Conceptverslag Leefbaarheid en Veiligheid
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D17772, datum: 2026-04-08, bijgewerkt: 2026-04-15 11:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-08 14:00: Leefbaarheid en Veiligheid (Commissiedebat), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Leefbaarheid en veiligheid
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 8 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over:
de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 10 december 2025 inzake advies van de commissie-Van Rijn: uitwerking Woontopafspraak Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) (32847, nr. 1396);
de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 27 november 2025 inzake voortgangsrapportage NPLV 2024 tot en met de zomer 2025 (30995, nr. 107).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening,
Bromet
De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening,
De Vos
Voorzitter: Bromet
Griffier: De Vos
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Asten, Bromet, Clemminck, Grinwis, Mooiman, Moorman, Nobel, Steen en Wiersma,
en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Welkom bij het commissiedebat Leefbaarheid en veiligheid van de vaste
commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Welkom aan de
minister en haar ondersteuning. Welkom aan de Tweede Kamerleden. Dit
debat staat tot 17.30 uur ingepland. In de eerste termijn van de Kamer
is er een spreektijd van vier minuten. Ik wil het aantal interrupties
onbeperkt houden, maar wel met de kanttekening dat je maar twee
interrupties hebt van 30 seconden. Als die op zijn, dan is het over met
het feest en zijn er geen interrupties meer. Houd de interrupties dus
kort, dan kunnen we er een levendig debat van maken.
Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Van Asten van D66.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. Bouwlust, Moerwijk, Morgenstond en Vrederust, de vier
wijken van Den Haag Zuidwest die onderdeel zijn van het Nationaal
Programma, heb ik in de afgelopen twaalf jaar dat ik in de
gemeentepolitiek zat, goed leren kennen. Het zijn wijken met talloze
uitdagingen: van slechte woningen tot veiligheid op straat, van weinig
sociale binding tot grote kansenongelijkheid. Bij de start van het
Nationaal Programma in Zuidwest kwamen we bijeen met een grote coalitie
van bewoners, corporaties, werkgevers en vele andere betrokkenen met de
nodige scepsis na vele jaren achteruitgang, maar wel met hoop en met een
bijzonder ding dat in al die jaren niet veranderd is, iets wat ik ook
merkte bij mijn bezoeken aan de NPLV-wijken in Rotterdam, Arnhem,
Groningen, Utrecht en Tilburg in de afgelopen tijd als Kamerlid: de
bewoners zijn ondanks alles trots op hun wijk en ergeren zich vaak groen
en geel aan iedereen die hun wijk en de bewoners negatief neerzet.
Ik vind dat het NPLV er uitstekend in slaagt om de kracht van bewoners
juist tot een centraal punt te maken. De gemeenschapszin wordt
teruggebracht door de combinatie van het verbeteren van woningen, het
stimuleren van wijkeconomie, het verbeteren van schoolprestaties en het
verbeteren van de veiligheid in wijken. Dat het Nationaal Programma
wordt doorgezet is dan ook van vitaal belang. Daarom zijn we als D66
blij met de middelen en het commitment die hiervoor in het
coalitieakkoord zijn opgenomen. Gisteren bleek uit de brief dat bij de
komende begroting duidelijk wordt hoe deze middelen zullen worden
verdeeld. Daarbij roep ik de minister wel op om vooral langjarig
zekerheid te geven op de programma's die werken, zodat daarop kan worden
voortgebouwd.
Voorzitter. Ik heb nog een aantal kleine punten te maken. De gezondheid
is de basis voor alles: voor goed kunnen werken, goed naar school kunnen
gaan en voor een goede ontwikkeling van kinderen. Tegelijkertijd zien we
een zorgwekkende ontwikkeling: de vaccinatiegraad daalt, juist in
kwetsbare wijken. In steden zoals Den Haag haalt geen enkele wijk nog de
WHO-norm van 95% en in sommige wijken is de vaccinatiegraad zelfs onder
de 60% gezakt. Ik hoef niet uit te leggen dat dat slecht is, maar ik
vraag dan aan de minister of zij bereid is om samen met het ministerie
van VWS, gemeenten en lokale organisaties gerichte maatregelen te nemen
om de vaccinatiegraad juist in deze wijken te verhogen. Los van de
vaccinatiegraad zijn er ook andere gezondheidsstatistieken die onder het
landelijk en stedelijk gemiddelde zijn. Ze ontwikkelen zich ook nog eens
de slechte kant op. Kan de minister aangeven of en hoe zij VWS
gecommitteerd krijgt aan het verbeteren van de gezondheid van bewoners
in de NPLV-wijken?
Voorzitter. De problematiek die in deze twintig gebieden speelt, speelt
ook in andere gemeentes: van de New Towns tot de middelgrote gemeentes
en eigenlijk alles wat daartussen zit. Op welke manier kunnen de lessen
van het NPLV deze gemeenten tot dienst zijn? Moeten er voor deze
gemeenten met soortgelijke, maar wellicht iets minder omvangrijke
problematiek niet een apart programma worden opgetuigd? Hoe kunnen we
deze gemeentes en vooral de inwoners die daarmee te maken hebben,
helpen?
Voorzitter, ik heb de klok niet helemaal bijgedraaid, maar ik denk dat
ik aan het einde van mijn spreektijd ben. Ik sluit af. Als we willen dat
deze wijken vooruitkomen, moeten we blijven investeren in woningen, in
onderwijs, in veiligheid en in gezondheid, langjarig en vanuit alle
ministeries. Alleen zo zorgen we ervoor dat in de toekomst de bewoners
niet achterblijven, maar juist perspectief krijgen op een betere
toekomst.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was keurig binnen de tijd. Dan is nu het woord aan de
heer Nobel van de VVD.
De heer Nobel (VVD):
Ik ga ook mijn best doen, voorzitter. Een leefbare en veilige wijk is
een belangrijke randvoorwaarde voor een goed en fijn leven. Het is dan
ook belangrijk dat we vandaag spreken over dit thema. De VVD maakt zich
zorgen over de beperkte voortgang in bepaalde gebieden waar problemen nu
het grootst zijn. In NPLV-gebieden zien we grote verschillen in de
aanpak van problemen. Dat is risicovol, want ondanks de jarenlange inzet
en investeringen zien we dat in sommige gebieden de leefbaarheid
achterblijft. Dat is risicovol, omdat problemen op het gebied van
veiligheid, gezondheid en bestaanszekerheid elkaar versterken.
Voorzitter. De Rotterdamwet geeft gemeenten de mogelijkheid om in
bepaalde wijken te bepalen wie er mag wonen, bijvoorbeeld op basis van
inkomen of gedrag, om zo leefbaarheid te verbeteren. Deze wet is nu van
kracht in zo'n tien gemeenten, waaronder grote steden als Rotterdam,
Nijmegen en Amsterdam. Recent zijn hier ook Heerlen en Kerkrade aan
toegevoegd. Dit laat zien dat gemeenten belangstelling hebben voor het
instellen van de wet. Kan de minister toelichten of zij meetbare
verbeteringen ziet in gemeenten en in het bijzonder wijken waarin de
Rotterdamwet wordt toegepast? Wat de VVD betreft gaan we deze toepassing
verder verruimen. Hoe kijkt de minister hier zelf tegen aan?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik zit met aandacht te luisteren naar de heer Nobel. Hij zegt dat de
Rotterdamwet, en dan vooral het mogen bepalen wie er in wijken mag
wonen, ook wordt toegepast in allerlei andere gemeenten. Ik herken dat
niet. Volgens mij wordt er wel degelijk gekeken naar wat bijvoorbeeld de
samenstelling is van de woningen, maar het toepassen van de Rotterdamwet
in de meest strikte vorm, gebeurt volgens mij niet in die andere
gemeentes. Heeft de heer Nobel daar dan andere gegevens over?
De heer Nobel (VVD):
Volgens mij zijn er tien gemeenten waar de Rotterdamwet wordt toegepast.
Ik heb geen lijstje met welke invulling er precies aan wordt gegeven of
hoe die Rotterdamwet precies wordt toegepast, maar volgens mij is het zo
dat dit op dit moment in tien gemeenten gebeurt. Ik geloof echter best
dat dat in bepaalde gemeenten effectiever is dan in andere
gemeenten.
De voorzitter:
Mevrouw Moorman, voordat u verdergaat, wil ik even zeggen dat we voordat
u binnenkwam, hebben afgesproken dat interrupties korter dan 30 seconden
niet meetellen en dat er na twee interrupties van meer dan 30 seconden
geen vragen meer gesteld mogen worden. Uw vorige interruptie was onder
de 30 seconden, hoor, maar ik dacht: ik waarschuw u even. Ik ken u
namelijk.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank je, voorzitter. Ik vind het een goede regel.
Die Rotterdamwet is voor mij echt een punt, dus misschien moet ik zo
meteen aan de minister vragen om te reflecteren op hoe die precies wordt
toegepast.
De heer Nobel (VVD):
Diezelfde reflectie had ik al aan de minister gevraagd. Ik denk dat het
goed is om te zien hoe de Rotterdamwet wordt toegepast en welke
gemeenten daar eventueel belangstelling voor hebben. Wat de VVD betreft
wordt dit in ieder geval verder verruimd.
Voorzitter. Dan het middenhuursegment. De balans in de huursector in
Nederland is compleet verstoord. Het middenhuursegment is zeer klein in
vergelijking met andere Europese landen, wat het voor starters lastig
maakt om een passende woning te vinden. Een gezonde mix van sociale huur
en middenhuur zorgt ervoor dat verloedering van wijken wordt tegengegaan
en dat mensen er fijner kunnen wonen. Volgens de commissie-Van Rijn is
er op dit moment een oververtegenwoordiging aan sociale huur. Dat hangt
samen met druk op de leefbaarheid. We moeten daarom onze wijken diverser
maken. We moeten ook meer middensegmentwoningen toevoegen. Zonder dit
ingrijpen blijft de problematiek zich namelijk concentreren. Is de
minister het met de VVD eens dat er meer regie gepakt moet worden in de
NPLV-wijken? Hoe is zij van plan om het middenhuursegment te versterken,
juist in deze gebieden? Kan de minister ook reflecteren op de €7.000 per
woning? Komt die ook terecht bij betaalbare koop en de middenhuur? Kan
de minister aangeven hoe zij kijkt naar de gedachte om prijssegmenten
binnen betaalbare koop als indicator mee te nemen bij de reflectie van
de volkshuisvestingprogramma's, zoals de NPLV-wijken?
Voorzitter. De VVD is geen voorstander van het uitbreiden van het aantal
NPLV-wijken en wil juist de komende vijftien tot twintig jaar de
situatie in bestaanbare kwetsbare wijken verbeteren. Ook kunnen
buurgemeenten op dit moment al veel van elkaar leren, bijvoorbeeld door
de best practices te delen. Hoe is dit bij de NPLV-gebieden onderling
geregeld? Volgens de commissie-Van Rijn is het beleid op dit moment
namelijk nog te gefragmenteerd. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat
effectieve maatregelen ook in andere gebieden worden ingevoerd? Hoe
controleert zij dat middelen effectief gebruikt worden? Kan de minister
toezeggen dat het beleid van gemeenten die veel verbetering laten zien,
wordt gebruikt als uitgangspunt?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan meneer Mooiman van de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we het commissiedebat
Leefbaarheid en veiligheid. Het is goed dat we dit debat vandaag met
elkaar voeren. Er blijft naast de woningbouwopgave immers aandacht nodig
voor de leefbaarheid in bestaande wijken, om ook daar de opgaven die er
zijn aan te pakken en om de potentie te benutten die er in deze wijken
is. Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid richt zich op
bestaande wijken die al geruime tijd onder druk staan en vergevorderde
problematiek kennen. Het is belangrijk om de negatieve spiraal in deze
gebieden te doorbreken en om ervoor te zorgen dat de gezondheid, de
veiligheid en de leefomgeving in deze wijken verbeteren.
Dat vraagt onder andere om het aanpakken van de bestaande
woningvoorraad, die in deze gebieden vaak in slechtere staat verkeert.
Dat is een van de manieren om ervoor te zorgen dat de leefbaarheid wordt
bevorderd. Een deel van de opgaven in deze gebieden en de versterking
daarvan betreft daarom ook een herstructureringsvraagstuk. Dat is niet
makkelijk, omdat het uiteindelijk om bestaande gebieden gaat, waar heel
wezenlijke belangen spelen, die goed moeten worden meegewogen. Ook zal
de nieuwbouwopgave daadwerkelijk van de grond moeten komen om ervoor te
zorgen dat wijken beter in balans komen en de draagkracht voor
voorzieningen en faciliteiten wordt versterkt.
Naast de inzet op de bestaande NPLV-gebieden, moeten we er ook zorg voor
dragen dat er geen nieuwe zorgwekkende gebieden bij komen. Ik heb al
vaker gewezen op bestaande gebieden zoals de New Towns. Die staan als
het ware voor een tweede verstedelijkingsopgave, met verouderde wijken,
infrastructuur en voorzieningen die om versterking vragen en steeds
vaker te maken krijgen met problematiek vergelijkbaar met die van de
NPLV-gebieden. Deze gebieden hebben veelal te maken met een onder druk
staande sociaal-economische uitgangspositie. Voor het aanpakken van die
unieke uitdagingen is specifieke aandacht nodig. Het is dan ook goed dat
de Kamer gisteren unaniem een motie heeft aangenomen voor een strategie
voor de ontwikkeling van de New Towns. Ik denk dat dat een belangrijk
signaal is.
Naast de eerdergenoemde gebieden krijgen ook kleinere gemeenten steeds
vaker te maken met dergelijke problematiek. Zo zijn er veel gemeenten
onder de 100.000 inwoners die deze zogenaamd grootstedelijke
problematiek steeds meer tegenkomen. Mijn vraag aan de minister is: hoe
kijkt zij naar de uitdagingen waar ook deze gemeenten vaker tegenaan
lopen, ook gelet op de vaak beperktere capaciteit die die gemeenten
hebben om het tij te keren?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Wiersma van de BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Het is goed dat we vandaag spreken over dit programma.
Ik hoor tot nu toe veel eensgezindheid vanuit de commissie. Dat is mooi
en dat is belangrijk. Er zijn twintig NPLV-gebieden, waar ongeveer 1,2
miljoen mensen wonen. Dat zijn gezinnen, ouders en kinderen, die iedere
dag willen kunnen rekenen op een veilige straat, een fatsoenlijk huis en
een buurt waarin je je thuis voelt. Ik weet dat "je ergens thuis voelen"
ook een speerpunt is van deze minister. De voortgangsrapportage van het
programma laat zien dat er hoopvolle cijfers zijn, maar toch mogen we
onze ogen niet sluiten voor de gapende kloof die blijft bestaan tussen
deze wijken en de rest van Nederland.
Er zijn namelijk belangrijke, maar kleine stappen vooruitgezet. De
leefbaarheid is iets verbeterd: van 60% naar 55% zwakke scores. Dat zien
we terug in de rapportage. Dat klinkt aardig en dat is ook positief,
maar vergeleken met de rest van Nederland, waar het 11% is, is dat wel
de realiteit. De woningvoorraad drukt daar dan ook zes keer zo vaak
negatief op de leefbaarheid als elders. Het moet hier ook hoog op de
agenda blijven staan. Het betekent slechte huizen, slecht onderhoud en
slechte buurten.
Ook sociaal zien we daarin dezelfde kloof. Waar de armoede daalde van
18% naar 8%, wat ook goed nieuws is, wonen in deze gebieden nog steeds
twee keer zoveel mensen onder de armoedegrens als gemiddeld in
Nederland. Inwoners ervaren meer overlast en minder veiligheid. Dat zijn
geen statistieken; dat zijn gezinnen die 's avonds de deur op slot
draaien omdat ze zich niet veilig voelen. Daar voelen we gelukkig
allemaal verantwoordelijkheid voor.
We zien dat problemen zich het sterkst concentreren in Rotterdam-Zuid.
De commissie-Van Rijn zegt dat dit gebied 30% tot 40% van de hele
nationale opgave vormt. Laten we ook vooral niet steden als Heerlen,
Leeuwarden, Groningen, Arnhem en Lelystad vergeten. Ook daar werken
gemeenten, corporaties en bewoners namelijk hard aan verbetering van hun
wijken. Als voormalig provinciebestuurder ben ik in Leeuwarden Oost
geweest, waar hele mooie dingen gedaan worden. Wat de eensgezindheid
betreft, sluit ik me van harte aan bij het lid Van Asten, die vroeg: hoe
kun je eigenlijk uit zo'n programma de best practices halen en die
extrapoleren naar andere gebieden? Dat zei het lid Nobel overigens
ook.
Er zijn mooie initiatieven. In Heerlen-Noord wordt bijvoorbeeld gewerkt
aan de verbinding tussen gezondheid en veiligheid. In Leeuwarden Oost —
ik noemde het al — worden bewoners na sloop en herhuisvesting intensief
begeleid naar een nieuwe start. In Groningen-Noord wordt geïnvesteerd in
onderwijs en een kansrijke start voor jongeren. Dat zijn hele
belangrijke stappen. Er zijn nog steeds serieuze knelpunten, zoals de
financieringsvraag. Die werd zojuist ook al aangehaald. De commissie-Van
Rijn adviseert een investering van honderden miljoenen euro's om de
fysieke problemen aan te pakken. Tegelijkertijd moeten andere gebieden
het vooral doen met bredere regelingen. Hoe voorkomt deze minister dat
de gebieden in die regio financieel achtergesteld raken wanneer zij met
vergelijkbare problemen kampen?
Dan de continuïteit van het programma. Het is opgezet voor een periode
van twintig jaar. Tot en met 2028 is er geld gereserveerd. Ik wil de
minister vragen wat er daarna gebeurt. Kan de minister garanderen dat er
ook na 2028 structureel middelen beschikbaar blijven, zodat gemeenten en
lokale partners hun langjarige plannen daadwerkelijk kunnen uitvoeren?
Ik hoorde dat zojuist ook als punt. Gisteren waren de M50-gemeenten
hier. Wij hoorden van hen dat zij als middelgrote gemeenten ook tegen
grootstedelijke problematiek aanlopen. Zij vragen eigenlijk om een
soortgelijke aanpak. Dat gaat in eerste instantie niet alleen om geld.
Het gaat ook om een programma. Ziet de minister dus kansen om een
programma op te stellen om daarmee ook in die gemeenten aan de slag te
gaan?
De heer Nobel (VVD):
Ik vroeg me af of de BBB-fractie de NPLV-wijken zoals die er nu zijn,
dan ook verder wil uitbreiden.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dat maakt mij op zich niet zo veel uit. Dat zou een aanpak kunnen zijn.
Tegelijkertijd is dit een programma dat al loopt. Ik hoorde gisteren ook
van die M50-gemeenten dat zij onder een bestaand programma zouden willen
vallen, maar dat er ook een ander programma zou kunnen worden uitgerold.
