36864 Nota naar aanleiding van het verslag inzake Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D18332, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 17:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij de Nota naar aanleiding van het verslag en nota van wijziging inzake Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening (Kamerstuk 36864)
Onderdeel van zaak 2026Z08171:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-04-22 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nota naar aanleiding van het verslag
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste
commissie van Infrastructuur en Waterstaat van 5 februari 2026 met
betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties
van D66, VVD, BBB en Partij voor de Dieren hebben nog enkele vragen en
opmerkingen. Tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding van het
verslag stel ik een nota van wijziging voor.
Inhoudsopgave
Woord vooraf pagina 1
1. Inleiding pagina 2
2. Hoofdlijnen van de herziene RIE pagina 4
3. Uitbreiding van het aantal activiteiten pagina 10
4. Hoofdstuk veehouderijen pagina 11
5. Sanctionering pagina 12
6. Bestuurlijke lasten pagina 12
7. Uitvoering, toezicht, handhaving pagina 13
8. PIE-verordening pagina 14
Voordat ik in ga op de vragen en opmerkingen uit het verslag, waarbij
de volgorde van het verslag is aangehouden, het volgende.
Dit wetsvoorstel voorziet in de implementatie van de herziene Richtlijn
industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening (hierna:
omzetting) op wetsniveau. Het wetsvoorstel waarop dit verslag betrekking
heeft, bevat slechts de technische aanpassingen van de Omgevingswet (en
enkele andere wetten) die voor de omzetting nodig zijn. Binnen het
stelsel Omgevingswet is geen ruimte om de omzetting op een andere manier
vorm te geven. Niet inhoudelijk en niet als het gaat om de verdeling van
de wijzigingen over de niveaus van de Omgevingswet, algemene maatregelen
van bestuur en regeling. Dit is bepaald door keuzes die bij de
totstandkoming van het stelsel Omgevingswet zijn gemaakt.
Er is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) in voorbereiding met
wijzigingen van het Besluit leefomgeving, het Besluit kwaliteit
leefomgeving en het Omgevingsbesluit ter nadere implementatie van de
richtlijn en de verordening. Dat besluit bevat – samen met een wijziging
van de Omgevingsregeling - de inhoudelijke omzetting. Op grond van
artikel 23.5, eerste lid, Omgevingswet geldt voor dergelijke besluiten
een zogenaamde voorhangverplichting. Krachtens het derde lid van dat
artikel, geldt de voorhangverplichting uit het eerste lid echter niet
“als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van
internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft
Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der
Staten-Generaal.” In de artikelsgewijze toelichting bij de memorie van
toelichting (kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 620) is
aangegeven dat in dit artikellid een uitzondering is opgenomen op de
voorhangverplichting “voor (wets)technische aanpassingen en de strikte
implementatie van wijzigingen die voortvloeien uit internationale
verplichtingen. Dit zorgt ervoor dat het parlement niet onnodig wordt
belast en biedt, in aanvulling op de regeling in artikel 1:8, eerste
lid, Awb, een regeling met het oog op het tijdig voldoen aan
verplichtingen op grond van internationale verdragen. De parlementaire
betrokkenheid bij internationale verplichtingen vindt plaats bij de
voorbereiding en totstandkoming (ratificatie) van die verplichtingen.
Bij een strikte omzetting van internationale verplichtingen in de
nationale wetgeving, zou dit tot een doublure en verlenging van de
procedure leiden. Om die reden wordt daarvoor niet standaard een
voorhangprocedure voorgeschreven. Uiteraard kan de regering hier in een
concreet geval wel toe overgaan en kan het parlement om informatie
verzoeken in het kader van de reguliere controlerende bevoegdheden.”
De richtlijn moet volledig zijn geïmplementeerd op 1 juli 2026. Deze
datum kan niet meer worden gehaald. De implementatie van deze herziening
is complex en veelomvattend. Daarnaast is de implementatielast bij de
ministeries, en ook bij IenW, op dit moment groot. Dat maakt dat voor
meer implementaties achterstanden ontstaan en zijn ontstaan. Op 22 mei
2025 is Nederland veroordeeld door het HvJEU (C-213/23) voor de te late
implementatie van EU-richtlijn 2019/1024 inzake open data en hergebruik
overheidsinformatie tot een boete van 10 miljoen euro. Om de
boetedreiging te minimaliseren, wordt gekeken hoe implementatie kan
worden versneld.
Om van de wettelijke versnellingsmogelijkheden gebruik te kunnen maken,
dient een omzettingsregeling “alleen te strekken tot uitvoering van
internationaalrechtelijke verplichtingen”. Dit is het geval als er in de
omzettingsregeling alleen bepalingen zijn opgenomen, die een relatie
hebben met de omzettingsverplichtingen. Het kan gaan om gevallen, waarin
bestaand recht volstaat ook als een richtlijn tot minder vergaande
maatregelen verplicht.1 Maar het kan ook gaan om omzetting
waarbij wordt afgeweken van eerder gemaakte beleidskeuzes als een
(noodzakelijke) keuze moet worden gemaakt binnen de beleidsruimte die de
om te zetten EU-regeling biedt.
