Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over de Wijziging van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)(Kamerstuk 36915-M)
Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D18644, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 16:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei (CDA)
- Mede ondertekenaar: D.S. Nava, griffier
Onderdeel van zaak 2026Z08319:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer over de eerste suppletoire begroting van het Klimaatfonds (2026D16957, ingezonden 9 april 2026).
Stientje van Veldhoven-van der Meer
Minister van Klimaat en Groene Groei
Correctie 1ste suppletoire begroting Klimaat- en
energiefonds
In de 1e suppletoire begroting van het KEF is in het overzicht belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2026 (tabel 2) in de regel overige mutaties in het jaar 2030 per abuis -39.303 opgenomen, dit had -39.103 moeten zijn.
De stand 1e suppletoire begroting 2026 in het jaar 2030 had dan ook 2.237.852 moeten zijn in plaats van de nu opgenomen 2.237.652.
1
Welke criteria hanteert u om te bepalen of een uitgave in het Klimaatfonds daadwerkelijk direct bijdraagt aan de klimaatdoelen, en hoe scoort kernenergie daarop?
Antwoord
Maatregelen die worden ingediend bij het Klimaat- en energiefonds (hierna: KEF) worden beoordeeld aan de criteria zoals opgenomen in de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds. Een van deze criteria is een broeikasgasneutrale energievoorziening in 2050. Daarnaast is in de tijdelijke wet opgenomen dat maatregelen uit het KEF bijdragen aan de doelen in de Klimaatwet, waaronder een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050. Kernenergie draagt bij aan de productie van broeikasgasneutrale elektriciteit en draagt hiermee bij aan de klimaatdoelen en de doelen van het fonds.
2
Hoeveel middelen in het klimaatfonds zijn precies gereserveerd voor kernenergie en kernenergie gerelateerde uitgaven? (In bedragen en percentages van het klimaatfonds)
Antwoord
Conform het Coalitieakkoord van kabinet Rutte IV bevatte het Klimaat- en energiefonds bij aanvang € 35 mld. Hiervan was oorspronkelijk € 5 mld gealloceerd voor kernenergie, oftewel circa 14 procent. Het kabinet Schoof heeft aanvullend hierop € 9,5 mld toegevoegd aan het perceel kernenergie. Er zijn ook uitgaven gedaan uit het perceel. Momenteel bestaat er in het perceel kernenergie € 297,8 mln aan reserveringen en € 13,1 mld. aan vrije ruimte. Dit is nagenoeg de gehele vrije ruimte binnen het fonds. Deze middelen zijn benodigd voor de nucleaire ambities van het kabinet.
3
Hoeveel dragen middelen voor kernenergie bij aan het halen van de Nederlandse klimaatdoelstellingen voor 2030, 2040 en 2050?
Antwoord
Het kabinet zet in op 7 GW kernenergie, waarbij nu wordt gewerkt aan het realiseren van de eerste twee grootschalige kerncentrales. De resterende ambitie kan worden ingevuld met zowel grootschalige centrales als met SMR’s. De ontwikkeling van de twee grootschalige kerncentrales koerst op een verwachte realisatie rond 2040, van 2,2 tot 3,2 GW CO2-arme elektriciteitsproductie. Daarmee dragen ze bij aan de klimaatdoelen van 2040 en 2050. Als er voor de aanvullende ambitie gekozen wordt voor grootschalige centrales, zullen die niet voor 2040 gerealiseerd zijn. Ze kunnen wel bijdragen aan het doel voor 2050. Als er gekozen wordt voor SMRs, kan een deel daarvan mogelijk al wel in 2040 operationeel zijn en bijdragen aan het klimaatdoel voor dat jaar.
4
Hoe groot is de kans dat kernenergie helemaal niet kan bijdragen aan deze klimaatdoelstellingen?
Antwoord
Kernenergie zou niet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen als er in het geheel geen grootschalige kerncentrales of SMR's voor 2050 worden gerealiseerd. Met een gemiddelde bouwtijd van 10 tot 12 jaar inclusief voorbereiding voorafgaand aan de bouw, is er nog voldoende tijd om nieuwe kerncentrales te realiseren, zowel grootschalig als kleinschalig, die bijdragen aan de klimaatdoelstellingen.
Bovendien wordt er juist in de periode 2040-2050 veel elektrificatie voorzien van moeilijk te verduurzamen processen in o.a. de industrie. Tegenover deze extra elektriciteitsvraag moet dan ook extra productie staan. Kerncentrales leveren ook basislast productie, die goed past bij het typische vraagprofiel van industrie.
In breder opzicht moet het belang van kernenergie ook bezien worden in de context van een betrouwbare en betaalbaar energiesysteem. Als het niet waait of de zon niet schijnt voor langere perioden, moet de elektriciteitsvraag wel beantwoord worden. Ook hierin spelen kerncentrales een belangrijke rol.