Dat is mij om het even. Ik wil de minister graag vragen of zij
mogelijkheden ziet. Volgens mij vroeg het lid Nobel ook hoe je de best
practices die je hier opgedaan hebt, daar kunt toepassen. We weten ook
dat de gebieden die hieronder vallen, echt met grote problemen en
achterstanden kampen. Dat zal in heel veel andere gebieden misschien
niet van die orde van grootte zijn, maar hoe kunnen we de lessen
bundelen die in deze gebieden worden geleerd? Ik zie namelijk dat er in
de verschillende gebieden ook verschillende lessen worden geleerd. De
aanpak is ook niet altijd identiek. Dat werd zonet ook aangehaald. Hoe
zorgen we er nu voor dat de kennis van wat werkt, ook beschikbaar komt
voor al die gemeenten die met soortgelijke problemen kampen, hoewel die
misschien niet van die orde van grootte zijn, en die misschien niet aan
de criteria van dit programma voldoen? Ik weet niet precies welke
criteria daaraan vastzitten, maar goed.
Voorzitter, ik zal verdergaan, want anders wordt mijn antwoord wel heel
lang.
De voorzitter:
Nou, nee, want meneer Nobel wil nog een vraag stellen.
De heer Nobel (VVD):
We lijken het inderdaad eens te zijn. Het delen van die best practices
lijkt me verstandig, maar het verder uitbreiden van de NPLV-wijken niet,
omdat we uiteindelijk beperkte middelen hebben. Zoals u terecht stelt,
zijn de problemen in die wijken dusdanig groot dat we daar structureel
op in moeten blijven zetten. Ik hoop dat de BBB-fractie dat met de VVD
deelt.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Zoals ik net al zei, hoeven ze wat mij betreft niet per se onder dit
programma geschoven te worden. Dit is namelijk gewoon afgebakend, en het
is overigens ook een traject van twintig jaar. Ik denk ook niet dat het
overal in die orde van grootte hoeft te worden ingezet, maar ik denk wel
dat we erover moeten nadenken. De andere gemeenten vragen in eerste
instantie niet alleen geld, maar u bent wethouder geweest en ik ben ook
bestuurder geweest, dus we weten allebei hoe dat werkt. Er zal
uiteindelijk wat boter bij de vis moeten. Ik denk wel dat die gemeenten
baat hebben bij een samenhangende aanpak in de vorm van een programma.
In die zin volg ik het lid Nobel dus. Deze aanpak moet voorop blijven
staan en daar moeten we niet aan tornen, maar we zien wel dat er ook
andere gebieden zijn, waar ook de behoefte is om programmagewijs te gaan
werken, omdat zij tegen vergelijkbare problemen aanlopen.
Dan zal ik nu mijn betoog vervolgen, voorzitter. Over de woningvoorraad
is al het een en ander gezegd. In veel van de wijken bestaat een groot
deel van de woningvoorraad uit particuliere panden, waarbij slecht
onderhoud, energiearmoede en soms malafide verhuurders een rol spelen.
Tegelijkertijd zijn er sinds 2024 geen nieuwe rijksregelingen meer voor
de aanpak van die particuliere voorraad. Ik wil de minister vragen hoe
zij voor zich ziet dat de leefbaarheid in die wijken kan worden
verbeterd, terwijl juist daar de grootste problemen zitten.
De voorzitter:
Ja, dank u wel. U bent echt ruimschoots over uw tijd heen.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Oké. Nou, dat is jammer.
De voorzitter:
Mevrouw Steen van het CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Soms zie je beleid waarvan je denkt: goed dat
het er is, maar jammer dat we het nodig hebben. Het Nationaal Programma
Leefbaarheid en Veiligheid is daar een voorbeeld van. In twintig
stedelijke gebieden waarin problemen zich opstapelen, wordt structureel
en integraal gewerkt aan verbetering. Dat gaat om ruim 1,2 miljoen
mensen en een grote, hardnekkige opgave. We zien in deze gebieden niet
alleen plannen, maar vooral ook een concrete inzet op onderwijs, werk,
veiligheid en wonen, met langdurige betrokkenheid van het Rijk, de
gemeenten en partners. Dat is goed en dat is doen wat nodig is. Het CDA
vindt het belangrijk dat dit programma wordt doorgezet. Juist daarom
moeten we ook verder kijken. Uiteindelijk willen we natuurlijk dat dit
soort programma's helemaal niet meer nodig zijn en dat we voorkomen dat
problemen zich opstapelen. Daar ligt voor het CDA een belangrijke vraag,
juist met het oog op de woningbouwopgave.
We bouwen de komende jaren honderdduizenden woningen. De vraag is:
bouwen we ook gemeenschappen, of bouwen we toekomstige probleemgebieden?
We kennen de lessen inmiddels, over wijken waar wonen, werken en
voorzieningen niet in balans zijn, waar sociale structuren ontbreken en
waar problemen zich opstapelen. Dat ontstaat geleidelijk, maar het ligt
wel degelijk op de loer als we alleen focussen op stenen stapelen. Dat
speelt niet alleen in de NOVEX-gebieden, maar ook in de nieuwe
verstedelijkingsgebieden en in de M50. Gisteren kregen we daar ook al
een petitie over overhandigd. Uit mijn tijd als wethouder weet ik hoe
dit werkt. In een wijk met veel sociale huur zag ik hoe buurtmoeders
precies wisten wat er achter de voordeuren van de flats en de
portiekwoningen speelde. Zij hielden de wijk draaiende en signaleerden
problemen, maar juist daar ontbrak het ons als gemeente soms ook aan de
mogelijkheid om samenhang te organiseren. Dat laat zien dat een
samenleving zelf heel erg veel kan, maar dat de overheid ook thuis moet
geven als dat nodig is.
Voorzitter. Daarom de volgende vragen. Hoe wordt in de huidige
woningbouwopgave expliciet gestuurd op het voorkómen van de stapeling
van problemen buiten de huidige NOVEX-gebieden? Wat is de visie van de
minister op het voorkómen van wijken waar achterstanden zich
concentreren in plaats van dat ze zich gemengd ontwikkelen? Mijn collega
zei daar net ook al wat over. Hoe gaan we om met de plekken die niet
NOVEX zijn, maar wel een stapeling van problemen kennen?
Voorzitter. We weten ook beter wat werkt, namelijk langjarige inzet,
samenwerking en continuïteit. We zien bijvoorbeeld de enorme effecten
van een programma zoals Preventie met Gezag. Welke concrete lessen uit
de huidige NPLV-gebieden worden nu al toegepast in nieuw beleid en in
gebiedsontwikkeling? Wordt er nu al structureel gestuurd op een mix van
inkomensvoorzieningen en werkgelegenheid in die wijken? Hoe wordt
voorkomen dat interventies te versnipperd blijven in plaats van dat ze
samenhangend zijn, bijvoorbeeld omdat een deel van de interventies
gedekt wordt uit verschillende potten, verschillende SPUK's? De SPUK
Kansrijke Wijk is er daar een van, maar ook de SPUK WoKT. Hoe gaan we
ervoor zorgen dat het integraal gebeurt?
Voorzitter. Dan de uitvoering. Onder andere bij de Woontop zijn
afspraken gemaakt, maar alles valt en staat bij de uitvoering, en daar
staat druk op. Hoe staat het met de uitvoering van de Woontopafspraken,
met name in de gebieden waar de opgaven het grootst zijn? Zijn
gemeenten, corporaties en partners nu voldoende toegerust om deze
afspraken waar te maken? En hoe kijkt de minister naar de borging
hiervan op de lange termijn?
Voorzitter. tot slot. Dit programma laat zien dat we echt een verschil
kunnen maken, maar de echte opdracht is om te voorkomen dat we het
opnieuw nodig hebben, door bij nieuwe wijken niet alleen woningen maar
gemeenschappen te bouwen. Uiteindelijk is het juist die gemeenschapszin
die maakt dat wijken sterk blijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Moorman van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
...
De voorzitter:
Mevrouw Moorman, uw microfoon staat niet aan.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
O, excuses. Moet ik helemaal opnieuw beginnen?
De voorzitter:
Als u 'm nu aanzet en verdergaat, komt het goed.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dat is natuurlijk wel zonde van de enorm mooie bijdrage die ik tot nu
toe heb geleverd, maar als u die niet meerekent in mijn tijd, scheelt
dat weer.
Ik zei dat ik met heel veel interesse de voortgangsrapportage had
gelezen. Er moet mij wel één algemene observatie van het hart: er wordt
wel heel erg van uitgegaan dat het pas beter wordt in een wijk als de
woningen duurder worden. Het wordt als een probleem gezien als er
woningen zijn onder de WOZ-waarde van 300.000. Ik vind dat vreemd. Een
woning is niet ineens beter op het moment dat die duurder is. Een woning
is vooral beter als die beter geïsoleerd is, als het fijn wonen is. Ik
hoor dus graag een reflectie van de minister daarop. Waarom is dat op
deze manier hierin gepresenteerd?
De heer Nobel (VVD):
Op mijn beurt verbaast het me dan weer dat GroenLinks-PvdA niet kan
inzien dat een oververtegenwoordiging van bepaalde typen woningen, zoals
sociale huurwoningen, er juist voor zorgt dat de leefbaarheid verder
onder druk komt te staan. We weten toch dat dat vaak mensen zijn met een
lager inkomen of zonder werk; we weten dat sociale problematiek vaker
aanwezig is bij dat type woningen. Ik hoor graag ook een reflectie van
GroenLinks-PvdA op het gegeven dat zij zelf blijkbaar niet inziet dat
dit ertoe leidt dat de leefbaarheid onder druk komt te staan.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik heb echt nog nooit gehoord dat een woning tot criminaliteit overgaat!
Ik zie wel dat er woningen zijn die niet goed geïsoleerd zijn of waarin
er schimmel is. Maar ik vind het echt heel problematisch om hier te
zeggen dat een woning onder de WOZ-waarde van drie ton leidt tot een
slechte leefbaarheid. Daarmee zegt de VVD eigenlijk dat mensen die
minder verdienen, minder waard zijn. Dat is in ieder geval niet de
stelling van GroenLinks-PvdA en dat zou ik ook nooit zo willen zeggen.
Mijn punt is vooral: laten we investeren in die wijken. Dat gebeurt
gelukkig ook volop, door ervoor te zorgen dat de woningen goed
geïsoleerd worden, dat het vuilnis wordt opgehaald en dat we investeren
in de kinderopvang en in de scholen in de wijk. Ik denk dat dat ons
vooral heel erg vooruithelpt in plaats van steeds focussen op duurder
wonen. Dat leidt namelijk alleen maar tot meer stress voor gezinnen en
huishoudens. Dat lijkt me nou juist heel erg slecht voor de
leefbaarheid.
Voorzitter. Dan ga ik graag door met mijn bijdrage …
De voorzitter:
Neeneenee, want de heer Nobel heeft nog een vervolgvraag.
De heer Nobel (VVD):
Laat ik eerst aangeven dat ik helemaal niet heb gezegd dat mensen die in
een ander type woning wonen, ongeacht of dat nu een dure woning is of
niet, en ongeacht hoe die woning eruitziet, minder waard zouden zijn,
want dat slaat helemaal nergens op. Dat heb ik niet gezegd. Dat
allereerst.
Ik ga het opnieuw proberen. Kan mevrouw Moorman namens GroenLinks-PvdA
reflecteren op het volgende. Op het moment dat er meer sociale
huurwoningen zijn, het percentage sociale huurwoningen heel erg hoog
ligt en er dus in groten getale mensen zijn die bijvoorbeeld geen werk
hebben of meer sociale problematiek ervaren, dan leidt dat toch eerder
tot onrust in een wijk? Dat is toch heel logisch? Daar zit helemaal geen
waardeoordeel aan. Het is logisch dat er eerder problemen komen op het
moment dat mensen meer sociale problematiek hebben en je die mensen bij
elkaar in een wijk zet. Graag een reflectie daarop.
De voorzitter:
Dit was uw eerste lange interruptie.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Die geef ik heel erg graag. Ik ben het volledig eens dat we moeten
investeren in mensen, onderwijs en kinderopvang en dat we ervoor moeten
zorgen dat mensen aan het werk komen. Dat ben ik allemaal van harte met
de heer Nobel eens. In de rapportage wordt meermaals gezegd dat het een
probleem is als de WOZ-waarde onder de 3 ton ligt. Dan denk ik: een
WOZ-waarde onder de 3 ton vinden, is sowieso voor heel veel mensen al
een groot probleem. De woningen zijn onbetaalbaar. Dat leidt tot heel
veel stress. Het enige wat ik vraag aan de minister is om hierop te
reflecteren: laten wij niet net doen alsof duurdere huizen ook leiden
tot betere mensen. Ik zou daar niet een soort ordening in willen hebben.
Laten we vooral investeren in mensen. Dat is het punt dat ik hier wilde
maken. Ik hoor in de bijdrage van de heer Nobel overigens ook dat hij
dat met mij eens is. Ik kom verderop in mijn bijdrage terug op wat ik
daar dan voor voorstellen voor heb. Ik hoop dan ook heel erg op de steun
van de heer Nobel voor die bijdrage.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Nee, meneer Nobel wil toch nog een vraag stellen.
De heer Nobel (VVD):
Ja. Ik ga 'm kort op een andere manier proberen te formuleren. Is
mevrouw Moorman het namens de GroenLinks-PvdA-fractie met mij eens dat
het toevoegen van meer middenhuurwoningen in wijken waar bovengemiddeld
veel sociale huurwoningen staan, uiteindelijk de leefbaarheid ten goede
zal komen?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben zeker voor het toevoegen van woningen waardoor mensen in een wijk
kunnen blijven wonen. Ik zie ook dat mensen die op zoek zijn naar meer
ruimte, bijvoorbeeld omdat ze kinderen krijgen of omdat ze niet meer in
aanmerking komen voor de sociale huur omdat ze te veel verdienen, graag
in de wijk willen blijven. Dat vind ik ook heel verstandig. Daarmee wil
ik ook verwijzen naar het goede onderzoek van de commissie-Van Rijn naar
Rotterdam-Zuid. Daarin wordt gezegd dat de sociale huur in die wijk een
enorme waarde heeft en dat het tegelijkertijd ook heel goed is om daar
middenhuur aan toe te voegen. Dat ben ik dus met u eens, maar wat ik
moeilijk vind, is dat de VVD er altijd een beetje een handje van heeft
om sommige mensen als betere mensen aan te merken dan andere mensen,
vaak afhankelijk van hun inkomen. Dat vind ik problematisch.
Mag ik verdergaan?
De voorzitter:
Dit is de laatste interruptie van de heer Nobel over dit deel.
De heer Nobel (VVD):
Ik ga geen vraag stellen, maar gewoon aangeven dat ik dat helemaal niet
heb gezegd. Mensen zijn gelijk, ongeacht het inkomen. Het is alleen zo
dat de leefbaarheid onder druk staat op het moment dat mensen met
sociale problematiek in groten getale aanwezig zijn in een wijk. Dat is
het enige wat ik aangeef.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het helemaal eens met de heer Nobel dat het leidt tot sociale
problematiek als mensen niet goed rondkomen. Laten we dan dus vooral
zorgen dat mensen goed rondkomen en laten we de sociale zekerheid dus
goed borgen. Laten we er dan ook voor zorgen dat mensen de kansen
krijgen in het leven die ze verdienen. Ik zie in deze rapportage
bijvoorbeeld ook dat kinderen veel minder onderwijskansen krijgen en dat
de kinderopvang onder druk staat. Allerlei manieren waarop mensen
vooruit kunnen komen, staan dus onder druk. Laten we daar dus in blijven
investeren. Volgens mij kunnen we elkaar daar heel goed in vinden.
De voorzitter:
Nee, meneer Nobel, dit zijn nu al vier interrupties geweest. Het klopt
dat ze kort zijn, maar ze zien wel steeds op hetzelfde. Dan blijf je in
rondjes draaien. Ik hoor mevrouw Moorman zeggen dat ze er blij mee is.
Dat snap ik, maar de heer Grinwis heeft ook nog een vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik wil hier nog wel even op doorgaan, maar dan vanuit een ander
perspectief. Ik vraag me af of mevrouw Moorman het ook belangrijk vindt
dat we, op het moment dat een wijk op een bepaalde manier is
samengesteld qua huizen, huizen die eigendom zijn van een
woningcorporatie toewijzen met oog voor de buurt, meer dan nu in de
praktijk gebeurt. Dan bedoel ik misschien niet alleen met oog voor de
buurt, maar zelfs met oog voor het portiek, zodat er zowel mensen met
sterkere schouders als mensen met kwetsbaardere schouders leven, die
elkaar tot een hand en een voet kunnen zijn.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben zeer voor gemengde wijken. Dat heb ik net ook gezegd in de
richting van de heer Nobel. Overigens geldt dat dan wel voor álle
wijken. We kijken altijd naar één specifieke wijk, maar ik zie ook dat
er hele gemeentes zijn waarin er nauwelijks sociale huur is. Dat vind ik
ook zeer problematisch. Laten we ervoor zorgen dat het allemaal goede
gemengde wijken zijn.
Ik had net al een korte interruptie richting de heer Nobel over de
Rotterdamwet. De Rotterdamwet zoals die is uitgevoerd in Rotterdam, is
zeker niet zo uitgevoerd in andere gemeentes. Wel is er bijvoorbeeld bij
investeringen gekeken hoe je kunt zorgen voor die goede gemengde wijken,
waarbij het dan vooral belangrijk is dat mensen in hun wijk kunnen
blijven wonen, ook op het moment dat zij bijvoorbeeld meer gaan
verdienen of aan gezinsvorming et cetera gaan doen. Ik zie in meerdere
gemeentes dat er bijvoorbeeld een voorrangsregel is ingesteld voor
jongeren, zodat die in hun wijk kunnen blijven wonen. Ik vind dat heel
verstandig, omdat je juist de kracht heel graag in de wijk wil houden;
je wil ervoor zorgen dat die mensen daar blijven. Er zijn dus zeker
goede voorrangsregels, maar daar waar het discriminerend wordt, neem ik
er afstand van.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Eigenlijk wist ik dat wel, want mevrouw Moorman heeft pas voor mijn
motie gestemd om dat buurtgericht toewijzen nog eens extra aan te
moedigen en nog eens heel kritisch naar de regels voor passend toewijzen
te gaan kijken. Het is natuurlijk wel een feit dat, sinds we dat passend
toewijzen hebben, in combinatie met het feit dat corporaties eigenlijk
niet helemaal de ruimte kunnen pakken of hebben gepakt om met oog voor
de buurt huizen toe te wijzen, we kwetsbaarheid meer geconcentreerd zien
raken in onze kwetsbare stadswijken. Dat is volgens mij iets waar we
gezamenlijk de schouders onder kunnen zetten en waar zelfs
GroenLinks-PvdA en VVD elkaar op zouden moeten kunnen vinden, zegt deze
blauwhelm.
De voorzitter:
De grote verbinder!
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de heer Grinwis dat hij hier de postillon d'amour wil spelen.
Dat hebben we ook nodig in de Kamer. De heer Grinwis heeft natuurlijk
gelijk dat de mutatiegraad in dit soort wijken vaak hoger ligt. Als die
mutatiegraad hoger ligt, dan kun je daardoor in de toewijzingen soms
best problemen krijgen. Dat zien wij allemaal. Daarom is het ook zo
belangrijk om te bekijken hoe je dat goed kunt spreiden en hoe je dat
met z'n allen kan doen; daar heeft de motie van de heer Grinwis ook aan
bijgedragen.
