Nota van toelichting
Bijlage
Nummer: 2026D18094, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 12:06, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 (2026D18092)
Preview document (🔗 origineel)
Nota van toelichting
Algemeen
Aanleiding
In Nederland zijn veel attractie- en speeltoestellen aanwezig. In 2022 waren er 176 attractieparken (pret- en themaparken)1. In 2010 waren er al zo’n 800 speeltuinen2 en naar schatting 180.000 speeltoestellen3. Het aantal speeltoestellen is sindsdien toegenomen en er is steeds meer uitdagend aanbod bijgekomen, zoals klimbossen, ziplines (samen circa 58 locaties), kartbanen (circa 38 locaties) en trampolineparken (circa 96 locaties).
In het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 (hierna: WAS 2023) zijn veiligheidseisen opgenomen om de risico’s op incidenten en ernstig letsel bij het redelijkerwijs te verwachten gebruik van attractie- en speeltoestellen zoveel mogelijk te beperken. Het betreft eisen die worden gesteld aan de fabricage, keuringen en het beheer en onderhoud van toestellen.4 Het is belangrijk dat deze eisen worden gesteld, zodat de toestellen relatief veilig gebruikt kunnen worden en zowel kinderen als volwassenen zorgeloos kunnen spelen en recreëren. Het komt met regelmaat voor dat er incidenten met attractie- en speeltoestellen zijn5. Veiligheidseisen kunnen de risico’s op (ernstig) letsel bij het gebruik van speel- en attractietoestellen beperken, denk aan een goedgekeurde, valdempende ondergrond bij een klimrek of degelijke veiligheidsbeugels bij een attractie Daarnaast is het wenselijk dat de veiligheidseisen aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector en dat de eisen de sector niet onnodig belemmeren. Met dit doel voor ogen heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) in 2024-2025 een traject doorlopen om het WAS 2023 te actualiseren. Met onderhavig besluit is gestreefd naar een afgewogen pakket aan maatregelen dat past binnen het bestaande doel van de regelgeving en recht doet aan de recente ontwikkelingen in de sector.
Ontwikkelingen en knelpunten
Diverse ontwikkelingen zijn relevant voor de actualisatie van het WAS 2023. Voor de inventarisatie van de knelpunten en ontwikkelingen hebben werkbezoeken plaatsgevonden en zijn gesprekken gevoerd met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), bedrijven en brancheverenigingen. Hierbij is ook gekeken naar de uitkomst van inspectierapporten van de NVWA en andere rapporten.6
Eerdere toezeggingen
Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de markt en ernstige incidenten met avontuurlijke toestellen en activiteiten zoals trampolines, klimmuren en indoor kartbanen, heeft de toenmalige Minister voor Medische Zorg in 2020 aangekondigd het WAS te gaan moderniseren en daarbij te verkennen of en op welke wijze het mogelijk is een aantal risicovolle spelactiviteiten onder de werking van het WAS te brengen.7 Vervolgens is toegezegd ook andere opties voor het waarborgen van de veiligheid van deze activiteiten, te verkennen.8 In 2022 heeft de toenmalige Minister van VWS toegezegd het WAS in twee stappen te moderniseren.9 De eerste stap heeft in 2023 geleid tot het WAS 2023. In het WAS 2023 is de regelgeving over de veiligheid van attractie- en speeltoestellen op een aantal punten aangepast, waaronder een verplichte melding van ernstige ongevallen bij de NVWA. Tegelijkertijd is de toenmalige Minister van VWS gestart met het tweede deel van de modernisering, waarin is verkend in hoeverre kartbanen, tokkelbanen en klimbossen en andere risicovolle spelactiviteiten gereguleerd zouden kunnen worden met het oog op de veiligheid.
Activiteitstoestellen met potentieel grotere risico’s; uitzondering van het WAS 2023 achterhaald.
Er worden steeds meer activiteiten voor spelen of vermaak aangeboden bij inrichtingen of op toestellen die door de hoogte of de snelheid grotere risico’s kennen en die complex zijn om te voorkomen, zoals ziplines, kartbanen, en klimbossen, maar ook hoge klimwanden voor recreatief gebruik. Deze toestellen werden ten tijde van het opstellen van de Reikwijdte notitie behorende bij het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (hierna: Reikwijdte notitie 2007) uitgezonderd van de werking van het WAS, omdat het kleine aantallen waren en deze toestellen primair bestemd leken voor sportbeoefening. Echter, deze activiteitstoestellen zijn in de loop der jaren in aantallen gestegen en worden tegenwoordig veelal voor spelen of vermaak aangeboden, bijvoorbeeld op recreatieve locaties of voor kinderfeestjes en bedrijfsuitjes. In 2007 was er bijvoorbeeld slechts één klimbos in Nederland. Inmiddels zijn er circa 58 klimbossen die voor recreatie worden aangeboden en die door de hoogte waarop geklommen kan worden aanzienlijke gevaren kennen. Vaak zijn ziplines/tokkelbanen onderdeel van deze klimparken, maar er zijn ook steeds meer losse tokkelbanen. Afgelopen jaren heeft een aantal ernstige incidenten plaatsgevonden met dit type toestellen10, waaronder een dodelijk ongeval bij een klimbos in Hank in 2014. VeiligheidNL heeft een schatting gegeven van landelijke cijfers van ongevallen met attractie- en speeltoestellen in 2022 op basis van het aantal (ernstige) letsels dat is behandeld bij een aantal afdelingen Spoedeisende Hulp in de periode tussen 2018 en 2022.11 Zo wordt het aantal incidenten bij klimbossen in 2022 geschat op 100 tot 400. Hiervan was 40% van de incidenten ernstig.12 Het aantal incidenten met kabelbanen (waaronder ziplines en tokkelbanen) is in 2022 geschat op 100-700. Daarvoor geldt dat 67% van deze ongevallen leidt tot ernstig letsel. Eenzelfde ontwikkeling zien we bij indoor kartbanen die voor recreatie worden aangeboden. Op dit moment zijn er circa 38 kartbanen die voor spelen en vermaak worden gebruikt. Dit is niet zonder risico. Het aantal incidenten bij kartbanen wordt geschat op 200-900 in 2022, waarvan bijna de helft ernstig was.13 Vanwege het hoge aantal incidenten vraagt een aantal gemeenten en de Knac Nationale Autosport Federatie (hierna: KNAF) sinds 2019 aandacht voor het toezicht op kartbanen. Zij hebben gepleit voor een vorm van wettelijk toezicht. Ook zien we dat steeds meer klimwanden en skibanen (ook) voor spelen of vermaak worden gebruikt, omdat zij bijvoorbeeld voor kinderfeestjes en bedrijfsuitjes worden aangeboden.
Het is niet evident dat zelfregulering zorgt voor voldoende garanties bij het waarborgen van de veiligheid. Door het ontbreken van een wettelijk kader is er geen landelijke monitoring van de veiligheid bij deze locaties en geen wettelijk toezicht. Gesprekken met stakeholders en werkbezoeken gaven het beeld dat de veiligheid niet op alle locaties voldoende gewaarborgd werd. De combinatie van de incidenten, het beeld dat uit de gesprekken is gekomen en het gevaar van ernstig letsel door hoogte en snelheid bij deze toestellen hebben voor het Ministerie van VWS geleid tot de conclusie dat zonder regelgeving de veiligheid op deze locaties niet voldoende (preventief) gewaarborgd is. De uitzondering in de Reikwijdte notitie 2007 voor klimbossen, ziplines en kartbanen van het WAS 2023 is inmiddels achterhaald en niet meer passend voor de situatie. De uitzondering voor deze toestellen komt daarom met onderhavig besluit te vervallen. Echter, voor deze activiteitstoestellen geldt dat de regels van het WAS 2023 onvoldoende aansluiten bij het aanbod. De gebruiker heeft op deze activiteitstoestellen vaak een actieve rol in het beperken van de risico’s van het gebruik en de veiligheid is afhankelijk van het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Voor deze toestellen is daarom een aparte categorie met regels en specifieke kennis van de aangewezen instellingen nodig, die zich onderscheidt van zowel de categorie speeltoestellen als de categorie attractietoestellen en die zoveel mogelijk aansluit bij de systematiek van de huidige zelfregulering.
Incidenten met specifieke speeltoestellen; meer maatwerk in de regelgeving.
'Elke dag zes ongevallen met springkussens'14, zo kopte de NOS in 2018 naar aanleiding van een rapport van VeiligheidNL. VeiligheidNL zag dat het aantal letsels als gevolg van opblaasbare speeltoestellen snel toenam.15 Als verklaring werd het toenemend gebruik van luchtkussens op feestjes en partijen gegeven. VeiligheidNL heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een voorlichtingscampagne rond de verhuur van luchtkussens gevoerd. Er waren daarna echter nog steeds veel incidenten met luchtkussens, naar schatting zo’n 1.200-2.500 in 202216 en de naleving is niet altijd op orde.17 Daarnaast is de afgelopen jaren een opvallende stijging te zien in het aantal Spoedeisende Hulp bezoeken als gevolg van een trampoline-ongeval.18 In 2022 waren er landelijk zo’n 6.800 bezoeken op de Spoedeisende hulp als gevolg van de trampoline, waarvan 60% ernstig. Een aantal van die incidenten, waarvan enkele ernstige, vond plaats bij trampolineparken en werden gemeld bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA).19 Bij relatief veel trampolineparken liet de naleving te wensen over.20 In het voorjaar van 2023 inspecteerde de NVWA een derde (32) van alle trampolinehallen in Nederland. Bij 20 parken (62,5%) werden sancties opgelegd omdat gevaarlijke situaties konden ontstaan door slecht onderhoud en beheer van de toestellen. Kortom, in de praktijk gebeurden de afgelopen jaren relatief veel ongelukken met trampolines21 en luchtkussens.22 Voor mobiele speeltoestellen gelden bovendien andere risico’s door het verplaatsen en steeds opnieuw opbouwen en afbreken van deze speeltoestellen.23 Ook is bij mobiele speeltoestellen de kans op fraude met certificaten van goedkeuring groter.24 Dit laat zien dat extra eisen nodig zijn voor deze specifieke toestellen.
In onderhavig besluit is daarom meer maatwerk aangebracht in eisen in relatie tot het mogelijke gevaar bij het gebruik van de speeltoestellen. Een aantal eisen is aangescherpt om de veiligheid ten aanzien van trampolineparken en mobiele speeltoestellen, zoals luchtkussens, beter te waarborgen. Tegelijkertijd is gekeken naar mogelijkheden om de regels te verminderen voor speeltoestellen waar het risico op ernstig letsel beperkt is. In het WAS 2023 werd geen onderscheid gemaakt in de veiligheidseisen voor de verschillende soorten speeltoestellen. Zo moesten speeltoestellen van eenvoudig ontwerp, zoals evenwichtsbalken en stapstenen, met relatief weinig risico op ernstig letsel in het WAS 2023 aan dezelfde eisen voldoen als speeltoestellen met relatief grotere risico’s op ernstig letsel. Ook is de definitie van een speeltoestel aangescherpt en het onderscheid tussen speeltoestellen en sporttoestellen, zoals klimwanden en calisthenicstoestellen, verduidelijkt.
Professionalisering en harmonisering van keuringen door aangewezen instellingen is gewenst.
De wijze waarop het keuringsstelsel onder het WAS 2023 was ingericht, was niet conform het rijksbeleid. Aangewezen instellingen hoefden in het WAS 2023 voorafgaand aan de aanwijzing door de Minister van VWS geen accreditatie te hebben van een nationale accreditatie-instantie.25 Dit leidde tot ongewenste verschillen. De signalen uit het veld gaven aan dat er ruimte is om de aangewezen instellingen verder te professionaliseren en de uniformiteit van keuringen te verbeteren, onder meer door een andere vorm van overleg en besluitvorming van de instellingen. Uit gesprekken van het ministerie met de sector is gebleken dat er behoefte was aan een gelijk speelveld op de markt en meer transparantie als het gaat om het optreden en de besluitvorming van aangewezen instellingen.
Een aantal regels behoefde verduidelijking of aanpassing, bijvoorbeeld ten aanzien van de beheerdersverplichtingen en het productieproces.
Verschillende regels zijn met onderhavig besluit verduidelijkt of geactualiseerd, zo is het vanuit het oogpunt van veiligheid onwenselijk dat speeltoestellen die in serie worden geproduceerd tot in lengte der dagen kunnen worden geproduceerd op basis van een gedateerde keuring van het typekenmerkend monster.
De brede inventarisatie van de ontwikkelingen en de knelpunten bij het WAS 2023, die naar aanleiding van de hierboven genoemde toezeggingen is uitgevoerd, ligt ten grondslag aan onderhavig besluit. Om de wijzigingen niet omvangrijker te maken dan noodzakelijk, is ervoor gekozen het WAS 2023 te wijzigen en geen nieuw besluit vast te stellen. De wijziging van het WAS 2023 is een vervolg op de eerste aanpassingen die per 1 juli 2023 zijn doorgevoerd.
Hoofdlijnen van het voorstel
Het onderhavige besluit moderniseert de regelgeving over de veiligheid van attractietoestellen en speeltoestellen op een aantal punten en stelt regels aan de nieuwe categorie activiteitstoestellen. In onderhavig besluit zijn de volgende wijzigingen opgenomen:
De reikwijdte van de regelgeving is verduidelijkt. De definitie van speeltoestel is beter afgebakend en de definitie van activiteitstoestel is toegevoegd.
Er is meer maatwerk in het stelsel en de regelgeving gebracht. Door de introductie van nieuwe (sub)categorieën toestellen, namelijk de (sub)categorieën speeltoestellen van eenvoudig ontwerp, mobiele speeltoestellen en activiteitstoestellen, gelden voor de verschillende toestellen eigen regels gericht op de specifieke risico’s behorende bij het toestel, waardoor ook deregulering mogelijk is.
Een aantal verplichtingen voor beheerders van toestellen is verduidelijkt.
De accreditatie van aangewezen instellingen door de Raad van Accreditatie is een voorwaarde voor een aanwijzing door de Minister van VWS en aangewezen instellingen moeten hun werkwijze uniformeren aan de hand van schema’s.
Ten slotte zijn diverse technische wijzigingen ter verduidelijking van het WAS 2023 doorgevoerd.
Ad 1)
In onderhavig besluit zijn definities opgenomen voor attractietoestel, activiteitstoestel en speeltoestel. Om het onderscheid tussen de verschillende toestellen te verduidelijken, wordt een beleidsregel inzake de reikwijdte van toestellen opgesteld. In de beleidsregel wordt tevens het onderscheid tussen speeltoestellen en sporttoestellen verduidelijkt, waarbij de wijze waarop het toestel wordt aangeboden en wordt gebruikt centraal staat (en niet of toestellen primair bestemd zijn voor spel of sport). Toestellen die enkel gebruikt worden voor sportbeoefening blijven buiten de reikwijdte van onderhavig besluit vallen. De Reikwijdtenotitie 2007 vervalt en wordt vervangen door bovengenoemde beleidsregel. Daarmee komt de eerdere uitzondering voor klimbossen, ziplines en recreatieve kartbanen te vervallen.
Ad 2)
Door de introductie van nieuwe (sub)categorieën toestellen in onderhavig besluit is meer maatwerk voor de verschillende soorten toestellen gecreëerd. Daarmee worden de regels en lasten voor de sector aangepast op de risico’s en kenmerken van de toestellen.
Voor de subcategorie speeltoestellen van eenvoudig ontwerp (speeltoestellen met een relatief laag veiligheidsrisico, zoals stapstenen) gelden in onderhavig besluit minder eisen; deze toestellen hoeven niet langer gekeurd te worden door een aangewezen instelling. Voor deze toestellen blijven de overige regels van onderhavig besluit van toepassing en gelden de algemene productveiligheidseisen, zoals die zijn opgenomen in verordening (EU) 2023/988. Daarmee blijft de veiligheid van deze toestellen afdoende geborgd. De vermindering van de regeldruk maakt het eenvoudiger om deze toestellen voor publiek gebruik beschikbaar te stellen in de leefruimte van kinderen.
