[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (Kamerstuk 19637-3525)

Vreemdelingenbeleid

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D18456, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 11:17, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z06579:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr.

INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 
 2026

In de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestond bij enkele fracties de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het op 30 maart 2026 ontvangen Ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (Kamerstuk 19 637, nr. 3525).

Bij brief van 
 2026 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze beantwoord. De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de minister zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van den Broek

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

II Antwoord/Reactie van de minister


I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Deze leden pleiten er al langer voor om kansrijke asielzoekers sneller toegang tot de arbeidsmarkt te geven, vanuit de overtuiging dat het benutten van hun talenten een positieve uitwerking heeft op zowel het integratieproces als de Nederlandse economie. Deze leden zijn verheugd dat het ontwerpbesluit een stap in die richting zet en hebben nog enkele vragen.

3.2 Wachttermijn wordt ingekort tot drie maanden

De leden van de D66-fractie lezen dat met dit besluit de wachttijd voor de toegang van asielzoekers tot de arbeidsmarkt wordt verkort van zes naar drie maanden. Deze leden ondersteunen het uitgangspunt dat vroegtijdige arbeidsparticipatie bijdraagt aan integratie en zingeving, maar vragen hoe wordt geborgd dat asielzoekers daadwerkelijk na drie maanden toegang krijgen tot werk, en niet worden belemmerd door uitvoeringsproblemen. Ook vragen zij de minister aan te geven in hoeverre hij mogelijkheden ziet om in samenwerking met uitzendbureaus zoals Untapped Talents het benutten van de snellere toegang tot de arbeidsmarkt te stimuleren.

3.4 Duur tewerkstellingsvergunning met burgerservicenummer

De leden van de D66-fractie begrijpen dat het een vereiste is dat de werkgever het burgerservicenummer van de asielzoeker opgeeft bij de aanvraag voor de tewerkstellingsvergunning. Voor asielzoekers zonder burgerservicenummer kan een tewerkstellingsvergunning van maximaal drie maanden worden afgegeven. De werkgever zal daarna opnieuw een aanvraag moeten indienen. Welke administratieve lasten brengt dit mee voor werkgevers? In hoeveel gevallen verwacht de minister dat een herhaalde aanvraag nodig zal zijn?

3.5 Duur tewerkstellingsvergunning zonder dat een burgerservicenummer is afgegeven

De leden van de D66-fractie begrijpen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aangeeft dat het voor de meeste asielzoekers haalbaar lijkt om binnen drie maanden de identiteit vast te stellen, maar dat er altijd een restgroep zal zijn waarvoor dit niet lukt. Hoe groot is deze groep? Welke concrete inspanningen worden gedaan om te voorkomen dat asielzoekers met een hoge kans op inwilliging onnodig moeten wachten door vertraging in de identiteitsvaststelling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit dat het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 wijzigt. Deze leden constateren dat het doel van deze wijziging het mogelijk maken voor bepaalde groepen asielzoekers om na drie maanden na de asielaanvraag toe te treden tot de arbeidsmarkt is. Tegelijkertijd zorgt de implementatiewet van het Europese Asiel- en Migratiepact ervoor dat kansarme asielzoekers geen toegang tot de arbeidsmarkt meer krijgen. Deze leden hebben naar aanleiding van het ontwerpbesluit nog enkele vragen.

3.2 Wachttermijn wordt ingekort tot drie maanden

De leden van de VVD-fractie merken op dat het kabinet van mening is dat werk een belangrijke bijdrage kan leveren aan de zelfstandigheid en persoonlijk ontwikkeling van asielzoekers, en dat er daarom is gekozen om de wachttermijn in te korten tot drie maanden. Deze leden beamen de ratio achter het voorstel, maar vrezen wel dat het verkorten van de wachttermijn kan leiden tot een aanzuigende werking van asielzoekers. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Op welke manier wordt in het verlengde hiervan ervoor gezorgd dat het voor kansarme asielzoekers in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijk is dat zij in Nederland niet kunnen rekenen op recht tot de arbeidsmarkt?

De leden van de VVD-fractie maken zich voorts zorgen over het risico dat malafide werkgevers van deze versoepeling gebruik gaan maken om migranten te stimuleren om naar Nederland te komen om asiel aan te vragen, terwijl deze migranten zonder deze aansporing hoogstwaarschijnlijk niet naar Nederland waren gekomen. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Welke stappen is de minister bereid te zetten om in een vroeg stadium misbruik van deze versoepeling door malafide werkgevers of asielzoekers zo een halt toe te roepen?

