten aanzien van de nieuwe transitievergoeding. We verwachten dat werkgevers en werknemers ook hun steentje bijdragen onder andere door de middelen in de O&O-fondsen breder en flexibeler in te zetten. We schaffen de compensatie voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte voor alle werkgevers af.
Coalitieakkoord: Een meer activerende WW
We maken de WW meer activerend en passend bij een nieuw stelsel van werk naar werk en leven lang ontwikkelen. De WW-uitkering wordt daarom hoger in het begin en en verkort naar één jaar. Zo hebben werkenden meer financiële zekerheid en rust om snel passend nieuw werk te vinden. Wel staat daartegenover dat de eisen qua opbouw van rechten en verzilvering wat aangescherpt worden.
Coalitieakkoord: Bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders
We gaan ongewijzigd door met bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders. Met het afschaffen van de grootste toeslag nemen we de grootste onzekerheid in de portemonnee van werkende ouders weg.
Coalitieakkoord: Meer uniformeren gemeentelijk re-integratiebeleid
In overleg met gemeenten werken we aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen, zodat je kan rondkomen ongeacht je postcode. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker. Armoede-, schulden- en re-integratiebeleid van gemeenten wordt hierbij ook meer geüniformeerd.
Meer zekerheid flexwerkers
Het vorige kabinet heeft in mei 2025 (link) het wetsvoorstel ‘Meer zekerheid flexwerkers’ aan de Tweede Kamer aangeboden. Met deze wet krijgen werknemers met een flexibel arbeidscontract meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. Zo krijgen uitzendkrachten recht op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als reguliere werknemers. Er komen strengere regels om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen. En oproepcontracten worden vervangen door contracten met een minimumaantal uren dat je standaard wordt betaald en ingeroosterd. Plenaire behandeling is voorzien in april 2026.
Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
Het kabinet werkt aan een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Zij worden zo beter beschermd tegen verlies van inkomen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Tegelijkertijd zorgt deze verzekering voor een gelijker speelveld tussen zelfstandigen onderling, en tussen werknemers en zelfstandigen. De maatregel is onderdeel van het Herstel- en Veerkrachtplan (C4.1 R2-1).
Actieplan aanpak van schijnzelfstandigheid
Het vorige kabinet heeft in december 2025 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd (link) over de voorgenomen stappen om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen, door schijnzelfstandigheid tegen te gaan, terwijl er ruimte blijft voor zelfstandig ondernemerschap. Het gaat hierbij om een aanpak langs drie lijnen: een gelijker speelveld, verduidelijking en betere handhaving. In de kern bestaat dit uit i ) fiscale maatregelen, een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (BAZ) en goede vertegenwoordiging in de polder; ii) meer duidelijkheid door middel van wetgeving (Vbar) en communicatiecampagnes zoals "ZZP ja of nee", de webmodule beoordeling arbeidsrelatie en de website "hetjuistecontract.nl"; en iii) een betere handhaving, waarbij het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 is opgeheven.
Het nieuwe kabinet heeft besloten het rechtsvermoeden onder een uurtarief van 38 euro uit wetsvoorstel Vbar zo spoedig mogelijk door te zetten (rekening houdend met Europese verplichtingen), als onderdeel van de aanpak om schijnzelfstandigheid (aan de basis van de arbeidsmarkt) tegen te gaan. Het verduidelijkingsonderdeel (Vba) is geschrapt. In plaats daarvan wil het kabinet zo snel mogelijk een Zelfstandigenwet invoeren, om zoveel mogelijk duidelijkheid te geven aan zelfstandigen en opdrachtgevers. Ook geeft het kabinet in het coalitieakkoord aan te willen stimuleren dat mensen in dienst blijven van (semi-)publieke sectoren zoals zorg en onderwijs. Deze hervorming is opgenomen in het Herstel- en Veerkrachtplan (C4.1 R4).
Aanpak arbeidsmarktkrapte
In een Kamerbrief van december 2024 (link) presenteerde het vorige kabinet haar visie op het aanpakken van tekorten en regulering van de arbeidsmarkt.
Deze visie bestaat uit 1) een gerichte aanpak van tekorten op de arbeidsmarkt; 2) een brede arbeidsmarktagenda; en 3) sectorspecifieke strategieën. De brede arbeidsmarktagenda bestaat uit 5 hoofdpijlers: i) Verbetering van de kwaliteit van banen (betere lonen, zekerheid en arbeidsomstandigheden); ii) Versterking van de economie (vermindering van regeldruk en aanpassing van arbeidsmarktbeleid); iii) Verhoging van de productiviteit (innovatie en technologische vooruitgang); iv) Verhoging van duurzame arbeidsparticipatie (onderbenutte werknemers helpen, verbetering van de balans tussen werk en privéleven); en v) Verbetering van de arbeidsmarktmatching (beter onderwijs en training om aan te sluiten bij de behoeften van de beroepsbevolking). In maart 2025 is een top gehouden met belanghebbenden om strategieën te verfijnen. Het verslag met de belangrijkste inzichten daarvan is in mei 2025 gepubliceerd (link). Het beleid zal voortdurend worden geëvalueerd om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt effectief in evenwicht te brengen.
Om de stagnerende productiviteitsgroei aan te pakken, heeft de voormalige minister van Economische Zaken op 8 september tevens de productiviteitsagenda gepresenteerd (link). Deze agenda bevat maatregelen, verkenningen en voorstellen op onder meer het terrein van digitalisering, innovatie, onderwijs en arbeidsmarkt die bijdragen aan het versterken van de arbeidsproductiviteitsgroei. In de eerste helft van 2026 volgt een nieuwe Productiviteitsagenda. Daarnaast zal in de eerste helft van 2026 een Productiviteitsraad aan de slag gaan.
