Uitstel toezending nota naar aanleiding van het verslag inzake regels betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels met betrekking tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking tot het toezicht en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen)
Brief regering
Nummer: 2026D17896, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 13:59, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z07930:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Op 12 mei 2025 heeft de regering het voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen bij uw Kamer ingediend.1 Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Staatscommissie parlementair stelsel (Commissie-Remkes) om een dergelijke wet tot stand te brengen.
Het wetsvoorstel betreft een wezenlijk onderwerp. Er bestaat binnen en buiten uw Kamer veel belangstelling voor. De Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer heeft enige tijd geleden haar verslag over het voorstel uitgebracht. Dat heeft zij in twee delen gedaan. Het eerste deel is uitgebracht op 8 juli 2025 en het tweede op 26 september 2025.2 Daarnaast heeft uw commissie mijn ambtsvoorganger zogenoemde feitelijke vragen doen toekomen.3
Gezien de omvang van de vragen heb ik langer de tijd nodig om uw Kamer de nota naar aanleiding van het verslag te doen toekomen. Het onderwerp dat de regering met het wetsvoorstel beoogt te regelen is niet alleen wezenlijk, maar ook complex. In Nederland zijn politieke groeperingen elk op een eigen – en andere – wijze intern georganiseerd. Dat leidt soms tot ingewikkelde vraagstukken, zoals ook blijkt uit de vragen die door uw Kamer zijn gesteld. Mede door vragen vanuit uw Kamer is ook duidelijk geworden dat de wijze waarop de regering aanvankelijk meende de regels betreffende decentrale politieke verenigingen van overeenkomstige toepassing te kunnen verklaren op afdelingen van landelijke politieke verenigingen, praktisch onuitvoerbaar en juridisch onhoudbaar is. We informeren uw Kamer hier nader over bij de indiening van de nota van wijziging.
Tijdens de behandeling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2026 heeft mijn ambtsvoorganger in uw Kamer gezegd dat het streven van de regering erop gericht is de nieuwe regels voor politieke partijen op 1 januari 2027 te laten ingaan. Echter, gelet op de nog te doorlopen stappen in het wetgevingsproces, is te voorzien dat (volledige) inwerkingtreding per 1 januari 2027 niet haalbaar is. Het streven is nu de inwerkingtreding per 1 januari 2028. Inwerkingtreding per ingang van een nieuw kalenderjaar is daarbij wenselijk omdat landelijke politieke partijen telkens vóór 1 juli verantwoording moeten afleggen over hun financiën in het voorgaande kalenderjaar. Zouden de bepalingen uit de Wpp die zien op de transparantie van politieke partijen inzake hun financiering halverwege het jaar van kracht worden, dan zouden politieke partijen zich geconfronteerd weten met twee (verschillende) verantwoordingsregimes die beide gedurende een deel van het kalenderjaar op hen van toepassing zijn. Het kabinet zou dit met het oog op de administratieve lasten voor politieke partijen en de uitvoerbaarheid van de regels een onwenselijke situatie vinden.
Nu de inwerkingtreding van de Wpp een jaar opschuift bestaat er, net als in 2026, ook in 2027 geen wettelijke grondslag om subsidie aan decentrale politieke partijen uit te keren. Voor 2026 wordt een deel van de middelen (€ 5,5 miljoen) op basis van de motie Clemminck-Van den Brink via het gemeentefonds uitgekeerd aan lokale partijen. Samen met de VNG zal ik de uitkomsten hiervan beoordelen en dat zal ik meenemen in de begroting van 2027.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Pieter Heerma
Kamerstukken II 2024/25, 36 742, nr. 1-4.↩︎
Respectievelijk Kamerstukken II 2024/25, 36 742, nr. 7 en Kamerstukken II 2024/25, 36 742, nr. 9.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36 742, nr. 10.↩︎