Conceptverslag Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D17889, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-15 13:40, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-09 10:00: Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid (Commissiedebat), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (š origineel)
Tweede Kamer, Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 9 april 2026 overleg gevoerd met de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over:
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 11 december 2025 inzake voortgang aanpak verward/onbegrepen gedrag (25424, nr. 772);
de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025 inzake voortgang Werkagenda Aansluiting forensische zorg en reguliere zorg (33628, nr. 112);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 december 2025 inzake rapport "Klem in het systeem" van het Toezicht Sociaal Domein (34477, nr. 93);
de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 april 2026 inzake kabinetsreactie op rapport "Klem in het systeem" van het Toezicht Sociaal Domein (34477, nr. 94).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Mohandis
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Jagtenberg
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Burger
Voorzitter: Van der Plas
Griffier: Van Tilburg
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Coenradie, Diederik van Dijk, Ten Hove, Mathlouti, Van der Plas, Straatman, Struijs, Wendel en Westerveld,
en de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen allemaal, en welkom bij dit commissiedebat over verward en
onbegrepen gedrag. Ik wil de bewindspersonen van harte welkom heten. We
hebben maar liefst vier bewindspersonen in deze Kamer vandaag. Dat is
best wel uniek, maar dat komt ook doordat dit een onderwerp is dat veel
domeinen raakt. Ik wil de minister van Binnenlandse Zaken, de heer
Heerma, de minister van Volksgezondheid, mevrouw Hermans, de minister
van Langdurige Zorg, mevrouw Sterk, en de minister van Justitie en
Veiligheid, de heer Van Weel, van harte welkom heten bij dit debat. We
hebben tot 13.00 uur vanmiddag. Dat zijn drie uurtjes. Welkom ook aan de
leden: mevrouw Westerveld namens GroenLinks, mevrouw Coenradie namens
JA21, mevrouw Straatman namens het CDA, mevrouw Wendel namens de VVD,
mevrouw Ten Hove namens de Groep Markuszower, de heer Struijs namens
50PLUS, de heer Van Dijk namens de SGP en de heer ā sorry, ik moet heel
even kijken ā Mathlouti namens D66. We hebben elkaar al vaker gezien,
maar het is altijd nog even wennen met de nieuwe gezichten.
Het is vandaag 9 april. Ik wil toch even kort in herinnering brengen dat
het vandaag precies vijftien jaar geleden is dat er in winkelcentrum De
Ridderhof een afschuwelijke schietpartij was waarbij er zeven mensen
omkwamen, onder wie de dader. Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om
de nabestaanden en de slachtoffers heel veel sterkte te wensen op deze
dag, want het heeft diepe sporen achtergelaten en dat doet het nog
steeds.
Dat gezegd hebbende: we hebben vier minuten spreektijd. Omdat we kort de
tijd hebben, wil ik de interrupties in de eerste termijn van de Kamer
beperken tot twee. We willen namelijk ook graag een debat voeren met de
bewindspersonen. Mochten we goed in de tijd zitten, dan kan ik altijd
coulant zijn als u echt nog een hele prangende vraag aan elkaar
heeft.
Ik wil ook de mensen op de tribune van harte welkom heten en de mensen
thuis die het debat via de livestream volgen. Ik geef graag het woord
aan mevrouw Westerveld namens GroenLinks.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Eens in de zoveel tijd ā u refereerde er al aan
ā worden we opgeschrikt door afschuwelijke gebeurtenissen: een man die
met het hoofd van zijn moeder in de kofferbak rijdt, iemand die zijn
partner doodsteekt, of kijk naar de documentaire De Instagram moord over
de 21-jarige Bouchra die in een psychose haar zus om het leven bracht.
Dat zijn allemaal nare situaties met immens leed voor de nabestaanden en
voor mensen zelf, ook voordat het misgaat. Ik had niet zo heel lang
geleden een jongeman van in de twintig aan de telefoon, een student nog,
die zich enorme zorgen maakte over zijn broer. Hij zei tegen mij: mijn
broer gaat mijn vader of mijn moeder wat aandoen en dan grijpt er
helemaal niemand in totdat het misgaat. Dat is symptomatisch voor hoe
het gebeurt. Want bij incidenten staan we allemaal te roepen, soms aan
de interruptiemicrofoon: we vinden het allemaal heel erg. Maar daarna is
het vaak stil en krijgt het onderwerp nauwelijks aandacht. Mijn
belangrijkste vraag vandaag is waarom we allemaal zien dat het steeds
slechter gaat en dat ingrijpen nodig is, maar dat niet gebeurt.
We weten dat er een enorme, groeiende groep mensen is met meerdere
problemen, mensen die niet bij de opvang passen, niet bij beschermd
wonen en vaak ook niet bij de reguliere zorg. Wat begint als een
zorgvraag, eindigt dan vaak als een veiligheidsvraagstuk. De politie
kreeg vorig jaar 150.000 meldingen. Zo'n melding deed ik ook eens. Het
was na een laat Kamerdebat. Een man die overduidelijk verward was, zat
in de stromende regen in een rolstoel in Nijmegen. Toen belde ik de
politie. De politie belde de ggz, maar daar was geen plek. Dan zit je
wel met elkaar met een groot probleem. Het erge is: dit komt natuurlijk
niet uit de lucht vallen. Collega's Mutluer en Michon hebben in juli
2024 een parlementaire verkenning uitgevoerd. Daaruit kwam een rapport
met een aantal glasheldere aanbevelingen. In diezelfde maand steunde de
volledige Kamer onze motie met het verzoek om een noodplan te maken voor
mensen met ggz-problematiek die niet passen in de reguliere
maatschappelijke opvang. Een Kamermeerderheid steunde ook de
motie-Mutluer c.s. waarmee werd gezegd: "Zorg moet leidend zijn en de
politie moet worden ontlast. Agenten zouden het allerlaatste vangnet
moeten zijn als het echt niet anders kan."
Voorzitter. Mijn vragen. Hoeveel prioriteit krijgt het aanpakken van de
aanbevelingen uit het rapport van dit kabinet? In het regeerakkoord lees
ik dat de aanbevelingen uit de verkenning worden meegenomen. Ik lees dus
weer dat er gefocust wordt op veiligheid. Maar waarom staat hier niet
dat de aanbevelingen worden uitgevoerd? Waarom ligt de focus niet op
zorg in plaats van op veiligheid? Waarom lees ik te weinig over passende
woonplekken voor deze groep, zoals ook onze motie van twee jaar geleden
vraagt? Wat is precies de ambitie? Hoe gaat de regering bemoeizorg meer
inzetten als er tegelijkertijd wordt bezuinigd op de zorg? Waarom denkt
ook dit kabinet dat we het afkunnen met een jaarlijkse rapportage in
plaats van een halfjaarlijkse rapportage, waar de Kamer eerst om vroeg?
Pakt het ministerie van Binnenlandse Zaken nu echt de regierol, zoals we
vragen? Wat zijn precies de plannen? Waarom is er nog steeds geen
landelijke structurele financiering voor de levensloopaanpak voor de
relatief kleine groep ā het gaat om 1.500 mensen ā met ernstig en
risicovol gedrag?
Voorzitter. Dit was een heel kritische inbreng, maar er is ook goed
nieuws. Want met voldoende politieke wil kan er worden geĆÆnvesteerd in
preventie en in bemoeizorg. Een paar weken geleden was ik met collega
Mutluer op bezoek bij de Parnassia Groep hier vlakbij. We hadden een
ongelofelijk indrukwekkend gesprek met cliƫnten die te maken hebben met
een psychose en met hun behandelaren. Die cliƫnten vertelden ons dat ze
soms jarenlang niet naar buiten durfden, dat ze allerlei signalen en
opdrachten kregen via stemmen in hun hoofd, maar soms ook via de tv. Ze
vertelden ook hoe vroegtijdige hulp door gespecialiseerde behandelaren
voor hen levensreddend is in de brede zin van het woord. Mijn laatste
vraag aan het kabinet gaat hierover: zijn ze ook bereid om specifiek te
investeren in psychosezorg? Want goede en tijdige hulp redt
mensenlevens.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Dan geef ik het woord aan mevrouw
Coenradie namens JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Op tal van plekken in ons land verloedert het straatbeeld in
rap tempo. Afgelopen maand spraken we al over jongeren die intimideren,
dealen en explosieven afsteken. Vandaag hebben we het over een andere
groep die gemeenten met de handen in het haar laat zitten: verwarde
personen die rondzwerven in onze steden en dorpen. Ik denk dat iedereen
het erover eens is dat deze personen van de straat moeten worden gehaald
en passende hulp nodig hebben. Verwarde personen zorgen namelijk voor
onvoorspelbare situaties in het straatbeeld en daarmee voor
onveiligheid. Die gevoelens van onveiligheid, vaak niet meetbaar in
objectieve cijfers, moeten serieus worden erkend door de politiek en
door dit kabinet. Wat JA21 betreft is de veiligheid op straat altijd het
uitgangspunt, en pas daarna de persoon met verward gedrag. Dat betekent
dat verwarde personen in het belang van de samenleving soms niet direct
terug op straat moeten worden gezet nadat ze zijn opgepakt. Vaak is dit
ook in het belang van de verwarde persoon zelf.
Voorzitter. De situatie is op dit moment te vaak dat een agent een
verwarde persoon oppakt en vervolgens niet weet wat hij of zij ermee
moet. De politiecel is een oplossing voor een nachtje en de ggz zit
propvol, maar er is niet iets strafrechtelijks voorgevallen waardoor het
strafrecht in beeld komt. De agent voelt in ieder geval in iedere vezel
dat het een kwestie van tijd is voordat het echt misgaat: een potentiƫle
tijdbom voor de samenleving en de persoon zelf. We staan erbij en kijken
ernaar, want "de regels".
Dat brengt mij bij een fundamenteler probleem: wie heeft hier eigenlijk
de regie? We zien versnippering over ministeries, wetten en
verantwoordelijkheden, maar geen duidelijke aansturing. Kan het kabinet
vandaag helder maken wie echt over de gehele linie eindverantwoordelijk
is voor deze aanpak en wie knopen doorhakt als het vastloopt? Wat is het
perspectief voor de agent en voor de samenleving als geheel? Welke
oplossingen gaat het kabinet met spoed in gang zetten?
Het is goed dat er wordt gewerkt aan aanpassingen aan de Wet verplichte
ggz en de Wet zorg en dwang, maar we horen vooral dat er wordt verkend
en uitgewerkt en dat dingen worden doorgeschoven naar de volgende brief.
Wanneer zien we nu daadwerkelijk concrete resultaten? Wat is het harde
tijdpad voor het echt oplossen van deze knelpunten? Een belangrijk
onderdeel van het probleem blijft onderbelicht: informatie wordt
simpelweg niet gedeeld. Professionals weten niet wat wel en niet mag,
wetten lopen achter en de praktijk zit klem. Wat gaat het kabinet op
korte termijn doen om ervoor te zorgen dat informatie wel gedeeld kan
worden, zodat eerder kan worden ingegrepen?
Het is echt onbegrijpelijk dat het kabinet het plan heeft om te
bezuinigen op GGZ Wonen. In de brief van 15 december van het vorige
kabinet wordt juist gezegd dat er al een gebrek aan passende woonplekken
is. Hoe valt dit uit te leggen? Hoeveel geld wordt er exact bezuinigd op
GGZ Wonen? Waar landt deze bezuiniging concreet? Zal deze bezuiniging
niet leiden tot nog meer incidenten in het kader van verward gedrag, en
erger: tot meer belasting van de strafrechtketen, van politiecel tot
detentie?
In het verlengde daarvan: de ggz light. We hebben natuurlijk de
Rotterdamse pilot die nu wordt voorbereid naar aanleiding van onze
aangenomen motie. Zijn er al andere grote of kleine gemeenten die zich
bij de minister hebben gemeld om dit uit te rollen?
Voorzitter. Tot slot het huishoudboekje rondom de aanpak van verwarde
personen. De Kamer heeft halverwege vorig jaar om een volledig overzicht
van de financiering gevraagd, maar dat is er nog steeds niet. Dit zorgt
voor een versnipperd beeld. Zo kunnen we ons werk niet goed doen.
Wanneer krijgt de Kamer nou eindelijk een compleet en controleerbaar
overzicht van alle middelen?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Coenradie. We horen op dit moment de startbel van de
dag. Om 10.15 uur begint namelijk het debat in de plenaire zaal. Deze
bel duurt altijd ƩƩn minuut en zorgt ervoor dat mensen uit alle hoeken
en gaten van dit grote gebouw op tijd in de plenaire zaal kunnen zijn.
Niemand kan deze bel missen. Dat zeg ik even ter toelichting.
Ik zie geen interrupties, dus ik geef het woord aan mevrouw Straatman
van het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter, ook voor het volpraten van de Kamerbel. De Kamer
spreekt al jaren over de aanpak van personen met onbegrepen gedrag. Het
is een van de meest complexe vraagstukken van dit moment, onder andere
door de veelheid aan betrokken partijen en de versnippering van het
stelsel. Dat blijkt ook wel uit het aantal bewindspersonen dat vandaag
aanwezig is. Het raakt bijna elk beleidsterrein, maar niemand kan het
alleen oplossen. Onlangs liep ik mee met de politie in Groningen. Bij
zorgmeldingen rijdt daar geen tweede politieagent mee, maar een
sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Dat werkt. Waar de politie eerst
zes tot acht uur kwijt was aan ƩƩn casus, is dat nu ongeveer tweeƫnhalf
uur. Dat laat ook zien wat deze problematiek vraagt van de
politiecapaciteit. Tegelijkertijd staat deze succesvolle pilot op de
tocht door tijdelijke financiering. Dat speelt niet alleen in Groningen,
maar door heel het land. Telkens moet het ei van Columbus opnieuw worden
uitgevonden. Dat roept de vraag op hoe het succes van pilots wordt
gemonitord en wat het stappenplan is na een succesvolle pilot. De
wildgroei aan pilots maakt nog iets anders duidelijk: er is veel
behoefte aan structurele financiering, regie en stabiliteit. Dat volgde
ook uit de aanbevelingen van de parlementaire verkenning. Toch worden
daarin nog steeds te weinig stappen gezet. Waarom, vraag ik de
bewindspersonen. Waarom is er bijvoorbeeld nog steeds geen duidelijkheid
over structurele financiering van de succesvolle Levensloopaanpak en de
Zorg- en Veiligheidshuizen?
Voorzitter. De beperkte spreektijd dwingt mij om me vandaag te beperken
tot drie andere punten. Allereerst de informatiedeling. Door de
versnippering is goede gegevensuitwisseling cruciaal. Onduidelijkheid
over privacywetgeving leidt tot handelingsverlegenheid, terwijl het
vroegtijdig delen van signalen juist escalatie kan voorkomen. Daarom heb
ik de volgende vragen aan de ministers van JenV en VWS.
Allereerst over de Wams. Het is goed dat dit wetgevingstraject loopt en
dat er een compromis is bereikt over het delen van persoonsgegevens door
partijen met een wettelijk beroepsgeheim. Verschillende ketenpartners
hebben echter de zorg uitgesproken dat dit nieuwe wetsvoorstel nog niet
alle knelpunten wegneemt. Zij komen daarom met het voorstel om een
meldrecht op te nemen voor zorgverleners, te gebruiken in heel
bijzondere situaties. Hoe kijken de bewindspersonen naar het voorstel
van een meldrecht?
Ten tweede de Wgs. Een aantal belangrijke partijen ontbreekt nog in dit
samenwerkingsverband, zoals de gehandicaptenzorg en de
woningbouwverenigingen. Welke tijdelijke oplossingen zien de
bewindspersonen op dit moment om gegevensdeling met deze partijen binnen
de Zorg- en Veiligheidshuizen te verbeteren vóór evaluatie van de
Wgs?
Ten derde zie je de problemen rondom gegevensdeling ook bij
crisisplaatsingen buiten de eigen gemeente. Daar ontbreekt het vaak aan
terugkoppeling. Welke verbeterpunten zien de bewindspersonen om dit op
te lossen?
Voorzitter. Dan bemoeizorg. Er zit nu een gat tussen enerzijds autonomie
en anderzijds gedwongen opname. Het CDA gelooft dat bemoeizorg dit gat
deels kan dichten. Mijn collega Tijmstra vroeg eerder, in het ggz-debat,
om een concreet plan van aanpak om bemoeizorg in alle gemeenten in te
regelen. Kan de minister van VWS hier nogmaals op ingaan en toezeggen
met een concreet plan te komen?
Tot slot over de plaatsingsproblematiek, de tekorten aan passende
prikkelarme woonvormen en de slechte doorstroming in de keten van
beschermd wonen. Door maatschappelijke weerstand duren trajecten voor
beschermd wonen of de Skaeve Huse lang. Van de noodzakelijke 1.150
woningen zijn bijvoorbeeld nog maar 150 Skaeve Huse gerealiseerd. Dat is
zorgelijk, want we moeten blijven zoeken naar creatieve oplossingen om
de doorstroom te bewerkstelligen. Daarom mijn volgende vragen, initieel
aan de minister van VRO, maar in haar afwezigheid stel ik die aan de
minister van Binnenlandse Zaken als procesregisseur. Hoe wil de minister
landelijk regie nemen op het huisvestingsvraagstuk voor deze doelgroep?
Welke aanvullende stappen zijn er nodig naast de Wet versterking regie
volkshuisvesting? Welke mogelijkheden ziet de minister voor tijdelijke
huisvesting op locaties in handen van het Rijksvastgoedbedrijf?
Tot slot. Op ggz-instellingsterreinen lijkt soms ruimte voor uitbreiding
van Skaeve Huse. Is de minister in gesprek met ggz-aanbieders om die
mogelijkheden te benutten? Zo niet, hoe kijkt hij hiertegen aan?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik hoor het CDA vragen stellen over de Zorg- en Veiligheidshuizen, de
pilots en een plan van aanpak, en het structurele geld daarvoor. Dat
kost allemaal geld. De Groep Markuszower wil liever kijken naar de
preventieve kant. Dan kom ik toch op de bezuinigingen op de zorg en de
ggz. Ik hoor u over geld praten. Als ik met een motie kom om daar
structureel geld voor vrij te maken en de bezuinigingen te stoppen, vind
ik het CDA dan aan mijn kant?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is, denk ik, te platgeslagen. We hebben vorige week een uitgebreid
ggz-debat gehad. Mijn collega was daarbij en heeft duidelijk uitgelegd
hoe wij naar het vraagstuk kijken. Hij heeft aangegeven dat we de zorg
op de lange termijn betaalbaar moeten houden en dat we op verschillende
terreinen moeten kijken hoe we dat voor elkaar krijgen. Wat ik
terugkrijg uit het veld ā daar valt wat mij betreft een efficiĆ«ntieslag
te maken ā is dat er heel veel met pilots wordt gewerkt. Er zijn ook een
aantal heel succesvolle pilots, bijvoorbeeld in Groningen en in Gouda,
waarin er een ggz-lightsituatie gecreĆ«erd wordt ā dat is eigenlijk het
voorbeeld van mevrouw Coenradie ā en de processen veel efficiĆ«nter
ingericht worden. Maar men loopt ertegen aan dat het telkens tijdelijke
potjes geld zijn. Die stoppen dan en vervolgens wordt elders precies
hetzelfde plan uitgedacht met hetzelfde tijdelijke potje geld. Ik denk
dat dat niet efficiƫnt is. Met diezelfde hoop geld kunnen we onze
middelen veel efficiƫnter inzetten. Dat is dus mijn vraag: hoe kunnen we
dat veel efficiƫnter inrichten? Tegelijkertijd is de vraag, die zojuist
ook werd gesteld door mevrouw Coenradie, hoe we inzichtelijk kunnen
maken hoe we de huidige financiƫle middelen inzetten. Dat is nog veel te
onoverzichtelijk. Zo kunnen we ook moeilijk sturen als Kamer. Ik wil
graag eerst inzicht en dan kijken waar we het beste op kunnen inzetten
om het vooral efficiƫnt in te regelen.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een vervolgvraag. Ik deel de mening van de Groep Markuszower dat
het allemaal beter kan, maar bij dat inzicht hoort ook de return on
investment. Over die goede pilots in Rotterdam en Groningen zegt de
politie: dit gaat ons zo veel werk schelen en dat verdienen we dus ook
terug. Bent u van mening dat als wij nog eens een goed doordacht
overzicht hebben, we dit daarin mee moeten nemen? Bent u van mening dat
investeren in de ambulante zorg bij de ggz ontzettend veel oplevert bij
politie en justitie en in het voorkomen van dingen? Ik wil het CDA ertoe
bewegen dat we het geheel blijven zien en niet op ƩƩn sector gas gaan
geven.