5
Hoe wordt onderbouwd dat kernenergie-uitgaven als klimaatuitgaven moeten gelden, terwijl de baten van mogelijke nieuwe kerncentrales pas ver na 2030 zichtbaar kunnen worden?
Antwoord
Veel maatregelen die uit het Klimaat- en energiefonds worden gefinancierd, dragen bij aan de klimaatdoelstellingen voor de periode na 2030. Dit geldt ook voor de middelen voor kernenergie. Investeringen die nu in kernenergie gedaan worden dragen bij aan het vormgeven van het toekomstige broeikasgasneutrale elektriciteitssysteem en dragen hiermee bij aan de klimaatdoelen en de doelen van het fonds.
6
Wat is de Technology Readiness Level (TRL) van SMRs, en hoe is dit bepaald?
Antwoord
De TRL's geven de mate van ontwikkeling van een technologie aan, waarbij TRL 1 staat voor technologie aan het begin van de ontwikkeling en TRL 9 voor technologie die technisch en commercieel gereed is om naar de markt te gaan1. Voor Small Modular Reactors is niet één TRL-niveau vast te stellen; zelfs per ontwikkelaar kan het systeem of componenten verschillende TRL-niveau’s hebben. Gen III+ SMR’s zijn bijvoorbeeld gebaseerd op bewezen, conventionele techniek en hebben daarmee een hoger TRL niveau (7/8) dan de Advanced Modular Reactors, waar eveneens verschillen zijn m.b.t. techniek. Zo classificeert Allseas de Hoge Temperatuur Gasgekoelde Reactor (HTGR)-technologie op niveau TRL 7, omdat deze eerder al is toegepast en bewezen.
7
Gezien de lage TRL van SMRs, zouden middelen voor de ontwikkeling hiervan niet moeten komen uit onderzoeksgelden in plaats van het Klimaatfonds?
Antwoord
De middelen uit het Klimaatfonds zijn onder andere bestemd voor het ondersteunen van de ontwikkeling van SMR-initiatieven en innovatie, daarom zijn er ook KEF-middelen beschikbaar voor SMR’s met een laag TRL. De SMR’s met een hoger TRL kunnen worden verwerkt in de routekaart die het kabinet opstelt voor de realisatie van 7 GW kernenergie, de ambitie is om deze voor de zomer 2026 aan de Kamer te versturen.
8
Wat is de juridische houdbaarheid van het reserveren van deze middelen voor kernenergie vanuit het Klimaatfonds, terwijl kernenergie niet aantoonbaar bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen?
Antwoord
Zie antwoord op vraag 1.
9
Gezien een recente zaak bij de Raad van State over de toekenning van gelden voor de ondersteuning van de nucleaire kennisinfrastructuur, waarbij werd bepaald dat andere, meer kritische partijen ook tot die kennisinfrastructuur behoren en dus ook recht hebben op zulke subsidies, wordt er in lijn met die uitspraak ook geld ter beschikking gesteld aan instellingen en organisaties die kernenergie meer kritisch beschouwen?
Antwoord
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1809) bepaald dat stichting Laka als belanghebbende moet worden aangemerkt bij de subsidieverstrekkingen door de minister van KGG aan vier organisaties. Die subsidieverleningen gaven uitvoering aan het amendement Erkens/Dassen ten behoeve van de versterking van kennis en innovatie op het gebied van nucleaire technologie. De staatssecretaris van KGG zal nu - met inachtneming van deze uitspraak - binnen 10 weken inhoudelijk moeten beslissen op het bezwaarschrift van stichting Laka. De staatssecretaris zal hier niet op vooruit lopen. De Afdeling heeft geen oordeel gegeven of andere organisaties ook recht hebben op subsidie en de vraag of aan andere instellingen en organisaties ook geld ter beschikking wordt gesteld is nu niet aan de orde.
10
Hoeveel middelen worden er in het totaal verwacht dat zullen moeten worden toekend aan de nationale deelneming warmte?
Antwoord
De NDW raamt de totale investeringsopgave in warmtebedrijven tot 2030 op ca. € 4,2 mld euro. Het grootste deel (ca. 80%) wordt naar verwachting uit vreemd vermogen gefinancierd. De resterende 20% betreft de investeringen van de aandeelhouders. Naar verwachting neemt de Nationale Deelneming Warmte (NDW) deel in warmtebedrijven die gezamenlijk verantwoordelijk zullen zijn voor 70% van de benodigde investeringen tot 2030. Hierbij neemt de NDW maximaal 40% van de eigenvermogensvraag voor haar rekening. Zo wordt slechts een beperkt deel van de totale investeringsopgave met de inbreng van eigen vermogen via de NDW gerealiseerd en wordt er efficiënt gebruik gemaakt van de beschikbare publieke middelen (€ 224 mln uit het KEF, waarvan € 137 mln onder voorwaarden).