3.4 Duur tewerkstellingsvergunning met burgerservicenummer

De leden van de VVD-fractie constateren dat de duur van de tewerkstellingsvergunning maximaal drie jaar bedraagt. Deze tewerkstellingsvergunning kan worden ingetrokken op het moment dat een asielzoeker niet langer een lopende asielaanvraag heeft. Deze leden vragen hierbij hoeveel tijd er in de praktijk zal zitten tussen het afwijzen dan wel intrekken van de asielaanvraag, en het intrekken van de tewerkstellingsvergunning. Deelt de minister de opvatting van deze leden dat de tijdspanne tussen beide beslissingen zo kort mogelijk dient te zijn, zodat wordt voorkomen dat afgewezen asielzoekers lang toegang hebben tot de arbeidsmarkt?

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wat er gebeurt als de asielaanvraag van een asielzoeker wordt ingewilligd, waarna deze vergunning na verloop van tijd wordt ingetrokken omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Krijgt het UWV dan wel de werkgever een melding van deze intrekking? Betekent dit in de praktijk dan ook dat de tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken, en zo ja, wat is de gemiddeld tijdspanne tussen beide beslissingen?

3.5 Duur tewerkstellingsvergunning zonder dat een burgerservicenummer is afgegeven

De leden van de VVD-fractie constateren dat het kabinet voornemens is om asielzoekers ook de mogelijkheid te geven om toe te treden tot de arbeidsmarkt in de uitzonderlijke situatie dat de asielzoeker niet op tijd beschikt over een burgerservicenummer. Is dit een verplichting die voortvloeit uit hoger recht (in bijzonder de herziene Opvangrichtlijn), of is dit een beleidskeuze? Hoelang zal het volgens de minister gemiddeld gaan duren voordat asielzoekers een burgerservicenummer kunnen hebben? Zijn er situaties denkbaar waarbij het niet op tijd verkrijgen van een burgerservicenummer te wijten valt aan de asielzoeker in kwestie? Zo ja, deelt de minister dan de opvatting van deze leden dat dit consequenties dient te hebben voor de toegang tot de arbeidsmarkt van de desbetreffende asielzoeker?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit aan houdende de wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Hoewel deze leden een beleid voorstaan waar kansrijke asielzoekers sneller zouden moeten kunnen meedoen, en niet pas na drie maanden, zijn zij positief over deze stap in de goede richting. Ook maken zij zich zorgen over de kwetsbare positie van asielzoekers op de arbeidsmarkt. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de wachttermijn voor kansrijke asielzoekers wordt gehalveerd. Dit is volgens deze leden een welkome stap in de juiste richting. Ook het afschaffen van de 24-weken-eis achten zij zeer positief. Wel zijn zij van mening dat kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk aan het werk zouden moeten kunnen. Waarom is voor drie maanden gekozen? Zou het al mogelijk zijn om na één maand een tewerkstellingsvergunning te krijgen? Zou dit volgens de Europese Richtlijn mogelijk zijn? Is de wachttijd van drie maanden aan de hoge of lage kant in vergelijking met andere Europese Unie (EU-)lidstaten? In de wetstekst staat dat de tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste drie jaar wordt verleend. Is er een mogelijkheid om deze te verlengen als de procedure bijvoorbeeld langer dan drie jaar duurt?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat asielzoekers waarbij het perspectief op inwilliging snel duidelijk is binnen een maand volledig aan het werk zouden moeten kunnen. Ook zijn deze leden van mening dat de noodzaak voor een tewerkstellingsvergunning moet geschrapt worden, net als bij Oekraïense vluchtelingen. Dit is goed voor de integratie van de nieuwkomer én hiermee kan de krapte op de arbeidsmarkt worden verlicht. Waarom is er niet voor gekozen om de noodzaak tot een tewerkstellingsvergunning af te schaffen?