Programma Voor een inclusieve arbeidsmarkt
Het programma Voor een inclusieve arbeidsmarkt moet bijdragen aan een diverse en inclusieve arbeidsmarkt met gelijke kansen. Het doel van het programma VIA is om de arbeidsmarktpositie van mensen met een buiten-Europese (voorheen niet-westerse) migratieachtergrond structureel te verbeteren door te zorgen voor gelijkwaardige kansen op de arbeidsmarkt voor iedereen. Het programma bestaat uit een aantal interventies die gericht zijn op het aanpakken van discriminatie als het gaat om stages, arbeidsmarktdiscriminatie en het bieden van meer inclusieve begeleiding naar werk voor mensen met een niet-Europese achtergrond die op dit moment geen werk hebben.
In 2023 is – in afstemming met de Taskforce VIA – het plan van aanpak statushouders en werk toegevoegd aan de werkagenda VIA. Voor de uitwerking van dit plan van aanpak is 37,5 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
In 2025 publiceerde het vorige kabinet de "Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving" om de arbeidsmarktpositie van vluchtelingen en asielzoekers te verbeteren. De doelstellingen op participatie in de Actieagenda haken aan op het Programma VIA. Het beleid in de Actieagenda richt zich op het wegnemen van obstakels en het bieden van passende ondersteuning, informatie en begeleiding, zodat vluchtelingen en asielzoekers sneller en duurzamer werk kunnen vinden. Het doel is om het aantal werkgevers dat vluchtelingen in dienst neemt te vergroten, onder andere door werkgevers te ondersteunen en te ontlasten bij het in dienst nemen van vluchtelingen. De pilotprojecten met "startbanen" experimenteren binnen bestaande wet- en regelgeving om betaald werk en integratie te combineren. In juli 2025 werd een update van de stand van zaken naar het parlement gestuurd (link). Hierin worden de activiteiten en budgetten opgesomd die nodig zijn voor de beleidsdoelen binnen pijler 2 'Nieuwkomers aan het werk', waaronder: werk voor asielzoekers, startersbanen, taallessen en ondersteuning voor werkgevers.
Regionale Mobiliteitsteams/ Regionale Werkcentra
De geleerde lessen van de RMT's (tot 1 januari 2025 een regionale samenwerking tussen UWV, gemeenten, werknemers- en werkgeversorganisaties) en de ervaringen met andere samenwerkingen (Werkgeversservicepunten en Leerwerkloketten in de arbeidsmarktregio's) zijn gebruikt voor de hervorming van de regionale arbeidsmarktinfrastructuur. Zo komt er onder andere in elke arbeidsmarktregio een Werkcentrum, om arbeidsmarktdienstverlening toegankelijker te maken. 2025 en 2026 vormen een transitieperiode. Beoogde inwerkingtreding voor benodigde wet- en regelgeving is 1 januari 2027.
In de arbeidsmarktregio gaan gemeenten, UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) samenwerken om mensen te ondersteunen die niet zelfstandig aan het werk kunnen komen of blijven. Om de samenwerking tussen partijen op de arbeidsmarkt te verbeteren, is er één landelijk beraad en in iedere arbeidsmarktregio één regionaal beraad. Landelijk en per arbeidsmarktregio komt er één meerjarenagenda waarin de gezamenlijke inzet in de arbeidsmarktregio wordt bepaald gericht op onder andere werkzoekenden in een kwetsbare positie, cruciale kraptesectoren en aansluiting en inzet onderwijs en scholing. In alle 35 arbeidsmarktregio's zullen Werkcentra worden geopend. Werkgevers, werkzoekenden en werknemers kunnen hier terecht voor advies over werk en training (link). De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Wet Breed Offensief
Het Breed Offensief is een breed pakket maatregelen in wetgeving, lagere regelgeving en uitvoering met als doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. De wet Breed Offensief is eind november 2022 aangenomen. Met het Breed Offensief zijn bijvoorbeeld verbeteringen aangebracht in (de uitvoering van) de ondersteuning van mensen (met een arbeidsbeperking) in de Participatiewet, zoals in het instrument no-riskpolis, loonkostensubsidie, loonwaardebepaling, ondersteuning op maat. Door een nieuwe vrijlatingsregeling is werken lonender gemaakt voor mensen met bijstand die met loonkostensubsidie gaan werken. Er zijn uitzonderingen geregeld op de vier weken zoektermijn voor jongeren met een evidente arbeidsbeperking, zodat eerder inkomens- en arbeidsondersteuning kan worden geboden. Het Breed Offensief is geen onderdeel van het HVP.
In April 2025 zijn de uitkomsten van de invoeringstoets van de Wet Breed Offensief met de Kamer gedeeld (link). Daaruit kwam naar voren hoe de wet in de praktijk uitpakt. Uit de i-toets blijkt dat het Breed Offensief grotendeels werkt zoals bedoeld. Ook werden enkele knelpunten in de uitvoering gesignaleerd. Deze zijn opgepakt en worden in de gaten gehouden. Daarnaast is in december een onderzoek naar de Kamer gegaan over hoe gemeentes hun verordeningsplicht in het kader van de Wet Breed Offensief hebben ingevuld (link).
Ontwikkelpaden
Afgelopen jaar is een groot aantal extra Ontwikkelpaden door de minister van SZW erkend: momenteel zijn er 41 Ontwikkelpaden verdeeld over 8 sectoren.