Voorzitter, dan wil ik graag verdergaan, al heb ik best al wat punten
gemarkeerd, dus dat is prettig. Ik wil graag nog een vraag stellen over
de structurele financiering. Want nogmaals, een kritische kanttekening
mag af en toe, maar ik ben echt wel blij dat we dit aan het doen zijn en
dat er zo veel goede voorbeelden zijn. Wel wordt er steeds geconstateerd
dat dit alleen maar met een lange adem kan. Daar is ook geld voor nodig.
Nu blijkt uit een rapportage van Rebel dat dit 1 miljard kost, maar dat
geld is er niet. Na 2030 is er zelfs nog 2 miljard extra nodig. Hoe gaan
we dit qua middelen dan doen? Hoe ziet de minister dat? Zitten daar dan
ook al de bestedingen in die de commissie-Van Rijn aanbeveelt voor
Rotterdam-Zuid?
Voorzitter. Ik wil nog een korte opmerking maken over de energiecrisis
en de energiearmoede, want die zien we juist in dit soort gebieden enorm
oplopen. Er staat in de rapportage ook een notie over wat er is gebeurd,
met name in de particuliere voorraad, maar het grootste deel van de
voorraad zit natuurlijk in de corporaties. Is daar nou echt voldoende
gedaan waaraan we zien dat de energiearmoede in deze wijken inderdaad
voldoende is bestreden of kunnen we daar nog andere stappen zetten? We
zien juist daar een enorm voordeel ontstaan op het moment dat daarin
wordt geïnvesteerd.
Voorzitter. Kort nog over de kinderopvang. Ik was samen met mijn collega
van D66 in Utrecht Overvecht. Daar hoorden we dat de kinderopvang enorm
onder druk staat, juist in deze wijken, omdat de commerciële
kinderopvang naar andere wijken trekt omdat daar gewoon meer geld te
verdienen is. Dan is er ook nog eens een personeelstekort. Als er geen
kinderopvang is, dan kunnen mensen ook niet aan werk. Dan bijt het
probleem zichzelf dus in de staart. Wat kunnen we doen om de
kinderopvang hier ook zo veel mogelijk te stimuleren? Hoe heeft de
nieuwe Wet kinderopvang hier impact op?
Voorzitter. Tot slot kom ik op de familiescholen. We zien dat juist op
de familiescholen een enorme sleutel zit om alles bij elkaar te
betrekken, om gezinnen te helpen, om mensen uit de armoede te helpen, om
mensen naar werk te brengen, maar in de suppletoire begroting zie ik tot
mijn schrik ook dat er 19 miljoen wordt bezuinigd op de
brugfunctionarissen. Dat is gewoon weer een verstopte bezuiniging op het
onderwijs. Het is trouwens nog veel meer, maar ook 19 miljoen op de
brugfunctionaris. Dat moeten we echt niet willen. Dat is zeker voor deze
wijken heel slecht. Graag een reflectie daarop.
Tot slot heb ik een heel technisch vraagje over de SPUK School en
Omgeving. Vanaf 2028 gaat dat naar de scholen. Dat lijkt me voor deze
wijken echt heel onverstandig. Kunnen we ervoor zorgen dat het geld
gewoon bij de programmabureaus blijft liggen, zodat School en Omgeving
daar onderdeel van kan blijven uitmaken?
Mevrouw Steen (CDA):
Ik heb mevrouw Moorman net een prachtig pleidooi horen geven over hoe
belangrijk het is dat de wijk zelf aan zet is. Net in dat laatste
staartje van haar bijdrage hoor ik haar eigenlijk zeggen dat het geld
dat naar die scholen gaat die in de wijken zitten en die precies weten
wat er moet gebeuren in de wijk, naar het programmabureau moet gaan. Is
mevrouw Moorman niet van mening dat juist die scholen precies weten hoe
dat geld goed ingezet kan worden?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het vooral belangrijk dat het allemaal samenkomt. Dat blijkt ook
te werken. Daarom is dit programma zo goed en daarom is het zo goed dat
er met die programmabureaus wordt gewerkt. Dat betekent dat niet elk
schoolbestuur dat voor zichzelf moet bepalen en er concurrentie
ontstaat, maar dat er juist gekeken wordt hoe alle schoolbesturen in
zo'n wijk dat samen kunnen doen, ook samen met de kinderopvang en de
brede talentontwikkeling, want dat is waar School en Omgeving over gaat.
Hoe maken we daar één pakket van? Zo is het op dit moment ook ingericht.
Dat werkt uitstekend. Dat geeft écht meer kansen aan kinderen. Dan vind
ik het ontzettend onverstandig dat we dat vanaf 2028 allemaal weer
opknippen in kleine stukjes, waardoor het ook weer heel ingewikkeld gaat
worden voor de programmabureaus om dat ook weer zo goed mogelijk aan te
sturen. U kunt zich dat voorstellen. U bent ook bestuurder geweest,
mevrouw Steen. U weet wat voor tafels er ingericht moeten worden om dat
allemaal weer aan elkaar te knopen, terwijl het nu gewoon goed werkt.
Het is niet om de autonomie weg te nemen. Dat is helemaal niet mijn
bedoeling. Ik wil graag een systeem dat goed werkt voor gezinnen en
kinderen om gelijke kansen en ontwikkelkansen te geven.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik heb in die rol als bestuurder vooral heel veel scholen gezien die in
heel verschillende wijken staan en dat die verschillende scholen, zelfs
in dezelfde wijk, een heel verschillende populatie hebben. Die scholen
zeiden: laat mij nou alsjeblieft zelf aan het roer zitten van het geld
dat ik krijg, zodat ik het vervolgens op precies de goede plek uit kan
geven. Dus juist in die rol als bestuurder heb ik de waarde gezien van
meer autonomie en een grotere rol voor de school zelf om precies te
pinpointen hoe elke euro, die schaars zijn, in te zetten is en heb ik
gezien dat we dat juist niet moeten opschalen naar een programmabureau,
waar we extra overhead aan moeten toevoegen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik neem helemaal niets af. Het gaat helemaal niet over de lumpsum van de
verschillende schoolbesturen. Die kunnen ze nog steeds besteden, ook al
is het ook niet gek om daar soms potjes bij elkaar te leggen, maar daar
heb ik het nog niet eens over. Ik heb het over het systeem zoals het nu
werkt, dus het extra geld dat juist komt om die verschillende partijen
aan elkaar te binden, dus niet één partij. Van dat geld vind ik het
verstandig dat het bij elkaar blijft, zodat je met elkaar gezamenlijk
die afspraken kan maken. Dat is mijn vraag aan de minister: is het nou
zo verstandig om daar ineens een knip in te zetten als het nu zo
ontzettend goed werkt en als we zien dat dit juist tot die brede
talentontwikkeling leidt? Daar hoort het ook toe te leiden, want dat is
het hele doel. Dit gaat gewoon over doelmatigheid en doeltreffendheid en
over hoe we het zo goed mogelijk met elkaar kunnen inzetten.
De heer Nobel (VVD):
U geeft aan dat het zo goed werkt. Ik heb net namens de VVD juist
betoogd dat we wel een positieve ontwikkeling zien, maar dat die
eigenlijk heel minimaal is. Ik vind dat u wel heel erg positief bent als
je kijkt naar hoeveel beter het procentueel gaat.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
O, maar dat ben ik eigenlijk helemaal met de heer Nobel eens. Het kan
nog veel beter. Het ging mij alleen maar om hoe je dit met elkaar zo
goed mogelijk inricht. Maar dat er nog veel meer aan gedaan mag worden,
dat ben ik volledig met de heer Nobel eens. Dat brengt mij ook tot de
laatste vraag, die ik eigenlijk nog had willen stellen maar die door de
interrupties was komen te vervallen.
De voorzitter:
Kort.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Er is nu een algemene rapportage gekomen van die verschillende
NPLV-gebieden. Ik denk dat mijn vraag ook aansluit bij de vraag hoe
effectief het nou precies is, die de heer Nobel net stelde. Ik vind het
eigenlijk jammer dat de rapportage niet is uitgesplitst naar de twintig
gebieden zelf, want we zouden willen weten hoe erg elk gebied nou
vooruitgaat, zodat we dat kunnen vergelijken. Het mooie is dat we dit op
twintig verschillende plekken doen en dat we daarmee ook kunnen leren
uit de praktijk. Ik denk ook dat we uit de praktijk moeten leren waar
het goed gaat, waar het beter kan en wat we van elkaar kunnen overnemen.
Zou die rapportage nou niet uitgesplitst kunnen worden over die twintig
verschillende gebieden? Dat lijkt mij ons goede informatie
opleveren.
De voorzitter:
We gaan naar de heer Grinwis van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ik zou best nog wel een keertje, net als vroeger, in
Moerwijk willen wonen. Wijken waar je wonen wilt, geen wijken waar je
weg wilt. Dat is mijn missie. Daarom zit ik eigenlijk in de politiek.
Mensen zijn gemaakt om in verbondenheid met elkaar te leven. Mensen
leven op in sterke buurten, in buurten met sociale samenhang waar mensen
elkaar ontmoeten. Daar gun je eigenlijk ook je kinderen een plek. Dat is
eigenlijk de reden waarom oud-collega Faissal Boulakjar — ik zie hem
zitten — met grote steun van mij in de kabinetsformatie van de coalitie
van Rutte IV geld heeft uitonderhandeld om juist dit Nationaal Programma
Leefbaarheid en Veiligheid op te kunnen starten. Grote complimenten, ook
vanaf hier, naar helaas mijn oud-collega, maar hij doet nu heel goed
werk. Ik ben heel blij dat dit kabinet, deze coalitie, geld heeft
gevonden om ervoor te zorgen dit mooie programma — helaas is het nodig,
maar het is goed dat het er is — kan worden voortgezet tot in ieder
geval 2035. De vraag is natuurlijk of 135 miljoen per jaar genoeg is. Ik
ben benieuwd hoe de minister dat ziet. Zij moet het natuurlijk doen met
wat haar is toebedeeld, maar ik ben wel benieuwd of we het daarmee gaan
redden. Ik wil dit debat graag gebruiken om in ieder geval collega
Boulakjar nog eens in het zonnetje te zetten, want dat verdient
hij.
Voorzitter. Kan de minister uitleggen waarom zij denkt dat dit bedrag
voldoende is om de ontwikkeling van de NPLV-gebieden door te zetten? De
regelingen voor NPLV-gebieden zijn nu nog verspreid over verschillende
ministeries. Is de minister bereid te kijken naar een gebundeld
gebiedsbudget voor NPLV-gebieden, waarna zij in samenwerking met de
ministeries dat geld op een effectieve en efficiënte manier kan gaan
inzetten? Wat is ervoor nodig om dit te realiseren?
Daarnaast heb ik een specifieke vraag over de gelden voor School en
Omgeving. Volgens mij werd deze vraag net ook al gesteld. Het is goed
dat hier structureel geld beschikbaar voor wordt gesteld. Deze gelden
komen nu terecht bij de directie van de school en zijn bedoeld voor
samenwerking tussen scholen en partners in de omgeving. Kan de minister
aangeven hoe de samenwerking die met deze gelden beoogd wordt geborgd
wordt? Kunnen hier voorwaarden bij worden opgesteld? Er komen mij
namelijk ook verhalen ter ore dat dat geld niet overal goed wordt
besteed maar soms gewoon op de grote hoop gaat.
Voorzitter. Het is goed dat deze aandacht er is voor gebieden in het
NPLV, maar ik maak me wel zorgen. Kijken we niet met oogkleppen op naar
deze twintig wijken, veelal in grotere steden, terwijl elders eigenlijk
ook heel veel gebieden zijn met grote leefbaarheidsproblemen? Denk aan
kleine dorpen in Zeeuws-Vlaanderen en in de veenkoloniën in Drenthe,
waar dorpen vergrijzen en de tandarts, de supermarkt en de school
inmiddels verdwenen zijn. Hoe wil de minister werken aan leefbaarheid op
die plekken? Wat kunnen de mensen daar verwachten van de minister?
Kunnen deze gebieden erbij betrokken worden? Ik wil er niet voor pleiten
om de 135 miljoen nog verder te versmetsen, maar ik wil wel een pleidooi
houden om breder te kijken dan alleen naar de twintig gekozen
wijken.
Hetzelfde geldt voor de New Towns-gemeenten. Gisteren is er nog een
mooie motie aangenomen van collega Mooiman, samen met collega Clemminck
en mij. De heer Mooiman zal er net vast ook wel wat over gezegd hebben
in zijn bijdrage — toen was ik nog niet binnen — maar ook de New
Towns-gemeenten, waaronder het Zoetermeer van de heer Mooiman, hebben
toch wel een geheel eigen problematiek. Wat is het antwoord van de
minister op die uitdaging? Is de minister bereid een strategie voor
leefbaarheid en veiligheid te ontwikkelen voor de New Towns-gemeenten?
Hoe kan de minister deze gemeenten helpen? Dat is eigenlijk kortweg mijn
vraag.
Voorzitter. Ik wil vandaag ook vooruitkijken naar de toekomst. We willen
op grote schaal bouwen aan nieuwe wijken en steden. Daarbij moeten
leefbaarheid en veiligheid wat de ChristenUnie betreft vooropstaan. Het
gaat om een thuis geven, het gaat om samenleven. In het verleden is te
vaak vergeten dat het niet alleen gaat om kwantiteit, maar ook om
kwaliteit van samenleven, om het bouwen van gemeenschappen. Hoe borgt de
minister de leefbaarheid en veiligheid op nieuwe woningbouwlocaties? Kan
de minister garanderen dat in deze woningbouwplannen vanaf het begin ook
buurthuizen, kerken en sportvoorzieningen worden meegenomen?
Mijn laatste punt, voorzitter. Ons bereikte het schrijnende verhaal, dat
nu ternauwernood lijkt te zijn afgewend, dat hier dichtbij, in Den Haag,
in de nieuwbouw in de Binckhorst, een school was geopend en die dreigde
te sluiten omdat de leerlingenaantallen te langzaam groeiden. Dat komt
ook doordat de ontwikkeling te langzaam ging — daar weet de heer Van
Asten alles van — waardoor het leerlingenaantal een beetje achterbleef.
Nou weet ik dat de school zelf, de stichting, had kunnen variëren en
deze school open had kunnen houden, maar ik heb hier toch een vraag
over. Moeten we niet nog eens beter naar deze regels kijken, zodat bij
nieuwbouw een school de kans krijgt om tot ontplooiing te komen en
ouders voor een school kunnen kiezen die misschien in eerste instantie
nog klein en fijn is, maar later echt wel toekomst krijgt?
Ik moet stoppen. De tijd is daar en ...
De voorzitter:
U moet stoppen, ja.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
… ik zie de priemende blik van de voorzitter, maar het punt is hopelijk
helder.
De voorzitter:
Dank u wel. Binnengekomen is de heer Clemminck van JA21 voor zijn
inbreng van vier minuten.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Goede timing. Excuus, ik zat bij een plenair
debat over Groningen, dus ik moest even heel snel heen en weer. Het is
ook raar om nu aan deze kant van de tafel, bij de bewindspersonen, te
zitten, maar ik kijk natuurlijk in de richting van de minister.
Voorzitter. De afgelopen weken bezocht ik het NPLV-gebied Zaandam-Oost,
sprak ik met de heer Pastors over de situatie in Rotterdam-Zuid en
bezocht ik Veenendaal — dat is weliswaar geen NPLV-gebied, maar zit in
dynamiek en karakter duidelijk met een vergelijkbare opgave. Om met dat
laatste te beginnen: de fractie van JA21 maakt zich zorgen om de positie
van middelgrote steden. Deze steden hebben vaak een duidelijke
stedelijke opgave, die in aard wel maar in schaal natuurlijk niet
vergelijkbaar is met die van grote steden, maar ze beschikken niet over
hetzelfde oplossingsvermogen. Er zijn vaak minder grote bedrijven en
woningcorporaties aanwezig. De lokale overheid heeft beperkte
capaciteit. Vaak komen ze niet in aanmerking voor rijksprogramma's zoals
dit programma, het NPLV. Kortom, een tafellaken-servetdiscussie. Hoe
kijkt de minister naar de opgaven en kansen van middelgrote steden?
Deelt de minister de stelling van JA21 dat deze steden te vaak buiten de
boot vallen? Kan de minister aangeven op basis van welke criteria deze
twintig NPLV-gebieden destijds geselecteerd zijn?
Mijn bezoek aan de Veenendaalse wijk Engelenburg liet zien dat de
opgaven daar net zo complex en diepgaand zijn als in Zaandam, waar ik
eerder was. Dat werd ook bevestigd door cijfers. Op vrijwel alle
leefbaarheidsindicatoren scoort Engelenburg in Veenendaal — helaas, zou
ik zeggen — vergelijkbaar met andere NPLV-gebieden, zowel op
sociaal-economische status, overlast en inkomen als op
gezondheidsindicatoren. Mijn fractie zou graag zien dat ook de
middelgrote gemeenten een vergelijkbare aanpak als de NPLV-gebieden
krijgen, dus het vormen van lokale coalities, een kleine
uitvoeringsorganisatie, toegang tot specifieke rijksbudgetten die
daarbij horen, een direct aanspreekpunt op hoogambtelijk niveau bij de
relevante ministeries, een generatielange aanpak en structurele
middelen. Welke mogelijkheden ziet de minister om middelgrote steden aan
te laten sluiten bij deze NPLV-aanpak dan wel een eigen aanpak te
ontwikkelen die vergelijkbaar is in opzet en financieringskansen, maar
dan voor middelgrote gemeenten?
Voorzitter. Tijdens mijn bezoeken en gesprekken de afgelopen tijd met
lokale bestuurders, wijkagenten, woningbouwcorporaties, jongerenwerkers,
boa's en vrijwilligers is mij één ding duidelijk geworden. Het
absorptievermogen van deze wijken en buurten is al lang geleden bereikt
en in veel gevallen al ruim overschreden. Het zou ronduit naïef zijn om
de rol van migratie van kansarmen daarbij te negeren, want wie dat doet,
kijkt bewust weg van de werkelijkheid in deze wijken. Ik heb er zelf
inmiddels vele malen rondgelopen. Zo sprak ik met een mevrouw uit
Marokko die al bijna 30 jaar in zo'n wijk woonde. Ze sprak niet met
politiek meel in de mond. Ze ging de ongemakkelijke waarheid niet uit de
weg. Ze had de wijk in al die 30 jaar dat ze er woonde achteruit zien
gaan door de komst van telkens, zoals zij zelf zei, nieuwe golven van
migranten, met allerlei problemen die daarmee gepaard gaan, zowel in
overlast en armoede als in cultureel verval. Dat is de realiteit waar de
inwoners in deze gebieden mee leven.