Dit sluit aan bij het beginsel van zuivere implementatie, zoals
neergelegd in Ar 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dat
vereist dat wordt afgezien van regelgeving die niet noodzakelijk is voor
nakoming van de omzettingsverplichting. Hieruit vloeit ook voort dat als
met bestaand recht reeds kan worden voldaan aan de omzettingsplicht,
geen nieuwe regelgeving wordt voorgesteld, zulks met het oog op de
omzettingstermijnen. Dit betekent tenslotte dat bij omzetting van een
EU-richtlijn die vanwege de rechtsgrondslag minimumharmonisatie inhoudt,
van de mogelijkheid om verdergaande eisen te stellen geen gebruik wordt
gemaakt. De snelheid van de omzetting wordt hier voorop gesteld.
Aanvullend nationaal beleid in de vorm van bij voorbeeld gebruikmaking
van de ruimte die er is omdat de richtlijn gebaseerd is op artikel 191
VWEU en dus minimumharmonisatie betreft, of in verband met het
verminderen van regeldruk die in het bestaand recht zit, moeten in een
separaat spoor.
Met het oog op zo spoedig mogelijke omzetting worden in verband met het
bovenstaande voor de omzetting bij de algemene maatregel van bestuur de
verplichte adviesorganen (ATR), de internetconsultatie en de voorhang
overgeslagen. Dit in verband met respectievelijk (1) de artikelen 1.7,
eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, tweede lid,
onderdeel d, van Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk (Awb)
en (2 en 3) 23.4, derde lid, onderdeel b, en 23.5, derde lid,
Omgevingswet. De motivering hiervoor is dat er geen andere manier is om
de richtlijn tijdig en zuiver te implementeren én aan de daarvoor op
grond van het EU-recht geldende eisen te voldoen.
In eerste instantie was de regering voornemens om de AMvB ter nadere implementatie van de richtlijn en de verordening wel voor te hangen (en het besluit in internetconsultatie te brengen en ATR om advies te vragen). Aangezien voldaan wordt aan bovenstaande voorwaarden om hiervan af te kunnen zien, is ten behoeve van het beperken van de vertraging in de implementatie besloten om van iedere mogelijkheid om de omzetting te versnellen gebruik te maken en af te zien van de voorhang.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie constateren dat dit
wetsvoorstel vooral technische wijzigingen bevat en dat de meer
inhoudelijke implementatie via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)
zal plaatsvinden. Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat de
strakke inwerkingtredingstermijn van 1 juli 2026 de zorgvuldigheid van
de parlementaire betrokkenheid bij deze amvb niet in de weg staat. Kan
de regering erop toezien dat de Kamer al in een eerder stadium wordt
geïnformeerd over de beleidskeuzes die binnen de geboden EU-marges
worden gemaakt, specifiek waar het gaat om het verankeren van circulaire
ambities?
Deze vraag wordt beantwoord in de inleiding. Een beschrijving van de beleidsruimte en een toelichting daarop is een verplicht onderdeel van de transponeringstabel die in de toelichting van de Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AMvB) wordt opgenomen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de regering in een tabel een overzicht kan geven welke regels en wetten voor welke onderwerpen precies zullen worden aangepast, wat de EU-regels precies daarover verplichten, welke ruimte de EU geeft om meer te doen, of dat gebeurt in verschillende aparte AMvB's en wat de planning per onderwerp precies is?
In de nota van toelichting bij de AMvB wordt een transponeringstabel opgenomen met daarin een overzicht van waar artikelen uit de Richtlijn industriële emissies (hierna: Rie of de Richtlijn) en verordening in het Nederlandse recht geïmplementeerd worden. De beleidsruimte en eventuele gebruikmaking daarvan is een vast onderdeel van deze tabel. Het streven is erop gericht dat alle implementatieregelgeving voor het eind van dit jaar inwerking treedt. Eenzelfde transponeringstabel is opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan regering
toezeggen dat zij bij de voorbereiding van deze AMvB een uitgebreide
praktijktoets uitvoert onder actieve varkens- en pluimveehouders om de
werkbaarheid van de nieuwe "eenvormige voorwaarden voor
uitvoeringsregels" te toetsen?
De AMvB strekt, net als het onderhavige wetsvoorstel, uitsluitend tot implementatie van Europese verplichtingen. De eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels zijn op dit moment nog niet vastgesteld, terwijl de AMvB al wel in voorbereiding is. Een uitgebreide praktijktoets heeft daarom geen meerwaarde.
2. Hoofdlijnen van de herziene RIE
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de
winningsindustrie van de Europese Unie van cruciaal belang is voor onze
strategische autonomie en dat metalen van strategisch belang zijn en we
daarom duurzame binnenlandse capaciteit moeten ontwikkelen. Deze leden
vragen zich af wat hier precies mee bedoeld wordt?
Deze zinsnede komt uit overweging 3 van de herziene Richtlijn. Dit
zijn de overwegingen van de Europese commissie bij het vaststellen van
deze richtlijn. Het betreft mijnbouw, hetgeen plaatsvindt in andere
EU-lidstaten. In Nederland is geen mijnbouwindustrie (meer) die onder de
Richtlijn valt.
Ze vragen zich ook af of hierbij actief rekening gehouden wordt met het
vormen van een Europese strategie over welke industrie we wel en niet
willen hebben, en waar precies, zodat we gezamenlijk in Europa toewerken
naar strategische autonomie omdat niet alles overal kan. Wordt er
gewerkt aan zo een Europese strategie waarin fundamentele keuzes worden
gemaakt over wat we wel en niet willen qua industrie, waar en waarom? Is
de regering het met deze leden eens dat we niet alles in Nederland
kunnen doen en dat we moeten kijken naar welke industrie
toekomstbestendig is en waar die industrie in Europa precies het beste
kan voortbestaan (waarbij er wordt gestreefd naar plekken waar zo een
industrie het schoonst kan produceren, met een zo laag mogelijke impact
voor omgeving, natuur, milieu en gezondheid)?