Een sectoraal Ontwikkelpad beschrijft hoe een (toekomstige) werknemer zich stapsgewijs via verschillende functies met bijbehorende (delen van) opleidingen kan ontwikkelen tot een volledig gekwalificeerde professional. Hiermee wil het kabinet het gemakkelijker maken voor mensen om in te stromen in een sector (1), om over te stappen naar een andere sector (2) of om binnen een sector door te stromen (3). De Ontwikkelpaden zijn bedoeld voor werkenden én werkzoekenden (waaronder mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt). Daarmee draagt de inzet op sectorale Ontwikkelpaden bij aan de aanpak van personeelstekorten in sectoren, het aan het werk helpen van mensen die langs de kant van de arbeidsmarkt staan en een leven lang ontwikkelen voor werkenden.
De opleidingen uit Ontwikkelpaden worden gedeeltelijk gefinancierd door de SLIM-scholingssubsidie: sinds maart 2025 zijn er ‘SLIM’ scholingssubsidies beschikbaar voor opleidingen binnen de Ontwikkelpaden voor de maatschappelijk cruciale sectoren zorg en welzijn, onderwijs, kinderopvang, techniek, bouw en energie, ICT en groen. Deze subsidies kunnen ook worden gebruikt om aanvullende taalopleidingen voor werknemers en werkzoekenden met beperkte basisvaardigheden (zoals vluchtelingen) te financieren.
SLIM-regeling
a. SLIM-mkb regeling
Omdat leren en ontwikkelen in het mkb niet vanzelfsprekend is, is de Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen in mkb bedrijven (SLIM) ontwikkeld. De SLIM-regeling is vooral bedoeld om met name het MKB te stimuleren (meer) te investeren in het versterken van hun leercultuur. De regeling financiert de ontwikkeling van structuren, systemen en producten die duurzaam worden verankerd in regulier beleid en daarna met eigen middelen in stand worden gehouden.
b. SLIM-scholingssubsidie
De SLIM scholingssubsidie heeft als doel om met scholing in- en doorstroom in maatschappelijk cruciale sectoren te stimuleren. Daarmee wordt bijgedragen aan het terugdringen van personeelstekorten in deze sectoren. De subsidie kan aangevraagd worden door een werkgever, een geregistreerd gastouderbureau of een collectief. Het eerste tijdvak voor werkgevers en geregistreerde gastouderbureaus opende op 10 maart 2025. De regeling loopt tot en met 2027.
Meer uren werkt!
Het NGF-project Meer uren werkt! heeft als doel zichtbare en onzichtbare drempels weg te nemen in de sociale omgeving, bij arbeidsorganisaties en bij deeltijders zelf. Deeltijders die meer uren willen en kunnen werken worden hierdoor in staat om dat vervolgens ook te gaan doen. Dit draagt bij aan het verdienvermogen van Nederland en de economische zelfstandigheid van mensen die in deeltijd werken. Het project wil dat bereiken door knelpunten aan te pakken met bewezen interventies en overige knelpunten te onderzoeken die mensen daarbij in de weg staan. Denk hierbij aan het anders inroosteren van de werkdag, het mogelijk maken van combinatiebanen of het bespreekbaar maken van en begrip creëren voor mantelzorg. Door naar al deze zaken te kijken wil het project oplossingen bedenken die mensen helpen om meer uren te kunnen werken.
Het NGF investeert voor de eerste 5 jaren €30 miljoen euro in het project. Na een positief oordeel over behaalde resultaten van het programma halverwege de looptijd kan voor de tweede 5 jaren een gereserveerd budget van € 45 euro geïnvesteerd worden.
Van School naar Duurzaam werk
Met de nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk, die op 1 januari 2026 in werking is getreden, krijgen scholen, Doorstroompunten en gemeenten meer mogelijkheden om jongeren tot 27 jaar in onderlinge samenwerking te ondersteunen bij de stap van school naar zo duurzaam mogelijk werk en het behoud van werk. De focus ligt op jongeren die ongeacht de stand van de economie een zwakke arbeidsmarktpositie hebben.
Programma Simpel Switchen
Het programma Simpel Switchen werkt aan het wegnemen van drempels in de participatieketen zodat mensen makkelijk(er) en veilig(er) tussen uitkering en werk en tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk kunnen switchen en meer mensen kunnen meedoen op de voor hen op dat moment best passende plek.
Onderwijs
Coalitieakkoord: aanpakken leerachterstanden
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet leerachterstanden vroeg gaat aanpakken. Door te investeren in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Ook wordt doorgegaan met een aanmeldplicht voor de basisschool vanaf 4 jaar.
Coalitieakkoord investering: Staatscommissie leerprestaties
In het coalitieakkoord is opgenomen dat er een staatscommissie wordt ingesteld die de crisis in de leerprestaties van onze leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen onderzoekt en aanbevelingen doet voor lange termijnoplossingen.
Nieuwe kerndoelen basisvaardigheden primair onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs
Deze maatregel is bedoeld om tot nieuwe kerndoelen voor basisvaardigheden in primair onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs te komen. De conceptkerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde zijn in najaar van 2023 opgeleverd. Per 21 november 2025 zijn de kerndoelen voor alle negen leergebieden opgeleverd. Die kerndoelen zijn niet alleen duidelijker maar ook samenhangender dan de verouderde kerndoelen die nu gelden. Zo komen lezen, schrijven en rekenen in alle leergebieden terug. De inhoudelijke aanpassing van de curriculumdocumenten vormt de eerste fase. Hierna volgt de vastlegging daarvan in wet- en regelgeving en de implementatie van de kerndoelen op scholen. Het streven is om de kerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde op 1 augustus 2026 in werking te laten treden. Voor de overige leergebieden gebeurt dit op 1 augustus 2027.