De voorzitter:
Graag via de voorzitter, want de voorzitter heeft geen mening op dit
moment.
De heer Struijs (50PLUS):
Via de voorzitter.
De voorzitter:
"Is mevrouw Straatman van mening ā¦"
Mevrouw Straatman (CDA):
Mevrouw Straatman begrijpt heel goed wat de heer Struijs zegt. Je moet
dit in het geheel bekijken. De situatie bij de politie is voor een groot
deel ontstaan omdat het zorgstelsel niet op orde is. Daardoor komen er
veel te veel zorgvragen bij de politie terecht. Dat betekent dat we ons
ggz-stelsel niet goed hebben ingericht. Daar zullen we naar moeten
kijken. Betekent dat meteen dat er geld bij moet? Ik denk niet dat dat
een-op-een zo is. Ik denk dat we het stelsel gewoon veel efficiƫnter
moeten inregelen. Ik heb zojuist het voorbeeld van de pilots genoemd.
Denk ook aan het wettelijk inregelen van bemoeizorg. Het begint bij
inzicht krijgen in waar welk geld naartoe gaat en waar de prioriteiten
liggen, vandaar mijn vraag en de eerder gestelde vragen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Wendel namens de
VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Voordat ik in oktober Kamerlid werd, werkte ik in de
openbare orde en veiligheid. Ik wilde dit werk doen omdat ik de
georganiseerde misdaad wilde aanpakken, omdat ik drugshandel wilde
tegengaan, omdat ik er simpelweg voor wilde zorgen dat we ons allemaal
veilig kunnen voelen, zowel thuis als achter de voordeur. Deze
verwachting werd deels waargemaakt, maar al gauw merkte ik dat ik heel
veel tijd kwijt was aan mensen met onbegrepen gedrag, in plaats van aan
het tegengaan van de georganiseerde misdaad. Dit geldt in nog veel
grotere mate voor onze politieagenten. Het is eerder regel dan
uitzondering dat de politie vier keer op een avond bij dezelfde persoon
voor de deur staat, bij iemand die volledig in de knoop zit, in een
woonwijk waar ouders hun kinderen niet meer alleen naar buiten durven te
laten gaan en de een na de ander gaat verhuizen omdat het er simpelweg
niet meer leefbaar is, omdat het veiligheidsgevoel van mensen volledig
verdwenen is. Die tijd kan de politie niet besteden aan het aanpakken
van de georganiseerde misdaad of het pakken van winkeldieven.
Voorzitter. Het is van belang dat we aan de slag gaan met mensen met
onbegrepen gedrag. Daarmee helpen we in de eerste plaats de mensen die
deze hulp heel hard nodig hebben. Tegelijkertijd ontlasten we de politie
en herstellen we de leefbaarheid in de wijken. Zoals u weet, ondersteunt
de VVD alle aanbevelingen uit de parlementaire verkenning. Mijn partij
zal het kabinet ook aan deze afspraken houden. Vandaag wil ik stilstaan
bij drie specifieke punten, namelijk goede coƶrdinatie, het splitsen van
E33-meldingen bij de politie en tot slot het vaker inzetten van
bemoeizorg.
Allereerst de goede coƶrdinatie en structuur. Verantwoordelijkheid voor
personen met onbegrepen gedrag is versnipperd tussen lokale, regionale
en landelijke bevoegdheden. Goede regie is essentieel. Dat is trouwens
ook een van de hoofdaanbevelingen van de parlementaire verkenning. Vorig
jaar is naar aanleiding van deze verkenning gesproken over de
mogelijkheid om de minister van BZK probleemeigenaar te maken vanuit het
kabinet. Welke stappen zijn hier sindsdien op gezet en welke
verbeteringen heeft dit opgeleverd in de landelijke aansturing?
Dan de meldingen bij de politie. Door het splitsen van de E33-meldingen
zorgen we voor beter inzicht in wanneer de politie daadwerkelijk nodig
is en wanneer andere vormen van hulp passender zijn. Begin 2026 zou er
meer duidelijkheid komen over de mogelijkheden van nieuwe werkafspraken
hieromtrent. Kan de minister hier al meer duidelijkheid over geven? Zo
niet, wanneer kunnen we de resultaten dan wel verwachten?
Voorzitter. Dan bemoeizorg. De VVD is van mening dat mensen met
onbegrepen gedrag veel te veel politiecapaciteit kosten. Het liefst
zorgen we natuurlijk dat we mensen op vrijwillige basis kunnen helpen,
maar wanneer dit niet lukt, moet wat ons betreft vaker bemoeizorg worden
toegepast. De VVD wil voorkomen dat mensen eerst een strafrechtelijke
overtreding moeten begaan voordat ze onder dwang geholpen kunnen worden.
Daarnaast wil de VVD verkennen welke mogelijkheden er zijn tot het
opleggen van gedragsaanwijzingen door de burgemeester. Welke drempels
zijn er om deze daadwerkelijk in te zetten, en hoe kunnen deze drempels
weggenomen worden, vraag ik aan de minister.
Voorzitter, tot slot. Mensen met onbegrepen gedrag moeten passende hulp
krijgen. Zo helpen we die persoon, ontlasten we de politie en herstellen
we het veiligheidsgevoel van al onze inwoners in die wijken. Ik wil de
minister vragen om een tijdlijn. Wanneer kunnen we uitvoering van welke
aanbeveling van de parlementaire verkenning verwachten? Ik wil de
minister toch nogmaals vragen hierover halfjaarlijks, en niet jaarlijks,
te rapporteren. Zo kunnen wij als Kamer actief onze controlerende taak
vervullen en zorgen we voor een veiliger Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Wendel. Ik zie geen interrupties. O, mevrouw
Westerveld heeft wel een interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook hier is eigenlijk de vraag: hoe dan? Ik ben het helemaal eens met
meer bemoeizorg en meer passende zorg. Dat is allemaal hartstikke goed;
dat moeten we vooral doen. In het coalitieakkoord staat ook dat de
aanbevelingen van de parlementaire verkenning worden meegenomen, maar ik
lees nergens hoe dan. Dat staat niet in het coalitieakkoord en ook niet
in de financiƫle doorrekening daarvan. Er wordt bezuinigd op de ggz. Wat
gaat de VVD dan doen om te zorgen dat de aanbevelingen van de verkenning
worden nageleefd?
Mevrouw Wendel (VVD):
Er zitten hier vandaag vier bewindspersonen die zich hiermee
bezighouden. Dat laat volgens mij de betrokkenheid zien, maar ook hoe
versnipperd het is over de verschillende ministeries. Daarom ben ik in
mijn spreektekst ingegaan op de regie die mijn fractie verwacht van de
minister van BZK. Dat geldt wat mij betreft niet alleen voor het proces.
Dat geldt ook voor de vraag: welk geld is waarvoor en hoe zetten we dat
zo effectief en efficiƫnt mogelijk in om mensen met onbegrepen gedrag,
en dus ook hun omgeving, te helpen?
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Welk geld is waarvoor? De vraag is: welk geld? Dat geld is er namelijk
niet. Dat is niet geregeld. Sterker nog, er wordt fors bezuinigd op de
ggz. Ik zie bijvoorbeeld ook geen extra geld voor daklozenopvang. De
vraag is hoe de VVD dan gaat zorgen dat de aanbevelingen worden
nagekomen. Dat is namelijk wel wat ik mevrouw Wendel hoorde zeggen. Ik
hoorde haar allemaal goede dingen zeggen over bemoeizorg, passende zorg,
enzovoort, maar de vraag is echt: hoe dan? Volgens mij is dat het grote
probleem. We zien allemaal dat er iets moet gebeuren, maar als puntje
bij paaltje komt, wordt het niet concreet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik deel met mevrouw Westerveld dat het concreter moet worden hoe die
financiering wordt ingericht. Daarom vraag ik de minister van BZK hoe
het zit met al die verschillende potjes en hoe het bij elkaar komt tot
ƩƩn integrale aanpak. Om specifiek in te gaan op de ggz, zeg ik het
volgende. Ik heb met onder anderen mevrouw Westerveld vorige week
uitgebreid het debat hierover gevoerd. Toen hebben we ook onze ideeƫn
gedeeld over hoe wij willen zorgen voor een verbetering ten aanzien van
de steeds maar stijgende kosten van de ggz, die juist niet leiden tot
verbetering, terwijl er nog steeds enorme wachtlijsten zijn. Ik denk
niet dat we dat opnieuw moeten doen.
Daar wil ik het graag bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Ten Hove van de Groep
Markuszower.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we een veelkoppig monster, een
probleem van ons allemaal. De brede afvaardiging hier laat zien dat dit
eindelijk ook wordt erkend. Verward en onbegrepen gedrag vraagt namelijk
om een gezamenlijke interdepartementale aanpak. Groep Markuszower vindt
dat politie en hulpverleners ontlast moeten worden, zodat ze zich op
andere taken kunnen richten. Veel verward gedrag komt voort uit oorzaken
elders, zoals huisvesting. Het kabinet schrijft zelf dat de keten van
woningen en zorgplekken vastzit en dat initiatieven zoals de Skaeve Huse
maar mondjesmaat van de grond komen. Hetzelfde geldt voor passende
woonvormen voor jongvolwassenen die uit de beschermde jeugdzorg
uitstromen vanwege het bereiken van de volwassen leeftijd. Welke
oplossing heeft dit kabinet om het aantal passende plekken te vergroten?
Huisvesting mag dan wel een lokale verantwoordelijkheid zijn, gemeenten
krijgen die verantwoordelijkheden. Zij krijgen de sleutel terwijl alles
letterlijk op slot zit: te weinig financiƫle middelen, stikstofregels en
de Spreidingswet die hen ondertussen tot extra taken dwingt. Gemeenten
zitten klem. Hoe moeten ze deze onmogelijke taak uitvoeren?
In de Wzd, de Wet zorg en dwang, en de Wvggz, de Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg, staat dat dwang in de zorg niet mag,
behalve als het echt nodig is. De wet is in de dagelijkse praktijk
moeilijk uitvoerbaar voor professionals. Veel zorgorganisaties worstelen
met het opendeurenbeleid. Welk risico is hierbij acceptabel? Welke rol
speelt deze wet in het verward en onbegrepen gedrag op straat? De
beroepsgroepen juichen van harte toe dat deze twee wetten meer op elkaar
worden afgestemd, specifiek de crisismaatregel en de ibs. Dit zijn de
twee manieren waarop een verward persoon in een instelling opgenomen zou
kunnen worden. Op dit moment bepaalt de voorliggende ziekte,
bijvoorbeeld psychiatrie of dementie, welke wet voorliggend is. In de
praktijk is dat soms echt giswerk, want dit vergt gedegen onderzoeken.
Een patiƫnt met een Wvggz-maatregel mag niet in een Wzd-instelling en
vice versa. Ook de procedures verschillen sterk. Daarbij is een
crisismaatregel een stuk complexer dan een ibs. Versenso, de vereniging
van specialisten ouderengeneeskunde, heeft mooie suggesties opgesteld
voor hoe dit beter kan. Is de minister op de hoogte van deze suggesties?
Neemt ze die mee in de uitvoering?
Onlangs heb ik in het commissiedebat over ggz en suĆÆcide gevraagd naar
de impact van asielzoekers, statushouders en mensen uit OekraĆÆne op de
wachtlijsten en überhaupt op de ggz. Deze vraag is niet beantwoord en ik
ben oprecht benieuwd welk effect deze groepen hebben op de ggz en de
wachtlijsten. Weten we het niet of willen we het niet weten? Vandaag
krijg ik hierop graag een antwoord.
In Nederland verblijven daarnaast nog steeds illegalen die tbs-plekken
bezet houden. Om hoeveel van deze plekken gaat dit landelijk? Wat wordt
eraan gedaan om dit te stoppen? Is het kabinet het met mij eens dat dit
ook een van de oorzaken is voor de verstopping van de ggz-keten? Indien
dat niet het geval is, krijg ik daar graag een uitleg bij.
Nergens in de beleidsstukken wordt er gerept over de nieuwkomers in ons
land en de ellende en trauma's die zij mogelijk meenemen de straat op.
Ook over drugsproblematiek wordt nauwelijks gerept, terwijl deze wel
degelijk bijdraagt aan de onrust op straat. Afgelopen week was er sprake
van een dieptepunt: voor het eerst in de geschiedenis wordt de
Nederlandse Staat aansprakelijk gesteld voor de wachtlijsten in de ggz.
Graag een reactie van het kabinet.
Groep Markuszower vindt dat we moeten stoppen met symptoombestrijding en
dat we het probleem moeten aanpakken bij de bron.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Dan geef ik het woord aan de heer
Struijs van 50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. Ik neem u even mee in de casus van de moord op Rens.
Rens werd in zijn woning doodgestoken en zijn huisgenoot raakte
zwaargewond. De dader ā ik baseer mij op openbare bronnen, zeg ik er
voor de duidelijkheid bij ā was zeer bekend bij niet alleen de politie,
maar ook de GGD, de reclassering, Veilig Thuis en de woningcorporatie.
Hij had een strafblad, had psychische problemen en kreeg vlak voor de
moord steeds meer waangedachten. In het laatste jaar waren er meer dan
70 meldingen over hem. Elke keer was het hetzelfde: de politie kwam en
nam hem mee, de ggz zei "we hebben niks" en dan ging hij weer de straat
op. Uiteindelijk leidde dat tot dit verschrikkelijke misdrijf in
Amsterdam-West. Deze hele zaak ā ik heb 'm op openbare bronnen bekeken ā
laat zien waar we nu middenin zitten. Het zijn niet alleen de excessen
die we hier bespreken. Het is een heel falend systeem, waarin iedereen
toch een beetje langs elkaar heen werkt, met zeer goede intenties; dat
wil ik wel gezegd hebben. Bij verward gedrag zie ik zorgmijding,
gebrekkige gegevensdeling en gebrek aan regie in heel veel rapporten
terugkomen, niet alleen in de zaak van Rens, maar in alle
inspectierapporten.
Ondertussen wordt het probleem groter. Mensen in de ambulance en bij de
politie melden mij dat de toename echt verschrikkelijk is, omdat er
steeds meer wordt bezuinigd, maar ook omdat er nieuwe gevallen van
verward gedrag zijn. Mag ik u wijzen op mensen met dementie of
alzheimer, die langer thuis worden verzorgd? Hierdoor hebben we nu de
eerste drie doodslagen, omdat directe zorg af en toe niet geleverd kon
worden. In z'n dementie heeft een man zijn partner vermoord in een
recente zaak in de buurt van Utrecht. Daarbij deed de rechter nogmaals
een appel op ons allen hier: hier moeten we aan de voorkant iets mee
doen. Ik ga geen opsomming van alles geven, maar dat komt er ook nog
bij: door een tekort aan zorg geven we mensen langer thuis zorg,
waardoor er ook excessen ontstaan. De afbouw van ambulante ggz-zorg
bestrijkt dus een heel breed palet. Er is een opeenstapeling.
De Woningwet is nog steeds niet op orde. Woningcorporaties geven aan dat
ze van Groningen tot Rotterdam tot Heerlen mensen met verward gedrag in
een sociale huurwoning hebben, die de buurt terroriseren. Elke keer komt
de politie om het maar weer te sussen. De ggz, als die er al is, zegt:
we hebben geen plek, dus laat 'm hier maar wonen. Zo escaleert het door.
De onveiligheid van de omwonenden is enorm toegenomen, meldt de politie
mij. Met die 150.000-plus meldingen ā dat aantal loopt namelijk op ā
gaan we volgend jaar weer naar een nieuw record, volgens de politie. Ik
zou heel graag met geĆÆntegreerd beleid een ombuiging willen zien. Maar
terug naar de Woningwet: wanneer kan de Kamer een wijziging van de
Woningwet tegemoetzien, zodat woningcorporaties wel degelijk informatie
kunnen uitwisselen met diverse instanties om tot adequate interventies
te komen?
Er is structurele overbelasting bij de politie. De politie zegt: als je
meer investeert in ggz, zoals in de pilots in Rotterdam en Den Haag,
ontlast ons dat. Neem dat mee in al die berekeningen, want het wordt nog
weleens te mathematisch aangepakt. We zien dat er een stapeling is van
losstaande, goedwillende initiatieven. Ik vond het echt een hele sterke
stand-van-zakenaanbeveling van de parlementaire verkenning, maar ik
sluit me aan bij degenen die vragen: hoe dan? Elke investering in geld
die je hierin doet, betaalt zich aan de achterkant uit. Durven wij te
investeren?
Een tweede punt is, en dat geldt ook hier: wie voert nou de regie vanuit
de ministeries? Wat ons betreft is dat BZK, maar we hebben een
doortastende minister met mandaat nodig die namens de regering op alle
terreinen gas gaat geven, en wel zo snel mogelijk.
Hier laat ik het even bij, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie ook geen interrupties op uw betoog. Dan geef ik het
woord aan de heer Van Dijk van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik doe mijn bijdrage mede namens de
ChristenUnie.
Voorzitter. De wereld waarin we leven is complex en kent een hoop
misĆØre. Zelfs mensen zonder breekbare psyche kunnen hierdoor worden
overweldigd; dat is niet vreemd. Voor de SGP en de ChristenUnie geldt
dat we kwetsbare mensen niet laten vallen en dat we verantwoordelijkheid
dragen voor de veiligheid en leefbaarheid in onze wijken. Als we
terugkijken, zien we dat verregaande ambulantisering en
extramuralisering van de ggz, met de forse afbouw van het aantal
klinische bedden vanaf 2025, niet alleen de zorg dichter bij huis heeft
gebracht, maar ook kwetsbaarheden in het systeem heeft blootgelegd. Wat
begint als zorgvraag, eindigt te vaak als veiligheidsvraagstuk.
Twee punten zijn cruciaal: stevige landelijke regie en voldoende
woonvoorzieningen voor beschermd wonen en intensieve woonzorg.