Op dit moment zijn er ongeveer 50.000 openstaande asielaanvragen in Nederland. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze verkorting van de wachttijd ook gaat gelden voor de mensen die al in de procedure zitten – en minder dan zes maanden wachten.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de mensen met weinig kans op een verblijfsvergunning niet meer mogen werken. In de memorie van toelichting staat: “In overweging 51 bij de richtlijn is opgenomen dat de asielzoeker het recht moet hebben om werk te zoeken. Daarnaast benoemt artikel 17, tweede lid, van de Opvangrichtlijn dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat asielzoekers daadwerkelijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt overeenkomstig het nationale recht.” Deze leden vragen of het niet is strijd is met deze overweging en dit artikel om kansarme asielzoekers geen toegang te geven tot de arbeidsmarkt. Deze leden lezen dat er juridische bezwaren kunnen zijn om een onderscheid te maken tussen kansrijke en kansarme asielzoekers gelet op het gelijkheidsbeginsel en er onderscheid gemaakt wordt op basis van nationaliteit. Acht de minister dit onderscheid juridisch houdbaar?

Onder het Asiel- en Migratiepact wordt een asielzoeker die voor politieke vervolging vlucht uit bijvoorbeeld Turkije niet gezien als kansrijke asielzoeker aangezien het land van herkomst een lager gemiddeld inwilligingspercentage heeft dan 20%, constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Bovendien is Turkije officieel nog steeds kandidaat-lidstaat. Deze leden vragen hoe lang de minister inschat dat het duurt voor deze mensen om aan het werk te mogen. Hoe lang zou het maximaal kunnen duren voordat deze mensen aan het werk mogen?

De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de rol van uitzendbureaus zal zijn in de begeleiding naar de arbeidsmarkt van asielzoekers en of mensen op die manier duurzaam werk op niveau zouden krijgen. Komt het voor dat de taak van begeleiden naar werk wordt uitbesteed aan uitzendbureaus? Acht de minister dit wenselijk? Ziet hij voor zich dat er via deze route hoogkwalitatief werk wordt gevonden? Is hij van plan maatregelen te treffen om dit tegen te gaan? Deze leden vragen bovendien hoe asielzoekers die toch kwetsbaarder zijn voor slecht werk en misstanden beschermd worden tegen uitbuiting en onderbetaling. Is er voldoende toezicht en handhaving?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Arbeidsinspectie de controle uitvoert op de Wet arbeid vreemdelingen, ook bij deze groep. Deze leden gaan ervan uit dat de Arbeidsinspectie ook actief toezicht zal houden op de wetten die werkenden beschermen tegen oneerlijk, onveilig en ongezond werk van werkende asielzoekers. Klopt deze aanname en is er voldoende aandacht voor de kwetsbare positie van asielzoekers? Waarom is er op deze factoren geen toets gedaan door de arbeidsinspectie?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat werk, inburgeren en het leren van de taal allen van belang zijn. Het kan voorkomen dat een asielzoeker in een omgeving gaat werken met veel Engelstalige collega’s. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de inburgeringstaken zoals het leren van de taal niet komen te lijden onder het werk? Wordt geborgd dat de werkgever hier ruimte voor laat? Op welke manier kunnen werkgevers een rol krijgen in het vroegtijdig leren van de Nederlandse taal?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er problemen optreden wanneer asielzoekers regelmatig van locatie verhuisd moet worden. Hoe kunnen zij dan hun werk behouden? Worden zij daardoor niet onaantrekkelijker voor werkgevers? Hoe moet dit contractueel opgelost worden in het geval een asielzoeker naar de andere kant van het land moet verhuizen? Deze leden vragen welke maatregelen er worden getroffen om te zorgen dat mensen niet moeten stoppen met werken als gevolg van verplaatsing van de woonlocatie. Hoe wordt tegengegaan dat asielzoekers door de vele verhuizingen met name laag kwalitatief flexwerk gaan doen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of tegelijk met het starten van werk ook gestart kan worden met het in gang zetten van de erkenningsprocedure van diploma’s en kwalificaties zodat asielzoekers op niveau aan het werk gaan. Deze leden achten dit van belang om asielzoekers op hun niveau aan het werk te krijgen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat asielzoekers ook werk kunnen doen als zelfstandige. Deze leden maken zich zorgen over de mogelijkheid dat asielzoekers hierdoor makkelijk als schijnzelfstandige kunnen worden ingezet. Zijn hier nu aanwijzingen voor? Op welke manier wordt er toezicht gehouden dat asielzoekers niet massaal als schijnzelfstandige worden ingezet?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het oude artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav) vervalt. Is er nu voldoende gewaarborgd dat asielzoekers onder marktconforme voorwaarden moeten werken? Graag een toelichting.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tot slot hoe gezorgd wordt dat mensen echt de ruimte krijgen om passend werk te vinden en voorkomen wordt dat er geen dwang ontstaat om ieder werk te accepteren dat aangeboden wordt. Zijn hiervoor maatregelen getroffen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en verwerpen de voorgestelde verruiming van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers. Asielzoekers behoren tijdens de asielprocedure geen toegang te hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt.