Nieuwe examenprogramma’s bovenbouw voortgezet onderwijs
Maatregel dient voor een goede doorlopende leerlijn en actuele examenprogramma’s te zorgen. Het gaat om Nederlands, wiskunde (havo en vwo), maatschappijleer en andere talen (moderne vreemde talen, Fries en de klassieke talen). De examenprogramma’s van de natuurwetenschappelijke vakken volgen eind 2024. Vervolgens worden voor de vakken met een centraal examen syllabi ontwikkeld door het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Deze en voorgaande maatregel zijn onderdeel van een bredere curriculumherziening en worden door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ontwikkeld.
Subsidieregeling Verbetering basisvaardigheden
Deze maatregel is bedoeld om scholen de middelen te bieden om gericht in te zetten op het verbeteren van de basisvaardigheden (taal, rekenen-wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid) van hun leerlingen. Sinds 2022 ontvangt jaarlijks een aantal scholen deze subsidie totdat deze ondersteuning permanent beschikbaar is voor alle scholen. Deze maatregel is structureel. Om te verzekeren dat de scholen die de middelen het hardst nodig hebben deze ook ontvangen, is er een separate subsidieregeling ingericht speciaal voor scholen met een eindoordeel ‘onvoldoende’ en ‘zeer zwak’ van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO). De overige scholen worden bij overvraging van de regeling voor de toekenning gerangschikt op hun achterstandsscore (CBS-indicator, CUMI-regeling). Scholen die de subsidie ontvangen op basis van het eindoordeel van de IvhO worden ondersteund en op weg geholpen door onderwijscoördinatoren in dienst van OCW. Hierbij wordt bewust gestuurd op het gebruik van evidence-informed interventies en op het monitoren van het prestatieniveau van leerlingen op het gebied van basisvaardigheden. Het Masterplan bereikt inmiddels 7.800 scholen, waar leerkrachten en schoolleiders hard werken aan de basisvaardigheden van ruim 2,3 miljoen leerlingen – oftewel 95 procent van alle leerlingen in het funderend onderwijs. Vanaf 1 januari 2027 krijgen alle scholen in het funderend onderwijs structurele bekostiging voor de basisvaardigheden.
Gerichte bekostiging basisvaardigheden
Deze maatregel is bedoeld om alle scholen in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs te voorzien van extra middelen om in te zetten op basisvaardigheden zonder dat zij hiervoor een aanvraag moeten indienen. Aan deze middelen kunnen in de eerste jaren voorwaarden gesteld worden om te waarborgen dat de middelen worden uitgegeven voor het doel waar de middelen voor worden verstrekt.
Toevoegen van het evidence-informed werken aan de wettelijke deugdelijkheidseisen funderend onderwijs
Deze maatregel dient ertoe dat alle scholen evidence-informed werken en dat de inspectie hierop kan toezien. Onder evidence-informed werken wordt verstaan dat scholen praktijkkennis, kennis uit onderzoek en kennis van de context combineren om het handelen in de praktijk te verbeteren. Dit draagt ook bij aan de kwaliteit van het onderwijs in de basisvaardigheden.
Stimuleren leerlingvolgsystemen in de onderbouw voortgezet onderwijs
Deze maatregel is bedoeld om beter zicht te krijgen op de prestaties van leerlingen. Door het gebruik van leerlingvolgsystemen wettelijk vast te leggen kunnen er tevens eisen gesteld worden aan de kwaliteit van de leerlingvolgsystemen die gebruikt worden, waardoor de informatie betrouwbaarder wordt. Op basis van de uitkomsten van een onderzoek naar het gebruik van een lvs in het Nederlands voorgezet onderwijs, waaruit werd geconcludeerd dat veel scholen hier al van gebruikmaken, is besloten vooralsnog in te zetten op een richtlijn.
BoekStart en de Bibliotheek op school
Deze maatregel is bedoeld om de samenwerking tussen school en kinderopvang, en de bibliotheek te versterken. Daarnaast krijgen po-scholen met een achterstand extra ondersteuning om aan effectief leesonderwijs te werken. Hierdoor komen kinderen vroeg in aanraking met lezen, wat bijdraagt aan hun latere taalvaardigheid.
Extra ruimte voor kwalitatief goede leraren in het Onderwijsakkoord
Deze maatregel is bedoeld om leraren extra ruimte te bieden om te professionaliseren op het gebied van basisvaardigheden.
Regeling zij-instroom
Deze maatregel heeft tot doel om de instroom in het beroep van leraar te stimuleren en daarmee méér bekwame leraren met een bevoegdheid in te kunnen zetten in het onderwijs. We doen dit door subsidie beschikbaar te stellen aan werkgevers voor de kosten van scholing, begeleiding en studieverlof van zij-instromers.
Regeling SOOL (subsidie onderwijspersoneel opleiding tot leraar)
Deze maatregel is bedoeld om het lerarentekort te verminderen door de lerarenopleiding laagdrempeliger te maken voor onderwijsondersteunende personeelsleden. Zij kunnen studieverlof krijgen en een tegemoetkoming in de studiekosten.