Gemeenten, zorgaanbieders, politie en woningcorporaties leveren een
gezamenlijke inzet, maar de aanpak loopt vaak vast in een lappendeken
aan regels, loketten en financieringsstromen. Burgemeesters geven aan
dat zij te vaak onvoldoende doorzettingsmacht hebben. Professionals
weten wat nodig is, maar dat verzandt in een opeenstapeling van
privacyregels, schotten in budgetten en onduidelijke
verantwoordelijkheden. Nemen de ministers de oproepen van de VNG en het
Leger des Heils ter harte? Zij zeggen: richt niet nog een overlegtafel
in, maar maak duidelijke keuzes; zorg voor meer landelijke regie, met
lokale uitwerking; zorg voor structurele in plaats van tijdelijke
financiering; en creƫer wetgeving die samenwerking mogelijk maakt in
plaats van belemmert.
Voorzitter. Landelijke regie moet leiden tot heldere kaders voor
samenwerking tussen zorg en veiligheid, duidelijke regie bij vastlopende
casussen en stabiele meerjarige financiering. Daarnaast vraag ik, net
als collega's eerder deden, aandacht voor gegevensuitwisseling tussen
het zorg- en veiligheidsdomein, want anders blijft integrale hulp een
papieren ideaal.
Voorzitter. In het licht van het voorgaande vraag ik aandacht voor een
belangrijke partner, gefinancierd door ZonMw. In de regio Hollands
Midden is in november 2025 een pilot Maatschappelijke Eerste Hulp, MEH,
gestart. Die pilot vult een gat in de acute zorgketen op. Als de
politie, ambulance of psychiatrische eerste hulp te maken heeft met
mensen met onbegrepen gedrag die ze zelf niet kunnen helpen, is er de
MEH. Ggz, politie en ambulance zijn positief over de pilot, al is deze
nog onrendabel. Kennen de ministers deze pilot? Is een voorziening als
deze schaalbaar? Als blijkt dat deze MEH een succes is, zijn de
ministers dan bereid om duurzame financiering, of in ieder geval
financiering voor langer dan een jaar, te stimuleren?
Voorzitter. De groep mensen met een combinatie van psychiatrische
problematiek, verslaving, licht verstandelijke beperking en soms
agressief gedrag groeit. Ze kunnen niet zelfstandig wonen, maar passen
ook niet in de reguliere opvang. Zonder geschikte woonplek blijven ze te
lang in de wijk of in een crisisopvang, of belanden ze in een
politiecel. Ik vraag dit kabinet om onder meer de noodkreet van het
Leger des Heils serieus te nemen. De problematiek in de opvang wordt
zwaarder, trajecten duren langer en de doorstroom stokt door een gebrek
aan vervolgplekken. Steeds meer mensen vallen tussen wal en schip. De
brieven van gemeenten en Zorg- en Veiligheidshuizen onderstrepen dit
beeld. Er is een tekort aan passende woon- en verblijfsvoorzieningen,
inclusief intensieve en beveiligde varianten. Zolang die plekken
ontbreken, blijft de druk op politie, spoedzorg en buurten
toenemen.
Daarom doe ik tot slot de oproep: breng in kaart hoeveel plekken voor
beschermd wonen en intensieve woonzorg landelijk nodig zijn, werk toe
naar landelijke richtgetallen, zodat ook de regio's weten waar ze
naartoe werken, en organiseer de bekostiging zo, dat aanbieders ook de
meest complexe groepen kunnen helpen zonder te worden afgerekend op
doelmatigheidsprikkels, die juist uitsluiten.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mooi dat u de inbreng ook namens de ChristenUnie doet en dat
kleine fracties elkaar op deze manier helpen. Ik geef het woord aan de
heer Mathlouti van D66.
De heer Mathlouti (D66):
Voorzitter, dank. We spreken vandaag over een groep personen die helaas
vooral bekendstaat om overlast en onveiligheid, een groep die als last
wordt gezien, door de buurt, door de hulpverleners, maar soms ook door
de politiek, terwijl het vaak gaat om iemand die zijn medicijnen is
vergeten in te nemen, iemand met een trauma die vlucht in alcohol of
drugs, of iemand die graag hulp wil, maar niet weet waar hij terechtkan
of geen hulp durft te vragen. Dat heeft steeds vaker verward gedrag op
straat tot gevolg. Juist daar wringt het, want zolang wij deze mensen
pas zien op het moment dat het misgaat, blijven we achter de feiten
aanlopen. Dan reageren we op incidenten, in plaats van dat we ze
voorkomen.
Gelukkig zien we dat het anders kan. In Nederland zien we steeds meer
voorbeelden waarin het perspectief verschuift: van overlast naar
ondersteuning, van escalatie naar vroegtijdig handelen. Ook zien we
initiatieven waarin niet het systeem, maar de mens centraal staat en
waarin samenwerking ondanks beperkingen op het gebied van bijvoorbeeld
privacy, wel van de grond komt. Zo laat de gemeente Utrecht zien, met
het programma Samen eropaf, dat het kan. Verschillende partijen op het
gebied van zorg, wonen, veiligheid en het sociaal domein werken samen,
brengen risicogroepen in beeld en handelen voordat het escaleert. Dat
is, denk ik, precies de richting die we op moeten.
Tegelijkertijd hoor je daar ook het eerlijke verhaal. Soms loopt de
samenwerking vast op onduidelijkheid over gegevensdeling. Professionals
willen wel, maar durven niet, uit angst om de privacyregels te
overtreden. Het Leger des Heils bracht dit namens verschillende partijen
dan ook terecht nog een keer onder de aandacht. Daarom vraag ik de
minister wat hij op korte termijn gaat doen om die
handelingsverlegenheid weg te nemen. Wanneer krijgen professionals
heldere kaders voor wat er wel mag? Als die ruimte er onvoldoende is, is
de minister dan bereid om die regels aan te passen?
Voorzitter. Dat brengt mij bij de praktijk, want uiteindelijk gaat het
niet alleen om systemen, maar vooral om wat er gebeurt op straat, op
stations en in de wijk. Verwarde personen vragen vaak niet om een
politieagent, maar veel vaker om hulp en aandacht. Een mooi initiatief
zie ik bij de NS. Daar zijn speciale medewerkers die niet in uniform,
maar in spijkerbroek op verwarde personen aflopen en die de tijd hebben
om eens wat langer naast iemand te zitten en te vragen: hoe gaat het,
heb je hulp nodig? Dat soort initiatieven werpen hun vruchten af.
Personen met verward gedrag of met het risico op verward gedrag bouwen
een vertrouwensband op met bekende gezichten op het station. Ze worden
vaker doorverwezen naar de juiste zorg. Dit is een voorbeeld van een
makkelijke maatregel die een groot verschil kan maken. Ik ben benieuwd
hoe de minister naar specifiek dit initiatief en ook naar vergelijkbare
initiatieven kijkt. Kan de minister aangeven of deze werkwijze kan
worden uitgerold naar andere stations en plekken waar veel overlast
voorkomt?
Voorzitter. Tot slot de parlementaire verkenning. Veel aanbevelingen
lopen, maar vaak gaat het alleen nog maar over gesprekken of
voorbereidingen. Een aantal keuzes zijn doorgeschoven. Hoeveel van de
aanbevelingen zijn nu daadwerkelijk geĆÆmplementeerd? Hoe maken we de
omslag van voorbereidingen en verkenningen naar concrete resultaten? Ik
vraag de minister om ons daarin nadrukkelijk mee te nemen. Dat geldt ook
voor het overzicht van financiƫle middelen, waar veel van mijn
voorgangers ook terecht aandacht voor hebben gevraagd. Er zijn veel
financieringsstromen en dat maakt het voor de Kamer onduidelijk. Ik
vraag de ministers of het beloofde overzicht van alle beschikbare
middelen ons nog voor de zomer kan worden toegestuurd.
Veel dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik gaf net aan dat de voorzitter geen mening heeft en dat is
ook zo, maar mevrouw Van der Plas heeft wel een mening en ⦠Sorry, u
heeft nog een interruptie? Dan ga ik zo meteen verder met mijn
toelichting.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Sorry, voorzitter, maar ik wil D66 een vergelijkbare vraag stellen als
die ik het CDA heb gesteld. U heeft het ook over financiering, maar ik
heb hier onder andere de brief van VWS over de geestelijke
gezondheidszorg en de reactie op de parlementaire verkenning
Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid. Daar staat gewoon in dat
mensen, als hun bestaanszekerheid onder druk staat, een groot risico
lopen om de grip op hun leven te verliezen, met alle ellende van dien:
armoede, geen werk, schulden, allerlei problematiek. We tuigen weer
programma's op, met subsidies erbij die tegen het plafond aan klotsen,
terwijl de oorzaak niet wordt aangepakt. Waarom zorgt D66 niet voor meer
geld in de portemonnee en voor bestaanszekerheid? De zorg wordt
kapotbezuinigd. U zit aan de knoppen; u kunt daar wat aan doen.
De voorzitter:
Ik zit niet aan de knoppen, maar de heer Mathlouti zit aan de
knoppen.
De heer Mathlouti (D66):
Ik denk dat de collega van Groep Markuszower heel veel dingen door
elkaar haalt. Ze heeft het onder andere over bestaanszekerheid, en
daarvoor zijn de gemeenten via de verschillende gedecentraliseerde
dingen aan zet. Daarbij gaat het over werk, inkomen en schulden. We
hebben het hier over mensen met verward gedrag die problemen ervaren op
het gebied van zorg, wonen en allerlei andere dingen die vandaag zijn
genoemd. Er is sprake van verschillende financieringsstromen. Door mijn
voorgangers is, volgens mij terecht, gevraagd om duidelijkheid over hoe
die stromen lopen. Als we die duidelijkheid hebben en weten om hoeveel
geld het gaat, kunnen we pas zeggen of iets genoeg is of niet. De
collega van Groep Markuszower heeft haar punt nu via verschillende
interrupties gemaakt. Ik denk dat dat duidelijk is. Laten we vooral ook
even luisteren naar wat het kabinet hierop te zeggen heeft en laten we
dan kijken wat er nodig is.
De voorzitter:
Ik was gebleven bij de mededeling dat mevrouw Van der Plas wel een
mening heeft. Dat is de reden dat ik nu even het voorzitterschap ga
overdragen aan mevrouw Westerveld, zodat ik namens de BBB mijn inbreng
in dit debat kan doen.
Voorzitter: Westerveld
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft het woord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Mensen met verward of onbegrepen gedrag moeten
de hulp krijgen die ze nodig hebben, zeker in een rijk en sociaal land
als Nederland. Het kan iedereen overkomen, door een psychische ziekte,
een verslaving of een ingrijpende gebeurtenis. Juist daarom is het
onacceptabel dat deze mensen nog te vaak tussen wal en schip vallen,
maar dat is wel wat er nog altijd gebeurt. Het inspectierapport van
december 2025, Klem in het systeem, is daar keihard over. Het schetst
een verontrustend beeld van de zorg voor en de ondersteuning van mensen
met verward gedrag. Dat zijn niet mijn woorden, voorzitter; het staat
gewoon letterlijk in het rapport. Dit ondanks de grote betrokkenheid van
professionals en naasten die zich dagelijks inzetten voor mensen met
onbegrepen en verward gedrag. Dat wil ik toch nog even gezegd
hebben.
Voorzitter. In het inspectierapport staat ook een noodkreet: er is geen
tijd meer voor langlopende agenda's en pilots. De urgentie voor een
duurzame oplossing is groot. Met die noodkreet in het achterhoofd vraag
ik mij oprecht af waarom een kabinetsreactie dan drie maanden op zich
heeft laten wachten. En wat lezen we dan in de reactie? "We verkennen."
Vandaar mijn vraag aan de minister: wanneer stopt het kabinet met
verkennen en wanneer gaat het uitvoeren? Wat wordt er nu concreet
geregeld en per wanneer?
Voorzitter. De politie kreeg vorig jaar zo'n 150.000 meldingen van
verward gedrag. Agenten komen ter plaatse, bellen de crisisdienst en
wachten vervolgens soms een uur tot die komt, als die al komt. Als
iemand tegen die tijd wat rustiger is, is het ineens geen crisis meer en
gebeurt er niks. De politie is geen oppas. Daarom moet het anders. Er
moeten voldoende crisisbedden en opvangplekken komen, zodat mensen
direct geholpen kunnen worden en de politie ook weer sneller door kan.
Mensen met psychische problemen of een verslaving die hulp nodig hebben,
worden soms ook door de politie naar de spoedeisende hulp gebracht. Daar
worden ze verzorgd, kunnen ze uitrusten, worden ze gezien door een arts,
krijgen ze een kop thee en wat te eten, maar vaak is er geen reden om ze
medisch te behandelen of in het ziekenhuis op te nemen. De spoedeisende
hulp stuurt deze mensen dan ook weer weg.
Intussen houden deze mensen, hoe schrijnend hun situatie ook is, wel een
bed bezet op de spoedeisende hulp, terwijl ze daar eigenlijk niet
thuishoren. De druk op de spoedeisendehulpposten, vooral in de grote
steden, neemt daardoor toe. Mijn vraag is dus: wat gaat de minister
concreet doen om ervoor te zorgen dat de juiste hulp op tijd aanwezig is
en de politie niet structureel deze rol moet overnemen? De minister
heeft eerder toegezegd met gemeenten in gesprek te gaan om te kijken of
er bereidwilligheid is om dit soort opvangplekken te realiseren. Kan de
minister daar iets over vertellen?
Voorzitter. Dan wil ik een kleine zijsprong maken. In de kabinetsreactie
lezen we dat het kabinet rekening wil houden met het absorptievermogen
van een wijk bij de opvang van mensen met verward gedrag. Dat is ook
voor BBB een belangrijk uitgangspunt. Maar mijn zijsprongetje gaat over
het volgende. Is het kabinet van mening dat dit principe dan ook moet
gelden bij de opvang van asielzoekers en statushouders? Velen van hen
kampen namelijk ook met grote trauma's en geven daardoor ook
overlast.
Voorzitter, tot slot. Wij hebben geconstateerd dat we inmiddels alleen
nog maar mogen spreken over "onbegrepen gedrag". Dit wordt gezegd omdat
we niet stigmatiserend willen zijn. Maar ik denk wel dat we moeten
stoppen met alles te verbloemen en in zachtere taal te spreken, want ik
denk dat de mensen met verward en onbegrepen gedrag daar niet mee
geholpen zijn. Mensen die verslaafd zijn, mensen met een psychische
aandoening en alcoholisten die op straat rondzwerven, zijn niet gebaat
bij wollige taal. We moeten het benoemen zoals het is en niet iedereen
op ƩƩn hoop gooien. Zorg ervoor dat deze mensen terechtkomen bij de
instanties waar ze echt geholpen kunnen worden.
Dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties, dus ik geef u het voorzitterschap
terug.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde van de eerste termijn van de Kamer
gekomen. Het is nu bijna 10.50 uur. Ik wilde voorstellen om een halfuur
te schorsen, als de bewindspersonen dat ook okƩ vinden. Er zijn ook heel
veel vragen gesteld over huisvesting. De minister van Volkshuisvesting
heeft zich afgemeld; zij is verhinderd vanwege een plenair debat. Ik ga
ervan uit dat de beantwoording door de minister van Binnenlandse Zaken
gedaan kan worden.
Minister Heerma:
Ik weet dat er in eerdere debatten weleens iets is gezegd over de
afwezigheid van de minister van Volkshuisvesting. Zij zou hierbij
geweest zijn als zij niet nu plenair een wetsvoorstel had moeten
verdedigen.
De voorzitter:
Exact.
De vergadering wordt van 10.49 uur tot 11.20 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag, allemaal. Welkom bij de hervatting van het debat
Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid. Aan de orde zijn nu de
antwoorden van de ministers. De coƶrdinerend minister, minister Heerma,
zal van start gaan. Hij zal ook een inleiding verzorgen. Het voorstel is
om vier interrupties toe te laten. Hou ze kort en bondig, want ik ga
streng zijn als we uit de tijd gaan lopen. Graag de interrupties na
ieder blokje, dus niet in het blokje zelf, zodat de minister zijn of
haar verhaal kan afmaken. Dan geef ik nu het woord aan de minister van
Binnenlandse Zaken.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de uitnodiging om hier vandaag met
uw Kamer in debat te kunnen gaan over de aanpak van personen met verward
en onbegrepen gedrag. Het is goed dat wij met elkaar serieus aandacht
besteden aan dit urgente probleem. Zoals door verschillende
woordvoerders ook in het debat is aangegeven, is dit een steeds urgenter
wordend vraagstuk. Ik zal als procesregisseur van de brede aanpak van
verward gedrag inderdaad beginnen met een algemene inleiding, mede
namens de bewindspersonen die hier aanwezig zijn. Daarna zal ik ingaan
op de algemene vragen die meer gesteld zijn in de coƶrdinerende rol. Ik
zal mijn best doen om de vragen die gesteld zijn aan de minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook mee te nemen. Daarna gaan
de bewindspersonen, in de volgorde zoals ze hier zitten, in op de vragen
die op hun terrein gesteld zijn.
Laat ik beginnen met een voorbeeld uit de praktijk, waar verschillende
woordvoerders ook mee zijn begonnen. Ik heb vorige week een brief
ontvangen van de burgemeester van Apeldoorn over een tragisch incident
dat plaatsvond in juli 2025, waarbij een inwoner om het leven kwam. De
betrokkenen bevonden zich in een kwetsbare positie en waren bekend bij
de zorg- en veiligheidsketen. De burgemeester schrijft dat naar
aanleiding daarvan nu lokaal en regionaal aanbevelingen worden opgepakt,
maar dat het onderzoek ook duidelijk maakt dat dit niet genoeg is. De
vraag is hoe wij vreselijke gebeurtenissen zoals deze zo veel mogelijk
weten te voorkomen en voor structurele verbeteringen landelijke keuzes
maken. Die oproep hebben wij gehoord. Dit vraagt om actie, lokaal en
landelijk, in afstemming en gezamenlijkheid. De deze week aan uw Kamer
aangeboden petitie Samen voor begrip, van een groot aantal belangrijke
spelers in dit werkveld, onderstreept dit ook volledig. Het kabinet
erkent deze urgente oproep en ook de keuzes die daarin worden
voorgelegd. Die uitnodiging vanuit het veld nemen wij graag aan. De
thema's in de aangeboden petitie komen ook overeen met de prioriteiten
in de voortgangsbrief die het vorige kabinet in december naar uw Kamer
gestuurd heeft naar aanleiding van de parlementaire verkenning. Ik zal
daar zo meer over zeggen.
De praktijk is buitengewoon complex, weerbarstig en versnipperd. Het is
een gelaagd probleem zonder ƩƩn eenvoudige oplossing, want als we
spreken over personen met verward en onbegrepen gedrag, dan hebben we
het niet over ƩƩn duidelijke groep. Mevrouw Van der Plas had het daar in
haar bijdrage ook al over. Psychische kwetsbaarheid, verslaving,
verstandelijke beperking, trauma's, schulden en dakloosheid kunnen
allemaal een rol spelen in een groep die niet homogeen en onder ƩƩn
noemer te brengen is. Ons stelsel van wet- en regelgeving heeft
geprobeerd dat te ordenen, maar voor mensen met al deze problemen
tegelijkertijd en de hen omringende professionals werkt die ordening
onvoldoende ondersteunend. Er is meer nodig. De problematiek is complex
en voelt zwaar voor de mensen zelf, voor hun naasten, maar ook voor de
omgeving. Mensen hebben passende zorg en ondersteuning nodig, die
zorgvuldig dient te worden afgestemd op hun kenmerken en behoeften, maar
die zijn niet altijd beschikbaar. De problematiek kan daardoor
verergeren en kan leiden tot overlast en gevoelens van onveiligheid in
de wijk. Juist op dat moment is het voor velen moeilijk om nog de mens
achter het gedrag te blijven zien.