Voor de subcategorie mobiele speeltoestellen zijn extra eisen opgenomen om incidenten, zoals bij luchtkussens, te beperken. Door het mobiele karakter is de identificatie van deze toestellen belangrijk voor het risicogerichte toezicht door de NVWA. Deze toestellen moeten daarom bij de eerste keuring door een aangewezen instelling van een uniek registratienummer worden voorzien en vervolgens door de beheerder aangemeld worden in het register van de NVWA.
Voor toestellen die voor spelen of vermaak worden gebruikt en die een vrije valhoogte hoger dan drie meter26 /of een snelheid sneller dan 10 m/s door de aandrijving van een niet-menselijke energiebron waarbij persoonlijke beschermingsmiddelen nodig zijn om de risico’s van de hoogte en/of snelheid te beperken, is de categorie activiteitstoestellen geïntroduceerd. Activiteitstoestellen vallen onder het onderhavig besluit en krijgen een eigen regime. Met de inrichting van dit stelsel is rekening gehouden met de reeds ontwikkelde zelfregulering en deskundigheid in de sector.
Het aanbrengen van een merk van goedkeuring is niet langer een verplichting. Deze verplichting vervalt in onderhavig besluit en geldt voor geen enkel toestel meer. Slechts het uniek registratienummer moet nog vermeld blijven worden op de attractietoestellen en dit moet voortaan ook vermeld worden op de mobiele speeltoestellen en activiteitstoestellen ten behoeve van de registratie van deze toestellen in het Basisregister toestellen27 van de NVWA. Het uniek registratienummer geeft de NVWA de noodzakelijke informatie voor het toezicht.
Ad 3)
Ingrijpende reparaties hoeven niet meer gemeld te worden bij een aangewezen instelling. Omdat het een vervanging is van een identiek onderdeel, is het veiligheidsrisico beperkt. Bovendien is op verzoek van de sector beter toegelicht dat (wisselende) onderdelen of samenstellingen van een toestel op één certificaat van goedkeuring kunnen worden vermeld, zoals bij een apenkooiconstructie,.
Een certificaat van goedkeuring voor serie speeltoestellen en attractietoestellen van eenvoudig ontwerp die op basis van het typekenmerkend monster zijn gekeurd, is niet langer oneindig geldig. Na tien jaar moet de fabrikant een verlenging van het typecertificaat bij een aangewezen instelling aanvragen voor de nieuw te produceren toestellen.
Met onderhavig besluit en de uitwerking in de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen (hierna: regeling) is een periodieke keuring voor trampolineparken en een 10-jaarlijkse periodieke beoordeling van typecertificaten ingevoerd.
Een aantal beheerdersverplichtingen is verduidelijkt, zoals de aanwezigheid van een papieren of digitaal actueel en overzichtelijk dossier bij de beheerder van een toestel. De term ingrijpende wijzigingen is aangepast naar substantiële wijzigingen om aan te sluiten bij de begripsbepaling van verordening (EU) 2023/988 inzake algemene productveiligheid (hierna: verordening (EU) 2023/988).28 De verplichting voor het melden van ingrijpende reparaties vervalt. De normadressant “verhuurder” is vervangen door de generieke definitie van beheerder, omdat er bij de regels voor beheerders van toestellen geen onderscheid wordt gemaakt in regels voor verhuurders en beheerders. Verduidelijkt is dat de beheerder zich ervan dient te vergewissen dat het toestel vergezeld is van een gebruiksaanwijzing en dat het onderhoud op basis van de gebruiksaanwijzing uitgevoerd wordt, zoals een eventueel niet-destructief onderzoek.
Ad 4)
De aangewezen instellingen moeten verplicht geaccrediteerd worden door een nationale accreditatie-instantie. Deze maatregel draagt bij aan verdere professionalisering van de aangewezen instellingen en een gelijk speelveld op de markt.
De aangewezen instellingen worden geacht gezamenlijk overleg te voeren en besluiten te nemen aan de hand van schema’s onder leiding van een schemabeheerder. Dit zorgt voor harmonisatie van hun werkwijze en transparantie en openheid richting de sector.
Verduidelijkt is in welke vorm voortaan de uitslag van keuringen door aangewezen instellingen met de NVWA moet worden gedeeld.
Ad 5)
Er is ook een aantal technische wijzigingen en verduidelijkingen aangebracht. Zo is er bijvoorbeeld aangesloten bij de definities van verordening (EU) 2023/988.
Tevens is verduidelijkt wat de plichten van de normadressaten zijn bij nieuwe of gewijzigde normen.
Ook zijn enkele technische wijzingen ten aanzien van het model certificaat van goedkeuring meegenomen.
De mogelijkheid voor de NVWA om een benchmark uit te voeren om de keuringen van aangewezen instellingen te vergelijken is in de regeling uitgewerkt.
Vrij verkeer van goederen en diensten
Met onderhavig besluit worden veiligheidseisen gesteld aan activiteitstoestellen en vindt er differentiatie plaats tussen categorieën toestellen op basis van veiligheidsrisico’s. De beoogde maatregelen zouden kunnen worden beschouwd als kwantitatieve invoerbeperking of maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Op grond van artikel 36 van het VWEU is het lidstaten echter toegestaan dergelijke maatregelen in te voeren mits ze berusten op een rechtvaardigingsgrond, geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken, niet verder gaan dan noodzakelijk om dat doel te bereiken en non-discriminatoir zijn.
De in dit besluit gestelde maatregelen zijn, als die al handelsbelemmerend zouden zijn, gerechtvaardigd met het oog op de bescherming van de volksgezondheid, het leven van personen en consumentenbescherming. Het is aan de lidstaten om binnen de door het VWEU gestelde grenzen te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen. Het doel van dit besluit is het bereiken van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van consumenten. De beoogde maatregelen dragen bij aan het borgen van de veiligheid van toestellen voor spelen of vermaak en daarmee het terugdringen van het aantal (ernstige) ongevallen met deze toestellen.
De in dit besluit gestelde eisen aan activiteitstoestellen, attractietoestellen en speeltoestellen zijn een geschikte maatregel om de volksgezondheid, het leven van personen en de veiligheid van consumenten te beschermen. Door regels te stellen ten aanzien van de veiligheid van deze toestellen worden de risico’s die deze toestellen bij redelijkerwijs te verwachten gebruik met zich meebrengen, gereduceerd en daarmee eveneens de kans op (ernstige) ongevallen en letsel.
De eisen gaan niet verder dan nodig zijn. Voor activiteitstoestellen gaan de regels van het WAS 2023 gelden. Deze toestellen brengen vanwege de hoogte en/of snelheid aanzienlijke risico’s op ernstig letsel met zich mee als ze niet veilig zijn of niet veilig worden gebruikt. Het is niet evident dat zelfregulering zorgt voor voldoende borging van de veiligheid, mede doordat er niet handhavend kan worden opgetreden en niet alle locaties waar deze toestellen zich bevinden, deelnemen aan zelfregulering. Door de introductie van nieuwe (sub)categorieën toestellen in onderhavig besluit wordt meer maatwerk voor de verschillende soorten toestellen gecreëerd. Daarmee worden de regels en lasten voor de sector in verhouding gebracht met de risico’s en kenmerken van de toestellen.
De in dit besluit gestelde eisen zullen gaan gelden voor alle toestellen die in Nederland worden verhandeld, waardoor de maatregel zonder discriminatie wordt toegepast.
Met dit besluit worden eisen gesteld aan aangewezen instellingen. Naar het oordeel van de regering staan de eisen in verhouding tot de verwachte positieve effecten voor de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Artikel 56 VWEU bepaalt dat beperkingen die aan dienstverleners worden opgelegd in beginsel verboden zijn. Op grond van artikel 16 van Richtlijn 2006/123/EG29 (de Dienstenrichtlijn) mag het vrij verkeer van diensten niet worden beperkt als de eis discriminerend is en niet voldaan wordt aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid.
De eisen aan aangewezen instellingen worden zonder discriminatie toegepast en maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of lidstaat van herkomst.
De eisen zijn gerechtvaardigd met het oog op bescherming van de volksgezondheid. Het onafhankelijk, deskundig en uniform verrichten van de werkzaamheden van aangewezen instellingen draagt bij aan de veiligheid en het veilig gebruik van toestellen voor spelen of vermaak en daarmee aan de bescherming van de volksgezondheid.
De eisen aan aangewezen instellingen zijn geschikt en gaan niet verder dan nodig is. Met het verplicht stellen van accreditatie door een nationale accreditatie-instantie en het werken volgens schema’s, wordt de onpartijdigheid en deskundigheid van aangewezen instellingen en uniform werken beter geborgd. Dit is nodig voor meer harmonisatie en een gelijk speelveld.
Gevolgen voor de regeldruk
Algemeen
Bij de totstandkoming van de voorgestelde wijzigingen zijn naast de veiligheid van het gebruik van toestellen ook de lasten voor de sector meegewogen. Gepoogd is om tot een afgewogen pakket aan maatregelen te komen. Er is kritisch gekeken naar de noodzaak om toestellen te laten keuren en de administratieve last bij de registratie en identificatie van toestellen.
Vermindering regeldruk
Onderhavig besluit zorgt voor een aanzienlijke lastenverlichting doordat voor speeltoestellen van eenvoudig ontwerp de verplichting voor het beschikken over een certificaat van goedkeuring komt te vervallen. Deze toestellen met een relatief laag veiligheidsrisico hoeven niet langer voorafgaand aan de verhandeling te worden gekeurd door een aangewezen keuringsinstelling. Door het laten vervallen van deze verplichting vervallen de kosten voor fabrikanten voor het typecertificaat en de typekeuring. Dit betreft een lastenvermindering per typecertificering van circa € 1.250 en ingebruikname keuringen circa € 225. Er vinden voor speeltoestellen circa 900 typekeuringen per jaar plaats, en 2700 ingebruiknamekeuringen. Ongeveer 10% daarvan betreft speeltoestellen van eenvoudig ontwerp. Het betreft dus een structurele kostenbesparing op jaarbasis van ongeveer € 173.250 (€ 112.500 voor typekeuringen plus € 60.750 voor ingebruiknamekeuringen). Deze maatregel zorgt voor een aanzienlijke lastenverlichting voor veel (kleine) aanbieders, waaronder speeltuinverenigingen, scholen, kinderopvang en hoveniers. In het vervolg zijn deze toestellen laagdrempeliger aan te bieden in de leefomgeving. Uiteraard zijn beheerders verantwoordelijk voor de veiligheid van de toestellen in de openbare ruimte. Deze wijziging voor eenvoudige speeltoestellen beoogt de lasten van het besluit meer in lijn te brengen met de gevaren.
Een aanzienlijke lastenverlichting voor de sector is het schrappen van de verplichting voor fabrikanten om speeltoestellen die aan de hand van het goedgekeurde, typekenmerkend monster gekeurd zijn van een merk van goedkeuring te voorzien. De kosten voor het aanbrengen van een merk van goedkeuring op een toestel loopt zeer sterk uiteen, afhankelijk van onder meer het toestel, de fabricage, de locatie van fabricage en het productieproces. Het aanbrengen van een merk van goedkeuring voor een productielijn van een speeltoestel dat op basis van een goedgekeurd typekenmerkend monster wordt vervaardigd voor de Nederlandse markt kan volgens grove inschattingen circa € 200.000 kosten per fabrikant op jaarbasis of € 30,- per toestel. Het is onbekend hoeveel speeltoestellen per jaar worden geproduceerd. VeiligheidNL gaf in het verleden een schatting van 180.000 speeltoestellen in Nederland.30 Als daarvan de komende jaren 10% wordt vervangen of opnieuw wordt aangekocht, dan is er reeds sprake van een lastenbesparing van € 540.000. Voor attractietoestellen geldt ook een lastenverlichting door het vervallen van de verplichting tot het aanbrengen van een merk van goedkeuring. Dit effect is beperkt, doordat de toestellen nog wel van een uniek registratienummer moeten zijn voorzien. Dit blijft nodig voor de koppeling met het Basis register toestellen van de NVWA in verband met efficiënt toezicht. Het voordeel van het uniek registratienummer is dat het nummer gelijk bij de fysieke keuring door een aangewezen instelling van het toestel of typekenmerkend monster kan worden aangebracht en niet pas, zoals bij het merk van goedkeuring, nadat het toestel volledig op orde is gebracht voor de goedkeuring. Deze laatste handeling door de aangewezen instelling zorgt in de praktijk voor vertraging en onnodige kosten. Bovendien kan het een voordeel zijn voor de fabrikant dat door het vervallen van het merk van goedkeuring aanzienlijk minder gegevens op het toestel hoeven te worden vermeld.
Ingrijpende reparaties hoeven niet langer gemeld te worden bij een aangewezen instelling (substantiële wijzigingen nog wel). Een andere lastenverlichting wordt bereikt door de verduidelijking dat in een aantal gevallen samengestelde gekeurde onderdelen of toestellen op één certificaat van goedkeuring mogen staan. Er zijn onvoldoende gegevens om deze lastenvermindering uit te drukken in bedragen.
Toename regeldruk
Activiteitstoestellen, zoals klimbossen, tokkelbanen en kartbanen komen met onderhavig besluit onder de reikwijdte van het WAS 2023 te vallen. Dit is een maatregel die zorgt voor een verhoging van de lasten voor de sector. De regeldruk zal met name bestaan uit kennisnemingskosten van de nieuwe regelgeving en structurele administratieve kosten voor de verplichte periodieke toets. Daarnaast gelden voor zowel bestaande als nieuwe toestellen eenmalige kosten voor een ingebruikname keuring door een aangewezen instelling. Onbekend is of alle locaties die lasten kunnen doorberekenen aan de consument of dat het effect zal hebben op hun bedrijfsvoering. De lasten worden beperkt door voor deze toestellen de nieuwe categorie ‘activiteitstoestellen’ te introduceren. Voor deze categorie is gekozen voor een periodieke toets door een onpartijdige, deskundige partij zoals in de huidige praktijk gebruikelijk is middels zelfregulering. Dit brengt minder regeldruk met zich mee dan een periodieke keuring door een aangewezen instelling, zoals dat voor attractietoestellen verplicht is.31 Wel wordt de ingebruiknamekeuring door een aangewezen instelling verplicht. Daarmee zijn de keuringslasten voor deze toestellen aanzienlijk lager dan attractietoestellen, maar hoger dan bij speeltoestellen. Gelet op de veiligheidsrisico’s van deze toestellen wordt dit als proportioneel gezien.
Een naslag op internet levert een beeld op van het aantal klimbossen, tokkelbanen en kartbanen. Naar schatting zijn er circa 58 klimparken in Nederland.32 De meeste tokkelbanen of ziplines in Nederland zijn onderdeel van een groter klimpark, maar er zijn ook nog enkele losse tokkelbanen. Daarnaast zijn er in Nederland circa 49 kartbanen.33 Op basis van informatie van de KNAF kan worden aangenomen dat een deel hiervan, circa 14, niet onder onderhavig besluit zal gaan vallen, omdat deze uitsluitend voor sportbeoefening worden gebruikt.
Voor beheerders en fabrikanten van deze toestellen wordt de tijdsinvestering voor de eenmalige kennisneming van de nieuwe regelgeving en het implementeren ervan geschat op 60 minuten. Gedurende het herzieningstraject zijn de partijen betrokken en met behulp van een communicatietraject wordt beoogd de wetgeving zo duidelijk mogelijk te communiceren. Ook zijn brancheorganisaties nauw betrokken.
De periodieke toetsplicht, zoals opgenomen in de ministeriële regeling behorende bij onderhavig besluit, brengt structurele kosten met zich mee voor beheerders van klimparken, tokkelbanen, ziplines en kartbanen. Veel beheerders maken deze kosten nu ook al, omdat zij onder de huidige zelfregulering en ten behoeve van de veiligheid hun toestel al jaarlijks laten toetsen door een onpartijdige partij. In onderstaande tabel is een schatting gemaakt van deze jaarlijkse kosten.