Deze vraag heeft geen betrekking op het omzettingswetsvoorstel, maar
betreft algemeen Europees en Nederlands industriebeleid. Dat valt onder
de portefeuille van mijn collega voor Economische Zaken.
Ook lezen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat
geharmoniseerde milieumaatregelen nodig zijn zodat de industrie zo
weinig mogelijk gevolgen heeft voor de menselijke gezondheid en het
milieu. Hierbij worden deskundigen uit de industrie nauw betrokken bij
de ontwikkeling van consensuele en op maat gemaakte milieuvoorschriften
voor duurzame groei van de activiteiten. Deze leden vragen of alleen
deskundigen uit de industrie nauw betrokken zijn geweest bij het
ontwikkelen van de gemaakte milieuvoorschriften of ook onafhankelijke
wetenschappelijke deskundigen van bijvoorbeeld niet-gouvernementele
organisaties (ngo’s)? Kan de regering een lijst sturen van de experts,
bedrijven en organisaties die hierover hebben meegedacht? Kan ook worden
gedeeld welke deskundigen uit de industrie nauw berokken zijn
geweest?
De zinsnede waarop de fractie doelt, komt niet uit het wetsvoorstel maar
uit de overwegingen van de Europese Commissie bij de herziene Richtlijn
(overweging 3). Bij de herziening van deze Richtlijn zijn in ieder geval
ook wetenschappelijke deskundigen en deskundigen van NGO’s
geraadpleegd.
We weten uit het verleden dat de industrie economische ‘groei’ vaak
voorop stelt, en dan pas eventueel kijkt naar de impact op de
leefomgeving. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich
grote zorgen dat de nauwe betrokkenheid van de industrie bij het
uitwerken van dit voorstel ervoor zorgt dat het voorstel vooral
economisch goed is voor de industrie, maar te weinig positieve effecten
heeft op de bescherming van onze gezondheid en het milieu. Deelt de
regering die zorgen, en zo nee, waar baseert de regering dat dan op? Is
de regering het met deze leden eens dat voor onafhankelijke toetsing van
voorstellen die het milieu en de gezondheid zouden moeten beschermen,
ook onafhankelijke gezondheids- en milieuexperts moeten worden betrokken
en een sterke rol zouden moeten spelen bij de invulling van het
voorstel? Zijn gezondheids- en milieuexperts betrokken bij de invulling
van het voorstel, en zo ja welke? Kan de regering alle bestaande
adviezen van gezondheids- en milieuexperts met de Kamer delen? Hoe
beoordelen gezondheids- en milieuexperts de voorliggende voorstellen?
Hoe beoordelen milieu-, natuur-, en gezondheidsorganisaties de
voorstellen (graag een zo volledig mogelijk beeld
geven)?
In de Europese onderhandelingen over de herziening van de Richtlijn zijn zowel vertegenwoordigers van de industrie betrokken als vertegenwoordigers van de milieubeweging. Het doel van de Rie is juist om de emissies van grote industriële installaties te beperken om zo milieu en gezondheid te beschermen. Dit wetsvoorstel strekt uitsluitend tot implementatie van Europese regelgeving. Dat betekent dat bij het voorliggende wetsvoorstel industrie, milieubeweging en anderen in Nederland de Europese doelen niet kunnen aanpassen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen op welke
wijze de nieuwste wetenschappelijke inzichten over de
gezondheidseffecten van industriële emissies, zoals (ultra)fijnstof,
PFAS, zware metalen en stikstofoxiden, zijn meegenomen in de
voorgestelde wetgeving en kan de regering steeds aangeven waar dat
precies staat in het wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel strekt alleen ter uitvoering van de herziene Richtlijn. Inzichten over de gevraagde onderwerpen zijn geen onderdeel van dit wetsvoorstel.
f. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of er later in het proces een mogelijkheid is om expliciete gezondheidsnormen in vergunningverlening op te nemen, in plaats van enkel technische emissiegrenswaarden?
De Richtlijn industriële emissies is gebaseerd op de Milieutitel
(artikel 195, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie) en
minimumharmonisatie. Dit houdt in dat binnen de grenzen van dat verdrag,
de Staat strengere regels mag stellen. Bij de huidige, strikte
implementatie is dit echter niet mogelijk (zie inleiding).
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke vijf
maatregelen uit de richtlijn gaan volgens de regering concreet het meest
bijdragen aan het beter beschermen van de gezondheid en het milieu? Wat
zal die winst precies zijn en op welke onafhankelijke experts baseert de
regering zich? En welke extra milieueisen komen er concreet bij na de
implementatie van deze verordening?