Verschillende woordvoerders gaven het ook al aan: er wordt al ruim tien
jaar gewerkt aan een landelijke aanpak op dit onderwerp. Via het
programma Grip op Onbegrip, in uitvoering door ZonMw, ondersteunen de
ministeries van VWS en JenV regio's bij het versterken van samenwerking,
kennisdeling, professionalisering en vroegsignalering. Dat werkte niet
voldoende; dat hebben meerdere woordvoerders ook aangeven. Daarom is
bijna twee jaar geleden de parlementaire verkenning gedaan. Die heeft
ertoe geleid dat medio vorig jaar een voorstel is gedaan ā dat was het
voorstel van het vorige kabinet ā om op basis daarvan een verbreding te
doen met onderwerpen als wonen en bestaanszekerheid. De maatregelen van
procesregie, via de rol die ik vervul, zijn gericht op meer samenhang in
het beleid en uitvoering vanuit het perspectief van de groep mensen met
verward en onbegrepen gedrag en de professionals die daarin een cruciale
rol spelen. Voor mensen met een verhoogd veiligheidsrisico is bovendien
de werkagenda voor aansluiting tussen forensische en reguliere zorg
gelanceerd.
Voorzitter. Dit onderwerp vraagt blijvende politieke aandacht en meer
landelijke regie. De problematiek is urgent en weerbarstig en de
dilemma's zijn hardnekkig. Gemeenten en andere betrokken partijen in de
keten, zoals professionals, hebben het Rijk nodig om randvoorwaarden te
creƫren waarmee zij verder kunnen bouwen op wat in de afgelopen jaren is
ontwikkeld. Ik gaf in het begin al aan dat verschillende woordvoerders
ook signaleren en uit het veld horen dat de urgentie van de problematiek
steeds meer toeneemt. Dat blijkt ook uit de petitie die deze week
ontvangen is. Wij horen het ook van politie, burgemeesters en
professionals en uit de wijken. De problematiek wordt naast urgenter ook
complexer, bijvoorbeeld door de toename van en een grotere diversiteit
aan verslavende middelen. De Nationaal Rapporteur Verslavingen heeft
hier ook een brief over gestuurd. Tegelijkertijd neemt de druk op de
zorg toe, groeit het tekort aan passende woonplekken en stijgt het
aantal meldingen bij de politie. Hulpverleners zien zwaardere casuĆÆstiek
en ook woningcorporaties signaleren een toename van huurders met
complexe problematiek en een gevoel van overlast bij omwonenden. Daarbij
past natuurlijk nadrukkelijk de waardering voor alle bestuurders,
professionals en vrijwilligers die zich dagelijks inzetten en die dit
doen onder heel moeilijke omstandigheden. Incidenten zullen nooit
volledig te voorkomen zijn, maar dat ontslaat ons zeker niet van de
verantwoordelijkheid om de aanpak te verbeteren.
De signalen dat het wachten is tot het misgaat, waar verschillende
woordvoerders het ook over hadden, kunnen we niet negeren. Dat brengt
mij tot de inzet van het huidige kabinet, die eigenlijk volgt op wat het
vorige kabinet gestart is met de reactie op de parlementaire verkenning.
Het kabinet, zoals wij hier zitten met elkaar, deelt volledig de
urgentie en het belang van werken aan versterking van de aanpak. In het
opvolgen van de aanbevelingen aan uw Kamer zien wij vier grote
prioritaire opgaven. Die zijn ook benoemd in de brief die in december
door het vorige kabinet gestuurd is, waar verschillende woordvoerders
ook aan gerefereerd hebben. Ik zal ze kort langslopen. Ze komen vrijwel
overeen met de petitie die u deze week in ontvangst genomen heeft. Deze
vier onderwerpen komen eigenlijk ook terug in alle brieven die vanuit
verschillende organisaties richting dit debat aan uw Kamer gestuurd
zijn.
De voorzitter:
Sorry dat ik u heel even onderbreek. Gaat u die vier onderwerpen in
blokjes doen?
Minister Heerma:
Nee, want ā¦
De voorzitter:
Of zegt u: ik ga dit helemaal in ƩƩn keer afronden?
Minister Heerma:
Ik kan het u schetsen. Ik wilde de vier blokjes even kort aanstippen,
want er zitten allerlei vragen in die weer heel erg betrekking hebben en
ook gericht zijn op de bewindspersonen. Daarna wilde ik een paar blokjes
langslopen met vragen die specifiek aan mij gericht zijn. Dat zit op de
vraagstukken rondom regie, de vragen rondom financiƫn, de vragen rondom
gegevensdeling en burgemeestersbevoegdheden, en daarna het blokje
volkshuisvesting. Dat is wat ik ga doen. Dat is een aanzienlijk deel,
maar er zijn ook vrij veel vragen gesteld aan de minister van VWS en wat
minder aan de minister van JenV. Zij pakken die zelf op. Die raken wel
weer aan de vier hoofdthema's. Ik ga dus niet alle vier hoofdthema's
helemaal langslopen; ik stip ze alleen aan.
De voorzitter:
OkƩ. U stipt ze nu aan, dus als u daarmee klaar bent, wil ik de leden
wel even de gelegenheid geven om daar eventueel vragen over te stellen.
Daarna gaan we de blokjes af, per blok dat u net noemde, en daarna weer
de leden. Akkoord?
Minister Heerma:
Vanzelfsprekend. U gaat over de orde.
De voorzitter:
Ja, u heeft het er maar mee te doen!
Minister Hermans:
Voorzitter, helpt het u als wij nog even aangeven wat wij beantwoorden?
Dan heeft iedereen het volledige overzicht.
De voorzitter:
Ja, zeker.
Minister Hermans:
Ik zal een aantal algemene vragen beantwoorden die zijn gesteld over de
ggz en ook over de Wet zorg en dwang en de verplichte ggz, en de vragen
die zijn gesteld over de pilot en de structurele financiering
daarvan.
De voorzitter:
De minister van Langdurige Zorg.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik zal een aantal vragen over bemoeizorg beantwoorden, over
de financiƫn van Wlz/GGZ Wonen, waar door een aantal mensen ook vragen
over zijn gesteld, en ook in bredere zin over het beschikbare aantal
woonplekken voor mensen met een zorgvraag.
De voorzitter:
De minister van Justitie en Veiligheid.
Minister Van Weel:
Ik doe het mapje overige belangrijke vragen.
(Hilariteit)
Minister Van Weel:
Dat zijn er zo'n drie, maar die hebben met name betrekking op de
politie.
De voorzitter:
Prima. De minister van Binnenlandse Zaken.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. De eerste opgave is een tekort aan passende
woningen en woonzorgvoorzieningen. De keten zit vast. Zonder een
stabiele woonplek is er geen rust en zonder rust is er geen effectieve
zorg of veiligheid. Het probleem is niet alleen geld of personeel, maar
ook maatschappelijke weerstand. Lokale initiatieven lopen vaak vast in
langdurige procedures via het bekende not-in-my-backyardeffect. Het
zorgen voor passende woon-zorgplekken op maat voor deze doelgroep is een
belangrijke randvoorwaarde. Wij gaan daar als kabinet op acteren. Ik heb
daar deze week met de minister van VRO over gesproken. Dit zal ook
worden meegenomen in de Taskforce Versnelling Woningbouw. Daar zal
specifiek worden ingegaan op deze doelgroep.
De tweede opgave betreft gegevensdeling. Professionals willen eerder en
beter kunnen handelen en gemeenten willen regie kunnen nemen, maar zij
werken vanuit verschillende wettelijke kaders, die niet goed op elkaar
aansluiten. De spanning tussen privacybescherming in de zorg, het zo
goed mogelijk ondersteunen van mensen vanuit het sociaal domein en ook
het gericht waarborgen van veiligheid in de samenleving is in de
praktijk voelbaar en vraagt om opheldering van kaders, en daarmee
handelingsperspectief voor professionals in het gezamenlijk
optrekken.
De derde opgave is de noodzaak om landelijk duidelijker te bepalen wat
minimaal op orde moet zijn in de aanpak. Zonder die duidelijkheid blijft
er te veel een risico op "laat duizend bloemen bloeien", versnipperd en
projectmatig, waar verschillende woordvoerders het ook over gehad
hebben. We moeten keuzes maken over wat overal beschikbaar moet zijn,
zoals bemoeizorg, en wat dat vraagt van betrokken partijen op regionaal
en lokaal niveau aan gezamenlijk optrekken. Daarbij bouwen we voort op
de ervaringen van het ZonMw-actieprogramma Grip on Onbegrip, de
rodedradeninventarisatie van de politie, en de kenniswerkplaatsen en de
praktijktafels.
De vierde opgave is meer structurele, voorspelbare financiering, waar
volgens mij alle woordvoerders in dit debat het over gehad hebben. Het
gaat niet zozeer om meer geld, maar om meer samenhang en flexibiliteit
in de inzet van middelen. Middelen zijn nu vaak versnipperd, terwijl
acute situaties juist om een gezamenlijke inzet en maatwerk vragen. Tot
2027 is via het actieprogramma Grip op Onbegrip subsidie beschikbaar
voor domeinoverstijgende projecten en samenwerkingsverbanden. Voor het
eind van dit jaar moet een besluit genomen worden over hoe dit
structureel ingericht gaat worden. Het huidige programma loopt tot 2027.
We zullen dus voor het einde van het jaar besluiten hoe we dit
structureel gaan invullen.
Er zijn ook vragen gesteld over snelheid en hoe de Kamer de vinger aan
de pols houdt. Er is gevraagd waarom dat niet twee keer per jaar is,
zoals de Kamer vraagt, maar ƩƩn keer per jaar. Daar zal ik zo op ingaan,
maar eerst nog iets over de rol van de minister van Binnenlandse Zaken
als procesregisseur, als coƶrdinerend bewindspersoon. Het ministerie van
Binnenlandse Zaken kent traditioneel op veel complexe vraagstukken een
coƶrdinerende rol. Dat is niet altijd makkelijk, maar het is wel
belangrijk. Het is ook de beste manier om niet alleen verticaal te
denken aan oplossingen, maar juist horizontaal te sturen. Dat is een
werkwijze die in de huidige coalitie, in het huidige kabinet, ook in de
taskforces wordt gekozen. Daar is vaak ƩƩn bewindspersoon coƶrdinerend
verantwoordelijk en zeggen de anderen niet "dat is jouw probleem", maar
gaan ze gezamenlijk aan tafel om te kijken: hoe kunnen we met elkaar
helpen om met horizontale sturing in plaats van het traditionele
verticale denken verder te komen? De invulling die door het vorige
kabinet is gekozen, met de invulling van de werkwijze die we hier nu met
elkaar hanteren, heeft eigenlijk zijn schaduw vooruitgeworpen, want die
past bij de werkwijze die nu ook bij de taskforces gekozen is.
Verschillende woordvoerders gaven ook aan: niemand kan dit alleen. De
woordvoerder van Groep Markuszower was er het meest expliciet over dat
het goed is dat er nu interdepartementaal samengewerkt gaat worden. Ook
de woordvoerder van het CDA verwees hiernaar. Het vraagt van ons als
kabinet om over grenzen heen samen te werken en niet naar elkaar te
wijzen. Wij hebben dus de intentie om dat laatste niet te doen en
gezamenlijk afspraken te maken met veldpartijen. Dat vraagt ā en dat is
een soort bruggetje naar de rapportage ā dus veel spreken met elkaar,
maar ook gezamenlijk met het veld spreken. Dat veld is groot. De
belangen zijn ook divers. Daar lag het oorspronkelijke vraagstuk in. Dat
kost veel tijd. Als je te veel rapportages gaat doen, gaat op een
gegeven moment het werk in de rapportages zitten in plaats van in
daadwerkelijk voortgang boeken.
Tegelijkertijd heb ik goed gehoord wat de Kamer hier vraagt, dus ik zou
in antwoord daarop het volgende voorstel willen doen. In de brief die
het kabinet gestuurd heeft, is gezegd dat we naar een jaarlijkse in
plaats van een halfjaarlijkse rapportage willen. Verschillende
woordvoerders vroegen: kan het niet toch halfjaarlijks? Ik wil voorkomen
dat we, zoals ik zei, meer tijd besteden aan rapporteren en minder aan
daadwerkelijk problemen oplossen. Tegelijkertijd wil ik de Kamer
tegemoetkomen. De volledige rapportage over alle thema's uit de
parlementaire verkenning volgt aan het einde van het jaar, maar ik wil
toezeggen dat we voor de zomer, rond de zomer ā ik weet niet of we voor
de zomer helemaal gaan redden ā komen met een rapportage, specifiek
gericht op de vier prioritaire thema's die benoemd zijn, waarover we dus
overleg hebben met het veld en met elkaar. Dan kunnen we de stand van
zaken geven op de vier prioritaire thema's en ook aanbevelingen en
oplossingsrichtingen op deze vier thema's. Ik heb uw Kamer namelijk goed
gehoord, dus dit is een voorstel als middenweg tussen wat het kabinet
aanvankelijk wilde en de vragen vanuit de Kamer om het toch
halfjaarlijks te doen. Effectief zijn het dus twee rapportages, waarvan
de een over het geheel en de ander over de prioritaire thema's
gaat.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik kan me daarin wel vinden. Ik denk dat rond de zomer hartstikke goed
is. Tegelijkertijd zou ik graag willen voorstellen om in die rapportage
niet alleen de voortgang te benoemen, maar ook concrete KPI's met een
tijdpad, zodat we weten welk ministerie wat gaat doen en aan welke
afspraken zij zich conformeren. Zoals de minister ook al aangaf, bestaat
er namelijk een werkagenda. Toch heb ik, in ieder geval vanuit mijn oude
rol, altijd ervaren dat het vooral een probleem was van Justitie en
Veiligheid en niet zozeer van VWS. De urgentie was vooral heel erg
voelbaar bij Justitie en Veiligheid. In mijn ideale wereld zitten wij
hier de volgende keer niet met de minister van Justitie en Veiligheid,
en niet omwille van deze minister, maar om het gegeven dat verwarde
mensen niet in de strafrechtketen thuishoren. Ik zou dus omwille van dat
gegeven in de rapportage graag duidelijke KPI's terug willen zien, met
heel concrete tijdspaden, waar we als Kamer deze minister en de andere
ministers ook aan kunnen houden.
De voorzitter:
Dank u wel. KPI's zijn kritieke prestatie-indicatoren.
Minister Heerma:
Wat we kunnen doen, is langs die vier thema's zo concreet mogelijk
worden en namen en rugnummers noemen. Er is, om een voorbeeld te noemen,
gevraagd of er rondom de woonplekken niet gekwantificeerd kan worden.
Die dingen proberen we daarin te doen. Er is ook gevraagd wanneer het
overzicht van de financiering komt. Er is eerder een brief gestuurd,
volgens mij in maart vorig jaar, die de aanleiding was voor de Kamer om
te zeggen: dit is niet goed genoeg. Dat zal dus ook meegenomen worden.
Er zal gekeken worden hoe we dat kunnen concretiseren tegen de
achtergrond van hoe ingewikkeld dat is in het versnipperde werkveld. Als
ik heel eerlijk ben, weet ik niet of we daar KPI's in hebben staan, maar
het zullen namen en rugnummers zijn. Het zal zo concreet mogelijk
gemaakt worden. Dat biedt de Kamer dan ook weer de kans om op dat moment
te zeggen of ze het een stap in de goede richting vindt of dat het niet
goed genoeg is.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We willen zeker concrete informatie, want dat is ook het meest helder
voor de Kamer, in ieder geval voor mij. Maar wat ik vooral bedoel met
KPI's, is dat we bedrijfsmatig naar dit hele verhaal gaan kijken en dat
we als Kamer en als hele maatschappij ook kunnen zeggen: wanneer kunnen
we nou eigenlijk wat verwachten? Wanneer zien wij een resultaat van
iets? Wanneer wordt dit initiatief genomen? Of wanneer wordt dit
afgerond? Of wanneer voelen burgemeesters, of de politie of welke
instantie dan ook, dat er concreet iets gebeurt in hun gemeente?
Wanneer? Ik moet elke keer ⦠Het is in ieder geval mijn wens dat ik in
de brief terugzie: wanneer gaat er wat gebeuren? Als we dat met elkaar
kunnen afspreken, dan zou ik in ieder geval een heel erg tevreden
Kamerlid zijn op dit terrein.
Minister Heerma:
Ik had het over namen en rugnummers. U zegt dat u daar ook tijdspaden
bij wilt. Dat is dan de invulling van de KPI's. We zetten in op namen en
rugnummers en op tijdspaden. Dank. Dan de heer Struijs? Ja, sorry.
De voorzitter:
Volgens mij was de heer Mathlouti eerst, daarna de heer Struijs en
daarna mevrouw Wendel.
De heer Mathlouti (D66):
Klopt, maar mevrouw Coenradie stelde al een terechte vraag. Volgens mij
is het antwoord van de minister heel duidelijk: inderdaad, namen en
rugnummers. Ik moet er ook eerlijk iets bij zeggen, en dat bedoel ik
niet flauw. Ik heb als nieuweling heel veel stukken gelezen over dit
onderwerp, heel veel oude stukken. Wat mij ook opvalt, is dat we al heel
lang over hetzelfde spreken en dat er ook al heel lang dezelfde soort
inhoud in die stukken staat met betrekking tot dit onderwerp. Het is dus
volgens mij een heel terechte vraag van de collega voor mij.
De voorzitter:
Minister, wilt u hierop reageren?
Minister Heerma:
Hoewel het maar half een vraag is, ga ik er toch op reageren. De
toezegging aan mevrouw Coenradie is gedaan. Ik wil toch beginnen met:
het is heel weerbarstig. Sommige woordvoerders hebben het al aangegeven.
Dit is een van de meest weerbarstige vraagstukken van deze tijd en de
gedachte dat alles wordt opgelost als ƩƩn iemand doorzettingsmacht
heeft, is niet terecht. Dat is de reden waarom ik refereerde aan BZK,
dat een traditie heeft in coƶrdineren op moeilijke thema's. Dat werkt
toch het beste met die horizontale sturing. De reden waarom de
parlementaire verkenning is uitgevoerd, is omdat de constatering was: we
zijn al tien jaar aan het praten hierover, we zien te veel versnippering
en we zien allerlei inzet, maar we zien het probleem groter worden.
Daarom zitten wij hier als nieuwe ploeg deels ook om invulling te geven
aan een probleem dat al geconstateerd is in de parlementaire enquĆŖte of,
nee ā nu zeg ik het zelf ā in de parlementaire verkenning. Dat gebeurt
dan, hè. Als één iemand het doet, dan gaat iemand anders ook.
Het vorige kabinet heeft dat dus erkend en heeft invulling gegeven aan
die vier prioritaire thema's die we in alles terugzien, ook vanuit het
veld. Wij bouwen daar nu met elkaar op voort met de intentie ā die proef
ik echt bij alle collega's ā om het met deze werkwijze, gezien wat er in
het verleden geprobeerd is, maar waar niet voldoende sturing op zat, met
elkaar meer vorm te geven en om te voorkomen ā dat geef ik ook nog mee ā
dat aan het einde van het vraagstuk de problemen alleen bij JenV liggen.