De leden van de PVV-fractie constateren dat dit voorstel voortvloeit uit Europese regelgeving, maar dat het kabinet er desondanks voor kiest om verder te gaan dan waartoe deze regelgeving verplicht. Waarom benut het kabinet niet de ruimte om juist strengere nationale voorwaarden te stellen, in plaats van de toegang tot de arbeidsmarkt te verruimen?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de wachttijd voor toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten, wordt verkort van zes naar drie maanden. Deze leden achten dit een verkeerde en onverantwoorde keuze, omdat hiermee de aanzuigende werking van het Nederlandse asielbeleid verder wordt vergroot. Kan het kabinet onderbouwen waarom het sneller toelaten van asielzoekers tot de arbeidsmarkt geen extra instroom stimuleert, terwijl betere voorzieningen en perspectief op werk bekende pullfactoren zijn?

De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet ervoor kiest om asielzoekers sneller toegang te geven tot de arbeidsmarkt, terwijl een grote groep statushouders momenteel niet werkt. Wat is het exacte percentage statushouders dat op dit moment niet werkt en geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van de bijstand? Kan het kabinet dit uitsplitsen naar duur van verblijf in Nederland, herkomstland en leeftijdscategorie? Wat zijn de totale jaarlijkse kosten van uitkeringen en aanvullende voorzieningen voor statushouders die niet werken, en kan het kabinet deze kosten inzichtelijk maken over de afgelopen tien jaar? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de arbeidsparticipatie van andere groepen in Nederland? Waarom wordt niet eerst ingezet op het activeren van statushouders die reeds in Nederland verblijven voordat nieuwe groepen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt?

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet voorkomt dat betaalde arbeid tijdens de asielprocedure feitelijk leidt tot integratie, terwijl nog niet vaststaat of betrokkene recht heeft op verblijf. Kan het kabinet onderbouwen dat asielzoekers die tijdelijk betaalde arbeid verrichten, maar uiteindelijk geen verblijfsstatus krijgen en Nederland moeten verlaten, geen rechten opbouwen, bijvoorbeeld op het gebied van sociale zekerheid of verblijfsrecht, die hun uitzetting bemoeilijken of in de praktijk onmogelijk maken, en zo ja, op basis van welke juridische waarborgen?

De leden van de PVV-fractie vragen aandacht voor asielzoekers van wie de identiteit nog niet is vastgesteld. Deze leden zijn van oordeel dat personen zonder vastgestelde identiteit geen plaats hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Kan het kabinet toelichten waarom het voorstel ruimte laat voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen in situaties waarin geen burgerservicenummer beschikbaar is? Hoe wordt de controleerbaarheid gewaarborgd, mede gelet op de beperkte mogelijkheden tot toezicht en tijdige intrekking van vergunningen in deze gevallen?

De leden van de PVV-fractie ondersteunen het uitgangspunt dat asielzoekers met een lage kans op inwilliging van hun aanvraag geen toegang tot de arbeidsmarkt dienen te krijgen. Hoe wordt deze uitsluiting in de praktijk strikt en consequent gehandhaafd en hoe wordt voorkomen dat via procedurele wijzigingen alsnog toegang tot de arbeidsmarkt ontstaat?

Daarnaast vragen deze leden welke waarborgen bestaan tegen verdringing van Nederlandse werkzoekenden, met name in sectoren waar sprake is van laagbetaald en flexibel werk.

Ten aanzien van de handhaving vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt geborgd dat tewerkstellingsvergunningen onmiddellijk worden ingetrokken wanneer het recht op toegang tot de arbeidsmarkt vervalt en hoe werkgevers daarover tijdig en volledig worden geĂŻnformeerd.

Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie in hoeverre asielzoekers die betaalde arbeid verrichten verplicht worden om zelf te betalen voor hun opvang, zorg, eten, drinken en overige collectief gefinancierde voorzieningen. Gaan asielzoekers die mogen werken deze kosten daadwerkelijk zelf dragen? En is de minister bereid om deze eigen bijdrage te verhogen, zodat betaalde arbeid ook daadwerkelijk leidt tot het verminderen van de kosten voor de samenleving?

De leden van de PVV-fractie zien de beantwoording van hun vragen met belangstelling tegemoet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en hebben daarover enkele vragen.

Deze leden onderschrijven dat met name kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk moeten kunnen meedoen via werk, juist omdat werk kan bijdragen aan taalverwerving, zelfstandigheid en integratie. Tegelijk achten zij het van belang dat de regeling in de praktijk ook uitvoerbaar, controleerbaar en handhaafbaar is.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet beoordeelt of de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden in de praktijk daadwerkelijk werkbaar is voor UWV, IND, gemeenten en werkgevers. In het bijzonder vragen zij welk aandeel van de betrokken asielzoekers naar verwachting na drie maanden al beschikt over een burgerservicenummer.

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij ontbreken van een burgerservicenummer slechts een tewerkstellingsvergunning voor maximaal drie maanden kan worden afgegeven. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat dit in de praktijk leidt tot extra administratieve lasten, herhaalaanvragen en terughoudendheid bij werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de keuze beoordeelt om de tewerkstellingsvergunningplicht te handhaven. Welke concrete belemmeringen maken dat een eenvoudiger systeem, zoals een meldplicht of een andere vorm van registratie, op dit moment nog niet mogelijk is? Ook vragen deze leden of het kabinet al een tijdpad voor zich ziet waarbinnen een lichter en werkbaarder systeem wel gerealiseerd zou kunnen worden.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de gevolgen inschat van het vervallen van de 24-weken-eis. Welke effecten verwacht het kabinet hiervan op arbeidsparticipatie, werkgeversbereidheid en de uitvoeringspraktijk? Ook vragen deze leden hoe het kabinet waarborgt dat eerdere en ruimere toegang tot arbeid niet leidt tot grotere risico’s op onderbetaling, oneerlijke arbeidsvoorwaarden of andere vormen van misbruik op de arbeidsmarkt.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de uitvoerbaarheid per 12 juni 2026 beoordeelt, gelet op de genoemde tijdelijke workaround bij UWV en de nog te dekken uitvoeringskosten. Welke risico’s ziet het kabinet voor een tijdige en ordelijke invoering, en hoe worden die ondervangen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en constateren dat daarin de wachttermijn voor asielzoekers om te mogen werken wordt verkort van zes naar drie maanden, terwijl de Europese richtlijn slechts voorschrijft dat toegang uiterlijk na zes maanden moet worden gegeven. Deze leden vragen de minister of hij erkent dat het kabinet hiermee bewust verder gaat dan Europees noodzakelijk is, feitelijk een nationale kop creĂ«ert en waarom hiervoor is gekozen, ook gelet op het gegeven dat deze maatregel het aanvragen van asiel in Nederland mogelijk aantrekkelijker kan maken en het stelsel nu al onder grote druk staat. Deze leden merken op dat de minister schrijft dat asielzoekers “eerder aan het werk” moeten gaan om bij te dragen aan arbeidsmarkt en opvangkosten. Dit klinkt logisch, maar tegelijkertijd vragen deze leden of het kabinet het risico ziet dat de asielprocedure zo in de praktijk tevens gebruikt kan worden als eenvoudige arbeidsmigratieroute. Zij vragen hoe hij het weegt dat mensen al na drie maanden kunnen werken terwijl hun asielverzoek nog lang niet is beoordeeld, en of hij erkent dat asielzoekers onder het huidige stelsel vaak rond de twee jaar in procedure zitten, zodat zij met dit ontwerpbesluit feitelijk ruim anderhalf jaar toegang krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt en loonniveau voordat er een definitief oordeel is over hun aanvraag.