De onderwerpen die het meeste impact hebben, worden uitgewerkt in de AMvB. Zonder daarop vooruit te lopen, het volgende. De verwachting is dat de verplichting tot het vergunnen van IPPC-installaties aan de onderkant van de BBT-bandbreedte aanzienlijk bijdraagt aan het beschermen van gezondheid en milieu. Hierbij wordt opgemerkt dat maatwerk in vergunningverlening mogelijk blijft. Deze mogelijkheid staat namelijk ook in de Richtlijn en moet dus geïmplementeerd worden. Verder wordt onder de herziene Rie de connectie met REACH versterkt. In het milieubeheerssysteem moet een bedrijf voor IPPC-installaties aangeven welke gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of worden geëmitteerd. Hier zit ook een risico-assessment bij van de gevolgen die stoffen voor gezondheid en milieu kunnen hebben. Tevens wordt er een analyse verlangd van de mogelijkheid om desbetreffende stoffen te vervangen door minder schadelijke stoffen of het gebruik en de emissie te reduceren. De lidstaten moeten sancties opleggen indien bedrijven niet voldoen aan de Rie. Voor zware overtredingen kan een sanctie worden opgelegd van minstens 3% van de jaarlijkse omzet van het bedrijf. Daarnaast is er ook een positieve stimulans die leidt tot een betere bescherming van gezondheid en het milieu: om het testen en ontwikkelen van milieuvriendelijkere technieken te stimuleren komt er de mogelijkheid van flexibelere vergunningsprocedures. Wat de winst precies gaat zijn, zal de praktijk moeten uitwijzen. Er komen geen extra milieueisen bij na de implementatie. Het uitgangspunt zijn de BREF’s, die nu al bestaan, en die in principe iedere 8 jaar geactualiseerd worden.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke
meetbare doelstellingen worden gehanteerd voor de vermindering van
industriële vervuiling in de komende tien jaar? Welke indicatoren worden
gebruikt om te bepalen of milieu- en gezondheidsdoelen daadwerkelijk
worden gehaald? Kan de regering toezeggen dat bij tegenvallende
resultaten onmiddellijk wordt bijgestuurd met strengere normen?
De Richtlijn verplicht de lidstaten om emissies naar water, lucht
en bodem (inclusief maatregelen voor afvalstoffen) van installaties die
onder de Richtlijn vallen te reguleren. Het gaat daarbij om de bedrijven
met grote installaties en de grote intensieve veehouderijen. In de
herziene Richtlijn zijn geen getalsmatige doelstellingen geformuleerd
voor de vermindering van industriële vervuiling. De vermindering dient
te worden bewerkstelligd door het verlenen van een integrale
vergunning die gebaseerd is op onderkant van de bandbreedte van de Beste
Beschikbare Technieken (BBT) (zoals geformuleerd in de
BREF-documenten).
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de wijzigingen van die
richtlijn en biedt geen sturingsinstrument voor de regering voor andere
doelstellingen rondom de industrie.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de regering
kan toelichten of zij bij de implementatie van de herziene Rie expliciet
gaat kiezen voor het maximaal benutten van de ruimte die de richtlijn
biedt om strengere nationale normen vast te stellen ter bescherming van
mens, dier, milieu en natuur? Zo nee, waarom niet?
Deze implementatie behelst alleen de uitvoering van Europese
verplichtingen. Keuzes worden daarom alleen gemaakt daar waar de
Richtlijn daar om vraagt. Zie de inleiding voor een verdere uitleg.
Hoe worden cumulatieve milieueffecten van meerdere industriële bronnen in één regio precies meegenomen in de vergunningverlening?
Deze vraag heeft geen betrekking op het wetsvoorstel. Cumulatieve milieueffecten worden bij de integrale afwegingen in het vergunningsproces meegenomen.
De leden van de Partij voor Dieren-fractie vragen of wordt
overwogen om bij herhaaldelijke overtredingen het makkelijker mogelijk
te maken om vergunningen daadwerkelijk in te trekken?
Dergelijke overwegingen vinden niet plaats in het kader van dit
wetsvoorstel. In aansluiting op hetgeen hierover in de inleiding staat,
intrekking is nu al mogelijk, maar vraagt – vanwege de impact van een
dergelijk besluit – een grondige motivering. Recidive kan de motivering
versterken.
De leden van de Partij voor Dieren-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het voorzorgsbeginsel en het principe ‘de vervuiler betaalt’, dat centraal staat in zowel Europees milieubeleid als het beleid van deze regering?
Onder verwijzing naar de inleiding: noch de Richtlijn, noch de
PIE-verordening noodzaken tot een wijziging van bestaand
beleid/regelgeving op dit punt. Het voorzorgsbeginsel en het principe
“de vervuiler betaalt” blijven gelden en wijzigen niet. Dit wetsvoorstel
bevat alleen de voor de omzetting noodzakelijke wijzigingen op
wetsniveau.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat de
industrie ook miljarden euro's aan maatschappelijke kosten met zich
meebrengt, zoals uit onderzoek blijkt. Is de regering zich daarvan
bewust? Welke van dat soort onderzoeken kent de regering? En hoe schat
zij op basis daarvan die kosten in, uitgedrukt in euro's per jaar? Hoe
wegen deze kosten precies op tegen de economische korte termijn
opbrengsten van de industrie? Kan de regering straks bij de exacte
implementatie van de Europese richtlijnen en de keuzes die de regering
daarin maakt expliciet maken hoe ze de maatschappelijke kosten van de
industrie hebben gewogen?
Deelt de regering de zorg dat ruime uitzonderingsmogelijkheden de effectiviteit van de richtlijn ondermijnen? Zo nee, waar baseert de regering dat op?