Dat was het beeld dat mevrouw Coenradie schetste. Ik wil daarbij
aangeven, los van het feit dat ik de minister van JenV er persoonlijk
graag bij wil hebben, dat ik denk dat het goed is om het in die breedte
te doen, want het is een vraagstuk dat ook die kant kent. Ik wil dat er
wel bij houden. Ik snap de intentie die mevrouw Coenradie uitspreekt
zeer. We zijn ons daarvan bewust en we willen dus doorgaan met de al
ingezette werkwijze om te voorkomen dat over een paar jaar het gevoel
nog steeds hetzelfde is.
De heer Struijs (50PLUS):
Even een vraag aan de minister. Ik sluit me aan bij mevrouw Coenradie.
Wij hebben het voor onze controlerende functie echt nodig dat we de
daadkracht en de snelheid terugzien in de stukken en zo concreet
mogelijk, maar ik wil ook een risicoparagraaf. Die risicoparagraaf
beschrijft wat er even niet lukt, wat er uitgesteld wordt of wat voor
hobbels er zijn. Wij moeten te veel het veld in ā dat doe ik graag ā om
elke keer op te halen wat er misgaat. Benoemd dat ook gewoon. Ik zoek
een beetje naar een vorm waarin we heel veel concreetheid krijgen en
daadkracht krijgen, maar we het ook zien als het even tegenzit. Daar wil
ik een advies aan koppelen. Ik heb in alle stukken en hier ook weer in
de woorden veel gehoord over coƶrdinatie en beleidsvoornemens. Ik wil
terug naar het evenwicht. We hebben beleidsvoornemens en we hebben
daadkracht. Daar zoek ik naar, met een risicoparagraaf.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dank u wel. De vragen mogen wat korter en de antwoorden mogen ook
iets korter als we binnen de tijd willen blijven.
Minister Heerma:
Op de risicoparagraaf kom ik in tweede termijn even terug. Dat is voor
nu kort. Dus die schrijven we op voor de tweede termijn.
Mevrouw Wendel (VVD):
De minister heeft de toezegging gedaan aan mevrouw Coenradie om
concreter te worden op die vier prioriteiten. Dat is een mooi begin,
maar voor mij gaat het niet ver genoeg. We hebben die parlementaire
verkenning, met veel concrete punten. Als het dan ƩƩn keer per jaar over
die volledige verkenning concreter wordt en halfjaarlijks over die vier
prioriteiten, kan ik me daar nog bij neerleggen. Ik wil de minister dan
wel specifiek vragen om ervoor te zorgen dat in dat jaarlijkse verslag
op al die punten concreet wordt ingegaan. Ik zou daarbij, tot slot, heel
graag willen dat we dan geen brieven meer krijgen met toch weer
verwijzingen naar andere bewindspersonen. De coƶrdinerend minister van
BZK zit er juist om alles bij elkaar te brengen. Als ik dan weer brieven
zie met: nou, en de rest kunt u lezen bij VWS en de rest ⦠Ik wil dat
allemaal in ƩƩn brief. Dat wil ik vragen.
Minister Heerma:
Tweeledig. Het eerste is: dank voor deze vraag. Daar is kennelijk
onduidelijkheid over. Alle prioriteiten uit de parlementaire verkenning
komen in de jaarlijkse brief. Dat is dus de intentie, als ik daar
onduidelijk over ben geweest. Dat is dus de brief die aan het einde van
Q4 zal komen. Daarnaast is een aanvullende toezegging gegeven op de
vragen die door onder andere de VVD gesteld zijn: we vinden dat niet
genoeg; we willen het eigenlijk tweejaarlijks. Daarnaast doen we het
voor de vier prioriteiten een keer extra. Er komen er dus twee ā dat was
de vraag ā alleen is er ƩƩn over alle doelstellingen en ƩƩn specifiek op
de vier prioriteiten.
Dan het coƶrdineren en verwijzen. Je ontkomt er niet aan, ook als je
tijdpaden wil, dat je in iets wat zo veel departementen raakt op een
gegeven moment ook moet verwijzen naar dingen die vanuit verschillende
departementen nog gaan komen. Ik weet niet of de vraag was of we dat
kunnen voorkomen. Dat is niet te voorkomen. Anders wekken we de illusie
dat er een ministerie van alle zaken is, en dat is er niet. We willen
dus zo veel mogelijk alles bij elkaar brengen, maar in zo'n tijdlijn zal
soms ook verwezen moeten worden naar een wetsvoorstel dat nog vanuit een
van de bewindspersonen gaat komen. Ik weet niet of de vraag is of dat
niet kan, maar ik denk dat dat onontkoombaar is.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik denk dat de minister gelijk heeft dat we niet bijvoorbeeld weken of
maanden moeten wachten om een brief te versturen totdat dat er ook in
zit. Ik wil alleen wel vragen om geen brief te versturen als er dan drie
dagen later van een andere minister weer een andere brief komt. Volgens
mij kunnen we dan wel van het kabinet vragen om daarin gezamenlijk op te
trekken. Als dat kan, dan heel graag. Over die jaarlijkse brief: kan ik
dit dan ook interpreteren als toezegging om ook die jaarlijkse brief
heel concreet te maken?
Minister Heerma:
Dank voor uw toelichting in de tweede termijn. Dan begreep ik de vraag
van het lid Wendel in eerste instantie niet goed. De vraag is of wij
ervoor kunnen zorgen dat als die gezamenlijke brief er is, er niet drie
dagen later van een van de aanwezigen een brief komt die eigenlijk
daarin vermeld had kunnen worden. Dat vind ik een terechte vraag en als
de beleving is dat dat de vorige keer is gebeurd, dan moeten wij erop
inzetten dat dat wordt voorkomen. We zullen ook zo concreet mogelijk
worden. Namen, rugnummers en tijdpaden komen in de brief over het
geheel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor heel goed wat de minister zegt. Tegelijkertijd zit daar ook wel
ongemak. Wat ik hoor, zie ik niet terug in het coalitieakkoord. Ik zal
er even een paar dingen uit halen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid
staat bijvoorbeeld niet in het coalitieakkoord. We weten dat die
doelstellingen heel moeilijk worden behaald. Op de ggz wordt bezuinigd,
terwijl we weten dat de wachtlijsten langer worden. Ons verzoek was om
voor meer plekken te zorgen voor mensen met een Wlz-ggz-indicatie, dus
mensen die niet thuishoren in de opvang. We weten dat daar ook meer voor
moet gebeuren. Mijn vraag aan de minister is of hij, als dat nodig is,
meer ruimte kan pakken dan ik nu terugzie in het coalitieakkoord en de
bijbehorende begrotingen.
Minister Heerma:
Er worden nu een aantal vragen gesteld aan de minister van Binnenlandse
Zaken. Ik snap de vraag heel goed; ik hoop dat u het antwoord ook snapt.
Ik kan hier niet de begrotingsbehandelingen van andere departementen
gaan doen. Er worden specifiek een aantal vragen gesteld die ook in de
blokjes zitten die de collega's gaan doen. Als het gaat over de
coƶrdinerende rol geldt dat ik me bewust ben van de omvang van dit
vraagstuk en waarom we opvolging geven aan de toezegging van het vorige
kabinet om zo nadrukkelijk invulling te geven aan de wensen van de
parlementaire verkenning. Dat geldt op al deze terreinen. Dat maakt niet
dat ik hier nu begrotingen van andere departementen kan gaan invullen.
Zo werkt het niet, maar ik neem die coƶrdinerende rol, die ik overigens
op andere terreinen ook heb, echt serieus.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Heerma:
Dat gebeurt me altijd. Ik heb een deel van de vragen over de
coƶrdinerende rol al beantwoord in mijn enthousiasme om antwoord te
geven op vragen. Eigenlijk heb ik de vragen die zijn gesteld rondom die
coƶrdinerende rol grotendeels al beantwoord.
Misschien is het goed om als aanvulling nog te zeggen dat naar
aanleiding van de start die is gemaakt met de toezegging van het vorige
kabinet, die ik al noemde, er ook al een ambtelijk interdepartementaal
programmateam is opgestart. Daarin wordt actief de horizontale
verbinding gemaakt en bewaakt. Dat is niet iets wat wij nu doen; dat is
in de vorige periode al gestart. Dat is onderdeel van de manier waarop
we doorwerken. We gaan ook kijken hoe we bijvoorbeeld gezamenlijk met
het veld kunnen gaan praten. In het verleden was het heel vaak zo dat er
alleen individueel met het veld gesproken werd, waardoor er een groter
risico op versnippering was. Dat is onderdeel van het proces om meer
eenheid in de coƶrdinatierichting in de rapportages te krijgen.
Dan ga ik door naar financiƫn. JA21 was daar duidelijk over. Ik heb er
net al iets over gezegd. De vraag, die volgens mij ooit volgde uit de
motie-Mutluer, was om halfjaarlijks te rapporteren, inclusief een
financieel overzicht dat is gekoppeld aan de begrotingscyclus. Vorig
jaar maart is er een overzicht gestuurd van financieringsstromen bij de
aanpak van personen met onbegrepen gedrag. Daarin ging het over de
specifieke budgetten van VWS en JenV. Volgens mij is daarin ook
aangegeven dat algemene middelen voor politieoptreden, versterking van
curatieve zorg, geestelijke gezondheidszorg, suĆÆcidepreventie, de aanpak
van dak- en thuisloosheid en incidentele middelen voor huisvesting van
aandachtsgroepen allemaal bijdragen, maar dat het heel moeilijk is om
daar ƩƩn overzicht van te geven. Tegelijkertijd zegt de Kamer dat wat er
tot nu toe gekomen is te weinig en te summier is. Aangezien een van die
vier prioriteiten juist gaat over die structurele financiering, wil ik
toezeggen dat we voornemens zijn in de brief die er rond de zomer gaat
komen het financiƫle overzicht van middelen op de begroting van de
verschillende departementen beter mee te nemen dan in de vorige brief
het geval was. Dat doe ik tegen de achtergrond dat het heel complex is
om dat overzicht goed te krijgen, maar ook omdat de Kamer vond dat de
eerste poging daartoe niet goed genoeg was. Als we die rapportage dan
rond de zomer sturen, kunnen we daarna met de Kamer kijken of er
voldoende verbetering is.
Dan ga ik naar gegevensdeling. Dit waren volgens mij vragen van onder
andere D66 en JA21. Wanneer krijgen professionals heldere
handelingskaders over wat wel mag? Is het kabinet bereid om, als die
ruimte er onvoldoende is, de regels aan te passen? Het kabinet erkent
dat relevante gegevens tussen partijen in de keten rondom een persoon
met verward of onbegrepen gedrag in de huidige praktijk onvoldoende
gedeeld worden. Dat is simpelweg een belemmering voor het vroegtijdig
met elkaar optrekken om problematiek te reduceren. Meer specifiek heeft
het kabinet vastgesteld dat bijvoorbeeld gemeenten het aan een titel
ontbreekt om tijdig geĆÆnformeerd te worden over bewoners met een
veiligheidsrisico. Daardoor kunnen zij waar nodig niet tijdig
verantwoordelijkheid nemen. Als gemeentes signalen over inwoners met een
mogelijk veiligheidsrisico missen, kunnen zij hier niet op acteren. De
mogelijkheid om de bemoeizorg door de gemeente te intensiveren, wordt
hierdoor ook beperkt. We gaan samen met ketenpartners in kaart brengen
wat er nodig is om het delen van gegevens over situaties van verward en
onbegrepen gedrag te bevorderen. In het kader hiervan zal bezien worden
of en, zo ja, welke specifieke wettelijke titel er gecreƫerd dient te
worden. Het streven van het kabinet is om u in die brief, waar ik het al
over had en die van de zomer komt, zo concreet mogelijk te informeren
over de stand van zaken bij die verkenning. Dit is ook een van die vier
prioriteiten. Ook gaan we kijken wat voor tijdlijn we daaraan kunnen
hangen, conform de vraag van mevrouw Coenradie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel minister, voor de urgentie die hieruit spreekt.
Tegelijkertijd lees ik in veel brieven ā ik neem er maar even een
voorbeeld uit ā over bijvoorbeeld de Wgs. Die is al wel ingevoerd, maar
er is nu al bekend dat die wet eigenlijk verouderd is. Een aantal hele
cruciale partijen, bijvoorbeeld woningbouwverenigingen, zijn daar niet
bij betrokken. Kan ik uit de urgentie van de minister afleiden dat we
niet wachten tot die wet weer wordt geƫvalueerd, maar we naar tijdelijke
oplossingen zoeken om dat nu al te herstellen?
Minister Heerma:
De minister van Justitie en Veiligheid zal ingaan op deze specifieke
vraag over dit specifieke wetsvoorstel. Dit is ook een onderdeel ervan.
Ik ga mijn best doen, ook bij Volkshuisvesting. "Coƶrdineren" betekent
niet dat ik alles weet over alles en overal over ga. Zo nu en dan zal ik
dus bij een vraag heel even naar rechts moeten kijken. In de
samenwerking zie je dan gelukkig dat degene die erover gaat zijn hand
opsteekt.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Heerma:
Dan ga ik naar burgemeestersbevoegdheden bij dwang. Daar zijn onder
andere door de VVD vragen over gesteld. In het coalitieakkoord heeft dit
kabinet aangekondigd meer mogelijkheden voor burgemeesters te creƫren om
door middel van bemoeizorg in te grijpen en meer crisisplekken te
realiseren. Gemeenten en burgemeesters voelen zich vaak verantwoordelijk
voor de zorg voor hun inwoners met verward en onbegrepen gedrag en
mogelijke veiligheid, maar ervaren in die situaties nog onvoldoende
positie, bevoegdheden en handelingsperspectief. Ik verwees al naar de
brief van de burgemeester van Apeldoorn, maar ook de burgemeester van
Arnhem heeft hier onlangs nog nadrukkelijk op gewezen. Gemeenten kunnen
na een melding een verkenning doen en een zorgmachtiging aanvragen, maar
dat proces leent zich minder goed voor acute situaties. De positie van
gemeenten en burgemeesters maakt, in lijn met de aanbeveling uit de
parlementaire verkenning, expliciet onderdeel uit van de verkenning die
nu loopt aan de kant van het kabinet. De ambitie van het coalitieakkoord
zal hierbij worden betrokken. We zullen dus in de brief die van de zomer
komt, met de uitkomsten van de verkenning en met oplossingsrichtingen
naar uw Kamer komen, want dit is ook weer een van de prioriteiten.
Dan kom ik nu bij het stukje waar u, als u het echt leuk wil maken, heel
veel vragen over kan stellen, maar dan zal ik daarna wellicht snel
moeten verwijzen naar een brief van de minister of de brief die nog gaat
komen. Ik ga nu namelijk de vragen over volkshuisvesting en ruimtelijke
ordening beantwoorden. Ik ga het nogmaals zeggen: de minister had hier
graag bij willen zijn. Zij ziet het belang van het onderwerp ook, maar
moet nu plenair de Wet toekomstbestendige Huurcommissie verdedigen in de
Tweede Kamer.
Deze opgave raakt ook aan voldoende en passende huisvesting. De minister
van VRO werkt hard aan het realiseren van 100.000 woningen per jaar. De
Taskforce Versnelling Woningbouw is gestart om doorbraken te realiseren
en versneld te komen tot meer huizen voor iedereen. Dat is ook hard
nodig voor mensen uit specifieke doelgroepen, waaronder mensen met
verward en onbegrepen gedrag. Daarom zal, zoals ik daarstraks ook heb
aangegeven, in de voortgang van deze taskforce ook specifiek aandacht
besteed worden aan deze doelgroep. Dit heeft aandacht binnen de
taskforce, omdat het niet alleen gaat om puur dat aantal van 100.000,
maar ook om de vraag hoe je daarbinnen voor specifieke doelgroepen
voldoende mogelijkheden creƫert.
Er zijn ook vragen gesteld over vervolgstappen. Ik ga er een aantal
langslopen. In de bestaande woningvoorraad zal samen met gemeenten en
woningcorporaties gestuurd worden op de juiste toewijzing van woningen
waar de inzet van zorg mogelijk is. Met de Wet regie, waarin mensen uit
beschermd wonen, maatschappelijke opvang en ggz een urgentiepositie
krijgen als het gaat om de woonruimteverdeling bij gemeenten, zal hierop
gestuurd worden. We sturen op de realisatie van passende woonvormen in
de woningbouwopgave. Daarbij zal niet alleen op de aantallen, maar ook
op de juiste woonvormen worden ingezet. In dit geval betreft het veelal
geclusterde woningen waar zorg kan worden geleverd. Ook is in verband
met de leefbaarheid van wijken de locatie binnen gemeenten van belang.
Er is echter ook een forse groep met zware problematiek, waarvoor
reguliere huisvesting geen optie is. Voor deze groep zijn ook
oplossingen nodig in de zorg- en veiligheidsdomeinen.
De specifieke vragen van met name het CDA gingen onder andere over
passende prikkelarme woonvormen en slechte doorstroming in de keten
beschermd wonen. De vraag is hoe de minister landelijk de regie wil
nemen op het huisvestingsvraagstuk voor deze doelgroep. Hierbij geldt
dat het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, dat op dit
moment in de Eerste Kamer ligt, van groot belang is. In de
volkshuisvestingsprogramma's komt er aandacht voor de huisvesting van
specifiek deze doelgroep. Ook wordt er een verplichte urgentieregeling
geĆÆntroduceerd. Daarnaast wordt de realisatie van huisvestingsconcepten
voor personen met verward en onbegrepen gedrag op verschillende manieren
gestimuleerd. Het gaat voor de mensen die zelfstandig kunnen wonen om
het realiseren van passende en betaalbare woningen. Daarnaast worden
diverse woonconcepten ingezet voor mensen met verward en onbegrepen
gedrag, zoals de Skaeve Huse en vormen van begeleid en gemengd wonen.
Zei ik dat goed? Gelukkig.
Het CDA vroeg ook: welke mogelijkheden ziet de minister voor tijdelijke
huisvesting op locaties in handen van het Rijksvastgoedbedrijf? De
minister van VRO gaat aan de slag met alternatieve huisvesting tussen
opvang en huisvesting in. Dit doet ze om de realisatie van 100.000
woningen per jaar te versnellen. Dit is ook relevant voor specifiek deze
groep. Daarnaast kan het Rijksvastgoedbedrijf een rol spelen in het
realiseren van aanvullende huisvesting. Daarbij wordt ook gekeken, en
moet er ook gekeken worden, of deze locaties niet meer voor hun
oorspronkelijke functie worden gebruikt, maar voor een ander doel.
Daarbij moeten we kijken naar de wet- en regelgeving die geldt voor de
verkoop. Als er mogelijkheden zijn, dan worden die zeker aangegrepen,
geeft de minister van VRO aan.
Er was specifiek een aanvullende vraag vanuit 50PLUS, van het lid
Struijs: wanneer kan de Kamer de wijziging van de Woningwet
tegemoetzien, zodat er informatie-uitwisseling kan zijn? Voor de zomer
gaat het wetsvoorstel naar de Raad van State. Daarna kunt u het zo
spoedig mogelijk tegemoetzien.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de leden. Ik zie mevrouw Ten Hove en
mevrouw Coenradie. Eerst mevrouw Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Misschien komt het nog, hoor, maar ik dacht dat het toch in dit blokje
paste. De gemeenten zitten klem en weten niet hoe ze deze onmogelijke
taak moeten uitvoeren. Ik hoor de minister spreken over de taskforce, de
100.000 woningen die erbij moeten komen en de versterkte regie. We gaan
werken met een verplichte urgentieregeling voor deze doelgroep, maar
gemeenten zitten ook al met de Spreidingswet en stikstofregels. Als die
woningen niet gerealiseerd kunnen worden, hoe gaan we deze taak dan toch
volbrengen met z'n allen?