Regeling statushouders en de stap naar de klas
Deze maatregel heeft als doel de vermindering van het lerarentekort in het primair en voortgezet onderwijs. Deze regeling biedt een financiële tegemoetkoming in de opleidings- en begeleidingskosten die een school in het primair of voortgezet onderwijs maakt voor het bieden van een ondersteuningsprogramma aan een statushouder of Oekraïense ontheemde. Dit ondersteuningsprogramma vergemakkelijkt de stap naar het onderwijs voor statushouders en Oekraïense ontheemden die potentie hebben om in Nederland voor de klas te staan. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Verhoging salarissen van leraren in het primair onderwijs.
Deze maatregel heeft als doel het beroep aantrekkelijker te maken en hiermee de instroom te verhogen en het behoud van leraren te stimuleren. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Verlagen werkdruk
Door te investeren in het verminderen van werkdruk (in PO én VO), bijvoorbeeld door extra onderwijsassistenten in de klas, wordt het beroep aantrekkelijker en wordt het behoud van leraren gestimuleerd. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Professionalisering leraren, schoolleiders en ondersteunend personeel
Door te investeren in de professionalisering van leraren, schoolleiders en ondersteunend personeel zorgen we voor kwaliteitsborging. Tevens draagt dit bij aan de aantrekkelijkheid van het beroep. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs
Deze maatregel is bedoeld om met extra geld middelbare scholen te ondersteunen, zodat scholen leerlingen kunnen helpen die dat nodig hebben. Het gaat dan om leerlingen die bijvoorbeeld ouders met een laag opleidingsniveau hebben of die thuis niet voldoende Nederlands spreken. Deze scholen krijgen aanvullende middelen op basis van de CBS-achterstandsscore. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Overige maatregelen
Wet toekomst pensioenen
De Wet toekomst pensioenen is op 1 juli 2023 in werking getreden en is onderdeel van de afspraken in het HVP. De wet behelst een hervorming van het Nederlandse pensioenstelsel. Deze hervorming beoogt de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel naast koopkrachtiger, transparanter en persoonlijker, ook schokbestendiger te maken en beter af te stemmen op de veranderende arbeidsmarkt. Met de wet wordt de doorsneesystematiek afgeschaft, waardoor de systematische herverdeling tussen generaties verdwijnt, en anderzijds worden uitkeringsovereenkomsten omgezet in premieovereenkomsten, waardoor de pensioenopbouw overeenkomt met de pensioenpremie. Dit heeft tot gevolg dat er voor mensen die pensioen opbouwen meer inzicht komt in hoeveel zijn tot nu toe hebben ingelegd bij een pensioenfonds.
Tijdelijk extra personele capaciteit voor de zorg in crisistijd (Nationale Zorgreserve en Sector Plan plus)
Met deze maatregel wordt geïnvesteerd in het versterken van de zorgsector met tijdelijk extra personele capaciteit in crisistijd. De maatregel bestaat uit twee onderdelen:
De Nationale Zorgreserve (NZR) draagt hieraan bij door in tijden van crisis zorgreservisten in te zetten. De NZR kan als crisisfaciliteit voorzien in de behoefte van tijdelijk en snel inzetbare zorgcapaciteit. De maatregel is onderdeel van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).
De maatregel Sectorplan Plus ziet toe op de investeringen in de opleidingen van zorgpersoneel voor het schooljaar 2023-2024 en het schooljaar 2024-2025. Deze subsidie ondersteunt werkgevers bij opleidingstrajecten gericht op nieuwe instroom, scholing en behoud van medewerkers.
De Nationale Zorgreserve maakt onderdeel uit van het HVP (C5.1 I1-3).
Gemeenschappelijke prioriteit: Energiezekerheid
Elektriciteitsnet
Dit wordt geadresseerd door maatregel 9 – Landelijk Actieprogramma Netcongestie
Energie-efficiëntie, met name in de gebouwde omgeving
Dit wordt geadresseerd door maatregel 10 – Actualisering van de Energiebesparingsplicht
Overige maatregelen
Het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis
Het voorstel voor de wet bestrijden energieleveringscrisis (naam onder voorbehoud) heeft als doel te voorzien in de benodigde bevoegdheden om op een slagvaardige en efficiënte wijze te opereren ter voorkoming van, in voorbereiding op en tijdens een gascrisis. Zo geeft deze wet bijvoorbeeld de bevoegdheid om verplichtende maatregelen uit het Bescherm- en Herstelplan Gas te treffen. Daarnaast stelt het kabinet met dit wetsvoorstel voor om op een aantal punten bestaande wetten (zoals de Mijnbouwwet en de Energiewet) te wijzigen om de gasleveringszekerheid structureel beter te borgen in ons gassysteem. Het gaat hierbij om structurele maatregelen, die er voor moeten zorgen dat de gasleveringszekerheid voor alle afnemers versterkt wordt.
Aanpassing Wet Voorraadvorming Aardolieproducten
Het ministerie van KGG is voornemens de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten (Wva 2012) te herzien. In deze wet is geregeld welke strategische minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Nederland in opslag moet houden. Met de herziening wordt de voorzieningszekerheid van olie en olieproducten versterkt en wordt de voorraadheffing geïndexeerd aan de consumentenprijsindex zodat de exploitatiekosten van COVA, ook in de toekomst, worden gedekt. Inzet is om de wijziging van de wet in 2028 in werking te laten treden.