Is de minister het met JA21 eens dat een keiharde beperking van de
migratie misschien weleens de beste investering kan zijn in deze
kwetsbare wijken? Wat gaat de minister vanuit haar rol in dit kabinet
daarvoor doen? Tot nu toe zijn de antwoorden van de minister ronduit
teleurstellend voor mijn fractie. Ik mis de erkenning van wat migratie
doet met de bestuurlijke verantwoordelijkheden op haar portefeuille. Ik
mis urgentie. Het enige wapenfeit op dit gebied is juist iets waar wij
niet blij van worden, namelijk het intrekken van de wet over de voorrang
van statushouders. Voor mijn fractie is dat een zwaar punt. Ik heb dat
ook eerder met de minister gedeeld. Voor ons is het niet bestaanbaar dat
de minister op deze manier bestuurlijke verantwoordelijkheid neemt voor
het langer discrimineren van Nederlanders op de woonmarkt. Voor ons is
dat onbegrijpelijk en onvergefelijk. Wat JA21 betreft zetten we de
middelen van de NPLV-aanpak veel meer in voor veiligheid, het tegengaan
van ondermijning en het keihard afdwingen van integratie, niet alleen
door taal en werk, maar juist ook cultureel. Is de minister bereid om
het NPLV-budget meer te richten op veiligheid en integratie?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben wel benieuwd of de heer Clemminck dat geld dan wil weghalen bij
het verbeteren van het onderwijs of bij het verbeteren van de
woningvoorraad in die gebieden.
De heer Clemminck (JA21):
Twee antwoorden. Allereerst: de basis is veilig zijn in je straat, in je
buurt en in je wijk. Dat is echt de basis. Die moet op orde zijn. Het
tweede deel van het antwoord is dat wij een heel groot voorstander zijn
van structureel meer middelen beschikbaar stellen voor gemeenten in het
Gemeentefonds, zodat zij deze basistaak kunnen betalen. Ik was eerder al
hierover in debat met de heer Van Asten en het is terecht dat hij
hieraan refereert.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter. Ik begrijp dat in de NPLV-gebieden scholen met een lumpsum
vanaf 2028 bekostigd worden uit de SPUK-middelen. Het risico is dat
bijvoorbeeld de tien extra uren schoolles ten koste gaan van andere
zaken bij deze scholen. Dat is volgens mij juist niet de bedoeling. Ik
denk dat de minister deze situatie kent. Graag krijg ik een reactie van
de minister.
De voorzitter:
Kunt u afronden?
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, ik rond af. Als we deze signalen blijven wegwuiven,
ondermijnen we het vertrouwen van bewoners die al jaren zien dat hun
leefomgeving verslechtert. Dan laten we mensen in de steek die zich wel
aan de regels houden, die wel willen bijdragen en die hun wijk steeds
verder zien afglijden. Ik heb heel veel positieve krachten van inwoners
ontmoet in deze wijken. We mogen deze mensen wat ons betreft niet in de
steek laten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de minister. Hoeveel tijd heeft zij
nodig?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Twintig minuten, alstublieft.
De voorzitter:
Daan gaan we schorsen tot 15.10 uur.
De vergadering wordt van 14.52 uur tot 15.10 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan verder met het debat over leefbaarheid en veiligheid. Het woord
is aan de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Ik ben allereerst blij dat we hier vandaag ruim
de tijd hebben om over dit programma te praten, want wat mij betreft is
het een programma dat ieder aan zijn of haar hart gaat. Ik ben zelf in
Heerlen-Noord geweest. Ik heb daar een dagdeel mee mogen fietsen door de
wijken en met mensen mogen spreken. Op het einde kreeg ik een boek mee:
De onmisbaren. Ik kan u aanraden om het te lezen. Wat me eigenlijk het
meeste trof toen ik het dit weekend las, was het stukje van maar een
paar regels: "Eigen schuld, dikke bult. Had je maar moeten studeren of
harder je best moeten doen". Als we zo over deze mensen zouden praten,
zou dat echt verschrikkelijk zijn. Als deze mensen zo over zichzelf
zouden denken, dan zou dat nog verschrikkelijker zijn. Het beeld van de
mensen in deze wijken zou moeten zijn dat zij net zo veel kansen hebben
als eenieder die in Nederland leeft. Maar er zijn wijken waar dit wel de
norm is. Daar moet iets aan gedaan worden. Dat gebeurt in deze
NPLV-wijken, waarvoor ook een heleboel mensen hierbij aanwezig zijn. Ik
denk dat het goed is dat we dit doen. Ik denk ook dat het goed is dat we
ons met z'n allen realiseren dat dit niet iets is wat je overnight kan
regelen, maar dat het vijftien tot twintig jaar gaat kosten voordat we
van een lichtpuntje een lichtbulb kunnen maken. Ik hoop dat we dat gaan
doen. Ik denk ook dat dat kan met de mensen die op dit programma
zitten.
Wat mij het meeste is bijgebleven van mijn werkbezoek is niet zozeer wat
ik heb gezien op het gebied van de inhoud, maar dat ik de mensen heb
gezien die met deze programma's werken. Als antwoord op mijn vraag
waarom ze daar werken, zeggen ze allemaal dat ze nergens liever zouden
willen werken dan daar. Ik noem mensen die werken aan verduurzaming, de
directeuren van een school en de twee verloskundigen die ik in Heerlen
tegenkwam en die zeiden dat zij nergens anders zouden willen werken dan
daar. Op mijn vraag waarom dat zo is, gaven deze twee dames aan: omdat
wij hier zien wat er achter de voordeuren gebeurt, omdat we hier zien
wat er vanaf de geboorte met de volgende generatie gebeurt en omdat we
hier meer kunnen doen. Ik was tijdens dat bezoek dus al verkocht wat
betreft dit programma. Ik ben zelf natuurlijk ook heel blij dat er in
dit coalitieakkoord staat dat er financiën beschikbaar blijven om
hiermee door te gaan. Natuurlijk zie ik net als u — ik denk dat u dat
eigenlijk allemaal wel heeft gezegd — vooruitgang, maar is het genoeg en
zijn er niet meer gebieden waar je ook zoiets zou moeten doen?
Voorzitter, ik heb een aantal mapjes. Misschien is het handig als ik die
even benoem.
De voorzitter:
Ja, graag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb een map die vrij breed is, dus die noem ik maar even overig. Daar
zit in: buiten de twintig gebieden, de Wet bijzondere maatregelen
grootstedelijke problematiek, en financiën. Dan heb ik een mapje fysiek
en een mapje sociaal veilig. Ik heb dus drie mapjes: overig, fysiek en
sociaal veilig.
De voorzitter:
En met welk mapje begint u?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begin met het mapje overig, omdat daar eigenlijk de meeste vragen in
zitten. Dus ik dacht: laat ik daar maar mee beginnen.
Ik wil graag beginnen met het antwoord op vragen van de heer Grinwis, de
heer Nobel, mevrouw Wiersma, mevrouw Steen en meneer Van Asten. Zij
hebben allemaal iets gevraagd over wat je moet doen met "buiten de
twintig". Ik ben er echt van overtuigd dat we vast moeten houden aan de
gebieden zoals we die nu hebben, met focus, daadkracht en de budgetten
die ervoor zijn. Als je de budgetten gaat uitspreiden over meer wijken,
dan ga je voor allemaal minder doen. Ik moet het wel doen met de
financiële budgetteringen die ik nu eenmaal in portefeuille heb. Dat wil
niet zeggen dat we niks kunnen doen voor de gebieden buiten deze twintig
gebieden. We zijn ook in gesprek over hoe we dat beter kunnen vormgeven,
want wij vinden dat zelf ook. Wij krijgen ook oproepen van verschillende
burgemeesters uit het land die ook graag gebruik zouden maken van het
NPLV. We willen dus beginnen met datgene wat eigenlijk geen geld kost,
namelijk kennis delen. Burgemeesters van de NPLV-gebieden zijn al
buddy's van andere burgemeesters en anders zijn zij bereikbaar om
ervaringen, best practices en ook wat er misschien minder goed loopt met
elkaar te delen.
We zijn inmiddels in gesprek — daar zijn we echt nog maar net mee
begonnen — met de provincies, om te kijken of ook de provincies elkaar
op kennisniveau nog beter kunnen ondersteunen en helpen, door te delen
wat de ervaringen zijn. Ten slotte snap ik "boter bij de vis" wel, maar
niet alles hoeft direct geld te kosten. Wat wij zelf vanuit het Rijk
willen gaan doen, is zorgen dat de kennis die wij hebben opgehaald,
beter beschikbaar wordt, zodat die gedeeld kan worden. We willen ook
kennis delen over hoe je een alliantie bouwt in de gebieden buiten de
gedefinieerde twintig. Dus ja, ik ben het met u eens. Of het nu gaat om
New Towns of alle andere niet-New Towns buiten de twintig en in de
vijftig: tegen iedereen die een gebied heeft en meent dat daar meer
aandacht op moet, zeg ik: laten we beginnen met het delen van kennis,
laten we beginnen met het delen van ervaringen, laten we kijken waar dat
toe leidt.
Dan de vraag van de heer Nobel over de Wet bijzondere maatregelen
grootstedelijke problematiek. Ik denk dat we hetzelfde bedoelen als u
spreekt over de Rotterdamwet, maar het is goed om dat even vast te
stellen, want anders heb ik een ander antwoord dan waar u om vroeg. Als
we met de Rotterdamwet bedoelen de Wet bijzondere maatregelen
grootstedelijke problematiek, het volgende. U vraagt wat die wet doet,
wat we daarvan zien. We hebben lokale evaluaties en zien dat die wet
bijdraagt. We zien dat in gemengde wijken gericht op het voorkomen van
toenemende concentratie van kwetsbare bewoners in gebieden waar de
leefbaarheid onder druk staat. Zo wordt bijgedragen aan het verbeteren
van het leefklimaat voor bewoners in die gebieden waar bewoners het al
lastig genoeg hebben. Het blijkt dat selectieve woningtoewijzing een
positief effect heeft op de samenstelling van de bevolking door de
instroom van meer dragers dan vragers. Dat regulering van de instroom
goed werkt, blijkt ook uit de recente evaluatie van Zaanstad voor de
wijk Poelenburg en de buurt Peldersveld in het kader van de
verlengingsaanvraag.
In december 2023 en in 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de
herziening van deze wet en met de wijziging wordt die wet vereenvoudigd.
Dat moet ertoe leiden dat de gemeenten er effectiever uitvoering aan
kunnen geven. Dat is gebeurd op basis van wat de gemeenten ons terug
hebben gegeven en op basis van evaluaties die hebben
plaatsgevonden.
Dan een vraag van de heren Moorman en Nobel over de Rotterdamwet, die ik
de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek noem. Op dit
moment wordt de wet in twaalf gemeenten uitgevoerd en het verschilt per
gemeente welk artikel uit deze wet wordt toegepast. De wet wordt ook
buiten het NPLV uitgevoerd en er zijn continu gesprekken met andere
gemeenten met grootstedelijke problematiek om deze wet te mogen
gebruiken.
De voorzitter:
Het is de heer Mooiman en mevrouw Moorman. Het lijkt op elkaar, maar het
is iets heel anders. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het zijn inderdaad verschillende artikelen in die wet en ik begrijp dat
die evaluatie er al komt. Zou u die dan ook willen uitsplitsen naar die
verschillende artikelen? Anders hebben we hier gewoon
spraakverwarring.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, het lijkt me prima om u toe te zeggen dat wij u aansluitend aan dit
debat een uiteenzetting doen toekomen van welke artikelen we voor welke
wijken hebben gebruikt.
Ik zet mijn beantwoording voort met de vraag van de heer Nobel over de
regie op het NPLV. Ik onderschrijf het belang van regie voeren. Daarom
hebben we ook het kennis- en leernetwerk opgezet, de WijkWijzer. Met de
WijkWijzer worden de lessen uit de lokale allianties onderzocht en
breder gedeeld. Het is vooral de bedoeling dat de NPLV-gebieden van
elkaar leren en dat we de leerkringen stimuleren, bijvoorbeeld met
betrokkenheid van bewoners. De directeuren hebben ook een vast overleg,
waarin zij kennis en werkende interventies met elkaar delen. Goede
voorbeelden zijn van belang, want die hebben we nodig om ook anderen
daarop te laten doorpakken. In de voortgangsrapportage van het programma
komen we daarop terug na de zomer.
Dan de vraag van mevrouw Moorman hoe ik kijk naar de uitdagingen waar
andere gemeenten tegenaan lopen gelet op de beperkte capaciteit die zij
hebben om het tij te keren. Natuurlijk erken ik dat gebieden met
vergelijkbare problematiek ... Zeg ik het niet goed?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het de heer Mooiman was.
De heer Mooiman (PVV):
Ja, dat is mijn vraag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Sorry. Ik spoel terug. Het lid Mooiman vroeg hoe ik kijk naar de
uitdagingen waar andere gemeenten tegenaan lopen. Ik zei eerder dat ik
herken dat er wijken, gemeentes en gebieden zijn die met vergelijkbare
problematiek kampen. Ik ben daar ook zelf geweest. Ik word ook benaderd
door burgemeesters die zeggen: bij ons speelt dit ook. Ik blijf wel bij
het standpunt dat ik in het begin noemde: ik zou de budgettering die we
hebben ingezet op de NPLV-gebieden niet willen spreiden over meer
gebieden. Ik denk namelijk dat je dan minder doet in deze gebieden. We
kunnen er wel actief voor zorgen dat we kennis en best practices met
elkaar delen. Met het buddysysteem van de burgemeesters en directeuren
die hier met elkaar over praten, kunnen we ervoor zorgen dat we zo veel
mogelijk kennis delen.
De heer Mooiman (PVV):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Het klopt inderdaad. Die
signalen ken ik ook. Vanuit meerdere gemeenten wordt er gezegd: "Kijk
uit, wij hebben ook wijken met sociaal-economische problematiek. Daar
willen we toch graag de aandacht op vestigen, voordat het uit de hand
loopt en die wijken potentieel probleemwijken worden." De Kamer heeft
gister de motie aangenomen omtrent de New Towns. Dat werd zojuist ook
even door een collega benoemd. Ik denk dat het goed is om in de
strategie die er richting de Nota Ruimte moet komen, ook dit soort
aspecten mee te nemen. Ook denk ik dat het goed is om deze groep steden
en gemeenten toch mee te nemen in eventueel een andere aanpak.
De voorzitter:
Voor de interrupties gebruiken we hetzelfde systeem als net. Dit was een
lange interruptie, dus let u goed op. Als u ze kort houdt, kunt u
onbeperkt vragen stellen aan de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben het helemaal met u eens, meneer Mooiman. Hier geldt ook:
voorkomen is beter dan genezen. We moeten het zeker in een bredere
aanpak meenemen. Daarom zeg ik ook dat we vanuit onszelf gaan kijken wat
we daarin kunnen doen. Ik zal het zeker ter inspiratie meenemen naar de
Nota Ruimte, om te kijken of we ergens iets kunnen borgen waarmee we
"voorkomen is beter dan genezen" toepassen.
Dan de vraag van mevrouw Wiersma over de best practices. Dat is
hartstikke belangrijk, altijd, eigenlijk op elk onderwerp. Daar moeten
we ook onderzoek naar doen en we moeten dat zichtbaar maken en delen.
Dat doen we ook. We doen dat door kwalitatieve en kwantitatieve
monitoring, samen met WijkWijzer, de alliantiepartners, bewoners en de
departementen. Ook kost het tijd om het goed te onderzoeken. Ik denk dat
het rapport laat zien dat we naar lichtpuntjes kijken, op basis van het
programma dat ruim drieënhalf jaar loopt. Wat mij betreft blijven we met
elkaar in gesprek, proberen we die goede voorbeelden echt naar andere
gemeentes en provincies te extrapoleren en maken we gebruik van wat goed
gaat, zodat die lichtpuntjes bij elkaar misschien wel een grote lamp
gaan vormen.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik heb hem net even laten gaan, maar ik heb toch een vervolgvraag. Fijn
om te horen dat de minister dit voortvarend op wil pakken en de geleerde
lessen te extrapoleren. Mijn vraag is: hoe gaat zij dat doen? Gaat zij
daar een bestaande structuur voor benutten? Ik hoor wat de minister zegt
over niet direct financieren, maar als dat in de toekomst linksom of
rechtsom wel nodig blijkt te zijn, ziet zij dan kansen om dit op een
programmatische wijze soortgelijk in te zetten, zonder dat daar direct
een financiële claim onder zit? Mijn vraag is dus: hoe gaat zij dat
oppakken en op wat voor termijn? Wat kunnen we ons daarbij
voorstellen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is een hele terechte vraag. We hebben net, de afgelopen dagen
eigenlijk, gezegd dat we hierop willen intensiveren, omdat we zien dat
de vraag ook intensiveert. Ik heb het dan over het samenbrengen van de
kennis, dus eigenlijk de niet-gefinancierde maatregelen die we hierop
van toepassing zouden kunnen laten zijn. Op uw vraag wat ik er zelf aan
ga doen, zeg ik: ik begin altijd graag eerst bij mezelf. Wij gaan dus
binnen het departement kijken hoe we dit kunnen omarmen, want de roep is
er. Daar moeten we niet doof voor zijn. Ik wil kijken of het past in
dingen die we al doen of dat we het kunnen borgen in bestaande
structuren, om te voorkomen dat we hier iets nieuws optuigen, waardoor
de verwachting wordt gewekt dat er financiën zijn die er gewoon niet
zijn. Ik wil dus naar een light-structuur, het liefst binnen een
bestaande structuur, waarin we hierover spreken. Dat kunnen we denk ik
het beste samen met de VNG en de M50 doen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch een korte vraag. Begrijp ik nu dat er gewoon geen extra geld
komt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik probeerde te zeggen dat er geen extra geld is voor buiten het NPLV.
Voor het NPLV is er extra geld in het coalitieakkoord. Dat is 135
miljoen per jaar. Dat is dus al iets meer dan het was. Volgens mij is
dat dus heel positief en goed voor deze gebieden, maar er is geen budget
voor buiten deze gebieden.
Dan ga ik door met de vraag van mevrouw Wiersma over buiten de twintig.
Ik denk dat ik daar al een heleboel over heb gezegd. We gaan echt kijken
hoe we samen kennis kunnen delen, het liefst met een aanpak binnen
bestaande structuren.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dan zou ik de minister willen vragen of zij het met ons kan delen als
zij een bestaande structuur gevonden heeft en dan ook kan delen hoe ze
daar uiting aan gaat geven. Dat zouden we dan als Kamer graag willen
horen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, dat is geen enkel probleem. Als ik eruit ben, zal ik zorgen dat er
een brief komt.
Mevrouw Wiersma vroeg naar de financiering. Ik noem even wat er nu is.
We hebben binnen het fysieke domein tot 2030 600 miljoen. Voor het
sociale domein, dus de SPUK Kansrijke Wijk, is er nog 400 miljoen. Voor
veiligheid is er 208 miljoen voor Preventie met Gezag. Ik blijf met hen
in gesprek. Vanochtend nog hadden we het over hoe we de middelen met
voorrang willen inzetten voor de NPLV-gebieden. Bij de ontwerpbegroting
van 2027 kom ik daar nader op terug. Ook kom ik dan uiteraard terug op
die 135 miljoen uit het coalitieakkoord waar ik het net over had.
