De verhouding tussen het gewijzigde wetsvoorstel rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief en de memorie van toelichting
Brief regering
Nummer: 2026D18311, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 16:47, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z08164:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-04-21 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Op 15 april 2026 vond de behandeling in uw Kamer plaats van het
wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis
van uurtarief. Dit wetsvoorstel stond voorheen bekend als het
wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en
rechtsvermoeden (VBAR). Op 10 maart 2026 heb ik een nota van wijziging
op dit wetsvoorstel ingediend, waarmee het verduidelijkingsdeel is komen
te vervallen en het wetsvoorstel enkel nog ziet op het onderdeel dat
bekend staat als het rechtsvermoeden.1 Deze wijziging was de
aanleiding voor het lid Patijn te vragen welke onderdelen van de Memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel nog relevant zijn. Met deze brief
reageer op dit verzoek.
De memorie van toelichting bij een wetsvoorstel wordt niet gewijzigd,
ook niet bij een ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel, zoals heeft
plaatsgevonden met het vervallen van het verduidelijkingsonderdeel.2 Dit maakt dat het enig zoekwerk
verreist om na te gaan welke delen van de toelichting nog relevant zijn;
deze brief helpt bij deze zoektocht.
Hoofdstuk 1 biedt een overzicht van de aanleiding voor het wetsvoorstel zoals dat is ingediend. Hierin wordt de probleemstelling rond schijnzelfstandigheid en de noodzaak voor het wetsvoorstel beschreven. Dit hoofdstuk is met het oog op het rechtsvermoeden relevant, maar toont daarnaast aan dat het belangrijk is om met wetgeving te komen die duidelijker maakt wanneer iemand werknemer is of niet en waarom eerdere wetgeving dit nog onvoldoende heeft bereikt. Het kabinet gaat dan ook aan de slag met de Zelfstandigenwet om ervoor te zorgen dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf meer duidelijkheid hebben wanneer iemand geen werknemer is en dus als zzp’er kan worden ingehuurd, en tegelijkertijd om vast te leggen welke verantwoordelijkheden bij die zelfstandige horen. Op die manier blijft het kabinet aan de slag met verduidelijking en zet het de zelfstandige centraal. Uiteraard zal er ook oog blijven voor de werkenden in een kwetsbare positie, zoals de gedwongen (schijn)zelfstandigen.
In de verdere hoofdstukken van de Memorie van toelichting is steeds aangegeven op welk deel van het wetsvoorstel de tekst betrekking heeft; voor zover dit niet is uitgesplitst, heeft het op beide onderwerpen betrekking en is de tekst daarmee ook relevant voor het rechtsvermoeden.
Hoofdstuk 2 gaat in op de hoofddoelen van het wetsvoorstel. Daarbij gaan de paragrafen 2.1.5 en 2.3.3 specifiek in op het doel, de doeltreffendheid, en de doelmatigheid van het rechtsvermoeden.
Hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel ziet specifiek op het verduidelijkingsdeel dat is komen te vervallen.
Hoofdstuk 4 ziet specifiek op de verschillende aspecten van het rechtsvermoeden.
Hoofdstuk 5 gaat in op de gevolgen van het wetsvoorstel, waarbij in de paragrafen 5.1.1.3 en 5.2.3 specifiek wordt ingegaan op de gevolgen van het rechtsvermoeden voor de werkende en werkgevende, en in paragraaf 5.3.2 op de arbeidsmarkteffecten het rechtsvermoeden. De regeldruk van het rechtsvermoeden wordt behandeld in artikel 5.5.2. In paragraaf 5.7 wordt onder meer specifiek ingegaan op de MKB-toets voor wat betreft het rechtsvermoeden.
Hoofdstuk 7 gaat in op de internetconsultatie, waarbij onder het kopje ‘rechtsvermoeden’ specifiek op dat onderdeel wordt ingegaan.
Hoofdstuk 8 gaat in op de inwerkingtreding, waarbij paragraaf 8.2 ziet op de onmiddellijke inwerkingtreding van het onderdeel rechtsvermoeden.
Artikel I, onderdeel B, van de artikelsgewijze toelichting ziet op het rechtsvermoeden.
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
Kamerstukken II, 2025/26, 36 783, nr. 6.↩︎
Verwezen zij naar de brief van de Minister van Justitie, Kamerstukken II, 2006/07, 30 800 VI en 30 800 III, nr. 81.↩︎