11
Waar is de ‘envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven’ uit het coalitieakkoord gebudgetteerd?
Antwoord
Deze middelen staan nog op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën.
12
Wordt voorzien dat het energiebesparingsfonds mkb meerdere jaren beschikbaar is?
Antwoord
Ja, de looptijd van de regeling is tot 2030.
13
Kunt u specificeren welke uitgaven uit het perceel Kernenergie in het Klimaatfonds in 2027 en verder worden overgeheveld naar de departementale begroting, inclusief de bedragen per maatregel?
Antwoord
In het ontwerp-Meerjarenprogramma 2027 KEF is toegelicht welke uitgaven uit het perceel kernenergie worden gedaan, inclusief een toelichting op de vormgeving van de maatregel. Dit is onderverdeeld naar toekenningen (overhevelingen naar departementale begrotingen, waarna uitgaven gedaan kunnen worden), toekenningen onder voorwaarden en reserveringen.
| KERNENERGIE | Toekenningen (mln) | Toekenningen onder voorwaarde (mln) | Reserveringen (mln) |
|---|---|---|---|
| Stand voor MJP 2027 | 13.510,0 | ||
| ANVS Toezicht Meetnet | -33,2 | ||
| RIVM Radionuclidenlaboratorium | -20,2 | ||
| Voortzetting inzet 2031-2035 | -3,0 | -242,4 | |
| Nieuwbouw kerncentrales | -9,0 | ||
Verlenging financiering Nuclear Academy 2026-2030 |
-2,0 | ||
| Projectorganisatie NEO NL | -93,8 | ||
| Bedrijfsduurverlenging | -9,0 | -13,6 | |
| Ondersteuning gemeenten | -9,5 | ||
| Toekenningen en reserveringen MJP 2027 | -124,3 | -13,6 | -297,8 |
| Opboeken eindejaarsmarge | 5,4 | ||
| Stand na toekenningen | 13.391,1 | ||
| Vrije ruimte voor aanvang MJP 2028 | 13.079,8 |
14
Kan worden toegelicht welke taken, bevoegdheden, personele omvang en financiële stromen bij de oprichting van NEO NL worden ondergebracht, hoe de scheiding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer precies wordt vormgegeven en welk aanvullend budget na het startkapitaal nog wordt voorzien?
Antwoord
Nucleaire Energie Organisatie Nederland B.V. (hierna NEO NL) is per 16 februari 2026 opgericht. NEO NL is een beleidsdeelneming die de opdracht voor de bouw van de nieuwe kerncentrales zal geven en is voorzien als de toekomstige eigenaar en exploitant van de nieuwe kerncentrales. De Staat der Nederlanden is enig aandeelhouder; de aandeelhoudersrol is belegd bij het Ministerie van EZK. De statuten [Kamerstukken II 2025/26, 36 839, nr. 1] regelen de verhouding tussen de aandeelhouder en NEO NL als beleidsdeelneming en zijn opgesteld conform de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022. Bij de oprichting van NEO NL heeft het kabinet aan NEO NL in aanvulling op de statuten een aandeelhoudersovereenkomst tussen de Staat en NEO NL gesloten en een beleidskader meegegeven [Kamerstukken II 2025/26, 36 839, nr. 2]. Dit beleidskader specificeert de beleidsdoelen en de daaruit voortvloeiende projectdoelstellingen van het kabinet voor de realisatie van de eerste twee nieuwe kerncentrales. Op grond van de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst is een aantal besluiten gespecificeerd die die NEO NL ter goedkeuring aan de aandeelhouder moet voorleggen alvorens die te kunnen uitvoeren; dit gaat met name (maar niet alleen) om besluiten ten aanzien van het nieuwbouwproject. Het kabinet zal die besluiten toetsen aan het beleidskader. Op die manier wordt NEO NL vooraf duidelijkheid geboden welke doelstellingen het kabinet heeft bij het project. NEO NL gaat zich richten op de eerste voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van de twee kerncentrales. De grootste kostenposten in deze eerste opstartjaren zijn: het inrichten van de technical support organisation (voor het voorbereiden van de technologie- selectieprocedure), personeel en ICT. Voor de beleidsdeelneming NEO NL is in 2026 € 88,9 mln en in 2027 € 83,2 mln beschikbaar. € 94 mln hiervan is aangevraagd bij het KEF in het meerjarenprogramma 2027, de overige middelen stonden al op de KGG-begroting bestemd voor werkzaamheden die NEO NL nu gaat uitvoeren. Gezien er in de komende periode belangrijke keuzes gemaakt worden zoals de locatie en de technologie, zijn de kostenramingen aan verandering onderhevig, afhankelijk van de timing en richting van de keuzes. Gedurende het proces vordert zal de mate van nauwkeurigheid van de kostenraming toenemen.