Dan was er een vraag van mevrouw Wiersma over het verbeteren van de
leefbaarheid en een gecombineerde aanpak op onderwijs, veiligheid, werk
en de fysieke omgeving. Ik deel uw beeld dat de vaak verouderde
particuliere voorraad een uitdaging vormt. Die willen we graag bezien in
het licht van de isolatieopgave in deze gebieden, om te kijken of we dat
op een bepaalde manier kunnen combineren. Rond de zomer wil ik uw Kamer,
en dus ook u, hier nader over informeren.
Mevrouw Steen vroeg of er structureel gestuurd wordt op een mix van
inkomensvoorzieningen en werkgelegenheid. Dat is hartstikke nodig, dus
ik ben het ook echt met u eens. Het heeft geen zin om alleen maar huizen
te bouwen als je de rest niet inregelt. Als je dat wel doet, kunnen er
gemeenschappen ontstaan waar mensen naar elkaar omkijken en voor elkaar
zorgen, als zich dat voordoet. Daar moeten we dus naar kijken. We moeten
naar die samenhang en het inzetten van de interventies. De kern van het
hele programma is dat we het allemaal samendoen.
De voorzitter:
Mevrouw Steen heeft een vraag. O, toch niet.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik wacht heel even. Misschien komt het nu.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik loop ze allemaal af, hoop ik. Mevrouw Steen vroeg over de SPUK
Kansrijke Wijk: hoe wordt voorkomen dat de interventies versnipperd
blijven in plaats van samenhangend en integraal zijn? Ik ben het met u
eens dat samenhang en integraliteit juist het succes van dit programma
zou moeten zijn. We moeten niet alles alleen doen, maar zorgen dat één
en één nog steeds drie is. We moeten dus zorgen dat we goede regie
voeren op die geldstromen en dat we die zo veel mogelijk bij elkaar
weten te houden. Het is ook zo dat de geldstromen eigen voorwaarden
kennen. Daar hebben we ook rekening mee te houden in de uitvoering. Het
doel van de verdeling van de middelen van de gebieden is het verlagen
van de administratieve last en het vergroten van de uitvoeringskracht en
de integraliteit. We proberen versnippering tegen te gaan en zo veel
mogelijk te bundelen wat er te bundelen is.
De voorzitter:
Mevrouw Steen, nu wel.
Mevrouw Steen (CDA):
Ja. Ik hoor de minister aan de ene kant zeggen: we hebben te doen met
alle randvoorwaarden die rondom al die SPUK's gelden. Tegelijkertijd
hoor ik haar zeggen: we gaan kijken naar hoe we die administratieve last
kunnen verlichten. Is de minister ook bereid om te kijken hoe al die
ingewikkelde randvoorwaarden rondom die SPUK's gedownsized kunnen
worden, zodat ze gewoon makkelijker uitvoerbaar zijn? Volgens mij hoeft
het namelijk niet zo ingewikkeld te zijn. Ik hoor de minister dus
eigenlijk twee dingen zeggen: we hebben de randvoorwaarden en ik wil er
iets aan doen. Wil de minister dan ook iets aan de ingewikkelde
randvoorwaarden doen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik wil altijd heel graag iets aan ingewikkelde randvoorwaarden doen, op
welk dossier dan ook. Er zijn een aantal dingen. Eén. Vanuit het
departement is er een oproep gedaan om die SPUK's af te bouwen. Dat is
dus de SPUK of een ander instrument dat daarvoor terugkomt. Het voordeel
van de SPUK is dat je iets heel gericht doet. Je kunt daar snel geld op
inzetten, maar het heeft ook een tijdelijk karakter. Als je snel iets
wilt doen, is de SPUK best een goed instrument om in te zetten als je
niet zeker weet of iets heel lang gaat duren of dat er heel lang geld
daarvoor beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld over een coalitieperiode
heen. Het nadeel is dat het kort is en dat er natuurlijk altijd gevraagd
kan worden hoe duurzaam zo'n programma is. Vooropgesteld moet worden dat
de NPLV-gebieden ergens hun status als NPLV zouden moeten verliezen. Als
het goed is, leidt deze aanpak ertoe dat deze wijken zonder deze status
verder kunnen, omdat de uitkomst van deze aanpak is dat die niet meer
nodig is, dus dat het gelukt is. "Wat jammer dat dit nodig is, maar wat
goed dat dit er is", zei u zelf volgens mij ook in de openingszin bij uw
introtekst. Zo kijk ik hiernaar. Ik zal altijd mijn best doen om te
vereenvoudigen. Tegelijkertijd is het zo dat je soms moet roeien met de
riemen die je hebt. Als dat leidt tot succes in een NPLV-gebied, zal ik
daar altijd de voorrang aan geven.
Mevrouw Steen (CDA):
Nou is er vorige week een motie van het CDA aangenomen die het kabinet
oproept om ervoor te zorgen dat we ontmoeting en bewegen in de openbare
ruimte als rendabel gaan zien. We moeten ervoor zorgen dat gemeenten en
ook private bouwers meer ruimte krijgen om samen te werken om dit soort
maatschappelijke baten erbij in te rekenen op het moment dat we wijken
ontwikkelen. In heel veel NPLV-gebieden worden nu ook weer woningen
toegevoegd. Is de minister bereid om te kijken waar we gaan
herstructureren? Eigenlijk is de teneur van die motie om dat ook daar te
doen. We moeten nu al meteen beginnen met ervoor te zorgen dat we kunnen
bewegen in de openbare ruimte en dat er daadwerkelijk ontmoetingsruimtes
komen. Wil de minister deze motie ook betrekken bij het verder brengen
van het NPLV?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, dat wil ik. Ik zal die motie een plek hierin geven.
Ik ga door naar het Rebelrapport. Daar ging een vraag van mevrouw
Moorman over. Zij had het over de lange adem. Die is nodig en daarom
noemde zij ook dit rapport. Ik heb nog geen standpunt over het rapport.
Ik ben me nog aan het beraden op een inhoudelijke reactie daarop. Die
komt dan natuurlijk ook uw kant op. Ik kijk daarbij ook naar de twee
prioriteiten uit het coalitieakkoord, namelijk de aanpak van
energiearmoede in de NPLV-gebieden en de verduurzaming. Ik kan alleen
nog niet vooruitlopen op financiële besluitvorming hierover. Ik verwacht
echter de Kamer hierover te kunnen informeren bij de ontwerpbegroting
van 2027.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Mijn moeder heet trouwens Mooiman; om het nog even ingewikkelder te
maken, dus eigenlijk heet ik Moorman-Mooiman.
De voorzitter:
Dat willen we niet weten.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Moorman-Mooiman! Maar dat was buiten de orde. Dit is niet onderdeel van
mijn interruptie.
Wat wel onderdeel is van mijn interruptie is dat mijn vader opgroeide in
Moerwijk. Ik zou best nog wel een keertje net als vroeger in Moerwijk
... Ik was daar laatst op de Coevordenstraat. De huizen daar waren
geïsoleerd en dat scheelde enorm op de rekening. Ik had daar vragen over
gesteld. Kan de minister daar nog wat over zeggen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja. Dat had volgens mij geen relatie met het Rebelrapport.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nee, maar ik dacht dat u aan het einde was gekomen van de beantwoording
van mijn vragen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee. Het zijn er zo veel! We zijn nog wel even bezig. Ik zal ervoor
zorgen dat ik deze vraag niet vergeet.
Ik ga eerst nog even in op een andere vraag van mevrouw Moorman over de
SPUK en het programma School & Omgeving, die vanaf 2028 direct naar
scholen gaan. Dat lijkt mevrouw Moorman onverstandig. Ik ben daarover de
afgelopen periode in gesprek geweest. Het goede nieuws van het
overdragen naar de bekostigingsregeling van scholen is dat het daarmee
weggaat uit het incidentele karakter van de SPUK, dat ik net uitlegde.
De SPUK is voor een bepaalde periode bedoeld met een gelimiteerd budget.
Door het te borgen, raakt dit de samenleving en de scholen breder dan
alleen maar via de NPLV. Heeft het potentieel een negatieve consequentie
voor de NPLV-gebieden? Ik onderken niet dat dat zo is. Ik heb daar met
mijn collega-bewindspersoon over gesproken. Hierover hebben we
afgesproken dat we met elkaar in gesprek gaan om te kijken wat we wél
kunnen doen. "We" zijn dan de gemeenten, de scholen en wij vanuit het
Rijk. We kunnen het niet tegenhouden of terugbrengen naar de SPUK, want
dit besluit is genomen, maar hoe kunnen we er op basis van dat genomen
besluit toch voor zorgen dat het werkbaar en uitvoerbaar blijft voor de
scholen?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Borgen kan natuurlijk ook op een andere manier. Je kan er gewoon
structureel geld voor vrijmaken. Ik vind dit dus niet helemaal
overtuigend. Ik ben wel blij dat de minister erkent dat het gewoon heel
erg nodig is in deze NPLV-gebieden. Zou er dus niet een uitzondering
gemaakt kunnen worden voor de NPLV-gebieden?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan dachten wij hetzelfde, want ik heb zelf een poging gedaan om te
kijken of er toch nog iets mogelijk was met een uitzondering. Maar het
is voor DUO een te ingewikkelde uitvoeringsopgave om het op die manier
te organiseren. Ik kan u dus toezeggen dat ik het gesprek blijf voeren
met de gemeenten en de scholen om ervoor te zorgen dat iets wat goed is,
niet zomaar wegloopt. Tegelijkertijd zit het geld hiermee in een
structurele reeks. Dat moet dus uiteindelijk ook iets goeds doen voor
dit domein.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik heb er waardering voor dat de minister hier aandacht voor heeft, maar
de uitvoeringsproblemen komen nu natuurlijk in de gebieden zelf te
liggen, want daar moet het geld bij elkaar gelegd worden. Dat blijkt ook
uit het rapport over Rotterdam-Zuid. Ik hoop dus echt dat we toch nog
een tandje dieper kunnen gaan en hier nog een keer naar kunnen
kijken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kan u toezeggen dat ik in gesprek zal blijven.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Moorman over het rapporteren per
gebied. We hebben afgesproken dat het landelijke programma aan de Kamer
rapporteert over totale gemiddelden. Het is aan de gebieden zelf om te
rapporteren over hun lokale voortgang. Voor alle indicatoren in het
monitoringskader zijn de data per focusgebied ontsloten aan de gebieden.
Er is daarbij meer kennis nodig om deze cijfers juist te kunnen duiden.
Dit vraagt om een goed begrip van de lokale context.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Moorman en daarna meneer Nobel.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Wat zegt de minister nou precies? Ik snap dat elk gebied weer anders is,
maar we hebben tegelijkertijd een monitor om met elkaar te kunnen
vergelijken. Kan het dus niet gewoon per gebied worden
opgeschreven?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
We hebben bij het ontwerpen afgesproken dat we het op deze manier zouden
doen. We laten het dus aan de gebieden om het lokaal te doen, terwijl
wij naar het overkoepelende landelijke beeld kijken. Dat is wat we
hebben afgesproken. Als u een andere informatiebehoefte heeft — dat kan
— en als die breed gedeeld wordt, moeten we natuurlijk kijken hoe we dat
kunnen oplossen. Het is dus geen onwelwillendheid. Ik vertel u alleen
hoe het initieel is ingericht en hoe we daarop acteren.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dat begrijp ik natuurlijk heel goed, maar ik heb inderdaad een andere
informatiebehoefte, en veel van mijn collega's ook, denk ik. Het wordt
al in de gemeentes gedeeld. Tenminste, in de gemeentes die ik ken, wordt
het gewoon gedeeld. Het is dus een kwestie van het ook hier op tafel
brengen, zodat we het met elkaar kunnen vergelijken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kan in gesprek gaan met de gebieden over de vraag op welke manier we
dit zouden kunnen doen. Ik hoop wel op uw begrip als we dan proberen te
kijken of we dit op een hele laagdrempelige en laag administratief
lastige manier kunnen doen, zodat het niet veel meer werk wordt of het
tot een fancy dashboard moet gaan leiden. Laten we echt kijken of we dit
dan op een hele eenvoudige manier kunnen vormgeven.
De heer Nobel (VVD):
Mevrouw Moorman en ik hadden net een leuk debatje, maar over één ding
waren we het volgens mij best wel eens, namelijk dat we echt zouden
moeten kijken naar gemeenten die het relatief gezien goed doen. Ik heb
ook de concrete toezegging aan de minister gevraagd om gemeenten die
blijkbaar meer impact maken met hun beleid dan andere, als uitgangspunt
te gebruiken. Daar kan dan volgens mij de vraag van mevrouw Moorman aan
gekoppeld worden, op een laagdrempelige manier — dat ben ik eens met de
minister — om te kijken welke interventies zij dan doen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kan toezeggen dat we dat zo zullen doen.
Dan ga ik verder met de vraag van mevrouw Moorman … Nee, die hebben we
net gehad, sorry. Ik heb geen vragen meer van mevrouw Moorman.
De heer Van Asten (D66):
Het gevaar is dat we nu via de minister een debat met elkaar moeten
voeren over hoe zo'n rapportage eruit zou moeten zien. Ik ben als
wethouder in Den Haag gewend om bijvoorbeeld de stukken over Den Haag
Zuidwest altijd op de collegetafel te hebben, en daarin een duidelijk
inzicht te hebben. Die ervaring heeft mevrouw Moorman natuurlijk ook met
gebieden in Amsterdam. Dat allemaal samenvoegen op een simpele wijze,
zoals de minister aangeeft, lijkt mij tot een enorme versimpeling
leiden, die ook geen regionale invloeden kan meenemen. Daardoor hebben
we hier vervolgens een debat waarin we zeggen: Heerlen doet het slechter
dan Amsterdam en Zaandam doet het beter dan Arnhem, maar wat zegt dat
ons nu? Laat ik tot de vraag, of oproep, aan de minister komen dat zij
wel met een systeem komt als hieraan gewerkt wordt. Of de regionale
verschillen spelen daadwerkelijk een rol in de manier waarop je iets met
elkaar vergelijkt of er komt een brief van de minister die zegt: ik wil
ze graag allemaal met een hyperlink naar u doorsturen. Maar samenvoegen
zorgt er niet voor dat er een helderder beeld ontstaat waar wij als
Kamer ook echt iets aan kunnen hebben.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Heldere vraag. Wat ik volgens mij net heb gezegd, is dat ik in gesprek
ga om te kijken of er iets mogelijk is, met zo min mogelijk extra
lasten. Als ik vervolgens zelf naar iets zit te kijken waarvan ik vind
dat het echt helemaal nergens op slaat, dan kom ik ook bij u terug. Dan
zou het een hyperlink kunnen zijn vanuit de gemeente. Maar laat me een
poging doen om te kijken of ik er iets van kan maken wat voldoet aan uw
informatiebehoefte. Als dat me niet lukt, dan kom ik bij u terug en zeg
ik: het is niet gelukt. Dan is het aan u om daar dan weer uw werk op te
verrichten.
De voorzitter:
Zitten we nog steeds in het blokje overig?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja.
De voorzitter:
Oké.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan ga ik naar de vraag van de heer Grinwis of de financiering genoeg
is. Ik ben heel blij dat in het coalitieakkoord jaarlijks 135 miljoen
voor het programma staat. Dat is meer dan wat er nu in zit. Is het
genoeg? Ik denk dat dat een vraag is die waarschijnlijk met "nee"
beantwoord moet worden. Maar is het heel veel en kunnen we hier echt
impact mee maken? Ja. We hebben een lichtpuntje. Vanuit dat lichtpuntje
gaan we verder.
Over de gebiedsbudgetten vroeg de heer Grinwis naar de versnippering
over de diverse departementen. Dat klopt. Dat zie ik ook. Dat was ook
onderdeel van mijn eigen inwerken op dit dossier. Tegelijkertijd ben ik
heel erg blij dat de verschillende departementen ook zien dat dit
programma zo succesvol is en dat ze kijken hoe ze ervoor kunnen zorgen
dat ze hun financiële stromen ook op het NPLV blijven richten. Zoals ik
eerder al zei, zitten er eigen voorwaarden aan die stromen. Misschien
noemt u mij een opportunist, maar het feit dat ze allemaal blijven
bijdragen of het geld structureel via andere stromen borgen, leidt er in
ieder geval toe dat het programma niet in gevaar komt. Dat lijkt mij het
allerbelangrijkste.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat laatste, dat het beschikbaar blijft, is natuurlijk fijn. Dat geldt
ook voor de betrokkenheid van vier, vijf ministeries bij dit holistische
probleem, dat je niet verkokerd moet aanpakken. Tegelijkertijd doen we
dit voor de mensen in de wijken. Als het voor de programma's in de
wijken zelf daarmee wel onoverzichtelijker wordt om ervoor te zorgen dat
alles daadwerkelijk binnenkomt en als het ervoor zorgt dat ze ik weet
niet hoeveel bureaucratie en tijd kwijt zijn aan deze bureaucratie, is
daar dan niet toch iets aan te doen? Hoe kan de minister het op
gebiedsniveau zo prettig mogelijk georganiseerd krijgen? Het is prima
dat het aan de achterkant dan verkokerd zit over diverse ministeries en
dat de IRF het ook graag zo wil, maar kan het dan voor de wijken in
kwestie niet eenvoudiger worden geregeld?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kan de heer Grinwis hierop toezeggen dat ik best wil kijken naar het
bundelen van de geldstromen helemaal op het einde, daar waar het de
gebieden binnenkomt. Ik ga daarnaar kijken en dan kom ik bij u terug.
Dan wilt u weten wanneer. Ik begin u te leren kennen. Dat doe ik voor de
zomer.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Clemminck over hoe de twintig
gebieden geselecteerd zijn. Die zijn getoetst aan de hand van de
Leefbaarometer en geselecteerd op de score "zeer onvoldoende". Er is
rekening gehouden met geografische spreiding over Nederland en met de
inzichten die eerder waren opgedaan binnen de regiodeals.