Minister Heerma:
In de antwoorden die ik net namens de minister van VRO heb gegeven, werd
verwezen naar de Wet regie, die hierbij moet gaan helpen. De eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen dat ik nu geen aanvullend antwoord heb hierop. Ik
kan u toezeggen dat we ook hier heel specifiek op ingaan in de brief die
u voor de zomer krijgt, omdat voldoende woningen een van de vier
prioriteiten is. Meer dan dat heb ik op dit moment niet.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie en daarna mevrouw Straatman.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet even niet of ik hem hier kan stellen of dat het nog komt, maar
ik heb een vraag over de bezuinigingen op GGZ Wonen die het kabinet
voornemens is. Is dat een vraag die deze minister kan beantwoorden? Zo
nee, bij wie ligt dit dan? Dat komt nog? OkƩ.
De voorzitter:
Ik beschouw dit dan even niet als een interruptie, maar als een
informatieve vraag.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp het voorstel voor de urgentieregeling, maar dat veronderstelt
natuurlijk wel dat de woningen er al zijn. Bijvoorbeeld met betrekking
tot de Skaeve Huse wordt nu ongeveer becijferd dat je meer dan 1.000,
1.150 van die woningen nodig hebt, maar we hebben er nog maar 150. Er
ligt dus gewoon een probleem in het creƫren van die woningen, vaak ook
vanwege het maatschappelijk draagvlak dat ontbreekt. Ik begrijp heel
goed dat de minister zegt dat hij deze vragen nu niet kan beantwoorden,
maar ik zou wel willen vragen of hij dan aan de minister van VRO een
verzoek wil doorgeven. Kan zij concreet in een brief ingaan op de
stappen die worden gezet om er tijdelijk alles aan te doen om die extra
woningen te creƫren en daarbij ook naar creatieve oplossingen te zoeken,
zoals toch met rijksvastgoed in gesprek gaan of kijken naar
ggz-instellingsterreinen, waar overigens ook nog wel ruimte is? Kan zij
dus heel concreet op die punten ingaan? De intentie om die woningen te
creƫren, delen we namelijk allemaal, maar de weg ernaartoe is heel
ingewikkeld.
Minister Heerma:
Aan een deel van de vragen die gesteld worden, heb ik net al
gerefereerd. Wat betreft het Rijksvastgoedbedrijf wordt er met
creativiteit gekeken wanneer het mogelijk is. Ik heb ook al gezegd dat
hier bij de rapportage van de taskforce expliciet aandacht voor is. In
aanvulling op wat ik net al aangaf, zullen we in de brief die rond de
zomer komt heel specifiek op deze onderwerpen ingaan. Daar zal de
minister van VRO ook haar bijdrage aan leveren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan bent u aan het einde van uw inbreng en beantwoording.
Dan wil ik graag de minister van Volksgezondheid, VWS, het woord
geven.
Minister Hermans:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met een aantal vragen over de ggz en de
Wet verplichte ggz. De eerste vraag die mevrouw Ten Hove mij stelde,
was: wat is de reactie van het kabinet op de rechtszaak die door de
Stichting Recht op GGZ tegen de Staat is aangespannen? Daar kan ik kort
over zijn. Het kabinet is net als de stichting van mening dat het van
heel groot belang is dat we de wachttijden in de ggz terugdringen, zeker
voor mensen met complexe problematiek. Het verbeteren van de
toegankelijkheid van de ggz, dus zorgen dat mensen zo snel mogelijk op
de voor hen juiste plek terechtkomen, is een beleidsprioriteit van dit
kabinet. Daar hebben we in het commissiedebat van twee weken geleden ook
uitgebreid bij stilgestaan. We hebben de dagvaarding van de stichting in
goede orde ontvangen. Die bestuderen wij op dit moment. Zoals mevrouw
Ten Hove weet, kan ik daar verder niet inhoudelijk op ingaan omdat dit
nu een zaak onder de rechter is, maar in algemene zin vond ik het goed
om deze reactie te geven.
Dan vroeg de heer Van Dijk mij: kan je in de bekostiging van de ggz
dingen anders organiseren, om te regelen of te zorgen dat juist de
mensen met een complexe problematiek hun zorg sneller krijgen, omdat
prikkels dan niet zo afgesteld staan dat men niet bij die zorg
terechtkomt? Er zijn eigenlijk drie dingen waar we nu aan werken in de
bekostiging om iets aan dit probleem te doen. Het eerste is dat we
verkennen of we budgetbekostiging kunnen invoeren in de
high-intensive-care- en de intensive-home-treatmentbehandelingen in de
ggz. Ik zei in het debat van twee weken geleden dat daarvan nu een
eerste verkenning is aangekomen. Ik zie daarin echt aanknopingspunten om
daarmee verder te gaan, en dat doen we. Dat vraagt ook iets van de
sector. Dat was ook mijn oproep twee weken geleden: ga nou alsjeblieft
samen snel om de tafel om dat normenkader te maken, om de definitie van
deze behandelingen scherp te krijgen. Dat hebben we heel hard nodig als
we die stap willen zetten naar budgetbekostiging. Dat is ƩƩn. Het tweede
is dat we nu, naar aanleiding van een motie van ik dacht mevrouw Dobbe,
kijken of je zeker in die complexe ggz iets zou kunnen doen aan ā of
tegen, moet ik misschien wel zeggen ā de omzetplafonds. We hebben
beloofd om daarop voor de zomer terug te komen in de zogenaamde
"routekaart passende zorg", waarin nog een aantal andere elementen
terugkomen, maar in ieder geval ook dit punt. En het derde is dat ik
samen met de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport nog een
reactie zal geven op het IBO mentale gezondheid. Daarin is door de
onderzoekers ook een heel aantal aanbevelingen gedaan over hoe met die
bekostiging in de toekomst moet worden omgegaan. Daar zullen we dan ook
op ingaan. Los van deze financiƫle dingen lopen er natuurlijk nog heel
veel maatregelen en acties om die wachtlijsten terug te dringen: het
schrappen van de exclusiecriteria, meer inzetten op groepsbehandelingen
in de lichte ggz, en nog een heel aantal acties. Het is dus niet zo dat
dit het enige is wat we doen, maar dit was de vraag die de heer Van Dijk
mij specifiek stelde.
Mevrouw Westerveld en ook mevrouw Van der Plas, de voorzitter, stelden
mij vragen over de psychosezorg: heb ik daar specifiek aandacht voor,
wil ik daar apart in investeren? In reactie op de rechtszaak zei ik al
dat het voor het kabinet van groot belang is dat mensen met een complexe
psychische problematiek sneller en passend geholpen worden. Het gaat dan
ook om mensen die te maken hebben met psychoses. We hebben daarom in het
AZWA, het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, afgesproken dat we binnen
het bestaande kader schuiven met menskracht en middelen, waarbij het
zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de
behandeling van complexe zorgvragen. En we werken dus aan die routekaart
passende zorg. Dat is allemaal gericht op die groep met complexe
problematiek, en daar valt ook deze groep onder. We hebben daar dus
aandacht voor, maar daar staat nu niet een specifieke investering voor
gereserveerd anders dan alles wat we doen voor die complexe
gevallen.
Voorzitter. Ik kom bij de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
...
De voorzitter:
Ja, gaat u verder.
Minister Hermans:
Mevrouw Ten Hove stelde mij de vraag: welke rol spelen de Wet verplichte
ggz en de Wet zorg en dwang nou in verward gedrag op straat, of in ieder
geval bij het aanpakken daarvan? Beide wetten maken het mogelijk dat we
mensen ook tegen hun wil zorg kunnen geven of dat zij gedwongen kunnen
worden opgenomen als er sprake is van ernstig nadelig handelen of gedrag
voor zichzelf of voor iemand anders. Die wetten zijn natuurlijk omkleed
met ongelofelijk nauwkeurige zorgvuldigheidseisen, omdat je iets doet
tegen de wil van mensen in, maar soms is dat voor hun eigen veiligheid
of de veiligheid van hun omgeving natuurlijk wel van belang. Dat kun je
doen in een crisissituatie. Als bijvoorbeeld de politie zo iemand op
straat tegenkomt, dan kan via de burgemeester een crisismaatregel voor
drie dagen worden afgegeven. Maar beide wetten kunnen ook een rol spelen
in het voorkomen dat het tot een crisis of tot herhaling komt. De
gemeente heeft daarin dan een signalerende rol en speelt ook een rol in
de nazorg.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Ten Hove mij: "De crisismaatregel
is complexer dan de ibs. Bijvoorbeeld Verenso heeft een aantal
suggesties gedaan voor hoe deze zorg beter kan. Kent de minister deze
suggesties en gaat ze hiermee aan de slag?" Ja, ik ben daarvan op de
hoogte. Wij werken op dit moment aan het verwerken van alle
consultatiereacties die zijn binnengekomen op het aangepaste
wetsvoorstel Verplichte ggz en de Wet zorg en dwang. Suggesties, ook die
van Verenso, zullen we daarbij betrekken. Het streven is dat we dit
wetsvoorstel in het najaar naar de Raad van State sturen en dat we, als
het terug is, die reactie verwerken en het zo snel mogelijk zullen
indienen bij de Tweede Kamer.
Mevrouw Straatman stelde mij ook een vraag over de Wvggz. Een beetje in
het verlengde van de vraag over de burgemeestersbevoegdheden waarop de
minister van Binnenlandse Zaken al is ingegaan, zal ik specifiek iets
zeggen over hoe dat werkt in de wet. Mevrouw Straatman stelde dat het
soms ontbreekt aan terugkoppelingen; welke verbeterpunten zien we nu
hierin? Als het gaat om een crisisplaatsing, dan klopt het dat de
burgemeester daar niet standaard een terugkoppeling van krijgt. Dat is
denk ik ook goed; het past ook bij het belang dat we hechten aan
privacy, dus we moeten met het delen van die informatie voorzichtig en
terughoudend zijn. Maar we zien ook ā en daarbij komt dat verbeterpunt,
dat een onderdeel is van die aangepaste Wet verplichte ggz ā dat we het
contact tussen ggz en de gemeente wel kunnen versterken, vooral als
iemand na een crisisplaatsing hulp van de gemeente nodig heeft om weer
deel te kunnen nemen aan de samenleving, om daar weer echt onderdeel van
te kunnen zijn. Dan moet de ggz contact opnemen met de gemeente die die
hulp en ondersteuning gaat bieden.
Dan vroeg mevrouw Ten Hove mij nog naar de wachtlijsten, en hoe het zit
met statushouders en mensen uit OekraĆÆne op die wachtlijsten. De
Inspectie Justitie en Veiligheid en de IGJ hebben een brief aangekondigd
over vreemdelingen op het snijvlak van zorg en veiligheid. De minister
van Justitie en Veiligheid en ik zullen later dit jaar met een reactie
op die brief van beide inspecties komen. Dan zullen we ook ingaan op dit
specifieke vraagstuk.
De voorzitter:
Ik zag als eerste een interruptie van mevrouw Ten Hove. Daarna mevrouw
Westerveld.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik had nog even een vraag over die twee wetten, met name die Wet zorg en
dwang. In de voorgestelde wetswijziging staat een voorstel voor
gezamenlijke crisisregeling. Dat is op zich een mooi idee, maar die
gemeenschappelijke crisisregeling lijkt sterk op de complexe
crisismaatregel van de Wvggz die er nu al is. Met name voor de
specialisten ouderengeneeskunde zorgt dat ervoor dat ze complexere
procedures moeten gaan volgen, met uiteindelijk hetzelfde resultaat. Ik
wil daar graag een praktijkvoorbeeld aan koppelen, een beetje voor de
beeldvorming. Ik ben zelf ambulanceverpleegkundige geweest. Ik heb op
straat vaak met de politie echt in de clinch gelegen over de vraag: waar
is deze persoon op de beste plek? Doordat die wetten niet samenkomen,
waardoor er een onderliggend ziektebeeld is dat leidend is en waarvoor
iemand ergens terecht kan, lukt dat op straat niet, waardoor je dan
...
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat dat wel kan, op straat? Dat het
samenkomt en dat iemand dan, ondanks dat niet duidelijk is in wat voor
wet het thuishoort, altijd ergens terecht kan?
Minister Hermans:
Ik denk dat mevrouw Ten Hove op zich een terecht knelpunt aanstipt. Hoe
je hier precies mee omgaat, was ook in de internetconsultatie een
onderwerp van discussie, waarover de meningen nogal uiteenliepen ā als
ik het zo mag formuleren. Wij zijn die reacties nu aan het bekijken, en
ook hoe we daarmee omgaan en hoe we dit een plek in de wet geven. Ik ben
echt nog niet zover dat ik daar nu een antwoord op kan geven. Maar daar
zal wel een antwoord op moeten komen, want we doen die aanpassingen in
beide wetten niet voor niets. Die zien op allerlei aspecten: op het
contact tussen gemeenten en ggz ā dit in de richting van mevrouw
Straatman ā maar natuurlijk ook op de overgang tussen die wetten. Je wil
dat je, als je op straat of thuis mensen ziet of spreekt en er iets moet
gebeuren, kan handelen met de juiste instrumenten in handen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister legt uit dat er in principe niks extra's geĆÆnvesteerd gaat
worden in psychosezorg. Mijn vraag is: waarom? We weten dat als
specifieke gespecialiseerde behandelaars er in een vroeg stadium bij
zijn, ze heel veel leed kunnen voorkomen. Mensen leren dan leven met
psychotische klachten en het hoeft niet mis te gaan. We weten ook dat
het in de praktijk wel een aantal keer flink mis is gegaan, met enorme
consequenties voor mensen zelf en vooral voor de slachtoffers en de
nabestaanden. Mijn vraag is dan: als we dit allemaal weten, waarom gaat
er dan niet extra geĆÆnvesteerd worden in goede psychosezorg?
Minister Hermans:
Ik deel dat volledig met mevrouw Westerveld. Zeker als je de groep
mensen met deze problematiek snel de goede zorg kan bieden, kan dat heel
veel problemen in de toekomst voorkomen. Juist daarom zet dit kabinet
langs verschillende lijnen in op het ervoor zorgen dat de mensen met een
psychose, of met complexe psychische problematiek ā misschien moet ik
het zo zeggen; dat is beter ā zo snel mogelijk op de goede plek geholpen
worden. Dat doen we binnen het bestaande kader; dat was mijn reactie.
Alle maatregelen die we nemen om de wachtlijsten terug te dringen, zijn
er echter op gericht om die complexe situaties, waaronder mensen met
psychotische problematiek, sneller te kunnen helpen, juist ook om erger
te voorkomen.
De voorzitter:
OkƩ, dan komt u aan het laatste blokje.
Minister Hermans:
Het tweede en laatste blokje. Dat gaat over twee van de prioriteiten die
genoemd zijn in de brief van het kabinet van december. De ene gaat over
structurele financiering en de andere over wat je nationaal doet en wat
lokaal, of de spanning tussen regie en lokale autonomie.
Voorzitter. Een heel aantal van de Kamerleden heeft mooie, goedlopende
pilots als voorbeeld genoemd; mevrouw Straatman ging in op de spv'er die
meeloopt met de politie in Groningen, de heer Van Dijk op de
Maatschappelijke Eerste Hulp in Hollands Midden, de heer ... Excuus, ik
ben even uw naam vergeten; dat gaat niet nog een keer gebeuren. De heer
Mathlouti ging in op de interventiemedewerkers op Utrecht Centraal en
mevrouw Coenradie ging in op de pilot van de time-outvoorziening in
Rotterdam, waar wij al eerder met elkaar over gedebatteerd hebben. Ik
denk dat dit een paar mooie voorbeelden zijn van initiatieven, van
pilots, die vanuit het programma Grip op Onbegrip van ZonMw zijn
opgestart in de afgelopen jaren. Het zijn een pƔƔr mooie voorbeelden,
want er zijn er heel veel meer in het land. Dat laat zien dat die pilots
juist ook lokaal ontwikkeld worden en ook geborgd moeten worden. Ze
sluiten namelijk goed aan bij de lokale problematiek en bij hoe de zorg
lokaal georganiseerd is, hoe de zorginfrastructuur eruitziet, om het
maar even beleidsmatig te zeggen, en op welke manieren er wordt
samengewerkt. Dat verschilt gewoon per regio en ook per gemeente. Dat
maakt dat je dit soort pilots niet zomaar kan opschalen en landelijk kan
uitrollen, maar we leren er wel een heleboel van. We hebben in al die
pilots de afgelopen jaren elementen gezien die gewoon werken, als ze
mensgericht zijn, herstelgericht, wijkgericht. Dat zijn aspecten die in
zo'n pilot moeten zitten om die succesvol te laten zijn.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Straatman wat het stappenplan nou is.
Het stappenplan dat JenV en VWS samen vanaf volgend jaar structureel
geld hebben, even afgerond ongeveer 20 miljoen euro, om te zorgen dat we
dit gaan borgen en we die goed werkende initiatieven lokaal kunnen
inbedden. Ik zal voor de zomer in de brief die de minister van
Binnenlandse Zaken net heeft toegezegd, heel duidelijk maken wat de
werkbare elementen van die initiatieven nou zijn. Dan zullen we aan het
einde van het jaar duidelijk maken hoe het geld dat we beschikbaar
hebben, verdeeld gaat worden. Dat zal wel leiden tot het maken van
keuzes. U zei allen terecht dat er heel veel pilots en initiatieven
zijn. We hebben niet voor al die specifieke pilots en initiatieven geld,
maar ik denk dat het maken van de keuzes wel gaat helpen om heel gericht
de stap naar borging en inbedding in de lokale structuur te kunnen
maken. Daarmee heb ik ook de vraag van de heer Van Dijk over het vervolg
van de pilot in Hollands Midden beantwoord.
Mevrouw Coenradie stelde een vraag over de time-outpilot in Rotterdam.
Zoals afgesproken bij de begrotingsbehandeling, zijn we in gesprek
gegaan met de gemeente Rotterdam. Die is nu heel hard aan het werk om
die pilot vorm te geven, om die lichte ggz-vragen te kunnen
beantwoorden. Professionals zijn nu met elkaar in overleg over wat nu
precies die lichte ggz-vragen zijn die zij kunnen doen. Zij willen daar
voor de zomer, binnen twee maanden, een antwoord op hebben, zodat ze
daarna kunnen starten. Ik had al toegezegd om voor de zomer een
stand-van-zakenbrief te sturen. Ik stel voor dat ik dit meeneem in die
brief. Dat doe ik in het kader van het bundelen van informatie, zeg ik
tegen mevrouw Wendel.
Voorzitter. Dan de interventiemedewerkers op Utrecht Centraal. Het is
echt heel mooi dat dat soort initiatieven, waar wordt samengewerkt en
waar lokale en regionale instanties ook naar kunnen verwijzen, succesvol
zijn. Ik heb begrepen dat alle nieuwe medewerkers van de NS in de
basisopleiding door middel van e-learning les krijgen in de omgang met
mensen met verward of onbegrepen gedrag. Daarmee zorgen we dat de in
deze pilot opgedane kennis wordt geborgd.