De regering is zich bewust van zowel de maatschappelijke kosten als de maatschappelijke baten van bedrijven. De maatschappelijke baten van bedrijven betreffen onder andere werkgelegenheid, investeringen in onderzoek en innovatie, belastingopbrengsten en strategische autonomie. De maatschappelijke kosten van bedrijven betreffen onder meer de emissies van vervuilende stoffen en als gevolg daarvan gezondheidsrisico’s en gezondheids- en milieuschade en bijvoorbeeld emissies van broeikasgassen en als gevolg daarvan klimaatverandering. Het PBL heeft becijferd dat de totale milieuschade door Nederlandse industrie in 2022 € 9,6 miljard bedroeg. De bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse industrie bedroeg in 2022 volgens CBS-cijfers € 102,8 miljard
Het implementatietraject van de herziene Rie geeft geen aanleiding om onderzoek te doen naar maatschappelijke kosten en baten omdat het wetsvoorstel louter strekt tot uitwerking van Europese verplichtingen. Ruime uitzonderingsmogelijkheden kunnen de effectiviteit van een richtlijn ondermijnen, maar het kabinet implementeert in dit wetgevingsproces “zuiver” het Europese recht. De uitzonderingsmogelijkheden - voor zover die er zijn - zijn op Europees niveau bepaald. Daarnaast is de huidige Richtlijn al zeer effectief geweest in het omlaag brengen van emissies van grote installaties. Er is geen reden om aan te nemen dat dat na de herziening anders zal zijn.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de
omgevingsdiensten ook worden versterkt in hun capaciteit en kennis om
hun taken in toezicht, handhaving en vergunningverlening goed te kunnen
uitvoeren, in lijn met de nieuwe wet- en regelgeving? Zo nee, ziet de
regering dan niet het gevaar dat de problemen rondom gebrekkig toezicht
en handhaving zoals eerder geconstateerd door onder andere de Algemene
Rekenkamer en de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) zich voortzetten?
Waar baseert de regering zich dan op? Kan de regering punt voor punt
ingaan op de zorgen die in onderzoeken van onder andere de OVV en de
Algemene Rekenkamer zijn gedeeld over vergunningverlening, toezicht en
handhaving en hoe dat zal worden ondervangen bij de implementatie van de
nieuwe regelgeving?
De gevolgen van het wetsvoorstel voor de praktijk worden besproken
in hoofdstuk 5 van de algemene toelichting bij het wetsvoorstel. Zoals
ook uit de toelichting naar voren komt levert deze wetswijziging een
beperkte toename van bestuurlijke lasten op. In het kader van het
wetsvoorstel zijn geen afspraken gemaakt over het versterken van
capaciteit van omgevingsdiensten. De lasten voor uitvoering, toezicht en
handhaving worden in de toelichting bij de AMvB uitgebreider
toegelicht.
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen op welke
wijze burgers worden geïnformeerd over emissies van industriële
installaties in hun leefomgeving? Op welke manier zal meer worden
ingezet op echt onafhankelijke metingen, die zoveel mogelijk ‘realtime’
zijn, zoals aangenomen moties van de Kamer vragen? Zal alle relevante
emissiedata zo snel mogelijk actief openbaar worden gemaakt in
begrijpelijke en toegankelijke vorm?
Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en
immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste
momenten worden gemeten, dichter bij de bedrijven, waarbij meetgegevens
transparanter en beter controleerbaar zijn.
Met dit wetsvoorstel voor de implementatie van de herziene Richtlijn
industriële emissies, wordt ook de PIE-verordening omgezet. Die
verordening heeft als doel burgers te informeren over emissies. In lijn
met hetgeen in de inleiding is opgemerkt voorziet dit wetsvoorstel niet
in meer omvattende verplichtingen.
Aanvullend daarop vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zich af welk mogelijk effect deze implementatie zou kunnen hebben op de maatwerkafspraken met Tata Steel. Zijn alle eisen uit deze richtlijn al verwerkt in de Joint Letter of Intent (JloI)? Wat is in de JloI nog bovenwettelijk, rekening houdend met het feit dat de implementatie van de richtlijn voor striktere regels zou moeten zorgen en meer eisen voor de industrie om zelf meer te doen om de schade aan gezondheid en milieu te verminderen? En betekent de implementatie van deze richtlijn ook nog iets voor het beleid rondom de afvalstatus van staalslakken?
Naar aanloop van het sluiten de JLoI met Tata Steel is door de
Landsadvocaat onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van de
herziening van de Rie voor de bovenwettelijke milieumaatregelen die Tata
Steel voornemens is uit te voeren (bijlage bij Kamerstuk 29826-266). De
Landsadvocaat is van oordeel dat de voorgenomen maatregelen uit de JLoI
onder de herziene Rie ook niet afdwingbaar zijn en dus bovenwettelijk.
Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor het beleid rondom de
afvalstatus van staalslakken.
Onder de definitie van best beschikbare technieken (BBT) wordt onder
andere ‘economisch’ haalbaar verstaan. De leden van de Partij voor de
Dieren-fractie vragen wie bepaalt of deze technieken economisch haalbaar
zijn? En wanneer zijn ze economisch haalbaar? Gezien het gebrek aan
capaciteit bij handhavende en toezichthoudende instanties: hoe wordt
geborgd dat onafhankelijk op hoog niveau kan worden getoetst of de
gegevens en informatie die bedrijven aanleveren kloppen en of er
inderdaad sprake is van toepassing van best beschikbare technieken? Zijn
ze bijvoorbeeld economisch haalbaar als ze duurder zijn dan de huidige
techniek en het bedrijf daarmee minder winst maakt?