Daarnaast zullen de beheerdersverplichtingen, zoals het bijhouden van een actueel dossier en het melden van substantiële wijzigingen enige regeldruk met zich meebrengen die nodig zijn ten behoeve van de veiligheid van de toestellen. De inschatting is dat deze verplichting geen grote verandering met zich meebrengt ten opzichte van de huidige praktijk. Beheerders van veel klimparken houden bijvoorbeeld nu ook een actueel dossier bij. Het actueel dossier is dan ook bewust vormvrij gehouden en heeft enkel minimale eisen waaraan het moet voldoen.
Beheerders van activiteits- en mobiele speeltoestellen moeten deze toestellen aanmelden in het register van de NVWA door een formulier in te vullen op de website van de toezichthouder.34 Dit betreft de registratie van enkele NAW gegevens en het uploaden van het digitale certificaat van goedkeuring. Dit kost ongeveer een half uur aan administratieve last. Deze registratie levert een verbetering op voor de mogelijkheid van de NVWA om toestellen te identificeren, fraude te achterhalen en het toezicht risicogericht uit te voeren.
| Regeldruk activiteitstoestellen | Wie | Tijd in uren | Kosten | Q | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Eenmalig | Kennisnemen nieuwe regelgeving | Fabrikanten, beheerders, importeurs en distributeurs van deze toestellen | 1 | €47,- per uur | 93 | P Arbeid (€47 * 1) * Q Verkopers (9335) = €4.371 |
| Structureel voor bestaande toestellen en nieuwe toestellen | Periodieke toets36 | Beheerders | Circa 1000 Klimparken Circa 50 euro kartbanen |
58 35 |
58 * 1000 = €58.000 50*€35 = €1.750 |
|
| Eenmalig voor nieuwe toestellen | Kosten ingebruikname-keuring | Fabrikanten of beheerders van nieuwe toestellen | Klimbossen Kartbanen |
Onbekend hoeveel nieuwe klimbossen, tokkelbanen en kartbanen er zullen komen. | 58 * 10.000 = €580.000 35 * 10.000 = €350.000 |
|
Een zeer beperkte lastenverzwaring wordt veroorzaakt doordat fabrikanten van mobiele speeltoestellen, zoals luchtkussens, en activiteitstoestellen, hun toestellen of het typekenmerkend monster door een aangewezen instelling van een uniek registratienummer moeten laten voorzien. De lasten van deze maatregel zijn verwaarloosbaar, omdat de aangewezen instelling dit nummer op het toestel tijdens de keuring kan aanbrengen en niet zoals voorheen bij het merk van goedkeuring pas nadat het toestel (op een later moment) definitief is goedgekeurd. Voor in serie geproduceerde attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp en mobiele speeltoestellen die overeenkomstig het typekenmerkend monster zijn vervaardigd, geldt dat de fabrikant of importeur zelf het unieke registratienummer, plus het volgnummer, mag aanbrengen op de serietoestellen die aan de hand van het typekenmerkend monster worden geproduceerd. De lasten van deze maatregel zijn daarom verwaarloosbaar, omdat de fabrikant dan wel importeur zelf het nummer kan aanbrengen op het toestel. De maatregel kan in het productieproces worden meegenomen.
De verplichte accreditatie van keuringsinstellingen en het werken met schemabeheer brengt kosten voor de aangewezen instellingen met zich mee. Een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie kan éénmalig tienduizenden euro’s kosten en op jaarbasis duizenden euro’s.37 De lasten van de introductie van een verplichting tot een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie is voor bestaande aangewezen instellingen neutraal dan wel beperkt, aangezien de aangewezen instellingen reeds een accreditatie hebben. De Raad voor Accreditatie heeft aangegeven dat voor keuringsinstellingen met een reeds verkregen accreditatie voor de NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012 of de NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 de kosten beperkt zijn, ook als de bestaande accreditatie geldt voor keuringen op een ander soort product. Met name voor keuringsinstellingen die niet zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie en aangewezen willen worden zijn de lasten hoog. De verplichting dient te zorgen voor een goede kwaliteit van keuringen en een gelijk speelveld.
Het Ministerie van VWS financiert de eenmalige kosten voor het opstarten van het schemabeheer. De jaarlijkse kosten voor de afstemming tussen aangewezen instellingen onder begeleiding van een schemabeheerder en andere kosten gerelateerd aan het schemabeheer zullen worden gedragen door de aangewezen instellingen. Deze maatregel leidt mogelijk ook tot een toename van lasten voor de sector. De structurele kosten van accreditatie en schemabeheer zouden de aangewezen instellingen door kunnen berekenen in de tarieven voor de keuringen van toestellen en kan daarmee gevolgen hebben voor fabrikanten, importeurs en beheerders. Bij de deelname aan het schemabeheer hoort de verplichte deelname aan het harmonisatie overleg. Dit harmonisatie overleg zal het huidige overleg vervangen waardoor de verandering in last neutraal zal blijven dan wel verlagen omdat de aangewezen instellingen geen voorzitterschapsrol op zich hoeven te nemen. Tot slot is de verplichting voor aangewezen instellingen om de toezichthouder te informeren over uitslagen van keuringen verduidelijkt. Daarmee worden de administratieve lasten van deze maatregel gelijkgetrokken voor alle aangewezen instellingen, aangezien de interpretatie van deze verplichting verschillend werd ingevuld. Het is geen nieuwe maatregel en veroorzaakt dus geen nieuwe lasten. De verduidelijking van de verplichting zorgt voor een verbetering van de mogelijkheid van de NVWA om het toezicht risicogericht in te vullen.
Tot slot ziet een aantal wijzigingen van onderhavig besluit op het verduidelijken van de regelgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van de beheerdersverplichtingen. Deze wijzigingen hebben naar verwachting geen noemenswaardig effect op de administratieve lasten.
Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Consultatie
Het ontwerp voor de wijziging van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen en de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen is van vrijdag 11 juli 2025 tot en met vrijdag 5 september 2025 voorgelegd aan de deelnemers van het Regulier Overleg Warenwet (ROW)38. Daarnaast is er een internetconsultatie geweest waarin om reactie is gevraagd op het ontwerp van het besluit.
Er hebben in totaal 52 respondenten gereageerd. De belangrijkste reacties en aanpassingen naar aanleiding hiervan, worden hierna toegelicht, ingedeeld op onderwerp en artikel. Een deel van de reacties is opgenomen in de reactieparagraaf van het ontwerp voor de gewijzigde regeling en in de toelichting bij de Beleidsregel reikwijdte.
Algemene opmerkingen
Diverse respondenten hebben aangegeven dat er behoefte is aan goede voorlichting over de regels voor attractie-, activiteits-, en speeltoestellen en de wijzigingen met onderhavig besluit. In de periode voorafgaand aan en rond de inwerkingtreding van het gewijzigde WAS 2023 zal aandacht zijn voor communicatie en voorlichting, met name gericht op de brancheorganisaties. In de informatievoorziening zal ook een aantal vragen en opmerkingen uit de internetconsultatie worden beantwoord die hieronder niet worden benoemd omdat ze niet tot wijzigingen of nieuwe besluitvorming hebben geleid.
Een respondent heeft ongenoegen geuit over het feit dat er met de voorgestelde wijziging van het WAS 2023 slecht wordt geluisterd naar de expertise van de betrokken gesprekspartners uit de sector. Aan de internetconsultatie is uitgebreide raadpleging bij alle betrokkenen voorafgegaan. Hiervoor zijn door het ministerie diverse bijeenkomsten en overleggen georganiseerd en werkbezoeken afgelegd. In het traject is gelet op het verbeteren van de veiligheid van attractie-, activiteits-, en speeltoestellen alsmede de proportionaliteit van de lasten.
Regeldruk
Opgemerkt wordt dat het geschatte aantal activiteitstoestellen in de regeldrukparagraaf niet klopt. Het zou gaan om naar schatting circa 250 touwparcourstoestellen die in gebruik zijn bij niet alleen commerciële partijen maar ook bij (semi-) publieke organisaties zoals scholen, sociaalpedagogische instellingen en Scouting. Het aantal geschatte aantal klimbossen dat in de regeldruk paragraaf is benoemd, betreft slechts de grote parken. Het ministerie is uitgegaan van de meest actuele, openbare, beschikbare bronnen om een inschatting te kunnen maken van het actuele aantal klimbossen/-parken dat in Nederland geëxploiteerd wordt, die door deze wijziging onder de regelgeving komen te vallen. De geschatte kosten in de tabel hebben betrekking op klimbossen/-parken die bestaan uit meerdere toestellen. Zoals in de beleidsregel is opgenomen vallen toestellen die uitsluitend worden gebruikt op scholen of schoolpleinen door leerlingen voor lichamelijke opvoeding niet onder de regelgeving. Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie is hieraan toegevoegd dat ook toestellen die uitsluitend voor therapeutische doeleinden en uitsluitend ten behoeve van scoutingactiviteiten worden gebruikt niet onder de regelgeving vallen.
Daarnaast wordt door een respondent opgemerkt dat de toelichting doet vermoeden dat het bij activiteitstoestellen slechts gaat om klimbossen, ziplines, trampolinecentra en kartbanen, maar dat in de praktijk echter ook honderden andere toestellen onder de definitie van activiteitstoestellen vallen. Voor een groot deel van de door de respondent genoemde toestellen geldt dat deze door de toelichting van het onderscheid sport en spel in de beleidsregels behorend bij onderhavig besluit naar verwachting grotendeels buiten de reikwijdte vallen, omdat veel van deze toestellen, zoals klim- en boulderwanden, uitsluitend voor sportbeoefening worden gebruikt. Bovendien wordt er van uitgegaan dat de kosten van (de resterende) losse toestellen waar de branche naar verwijst een stuk lager zijn dan de ingeschatte kosten voor de keuring van een volledig klimbos. Daarom zijn de geschatte regeldrukkosten niet herzien.
Daarnaast is opgemerkt dat de inschatting van de kosten voor de accreditatie door een nationale accreditatie instantie in de paragraaf over regeldruk conservatief was ingeschat. De kostenindicatie is daarom in voetnoot 45 aangepast. Echter, deze cijfers zijn slechts een ruwe indicatie, omdat de Raad voor Accreditatie op factuurbasis werkt en geen exacte cijfers kan geven.
Algemene bepalingen
Nieuwe categorie indeling toestellen
Er zijn door verschillende partijen opmerkingen gemaakt over de
nieuwe categorie-indeling. Er wordt opgemerkt dat het onderscheid van de
categorieën als toevoeging wordt gezien, met name de omschrijving van
eenvoudige speeltoestellen. Door een privaat inspectiebureau wordt
opgemerkt dat het niet verwacht dat met het vervallen van de
keuringsplicht voor speeltoestellen van eenvoudig ontwerp meer
incidenten ontstaan, mits beheerders regelmatig alle speeltoestellen
inspecteren en onderhoud plegen. De verplichting voor goed onderhoud van
speeltoestellen van eenvoudig ontwerp door beheerders blijft intact met
onderhavig besluit. Over de definiëring van speeltoestellen van
eenvoudig ontwerp wordt opgemerkt dat vallen in het water minder
risico’s met zich meebrengt dan op harde ondergrond. Echter, het gevaar
van toestellen waarbij de valruimte uit water bestaat, is verdrinking.
Daarom worden deze toestellen niet als eenvoudige speeltoestellen
aangemerkt. Er wordt ook opgemerkt dat de definitie in combinatie met de
toelichting geen duidelijkheid geeft of een cluster stapstenen als
eenvoudig speeltoestel gezien wordt. Tot slot wordt opgemerkt dat de
maximale hoogte in de definitie tot verwarring kan leiden. Naar
aanleiding van deze opmerkingen zijn verduidelijkingen in de toelichting
bij artikel 9 opgenomen.
Er wordt ook een aantal vragen gesteld over specifieke toestellen en onder welke categorie deze vallen. In de voorlichting over de wijziging van het WAS 2023 zal aandacht zijn voor de reikwijdte van het besluit en het verschil tussen de categorieën toestellen. Hiermee wordt beoogd meer duidelijkheid te geven op de vragen of specifieke toestellen onder de reikwijdte van onderhavig besluit vallen.
Activiteitstoestellen
Door een brancheorganisatie wordt opgemerkt dat de uitbreiding van
de reikwijdte van het WAS 2023 niet de juiste route is en averechts
werkt, omdat de meeste ernstige incidenten te herleiden zijn tot
menselijke fouten en niet tot fouten in het toestel zelf. De respondent
stelt dat deze ongevallen door productwetgeving niet worden voorkomen en
de aandacht verschuift nog meer naar het product. Echter, onderhavig
besluit stelt eisen aan zowel de fabricage, als het beheer van
toestellen. Juist ook de beheerfase kan op deze manier veilig worden
gehouden, bijvoorbeeld omdat de beheerder tijdens het gebruik aan
wettelijke eisen (zoals toezichthouden) moet voldoen. Ook kan de NVWA
door de uitbreiding van de reikwijdte (preventief) toezichthouden en
optreden om gevaarlijke situaties te voorkomen.
Door een aantal partijen werd opgemerkt dat sommige onderdelen van een parcours van een klimbos onder de definitie speeltoestel zullen vallen en andere onderdelen onder de definitie activiteitstoestel. Het voorstel wordt gedaan om het criterium PBM’s uit de definitie te schrappen. Dit voorstel wordt niet overgenomen, omdat dit ertoe leidt dat de categorie activiteitstoestellen breder wordt dan is beoogd. Om te voorkomen dat verschillende aangewezen instellingen apart van elkaar verschillende toestellen binnen één klimpark moeten keuren, is naar aanleiding van deze opmerkingen in de toelichting verduidelijkt dat lage parcours, zoals low ropes courses en netadventures, als activiteitstoestellen gekeurd mogen worden indien de toestellen onderdeel zijn van één klimbos of -park. Het is aan de beheerder of het toestel als één toestel wordt gekeurd of dat de beheerder de parcours als individuele toestellen laat keuren.
Ook wordt opgemerkt dat veel beheerders van bestaande (activiteits)toestellen al een certificaat op basis van de zelfregulering in de sector hebben. Naar aanleiding van deze opmerkingen is aan de toelichting bij artikel I, onderdeel CC, toegevoegd dat onder leiding van de schemabeheerder nader in het schema wordt uitgewerkt hoe bij de ingebruiknamekeuring rekening wordt gehouden met deze certificaten die op basis van zelfregulering zijn uitgegeven.
Er worden ook vragen gesteld over de periodieke toets en de eisen aan degene die de periodieke toets uitvoert. Er wordt ook opgemerkt dat de periodieke toets toegejuicht wordt. Er is voor gekozen zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de huidige zelfregulering in de branche. Daarom is ervoor gekozen om de eisen “onpartijdigheid en deskundigheid” aan de periodieke toetser te stellen. Het is de verantwoordelijkheid van beheerders om te zorgen dat de partij onpartijdig en deskundig is. De NVWA neemt bij het toezicht mee of de toets inderdaad door een onpartijdige, deskundige partij is uitgevoerd. Indien het gewenst is dat er concrete nadere eisen worden gesteld aan de deskundigheid en/of onpartijdigheid, dan kunnen deze worden uitgewerkt in het schemabeheer.
Speeltoestellen
Bij de nieuwe definitie van een speeltoestel worden opmerkingen gemaakt
over de term draagstructuur. Naar aanleiding van deze opmerkingen is de
term gewijzigd naar draagconstructie en is in de toelichting in de
Beleidsregel Reikwijdte het begrip verduidelijkt.
Mobiele speeltoestellen
Er worden vragen gesteld welke toestellen precies onder deze categorie
vallen, omdat “niet permanent opgesteld” onvoldoende duidelijk is. Naar
aanleiding van deze opmerkingen is de toelichting verduidelijkt.