Mevrouw Westerveld vroeg hoe het staat met de structurele financiering
voor de Levensloopaanpak. Voor de levensloopcliƫnten met een
Wlz-indicatie is er een structurele bekostiging. Voor de overige
cliƫnten is er voor 2026 en 2027 een subsidieregeling. We hebben ook nog
geld voor de jaren daarna. De vraag is nog even hoe we dat precies gaan
invullen en vormgeven. Daar wordt nu aan gewerkt. Daar zullen we op
ingaan in de voortgangsrapportage aan het eind van het jaar. Maar er is
dus een subsidieregeling voor dit jaar en voor volgend jaar.
Voorzitter. Daarmee heb ik mijn vragen beantwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Van Dijk een interruptie heeft.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank aan de minister voor de hele heldere woorden over de pilots. Ik
proef de ambitie om niet te laten vallen wat goed loopt. Het is
ontzettend mooi om dat te horen. Ik begrijp heel goed dat de minister
zegt dat er gekozen zal moeten worden welke pilots wel en niet doorgaan.
Er loopt namelijk heel veel. Kan ze wel iets zeggen over de ijkpunten?
In hoeverre is het bijvoorbeeld financieel gedreven? Ik kan me
voorstellen dat een bepaalde pilot extra belasting of geld kan vragen
bij de zorg, maar heel veel kan opleveren bij de politie. Kan de
minister iets zeggen over de ijkpunten? Hoe besluiten we wat wel of geen
voortgang vindt?
Minister Hermans:
Precies om deze reden hebben we dit proces opgeknipt. Dat is het
stappenplan waar mevrouw Straatman naar vroeg. De eerste stap is dat wij
voor de zomer in kaart brengen wat de werkbare elementen of de
succesvoorwaarden zijn voor pilots die goed werken. Daarbij wordt er
gekeken of je die kan opschalen zonder dat je lokaal invult dat de
voorziening in Limburg en Drenthe precies hetzelfde moet zijn als in
Hollands Midden. Dat is stap ƩƩn. Van daaruit gaan we de middelen
verdelen. Dat zullen we dus eind van dit jaar doen.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de klok en naar de leden. Er zijn nog twee
ministers die hun beantwoording moeten doen. Normaal gesproken hebben we
ook een tweede termijn voor de Kamer. Ik weet dat er hier een aantal
leden zitten die ook in de commissie Asiel en Migratie zitten, die
aansluitend aan dit debat een procedurevergadering heeft. Ik kijk even
of er een tweede termijn moet komen of dat we nu gewoon doorgaan en de
gelegenheid geven om een tweeminutendebat aan te vragen. Als mensen per
se een tweede termijn willen, moeten we echt iets sneller door de vragen
en antwoorden gaan. Zullen we gewoon doorgaan tot 13.00 uur? Dan kan er
eventueel nog een tweeminutendebat worden aangevraagd. OkƩ, dan doen we
dat. Dan geef ik het woord aan de minister van Langdurige Zorg.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Gisteren was ik in Gouda op bezoek bij de Gouwe
Huse, een variant van de Skaeve Huse. Daarna had ik een gesprek met
allerlei partijen over hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen die voor
overlast zorgen door verward of ā wat is nou die andere term? ā
onbegrepen gedrag, de goede hulp krijgen en ook dat de mensen die om hen
heen wonen, daar zo min mogelijk last van hebben. De Gouwe Huse is een
prachtig voorbeeld van hoe je kunt zorgen dat deze mensen, die een enorm
grote zorgvraag hebben en voor veel overlast kunnen zorgen, toch een
plek kunnen vinden waar ze zelf tot rust kunnen komen en daarmee de
buurt ook. Daarmee help je enorm veel mensen om in een leefbare situatie
te blijven.
Daarnaast hebben we het gesprek gevoerd over de bemoeizorg. Iedereen
ziet dat het ontzettend belangrijk is dat we goede bemoeizorg kunnen
geven. Als we vooraf, preventief, zaken kunnen ondervangen door op dat
moment de goede hulp te bieden, kunnen we later in de keten, om maar een
beleidswoord te noemen, crisisopnames en zwaardere vormen van zorg, die
ook nog eens heel duur zijn, voorkomen. De bemoeizorg moet inderdaad
versterkt worden. Dat proef ik bij u allemaal. Daar werken we op dit
moment aan door de wet Wams ā ik heb die titel ook niet bedacht. Dat is
de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Toen we de Wmo
introduceerden, ontdekten we dat er geen wettelijke basis was om
gegevens te mogen uitwisselen in het sociaal domein. Dat is natuurlijk
wel erg belangrijk als je aan de voorkant zo veel mogelijk in kaart wil
brengen. Daarom is deze wet ontwikkeld. Daar is gaandeweg de discussie
rond verward en ā nou vergeet ik het weer ā onbegrepen gedrag ⦠Ik ga
het even opschrijven! Eigenlijk is die wet dus vooral bedoeld om de
gegevensuitwisseling te organiseren.
Ten tweede expliciteert deze wet het begrip "bemoeizorg". Het is
namelijk een taak die gemeentes sowieso hebben vanuit de Wmo, maar die
was niet meer vastgelegd in de Wmo. Door die taak in deze wet weer in te
voeren, is die weer verankerd. Vervolgens is natuurlijk de vraag of we
daarmee voldoende duidelijk hebben wat we precies verstaan onder
"bemoeizorg". Dat zijn we op dit moment aan het bekijken. Mijn collega
van het ministerie van BZK refereerde daar net ook al aan. We bekijken
of we daar meer voor nodig hebben, of het om bepaalde kaders vraagt en
hoe die eruit zouden moeten zien. Dat proces loopt nu. Ik stel voor dat
ik u in de brief die naar de Kamer komt op dit punt bericht over wat dat
betekent. Dat kan dus een wettelijke titel voor bemoeizorg
betekenen.
Wat daarnaast loopt in deze wet, waar mevrouw Straatman net volgens mij
aan refereerde in haar vraag, is het meldrecht in de Wams. Daar zit de
discussie van het beroepsgeheim achter. Mag je dat zomaar openbreken in
deze wet? Wij hebben geconstateerd dat daarover best veel discussie
bestaat tussen enerzijds de zorgverleners en anderzijds de gemeentes.
Zij kunnen het niet goed met elkaar eens worden. Daarom zijn we in dat
onderzoek aan het kijken of het nodig is om op dit punt meer te
expliciteren. We kijken welke plek daar dan de juiste voor is, dus in
welke wet dat zou moeten zijn. Ook bekijken we of we de discussie rond
het beroepsgeheim daarbij moeten betrekken, al dan niet in de vorm van
een meldrecht. Dat relateert daaraan. Ik heb het idee dat ik daarmee een
aantal vragen rond de bemoeizorg, de gegevensuitwisseling en het
beroepsgeheim heb beantwoord.
De voorzitter:
Dit was het blokje bemoeizorg. Dan ga ik eerst naar de heer Mathlouti
voor een interruptie.
De heer Mathlouti (D66):
Volgens mij geeft de bewindspersoon het vertrekpunt van de Wams al goed
aan. Volgens mij zei de minister al voorzichtig in haar antwoord ā dat
dacht ik tenminste te horen ā dat het stukje veiligheid hier nog
ontbreekt. Heel veel burgemeesters die ik de afgelopen tijd heb
gesproken, geven aan dat de geest van de wet Wams duidelijk is. Die ziet
vooral toe op gegevensuitwisseling binnen het sociaal domein. Maar het
stukje veiligheid en het naar de toekomst toe rekening houden hiermee,
wordt daarin nog onvoldoende meegenomen.
Minister Sterk:
Ik hoorde mijn collega van BZK daarover net ook zeggen dat we aan het
bekijken zijn hoe we dat goed kunnen borgen. De vraag is of dat in de
Wams moet. Het gaat namelijk ook heel erg over het vrijwillige kader
ervan voor mensen. Daarvoor loopt in ieder geval een proces.
Mevrouw Wendel (VVD):
Door de voorganger van deze minister is er een nota van wijziging over
de Wams naar de Kamer gestuurd. Hierin is besloten om toch geen nieuwe
grondslag in te voeren voor gegevensverwerking met betrekking tot
meervoudige problematiek, als het niet mogelijk is om toestemming van de
betrokkenen te krijgen. De VVD vindt het heel belangrijk dat het in
sommige gevallen wel degelijk moet kunnen om het medisch beroepsgeheim
te doorbreken, juist om een goede zorg te leveren aan degene die dat
nodig heeft. Mijns inziens helpen we de hulpverleners op deze manier
juist niet. Ik wil specifiek aan de minister vragen of zij nog een keer
wil kijken naar de nota van wijziging. Volgens mij moet die namelijk
weer gewijzigd worden.
Minister Sterk:
Mijn voorganger heeft dat juist niet gedaan, volgens mij omdat er in de
Kamer verdeeldheid is over dit thema en over of het nodig is. Volgens
mij zeggen de zorgaanbieders dat er al voldoende ruimte is om er toch op
te handelen, ook zonder dat het beroepsgeheim doorbroken hoeft te
worden. Aan de andere kant geeft de VNG aan dat ze dat wel heel graag in
handen willen hebben. Dat is ook de reden waarom we nu aan het bekijken
zijn of het klopt, hoe het eruitziet en wat er misschien nog meer voor
nodig is. Wat mij betreft is het namelijk ontzettend belangrijk dat we
deze wet nou eindelijk eens aannemen, want hij ligt al zo'n beetje acht
jaar hierbinnen. Omdat het voor de gegevensuitwisseling heel veel doet
en het ook de bemoeizorg expliciteert, is er door mijn voorganger voor
gekozen ā op zich herken ik mij wel in die lijn ā om het nu in ieder
geval af te maken en ondertussen te kijken wat er nog meer nodig is. Dat
gebeurt ook vanuit de zorg die u verwoordt: helpen we de zorgverleners
hier voldoende mee? Laten we dan kijken waar we het regelen. Misschien
moet dat namelijk wel helemaal niet in deze wet, maar in een andere wet.
Het betreft volgens mij ook het grotere vraagstuk rondom veiligheid. Dat
willen we ook in dat traject betrekken.
De voorzitter:
Ik wil de leden vragen om de vragen echt kort en bondig te houden. Ik
vraag de minister om de antwoorden zo veel mogelijk kort en puntig te
houden. De heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Sorry, meneer Struijs, ik ga u onderbreken. Mevrouw Wendel had een
vervolgvraag.
Mevrouw Wendel (VVD):
Die zal ik kort houden. Ik begrijp wat de minister zegt. Op deze wet
zitten we echt met z'n allen te wachten. Tegelijkertijd hecht ik er
waarde aan dat we het op een manier doen waarop we de hulpverleners
daadwerkelijk helpen. Ik hoop dus dat de minister er toch nog eens
kritisch naar wil kijken.
De voorzitter:
Dat kan met een ja of nee beantwoord worden, minister.
Minister Sterk:
Dat zal ik doen.
De voorzitter:
Dan nu wel de heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
In het kader van de Wams heb ik toch nog een vraag. Het gaat om een
noodkreet uit het hulpverlenersveld. Wordt door u en uw ambtenaren in
het kader van de nieuwe wet ook gekeken naar het verminderen van de
administratievelastendruk en de bureaucratie? Natuurlijk hebben we
spelregels nodig, maar deze wet lokt heel veel administratievelastendruk
uit. Heeft u daarop een antwoord?
Minister Sterk:
Volgens mij dwalen we nu een beetje af van het onderwerp waarvoor we
hier eigenlijk bij elkaar zijn. We krijgen een discussie over de Wams.
Er loopt op dit moment een tweede schriftelijke ronde waarbij er vragen
door de Kamer zijn ingediend. Daarop ga ik reageren. Ik stel voor dat we
dit gesprek, dat op zich heel terecht is, voeren bij de behandeling van
het wetsvoorstel.
De heer Mathlouti (D66):
Ik wil toch even op dit punt ingaan. Het gaat ook over duidelijkheid in
de wetgeving op het gebied van privacy en wat hulpverleners wel of niet
kunnen doen. De discussie rondom de wet zal dan nog gevoerd worden, maar
het gaat ook over de duidelijkheid en uiteindelijk over de
daadwerkelijke hulp aan mensen met verward gedrag. Ik denk dat dat ook
wel belangrijk is.
Minister Sterk:
Volgens mij heb ik toegezegd dat we daar ook naar gaan kijken. Nogmaals,
wij krijgen signalen vanuit hulpverleners dat zij denken dat ze juist
prima binnen deze kaders kunnen werken. Daarover zijn de meningen
verdeeld. Volgens mij is het ook wat we op dit moment aan het bekijken
zijn.
De voorzitter:
Dan gaat u naar uw volgende blokje. Dat is de Wet langdurige zorg en de
ggz.
Minister Sterk:
Er waren een aantal vragen die breder betrekking hebben op passende
woonplekken, maar ook specifiek over de passende woonzorgplekken binnen
Wlz-ggz-wonen. Er was in eerste instantie een vraag van mevrouw
Coenradie: hoe valt de bezuiniging op GGZ Wonen uit te leggen, terwijl
er al een tekort is aan passende woonzorgplekken? Ook vroeg zij of deze
bezuiniging niet zal leiden tot nog meer incidenten met verward gedrag.
Ik denk dat we net al iets over verward gedrag hebben gezegd. Het kan
met heel veel zaken te maken hebben. Het heeft niet altijd met
psychische problemen te maken. Het kan ook zijn dat mensen te maken
hebben met dementie of dat er andere dingen spelen. Niettemin begrijp ik
uw vraag wel. We weten namelijk ook dat in het coalitieakkoord is
opgenomen dat we de groei binnen de Wlz willen afremmen. De Wlz-ggz is
daar natuurlijk ook een onderdeel van. Laat ik daarin vooropstellen ā ik
heb het ook al eerder gezegd rond de gehandicaptenzorg, die met
eenzelfde taakstelling te maken heeft ā dat het afremmen van groei nooit
tot gevolg mag hebben dat wachtlijsten gaan oplopen of dat de kwaliteit
onder druk gaat staan. Als we specifiek kijken naar de wachtlijsten in
de Wlz-ggz-wonen, zien we dat die wachtlijsten vooral te maken hebben
met hele complexe zorgvragen. Daar heeft mijn collega van VWS net ook al
het nodige over gezegd. We moeten daar goed naar kijken, want dat zijn
mensen die een specifieke omgeving vragen voor de zorg die zij nodig
hebben. Daarom maken de zorgkantoren en de gemeentes op dit moment
plannen om te kijken hoe we dat beter kunnen organiseren. Met name die
groep moet namelijk niet in de knel komen. Dus als het straks gaat over
de vraag hoe we die groei gaan afbuigen en wat dat betekent voor de
Wlz-ggz, zal in ieder geval ook op de agenda staan dat die complexe
zorg, en ook de plekken daarvoor, daar niet slechter van mogen worden.
Dat is gewoon ontzettend belangrijk, ook in het kader van waar we
vandaag over spreken.
De voorzitter:
Was dit het blokje?
Minister Sterk:
Nee, sorry.
De voorzitter:
OkƩ. Dan maken we even het blokje af en doen we daarna de vragen.
Minister Sterk:
Mevrouw Coenradie had ook ā misschien is dat waarom ze mij wilde
interrumperen ā nog de vraag hoeveel er nou exact wordt bezuinigd op GGZ
Wonen en waar deze bezuiniging concreet landt. Het Wlz-kader voor 2026
bevat in totaal 40,6 miljard euro. Daarvan is 3 miljard bedoeld voor de
langdurige ggz. We hebben een oude taakstelling uit het kabinet-Rutte IV
voor meerjarig contracteren. Dan gaat het om 13 miljoen euro die we
vanaf 2027 structureel moeten bezuinigen. Maar er zijn daartegenover ook
extra middelen beschikbaar gesteld. Zo zijn de tarieven voor 2026
structureel verhoogd met 40 miljoen. Ook stelt het kabinet, zoals
trouwens bij alles in de Wlz, elk jaar extra middelen beschikbaar om de
groeiende vraag en de loon- en prijsontwikkelingen op te vangen. Ik zei
het net al: in deze bezuiniging gaat het erom dat we proberen om die
groei bij te stellen, omdat we het uiteindelijk gewoon niet vol kunnen
houden om op deze manier de zorg te financieren. Dat betekent dat we
vooral gaan kijken waar het geld dat er nog wel is dan extra voor nodig
is. We willen dat goed inzetten. Daarom ben ik van plan om, ook met de
Wlz-ggz, in het najaar akkoorden te gaan sluiten.
De voorzitter:
Was dat het einde van het blokje? Ik wil namelijk wel graag het blokje
afmaken, zodat we daarna de vragen kunnen doen.
Minister Sterk:
Laten we dan gewoon alle vragen afmaken die ik nog heb liggen. Dan
hebben we dat ook maar gedaan. Mevrouw Ten Hove vroeg specifiek naar de
oplossingen die het kabinet heeft om het aantal passende woonplekken te
vergroten. Ik denk dat mijn collega van BZK hier net al vrij uitgebreid
op is ingegaan door te zeggen dat via de Wet versterking regie
volkshuisvesting de gemeentes voortaan ook een huisvestingsverordening
moeten gaan opstellen. Daarin moeten gemeentes aangeven wat voor type
huisvesting ze voor specifieke groepen gaan organiseren. Dat hoeft niet
per se allemaal nieuwe huisvesting te zijn. Je kunt natuurlijk ook van
bestaande plekken gebruikmaken of die anders inrichten om ze geschikt te
maken voor deze specifieke groepen. Volgens mij proberen we daar dus ook
meer sturing te geven op deze specifieke groepen. Verder wordt er binnen
het programma waarvoor we hier met elkaar zitten ook verkend welke
kaders en randvoorwaarden er nodig zijn om meer vanuit gezamenlijke
verantwoordelijkheid te komen tot voldoende passende woningen. We
streven ernaar om in de tweede helft van 2026 met voorstellen voor
oplossingsrichtingen te komen. Ik wil dan ook toezeggen dat we daar in
de brief aan het eind van het jaar op terug zullen komen. In de brief
die voor de zomer komt, zullen wij u informeren over de voortgang op een
aantal prioriteiten, waaronder huisvesting.
Ten slotte hecht ik er ook nog aan het volgende te zeggen. We hebben de
Taskforce Versnelling Woningbouw. Daar zit deze minister ook in, juist
vanuit de zorg voor deze specifieke groepen. We kunnen het namelijk wel
hebben over kwantiteit en dat er meer woningen moeten komen, maar het
gaat ook over de kwaliteit van die woningen en of we dat inderdaad goed
in het oog houden. Dat geldt overigens ook voor ouderen, maar dat geldt
zeker voor deze groep. De problemen die we hebben, bijvoorbeeld in de
maatschappelijke opvang en als het gaat over daklozen, hebben namelijk
vooral te maken met dat er geen doorstroming plaats kan vinden naar
woningen waar zij zelfstandig kunnen wonen. Dat is volgens mij
ontzettend urgent.
Voorzitter. Ten slotte had de mevrouw van de BBB nog een vraag aan mij.
Zij vroeg hoe de gesprekken met de gemeenten over het realiseren van
opvangplekken verlopen. Die lopen op dit moment. We voeren op dit moment
gesprekken met de VNG, met Valente en met het Leger des Heils over de
mogelijkheden voor 24/7-crisisbedden. Ik wil toezeggen dat ik ook hierop
terugkom in de volgende voortgangsrapportage. Dan zal ik de stand van
zaken vermelden.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Heel mooi. U heeft meteen het blokje beschikbare woonplekken meegenomen.