De beste beschikbare technieken (BBT) zijn steeds in ontwikkeling. Daarom worden de BREF’s regelmatig herzien. De Europese Commissie moet de BREF's maximaal 8 jaar na de publicatie van de vorige versie hebben bijgewerkt. Economische haalbaarheid is één van de onderdelen van het begrip ‘beste beschikbare technieken’. Dit begrip is gedefinieerd in de Richtlijn industriële emissies. De wijzigingen in het wetsvoorstel volgen de wijzigingen in die Richtlijn en worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag om te controleren dat vergunningen nog actueel zijn en ze zo nodig aan te passen. Voor vergunningen die boven de BBT-bandbreedte uitgaan is er een standaard kostenmethodiek. Bijlage II van de Rie geeft nader aan welke kosten opgevoerd mogen worden door het bedrijf. Daarnaast moeten ook de baten kwantitatief in kosten worden uitgedrukt. De kosten voor het bedrijf worden vergeleken met de kosten van de milieuvoordelen. De Europese commissie gaat nog een gestandaardiseerde methode vaststellen voor het uitvoeren van de kostenbaten beoordeling. Met de herziening van de Richtlijn veranderen de verantwoordelijkheden van het bevoegd gezag niet.
De herziening van de Rie is op 15 juli 2024 gepubliceerd. De leden van
de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de regering kan laten weten
waarom deze wijzigingen nu pas voorliggen en de AmvB zelfs pas in het
derde kwartaal van dit jaar voorligt? Is de regering het met deze leden
eens dat dit wel erg laat is aangezien de lidstaten tot 1 juli 2026
hebben om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving? Hoe kan
ervoor worden gezorgd dat in de toekomst zulke belangrijke richtlijnen
eerder worden geïmplementeerd?
Zoals toegelicht in de inleiding, de implementatie van deze herziening is complex en veelomvattend en daarnaast is de implementatielast, niet alleen bij het Ministerie van IenW, op dit moment groot. Er wordt een groot beroep gedaan op de beschikbare capaciteit en dat maakt dat voor meer implementaties achterstanden ontstaan en zijn ontstaan. Tijdige implementatie is voor de regering van groot belang; daar wordt altijd naar gestreefd en hard aan gewerkt.
3. Uitbreiding van het aantal
activiteiten
De leden van de D66-fractie lezen over uitbreiding van het aantal activiteiten. Wat betreft de uitbreiding van het toepassingsbereik naar activiteiten zoals grootschalige batterijproductie en waterstofproductie door elektrolyse, vragen deze leden hoe de regering borgt dat de vergunningverlening voor deze vitale sectoren van de energietransitie niet vertraagt door de nieuwe administratieve eisen. Kan de regering nader toelichten waarom voor waterstofproductie via elektrolyse een drempelwaarde van 50 ton per dag is ingevoerd, en welk effect dit heeft op de opschaling van groene waterstofprojecten in Nederland?
Op dit moment is geen grootschalige batterijproductie of waterstofproductieinstallatie die via elektrolyse met een drempelwaarde van 50 ton per dag bekend in Nederland die onder de herziene Richtlijn komt te vallen. Daarom heeft de invoering van de herziene Rie op dit moment geen gevolgen voor de opschaling van groene waterstofprojecten in Nederland. De herziene richtlijn introduceert een drempelwaarde van 50 ton per dag voor waterstofproductie door elektrolyse. Hierdoor vallen kleinschalige installaties niet langer onder de Rie. Onder de oude Rie worden deze kleine installaties wel gereguleerd, aangezien waterstofproductie daarin onder categorie 4 (chemische productie) valt en voor deze categorie geen drempelwaarde geldt.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie voor verschillende onderdelen uitvoeringshandelingen vast zal stellen. Zij vernemen graag of de sectoren waarvan de activiteiten door de uitbreiding onder de herziene Rie komen te vallen, hierover zijn geïnformeerd?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe, nu er geen consultatie heeft plaatsgevonden, is vastgesteld dat de impact voor deze sectoren beperkt is, zoals wordt gesteld?
Tot slot vernemen deze leden graag of tijdige opvolging door deze sectoren van de verplichtingen die voortvloeien uit de herziene Rie haalbaar en betaalbaar is?
In het kader van de implementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies zit het ministerie regelmatig om de tafel met branche-organisaties, bedrijven en omgevingsdiensten. Deze zijn daarmee op de hoogte van de herziene Richtlijn en de uitvoeringshandelingen. Daarnaast staat informatie over de herziene Rie op de website van IPLO. Deze website wordt goed gevonden door het bedrijfsleven. Voor de impact op het bedrijfsleven is een Bedrijfseffectentoets gedaan. Daarin werd geconcludeerd dat de impact van de herziene Rie beperkt is. Met betrekking tot de haalbaarheid zijn er ruime overgangstermijnen voor de verplichtingen die voortvloeien uit de herziene Rie.
4. Hoofdstuk veehouderijen
De leden van de D66-fractie constateren dat de herziene Rie voor veehouderijen minder verplichtingen bevat dan voorheen onder het regime van Integrated Pollution and Prevention Control (IPPC). Kan de regering toelichten hoe deze versoepeling zich verhoudt tot de nationale opgave om de stikstof- en fijnstofemissies drastisch te reduceren? Kan de regering garanderen dat de nieuwe 'eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels' minstens even effectief zijn als de huidige BBT-conclusies voor de bescherming van omwonenden en natuur? Voorts vragen deze leden naar de samentellingsregel voor nabijgelegen installaties: hoe voorkomt de regering dat bedrijven hun activiteiten juridisch opknippen om onder de drempelwaarden voor veestapeleenheden (VSE) te blijven?