Eerste keuring
Opgemerkt is dat de definitie van een eerste keuring verbeterd kan worden door deze ook van toepassing te laten zijn op een uniek toestel dat niet gebonden is aan de locatie voor de eerste keuring, zoals een enkelstuks luchtkussen. Deze suggestie is overgenomen en verwerkt in de definitie van eerste keuring.
Periodieke keuring
Een respondent suggereert in de definitie van periodieke keuringen te verduidelijken dat het bij een periodieke keuring niet zozeer gaat om het toetsen van een toestel aan een norm, als wel om het toetsen van de geschiktheid voor gebruik van het toestel. De definitie van periodieke keuring is hierop aangescherpt.
Vervaardiging
Algemene veiligheidseisen
Er zijn verschillende opmerkingen gemaakt over de veiligheidsvereisten
in bijlage 1 van onderhavig besluit. Opgemerkt is dat de bewoording dat
elk gevaar dient te zijn uitgesloten te absoluut is. Naar aanleiding van
deze opmerkingen is bijlage 1 aangepast en meer in lijn gebracht met de
aanpassingen die in artikel 5 van onderhavig besluit zijn doorgevoerd.
Daarnaast wordt opgemerkt dat de wettelijke basis om
toezichtsvoorschriften onderdeel te laten zijn van de
ingebruiknamekeuring ontbreekt. Naar aanleiding van deze opmerking is in
bijlage 1 verduidelijkt dat toezicht tijdens het gebruik van het toestel
een noodzakelijk onderdeel kan zijn van de voorschriften met betrekking
tot het ontwerp en de vervaardiging. Voor de toestellen waar dit op van
toepassing is, zal de aangewezen instelling dit als onderdeel van de
ingebruiknamekeuring meenemen.
Ook wordt door een respondent opgemerkt dat bij de keuring van activiteitstoestellen alleen naar de toestelspecifieke norm gekeken moet worden en niet naar de eisen in bijlage 1 van onderhavig besluit. In onderhavig besluit is echter bepaald dat toestellen die voldoen aan de normen het vermoeden geven te voldoen aan de eisen in bijlage 1. In het schemabeheer wordt nader uitgewerkt op welke wijze deze bepaling in de keuringen van activiteitstoestellen geïmplementeerd wordt door de aangewezen instellingen.
Identificatiegegevens toestel
Diverse respondenten stellen voor om de fabrikant te verplichten meer gegevens op een toestel te laten vermelden, dan nu in onderhavig besluit wordt voorgesteld. Die voorstellen zijn niet overgenomen. Op grond van de verordening (EU) 2023/988 zijn fabrikanten en importeurs verplicht om essentiële gegevens zoals naam, adres, typenummers te vermelden. Onderhavig besluit verplicht aanvullend om het bouwjaar te vermelden. Dit wordt als voldoende beschouwd, mede gelet op het beperken van extra administratieve lasten voor de sector.
Keuring
Typekeuring
Een respondent stelt de vraag of een standaard speeltoestel voor de
typekeuring niet meer op locatie kan worden gekeurd en wat de reden is
dat artikel 9 in onderhavig besluit op dit punt is aangepast. Het doel
van de wijziging van artikel 9 is te verduidelijken dat een serietoestel
in principe voorafgaand aan de verhandeling moet worden gekeurd. De
wijziging van het artikel moet voorkomen dat een importeur van
serietoestellen voor het certificaat van goedkeuring onterecht kan
doorverwijzen naar de koper die in de rol van beheerder het toestel zelf
als “stuks-toestel” moet laten keuren. Naar aanleiding van de opmerking
van de respondent is artikel 9 derde lid toegevoegd dat indien nodig ook
een typekenmerkend monster voor ingebruikname op locatie kan worden
gekeurd, namelijk als het gaat om een typekenmerkend monster dat door de
eigenschappen van het toestel of de plaatsgebonden veiligheidsaspecten
alleen ter plaatse goed kan worden beoordeeld. Daarbij blijft in
onderhavig besluit ongewijzigd dat bij een typekeuring het technisch
constructiedossier en de interne bepalingen ook gekeurd moeten worden.
In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 9 derde lid is
verduidelijkt dat dit artikel niet van toepassing is op mobiele
toestellen, zoals luchtkussens, aangezien die ontworpen worden om elke
keer op nieuw op te bouwen. Ook is de suggestie van een respondent
overgenomen om ter verduidelijking van het derde lid van artikel 9 toe
te voegen dat de uitzonderingsregel op artikel 9 van het eerste lid
tevens kan gaan om toestellen die omwille van “plaatsgebonden
veiligheidsaspecten” niet voor verhandeling kunnen worden gekeurd.
Periodieke keuring speeltoestellen
Er worden voorts vragen gesteld over een mogelijke periodieke keuringsplicht voor andere speeltoestellen dan trampolineparken. De mogelijkheid om nadere regels te stellen voor periodieke keuringen van speeltoestellen stond al in het WAS 2023. Met de wijziging van het WAS 2023 wordt deze periodieke keuringsplicht ingevoerd voor trampolineparken. In het voortraject van de herziening van het WAS 2023 is niet gebleken dat er op dit moment aanleiding is om deze plicht voor andere speeltoestellen dan trampolineparken in te voeren. Mocht er in de toekomst aanleiding zijn om een periodieke keuring ook voor andere toestellen te verplichten, dan is dat mogelijk om te regelen in de regeling.
Herinspectie attractietoestellen
Ook wordt de vraag gesteld in hoeverre er voor beheerders informatie komt over periodieke keuringen en termijnen voor attractietoestellen, of dat deze verantwoordelijkheid bij de leverancier ligt. Artikel 9, vierde lid blijft met onderhavig besluit ongewijzigd. Hierin verandert dus niets.
Shopverbod en mogelijkheid second opinion
Een respondent verzoekt om de regelgeving zo aan te passen dat bij een
conflict tussen beheerder en de aangewezen keuringsinstantie, de
beheerder de mogelijkheid heeft een 2e beoordeling te laten doen door
een andere onafhankelijke aangewezen keuringsinstantie. Een toestel mag
echter uitsluitend bij één aangewezen instelling voor keuring worden
aangeboden. Dit om te voorkomen dat ingeval een toestel niet wordt
goedgekeurd, een andere aangewezen instelling hetzelfde toestel wél
goedkeurt. Een second opinion, net als een tweede aanvraag, kan dus niet
zomaar leiden tot opeens wel goedkeuring van een toestel. Indien er een
conflict tussen beheerder en aangewezen keuringsinstantie ontstaat, is
er een wettelijk geregelde bezwaar- en beroepsprocedure. Als men het
niet eens is met het besluit van een aangewezen instelling, kan men
bezwaar aantekenen tegen dit besluit.
Bezwaar en beroep
Verzocht wordt een 5de lid bij artikel 14 van onderhavig besluit op te nemen met de bepaling dat de aangewezen instelling die weigert een certificaat van goedkeuring te verstrekken, de aanvrager hiervan op de hoogte brengt tezamen met het recht op bezwaar en beroep alsook de bezwaarprocedure. Echter, een verwijzing naar het recht op bezwaar en beroep wordt niet opgenomen, want dit is gewoon geldend recht (Awb) dat van toepassing is op besluiten van een aangewezen instelling. Het kan eventueel expliciet in het schema worden opgenomen.
Ingrijpende reparaties en substantiële wijzigingen
Er worden verschillende opmerkingen gemaakt over de meldplicht voor
ingrijpende reparaties en substantiële wijzigingen. Door partijen uit de
klimbosbranche wordt opgemerkt dat vrijwel elke wijziging of reparatie
de veiligheid kan beïnvloeden en daarmee gemeld moet worden. Naar
aanleiding van deze opmerkingen is de meldplicht voor ingrijpende
reparaties komen te vervallen en verder verduidelijkt wat onder een
substantiële wijziging wordt verstaan. Een respondent stelt voor dat bij
de eerstvolgende keuring de beheerder meldt wat de modificaties zijn.
Het is echter van belang dat substantiële wijzigingen voorafgaand aan of
direct na de wijziging worden gemeld, omdat het toestel na de wijziging
niet meer overeenkomt met het oorspronkelijke toestel waarvoor een
certificaat van goedkeuring is afgegeven. Door de meldplicht kan een
aangewezen instelling beoordelen of de wijziging invloed heeft op de
veiligheid van het toestel. Ook is opgemerkt dat het onduidelijk is wie
de normadressaat van deze verplichting is. Hiertoe is verduidelijkt dat
de beheerder van het toestel dat substantieel gewijzigd wordt de plicht
heeft de substantiële wijziging te melden bij de AKI. Degene die het
toestel substantieel wijzigt wordt als de nieuwe fabrikant beschouwd en
moet aan de verplichtingen voor fabrikanten voldoen. Tot slot is vanuit
de klimbossenbranche opgemerkt dat het vervangen of verplaatsen van
“games” bij een parcours met enige regelmaat moet plaatsvinden door
bijvoorbeeld het verslechteren van bomen. Naar aanleiding van deze
opmerking is in de toelichting bij artikel 15 opgenomen dat een
wijziging in de combinatie van modulaire onderdelen niet gemeld hoeft te
worden bij een aangewezen instelling als de nieuwe combinatie en de
wijze waarop het samengesteld mag worden op het certificaat van
goedkeuring voorkomt. Met de wijziging van de regeling wordt het
namelijk mogelijk om meerdere variaties van games of parcoursen op het
certificaat van goedkeuring te vermelden. Zodra een parcours van een
klimbos aangepast wordt de nieuwe combinatie valt niet onder het
certificaat van goedkeuring, wordt dit gezien als een substantiële
wijziging. Het is namelijk van belang om dan te beoordelen of het nieuwe
toestel/parcours veilig is, omdat deze verandering niet was voorzien in
de aanvankelijke risicobeoordeling van het product en de aard van het
gevaar mogelijk is veranderd, een nieuw gevaar is gecreëerd of het
risiconiveau is gestegen.
Ten aanzien van artikel 15a is een aantal technische opmerkingen gemaakt, die grotendeels zijn overgenomen.
Basisregister toestellen
Diverse respondenten stellen voor om ook alle speeltoestellen in het Basisregister toestellen van de NVWA op te laten nemen, waaronder de afgekeurde speeltoestellen. Dit vermindert de regeldruk bij een aangewezen instelling en creëert inzicht bij de NVWA. Hiermee voorkom je ook dat afgekeurde toestellen alsnog via andere aangewezen instelling gekeurd gaan worden, aldus de respondent. Met onderhavig besluit wordt het register van de NVWA uitgebreid van de registratie van attractietoestellen naar activiteitstoestellen, speeltoestellen met een periodieke keuringsplicht en mobiele speeltoestellen in verband met het gevaar en de kans op fraude bij deze toestellen. De overige speeltoestellen worden buiten het register gehouden omdat dit zou betekenen dat alle speeltoestellen van een uniek registratienummer moeten worden voorzien. Dit wordt voorlopig als een onnodig hoge regeldruk gezien voor de sector, met name fabrikanten van speeltoestellen, ten opzichte van de (veiligheids)winst die dit oplevert. Indien een aangewezen instelling een speeltoestel afkeurt, moet deze informatie door de aangewezen instelling met de andere aangewezen instellingen en de NVWA worden gedeeld.
Ook wordt de vraag gesteld hoe het zit met de registratie van tijdelijke activiteitstoestellen. Onderhavig besluit maakt met de definitie van activiteitstoestellen geen onderscheid tussen tijdelijke en permanente toestellen, deze behoren dus te allen tijde te worden opgenomen in het register. Een andere respondent merkt op dat door alle bestaande mobiele speeltoestellen uit te sluiten van registratieplicht, er nog 10-20 jaar ongeregistreerde toestellen op de verhuurmarkt blijven circuleren. Met het oog op de regeldruk en praktische uitvoerbaarheid is ervoor gekozen om de registratie van mobiele speeltoestellen alleen te laten gelden voor nieuwe mobiele speeltoestellen. De ervaring leert dat bijvoorbeeld luchtkussens een levensduur hebben van 5 tot 7 jaar, waardoor de oude mobiele speeltoestellen in de praktijk vanzelf uitfaseren.
Verkeer en gebruik
Gebruiksaanwijzing
Door twee partijen wordt verzocht om het hebben van een Engelstalige
gebruiksaanwijzing ook als voldoende te beschouwen. Er moet echter ook
een Nederlandse gebruiksaanwijzing aanwezig zijn, zodat die voor iedere
gebruiker in Nederland goed toegankelijk is, zoals dat gebruikelijk is
voor alle producten. Een Engelstalige gebruiksaanwijzing kan ook
aanwezig zijn en gebruikt worden door professionals als die van betere
kwaliteit is. Deze verplichting geldt enkel voor toestellen die op de
Nederlandse markt worden verkocht, aangezien de regels van onderhavig
besluit alleen gelden voor toestellen die op de Nederlandse markt worden
verhandeld.
Beheerdersverplichtingen
Er wordt opgemerkt dat activiteitstoestellen veelal op locatie door de
fabrikant worden geconstrueerd c.q. vervaardigd/geïnstalleerd/gemonteerd
en niet door de beheerder. De regelgeving stelt dat de fabrikant
verantwoordelijk is voor het ontwerp en de vervaardiging. De beheerder
is verantwoordelijk voor de installatie en montage. Op grond van
onderhavig besluit ligt de verplichting voor de installatie dus bij de
beheerder. Als eigenaar van het toestel zal de beheerder (omdat niet
alle toestellen door een fabrikant worden geïnstalleerd) ervoor moeten
zorgen dat de installatie goed wordt gedaan (dus door een deskundige
zoals de fabrikant), zodat het toestel veilig is. Deze situatie geldt
bij het WAS 2023 ook al voor attractietoestellen, waar de fabrikant
meestal ook op locatie het toestel zal installeren. Er is geen
aanleiding om dit nu voor activiteitstoestellen te wijzigen.
Actueel dossier
Er wordt een aantal vragen over het actueel dossier gesteld met
betrekking tot de bewaartermijnen en de overdracht bij de verkoop van
een toestel. Naar aanleiding hiervan is artikel 19 aangepast. Ook vroeg
een respondent of er een voorbeeld van een actueel dossier beschikbaar
komt. De NVWA zal een voorbeeld op haar website publiceren dat door
beheerders gebruikt kan worden. Het gebruik van dit specifieke voorbeeld
blijft vrijwillig.
Meldplicht ernstige ongevallen
Er zijn door meerdere partijen opmerkingen gemaakt over de meldplicht
voor ernstige ongevallen en incidenten. Naar aanleiding hiervan is in
artikel 23 van het besluit en bijbehorende toelichting verduidelijkt dat
het gaat om ongevallen en incidenten met blijvend letsel en waarvoor
professionele medische behandeling of een ziekenhuisopname noodzakelijk
is of bij overlijden.
Ook wordt opgemerkt dat het formulier om incidenten te melden bij de NVWA zeer uitgebreid is en in strijd is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De respondent vraagt om in artikel 23 van onderhavig besluit op te nemen welke gegevens moeten worden verstrekt. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van bestuursrechtelijke handhaving valt onder de AVG. De NVWA geeft aan dat er geen reden is vanuit de eisen van de AVG om het meldformulier aan te passen. Dit is rechtmatig als er een grondslag is volgens artikel 6 AVG. De gevraagde persoonsgegevens in dit formulier en die voortvloeien uit de wettelijke meldplicht zijn noodzakelijk voor de NVWA als toezichthouder om af te wegen of er een bestuurs- of strafrechtelijke opvolging komt na bestudering van de ongevalsmelding. Het is aan de NVWA om het formulier om meldingen te doen in te richten en daarbij conform AVG te bepalen welke gegevens zij nodig heeft om goed toezicht te kunnen houden.