Voorts vragen de leden van de JA21-fractie hoe de minister de kans beoordeelt dat dit pakket – drie maanden wachttijd, langdurige toegang tot werk en relatief lange procedures – een aanzuigende werking heeft op kansarme groepen, zoals asielzoekers uit (West-)Balkanlanden, die in hun thuisland goed weten dat de kans op een vergunning klein is maar hier wel langdurig legaal kunnen werken en geld verdienen. Deze leden vragen of de minister met hen van mening is dat het juist voor deze kansarme groepen ronduit onverstandig is om de toegang tot de arbeidsmarkt te vervroegen, omdat dit de prikkel kan versterken om een asielaanvraag in te dienen, ongeacht de uitkomst daarvan, en welke specifieke mitigerende maatregelen hij overweegt om dit misbruik te voorkomen. Deze leden vragen de minister om kwantitatief te onderbouwen waarom deze verruimde toegang tot werk niet zal leiden tot extra instroom uit landen met lage inwilligingspercentages, en indien een dergelijke onderbouwing ontbreekt, of hij dan erkent dat het kabinet bewust het risico neemt dat Nederland aantrekkelijker wordt als “arbeidsmigratieroute via asiel” dan buurlanden die aan de termijn van zes maanden vasthouden.

De leden van de JA21-fractie vragen verder hoe deze keuze om al na drie maanden werken toe te laten zich verhoudt tot het uitgangspunt van het Europese migratie- en asielpact, waarin wordt beoogd secundaire migratie en “asylum shopping” tegen te gaan. Deze leden vragen of de minister hun zorg deelt dat Nederland zich met deze nationale kop positioneert als aantrekkelijke bestemming binnen de EU voor kansarme asielzoekers die maximaal willen profiteren van werkmogelijkheden. Ook willen zij weten in hoeverre het kabinet het aannemelijk acht dat het feit dat asielzoekers gedurende een zeer lange periode legaal in Nederland kunnen werken – soms meer dan anderhalf jaar vóór een definitieve beslissing – invloed heeft op de beoordeling van hun zaak door IND en rechterlijke macht. Deze leden vragen of de minister onderkent dat langdurige arbeid, opgebouwde sociale banden en financiĂ«le afhankelijkheden in de praktijk impliciet kunnen worden meegewogen en zo in de praktijk kunnen leiden tot hogere inwilligingspercentages of ruimere toepassing van schrijnendheid, artikel 8 EVRM of andere verblijfsgrond.

De leden van de JA21-fractie constateren dat met dit ontwerpbesluit een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers bij gebruik van een burgerservicenummer voor maximaal drie jaar kan worden verleend, in plaats van gekoppeld te blijven aan de duur van het W‑document. Daarbij merken deze leden op dat de nota van toelichting erkent dat asielzoekers vanaf het moment dat zij gaan werken rechten op uitkeringen en sociale verzekeringen opbouwen en dat dit structureel oploopt tot 4 miljoen euro aan extra uitkeringslasten, plus miljoenen aan UWV‑uitvoeringskosten. Zij vragen of en hoe de minister dit verdedigbaar vindt en waarom niet is gekozen voor een soberder regime dat geen extra uitkeringsrechten creĂ«ert.

Daarnaast constateren de leden van de JA21-fractie dat het kabinet stelt dat asielzoekers die “waarschijnlijk mogen blijven” eerder moeten kunnen werken, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat de IND vaak niet binnen drie maanden de identiteit kan vaststellen en dat procedurewissels en complexiteit toenemen. Deze leden vragen of de minister hoe hij voorkomt dat mensen met onduidelijke identiteit of kansarme aanvragen toch jarenlang in Nederland kunnen werken. In de stukken lezen deze leden verder dat sommige categorieĂ«n kansarme asielzoekers met lage kans op inwilliging (zoals veilige‑landers en bepaalde Dublinclaimanten) straks helemaal niet meer mogen werken, terwijl andere kansarme groepen – bijvoorbeeld nationaliteiten met een EU‑inwilligingspercentage van ten hoogste 20% – juist wel toegang kunnen krijgen. Zij vragen of de minister niet erkent dat dit onderscheid willekeurig en juridisch kwetsbaar oogt, en waarom niet wordt gekozen voor het consequente uitgangspunt van geen toegang tot de arbeidsmarkt voor alle asielzoekers.