Dan een vraag van mevrouw Steen over welke concrete lessen we nu al
toepassen in nieuw beleid en nieuwe gebiedsontwikkeling. Dat gaat over
langjarige inzet, samenwerking, continuïteit en verbindingen tussen de
verschillende beleidsdomeinen. Dat zijn de belangrijke succesfactoren
voor onze NPLV-aanpak, denk ik. Het succes van die koppelkansen
gebruiken we nu ook in de ontwikkeling van de totaalaanpak voor de
nationaal grootschalige woningbouwgebieden rond wonen, werken,
bereikbaarheid, groen en voorzieningen. Dat is volgens mij ook waar we
in het kader van de Nota Ruimte over hebben gesproken. Dat moet leiden
tot een integrale aanpak, want als je alleen huizen bouwt waar geen
groen is, waar geen voorzieningen zijn en waar geen wegen zijn, dan heb
je nog steeds geen gemeenschap gebouwd en volgens mij waren we daar nou
zo nadrukkelijk naar op zoek. Een van de lessen van de NPLV, de brede
SPUK, is dus om gemeenten te helpen met integrale financiering. Verder
gaan we kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat dit ook nadrukkelijk
aandacht krijgt in de NPLV-gebieden en dat daar waar huizen worden
gerenoveerd of waar nieuwbouw plaatsvindt, dat plaatsvindt met in
gedachten de eerdere opmerking van mevrouw Steen over groen en recreatie
en ontmoetingsruimte, ook al gemaakt in eerdere debatten.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik wil 'm toch even scherp maken, want dit is voor mijn fractie toch
best wel belangrijk. De integrale aanpak van het NPLV gaat natuurlijk
ook over bijvoorbeeld het sociale domein. We hebben het net gehad over
het onderwijs. Er ziet ook een deel op armoedebestrijding. We hebben het
er nu over in de commissie VRO, maar die SPUK's zijn wel belegd onder de
verantwoordelijkheid van andere departementen. Is het dan ook zo dat op
het moment dat daar dingen niet parallel lopen, of juist misschien wel
te verkokerd lopen, wij hier dan ook weer met elkaar komen te spreken
over waar die financieringsstromen uit elkaar blijven lopen? Ik zoek nog
wel naar een plek waar we dat kunnen adresseren, want ik denk dat een
les die we hebben geleerd is dat verkokering uiteindelijk leidt tot
overal misschien wel net niks of misschien twee keer dezelfde euro op
hetzelfde punt. Gaan we híér dan ook met elkaar spreken over de
effectiviteit van de SPUK's die onder andere departementen vallen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Goeie vraag. Die vraag heb ik mezelf deze week ook al gesteld toen ik
dacht: ben ik coördinerend op dit allemaal? Het antwoord is: ja. Ik zag
mevrouw Wiersma ook al ernstig ja knikken. Ja, dat ben ik. Dus ja, daar
spreken we hier over. Ik heb goed geluisterd naar wat u heeft gezegd en
zal mijn collega-bewindspersonen nog nadrukkelijker op het hart drukken
dat ze mij het leven hier niet al te moeilijk maken. Met steun van de
Kamer, zegt mevrouw Wiersma. Dat zal ik noteren.
Ik had nog een vraag van mevrouw Moorman, namelijk of de adviezen van de
commissie-Van Rijn zijn meegenomen in de ramingen van het rapport van
Rebel. Dat is niet zo. Er is ook nog geen financiële dekking voor de
adviezen van de commissie-Van Rijn. Zoals ik eerder al zei, beraden we
ons op een inhoudelijke kabinetsreactie. Ik kan daardoor dus ook nog
niet vooruitlopen op de financiën.
Dan kom ik bij de vraag van meneer Clemminck over "buiten de twintig".
Dit is eigenlijk een beetje een herhaling van wat ik eerder al zei over
het buddysysteem, de delen van werkende aanpakken. Wat ik u eerder heb
toegezegd, geldt eigenlijk ook als antwoord op deze vraag.
Dan had de heer Clemminck een vraag over migratie. De Staatscommissie
Demografische Ontwikkelingen 2050 adviseert om in te zetten op gematigde
groei. Het vorige kabinet omarmde dit advies. Daar gaat dit kabinet mee
verder. We willen grip krijgen op alle vormen van migratie. Natuurlijk
sturen we op gemengde wijken.
Dan de vraag van de heer Clemminck over hoe de twintig gebieden
geselecteerd zijn. Die zijn getoetst aan de Leefbaarometer. Er is
gekeken welke gebieden daar "zeer onvoldoende" scoorden.
Dit was het eerste mapje, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is nog een vraag van de heer Nobel.
De heer Nobel (VVD):
Zitten de vragen met betrekking tot het middenhuursegment en het
toevoegen van betaalbare koopwoningen in andere mapjes of moet ik nu
mijn vinger opsteken?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die zitten in het mapje fysiek, waar ga ik nu mee beginnen.
Voorzitter. Ik begin het mapje fysiek met de vraag van de heer Nobel,
alsof het zo bedoeld was. Ik ben het helemaal met u eens dat middenhuur
een belangrijk onderdeel vormt van de NPLV-gebieden. De insteek van de
Woontopafspraak is het creëren van een gevarieerd woonaanbod in deze
NPLV-gebieden, ook om ervoor te zorgen dat bewoners in zo'n wijk willen
blijven wonen en kunnen blijven wonen omdat er aanbod is om de volgende
stappen in hun leven te zetten. Of dat nou een stap naar meer of minder
ruimte is, is dan minder aan de orde. Betaalbare woningen, waaronder
middenhuur, borgen we onder andere met de inzet van de
realisatiestimulans.
Dan de vraag van de heer Nobel of ik kan aangeven hoe ik kijk naar de
gedachte om prijssegmenten binnen betaalbare koop als indicator mee te
nemen. In de komende periode breng ik de voortgang van de
Woontopafspraken in kaart. Daarbij kijk ik ook naar de gerealiseerde
middenhuur en de gerealiseerde betaalbare koop in de NPLV-gebieden.
Monitoring op prijssegmenten binnen betaalbare koop brengen we niet
verder in beeld dan reguliere monitoring op woningbouw in heel
Nederland. Dat doen we wel specifiek in de NPLV-gebieden op de
gerealiseerde middenhuur en de gerealiseerde betaalbare koop, maar dus
niet voor de middenkoop.
De heer Nobel vraagt of ik kan reflecteren op de vraag of de €7.000 per
woning wel terechtkomt bij betaalbare koop en middenhuur. We streven
naar een goede balans tussen sociale huur, middenhuur en betaalbare
koop. Vanaf 2025 krijgt de bouw van elke betaalbare woning in heel
Nederland een bijdrage van €7.000 per woning uit de Realisatiestimulans.
Dit betreft alle betaalbare woningen, dus sociale huur, betaalbare koop
en middenhuur, ook in de NPLV-gebieden. Hiervoor is tot 2030 zo'n 1,5
miljard beschikbaar.
Dan vraagt de heer Nobel of we effectieve maatregelen breder kunnen
toepassen. Dat gaat met name over de commissie-Van Rijn, die aangaf dat
het beleid te gefragmenteerd is. Daar ben ik het natuurlijk helemaal mee
eens. Fragmentatie zit soms de voortgang in de weg. We hebben
kennisontwikkeling nodig en kennisdeling is belangrijk. Het kost ook
tijd om nieuwe aanpakken grondig te onderzoeken. Als we veelbelovende
aanpakken signaleren, bijvoorbeeld met de SPUK's Kansrijke Wijk en
Preventie met Gezag, bekijken we of we deze aanpakken ook wat meer
systematisch kunnen onderzoeken en daarna kunnen extrapoleren.
Dan vroeg de heer Nobel: hoe controleert u dat middelen effectief
gebruikt worden? Dat doen we achteraf, omdat het geld dat de gemeente
ontvangt uit de Startbouwimpuls voor betaalbare woningen, moet worden
uitgegeven ten faveure van de NPLV-opgave. Tevens is er sinds begin dit
jaar een team fysiek aangesteld binnen het NPLV-team, dat echt gaat
kijken of we, als dat nodig is, nog wat meer kunnen begeleiden dan wel
sturen op de afspraken die we hebben gemaakt.
De heer Nobel (VVD):
Dat klinkt op zich goed, maar we zien tussen de NPLV-wijken toch nogal
wat verschil in hoeverre er stappen worden gemaakt. Dit was ook de reden
waarom ik er specifiek naar heb gevraagd. Ik hoop eigenlijk dat de
minister dat ook specifiek betrekt bij de toezegging die zij eerder
heeft gedaan, over dat het beleid in NPLV-wijken die het relatief goed
doen, wordt gebruikt als uitgangspunt voor andere gemeenten, waarbij ze
gaat kijken waarom die gemeenten het beter doen. Ik ben namelijk bang
dat geld uiteindelijk aan randzaken wordt besteed en bijvoorbeeld niet
aan het vinden van werk of het realiseren van kinderopvang zodat mensen
de stap naar werk kunnen zetten. Daarin zit dus een beetje mijn zorg.
Als u hetgeen u zojuist vertelde zou kunnen betrekken bij uw eerdere
toezegging, ben ik erg blij.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, dat kan ik. Het gaat er natuurlijk wel over dat wij monitoren of de
financiën die specifiek uit de Realisatiestimulans of de
Woningbouwimpuls komen, worden uitgegeven aan waar die voor bedoeld
zijn. Ik ken ook geen voorbeelden waarbij dat geld voor iets anders zou
zijn gebruikt, maar misschien zijn die er wel; dan hoor ik die graag.
Volgens mij worden de gelden echt wel gebruikt voor de opgave waarvoor
die zijn. Maar als uw signaal is dat u daar twijfels over heeft, dan ga
ik daar natuurlijk naar kijken.
De vraag van mevrouw Wiersma over de woningnood. De leefbaarheid
verbeteren we door een gecombineerde aanpak op onderwijs, veiligheid,
werk en de fysieke opgave. Ik deel uw beeld dat de vaak verouderde
particuliere voorraad een enorme uitdaging vormt. Ik zou deze kwestie
graag bezien in het licht van de aanpak voor de isolatieopgave. Rond de
zomer wil ik uw Kamer hier graag over informeren.
Dan een vraag van mevrouw Steen. Bedoelde u NPLV toen u het had over
NOVEX?
Mevrouw Steen (CDA):
Ja. We hebben de NOVEX-gebieden. Het NPLV heeft zich in eerste instantie
alleen gericht op wijken in die NOVEX-gebieden. Het zijn er nu twintig.
Het zijn er net even iets meer, maar in principe zijn het
NOVEX-locaties. Als je als regio of stad buiten NOVEX viel, kwam je
sowieso niet in aanmerking om een NPLV-gebied te worden. Daarom heb ik
mijn vraag over NOVEX gesteld. Maar u mag ook "NPLV-gebieden" lezen,
hoor, want dat is ook de strekking van mijn vraag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voorzitter. Dan vraag ik of ik in de tweede termijn even op deze vraag
mag terugkomen.
Dan ga ik naar een andere vraag van mevrouw Steen, over de gemengde
wijken. U vroeg naar mijn visie op het voorkómen van achterstandswijken.
Ik ben het, zoals ik eerder al zei, helemaal met u eens: we moeten
zoiets voorkomen. Als we nadenken over nieuwe steden of nieuwe
grootschalige woningbouwlocaties of zelfs het wijkje erbij of het
straatje erbij, zou een integrale aanpak daarin een rol moeten spelen,
waarin het dus ook gaat over het speeltuintje, de sociale voorzieningen,
de ontmoetingsplekken. Zo krijgt de gemeenschapszin, die we allemaal
hoog hebben, een plek.
Dan een vraag van mevrouw Steen over de Woontopafspraken. We hebben op
dit moment nog geen definitieve voortgangscijfers over de woningbouw uit
de in 2025 gemaakte afspraken. Dat komt doordat de woningbouw wordt
versneld met de Realisatiestimulans. De verantwoording en uitkering
vinden na start van de bouw plaats. Ik verwacht in Q4 een compleet beeld
te kunnen geven over wat er in 2025 daarop is gerealiseerd.
Mevrouw Steen stelde ook de vraag over de Woontopafspraken of gemeenten,
corporaties en partners voldoende toegerust zijn. De
uitvoeringscapaciteit is natuurlijk een uitdaging, overigens in deze
hele brede opgave. Daarom is er binnen de Realisatiestimulans een aparte
opslag voorzien voor versterking van de capaciteit op de fysieke opgave
van de NPLV-gebieden. Per gebied is in kaart gebracht welke
uitvoeringscapaciteit benodigd is. Hier zijn per gebied ook
maatwerkafspraken over gemaakt in 2025.
Mevrouw Steen vroeg hoe ik kijk naar de borging van deze afspraken op
langere termijn. Dit is een proces van lange adem. Dat is niet anders
dan in de NPLV-gebieden. We willen langjarig borgen in de gebieden. Per
maart is daarom een team fysiek toegevoegd aan het bredere NPLV-team,
dat zich specifiek gaat richten op het voor 2030 realiseren van de
Woontopafspraken. Dit is niet helemaal een antwoord op uw vraag hoe we
het gaan borgen, maar we willen in ieder geval dat dedicated capaciteit
zich erop gaat richten dat we het in 2030 ook daadwerkelijk hebben
gerealiseerd.
De heer Nobel (VVD):
De minister refereert aan de Woontopafspraken. Een van de zaken die
daarin is afgesproken dat er meer betaalbare woningen worden
gerealiseerd, waaronder ook in het middenhuursegment. De minister gaf
zojuist aan dat ze dat belangrijk vindt. Dat doet me deugd, maar
tegelijkertijd vraag ik me af hoe de minister dat aantal woningen in het
middenhuursegment wil gaan versterken. Dat heb ik namelijk nog niet echt
beluisterd.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Gaat dit alleen over het NPLV of bedoelt u de bredere vraag?
De heer Nobel (VVD):
We hebben het vandaag natuurlijk met name over het NPLV. Breder mag u er
ook op reageren, maar voor het debat is het misschien makkelijker om het
bij de NPLV-wijken te houden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daarvoor geldt natuurlijk wat ik hier eerder over heb gezegd. We hebben
überhaupt alle segmenten nodig. In de NPLV-gebieden hebben we nodig dat
mensen in wijken willen blijven en kunnen blijven en dat er dus voor
alle segmenten iets is. Dat is onderdeel van de aanpak. Dat is ook
onderdeel van de gesprekken die we met de verschillende gebieden moeten
voeren over hoe die wijken eruit zouden moeten zien om ervoor te zorgen
dat ze hun status van NPLV-gebied hierop verliezen. We sturen hier
hetzelfde op als op de andere categorieën huizen in diezelfde
gebieden.
De heer Nobel (VVD):
Ik vraag dit omdat we in NPLV-gebieden zien dat het percentage sociale
huurwoningen echt fors hoger is dan in gebieden die niet de NPLV-status
toegekend hebben gekregen. Op het moment dat je dat wil verbeteren, zul
je bijvoorbeeld ook meer middenhuurwoningen moeten toevoegen. Ik ben
benieuwd hoe u dat gaat doen. Hoe gaat u die versterking in die wijken
daadwerkelijk toepassen? U zegt nu "aan alle woningen hebben we
behoefte", maar in die wijken is juist geen behoefte aan nog meer
sociale huurwoningen, want in die sociale huurwoningen zitten ook mensen
die misschien meer van de overheid vragen, zoals de ChristenUnie zojuist
ook zei. Daar zitten misschien de minder sterke schouders. Die wijken
hebben juist behoefte aan meer middenhuurwoningen.
De voorzitter:
Uw interrupties zijn nu op.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan zal ik proberen die interruptie niet verloren te laten gaan en een
goed antwoord te geven. Ja, er zijn veel sociale huurwoningen, maar
volgens mij is het ten minste zo belangrijk dat die huizen ook de
kwaliteit hebben dat mensen er gezond, plezierig en veilig kunnen leven.
De problematiek van de sociale huurwoningen moet ook aangepast worden.
Daarnaast moeten er woningen bij. Dat is ook onderdeel van het
programma, dat er woningen bij moeten en dat die er versneld bij moeten.
Ook is er behoefte aan dat mensen in die wijken blijven. U heeft dat
zelf net ook gezegd. We hebben dragers en vragers; dat moet een beetje
in balans gebracht worden in deze wijken. Daarom moet er bijgebouwd
worden. Dat moet alleen niet ten koste gaan van dat je de bestaande
voorraad naar een niveau moet brengen dat mensen daar ook gewoon een
goed leven kunnen hebben. We zullen sturen op bijbouwen en op zorgen dat
wie je daar wil houden, maar die je ook ontwikkelkansen wil geven,
gewoon in de eigen buurt kan blijven wonen. Die mensen willen daar ook
blijven wonen, zo is tenminste mijn ervaring in Heerlen-Noord — ik weet
het: dat is n=1 — maar ze hebben alleen een andere woonbehoefte, waar nu
geen ruimte voor is binnen die wijken.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben wel blij met dit antwoord, want het problematiseren van sociale
huur vind ik problematisch. Ik wil maar even zeggen dat in Wenen 70% van
de woningvoorraad sociaal is. En je kan toch niet zeggen dat Wenen een
enorm problematische stad is. Toch zie ik in de rapportage dat af en toe
wordt gezegd dat er te veel sociale huur is. Over mengen zijn we het
eens, maar zullen we niet steeds doen, zoals ook weer in deze rapportage
gebeurt, alsof sociale huur het probleem an sich is?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik wil op geen enkele manier … Ik merk ook aan mezelf dat het me raakt
dat we het bijna over sociale huur hebben alsof het iets is om je voor
te schamen. Ik kom er zelf vandaan en ben best oké terechtgekomen, denk
ik zelf. Ook als je ergens anders terechtkomt, is dat goed. Als er
woorden in rapportages staan die de suggestie wekken dat dit zo is, hoor
ik die straks graag van u. Dan zullen wij kijken of wij met taal
onbedoeld een beeld schetsen dat ik helemaal niet wil schetsen. Los
daarvan ben ik wel voor gemengde buurten, zodat we vragers en dragers
met mekaar in balans kunnen brengen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij met deze woorden van de minister, want dat brengt het
inderdaad in balans. Ik wijs bijvoorbeeld op pagina … O, er staan geen
paginanummers op, dus dat maakt het lastig. Ik toon nu een grafiek
waarbij de WOZ-waarde tegenover elkaar wordt gezet. Dat wordt
gepresenteerd als een probleem: de WOZ-waarde is te laag. Dat vind ik
lastig. We doen net alsof het slechter is omdat het goedkoper is.
Nogmaals, ik ben blij dat de minister zegt: nee, het gaat erover of de
woningen goed zijn en of je kan doorstromen en dat het gemengd is. Maar
laten we toch steeds ook wel weer door die bril naar dit soort
rapportages kijken. Dat is mijn enige vraag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar moet ik eerst antwoord op geven. Ik zal altijd door die bril
daarnaar kijken. Tegelijkertijd hebben we soms wel meetinstrumenten
nodig. Soms is dat gewoon de WOZ-waarde, omdat die een instrument is
waarlangs je tot bepaalde analyses kan komen. Maar wij zullen zorgvuldig
zijn dat wij geen suggestie wekken dat de een meer waard is dan de
ander, want dat is simpelweg niet zo.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dit zal wel een wat langere interruptie worden, voorzitter, maar ik
krijg nu toch een beetje het gevoel van de taalgids van OCW. Laten we
niet net zoals bij greenwashing gebeurt hier aan socialwashing gaan
doen. Er wordt natuurlijk niet door het lid Nobel sec bedoeld dat
sociale huurwoningen een probleem zijn, maar laten we wel met elkaar
vaststellen dat in die sociale huurwoningen gemiddeld genomen mensen
wonen die met grotere uitdagingen in het leven te maken hebben dan in de
middenhuur en in koopwoningen. Ik kom zelf ook uit zo'n situatie, waarin
alle zeven vinkjes van de multiprobleemgezinnen gezet kunnen worden, dus
ik spreek uit ervaring over welke uitdagingen daar zijn. Dat is wat het
lid Nobel volgens mij bedoelt. We moeten dat niet met woorden proberen
mooi te omschrijven, want het bestaat wel degelijk. Ik ben blij om te
horen dat het lid Moorman ook erkent dat die inmenging van wezenlijk
belang is, juist ook om die problemen in de toekomst te lijf te kunnen
gaan. Het is niet zozeer een vraag aan de minister, maar ik hoop wel dat
we dit niet willen gaan verstoppen in ons taalgebruik. Er zijn immers
reële uitdagingen die in deze woningvoorraad spelen. Daar moeten we de
ogen niet voor sluiten. Ik hoop dat de minister dat met me eens
is.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben het met u eens wat betreft de problematiek. Ik denk dat we het
ook met elkaar eens zijn dat we mensen geen stempel moeten geven.