Aangewezen instellingen
Schemabeheer
Diverse respondenten hebben vragen gesteld over verplichte deelname aan het overleg van de schemabeheerder en hoe hierop wordt toegezien. Ook wordt de vraag gesteld of deze verplichting het onaantrekkelijk kan maken voor buitenlandse partijen om voor de Nederlandse markt te worden aangewezen als keuringsinstelling. Het is echter van belang voor een goede werking van de Nederlandse markt voor toestellen dat aangewezen instellingen deelnemen aan de door de schemabeheerder te organiseren activiteiten om tot geharmoniseerde besluiten te komen. De NVWA houdt toezicht op het functioneren van de aangewezen instellingen. In het WAS 2023 geldt al een aanwezigheidsplicht voor het gezamenlijke overleg tussen aangewezen instellingen en er zijn op dit moment meerdere buitenlandse aangewezen instellingen. Er zijn op dit moment geen signalen dat buitenlandse keuringspartijen door deze verplichting zich willen terugtrekken als keuringsinstelling voor toestellen. Ook wordt de vraag gesteld in hoeverre buitenlandse keuringsinstellingen onder “toezicht” van de schemabeheerder komen te vallen. De aangewezen instellingen hebben de verplichting om deel te nemen aan activiteiten die de schemabeheerder organiseert en de schema’s te hanteren bij hun werkzaamheden. Deze verplichting is onderdeel van hun accreditatie en aanwijzing door de Minister.
Accreditatieverplichting
Een aantal partijen merkt op dat accreditatie als zware eis wordt
gezien. Accreditatie waarborgt de kwaliteit en onpartijdigheid van de
keuringen. Dit is een belangrijk doel van de herziening van het WAS 2023
en onderdeel van het Rijksbeleid. Volgens de Raad voor Accreditatie
kunnen ook kleine, gespecialiseerde instellingen in aanmerking komen
voor accreditatie en daarmee aantonen dat zij aan de eisen voor een
aangewezen keuringsinstelling voldoen.
Daarnaast wordt door een aantal partijen opgemerkt dat de verplichte accreditatie van de NEN-EN-ISO/IEC 17065 om aangewezen te kunnen worden als aangewezen instelling niet passend is voor activiteitstoestellen. De vraag welke norm het meest passend is, is voorgelegd aan de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie geeft aan dat de NEN-EN-ISO/IEC 17065 de juiste norm is om te toetsen of een aangewezen instellingen op een juiste wijze eerste keuringen, ook wel ingebruiknamekeuringen genoemd, kan uitvoeren voor toestellen die gereguleerd zijn in onderhavig besluit, ook voor toestellen binnen de categorie activiteitstoestellen. Bij de ingebruiknamekeuring wordt getoetst of het toestel aan de eisen van onderhavig besluit voldoet en blijft voldoen. Ook het toezichtsplan is onderdeel van de ingebruiknamekeuring. Het klopt niet dat de NEN-EN-ISO/IEC 17065 zich specifiek richt op typecertificering, zoals door respondenten wordt gesteld. Ook wordt opgemerkt dat de NEN-EN-ISO/IEC 17065 hogere eisen stelt aan onafhankelijkheid dan de NEN-EN-ISO/IEC 17020 en daardoor lastig haalbaar is voor deskundige kleinere partijen. De Raad voor Accreditatie geeft aan dat deze veronderstelling niet juist is en dat de NEN-EN-ISO/IEC 17065 geen eisen stelt aan onafhankelijkheid, maar enkel aan onpartijdigheid. NEN-EN-ISO/IEC 17020 stelt juist wel eisen aan onafhankelijkheid. Ook geven een aantal partijen aan dat de kosten voor een accreditatie voor de NEN-EN-ISO/IEC 17065 hoger zouden zijn dan de kosten voor de NEN-EN-ISO/IEC 17020 en dat dit onbetaalbaar zou zijn voor kleinere partijen. De Raad voor Accreditatie heeft aangegeven dat er in de basis geen verschil in kosten is tussen de twee normen maar dat dit afhankelijk is van de scope van de accreditatie en de voorbereiding. Ook brengt de Raad voor Accreditatie andere tarieven in rekening voor instellingen tot 3 personen. Daarnaast geven partijen uit de klimbosbranche aan dat door deze verplichting veel kennis en deskundigheid verloren gaat. Met deze verplichte accreditatie wordt beoogd meer deskundigheid en uniformiteit van de keuringen te waarborgen. Doordat in het onderhavig een nieuwe categorie is geïntroduceerd voor activiteitstoestellen en aangewezen instellingen specifiek voor deze categorie toestellen geaccrediteerd en aangewezen moeten worden, wordt gewaarborgd dat de aangewezen instellingen kennis hebben van deze specifieke toestellen. In de Nota van toelichting is verduidelijkt waarom de NEN-EN-ISO/IEC 17065 de juiste norm is en hoe wordt geborgd dat de keuringen met de juiste deskundigheid worden uitgevoerd. Omdat VWS waarde hecht aan de huidige zelfregulering en deskundigheid bij activiteitstoestellen is ervoor gekozen dat de periodieke toets wel door een partij die niet geaccrediteerd hoeft te zijn, uitgevoerd mag worden. Er is dus zorgvuldig gekeken naar een juiste balans tussen het stellen van kwaliteitseisen aan keurders in verhouding tot de lasten.
Ook wordt opgemerkt dat elk willekeurig NEN-EN-ISO/IEC 17065 geaccrediteerd bedrijf zich door het ministerie als aangewezen instelling mag laten aanwijzen. Het zou er niet toe doen dat zo’n bedrijf vooralsnog niet geaccrediteerd is voor de specifieke scopes. Echter, met onderhavig besluit dient de nationale accreditatie-instantie rekening te houden met de deskundigheid voor het uitvoeren van de verschillende soorten keuringen voor de specifieke categorieën bij de accreditatie. Dit is ook de reden dat er gekozen is voor categorieën, zodat bij de accreditatie al rekening gehouden kan worden met de verschillen in deskundigheid die nodig zijn voor de verschillende categorieën toestellen.
Ook worden opmerkingen gemaakt over de eisen aan onafhankelijkheid van aangewezen instellingen. De onafhankelijkheidseisen lijken niet aan te sluiten bij de huidige zelfreguleringspraktijk. Mede naar aanleiding van deze opmerking zijn de eisen in artikel 24 van onderhavig besluit herzien. Van aangewezen instellingen wordt geëist dat zij onpartijdig hun taken kunnen uitvoeren. De concrete specificaties worden nader uitgewerkt in de schema’s.
Een respondent vraagt of een keuringsinstelling een accreditatie van de Raad voor Accreditatie dient te hebben om in aanmerking te komen om aangewezen te worden als keuringsinstelling voor onderhavig besluit. In onderhavig besluit is bepaald dat bij de aanvraag van een aanwijzing een bewijs van een nationale accreditatie-instantie meegestuurd dient te worden. Dit mag dus ook een bewijs van accreditatie op basis van onderhavig besluit zijn dat is verstrekt door een nationale accreditatie-instantie van een andere Europese lidstaat. Landen buiten de Europese Unie zullen een aanvraag moeten doen bij de Raad voor Accreditatie. Zij kan eventueel rekening houden met een reeds verkregen bewijs van accreditatie.
Tot slot, heeft de Raad voor Accreditatie er op gewezen dat het ongebruikelijk en wellicht kostenverhogend is om de eis aan de aangewezen instellingen te stellen dat zij altijd de NEN-EN-ISO/IEC 17065 accreditatie behalen en indien gewenst NEN-EN-ISO/IEC 17020 bij het uitvoeren bij periodieke keuringen. Artikel 2 van de regeling is daarom aangepast, zodat aangewezen instellingen ook alleen kunnen opgaan voor periodieke keuringen met een accreditatie voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Overgangsbepalingen
Bestaande toestellen die onder onderhavig besluit komen te vallen
Er wordt opgemerkt dat niet alleen activiteitstoestellen voor het eerst onder onderhavig besluit komen te vallen. Het klopt dat door het intrekken van de Reikwijdtenotitie 2007 ook andere toestellen dan de activiteitstoestellen voor het eerst onder het onderhavig besluit kunnen komen te vallen. Denk bijvoorbeeld aan toestellen ten behoeve van outdooractiviteiten buiten speelterreinen die worden gebruikt voor spelen of vermaak. De inschatting is dat dit om een beperkt aantal toestellen gaat, omdat met onderhavig besluit de definitie van een speeltoestel is aangepast en daardoor de reikwijdte van het besluit beter is afgebakend.
Bestaande en nieuwe aangewezen instellingen
Door een aantal respondenten wordt opgemerkt dat bestaande aangewezen
instellingen een voorsprong van 18 maanden hebben op nieuwe potentiële
aangewezen instellingen, ook omdat zij al een accreditatie hebben. Alle
aangewezen instellingen, ook die al over een accreditatie beschikken,
moeten nog een specifieke accreditatie krijgen voor onderhavig besluit.
Ook wordt opgemerkt dat bestaande aangewezen instellingen na
inwerkingtreding alle opdrachten van de activiteitstoestellen die nieuw
onder onderhavig besluit komen te vallen kunnen uitvoeren, omdat de
nieuwe aangewezen instellingen nog niet zijn aangewezen. Mede om deze
reden is de overgangsperiode voor activiteitstoestellen aangepast naar
drie jaar. Dit geeft ook nieuwe, potentiële aangewezen instellingen voor
activiteitstoestellen twee jaar de tijd om een aanwijzing te verkrijgen
en vervolgens nog een jaar om aanvragen voor keuringen in behandeling te
nemen voordat de eisen uit onderhavig besluit voor activiteitstoestellen
inwerking treden. Dit geeft beheerders de mogelijkheid om potentieel
tussen meer aangewezen instellingen te kunnen kiezen. Tot slot wordt
opgemerkt dat potentiële aangewezen instellingen niet mee kunnen spreken
over de inhoud van het schema. Partijen die zich op dit moment
bezighouden met het inspecteren van activiteitstoestellen en andere
belanghebbenden worden juist uitgenodigd bij de totstandkoming van de
schema’s.
Naar aanleiding van opmerkingen over de overgangsbepalingen is een en ander en verduidelijkt en aangepast in artikel 33c en de artikelsgewijze toelichting. De overgangstermijn voor activiteitstoestellen is aangepast.
Het voorstel van een respondent is om de overgangstermijn voor activiteitstoestellen te verlengen van twee naar drie jaar, zodat er lagere druk is op de keuringen. Dit voorstel is overgenomen.
Handhaving NVWA
Er wordt opgemerkt dat een toestel direct wordt gesloten als de NVWA
bij een controle constateert dat een toestel niet voldoet. De NVWA heeft
een interventiebeleid.39 Daar worden de interventies in
benoemd die de NVWA doet bij het constateren van tekortkomingen tijdens
controles. De NVWA kan een technisch voortbrengsel (toestel) buiten
gebruik stellen. Wanneer het nodig is een toestel buiten gebruik te
stellen, is het van belang om te weten wat de reikwijdte van het
afgegeven certificaat van goedkeuring is. Bijvoorbeeld, een klimpark dat
gecertificeerd is met 1 certificaat wordt in zijn geheel afgesloten
wanneer vastgesteld is dat er ernstige afwijkingen of procedurele zaken
niet goed gevolgd zijn. Het is dus de reikwijdte van het certificaat wat
de impact bepaalt van de buiten gebruik stelling van een toestel. De
NVWA kan geen delen van een toestel buiten gebruik stellen, omdat een
gedeeltelijke sluiting bij een toestel dat als geheel op één certificaat
van goedkeuring staat dit het toestel substantieel wijzigt. Het is aan
de beheerder van een toestel dat bestaat uit meerdere individuele
onderdelen om te bepalen of het geheel als één toestel wordt
gecertificeerd, of dat de individuele onderdelen als losse toestellen
worden gecertificeerd. Dit laatste maakt het mogelijk dat indien er
tekortkomingen worden geconstateerd op één van de individuele toestellen
en deze tekortkoming leidt tot het buiten gebruik stellen van het
betreffende toestel, dat alleen dat toestel buiten gebruik gesteld kan
worden.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Het ontwerp van dit besluit is door de NVWA beoordeeld op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid. De NVWA acht het ontwerpbesluit handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig. De NVWA heeft daarnaast opmerkingen gemaakt die grotendeels zijn verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting.
De NVWA merkt in het algemeen op dat onduidelijk is op welke wijze dient te worden omgegaan met bestaande toestellen die in het ontwerpbesluit worden aangemerkt als activiteitstoestellen, zoals hoogteparcours in klimbossen. Ook is voor de NVWA onduidelijk hoe moet worden omgegaan met een op basis van het WAS 2023 afgegeven certificaat voor bijvoorbeeld een Zigzag ride. Dientengevolge is de toelichting bij artikel I, onderdeel CC verduidelijkt.
Daarnaast merkt de NVWA in het algemeen op dat het aan- en afmelden van attractietoestellen, activiteitstoestellen en mobiele toestellen niet sluitend is beschreven. Het aanmelden wordt wel genoemd, maar het afmelden niet. Dit is aangepast door activiteitstoestellen en mobiele speeltoestellen toe te voegen aan artikel 29, derde lid en de toelichting aan te passen (artikel I, onderdeel AA), conform het voorstel van de NVWA.
Voorts heeft de NVWA aanbevelingen gedaan voor de omschrijving van speeltoestel en toestel. De NVWA merkt op dat met de begripsbepaling “speeltoestel” de activiteiten die op een speeltoestel kunnen worden uitgeoefend limitatief is beschreven. De NVWA merkt op dat dit als risico heeft dat bij nieuwe type activiteiten deze buiten de werkingssfeer van het WAS 2023 komen te vallen. Bij het voorstel van de definitie speeltoestel in onderhavig besluit is echter bewust gekozen voor een afbakening van de reikwijdte van het besluit, om te zorgen voor duidelijkheid voor alle betrokkenen. Met de toevoeging van “onder meer” in de definitie van speeltoestel wordt geen grens getrokken bij de toestellen die onder het besluit vallen. Dat levert teveel onzekerheid op voor de sector. Mochten er in de toekomst nieuwe toestellen op de markt komen die voor spelen en vermaak worden gebruikt, dan moet op dat moment overwogen worden of de definitie moet worden aangepast. De aanbeveling van de NVWA om het werkwoord “hangen” toe te voegen in de definitie van speeltoestel, is wel overgenomen. Tevens is op verzoek van de NVWA de begripsbepaling mobiel toestel aangepast naar een toestel dat een niet permanent opgesteld toestel betreft, dat niet op één plaats staat en bedoeld is om verplaatst te worden. In de artikelsgewijze toelichting staat dat deze steeds opnieuw opgebouwd moet worden. Ook is de artikelsgewijze toelichting bij de definitie “toestel” op verzoek van de NVWA aangepast door op te nemen dat de subcategorieën van toestellen in onderhavig besluit ook binnen de definitie van “toestel” vallen.
De definitie van “ernstig letsel” is op verzoek van de NVWA aangepast in zowel de begripsbepaling als de toelichting. Daarmee wordt verduidelijkt dat sprake is van ernstig letsel zoals bedoeld in artikel 23 van onderhavig besluit als het gaat om blijvend ernstig letsel, waarvoor professionele medische behandeling of een ziekenhuisopname noodzakelijk is, of bij overlijden. Een ernstig ongeval is een ongeval dat verband houdt met het toestel waarbij het slachtoffer ernstig letsel oploopt. De omstandigheden en de gevolgen van de verwonding spelen mee in de overweging om letsel als ernstig aan te merken.
Tot slot wijst de NVWA er op dat met de wijziging van het WAS 2023 een nieuwe taak voor de organisatie ontstaat, namelijk het toezicht houden op (beheerders van) locaties met activiteitstoestellen en indoorspeelhallen en op fabrikanten van activiteitstoestellen. In reactie hierop is aangegeven dat de door de NVWA opgevoerde kosten als gevolg van nieuwe taken worden meegenomen in de bredere afweging van de door de NVWA uit te voeren taken.