Implementatie CER/NIS
Om onze nationale veiligheidsbelangen en vitale processen te beschermen, werken wij op verschillende niveaus samen om de digitale, fysieke en economische weerbaarheid te versterken. Er lopen verschillende wetsvoorstellen om dit te realiseren. Hieruit volgen bepaalde (wettelijke) taken om aanbieders die deel uitmaken van de energie-infrastructuur zorg te laten om hun (digitale) systemen weerbaar en veerkrachtig te maken. Binnen het digitale domein zien de bestaande plichten voor vitale energieaanbieders, die krachtens de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) worden aangewezen als aanbieder van een essentiële dienst (AED), onder meer op het treffen van passende maatregelen ter beveiliging van netwerk- en informatiesystemen, op grond van de Wbni. Daarnaast hebben alle vitale aanbieders krachtens diezelfde wet recht op bijstand (informatie, advies, etc.) bij digitale dreigingen of incidenten door het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Momenteel wordt ook gewerkt aan een (verdere) verankering van rechten en plichten binnen het digitale en fysieke domein door de nationale implementatie van de CER-richtlijn (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) en de herziene NIS2-richtlijn (Cyberbeveiligingswet). Zoals nu voorzien zullen beide richtlijnen in het tweede kwartaal van 2026 inwerkingtreden. Tevens wordt gewerkt aan de implementatie van de sectorspecifieke gedelegeerde handeling over grensoverschrijdende cybersecurity in de elektriciteitssector (Netcode). De Netcode stelt (ten opzichte van NIS2 concretere) bindende grensoverschrijdende cybersecurityvoorschriften vast voor elektriciteitsentiteiten die, wanneer zij mikpunt zouden worden van een cyberaanval, een risico vormen voor de stabiliteit van het Europese elektriciteitsnet. Aan de weerbaarheid van vitale infrastructuur wordt naast de versterkte aanpak vitaal onder coördinatie van het ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de uitwerking van aan Rijksbrede beleidsinitiatieven zoals de Nationale Veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der Nederlanden Aanpak Statelijke Dreigingen en de Nederlandse Cybersecuritystrategie.
Waterstof
Er zijn twee onderdelen van het waterstofbeleid relevant voor het versterken van de energiezekerheid. Ten eerste de subsidies voor elektrolyseprojecten: deze vergroten de potentiële binnenlandse productiecapaciteit voor hernieuwbare waterstof waardoor de potentiële afhankelijkheid van import kleiner wordt. Het gaat na recente bezuinigingen om circa 5 miljard euro uit het Klimaatfonds, waarvan 2,1 miljard euro reeds ingezet, en circa 500 miljoen euro voor pilots en demonstratieprojecten uit het Groeifonds, waarvan 30 miljoen euro onder het HVP valt. Ten tweede het importbeleid van het kabinet: door nauwe contacten met verschillende exporteurs (als onderdeel van onze bredere energiediplomatie) en het ondersteunen van diverse importfaciliteiten wordt de kans kleiner dat Nederlandse gebruikers afhankelijk worden van import uit één land of in één vorm. Er is maximaal 400 miljoen euro beschikbaar voor de importprojecten onder IPCEI en 300 miljoen euro voor H2Global.
Een deel van deze maatregel maakt onderdeel uit van het HVP (C1.1 I2-2).
Gemeenschappelijke prioriteit: Opbouw van defensiecapaciteiten
Overige maatregelen
Investeringen Defensiebreed materieel.
Dit betreft de verwerving van materieel dat door alle operationele commando’s binnen Defensie wordt ingezet en niet specifiek gericht is op maritiem, land- of luchtoptreden.
Investeringen Maritiem materieel
Dit betreft de verwerving van maritiem materieel. Voor het maritiem domein ligt de nadruk op het vervangen van de vloot. Intussen zijn alle vervangingstrajecten voor zowel de boven- als onderwaterschepen ingezet.
Investeringen Land materieel
Dit betreft de verwerving van landgebonden materieel. In het landdomein blijft Defensie voortgang boeken met de modernisering of vervanging van de belangrijkste wapensystemen.
Investeringen Lucht materieel
Dit betreft de verwerving van luchtgebonden materieel. In het luchtdomein begeeft Defensie zich in de laatste fase van een omvangrijke vernieuwings- en vervangingsslag, waarbij vrijwel de gehele vloot van helikopters en vliegtuigen is vervangen. Defensie pivoteert in het luchtdomein nu naar een fase van verdere modernisering en uitbreiding.
Investeringen Infrastructuur en Vastgoed
Dit betreft de verwerving van alle infrastructuur en vastgoed van Defensie. In het vastgoeddomein wordt verder gegaan met de concentratie, vernieuwing en verduurzaming van het vastgoedportfolio zoals uiteengezet in het strategische vastgoedplan 2022 en de uitvoeringsagenda Duurzaamheid. Zo blijft Defensie kazernes en vliegbases revitaliseren met als doel dat deze gedurende lange termijn betaalbaar blijven voldoen aan de organisatiebehoefte, duurzaamheidsdoelstellingen, wet- en regelgeving.
Investeringen IT
Dit betreft de verwerving van de IT van Defensie. Het belang van Informatiegestuurd Optreden neemt toe. Het programma Foxtrot realiseert een moderne en gesloten informatieketen om dit mogelijk te maken. Het programma Foxtrot omvat samen met het programma Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS) de modernisering en vervanging van de tactische IT-infrastructuur- middelen (waaronder militaire radio’s, interne voertuignetwerken en intercom-systemen, command & control applicaties).
Investeringen Nominaal en nog onverdeeld
Dit betreft onder andere de reservering voor investeringen waarvan de plannen nog nader uitgewerkt worden, alsook nog te verdelen prijsbijstelling.