U bent dus helemaal aan het einde van uw beantwoording. Ik wil mevrouw
Coenradie het woord geven.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor dat er vanaf 2027 per jaar een bedrag van 13 miljoen bezuinigd
gaat worden. Ik ben benieuwd wat er dan precies bezuinigd wordt, gewoon
eventjes puntsgewijs. Waar gaan we dat in terugvinden? En hoe rijmen we
dat met de toenemende vraag? Ik voorzie daar knelpunten in. Daar zit dus
wel mijn ongemak.
Minister Sterk:
Het eerlijke antwoord is dat dat gaat om een oude bezuiniging die is
opgenomen door Rutte IV. Ik zoek nu even naar waar dat staat. Het gaat
over een taakstelling voor meerjarig contracteren. Het gaat er eigenlijk
vooral over dat we willen dat zorginstellingen meerjarig gaan
contracteren, waardoor er bijvoorbeeld minder zzp'ers in dienst worden
genomen. Voor de bedrijfsvoering geeft dat veel meer perspectief.
Daarvoor is deze bezuiniging destijds afgesproken in het kabinet-Rutte.
Die hebben wij nog steeds staan, dus die moet ik in die zin uitvoeren.
We zullen dat meenemen bij het akkoord dat we willen gaan sluiten.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik vind dit eigenlijk niet met elkaar te rijmen. We praten hier over een
enorme toename van het aantal verwarde mensen. De ene na de andere pilot
vliegt je om de oren. Daar hebben we net ook over gesproken. En toch is
de stelling eigenlijk: linksom of rechtsom, onderaan de streep gaan we
bezuinigen, want het geld moet ergens vandaan komen. Dit is gewoon een
ontzettend groot probleem in de maatschappij. Hoe reflecteert deze
minister hierop?
De voorzitter:
Minister, kort als het kan, want er moet nog een minister
antwoorden.
Minister Sterk:
Ja, maar dit vraagt bijna een heel debat, want volgens mij gaan we
onderaan de streep helemaal niet bezuinigen. We gaan alleen minder meer
uitgeven. Die discussie hebben we hier vaker gehad, ook bij de
gehandicaptenzorg. Ik snap dat dit voelt als bezuinigen, maar wat wij
doen, is dat we de verwachte groei in de Wlz gaan bijsturen, omdat we
met elkaar constateren dat het zorgstelsel uiteindelijk niet houdbaar is
als we op deze voet doorgaan. We hebben de mensen niet die ervoor moeten
zorgen. Met meer geld kunnen we ook niet meer mensen kopen. We moeten
dus, in gesprek met de sector, bekijken hoe we dat kunnen doen, waarbij
de wachtlijsten niet mogen oplopen en de kwaliteit ook niet onder druk
mag komen te staan, maar we wel zorgen dat we een houdbare Wlz voor de
toekomst houden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Feit is natuurlijk dat de wachtlijsten oplopen. Mijn vraag gaat over
iets anders. Twee jaar geleden heeft de hele Kamer onze motie aangenomen
die vroeg om een noodplan voor mensen met een Wlz-ggz-indicatie. Daar is
toen een actieprogramma op gekomen. Ik lees dat het verder wordt
uitgerold enzovoorts, maar ik zou heel graag willen dat ook dit concreet
wordt. Mijn vraag aan deze minister is dus ... We vroegen twee jaar
geleden al om een noodplan. Het aantal incidenten in de opvang wordt ook
steeds groter, zoals we van onder meer het Leger des Heils ook horen.
Wat is nou de ambitie van het kabinet? Hoeveel van dit soort passende
woonplekken gaan er volgend jaar nou bij komen?
Minister Sterk:
Voordat ik daar een antwoord op geef, hecht ik er wel aan om te zeggen
dat waar u naar vraagt, gaat over dakloosheid en mensen met een
Wlz-indicatie, maar dat niet elk iemand met een Wlz-indicatie die
dakloos is ook verward is of onvoorspelbaar gedrag heeft; dat is waar
het vandaag volgens mij over gaat. Dan uw vraag. We zijn inderdaad bezig
met de uitwerking van het actieplan. U noemt dat "het noodplan", maar
wij hebben dat het "actieplan Passende zorg voor dakloze mensen met een
Wlz-indicatie" genoemd. U weet ongetwijfeld dat er tien pilots lopen. We
gaan nu ophalen wat er werkt. Rond de zomer wil ik voor andere regio's
duidelijk maken hoe we de pilots die nu lopen erbij gaan betrekken. Dat
is wat mij betreft een uitwerking van de vraag die u had om ervoor te
zorgen dat er meer van dit soort plekken komen.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister zegt: we hebben het noodplan een actieplan genoemd. Dat laat
dus precies het probleem zien. Twee jaar geleden trokken allerlei
opvangorganisaties aan de bel. Ze zeiden: het gaat steeds vaker mis,
omdat er mensen in onze opvang zitten die hier eigenlijk niet horen te
zijn. Deze mensen hebben deskundige ggz-zorg nodig en horen niet in onze
opvang thuis. Daarom vroegen wij toen met de hele Kamer om een noodplan,
want er was nood. We zijn nu twee jaar verder. Met alle waardering voor
al het werk dat is gedaan, vind ik het een heel magere en weinig
concrete uitwerking van de oproep van de Kamer om een noodplan te
realiseren als nu de opbrengsten van de pilots worden opgehaald. Dat zeg
ik helemaal omdat het aantal incidenten in de opvang groter wordt. Dus
vandaar ook hier het verzoek aan de minister om echt concreet te worden.
Wat gaan we komend jaar nou doen? Hoeveel plekken komen erbij en hoe
worden alle mensen die in de maatschappelijke opvang werken ook
ontlast?
Minister Sterk:
Zoals vaker voel ik de enorme drive van Mevrouw Westerveld om dit op te
lossen. Deze minister wil dat ook heel graag. Ik denk dat we hier daarom
overigens ook met elkaar zitten, omdat we allemaal de urgentie zien van
mensen die in onze samenleving een plek zoeken en voor wie we niet
altijd een passende plek hebben. Ik denk dat het feit dat we hier met
vijf mensen zitten, aangeeft hoe ingewikkeld die problematiek is en dat
we daar ook samen aan willen gaan werken. Een onderdeel daarvan is dat
we nu dus bezig zijn om dit niet alleen te onderzoeken in die
pilotregio's, maar we ook voor of rond de zomer willen komen met een
concrete handreiking voor hoe regio's dat kunnen doen. Wat mij betreft
is dat een hele concrete uitwerking en moeten we de regio's ook gaan
helpen om dat te doen, te midden van alle andere vraagstukken die hier
ook invloed op hebben en die we hier met elkaar proberen op te
lossen.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik had nog een vraag over het opendeurenbeleid gesteld. Ik vroeg of dat
een rol speelt bij het verwarde en onbegrepen gedrag op straat en of er
bij het samenvoegen van die wetten ook gekeken kan worden of dat voor de
praktijk een haalbare kaart wordt.
Minister Sterk:
Het eerlijke antwoord is dat ik die vraag even gemist heb. Wat ik zal
doen, is pogen om ⦠O, we hebben natuurlijk geen tweede termijn.
De voorzitter:
Misschien kunt u 'm dan schriftelijk beantwoorden?
Minister Sterk:
Ik zal er in de brief voor de zomer op terugkomen. Dat is dus al best
wel snel. Ik zal daarin wat uitgebreider ingaan op uw vraag, want ik heb
daar helaas nu het antwoord niet op.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman. Nee, sorry. Mevrouw Ten Hove heeft nog een
vervolgvraag.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ja, ik heb nog een vraag. Ik doe het even zo, omdat we geen tweede
termijn hebben. Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Coenradie
over de bezuinigingen en waar die vallen. We zeggen steeds dat de zorg
onhoudbaar wordt als we zo doorgaan: er moet meer met minder. Maar de
post onverzekerbare vreemdelingen groeit ieder jaar. Ik wil dus even
zeggen dat ik echt blij ben dat we daar nu toch eens naar gaan kijken en
dat daar een brief over komt. Zonder een discriminatiekaart te trekken:
ik merk vanuit de praktijk echt dat we daarop nog veel winst kunnen
behalen en dat we kunnen kijken hoe we dat beter kunnen doen.
De voorzitter:
Ik hoorde geen vraag, dus dan wil ik doorgaan met mevrouw
Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik had nog een concrete vraag gesteld over de mogelijkheid van de
uitbreiding van de Skaeve Huse op de ggz-instellingsterreinen. Het is
het vaak over de problematiek rondom passende woningen gegaan, maar die
vraag is nog niet beantwoord. Ik kijk even rond, want ik weet niet
precies onder welke minister deze vraag valt; dat geeft ook aan hoe
versplinterd dit is. Maar ik verwacht niet dat de minister van JenV hier
nog op terug gaat komen.
De voorzitter:
Nee. Ik kijk ook even.
Minister Sterk:
Het lastige als je met zo veel ministers bent, is dat wij ook een beetje
naar elkaar kijken: voor wie is deze vraag precies? Volgens mij willen
wij allemaal heel hard werken aan de Skaeve Huse. Ik stel voor dat we in
de brief even ingaan op de mogelijkheden die we daarvoor zien. Het kan
namelijk maar zo zijn dat de minister van VRO hierover gaat en die zit
hier helaas niet.
De voorzitter:
OkƩ, dank u wel. Tot slot is de minister van Justitie en Veiligheid aan
de beurt, die geduldig heeft zitten wachten totdat hij zijn antwoorden
op de vragen kon geven.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Meestal word ik inderdaad wat ongeduldig als ik zo
lang moet wachten en dan zo weinig tijd over heb voor mijn inbreng, maar
in dit geval ben ik daar juist heel blij mee. Ik denk namelijk dat het
onderwerp dusdanig belangrijk is en dat het dusdanig veel capaciteit
kost, onder andere van onze politie ā het werd al genoemd door een
aantal van u ā maar dat de oplossing daar vaak niet ligt. Het feit dat
de collega's voor mij uitgebreid zijn ingegaan op uw vragen en kijken
naar oplossingen die ons mogelijk kunnen helpen bij dit enorme probleem,
sterkt mij. Ik heb daarom met alle plezier en heel geduldig geluisterd.
Ik zal er op uw uitnodiging de volgende keer ook graag weer bij
zijn.
Het aantal vragen dat aan mij gesteld is, was inderdaad zeer beperkt.
Mevrouw Straatman had een vraag over de Wgs, de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden: kunnen we daarin ook kijken naar
woningbouwverenigingen en de gehandicaptenzorg? Ik neem dat mee in de
invoeringstoets die we nu aan het doen zijn naar aanleiding van de
invoering van deze wet. U ontvangt daar voor het einde van het jaar
bericht over.
Er werd al gesproken over de Levensloopaanpak, maar laat ik de Zorg- en
Veiligheidshuizen daar iets breder bij betrekken. Een deel van de
financiering komt uit de POK-gelden. Daarvan loopt nu een evaluatie
onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, die toevallig ook de coƶrdinerend bewindspersoon is
voor de aanpak van verward en onbegrepen gedrag. Ik ben er dus vrijwel
zeker van dat dit aspect zal worden meegenomen in de evaluatie van de
gelden. Hij zal daar dan later op terugkomen.
Ten slotte had mevrouw Wendel een vraag over het splitsen van de
registratie van de E33-meldingen. Ik snap die behoefte. Ik heb deze
morgen ook een artikel in NRC gelezen over wat die melding van verward
gedrag kan doen met individuen. We gaan onderzoek doen naar hoe we die
E33-meldingen beter kunnen doen; dat is inmiddels uitbesteed aan een
onderzoeker van de hogeschool in Arnhem. Ik wil ervoor waken dat we
onnodige administratie in het leven roepen en daarmee het werk van de
agent nog moeilijker maken, terwijl dat uiteindelijk niet per se iets
verandert aan wat zij doen als zij ter plekke komen. Dat is namelijk
gewoon handelen op basis van de situatie die ze tegenkomen. Daar gaat
het om. Dat moet worden meegenomen in de opleidingen. Maar zoals gezegd
kijken we wel of we die meldingen nog verder moeten verfijnen.
Daarmee was ik al aan het einde van mijn beantwoording,
voorzitter.
De voorzitter:
Heel fijn. Er zijn ook geen interrupties, dus dan kunnen we naar de
afronding gaan. We hebben afgesproken om geen tweede termijn te doen. De
minister wil wat zeggen?
Minister Heerma:
Ja. Omdat ik heb aangegeven dat ik in de tweede termijn zou terugkomen
op een vraag van de heer Struijs, zou ik willen voorstellen dat ik dat
nu doe, aan het einde van de eerste termijn van het kabinet, omdat er
geen tweede termijn komt. De heer Struijs had namelijk nog recht op ƩƩn
antwoord.
De voorzitter:
Ja.
Minister Heerma:
Dank u, voorzitter. De heer Struijs had het over daadkracht, maar zei
dat hij het ook belangrijk vond dat er niet alleen daadkracht is, maar
dat er ook naar risico's wordt gekeken. Hij deed de suggestie om in de
brief een risicoparagraaf toe te voegen. Ik zou in reactie daarop willen
aangeven ā ik weet niet of de heer Struijs daar genoegen mee neemt ā dat
ik er geen voorstander van ben om een aparte risicoparagraaf op te
nemen. Tegelijkertijd heeft hij wel een punt dat het ook belangrijk is
om risico's in beeld te brengen, en ik zou dilemma's daaraan willen
toevoegen, want zijn vraag zat eigenlijk ook op die dilemma's. Het
voorstel dat ik zou willen doen, is dat we in de brief die rond de zomer
komt bij elk van de vier prioriteiten expliciet ingaan op risico's en
dilemma's en die schetsen.
De voorzitter:
Dat is akkoord. Dan gaan we nu wel richting de afronding. We hebben ⦠O,
mevrouw Ten Hove heeft nog een vraag.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik ben door mijn interrupties heen, maar ik heb een vraag. Mijn vraag
over het opendeurenbeleid, die vergeten was, komt bij brief, maar de
vragen die ik had over de tbs zijn ook nog niet beantwoord. Dat vind ik
wel zonde, want nou jakkeren we zo'n belangrijk, groot maatschappelijk
probleem erdoorheen, en dan worden mijn vragen niet beantwoord.
De voorzitter:
Nou, mevrouw Ten Hove, we jakkeren hier niks erdoorheen. We hebben hier
drie uur een uitvoerig debat gehad met vier ministers en een behoorlijk
aantal Kamerleden, dus hier wordt niet gejakkerd. Ik vind dat ook
verkeerde beeldvorming naar mensen thuis en op de tribune, alsof wij
hier dingen erdoorheen jagen. We hebben natuurlijk een debat gehad. We
hebben gevraagd om dingen kort te houden. We zitten nu goed in de tijd.
Alles is besproken. Ik kijk nog even of de tbs-vraag die niet beantwoord
is ā als die gemist is, want dat kan natuurlijk altijd gebeuren ā ook
schriftelijk beantwoord kan worden. Is dat akkoord?
Minister Hermans:
Kan mevrouw Ten Hove die dan misschien even herhalen, want dan weten we
zeker dat we de goede vraag beantwoorden.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ja, ik pak mijn tekst er even bij.
Minister Van Weel:
Als de vraag over de vreemdelingen ging, is die namelijk beantwoord door
de minister van VWS.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dan heb ik hem misschien gemist, maar ik vind het wel echt een
belangrijk onderdeel. Even kijken waar ik de vraag oppak: of er in
Nederland nog steeds illegalen zijn die tbs-plekken bezet houden, om
hoeveel plekken dit landelijk gaat, wat eraan wordt gedaan om dit te
stoppen en of het kabinet het met mij eens dat dit een aandeel is in de
verstopte ggz-keten, en indien dat niet zo is, waarom dan niet.
De voorzitter:
De minister van VWS had die beantwoord, maar kunt u het nog kort
toelichten?
Minister Hermans:
Ja, natuurlijk. Dat zal ik kort doen. Die vraag heb ik inderdaad
beantwoord. Ik heb verwezen naar een rapport waar de IGJ en de Inspectie
Justitie en Veiligheid binnenkort mee komen. De minister van JenV en ik
zullen daarop reageren en zullen dan ook op dit specifieke vraagstuk
ingaan. Dat zal in de loop van 2026 zijn, maar wel na de zomer.
De voorzitter:
OkƩ, dan gaan we nu echt naar de afronding. Dan zijn we nog mooi binnen
de tijd gebleven. We hebben nog een aantal toezeggingen, die ik even wil
opnoemen.
Ja, sorry. Mevrouw Westerveld wilde nog een tweeminutendebat aanvragen.
Dat is dan bij dezen gebeurd.
De toezeggingen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt toe aan het eind van het jaar een volledige rapportage op de punten uit de parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid te sturen. Hij stuurt daarnaast rond de zomer een voortgangsbrief waarin specifiek gerapporteerd wordt op de vier prioritaire thema's. De minister zal deze brieven zo concreet mogelijk uitwerken. In de brief die rond de zomer verstuurd wordt, komt een aantal thema's terug: het overzicht van de financieringsstromen, wonen, structurele financiering en borging van pilots, proeven dus, en bemoeizorg.
De minister van Langdurige Zorg informeert de Kamer rond de zomer over de opbrengsten van de uitwerking van de pilots, de proeven, die zijn gestart naar aanleiding van het actieplan wonen met een Wlz-ggz-indicatie, wat staat voor Wet langdurige zorg en geestelijkegezondheidszorgindicatie.
De bewindspersonen beantwoorden een aantal openstaande vragen schriftelijk: de vraag van mevrouw Ten Hove over het opendeurenbeleid en de vraag van mevrouw Straatman over de uitbreiding van de Skaeve Huse op het terrein van ggz-instellingen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Volgens mij heeft minister Sterk ook nog een toezegging aan mij gedaan
om kritisch te kijken naar de nota van wijziging van de Wams.
De voorzitter:
Ja, die gaan we erbij zetten. Toezeggingen gaan meestal gepaard met een
brief, dus de minister zal per brief ook nog even kort terugkomen op hoe
ze dat gaat doen. Ja, zo werkt dat hier.
Goed. Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van dit goede,
inhoudelijke debat. Heel veel dank aan de vier ministers die hier hun
tijd hebben uitgezeten, wil ik bijna zeggen. Nee, nee, nee, het was echt
een goed, inhoudelijk debat. Dank voor de antwoorden. Dank ook aan de
staf, die hier zichtbaar en onzichtbaar in het gebouw heeft meegewerkt
om de antwoorden tot stand te brengen. Ik wil de leden bedanken voor hun
aanwezigheid en voor hun kritische vragen. Ik wil de mensen op de
tribune danken voor hun aanwezigheid en de mensen thuis die de
livestream hebben gevolgd. Dank u wel. Dank aan de bodes voor de goede
verzorging en de logistiek, zodat wij hier kunnen zitten. Ik wil tot
slot de mensen in de zorg een hart onder de riem steken, bij de
hulpdiensten, de hulpverleners, de ggz, de politie, maar vooral ook de
naasten van mensen die te kampen hebben met verward en onbegrepen
gedrag, voor hun goede zorgen, want dat is niet makkelijk. Ik wens
iedereen een fijne dag, een veilige thuisreis en tot slot: zorg goed
voor elkaar, help elkaar en zie naar elkaar om. Dank u wel.
Sluiting 12.58 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|