Voorhang
In overeenstemming met artikel 32b, tweede lid, van de Warenwet, is een ontwerp van deze algemene maatregel van bestuur op [datum] aan beide kamers der Staten-Generaal gezonden (Kamerstukken II, nummer). PM
Notificatie
Het ontwerp van deze regeling is op [datum] gemeld aan de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn (EU) 2015/1535.40 De notificatie bij de Europese Commissie is noodzakelijk, aangezien artikel I van deze regeling mogelijk technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn (EU) 2015/1535. Naar aanleiding van de notificatie PM
Invoeringstermijn
Er zal een minimuminvoeringstermijn gelden voor het besluit. Met een periode van minimaal vier maanden tussen de publicatie van onderhavig besluit en de inwerkingtreding kan de sector zich voorbereiden op de aangepaste regels. In die periode zal het Ministerie van VWS zorgen voor voorlichting over onderhavig besluit, waarbij de samenwerking zal worden gezocht met de NVWA, aangewezen instellingen, brancheverenigingen en overige belanghebbenden. De geplande periode tussen publicatie van het onderhavige besluit en de inwerkingtreding wordt als voldoende beschouwd, omdat de relevante betrokkenen vanaf het begin bij de totstandkoming van dit besluit zijn meegenomen in de plannen en voorstellen voor wijziging. Ook zijn er overgangsbepalingen opgenomen om de sector tijd te geven voor het voldoen aan de voorschriften.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
In het artikel met de begripsbepalingen wordt een aantal begripsbepalingen toegevoegd en gewijzigd. Vanwege het aantal wijzigingen en het hanteren van een alfabetische volgorde wordt artikel 1 opnieuw vastgesteld.
Ten eerste zijn de begrippen accreditatie, nationale accreditatie-instantie en schemabeheer opgenomen in verband met de verplichte accreditatie als voorwaarde voor aangewezen instellingen.
Er is een nieuwe categorie toestellen opgenomen, namelijk de activiteitstoestellen. Deze categorie heeft betrekking op toestellen met een vrije valhoogte van meer dan 3 meter41 of een snelheid meer dan 10 meter per seconde door een niet-menselijke energiebron en het noodzakelijke gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat de toestellen zonder persoonlijke beschermingsmiddelen niet veilig gebruikt kunnen worden.42 Deze definitie, inclusief de begrippen die in de definitie gehanteerd worden, is nader uitgewerkt in de Beleidsregel reikwijdte Warenwetbesluit attractietoestellen, activiteitstoestellen en speeltoestellen behorende bij het besluit. Reeds verkregen certificaten van goedkeuring voor attractie- of speeltoestellen die op basis van het WAS 2023 zijn uitgegeven blijven geldig. Indien een toestel nu als activiteitstoestel wordt aangemerkt dient deze wel aan de andere eisen uit onderhavig besluit te voldoen, zoals de periodieke toets.
De termen eerste keuring, periodieke keuring, typekeuring en beoordeling staan in artikel 1 gedefinieerd om het onderscheid tussen deze activiteiten te verduidelijken. Voor bepaalde toestellen geldt naast de algemene beheerdersverplichtingen een aanvullende keuringsverplichting door een aangewezen instelling. Keuren is een verzamelnaam voor alle conformiteitsbeoordelingsactiviteiten door aangewezen instellingen op het gebied van inspecteren, meten en beproeven. Alle beoordelingsactiviteiten en de periodieke toets dienen gedocumenteerd te worden, zodat een keuringsmoment of een toets moment en methodologie kan worden gereproduceerd. In het geval van een beoordeling geldt dat wanneer het certificaat van goedkeuring niet kan worden verlengd of zijn geldigheid niet behoudt een keuring volgt. Een uitgebreidere beschrijving van de keuringen en wanneer de keuringen, beoordeling of toetsing van de veiligheid van een toestel van toepassing is, is te vinden in de regeling
De definitie van beheerder is gewijzigd en de begrippen verhuurder en huurder zijn geschrapt. In de praktijk zijn beheerders eigenaren, exploitanten en verhuurders van een attractie- of speeltoestel. Zij zijn verantwoordelijk voor het naleven van de beheerdersverplichtingen en het kunnen aantonen dat aan deze beheerdersverplichtingen is voldaan. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen verhuurders en beheerders, omdat een verhuurder altijd een beheerder is en het niet noodzakelijk is om onderscheid te maken tussen deze twee normadressaten. Het is wenselijk dat een verhuurder van het toestel, ook ten tijde van de verhuur, beheerder blijft van het toestel. Het maakt hierbij niet uit of het toestel langdurig wordt verhuurd of voor commerciële of private doeleinden. De verhuurder is verantwoordelijk voor het naleven van de beheerdersverplichtingen, ook in de periode dat het toestel door een huurder wordt gebruikt en/of geëxploiteerd. De term huurder wordt daarom geschrapt en is niet meer nodig. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan verschillende rollen hebben. Zodra bijvoorbeeld een importeur zich niet langer in de verhandelingsfase bevindt en over een toestel beschikt in de gebruiksfase, dan gaan de verplichtingen uit dit besluit gelden die van toepassing zijn op de normadressaat die over een toestel beschikt in de gebruiksfase. Met andere woorden: diegene is in dat geval zowel importeur als beheerder, als bedoeld in dit besluit.
Voor de begrippen ‘distributeur’, ‘fabrikant’ en ‘importeur’ wordt verwezen naar de definities van verordening (EU) 2023/988. Bij de begripsbepaling ‘gemachtigde’ is aangesloten bij de definitie van verordening (EU) 2023/988. Echter de verordening spreekt in de definitie van ‘gemachtigde’ over ‘verplichtingen uit hoofde van de verordening’. In het WAS 2023 is dit vervangen door ‘verplichtingen van de fabrikant’.
De categorie mobiel speeltoestel is aan het besluit toegevoegd. Deze categorie betreft speeltoestellen die niet permanent opgesteld staan, gemakkelijk verplaatst kunnen worden en vaak bedoeld zijn om meerdere keren opgebouwd en afgebroken te worden. Een voorbeeld van een mobiel speeltoestel is een luchtkussen of andere opblaasbare speeltoestellen die bijvoorbeeld gedurende een zomerperiode ergens staan opgesteld.
De definitie speeltoestel is aangepast. De oorspronkelijke definitie van een speeltoestel was te breed, waardoor meer objecten en toestellen onder het WAS 2023 vielen dan bedoeld. Met een nieuwe definitie wordt de reikwijdte beter afgebakend. De definitie van speeltoestel wordt nader uitgewerkt in de Beleidsregel bij dit besluit.
Ook is de definitie speeltoestel van eenvoudig ontwerp toegevoegd. Dit is een nieuwe categorie speeltoestellen. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld evenwichtsbalken en een cluster stapstenen.
In het besluit is het begrip toestel een verzamelnaam voor attractie-, activiteits- en speeltoestellen inclusief alle subcategorieën (attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp, speeltoestellen van een eenvoudig ontwerp en mobiele speeltoestellen), of te wel alle toestellen die vallen onder het onderhavig besluit. Naar aanleiding hiervan worden artikelen in de regelgeving aangepast en wordt attractie- en speeltoestellen op veel plaatsen vervangen door het begrip toestellen.
Voorts is het begrip valhoogte opgenomen. De valhoogte is een onderscheidend criterium voor activiteitstoestellen ten opzichte van speeltoestellen.
Artikel I, onderdelen B, C, E, G en H
Door toevoeging van een categorie toestellen, activiteitstoestellen, is ‘attractie- en speeltoestellen’ of ‘attractie- of speeltoestellen gewijzigd naar ‘toestellen’ of is ‘activiteitstoestellen’ toegevoegd.
Artikel I, onderdeel D
Verordening (EU) 2023/988 stelt algemene veiligheidseisen aan producten, bestemd voor of gebruikt door consumenten, die in de handel worden gebracht. Deze verordening is ook van toepassing op attractietoestellen, activiteitstoestellen en speeltoestellen. In artikel 5 van verordening (EU) 2023/988 is geregeld dat marktdeelnemers zijn gehouden uitsluitend veilige producten in de handel te brengen of op de markt aan te bieden. Een veilig product betreft een product dat bij normale of redelijkerwijs voorzienbare gebruiksomstandigheden, waaronder de daadwerkelijke gebruiksduur, geen enkel risico oplevert dan wel slechts minimale risico’s die verenigbaar zijn met het gebruik van het product en die worden geacht aanvaardbaar en in overeenstemming te zijn met een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid en de veiligheid van consumenten. Met de wijziging van artikel 5, eerste lid, wordt aangesloten bij de definities van verordening (EU) 2023/988.
Artikel I, onderdeel E
In artikel 6, tweede lid, is verduidelijkt dat het bij het vermoeden van veiligheid moet gaan om het voldoen aan de relevante toestelspecifieke normen, als deze aanwezig zijn. Daarmee wordt aangesloten bij de verwoording van artikel 7 van verordening (EU) 2023/988.
Artikel I, onderdeel F
Fabrikanten en importeurs zijn op grond van verordening (EU) 2023/988 verplicht om hun naam en adres op producten te vermelden. Daarnaast moeten fabrikanten op hun producten een type-, partij- of serienummer dan wel een ander identificatiemiddel aanbrengen dat gemakkelijk zichtbaar en leesbaar is. Vanwege deze verplichting vervalt artikel 7, eerste lid. Wel blijft de verplichting voor de fabrikant bestaan om het bouwjaar aan te brengen op een toestel. Dit wordt beschouwd als een ‘ander identificatiemiddel’ dat helpt bij het identificeren en herleiden van de oorsprong van de bouw van het toestel. Het vermelden van het bouwjaar helpt bij de inspecties bij het identificeren en herleiden van de oorsprong van de bouw van het toestel, het moment van certificeren en welke NEN EN normen (jaar van publicatie van de norm) zijn toegepast. Eveneens is het uniek registratienummer een identificatiemiddel dat identificatie van een toestel vergemakkelijkt.
Aan artikel 7, derde lid, zijn de categorieën activiteitstoestellen, mobiele speeltoestellen en speeltoestellen, waarvoor een periodieke keuringsplicht geldt, toegevoegd. Door activiteitstoestellen, mobiele speeltoestellen en speeltoestellen, waarvoor een periodieke keuringsplicht geldt, op te nemen in het register, kan de NVWA op afstand nagaan of deze toestellen gekeurd zijn.43 Dit vergemakkelijkt risicogerichte inspecties en maakt het eenvoudiger om bij crises de betreffende toestellen snel te identificeren en lokaliseren. Activiteitstoestellen kennen complexere risico’s. De gebruiker heeft op deze toestellen vaak een actieve rol in het gebruik (en daarbij ook in het beperken van de risico’s van het gebruik) in combinatie met grotere gevaren door de hoogte en/of snelheid, waardoor de veiligheid (mede) afhankelijk is van het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen om de risico’s van de hoogte en/of snelheid te kunnen beperken. Voor deze toestellen is het van belang dat ze traceerbaar zijn, zodat de toezichthouder adequaat kan optreden indien noodzakelijk. In de huidige praktijk gebeuren veel ongelukken met mobiele speeltoestellen, zoals luchtkussens.44 Deze maatregel is dan ook voor mobiele speeltoestellen van belang, omdat deze lastiger traceerbaar zijn en tegelijkertijd in de huidige praktijk wel risico’s met zich meebrengen. Dit laatste geldt ook voor speeltoestellen, waarvoor een periodieke keuringsplicht geldt. Zo gebeuren er relatief veel ongelukken bij trampolineparken en is er relatief vaak sprake van gebrekkig onderhoud. De procedure voor het registreren en aanbrengen van een uniek registratienummer op een toestel wordt uiteengezet in artikel 8 van de regeling.
Artikel I, onderdeel I
Aan artikel 9, eerste lid, is toegevoegd dat speeltoestellen van eenvoudig ontwerp worden uitgezonderd van een eerste keuring, ofwel een ingebruiknamekeuring genoemd, door aangewezen instellingen. Dit betreffen speeltoestellen waarbij de hoogste vrije valhoogte45 van het toestelminder dan 60 cm tot de ondergrond is. En het speeltoestel geen door het speeltoestel veroorzaakte gedwongen beweging van de gebruiker kent, zonder bewegende onderdelen en op een zodanige manier geplaatst is dat de opvangzone, of een deel van de opvangzone, van het speeltoestel niet uit water of andere obstakels bestaat. De opvangzone betreft het oppervlak waarop de gebruiker terechtkomt na het vallen. Deze speeltoestellen van eenvoudig ontwerp kennen minder gevaar en een beperkt risico op ernstig letsel waarvan de oorzaak bij de vervaardiging van het toestel ligt. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld een cluster van lage stapstenen, lage evenwichtsbalken en eenvoudige zandbakken46. De aanvullende keuringseisen die werden gesteld, bracht voor deze categorie eenvoudige toestellen onnodige regeldruk met zich mee voor fabrikanten, importeurs en beheerders. Fabrikanten van deze toestellen dienen onverminderd aan de algemene productveiligheidseisen te voldoen, zoals die zijn opgenomen in verordening (EU) 2023/988. Daarnaast zijn beheerders volgens het onderhavig besluit verplicht om zorg te dragen dat het eenvoudige toestel in de gebruiksfase zodanig en volgens de gebruiksaanwijzing is geïnstalleerd, gemonteerd, gedemonteerd wordt, is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat het bij het redelijkerwijs gebruik geen dan wel slechts acceptabele risico’s oplevert en die worden geacht aanvaardbaar en in overeenstemming te zijn met een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid en de veiligheid van consumenten.
Bij artikel 9, tweede lid, wordt vermeld dat bij de typekeuring van in serie geproduceerde speeltoestellen en attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp naast het typekenmerkend monster ook de interne bepalingen door de aangewezen instelling moeten worden gekeurd. De fabrikant dient interne bepalingen te hebben om de continubewaking bij het productieproces te garanderen. De fabrikant dient te waarborgen dat de in serie geproduceerde toestellen zijn geproduceerd conform het door de aangewezen instelling gekeurde typekenmerkend monster, zodat alle replica van het typekenmerkend monster aan de eisen zoals gesteld in het onderhavig besluit voldoen. Ook waarborgen de interne bepalingen dat bij vervanging van essentiële onderdelen, die voor de veiligheid vervangen moeten worden, de conformiteit met het typekenmerkend monster behouden blijft, zie ook bijlage I bij het besluit. Het borgingssyteem voor de productiekwaliteit van een fabrikant dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van de betrokken toestellen, geeft een vermoeden van conformiteit aan bijlage I, onderdeel 4, van het besluit. In schema’s onder het schemabeheer wordt ten minste de wijze vastgesteld waarop de aangewezen instellingen de interne bepalingen keuren bij fabrikanten en importeurs.
Met artikel 9, derde lid, is geregeld dat een toestel of een typekenmerkend monster dat bijvoorbeeld door de maat, het gewicht, de snelheid, de bouwvorm, veiligheidsgerelateerde redenen of door andere unieke kenmerken niet voorafgaand aan de verhandeling gekeurd kan worden, voorafgaand aan de ingebruikname op de gebruikslocatie door een aangewezen instelling gekeurd kan worden. Voor een goede keuring kan het voor deze specifieke toestellen het beste zijn dat deze in een relevante fysieke situatie ofwel de uiteindelijke gebruikslocatie gekeurd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een groot klimtoestel dat (in serie of als stuk) wordt geproduceerd en verankerd moet worden in de ondergrond voor een goede afronding van de keuring. Dit gaat bijvoorbeeld niet over mobiele speeltoestellen, zoals luchtkussens, die elke keer opnieuw worden opgebouwd. De keuring op locatie van een typekenmerkend monster is aanvullend op en in combinatie met de verplichting dat ook het technisch constructiedossier en het productieproces worden meegenomen in de keuring.