De leden van de JA21-fractie constateren daarnaast dat in de toelichting wordt gesteld dat meer en eerder werk van asielzoekers goed is voor “zelfstandigheid, integratie en mentale gezondheid”. Deze leden vragen of de minister het met hen eens is dat dit een sterke normatieve keuze richting snelle integratie is, en hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat asielmigratie van tijdelijke aard dient te zijn en dat afwijzing en vertrek onlosmakelijk onderdeel van de procedure zijn. Ook lezen zij dat in de beleidstukken wordt aangegeven dat werkgevers de huidige tewerkstellingsregels en wachttijden als belemmering zien en dat dit ontwerpbesluit mede is ingegeven door de wensen van werkgevers en maatschappelijke organisaties. Zij vragen hoe de minister deze veronderstelde arbeidsmarktbelangen en werkgeverswensen weegt in relatie tot het grote maatschappelijke draagvlak voor een strenger asielbeleid en kortere asielprocedures.

Voorts constateren de leden van de JA21-fractie dat de 24‑weken‑eis na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is afgeschaft en nu ook uit de regelgeving wordt geschrapt, waardoor asielzoekers in principe fulltime en langdurig kunnen werken gedurende de hele procedure. Deze leden vragen of de minister of en welke mogelijkheden hij ziet om binnen het Europese recht toch grenzen te stellen aan arbeidsomvang en duur. Uit de stukken volgt verder dat de Nederlandse Arbeidsinspectie weliswaar kan handhaven op illegale tewerkstelling, maar dat de feitelijke capaciteit beperkt is en dat sterk wordt gerekend op “goede voorlichting” als belangrijke pijler. Deze leden vragen of de minister van mening is dat voorlichting een voldoende instrument is om uitbuiting, schijnconstructies, illegale arbeid en verdringing in dit segment te voorkomen, en of hij bereid is extra capaciteit en maatregelen vrij te maken en te treffen gericht op het tegengaan van misbruik van deze regeling.

De leden van de JA21-fractie merken daarnaast op dat in de toelichting expliciet staat dat werkgevers dankzij de langere duur van de tewerkstellingsvergunning minder vaak een aanvraag hoeven te doen, wat de administratieve lasten verlaagt. Deze leden vragen of de minister niet erkent dat deze “regeldrukreductie” er in de praktijk toe leidt dat werkgevers voor langere tijd een asielzoeker aan zich kunnen binden en dat zij bij afwijzing van het asielverzoek een groot belang hebben bij voortgezet verblijf. Deze leden vragen hoe hij voorkomt dat dit in de praktijk tot het starten van vervolgprocedures kan leiden. Daarnaast wordt in de nota’s erkend dat de implementatiedeadline van 12 juni 2026 waarschijnlijk niet wordt gehaald en dat de richtlijn dan rechtstreekse werking krijgt, terwijl de IT‑systemen van UWV en ketenpartners nog niet klaar zijn. Deze leden vragen de minister hoe hij beoordeelt dat Nederland opnieuw kiest voor relatief ruime toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, terwijl de benodigde uitvoeringssystemen nog niet volledig zijn ingericht, en hoe hij kan waarborgen dat de combinatie van vervroegd werkrecht en nog niet volledig uitgewerkte uitvoeringsprocessen niet leidt tot extra complexiteit, misverstanden of misbruik.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Deze leden erkennen de noodzaak om nationale regelgeving in lijn te brengen met Europese richtlijnen en rechterlijke uitspraken. Tegelijkertijd hebben zij enkele kritische vragen over de praktische uitvoering, de handhaafbaarheid en de maatschappelijke impact van de voorgestelde wijzigingen.

De leden van de BBB-fractie hebben verschillende vragen aan het kabinet. Hoe borgt het kabinet dat de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden voor kansrijke asielzoekers niet leidt tot een aanzuigende werking op migranten die primair om economische redenen naar Nederland komen? Kan het kabinet nader specificeren wat onder een "hogere kans op inwilliging" wordt verstaan en welke objectieve criteria worden gehanteerd om dit onderscheid reeds na drie maanden betrouwbaar te maken? Deze leden steunen het uitgangspunt dat asielzoekers uit veilige landen niet mogen werken tijdens de procedure. Hoe gaat de Arbeidsinspectie controleren op illegale tewerkstelling van deze groep, gezien de verhoogde prikkel om nu illegaal inkomen te genereren? Voorziet de minister problemen bij de terugkeer van asielzoekers van wie het verzoek wordt afgewezen, maar die inmiddels een langdurige arbeidsrelatie hebben opgebouwd door het vervallen van deze beperking?

II Antwoord/Reactie van de minister