Antwoord op vragen van het lid Huizenga over de voortgang van de modernisering van de Wet op de lijkbezorging
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D17292, datum: 2026-04-13, bijgewerkt: 2026-04-13 12:40, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z03787:
- Gericht aan: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 1590
Antwoord van minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 13 april 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1248
Vraag 1
Kunt u een overzicht geven van de laatste stand van zaken met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wblo)?
Vraag 2
Waarom heeft de aanbieding van het wetsvoorstel Wblo aan de Kamer tot op heden niet plaatsgevonden?
Antwoord op vragen 1 en 2
Inmiddels zijn de consultatiereacties vrijwel geheel verwerkt in het wetsvoorstel. De indiening ervan bij de Raad van State is vertraagd omdat de financiële dekking van het wetsvoorstel nog niet rond is. Een ordentelijk dekking voor het wetsvoorstel is uiteraard een harde voorwaarde voordat het voorstel aan de Raad van State kan worden voorgelegd. Hierover ben ik in gesprek met mijn collega’s van VWS en JenV. Ik streef ernaar om de dekking voor het wetsvoorstel uiterlijk bij de ontwerpbegroting in september te verwerken.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de ingekomen reacties op de internetconsultatie?
Antwoord
Er zijn veel uiteenlopende en ook uitgebreide reacties binnengekomen tijdens de consultatie. Deze reacties zijn vrijwel geheel verwerkt. Ik wil hier nu niet op vooruit lopen. Op het moment dat het wetsvoorstel wordt aangeboden aan de Raad van State wordt het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting weer openbaar. In deze toelichting wordt uitgebreid gereflecteerd op de ontvangen reacties en wordt toegelicht tot welke aanpassingen dit eventueel heeft geleid. Tevens zal er een verslag worden gepubliceerd van de consultatiereacties.
Vraag 4
Bent u nog steeds voornemens de Wblo in het eerste kwartaal van 2026 aan de Raad van State ter advisering voor te leggen?
Vraag 5
Kunt u een beoogd tijdpad uiteenzetten voor de verdere behandeling van de Wblo?
Vraag 6
Welke stappen gaat u ondernemen om dit tijdpad daadwerkelijk te realiseren? Hoe gaat u voorkomen dat de wetsbehandeling wederom vertraging oploopt?
Antwoord op vragen 4 t/m 6
Voor het wetsvoorstel in de huidige vorm is nog geen structurele dekking gevonden. Daarom kan het nog niet aan de Raad van State worden aangeboden. Het is de inzet om de financiële dekking alsnog te realiseren en het wetsvoorstel in het derde kwartaal aan te bieden bij de Raad van State. Na ontvangst van het advies en het opstellen van het nader rapport kan het wetsvoorstel worden ingediend bij de Tweede Kamer.
Vraag 7
In hoeverre ziet u mogelijkheden om vooruitlopend op de afronding van de wetsbehandeling een gedoogbeleid ten aanzien van de Wblo te hanteren?
Antwoord
Ik begrijp dat er een maatschappelijke wens is om resomeren zo snel als mogelijk toe te staan. Ik zie echter geen ruimte voor een gedoogbeleid. Het wetgevingsproces en het primaat van de wetgever vormen een noodzakelijke waarborg voor een zorgvuldige en respectvolle omgang met de lichamen van overledenen waarop het wetsvoorstel betrekking heeft.
De beoordeling van de toelaatbaarheid van deze nieuwe techniek in het kader van het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb vereist een zorgvuldig democratisch proces, waarin uiteenlopende politieke, maatschappelijke en ethische belangen expliciet worden afgewogen.
Het hanteren van een gedoogbeleid vooruitlopend op parlementaire besluitvorming zou afbreuk doen aan deze systematiek en aan het primaat van de wetgever. Juist waar het gaat om ingrijpende beslissingen rond lijkbezorging, een onderwerp dat raakt aan de menselijke waardigheid, de grafrust en de nagedachtenis van de overledene, is een duidelijke en expliciete wettelijke grondslag vereist. Het is aan de regering én het parlement als formele wetgever om ter zake de noodzakelijke waarborgen, voorwaarden en grenzen vast te stellen. Het past niet om via bestuurlijk gedogen een materiële uitbreiding van bevoegdheden te realiseren waarvoor de wet thans geen toereikende basis biedt. Rechtszekerheid en democratische legitimatie vergen hier terughoudendheid van het bestuur.