Op grond van het vijfde lid is het mogelijk om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen aan het periodiek of opnieuw keuren van speeltoestellen. Met de wijziging is de mogelijkheid gecreëerd om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen aan het opnieuw of periodiek toetsen, beoordelen of keuren van speeltoestellen en activiteitstoestellen. Het begrip beoordelen is toegevoegd, zodat in de ministeriële regeling nadere regels gesteld kunnen worden aan de beoordeling die de aangewezen instelling uitvoert voor er eventueel over wordt gegaan op een keuring.
Activiteitstoestellen zijn als nieuwe categorie in het onderhavig besluit geïntroduceerd. Het is wenselijk om ook voor activiteitstoestellen nadere regels te kunnen stellen met betrekking tot periodieke keuringen, toetsen of beoordelingen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht voor het borgen van de veiligheid tijdens de gebruiksfase van het toestel.
Artikel I, onderdeel J
Met de wijziging van artikel 10, eerste lid, is verduidelijkt dat deze bepaling van toepassing is op elke individuele (type)keuring van een attractie-, activiteitstoestel of speeltoestel; ofwel elke keer dat een dergelijk toestel wordt gekeurd. Dit wil zeggen dat een aanvraag van één en dezelfde keuring van een toestel uitsluitend bij één aangewezen instelling wordt aangevraagd en niet gelijktijdig bij twee of meerdere aangewezen instellingen. Dit om te voorkomen dat ingeval een aangewezen instelling een toestel niet goedkeurt, een andere aangewezen instelling hetzelfde attractie- of speeltoestel wél goedkeurt. Daarom dient de keuring of afwikkeling van een afgekeurd toestel afgehandeld te worden door de instelling waar de keuringsaanvraag oorspronkelijk is ingediend. Het is wel toegestaan een offerte aan te vragen bij meerdere aangewezen instellingen voorafgaand aan de aanvraag van een keuring bij één aangewezen instelling. Bij een volgende periodieke keuring kan de keuring bij één andere aangewezen instelling worden aangevraagd of wanneer de geldigheid van het certificaat van goedkeuring is vervallen.
Artikel I, onderdelen K en L
Op grond van artikel 12, eerste lid, wordt, nadat een keuring heeft plaatsgevonden, voor toestellen, met uitzondering van eenvoudige speeltoestellen, door de aangewezen instelling een certificaat van goedkeuring afgegeven, indien dat toestel naar het oordeel van de aangewezen instelling voldoet aan de in de artikelen 5 tot en met 7 en 8, eerste lid, gestelde voorschriften.
De verplichting om attractietoestellen en speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkend monster zijn vervaardigd van een merk van goedkeuring te voorzien, is vervallen. Daarom vervalt ook in artikel 13 ‘merk van goedkeuring’.
Artikel I, onderdeel M
Voor attractietoestellen, activiteitstoestellen en mobiele speeltoestellen moet zowel het certificaat van goedkeuring als de keuringsrapportage door de aangewezen instelling onverwijld worden geregistreerd in het basisregister toestellen van de NVWA. Op basis van deze gegevens kan gericht toezicht worden gehouden. Gelet op de complexiteit van deze toestellen, dan wel een groter gevaar of risico op ernstig letsel, is een wettelijke basis voor de registratie van deze toestellen gewenst. Daarnaast zijn ook de gegevens in de keuringsrapportages waardevolle informatie voor het goed toezicht door de NVWA.
Bij speeltoestellen, met uitzondering van mobiele speeltoestellen, geeft het certificaat van goedkeuring voldoende inzicht voor gericht toezicht.
Tevens doet een aangewezen instelling die het afgeven van een certificaat weigert, hiervan mededeling aan de overige aangewezen instellingen en de NVWA. Hiermee wordt voorkomen dat een andere aangewezen instelling in zo'n geval te goeder trouw een verzoek tot aanvraag van een keuring in behandeling zou nemen.
Artikel I, onderdeel N
Artikel 15 stelt eisen aan het uitvoeren van substantiële wijzigingen
door of in opdracht van de beheerder van een toestel tijdens de
gebruiksfase. Het begrip is in lijn gebracht met verordening (EU)
2023/988.
Een substantiële wijziging (ofwel modificatie) is het aanpassen of verbeteren van zowel veiligheidsgerelateerde onderdelen in de hardware van een toestel (bijv. onderdelen, materialen, vormgeving) als een veiligheidsgerelateerde wijziging in de software van een toestel (bijvoorbeeld besturingssysteem). Daarbij moet het gaan om een wijziging die het product verandert op een wijze die niet was voorzien in de aanvankelijke risicobeoordeling van het product en waarbij de aard van het gevaar is veranderd, een nieuw gevaar is gecreëerd of het risiconiveau is gestegen. Voorbeelden zijn het aanpassen van het toestel om modernere technologieën te gebruiken of het vervangen van een onderdeel van de draagconstructie met een niet-identiek onderdeel. Ook laswerkzaamheden (werkzaamheden waarbij het opstellen van lasprocedures (WPS) noodzakelijk is of wanneer begeleiding van een laspraktijkingenieur (ook wel LPI-er of International Welding Engineer (IWE) noodzakelijk is) en het wijzigen van de samenstelling van een toestel (als de nieuwe combinatie niet op het certificaat van goedkeuring voorkomt) zijn substantiële wijzigingen. Degene die het toestel substantieel wijzigt wordt als fabrikant beschouwd en moet aan de verplichtingen voor de fabrikant voldoen voor het deel van het product waarop de wijziging betrekking heeft, of voor het gehele product indien de substantiële wijziging van invloed is op de veiligheid ervan.47
Ook wijzigingen in het toezichtsplan van toestellen dienen voor attractie- en speeltoestellen gemeld te worden bij een aangewezen instelling, omdat deze invloed hebben op de veiligheid van het toestel en bij de aanvankelijke risicobeoordeling geen rekening is gehouden met de betreffende wijzigingen in het toezichtsplan. Wijzigingen in toezichtsplannen van activiteitstoestellen dienen gemeld te worden bij de onpartijdige, deskundige partij die de periodieke toets uitvoert.
Meldplicht substantiële wijzigingen bij een aangewezen instelling
Elke substantiële wijziging aan een toestel in de gebruiksfase dient door de beheerder (van het toestel dat gewijzigd is of wordt) schriftelijk te worden gemeld aan een aangewezen instelling. Het melden van een substantiële wijziging hoeft niet bij de aangewezen instelling te worden gedaan die het toestel in oorspronkelijke staat heeft gekeurd. Indien voor een andere aangewezen instelling wordt gekozen moet er rekening mee worden houden dat de aangewezen instelling om aanvullende documentatie (bijvoorbeeld de documenten die zijn aangeleverd voor de ingebruiknamekeuring) kan vragen om de substantiële wijziging te kunnen beoordelen.
Geen substantiële wijzigingen
Reparatie- of vervangingswerkzaamheden waarbij onderdelen één op één vervangen worden met identieke onderdelen en gewone wijzigingen (bijvoorbeeld het vervangen van een schroefje met een nieuwere, betere schroef in een onderdeel van het toestel dat niet essentieel is voor de draagconstructie en waarbij het vervangende artikel aantoonbaar hetzelfde veiligheidsniveau biedt) hoeven niet gemeld te worden bij een aangewezen instelling.
Ook een wijziging in de combinatie van modulaire onderdelen hoeft niet gemeld te worden bij een aangewezen instelling als de nieuwe combinatie en de wijze waarop het samengesteld mag worden op het certificaat van goedkeuring voorkomt. Een combinatie van samenstellende toestellen of delen daarvan mag namelijk op één certificaat van goedkeuring worden weergegeven, indien wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6, zesde lid, Regeling. Zoals bepaald in artikel 19, tweede lid, dienen alle wijzigingen (inclusief de substantiële wijzigingen) en reparaties vastgelegd te worden in het actueel dossier.
Beoordeling aangewezen instellingen
Een aangewezen instelling beoordeelt of de substantiële wijziging gevolgen heeft voor de geldigheid van het certificaat. In de schema’s wordt uitgewerkt hoe aangewezen instellingen substantiële wijzigingen beoordelen. Ook wordt in de schema’s uitgewerkt wanneer een nieuwe keuring noodzakelijk is en hoe deze keuring eruit ziet.
Artikel I, onderdeel O
Artikel 15a stelt eisen aan het uitvoeren van wijzigingen van de interne bepalingen tijdens de productie van typegecertificeerde toestellen, die van invloed kunnen zijn op de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit, zoals de conformiteit van toestellen met het goedgekeurde typekenmerkend monster. Deze wijzigingen kunnen zowel betrekking hebben op de “software” als op de hardware van het toestel en kunnen van invloed zijn op het waarborgen van de conformiteit van de replica’s met het goedgekeurde typekenmerkend monster. Voorbeelden zijn de wijziging van de productielocatie, het aanpassen van de gebruiksaanwijzing of wijzigingen in het ontwerp, zoals het veranderen van onderdelen of type materiaal. Wijzigingen bij de vervaardiging van een serietoestel die van invloed zijn op de conformiteit van een toestel met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit dienen onverwijld bij een aangewezen instelling te worden gemeld. Indien het oordeel luidt dat de wijziging invloed heeft op de continuïteitsbewaking van het toestel zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, dan vervalt het certificaat.
Artikel I, onderdeel P
In lijn met de aanpassing van artikel 5 wordt ook in artikel 16, eerste lid, met ‘veilig’ bedoeld dat toestellen veilig in gebruik zijn. Hieronder wordt verstaan dat toestellen geen enkel risico opleveren, dan wel acceptabele risico’s die verenigbaar zijn met het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het toestel en die worden geacht aanvaardbaar en in overeenstemming te zijn met een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid en de veiligheid van consumenten. Toestellen moeten altijd vergezeld gaan van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing.
Artikel I, onderdeel Q
Beheerders moeten naast een certificaat van goedkeuring ook beschikken over de gebruiksaanwijzing zoals bedoeld in artikel 16, zodat zij weten hoe een toestel veilig gebruikt kan worden. De verantwoordelijkheid voor beheerders voor het beschikken over de gebruiksaanwijzing in de gebruiksfase van een toestel is hiermee verduidelijkt. Deze verplichting volgde voorheen slechts indirect uit het huidige artikel 19, eerste lid.
Artikel I, onderdeel R
Aan artikel 18 is toegevoegd dat de distributeur dan wel importeur er ook op toeziet dat het toestel vergezeld gaat van een actueel dossier als bedoeld in artikel 19. Op deze manier wordt geborgd dat de registratie van belangrijke gegevens van het toestel, zoals gegevens over het onderhoud en ongevallen, inzichtelijk blijven voor de nieuwe beheerder.
Artikel I, onderdeel S
Artikel 19 stelt verplichtingen aan beheerders van toestellen tijdens de gebruiksfase van het toestel. Het eerste lid bepaalt dat beheerders ervoor zorgdragen dat het toestel zodanig en volgens de gebruiksaanwijzing is geïnstalleerd, gemonteerd, gedemonteerd wordt, is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden, wordt bediend en van opschriften is voorzien dat het toestel veilig in gebruik is. De beheerder dient de instructies in de gebruiksaanwijzing, zoals bedoeld in artikel 16, op te volgen, bijvoorbeeld als het gaat om het toezicht tijdens gebruik van het toestel, voorschriften ten aanzien van de installatie, montage, inspectie en - indien van toepassing - de periodieke uitvoering van een Niet Destructief Onderzoek (hierna: NDO). Het NDO moet op de risicovolle onderdelen te allen tijde worden uitgevoerd, mag niet worden uitgesteld en de persoon die een NDO uitvoert moet onpartijdig en daartoe gekwalificeerd zijn.
Uit artikel 19, tweede lid, volgt dat de beheerder met een actueel dossier aantoont dat aan het eerste lid is voldaan. Per toestel moeten in ieder geval de gegevens met betrekking tot het identificeren van het toestel, onderhoud en inspecties, vervanging van onderdelen, reparaties en (substantiële) wijzigingen bijgehouden worden. Ook wordt in het actueel dossier omschreven en bijgehouden hoe – indien van toepassing - toezichtsvoorschriften die vereist zijn voor het veilig gebruik van het toestel tijdens het gebruik van het toestel worden toegepast. Ook dient hier aangegeven te worden indien er wordt afgeweken van de voorschriften in de gebruiksaanwijzing, of en hoe een beheerder zijn beheerdersverplichtingen invult indien de gebruiksaanwijzing onvoldoende duidelijkheid biedt voor de specifieke situatie. Tot slot wordt verduidelijkt dat in het actueel dossier ernstige incidenten of ongevallen met het toestel, zoals bedoeld in artikel 23, door de beheerder bijgehouden worden. In de huidige praktijk is dit onderdeel van het actueel dossier, maar met deze wijziging wordt dit expliciet verduidelijkt. Hierdoor kunnen beheerders, aangewezen instellingen en de NVWA inzicht krijgen in de ongevallen en incidenten en kan er makkelijker worden gezien of ongevallen en incidenten mogelijk verband houden met het toestel.
Het actueel dossier geeft (een deel van) het technisch verleden weer van het toestel en helpt de beheerder bij de zorg voor de veiligheid van het toestel. Daarnaast biedt het actueel dossier inzicht voor de NVWA, AKI en beheerder in ongevallen, reparaties of substantiële wijzigingen die zich in het verleden hebben voorgedaan. De meest relevante onderdelen (zoals hiervoor genoemd) van het actueel dossier dienen de gehele levensduur van het toestel (ook bij afgekeurde toestellen) aanwezig te zijn. Bij vernietiging van het toestel kan het actueel dossier ook verwijderd worden. Aan artikel 19 wordt deze bewaarplicht toegevoegd.
Artikel I, onderdelen T en U
In verband met het vervallen van de begripsbepalingen ‘huurder’ en ‘verhuurder’ wijzigen de artikelen 20 en 21.
Artikel I, onderdeel V
Met deze wijziging is verduidelijkt wat er onder een ernstig ongeval wordt verstaan. Een ernstig ongeval is een ongeval dat verband houdt met het toestel waarbij het slachtoffer ernstig letsel oploopt. Ernstig letsel betreft alle vormen van verwonding die blijvende ingrijpende en nadelige, gevolgen hebben voor personen en waarvoor behandeling door een medische professional nodig is. Er is ook sprake van een ernstig ongeval indien het ongeval en/of de verwondingen fatale gevolgen hebben voor personen. De omstandigheden en de gevolgen van de verwonding bepalen mede of een ongeval of incident als ernstig ongeval wordt aangemerkt en dus gemeld moet worden bij de NVWA.
Onder 'ziekenhuisopname' geldt ook een (dag)opname van slechts enkele uren. Bijvoorbeeld voor een operatie of ingreep door een specialist, (plastisch) chirurg of orthopeed. Onder 'blijvend letsel' worden ook chronische lichamelijke en psychische klachten verstaan. Wanneer later pas blijkt dat er sprake is van een ziekenhuisopname of blijvend letsel dan moet de beheerder het ongeval alsnog direct melden zodra dit bekend is.
Artikel I, onderdelen W tot en met Z
Deze artikelen hebben betrekking op de (aanwijzing van)
aangewezen instellingen. Artikel 24, eerste lid, onder c, is gewijzigd
om aan te sluiten bij de eisen die de verplichte accreditatienormen
stellen aan onpartijdigheid. Een instelling dient de taken op een
onpartijdige wijze uit te voeren om aangewezen te kunnen worden. Er is
ruimte om de specificaties in lijn met de accreditatienormen in de
schema’s verder uit te werken.