De herziene Richtlijn industriële emissies bevat minder administratieve verplichtingen voor veehouderijen. De Best Beschikbare Technieken op basis waarvan veehouderijen vergund worden neergelegd in de uitvoeringsregels, maar het systeem op basis waarvan vergund wordt, verandert niet. De administratieve lastenverlichting leidt daarmee niet tot het gebruik van minder effectieve technieken in de veehouderijen. Aan de uitvoeringsregels voor de veehouderijen wordt op dit moment nog gewerkt door de Europese Commissie. Het uitgangspunt is dat deze minstens even effectief zijn als de huidige BREF. Voor de samentellingsregel komt de Europese Commissie uiterlijk 5 augustus 2028 met een richtsnoer inzake de criteria op basis waarvan verschillende installaties als één eenheid moeten worden beschouwd.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de drempelwaarden voor
veehouderijen voortaan worden uitgedrukt in veestapeleenheden (VSE) in
plaats van dieraantallen. Hoe wordt gewaarborgd dat door de vastgestelde
coëfficiënten in bijlage Ibis niet onbedoeld een grotere groep
Nederlandse boeren onder de richtlijn komt te vallen dan onder het
huidige IPPC-regime? Op welke wijze is de agrarische sector betrokken
geweest bij de totstandkoming van deze omrekeningsfactoren?
In het oorspronkelijke voorstel van de Europese commissie werd uitgegaan van 150 veestapeleenheden. Dit aantal is bewust door de Europese Commissie verruimd. Daardoor vallen er geen veehouderijen onbedoeld onder de richtlijn.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de zogenaamde
samentellingsregel ook van toepassing is op installaties van
verschillende exploitanten die een "economische relatie of
rechtsbetrekking" met elkaar hebben. Kan de regering verduidelijken wat
exact wordt verstaan onder een 'economische relatie' en hoe wordt
voorkomen dat zelfstandige familiebedrijven die bijvoorbeeld samenwerken
in een coöperatie of materieel delen, onterecht als één grote
installatie worden aangemerkt?
Voor de samentellingsregel komt de Europese Commissie uiterlijk 5
augustus 2028 met een richtsnoer inzake de criteria op basis waarvan
verschillende installaties als 1 eenheid moeten worden beschouwd. De
samentellingsregel wordt verder uitgewerkt in een AMvB. De regering
volgt daarin de herziene Rie en de uitleg die daarin staat over termen
als “economische relatie of rechtsbetrekking”.
De leden van de BBB-fractie lezen dat extensieve bedrijven zijn
uitgezonderd als dieren "voor een groot deel van het jaar" buiten staan.
Kan de regering aangeven of zij voornemens is om in de aankomende AMvB
een harde norm (zoals een specifiek aantal dagen of uren) vast te
stellen voor dit begrip, om te voorkomen dat boeren met weidegang te
maken krijgen met willekeur bij de handhaving?
In de uitvoeringsregels van de Europese Commissie die gaan gelden voor
de Rie-veehouderij-installaties zullen de definities worden
neergelegd.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het bevoegd gezag de
exploitatie van een veehouderij moet stopzetten bij een "aanzienlijk
gevaar voor de menselijke gezondheid" of een "aanzienlijke
verslechtering van het milieu". Kan de regering nader duiden wat de
ondergrens is voor een 'aanzienlijke verslechtering', en hoe wordt
gewaarborgd dat dit middel niet lichtvaardig wordt ingezet bij kleine
technische overtredingen die geen direct gevaar vormen?
Deze verplichting komt voort uit artikel 70 septies van de herziene
Rie en gaat over handhaving op het moment dat de bepalingen uit de
Richtlijn niet worden nageleefd door de exploitant. De Rie verplicht de
lidstaten om een artikel over niet-naleving en de consequenties daarvan
op te nemen. Stopzetting is een ingrijpend besluit. Een ingrijpend
besluit vraagt een zorgvuldige en dragende motivering door het bevoegde
gezag. Dat maakt dat dit middel niet lichtvaardig kan worden
ingezet.
5. Sanctionering
De leden van de BBB-fractie lezen dat voor de zwaarste inbreuken die door een rechtspersoon worden gepleegd, de financiële sanctie ten minste 3% van de jaaromzet van de exploitant moet zijn. Kan de regering toelichten hoe zij de proportionaliteit van deze sanctie ziet voor agrarische gezinsbedrijven, die vaak een hoge omzet hebben, maar zeer beperkte winstmarges? In hoeverre heeft de strafrechter nog de vrijheid om rekening te houden met de specifieke economische draagkracht van een boer?
De rechter heeft een ruime beoordelingsmarge en kan – als het wordt
opgebracht – hiermee rekening houden. Het artikel over boetes is
uitgebreid toegelicht in het onderdeel sanctionering van de
memorie van toelichting bij de wet.
6. Bestuurlijke lasten: herziene Rie
De leden van de D66-fractie steunen de verplichting voor het
bevoegd gezag om de strengst mogelijke emissiegrenswaarden vast te
stellen binnen de bandbreedte van de beste beschikbare technieken. Hoe
gaat de regering toezien op een uniforme toepassing van deze 'strengste
ondergrens' door verschillende omgevingsdiensten, om een ongelijk
speelveld of 'vergunning-shopping' te voorkomen?