Aanstelling Speciaal Vertegenwoordiger Grondstoffenstrategie
De Speciaal Vertegenwoordiger Grondstoffenstrategie (SVG) heeft als taak bij te dragen aan het behalen van het voornaamste doel van de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS): het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen. De SVG valt onder eindverantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken, maar wordt op inhoud mede aangestuurd door de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. De SVG heeft de opdracht zich in te spannen om duurzame winning, raffinage en circulariteit van kritieke grondstoffen in Nederland en de EU van de grond te krijgen. Hij treedt op als boegbeeld richting bedrijfsleven, Europese Commissie, andere EU-lidstaten en gelijkgezinde andere landen met een grondstofbehoefte om te komen met een gezamenlijke inzet richting grondstofrijke landen. Ook zal hij internationale partnerschappen en samenwerkingen op kritieke grondstoffen met landen buiten de EU ondersteunen. De SVG richt zich op het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden voor deze materialen door middel van concrete deliverables:
Doorlopend: aanbevelingen aan de overheid over kwetsbaarheden, kansen en knelpunten om leveringszekerheid te vergroten. Hiermee werken we aan de randvoorwaarden om de alternatieven in de waardeketens te gaan integreren.
Opbouwen en ondersteunen van verstevigde relaties publiek-privaat en aanleveren van concrete aanbevelingen over samenwerkingskansen op specifieke waardeketens om de afhankelijkheid te verminderen.
Inventariseren van mogelijke projecten/pilots op voorraadvorming, winning, raffinage en circulariteit van kritieke grondstoffen in NL en concrete aanbevelingen om projecten/pilots in NL van de grond te krijgen.
Door de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te vergroten wordt de Europese Unie minder afhankelijk van derde landen die een machtspositie hebben in kritieke grondstoffenmarkten. Kritieke grondstoffen zijn noodzakelijk voor het doen slagen van de energie en digitaliseringtransitie en de zorg- en defensiesector. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Oprichting Nederlands Materialen Observatorium
De maatregel stelt beleidsmakers en bedrijven in staat in te spelen op risico’s met betrekking tot leveringszekerheid van kritieke materialen voor Nederland en de EU. Dit in lijn met de Nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act.
Het Nederlands Materialen Observatorium verzamelt, beheert en levert gegevens, informatie en kennis over primaire- en secundaire (kritieke) grondstoffen en daaraan gerelateerde ketens, inclusief informatie over toeleveringszekerheid en open strategische autonomie. Het NMO zal dit doen door:
het coördineren van kennisontwikkeling over grondstoffen in hun (nationale en mondiale), geologische, economische, industriële, en geopolitieke context;
het delen van kennis over de mogelijke risico's met betrekking tot leveringszekerheid van kritieke materialen met overheidsorganen en spelers in de waardeketen;
het (on)gevraagd adviseren om de weerbaarheid en risicoparaatheid van de Nederlandse overheid en bedrijfsleven te versterken;
het monitoren van toeleveringsketens en grondstofstromen, en een daaraan gekoppeld signaleringsnetwerk.
Door het continu monitoren van eventuele risico’s in de waardeketens van kritieke grondstoffen en componenten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zijn, kan het NMO beleidsmakers en bedrijven hierover tijdig informeren waarna gerichte maatregelen getroffen worden om die risico’s te mitigeren. Door risico’s te mitigeren wordt de Europese Unie minder afhankelijk van derde landen die hun machtspositie op de kritieke grondstoffenmarkten kunnen inzetten om een ander land of werelddeel de toegang tot kritieke grondstoffen te ontzeggen en daarmee de energie en digitaliseringtransitie en zorg- en defensiesector in gevaar brengen. De maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Project Beethoven
Sinds begin 2024 is onder de noemer Project Beethoven door verschillende ministeries en de samenwerkende regionale overheden in de Brainportregio gewerkt aan een omvangrijk pakket aan maatregelen. De totale bijdrage van rijk en regio is 2,51 miljard euro. Onderdeel hiervan is het extra investeren in talentontwikkeling, 450 euro miljoen tot en met 2030 en daarna structureel 80 miljoen euro per jaar. Deze maatregelen dragen bij aan het versterken van een innovatieve sector en de Nederlandse industrie, die bijdraagt aan het innovatieve vermogen van Nederland en aan de Nederlandse productiviteit. Deze maatregel is geen onderdeel van het HVP.
Tabel 12. Investeringsbehoefte voor de gemeenschappelijke prioriteiten
| Gemeenschappelijke prioriteiten | Beschrijving van investeringsbehoefte |
|---|---|
| Een eerlijke groene en digitale transitie, inclusief consistentie met de Europese Klimaatwet | De door Nederland genomen maatregelen die bijdragen aan deze gemeenschappelijke prioriteit staan uitgewerkt in Tabel 6a. |
| Sociale en economische veerkracht, inclusief de Europese Pijler van Sociale Rechten | De door Nederland genomen maatregelen die bijdragen aan deze gemeenschappelijke prioriteit staan uitgewerkt in Tabel 6b. |
| Energiezekerheid | De door Nederland genomen maatregelen die bijdragen aan deze gemeenschappelijke prioriteit staan uitgewerkt in Tabel 6c. |
| Waar nodig, de opbouw van defensiecapaciteiten | De door Nederland genomen maatregelen die bijdragen aan deze gemeenschappelijke prioriteit staan uitgewerkt in Tabel 6d. |
In de Nederlandse investeringsbehoeften voor de gemeenschappelijke prioriteiten wordt voorzien door de genomen maatregelen. Het is buiten de investeringsbehoeften waarin wordt voorzien door de genomen maatregelen niet mogelijk om een inschatting te maken van de investeringsbehoeften in algemene zin.