Volgens mij zijn we het daar allemaal over eens. Volgens mij zit daar
het onderscheid in. Ik heb niemand iets horen zeggen over "een mens een
stempel geven". Dit moet gaan over de vraag wat we in zo'n wijk proberen
te realiseren. U kan erop rekenen dat ik daar geen andere houding in
aanneem dan ik nu heb gedaan.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Moorman over de WOZ-waarde, maar
volgens mij hebben we het daar net over gehad. Het is een indicator waar
we naar kijken, maar we kijken niet alleen naar die. We kijken
bijvoorbeeld ook naar energielabels, energiearmoede, ervaren gezondheid
en het schooladvies.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Moorman over de aanpak van
energiearmoede bij corporatiewoningen. Zij vroeg of ik voldoende doe. We
helpen de huishoudens met weinig financiële ruimte om hun woning te
verduurzamen met middelen uit de SPUK voor het tegengaan van
energiearmoede, de SPUK Lokale Aanpak Isolatie, het Warmtefonds en
diverse subsidies die daarvoor beschikbaar zijn. De verhuurders moeten
hun woningen met de slechte labels E, F en G dus voor 2029 verduurzamen.
In het coalitieakkoord staat dat we via het Nationaal Isolatie Offensief
woningen verder gaan verduurzamen om de energierekening zo betaalbaar
mogelijk te houden, met extra aandacht voor de NPLV-gebieden met de
grootste energiearmoede. Ik heb de nieuwe colleges begin deze week een
brief gestuurd waarin ik heb gevraagd om hier prioriteit aan te geven in
de bredere zin.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dat is hartstikke fijn. Dit gaat voor mensen echt schelen in hun
portemonnee en dan zitten ze er ook nog warm bij. Dit is dus echt
hartstikke fijn. Kunt u er ook een specifiek doel aan koppelen? Hoeveel
woningen in de corporatiesector willen we opknappen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik weet dat die aantallen er zijn, maar ik weet ze niet uit mijn hoofd.
Deze vraag neem ik dus even mee naar de tweede termijn.
Ik ga verder met een vraag van de heer Clemminck.
De voorzitter:
Sorry, ik zag niet dat de heer Grinwis nog wilde interrumperen. Het
woord is eerst aan hem.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het is natuurlijk een prachtige doelstelling. We hebben al een aantal
jaar het Nationaal Isolatieprogramma. Dat is juist opgericht om het
collectieve spoor, de collectieve aanpak, de ontzorgende aanpak verder
te brengen. Het is mooi dat die wordt geïntensiveerd met het Isolatie
Offensief in de NPLV-gebieden, maar op welke manier wil de minister die
collectieve aanpak intensiveren? Hoe ziet ze dat voor zich? Er waren wel
allerlei ideeën over, bijvoorbeeld om dat met een contingentenaanpak te
doen en door te standaardiseren en industrialiseren. Dat is tot nu toe
heel weerbarstig gebleken. Het vve-spoor is tot nu toe veelbelovend. Hoe
zouden we dit verder kunnen brengen, zodat we daadwerkelijk massa gaan
maken? Tot nu toe valt dat een beetje tegen.
De voorzitter:
Uw interrupties zijn op. De regel is dat interrupties voor twee tellen
als ze langer duren dan 30 seconden. U zat er bij allebei ruimschoots
overheen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat we zien en waar we in eerdere debatten over dit onderwerp ook over
hebben gesproken, is dat er is geen quick fix is, want die was dan al
verzonnen. Dan hadden wij het er waarschijnlijk ook niet met elkaar over
hoeven te hebben, want dan was het al opgelost. We zien dat we
normeringen hebben over hoeveel huizen verduurzaamd moeten worden. In de
tweede termijn kom ik terug op het antwoord op die vraag. Mijn insteek
in de afgelopen weken en tot vannacht was, en nog steeds is als we
vooruitkijken, dat we ervoor moeten zorgen dat we zo veel mogelijk
huishoudens zo goed mogelijk isoleren voordat we de winter ingaan en dat
de mensen die er het meeste belang bij hebben hiermee worden geholpen.
Dit is een beetje buiten het NPLV, maar er zit 1,6 miljard bij de
gemeentes om iets te doen met verduurzaming. De oproep aan hen is om dat
vooral te richten op de bewoners van de huizen met de slechtste labels.
Dat is de aanpak waar we nu voor kiezen.
Ik begrijp dat u zegt dat het niet genoeg is en dat het grootschaliger
en meer moet. Voordat je het weet hebben we straks een discussie over
warmtenetten en hybride warmtepompen. Dat zullen we nu niet doen. Ik
kijk naar het volgende. Hoe kan ik met de financiële ruimte die ik heb
en met de problematiek die er is ervoor zorgen dat ik weet hoeveel euro
elke euro die we in de weerbaarheid van de samenleving stoppen — ik zie
het namelijk meer als de weerbaarheid van de samenleving dan als
verduurzaming — zou opleveren in de portemonnee van het individu? Dat
zou echt heel mooi zijn. Dat kan ik nu nog niet. Ik probeer alles wat ik
nu heb en nu kan doen, ook nu in te zetten. Daarnaast ben ik, net als de
andere bewindspersonen, met het kabinet in gesprek om te kijken wat we
nog meer kunnen doen en hoe we kunnen zorgen voor een meer integrale
aanpak die uiteindelijk tot een versnelling zou moeten leiden.
De voorzitter:
Dank u wel. Is het blokje "fysiek" al afgerond?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nog één laatste vraag, van de heer Clemminck. Hij had het over
vooruitkijken naar de toekomst en bouwen aan nieuwe wijken en steden,
waarbij leefbaarheid voorop moet staan. Daar ben ik het natuurlijk
helemaal mee eens. Binnen de Realisatiestimulans is een aparte opslag
van in totaal 180 miljoen voorzien voor het realiseren van deze
voorzieningen en het verbeteren van de openbare ruimte.
Voorzitter. Ik kom bij het volgende mapje, sociaal en veiligheid. Ik
begin met een vraag van de heer Van Asten. Hij vraagt mij of ik bereid
ben om samen met het ministerie van VWS, gemeenten en lokale
organisaties gerichte maatregelen te nemen voor de vaccinatiegraad. Om
de vaccinatiegraad te verhogen, investeert het kabinet in uitbreiding
van de wijkgerichte aanpak voor vaccinaties. Deze aanpak richt zich op
een laagdrempelig aanbod van vaccinaties en voorlichting, die is
afgestemd op de lokale behoeften in wijken waar deze vaccinatiegraden
laag zijn. De NPLV-alliantiepartners hebben een breed netwerk en goede
verbinding met bewonersgroepen in deze stedelijke focusgebieden. Ik
moedig het van harte aan dat gemeenten en lokale organisaties van deze
netwerken gebruikmaken voor het bereiken van de kwetsbare doelgroepen.
Ik zal in ieder geval dit voorjaar met de minister van VWS in overleg
treden om te kijken of we hier nog iets op kunnen intensiveren.
De tweede vraag van de heer Van Asten gaat over gezondheid. Hij vraagt
hoe VWS zich eraan committeert om de gezondheid van bewoners te
verbeteren. Het gaat hier natuurlijk over mentale en fysieke gezondheid.
Dat is een basisvoorwaarde voor wat we in dit programma doen. In een
aantal gebieden maakt gezondheid ook deel uit van de lokale
uitvoeringsplannen. Een integrale aanpak op het terrein van huisvesting,
leren en werken draagt ook bij aan een betere gezondheid. Het Aanvullend
Zorg- en Welzijnsakkoord geeft aan deze ontwikkelingen een nieuwe
impuls. In dit akkoord zijn afspraken gemaakt over de aanpak van
multiproblematiek in de NPLV-gebieden. Mijn collega van VWS heeft
hiervoor van 2027 tot 2029 60 miljoen beschikbaar gesteld. Deze
integrale aanpak zal naar verwachting ook een positief effect hebben op
het terugdringen van bovenmatige zorgkosten in deze gebieden.
De heer Van Asten (D66):
Dank voor deze beantwoording. Ik heb daarbij één vraag. De minister gaf
al aan dat niet in alle NPLV-gebieden die gezondheidsprogramma's worden
uitgerold. Wat is eigenlijk de reden om dat niet breder neer te zetten?
Ik zie dat in meer onderdelen van het NPLV-programma. In een aantal
gebieden wordt iets opgezet, en dan hoop ik altijd maar dat het verder
uitrolt. Ik was even benieuwd naar de status van de gezondheidsplannen
in dit totale programma.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik zou deze graag toevoegen aan mijn toezeggingen aan de heer Nobel, die
vroeg om de goede voorbeelden te extrapoleren en te zorgen dat we er wat
meer op sturen dat die goede voorbeelden ook gedeeld worden met de
andere gebieden. Dat betekent dat we ervoor zorgen dat de goede
ervaringen op het gebied van gezondheid veel breder gedeeld worden met
de andere gebieden. Dit is wel een van de prioritaire gebieden binnen de
NPLV-aanpak.
Dan de vraag van mevrouw Steen: hoe wordt voorkomen dat de interventies
versnipperd blijven en hoe we zorgen dat die juist samenhangend en
integraal worden? Ik hou ook van samenhangend en integraal, dus ik ben
het helemaal met u eens dat we daarop moeten sturen. Dat is niet mijn
antwoord; dit was alleen de aanloop ernaartoe. Binnen de SPUK Kansrijke
Wijk worden meerdere geldstromen van departementen samengevoegd. Deze
kennen eigenlijk hun eigen voorwaarden. Dat is wat ik eerder tegen u heb
gezegd hierover. Ik heb u ook al toegezegd dat ik ernaar ga kijken. Als
u het goedvindt, neem ik deze vraag hierin mee.
Dan de vraag van mevrouw Moorman over kinderdagverblijven. Kinderopvang
is hartstikke belangrijk, niet alleen voor de ontwikkeling van het kind,
maar ook voor de ruimte voor ouders om te kunnen werken. Dat geldt voor
zowel vaders als moeders. In de NPLV-gebieden werken we ook aan het
verhogen van het bereik van voorschoolse educatie met het programma voor
het jonge kind. Het CBS monitort ontwikkelingen in de kinderopvang en
maakt deze inzichtelijk met een dashboard. Naast landelijke cijfers
bevat dit dashboard ook cijfers op het niveau van de gemeente, de wijk
of de buurt. De trend waarover u spreekt, wordt in algemene zin niet
herkend door het ministerie van SZW.
Dan de vraag van …
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Toch wordt het in sommige wijken wel erkend. Dat geldt onder andere voor
Overvecht in Utrecht, waar meneer Van Asten en ik allebei waren. Ik ben
bang dat de nieuwe wet dat gaat versterken, omdat er meer schaarste komt
en geen maximaal plafond. Dan zou het zomaar kunnen gaan schuiven. Hoe
houd je hierbij de vinger aan de pols?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daarop kan ik, denk ik, het beste het volgende zeggen. In het vorige
blokje zei ik al dat ik als coördinerend minister verantwoordelijk ben
om dit soort thema's hier te bespreken. Ik zal dus nader in gesprek gaan
met de minister van SZW om te kijken of we kunnen identificeren of dat
wat in Utrecht gebeurt ook breder gebeurt. Dan kom ik hierop terug bij
u.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Daarbij wil ik het niet specificeren tot alleen Utrecht, want ik herken
het ook van andere gebieden. Dank dat u dat gaat doen. Zou daarbij ook
gekeken kunnen worden hoe we daar bijvoorbeeld gratis kinderopvang voor
alle kinderen uit deze wijken aan toe kunnen voegen? Dat zou enorm
helpen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik snap dat dat enorm zou helpen. Ik denk dat dat, als we dat zouden
willen, ten koste gaat van andere delen van het programma, omdat het uit
dezelfde financiering zou moeten komen. In mijn gesprek met SZW zal ik
kijken wat het standpunt hierover vanuit SZW is, maar ik geef alvast de
winstwaarschuwing dat als we dit willen, dit waarschijnlijk ten koste
gaat van iets anders.
Dan een vraag van mevrouw Moorman over het onderwijs. Zij noemde het
voorbeeld van de Familieschool in Amsterdam. Dat is inderdaad een mooi
voorbeeld waarbij kinderen een brede basis wordt geboden. We zien deze
scholen ook al in andere gebieden, zoals Breda-Noord, Heerlen-Noord en
Utrecht Overvecht. Het is aan de gemeenten en scholen zelf om de slag te
gaan met een familieschool. Er wordt wel actief ingezet op kennisdeling
over de Familieschool. Er is een landelijke agenda van de Gelijke Kansen
Alliantie vanuit OCW, waar dit ook op staat.
En dan tot slot, de laatste …
De voorzitter:
Mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik zit te twijfelen. Het kan ook in de tweede termijn, maar ik vind dit
wel echt een mager antwoord. We weten dat dit enorm werkt. Ik had ook
gevraagd naar die 19 miljoen die wordt bezuinigd op de brugfunctionaris.
Daar gaat dit echt enorm aan raken. Ik zou toch hopen op een iets
steviger antwoord hierop.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan gaat hij mee naar de tweede termijn.
Tot slot de vraag van de heer Clemminck. Hij noemde dat vanaf 2028
scholen met lumpsum worden bekostigd, met de kans dat scholen de extra
uren niet meer kunnen aanbieden. Het programma School & Omgeving
wordt inderdaad vanaf 2028 structureel gefinancierd via een aanvullende
bekostigingsregeling. Ik ben het er dus niet mee eens dat scholen na
2028 niet meer worden bekostigd. De samenwerking tussen scholen,
gemeenten en andere alliantiepartners blijft ook na 2028
belangrijk.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Een vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Even over de orde. Wat bent u van plan met de tweede termijn? Wilt u
liever dat wij vragen die zijn overgebleven nu in een interruptie aan de
minister stellen?
De voorzitter:
Ik wou nu beginnen aan de tweede termijn. Daar kunt u de vragen die zijn
blijven liggen nog eventjes in herinnering brengen.
Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording in het
debat over de voortgangsrapportage. Mijn vragen zijn daarbij beantwoord,
waarvoor dank. Ik ben wel benieuwd naar hoe de toezeggingen uitpakken
richting de collega's. Ik noemde net al in een interruptie dat ik er
graag voor wil waken dat dit hele programma, dat zo gebaseerd is op
lokale kennis en lokale aanpakken, te veel veralgemeniseerd wordt naar
cijfers en vergelijkingen. Sommige dingen zijn niet vergelijkbaar. Dat
gezegd hebbende, is het natuurlijk wel van belang wat je van elkaar kunt
leren. Wat kun je als gebieden van elkaar leren? Ik zie in het verslag
dat er diverse programma's lopen, soms bij acht, soms bij elf van de
twintig gebieden. Hoe kun je dat breder maken? Wanneer heeft dat wel zin
en wanneer niet? Wat houdt dat tegen? Zijn dat de financiën vanuit een
bepaald ministerie, of is dat simpelweg omdat de behoefte in zo'n gebied
er niet toe is? Maar goed, dat is ook wel iets dat gemeenten zelf moeten
gaan bepalen.
Dank voor de toezeggingen over het vaccinatieprogramma. Ik maak me er
altijd erg druk om dat we dat in heel Nederland, dus in elke stad, op
een hoog niveau houden. Dat is van groot belang, dus veel aandacht is
ook van groot belang, ook in deze gebieden.
Ik heb verder geen vragen in deze termijn. Ik laat het hierbij.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Nobel, VVD.
De heer Nobel (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording van
de vragen en voor de toezeggingen die de minister heeft gedaan. Ik ben
blij dat de minister gaat kijken naar NPLV-wijken waar het beter gaat en
het beleid van die wijken als uitgangspunt wil nemen. Ik denk dat dat
ook rechtvaardig is. Als sommige gemeenten de middelen heel goed
besteden en andere gemeenten dat relatief minder doen, denk ik dat het
ook rechtvaardig is om vanuit de Kamer te vragen daar kritisch naar te
kijken.
Ik was ook blij dat de minister het belang aangaf van het
middenhuursegment en de betaalbare koop in die NPLV-wijken, maar ik zal
dat wel kritisch gaan volgen, want ik denk dat het belangrijk is om een
balans te vinden in de verhouding met sociale huurwoningen, in dat
percentage. Dan gaat het natuurlijk niet om de sociale huurwoningen an
sich, maar wel om de mensen die vaak in die woningen wonen. Dat is ook
wat het rapport-Van Rijn heeft aangegeven. Mensen in het
middenhuursegment zullen bijvoorbeeld altijd een baan hebben, anders
kunnen ze die middenhuur niet betalen. In die zin is het goed als die
wijk op dat vlak diverser wordt. Ik zal daar vanuit de VVD dus echt
kritisch naar blijven kijken, want anders blijft het dweilen met de
kraan open, denk ik, om uiteindelijk op de lange termijn iets tot stand
te brengen in die wijken.
Ik zou ook graag een tweeminutendebat willen aanvragen om de gelegenheid
te krijgen om een motie in te dienen over die betaalbare koop als
indicator, want ik hoorde daar nog niet een enthousiast antwoord op van
de minister, dus ga ik proberen om dat via een tweeminutendebat te
krijgen.
De voorzitter:
Gaan we doen. Mevrouw Wiersma van de BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ook van mijn kant dank voor de duidelijke beantwoording van deze
minister. Ik heb ook het idee dat zij met deze onderwerpen echt
voortvarend aan de slag wil gaan. Er zijn ook een aantal toezeggingen
gedaan waar ik natuurlijk van harte naar uitkijk. Ik hoop die op
relatief korte termijn tot ons te zien komen.
Ik denk dat die interdepartementale samenwerking echt van belang is, die
het lid Grinwis ook aanhaalde, met name waar het gaat om middelen. Ik
kwam in mijn bijdrage niet toe aan het volgende punt. We willen van zorg
naar positieve gezondheid, maar volgens mij speelt deze minister ook
juist op dat thema, het thema van VWS, een cruciale rol als het gaat om
deze wijken. Daar liggen ook op dat gebied de grootste uitdagingen. We
zien ook daarin dat dit daar enorm aan kan bijdragen. Dat gaat echt ook
om preventie. Het gaat ook om in wat voor woning je woont.
Ik heb verder geen vragen aan deze minister, want volgens mij zijn de
vragen goed beantwoord. Ik kijk uit naar alle informatie die ze heeft
toegezegd. Nogmaals bedankt.
De voorzitter:
Mevrouw Steen, CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Dank, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de antwoorden en de
mooie reflecties. Ik begon mijn bijdrage met: goed dat het programma er
is, jammer dat we het nodig hebben. Ik denk dat we vandaag breed gedeeld
hebben dat we daarmee wel doen wat nodig is en dat de eerste resultaten
voorzichtig goed en hoopvol zijn, maar dat we eigenlijk ook nog wel
moeten optimaliseren, willen we ervoor zorgen dat het niet al te lang
duurt voordat we die wijken daadwerkelijk een stap verder kunnen
brengen. De samenwerking op al die terreinen, tussen al die
departementen en medeoverheden en corporaties, is cruciaal. Het CDA gaat
ook echt wel kritisch volgen of het ook zo op die manier blijft gaan. Ik
denk dat dat echt de sleutel is tot het succes.