Om te voorkomen dat veiligheid ondergeschikt wordt aan het economisch belang van een aangewezen instelling is een geharmoniseerde uitvoering van de keuring gewenst. Artikel 24, tweede lid, is aan het besluit toegevoegd zodat aangewezen instellingen aan de hand van schema’s hun werkzaamheden uitvoeren. Onder leiding van een schemabeheerder dient in deze schema’s de uitvoering van het besluit en de regeling te worden uitgewerkt om zo te komen tot het geharmoniseerd verrichten van de taken waarvoor zij zijn aangewezen, zoals de procedures, werkwijze en documentatie met betrekking tot keuringen. Maar ook bijvoorbeeld hoe wordt omgegaan met veranderingen tijdens de gebruiksfase van toestellen, zoals bij substantiële wijzigingen of de herbeoordeling van een typecertificaat na tien jaar. Dit zorgt voor meer eenduidigheid in eisen en beoordelingscriteria van de aangewezen instellingen, minder interpretatieverschillen en meer transparantie richting de sector. De schema’s moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving. Onder activiteiten die door de schemabeheerder georganiseerd worden, wordt mede verstaan overleggen, trainingen, verzoeken tot informatie en andere activiteiten ten einde te komen tot het geharmoniseerd verrichten van de taken van de aangewezen instellingen. De meest actuele schema’s waarin de laatste wijzigingen zijn meegenomen en voorgaande versies van de schema’s moeten publiekelijk en kosteloos toegankelijk zijn. Het aanwijzen van een schemabeheerder, deelnemen aan het schemabeheer en hanteren van schema's bij keuringswerkzaamheden is een verplichting voor aangewezen instellingen. Deze verplichting vervangt de verplichting van artikel 4 van de regeling voor aangewezen instellingen om onderling overleg te hebben op basis van een door hen opgesteld en door de Minister vastgesteld reglement.
Onder een schema wordt mede verstaan een inspectieschema of een certificatieschema, twee benamingen die bij accreditatie veelvuldig worden gebruikt. Om een specifiek schema niet uit te sluiten is in dit besluit gekozen om het begrip ’schema’s’ te gebruiken.
Bij artikel 26, tweede lid, is na ‘gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder e,’ ingevoegd ‘waaronder het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages’, omdat deze bepaling goed aansluit bij artikel 26 en hierdoor artikel 28, derde lid, kan vervallen.
Met de wijziging van artikel 27, eerste lid, moeten instellingen, alvorens ze een aanvraag tot aanwijzing kunnen doen, conform het rijksbeleid, verplicht geaccrediteerd zijn door een nationale accreditatie-instantie om aan te tonen dat zij voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens het onderhavige besluit. Hiermee tonen zij ook hun onpartijdigheid en deskundigheid aan. De aangevraagde reikwijdte van de aanwijzing mag niet groter zijn dan hetgeen is opgenomen in de scope van de accreditatie. Ook in het geval dat een (buitenlandse) instelling geaccrediteerd wordt door een nationale accreditatie-instantie, welke niet de Nederlandse Raad voor Accreditatie is, moet er bij de accreditatie beoordeeld worden aan de hand van de accreditatienorm én de eisen die staan omschreven in dit besluit, de regeling en de daarbij behorende schema’s. De accreditatie van een instelling uit een andere lidstaat dient uitgevoerd te worden conform Verordening (EG) 765/2008.
Uitgangspunt is dat accreditatie steeds de grondslag is voor de aanwijzing door Onze Minister. Enkel in geval van uitzonderlijke omstandigheden mogen in plaats van accreditatie andere bewijsstukken worden overlegd aan Onze Minister om conformiteit met de eisen aan te tonen, bedoeld in artikel 24 van het besluit en in de normen welke staan opgenomen artikel 2 van de regeling. Die uitzonderlijke omstandigheid doet zich voor als geen aangewezen instelling meer bevoegd is om de werkzaamheden uit te voeren en er geen andere aangewezen instelling is die de werkzaamheden kan overnemen.
Indien een aangewezen instelling zijn taken beëindigt, draagt zij het technisch constructiedossier, keuringsrapportages en bijbehorende certificaten over aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dit is toegevoegd aan artikel 26, tweede lid. Hierdoor kan artikel 28, derde lid, vervallen.
Artikel I, onderdeel AA
Artikel 29 vervalt, omdat het overbodig is geworden. Dit artikel was bedoeld om attractietoestellen - en speeltoestellen die (tijdelijk) in Nederland gebruikt worden, aan te melden bij de NVWA bij eerste opbouw of plaatsing. Het is reeds verplicht om attractietoestellen in het basisregister toestellen te registreren. Deze verplichting gaat ook gelden voor activiteitstoestellen en mobiele speeltoestellen. Omdat deze toestellen van een uniek registratienummer worden voorzien en in het basisregister worden geregistreerd, is het niet nodig om nog aanvullend een melding bij de NVWA te maken 48 uur voor plaatsing van het toestel.
Artikel I, onderdeel BB
Met artikel 33 is een overgangsperiode in acht genomen voordat instellingen op basis van accreditatie aangewezen worden. Instellingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavig besluit zijn aangewezen als keuringsinstelling dienen uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag tot accreditatie bij de nationale accreditatie-instantie in te dienen om hun aanwijzing te behouden. De aanwijzing blijft dan geldig tot uiterlijk 24 maanden na inwerkingtreding van dit besluit.
De aanwijzing kan eerder eindigen wanneer de aangewezen instelling niet meer aan de eisen voldoet en daarom intrekking van de aanwijzing plaats vindt op grond van artikel 27, tweede of derde lid, óf wanneer de instelling eerder een aanwijzing op basis van accreditatie verkrijgt.
Artikel I, onderdeel CC
Dit artikel voorziet in enkele overgangsbepalingen.
Artikel 33a
Met onderhavig besluit is de categorie activiteitstoestellen
geïntroduceerd. In verband met de tijd die de accreditatie- en
aanwijzingsprocedure voor (eventuele nieuwe) aangewezen instellingen die
keuringswerkzaamheden voor activiteitstoestellen willen gaan uitvoeren
kost, zal een overgangsperiode van drie jaar na inwerkingtreding van
onderhavig besluit gehanteerd worden. Dit betekent dat beheerders van
activiteitstoestellen ervoor moeten zorgen dat uiterlijk drie jaar na
inwerkingtreding van onderhavig besluit deze toestellen gekeurd
zijn.
In de afgelopen jaren is door de sector veel gewerkt aan de ontwikkeling
en kwaliteit van zelfregulering voor activiteitstoestellen. Dit heeft
geleid tot het keuren van activiteitstoestellen door deskundige partijen
en het afgeven van certificaten. In het schemabeheer zal worden
uitgewerkt hoe wordt omgegaan met deze certificaten die op basis van de
huidige zelfregulering zijn uitgegeven, zodat bij de eerste
ingebruikname keuring zoals voorgeschreven in onderhavig besluit
rekening wordt gehouden met de betekenis van bestaande certificaten en
eerdere keuringen in een door de aangewezen instellingen en met
belanghebbenden afgestemde procedure.
Artikel 33b
In artikel 33b is geregeld dat de verplichting om op grond van artikel 7, tweede lid, activiteitstoestellen en mobiele speeltoestellen te voorzien van een uniek registratienummer niet geldt voor mobiele speeltoestellen waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een certificaat van goedkeuring is afgegeven.
Voor speeltoestellen waarvoor een periodieke keuringsplicht geldt en voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een certificaat van goedkeuring is afgegeven, dient het uniek registratienummer bij de eerstvolgende periodieke keuring aangebracht te worden.
Artikel 33c
In artikel 33c is geregeld dat een certificaat van goedkeuring afgegeven op grond van artikel 12, eerste lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 en geldend op de dag, onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit na dat tijdstip van kracht blijft, totdat de geldigheid van het certificaat vervalt. Daarmee wordt eerbiedigende werking toegekend aan certificaten die voor inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend.
Artikel I, onderdelen DD, EE en FF
Met deze onderdelen zijn verwijzingen naar het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 in onderhavig besluit, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Besluit bijzondere spoorwegen vervangen door ‘Warenwetbesluit attractietoestellen, activiteitstoestellen en speeltoestellen’.
Artikel I, onderdeel GG
In bijlage I over de vervaardiging van attractie-, activiteits- en speeltoestellen is een bepaling toegevoegd, namelijk dat de fabrikant dan wel importeur, verantwoordelijk is voor de continubewaking van de interne bepalingen bij typegekeurde speeltoestellen en attractietoestellen van eenvoudig ontwerp. Om te voorkomen dat in serie geproduceerde speeltoestellen en attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp op de markt worden gebracht die negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid of gezondheid van personen, is het voor fabrikanten verplicht om in de productie interne bepalingen toe te passen die de naleving van het onderhavig besluit waarborgen. De fabrikant dient te waarborgen dat er conformiteit is met het goedgekeurde typekenmerkende monster op basis van interne productiecontroles, de beschikking over een productiekwaliteitsborgingssysteem of door middel van productonderzoek. Ook worden een aantal aanpassingen gedaan om – net als bij een aantal andere artikelen in onderhavig besluit – beter bij de definities van verordening (EU) 2023/988 aan te sluiten.
Artikel I, onderdeel HH
Het woord ‘regelmatig’ is geschrapt uit Bijlage II, onder punt g, aangezien de bepaling niet uitsluitend betrekking heeft op onderdelen die regelmatig vervangen dienen te worden.
Artikel II
Met dit artikel is de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten gewijzigd in verband met het vervallen of toevoegen van voorschriften.
Artikel III
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit. Hierbij wordt aangesloten bij het systeem van vaste verandermomenten voor wet- en regelgeving. Er zal een minimuminvoeringstermijn van vier maanden gelden voor het besluit, zoals beschreven in paragraaf 9.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
CBS (2025), Attractieparken; personeel, baten en lasten, bezoekers.↩︎
DSP-groep (2010). Buurtfunctie terug naar de speeltuin.↩︎
Berenschot “Het WAS gewogen”, 2011.↩︎
Deze bepalingen zijn aanvullend op de Algemene productveiligheidsverordening.↩︎
VeiligheidNL (2024). Ongevallen met attractie- en speeltoestellen: Een analyse van SEH-bezoeken in 2018-2022.↩︎
Ongevallen met attractie- en speeltoestellen | VeiligheidNL, Rapport KBL advies “Versterking harmonisatie WAS” 2019, Inspectieresultaten attracties en speeltoestellen | Attracties en speeltoestellen | NVWA en Berenschot “Het WAS gewogen” 2011.↩︎
Kamerstukken II 2019/20, 33835, nr. 166.↩︎
Kamerstukken II 2020/21, 35570-XVI, nr. 193.↩︎
Kamerstukken II 2021/22, 35925-XVI, nr. 198↩︎
https://eenvandaag.avrotros.nl/artikelen/veel-mis-met-veiligheid-klimbossen-105422; ’Klimbossen levensgevaarlijk’ | De Telegraaf.↩︎
Ongevallen met attractie- en speeltoestellen | VeiligheidNL.↩︎
Ongevallen met attractie- en speeltoestellen | VeiligheidNL.↩︎
Ongevallen met attractie- en speeltoestellen | VeiligheidNL.↩︎
NOS (25 augustus 2018), 'Elke dag zes ongevallen met springkussens'↩︎
VeiligheidNL (2022). Opblaasbare speeltoestellen 2022. Onderzoek onder ouders naar risico’s en risicobewustzijn; plus een vergelijking tussen 2019 en 2022.Rapport opblaasbare speeltoestellen | VeiligheidNL.↩︎
VeiligheidNL (2024). Ongevallen met attractie- en speeltoestellen. Een analyse van SEH-bezoeken in 2018-2022. Ongevallen met attractie- en speeltoestellen | VeiligheidNL.↩︎
In een jaar tijd zijn er bij de NVWA 21 anonieme meldingen gedaan over luchtkussenverhuurders, bij 9 locaties zijn meerdere interventies gedaan.↩︎
VeiligheidNL (2020). Aanleiding en gevolgen van trampoline-ongevallen. Vervolgonderzoek Letsel Informatie Systeem. Trampoline-ongevallen | VeiligheidNL.↩︎
Het betrok ongeveer een kwart van de incidentenmeldingen bij de NVWA van juni 2024 tot 2025.↩︎
Inspectieresultaten trampolinehallen 2023 | Speeltoestellen | NVWA.↩︎
Kamerstukken II, 2020-2021, 33835, nr. 166.↩︎
Kamerstukken II, 2020-2021, 33835, nr. 166.↩︎
Deze kwestie kwam naar voren bij de eerste fase van de herziening van het WAS 2023, onder andere ingebracht door de NVWA en de Branche Spelen en Bewegen.↩︎
Dit beeld komt uit gesprekken met inspecteurs van de NVWA.↩︎
Rapport KBL advies, gesprekken met de sector, signalen van enkele aangewezen instellingen en de ervaringen van de NVWA en VWS duiden op de mogelijkheid om het functioneren van aangewezen instellingen te harmoniseren en professionaliseren.↩︎
Zonder dat deze is voorzien (indien <5 meter) van een niet‐ overklimbare balustrade, dan wel een geheel omsloten (kooi)constructie of bij toestellen >5 meter van een geheel gesloten (kooi)constructie.↩︎
Register attractietoestellen en speeltoestellen (RAS) voor gemeenten | Attracties en speeltoestellen | NVWA↩︎
Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 87/357/EEG van de Raad (PbEU 2023, L 135).↩︎
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.↩︎
Berenschot “Het WAS gewogen” 2011.↩︎
Een éenmalige ingebruiknamekeuring door een aangewezen instelling kan enkele duizenden tot tienduizenden euro’s kosten (WAS keuring). Een periodieke beoordeling, ten minste ééns in de drie jaar, zal enkele honderden euro’s kosten. Een periodieke beoordeling is een nieuw begrip in het onderhavig besluit. Hiermee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige zelfregulering in de sector.↩︎
Overzicht kartbanen in Nederland - KartKings.nl - Kart Onderdelen & Accessoires.↩︎
Sommige beheerders hebben meerdere toestellen en zullen daarom minder tijd kwijt zijn per toestel om kennis te nemen van de nieuwe regelgeving.↩︎
De periodieke toets is opgenomen in de ministeriële regeling behorende bij dit besluit.↩︎
Het betreft eénmalig tussen de € 12.00036.000 voor een accreditatie. De jaarlijkse kosten zijn op factuurbasis. Ook het schemabeheer brengt structurele kosten voor de aangewezen instellingen met zich mee. Naar verwachting zal dit (deels) worden doorberekend aan de sector.↩︎
Aan het ROW nemen vertegenwoordigers deel van ondernemers (industrie en handel), van consumenten, van ministeries (met name van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.↩︎
wetten.nl - Regeling - Specifiek interventiebeleid NVWA attractie- en speeltoestellen (IB03-SPEC 46, versie 09) - BWBR0051052↩︎
Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie).↩︎
Zonder dat deze is voorzien (indien <5 meter) van een niet‐ overklimbare balustrade, dan wel een geheel omsloten (kooi)constructie of bij toestellen >5 meter van een geheel gesloten (kooi)constructie.↩︎
Zoals bedoeld in de VERORDENING (EU) 2016/425.↩︎
Het Basis register toestellen is bovendien toegankelijk voor gemeenten. De registratie vergemakkelijkt het lokale beheer en toezicht op de veiligheid van toestellen, bijvoorbeeld bij het verstrekken van vergunningen.↩︎
Kamerstukken II, 2020-2021, 33835, nr. 166.↩︎
Met vrije valhoogte wordt de grootste verticale afstand vanaf de duidelijk beoogde lichaamsondersteuning tot de opvangzone daaronder bedoeld. Het hoogste lichaamsondersteuningspunt wordt bepaald vanaf het punt voor bedoelde lichaamsondersteuning, eventueel aangevuld met de extra hoogte waarvan het redelijkerwijs te verwachten is dat een gebruiker deze extra hoogte betreedt.↩︎
Het gaat hierbij om zandbakken zonder hoge randen (maximaal 30 cm) en met een voorziening die de graafdiepte van de zandbak beperkt tot een duidelijk maximum (afhankelijk van de doelgroep tussen de 30 en 60 cm) die voorkomt dat de gebruiker zo diep kan doorgraven dat hij onder een berg zand komt en mogelijk stikt.↩︎
Zie overweging 35 van verordening (EU) 2023/988↩︎