De verplichting voor het bevoegde gezag om aan de onderkant van de
BBT-bandbreedte te vergunnen wordt opgenomen en uitgewerkt in de
implementatie-AMvB. Die gelden voor alle bedrijven en bevoegde gezagen
op dezelfde wijze. ‘Vergunning-shopping’ – voor zover dat al gebeurt-
zou daarmee niet mogelijk moeten zijn.
De leden van de D66-fractie vragen of met betrekking tot de nieuwe
milieuprestatiegrenswaarden voor het verbruik van grondstoffen, water en
energie, of de regering voornemens is om koplopers in de circulaire
industrie extra te stimuleren via deze vergunningsvoorwaarden? Kan de
regering tevens verduidelijken hoe de transformatieplannen van bedrijven
getoetst gaan worden op hun bijdrage aan de klimaatneutraliteit in
2050?
De verantwoordelijkheid voor vergunningsvoorwaarden ligt niet bij
de regering maar bij de decentrale bevoegde gezagen. Zij kunnen op basis
van de herziene Richtlijn de ruimte bieden aan koplopers in
circulariteit. Met betrekking tot de transformatieplannen van bedrijven
zal nader moeten worden ingevuld hoe deze te toetsen op
klimaatneutraliteit in 2050.
7. Uitvoering, toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie merken op dat, ten aanzien van de
handhaving en sanctionering, de boete voor zware inbreuken door
rechtspersonen ten minste 3% van de jaaromzet moet bedragen. Hoe
reflecteert de regering, in navolging van de mogelijkheid in het Wetboek
van Strafrecht, op de mogelijkheid om dit percentage in de praktijk
vaker richting de 10% te laten bewegen bij recidive of moedwillige
verontreiniging?
Zie het antwoord onder 5.
Wat betreft de informatieplicht bij incidenten met
grensoverschrijdende gevolgen vragen de leden van de D66-fractie hoe de
regering de onmiddellijke communicatie tussen lidstaten technisch heeft
ingericht, zeker wanneer de menselijke gezondheid of drinkwaterbronnen
in het geding zijn.
Antwoord:
Het eerste lid van artikel 19.3 van de Omgevingswet bevat een
opsomming van de andere bestuursorganen en instanties die ingelicht
moeten worden bij incidenten en ongevallen. Deze opsomming wordt met het
wetsvoorstel uitgebreid tot bevoegde autoriteiten van andere lidstaten,
wanneer dit voor hen relevant is. De technische inrichting daarvan is
een verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag. De regering heeft
hiertoe geen bevoegdheid.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie of de ruimere toegang tot de
rechter en de implementatie van het Varkens-in-Noodarrest ook zal leiden
tot extra ondersteuning voor maatschappelijke organisaties die de
naleving van milieunormen willen afdwingen?
Deze vraag heeft geen betrekking op dit wetsvoorstel. Het
wetsvoorstel Varkens-in-Nood ligt op dit moment bij de Raad van State
voor advies.
8. PIE- verordening
De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over de
rapportageplicht. Deze leden vernemen graag of het hier uitsluitend
rapportageverplichtingen betreft of dat er sprake is van verdere
verplichtingen, nu of in de toekomst, bijvoorbeeld doordat sectoren door
de uitbreiding van activiteiten ‘in scope’ komen terwijl dat voorheen
niet het geval was en sectoren daardoor geconfronteerd kunnen worden met
(onverwachte) omschakelingen en investeringen in best beschikbare
technieken voor het behoud of de verkrijging van vergunningen om de
betreffende activiteiten uit te voeren?
De PIE-verordening stelt regels voor het verzamelen en rapporteren
van milieugegevens over industriële installaties en is op het niveau van
de Unie een portaal voor industriële emissies in de vorm van een
onlinedatabank met openbare toegang. Deze verordening heeft tot doel om
de toegang van het publiek tot informatie te verbeteren middels het
portaal. Daardoor wordt inspraak van het publiek in besluitvorming op
milieugebied vergemakkelijkt, worden bronnen van industriële
verontreiniging in kaart gebracht en wordt het mogelijk om industriële
verontreiniging te monitoren teneinde bij te dragen aan de preventie en
vermindering daarvan.
In de verordening staat omschreven voor welke activiteiten (met een capaciteitsdrempel) en voor welke stoffen (ook met drempelwaarde) een verplichting tot rapporteren op bedrijven rust. Bedrijven kunnen door bijvoorbeeld groei meer gaat uitstoten en daardoor boven de drempelwaarde uitkomen. Ook kunnen bedrijven andere stoffen gaan emitteren en daardoor onder de rapportageverplichting komen te vallen. Verder kan ook de regelgeving worden aangepast waardoor de reikwijdte van de rapportageplicht kan wijzigen.
Zoals aangegeven is de PIE een monitoringsinstrument voor beleid. Als de Europese Commissie vindt dat er een aanscherping van dat beleid moet komen, dan gebeurt dat niet via de PIE maar vooral via de Rie en de Europese regels voor de verschillende branches.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Annet Bertram
Nota bene: Dit bestaand recht is geen onderdeel van voorgenomen regelgeving ter omzetting van EU-regelgeving en daarmee valt buiten de adviestaak van de ATR, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Instellingswet ATR.↩︎