Kamerstukken II 2025-26, 36 915, Nr. 1↩︎
Op basis van Verordening 2024/1263 biedt het raamwerk lidstaten de ruimte om hiervan af te wijken met eigen, transparant onderbouwde aannames. Eventuele verschillen moeten daarbij op basis van deugdelijke economische argumenten worden gemotiveerd. De formele instemming met deze aanpassingen vindt plaats bij de beoordeling van het FSP. De oorspronkelijke technische informatie is op basis van recentere inzichten aangepast. Zie voor een nadere toelichting Annex 1.↩︎
De budgettaire aanpassingsperiode voor het uitgavenpad loopt van 2026 tot en met 2029. Omdat de kabinetsperiode loopt tot en met 2030, is de geraamde uitgavengroei van het CPB voor dat jaar ook opgenomen in deze tabel. Vereiste hierbij is dat het structureel primair saldo (SPS) niet verder verslechtert, behoudens vergrijzingskosten. In de aangepaste technische informatie vertaalt zich dit door tot een maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven met 3,7% in 2030.↩︎
Zie voetnoot 2.↩︎
Idem↩︎
CPB (2026) Centraal Economisch Plan 2026.↩︎
Ebregt, J., Jongen, E., & Scheer, B. (2022). Groei beroepsbevolking gaat sterk afvlakken. Economisch Statistische Berichten.↩︎
WRR (2021). Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak.↩︎
https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2026/oorlog-in-het-midden-oosten-impact-op-de-nederlandse-economie/↩︎
Soederhuizen et al. (2025). Impact energietransitie op middellangetermijnraming van investeringen. CPB↩︎
Konietzny et al. (ESB, 2025). Nederland is via derde landen sterk blootgesteld aan handelsbeleid VS.↩︎
DNB (2025). Overzicht financiële instabiliteit.↩︎
De kasuitgaven van deze maatregel vallen in 2026. De overgang naar de nieuwe pensioenregeling vindt plaats in 2027. Het is op dit moment onzeker of het CBS deze uitgaven voor het EMU-saldo aan 2026 of 2027 zal toerekenen. In de raming van het CPB is aangenomen dat de uitgaven het saldo belasten in 2026.↩︎
De kasuitgaven van deze maatregel vallen in 2026. De overgang naar de nieuwe pensioenregeling vindt plaats in 2027. Het is op dit moment onzeker of het CBS deze uitgaven voor het EMU-saldo aan 2026 of 2027 zal toerekenen. In de raming van het CPB is aangenomen dat de uitgaven het saldo belasten in 2026.↩︎
https://www.cpb.nl/raming/centraal-economisch-plan-cep-2026↩︎
Zie Country-specific recommendations database (europa.eu) voor 2023 en eerder.↩︎
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/vergaderstukken/2025/06/10/nazending-geannoteerde-agenda-eurogroep-ecofinraad-juni-2025-lentepakket↩︎
https://commission.europa.eu/publications/2025-european-semester-country-specific-recommendations-commission-recommendations_en↩︎
https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10979-2025-INIT/en/pdf↩︎
De stock-flow adjustment (SFA) is de verandering in de overheidsschuld (stock) die niet kan worden verklaard door het begrotingssaldo (flow). Omdat de schuldquote voor 2025 in de aangepaste technische informatie wordt geactualiseerd, wordt de stock-flow adjustment (SFA) als restpost gebruik om deze bijstelling te verklaren. Dit heeft geen effect op de maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven.↩︎
Het Centraal Planbureau onthoudt zich van commentaar vanwege zijn rol als onafhankelijke begrotingsinstelling belast met het toezicht op de naleving van de Europese begrotingsregels.↩︎
SER (2025), Brief aan de informateur: Samenwerken aan het nieuwe Nederland.↩︎
SER (2025), Oproep aan politiek Nederland: kies voor samenwerking en koersvast beleid met draagvlak.↩︎
SER (2021), Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving.↩︎
Art. 13g punt v van Verordening EU 1263/2024↩︎
Overweging 4 van Verordening EU 1263/2024↩︎
Indien de maatregel tevens onderdeel is van (i) het Nederlandse herstel- en veerkrachtplan of (ii) het MFK- Partnerschapsovereenkomst. Voor HVP-maatregelen wordt tussen de haakjes verwezen naar het nummer in de herziene Annex van het Raaduitvoeringsbesluit.↩︎
Conform de richtlijnen van de Europese Commissie wordt gereageerd op de landspecifieke aanbevelingen die 'relevant' zijn. Dat wil zeggen, de structurele (niet-budgettaire) aanbevelingen teruggaand tot 2019 die volgens de jaarlijkse Commissiebeoordeling geen 'substantiële' of 'volledige' vooruitgang of implementatie hebben, zie Country-specific recommendations database (europa.eu) voor 2023 en eerder.↩︎
De gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie cf. Artikel 13(c) Verordening 2024/1263, (i) het verwezenlijken van een eerlijke groene en digitale transitie, met inbegrip van de klimaatdoelstellingen zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1119 (“Europese Klimaatwet”), (ii) sociale en economische veerkracht, met inbegrip van de Europese pijler van sociale rechten, (iii) energiezekerheid en (iv) waar noodzakelijk, de opbouw van defensievermogens.↩︎
Zie voor de volledige voortgangsrapportage Kamerstuk 32847, nr. 1190. ↩︎