Mijn zorg is nog niet helemaal weggenomen dat het niet nogmaals gebeurt
bij de nieuwe grootschalige woningbouwlocaties of bij de M50-gemeenten
die aan het uitbreiden zijn. Ik denk dat we daar echt bovenop moeten
zitten met elkaar. Ik vraag me ook nog af of de minister kan toezeggen
dat zij bijvoorbeeld bij de Staat van de Volkshuisvesting heel specifiek
kan rapporteren over hoe het nou staat met de leefbaarheid bij die
verstedelijkingsgebieden en bij die M50-gemeenten, want ik denk dat het
belangrijk is dat we daar met elkaar dichter op gaan zitten.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Asten heeft een vraag.
De heer Van Asten (D66):
Ik heb een puur verduidelijkende vraag. Ik hoor collega Steen aangeven
dat zij zich zorgen maakt over de leefbaarheid van de nieuwbouwgebieden,
over of daar voldoende voorzieningen zijn. Dat is uiteraard een terechte
zorg, maar mijn vraag ziet op de vergelijking met de NPLV-gebieden. Dat
zijn namelijk wijken uit de jaren vijftig en zestig, die bij de start
volgens mij niet leden onder een gebrek aan voorzieningen. Kijk naar het
aantal roemruchte voetbalclubs dat in die wijken speelde, de bakker op
elke hoek, de melkboer, et cetera et cetera. Als je begint met goede
voorzieningen in de wijk, betekent dat dus niet dat die er na 50 jaar
niet heel anders voor kunnen staan. Ik ben dus benieuwd of mevrouw Van
Steen dat nog iets meer kan toelichten.
Mevrouw Steen (CDA):
Volgens mij weten we dat het in de huidige NPLV-gebieden niet alleen
over voorzieningen gaat, maar ook over die mix wat betreft het type
woningen; daar hebben we net ook al iets over gewisseld. In die nieuwe
verstedelijkingsgebieden gaan we natuurlijk gemengd bouwen, maar de
aspecten waar we nu mee te maken hebben, zoals de voorzieningen, elkaar
wel of niet treffen en de verdunning van huishoudens, zijn heel andere
aspecten dan in de jaren vijftig. Toen woonde je met je gezin in een
kleinere woning. Nu zien we dat huishoudens kleiner worden, dat er veel
eenpersoonshuishoudens zijn, dat mensen achter de voordeur wegkwijnen en
dat er alleenstaande ouders met kinderen zijn, die ook problemen kunnen
krijgen. De aspecten van het ontmoeten, voorzieningen buiten hebben,
kunnen bewegen en lucht kunnen hebben, zijn dus ongelofelijk belangrijk.
We hebben nu dus andere dingen nodig dan vroeger om gezond en vitaal te
kunnen samenleven. Dat maakt dat die lessen uit het verleden weliswaar
getrokken moeten worden, maar dan ook doorvertaald moeten worden naar
die nieuwe verstedelijkingsgebieden, want daar wonen heel veel mensen op
een steeds kleiner kluitje. Dat maakt dus ook dat we hier bovenop moeten
zitten.
We zien dat dit ook in de M50-gemeenten gaat gebeuren. Daar zien we
juist dat de mix van woningverdunning en nieuwe mensen die erbij komen,
weer voor andere problemen kan gaan zorgen. Daarom is het belangrijk dat
we al deze verschillende gebieden op een eigen manier gaan beschouwen.
Daarom vraag ik ook juist om een extra monitor hierop, zodat we de
juiste interventies doen op de juiste plek.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Er zijn natuurlijk veel toezeggingen gedaan over
informatie die nog komt, dus we gaan dit gesprek met elkaar blijven
voeren. Dank aan de minister voor het feit dat zij ons die informatie
gaat verstrekken.
Ik ben in ieder geval blij met de toon van de minister in dit debat. Zij
geeft namelijk heel duidelijk aan dat zij ook heel erg goed voelt wat er
gebeurt in die gebieden, en dat de opgave niet alleen een fysieke opgave
is. Het is trouwens zeker ook een fysieke opgave; we hebben het al over
verduurzaming, de aanpak van schimmelwoningen, het isolatieoffensief et
cetera gehad. En ja, het gaat ook over gemengd bouwen, zeg ik maar
meteen. Maar de problemen die mensen ervaren — en dat die problemen er
zijn, zien wij ook; denk aan die vijftien jaar dat je in minder goede
gezondheid leeft — los je natuurlijk niet op met alleen maar een
middenhuurwoning. Daarvoor moet je ook echt iets doen aan de sociale
problematiek van mensen. Dat doe je onder andere door in te zetten op
kinderopvang, onderwijs en het begeleiden naar werk.
Ik vond het echt een beetje jammer om te horen wat de minister zei over
de familiescholen. Het is inderdaad waar dat die inmiddels in meerdere
gebieden zijn ontstaan. Dat is niet voor niks. Het is namelijk een hele
effectieve manier om ervoor te zorgen dat je niet alleen de kinderen het
allerbeste onderwijs geeft, maar dat je ook ouders ondersteunt, met
schuldhulpverlening, financiële educatie, taal, het begeleiden naar werk
et cetera. Ik vind het heel jammer dat er nu wordt gezegd "dat mogen ze
dan allemaal zelf bedenken", terwijl we weten dat dit heel erg goed
werkt. Investeer daar nou in, want dat is een manier waarop we die
sociale problematiek enorm goed kunnen aanpakken.
Dan nog een tip over het gesprek met SZW over de kinderopvang: dit zorgt
er juist voor dat mensen aan het werk gaan. Als ik namelijk één ding
hoor vanuit die gebieden, is het moeders die zeggen: ik wil wel aan het
werk, maar hoe moet dat dan met mijn kinderen? Er is dus een gebrek aan
kinderopvang. Ik hoop dus echt dat u daar goed het gesprek over voert
met SZW, zodat wij die kinderopvang gratis in die gebieden gaan
aanbieden. We weten inmiddels dat het gewoon ontzettend helpt voor de
ontwikkeling van kinderen. Het zorgt er ook nog eens een keer voor dat
er rust komt in de huishoudens en dat mensen aan het werk kunnen.
Tot slot. Ik was net vergeten om een heel belangrijk punt te maken over
kraamzorg.
De voorzitter:
Heel kort dan, want u bent al ruimschoots over uw tijd in de tweede
termijn heen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter, voor deze coulance. We zien dat er in deze
gebieden heel weinig kraamzorg wordt afgenomen, veel minder dan in
andere gebieden, terwijl een goede start juist zo belangrijk is voor
deze gezinnen om verder te kunnen komen. Zou de minister aandacht willen
geven aan de kraamzorg? Ik zie dat namelijk helemaal niet in de
rapportage terug. Maar het begint echt bij de start. Mensen nemen
helemaal geen kraamzorg als gevolg van de hoge eigen bijdrage of alleen
maar het minimumaantal uren. Dan weet je eigenlijk al dat een kind met
een achterstand begint en dat het heel lastig wordt om die in te
lopen.
Ik ben blij met het tweeminutendebat, want wij zullen ook met
voorstellen hierover komen.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Grinwis van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de minister voor de beantwoording
en voor de toezeggingen, onder meer om ook te kijken naar de bundeling
van alle verschillende potjes in de gebieden. Op die manier wordt het
een beetje eenvoudiger.
Voorzitter. Ik verwacht geen wonderen van het Nationaal Programma
Leefbaarheid en Veiligheid. Het is als hozen op een schip vol met
leefbaarheidsgaten. Dat moeten we wel beseffen. Als we proberen om
ik-weet-niet-wat-voor kwantitatieve, in data uit te drukken
verbeteringen na te streven, zal dat echt heel moeilijk worden. Ik weet
wel dat deze wijken zienderogen verder zouden afglijden als we dit
programma niet zouden hebben. Ik hoop dat dit programma de inzet is. Ik
heb die missie en het vertrouwen ook wel geproefd bij de minister. Het
programma kan eraan bijdragen dat mensen zich weer een beetje thuis
voelen in hun wijk, omdat het er leefbaar en veilig is. Dan kunnen ze
tot bloei komen en hopen dat hun kinderen daar later kunnen en willen
blijven wonen.
Als dat zo is, dan hebben we het volgens mij goed gedaan met elkaar. Dat
is misschien geen hooggespannen verwachting. Tegelijkertijd is het
echter veel moeilijker dan we hier in Den Haag zomaar door willen en
kunnen hebben, omdat het in de praktijk echt soms ploegen op rotsen is.
Laten we in ieder geval proberen om dat makkelijker te maken, zodat het
ploegen op goede grond wordt. Ik zie hier de diverse directeuren zitten
die zich daar enorm voor inspannen. Ik hoop dat zij het kunnen volhouden
en dat ze zich gesteund weten door onze Kamer en door deze
minister.
Voorzitter. In verband met de collectieve aanpak kom ik morgen bij het
tweeminutendebat over het Klimaatakkoord gebouwde omgeving nog met een
motie om de boel een zetje te geven en wat aan te scherpen. Dat hoef ik
dus niet in tweede termijn uit te discussiëren met de minister, want dat
komt morgen wel.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de minister. Heeft zij nog wat tijd
nodig?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Als ik vijf minuten mag, dan graag.
De voorzitter:
Ja, dat kan. Dan zijn we hier om 16.40 uur terug voor de beantwoording
van de laatste vragen.
De vergadering wordt van 16.33 uur tot 16.38 uur geschorst.
De voorzitter:
De minister is sneller terug dan aangekondigd en de leden zijn allemaal
nog aanwezig, dus ik stel voor dat we doorgaan met de tweede termijn van
de minister. Het woord is aan de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de vraag van de heer Grinwis over
de energiearmoede bij woningcorporaties. Ik zou nog terugkomen op de
aantallen. Dat is misschien bruikbaar voor morgen. In het afgelopen jaar
zijn er ruim 8.000 sociale huurwoningen in energieprestaties verbeterd.
De cijfers en de omvang van de problematiek worden in kaart gebracht, om
een passende aanpak hierop te matchen. Daarin kunnen we wat mij betreft
niet ambitieus genoeg zijn. Ik zeg u toe dat u voor de zomer van mij een
brief krijgt. Daarin staat dan ook het Nationaal Isolatie Offensief,
zoals in het coalitieakkoord is afgesproken, nader geduid. Dit neem ik
daar gelijk in mee.
Dan de vraag van mevrouw Steen over de NOVEX-gebieden en het NPLV. De
NOVEX-gebieden zijn, denk ik, de woondealregio's. Bij het sluiten van de
woondeals in 2020 hebben gemeenten, naast de afspraken over nieuwbouw,
ook gebieden genoemd met grote leefbaarheidsvraagstukken. Dat zijn de
NPLV-gebieden geworden. Daar zijn later, met behulp van de
Leefbaarometer en met het oog op regionale spreiding, nog een aantal
gebieden aan toegevoegd. Primair zetten gebieden in op gemengde,
leefbare en veilige wijken door integrale gebiedsplannen, het realiseren
van voorzieningen en het mengen van de woningvoorraad. De brede,
integrale aanpak, die juist de stapeling van problemen moet voorkomen,
is hierin de kern. Ook breder in de huidige woningbouwopgave gebruiken
we deze integrale aanpak. Met de Taskforce Versnelling Woningbouw wil
dit kabinet er samen met de gemeenten voor zorgdragen dat ook nieuwe
woningbouwgebieden voldoende voorzieningen hebben.
Dan de vraag van mevrouw Moorman over onderwijs. Ik ben blijkbaar
onvoldoende enthousiast uit mijn woorden gekomen over de familieschool,
want dat ben ik wél. Ik ben alleen een beetje zoekende naar wat ik daar
zelf over kan zeggen. Ik heb dus tegen u gezegd, mevrouw Moorman, dat ik
erover in gesprek zal blijven met OCW. Misschien is het goede nieuws als
antwoord op uw vraag dat de brugfunctionaris niet wordt gekort. De
regeling gaat juist over naar een structurele bekostiging, samen met de
subsidieregeling voor schoolmaaltijden en de subsidieregeling School
& Omgeving.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dat verbaast me. In de suppletoire begroting die we net hebben gekregen,
staat voor volgend jaar namelijk een korting van 19 miljoen. Is dat dan
omdat het wordt omgezet in een structurele bekostiging? Hoe moet ik dat
lezen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp uw vraag, mevrouw Moorman, maar ik heb dat antwoord gewoon
niet voor u. Ik ga zorgen dat ik dat antwoord heb. Ik zal zorgen dat u
dat dan van mij ontvangt. Dat doe ik zo snel mogelijk. Is dat voldoende?
Ja, zie ik.
Dan de vraag van mevrouw Moorman over de gezondheid en de gratis
kraamzorg. De eigen bijdrage in de kraamzorg is de
beleidsverantwoordelijkheid van de minister van VWS. Mijn collega heeft
aangegeven dat zij bereid is om te kijken hoe regionale aanpakken
verzameld kunnen worden en op landelijke tafels kunnen worden gebracht.
Op deze manier wordt de kennis hierover breder verspreid en kunnen
verschillende partijen en regio's door elkaar inspiratie opdoen en van
elkaar leren. De stap naar één wijkgerichte aanpak wordt nog niet gezet,
omdat het specifieke vraagstuk nog best weleens verschillend kan zijn
per regio.
De voorzitter:
Zijn er nog resterende vragen? Mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Heel kort dan. Ik zou heel graag zien hoe in deze NPLV-gebieden het
gebruik van kraamzorg is. Dat helpt ons om te kijken of we daar extra
inzet op moeten plegen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is goed. Dat gaan we gewoon bij de gebieden uitvragen. Ik kom met
een beeld terug.
Voorzitter. Ik heb nog twee vragen openstaan. De eerste is van mevrouw
Steen en gaat over de verstedelijkingsgebieden en de M50. Samenwerking
op alle terreinen en alle departementen, medeoverheden en corporaties:
we gaan kritisch volgen dat het zo blijft gaan. Dat is namelijk de
kritische sleutel tot succes. Ik heb nog zorgen over de M50-gemeenten
die uitbreiden. Daar moeten we inderdaad, zoals u zegt, bovenop zitten.
Ik kan toezeggen dat ik hierover bij de Staat van de Volkshuisvesting
kan rapporteren.
O, dan zijn er nog twee vragen over, sorry. De laatste twee vragen zijn
van mevrouw Moorman. O nee, deze heb ik al gehad. Deze heb ik ook al
gehad. Dan vroeg mevrouw Moorman nog iets over de aanpak van
energiearmoede bij de corporatiewoningen. We streven naar zo concreet
mogelijke doelen voor de isolatie van woningen. We proberen hier
afspraken over te maken met de gebieden en de gemeenten. Ik wil dat
laten landen in de bestuurlijke afspraken die we daarover maken.
Dat was 'm.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt me bijna tot het einde van dit debat. Ik ga nog
even de toezeggingen voorlezen.
Bij de volgende evaluatie van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek zal de minister uiteenzetten welke artikelen specifiek in welke wijken worden gebruikt. Dat is een toezegging aan mevrouw Moorman.
Ik wil van de minister nog even weten wanneer die rapportage er
komt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer. Ik zal het bij meerdere toezeggingen nog even vragen,
omdat ik verzuimd heb dat te vragen op het moment dat u de toezeggingen
deed.
De minister zal bezien hoe zij binnen de bestaande structuren ervoor gaat zorgen dat gemeenten buiten de twintig NPLV-gebieden ook kunnen profiteren van kennisuitwisseling en best practices. Zodra daar duidelijkheid over is, informeert de minister de Kamer. Dat is een toezegging aan mevrouw Wiersma.
Komt die ook voor de zomer?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, die komt ook voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer.
De minister zal bezien hoe aan de informatiebehoefte van meerdere leden om inzicht te krijgen in de resultaten van de verschillende NPLV-gebieden laagdrempelig tegemoetgekomen kan worden.
Wanneer?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer.
Voor de zomer zal de minister de Kamer informeren over wat er nodig is om budgetten per gebied te bundelen. Dit is een toezegging aan de heer Grinwis.
De minister gaat in gesprek met haar collega van SZW over afname van kinderopvanglocaties in NPLV-gebieden naar aanleiding van het signaal van mevrouw Moorman over Utrecht Overvecht.
Wanneer informeert zij de Kamer hierover?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Zij informeert de Kamer dus voor de zomer over de vraag of er in die
gebieden eventueel gratis kinderopvang kan worden aangeboden.
In de richting van de heer Nobel heeft de minister toegezegd de Kamer te informeren over hoe de goede voorbeelden en resultaten extra aandacht kunnen krijgen.
In de richting van het lid Van Asten zegt de minister toe dat zij met haar collega van VWS in gesprek zal gaan over de aanpak om in de NPLV-gebieden de vaccinatiegraad te verhogen.
Gebeurt dat ook voor de zomer?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voor allebei geldt dat dit voor de zomer gebeurt. Het zal ook echt nog
wel daarvóór zijn.
De heer Nobel (VVD):
Volgens mij was de toezegging iets scherper, namelijk dat de
NPLV-gebieden die het goed hebben gedaan als uitgangspunt genomen zouden
worden voor andere NPLV-wijken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Bedoelen we dan allebei dat het, naar analogie van de rolmodellen, gaat
over de vraag hoe dit effectief kan zijn? Je kan natuurlijk niet het
succes van het ene gebied zomaar op het andere projecteren, want het is
contextafhankelijk. Maar als u dat ermee bedoelt, dan zeg ik dat
inderdaad zo toe.
De heer Nobel (VVD):
Ja. In het debat ging het ook over de beleidsmatige interventies die die
NPLV-gebieden hadden gedaan.
De voorzitter:
Voor de zomer ontvangt de Kamer een brief over de aanpak voor het Isolatie Offensief ten aanzien van de corporatiewoningen. Dat is een toezegging aan de heer Grinwis.
De minister informeert de Kamer schriftelijk naar aanleiding van de vragen van mevrouw Moorman over een bezuiniging van 19 miljoen op de brugfunctionarissen.
Wanneer?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Heel snel.
De voorzitter:
Binnen twee weken?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, binnen twee weken. Dank u wel.
De voorzitter:
Bij de volgende Staat van de Volkshuisvesting volgt een reactie op de kraamzorgvraag van mevrouw Moorman.
Dat zijn de toezeggingen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ging de toezegging over het Isolatie Offensief alleen over
corporatiewoningen, of ging die ook over andere woningen in de
NPLV-wijken? Ik dacht namelijk dat die breder was, maar de minister weet
zelf vast beter wat ze heeft toegezegd.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het was een toezegging op corporaties, maar ik kan er best breder naar
kijken.
De voorzitter:
Ik zie tevreden geknik van de Kamerleden. Er is een tweeminutendebat
aangevraagd door de heer Nobel van de VVD.
Daarmee komen we aan het einde van dit debat. Dank aan de minister voor
de beantwoording. Dank aan de Kamer voor de goede vragen. Dank aan de
ondersteuning.
Hiermee sluit ik de vergadering.
Sluiting 16.48 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|