15
Wat zijn in 2026 en 2027 de geraamde kosten voor de projectorganisatie NEO NL? Kunt u toelichten waar de totale 94 mln euro uiteindelijk concreet aan zal worden besteed?
Antwoord
Zie antwoord op vraag 14.
16
Kunt u toelichten welke aanvullende onderzoeken rond bedrijfsduurverlenging van Borssele nodig zijn, waarom eerdere ramingen niet toereikend waren en wat de totale verwachte kosten zijn?
Antwoord
Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) is bij de kostenraming in de subsidieaanvraag in 2022 voor de haalbaarheidsstudies voor bedrijfsduurverlenging uitgegaan van de kosten van de onderzoeken voor de bedrijfsduurverlenging in 2013. Na het verlenen van de subsidie en bij het uitwerken van het beoordelingskader is gebleken dat sindsdien de eisen voor bedrijfsduurverlenging in internationaal verband verder zijn ontwikkeld. Om aan te kunnen tonen dat voor bedrijfsduurverlenging voldaan wordt aan eisen in de huidige Safety Standards van het Internationaal Energie Atoom Agentschap (IAEA) zal EPZ meer en uitgebreider onderzoek moeten uitvoeren. Zo zal uitgebreider onderzoek gedaan moeten worden naar verouderingsbeheersing. Ook zijn meer gedetailleerde studies nodig voor grote onderdelen van de kerncentrale. Daarnaast moet EPZ voor deze bedrijfsduurverlening niet alleen aantonen dat de kerncentrale veilig langer open kan blijven, maar ook welke maatregelen geïdentificeerd kunnen worden om de veiligheid nog verder te verbeteren. Om deze werkzaamheden uit te kunnen voeren zal EPZ meer externe nucleaire expertise moeten inzetten. De tarieven voor de inhuur van nucleaire expertise zijn de afgelopen jaren flink gestegen door de toegenomen vraag hiernaar. EPZ heeft afgelopen december een aanvraag tot wijziging van de subsidiebeschikking ingediend. De daarin opgenomen kostenraming bedraagt € 32,9 mln, dat is inclusief de eerder beschikte middelen à € 11,3 mln. In opdracht van KGG is een externe technische review uitgevoerd op de aanvraag tot wijziging en de stukken waarop de aanvraag gebaseerd is. De review bevestigt de door EPZ genoemde oorzaken voor de sterke toename van de kosten. Op dit moment wordt de aanvraag tot wijziging beoordeeld en met de Europese Commissie bezien of de aangevraagde wijziging past binnen het bestaande goedkeuringsbesluit voor staatssteun.
17
Hoeveel middelen besteedt u aan de gebiedsinvesteringen hoogspanning op land? Kunt u tevens nader toelichten waarvoor deze middelen zullen worden gebruikt?
Antwoord
Komende jaren is er een hoge piek in de uitbreiding van het nationale extrahoogspanningsnet op land. Deze grote projecten hebben vaak een stevige impact op de leefkwaliteit van direct betrokkenen. Het kabinet stelde eerder middelen beschikbaar voor verschillende vormen van Gebiedsinvesteringen. Eerdere varianten zijn ‘Gebiedsinvesteringen Net op Zee’ en momenteel wordt de laatste hand gelegd aan een regeling voor ‘Gebiedsinvesteringen Hoogspanning op Land’ voor spanningsniveau 220kV/330kV. Het kabinet stelt met deze begroting € 41,5 mln beschikbaar voor een nieuwe regeling genaamd ‘Gebiedsinvesteringen Hoogspanning op Land 110kV/150kV’. Deze gebiedsinvesteringen hebben (ook) als doel om de leefkwaliteit van betrokkenen (waaronder omwonenden) te verbeteren in gebieden met een dergelijk netuitbreidingsproject, waarvoor binnen een bepaalde periode besluitvorming plaatsvindt. De Gebiedsinvesteringen dragen bij aan vergroting van maatschappelijk draagvlak voor projecten op specifiek het genoemde spanningsniveau. Deze regeling zal in belangrijke mate worden gebaseerd op de eerdere regeling voor projecten op spanningsniveau 220kV/380kV, maar niet identiek zijn. We verwachten nog in Q2 2026 te kunnen starten met de eerste contouren van de regeling. De beschikbare €41,5 miljoen bevat naast uitkeringen ook uitvoeringskosten.
18
Hoeveel middelen besteedt u aan de taskforce projectaanpak middenspanning? Kunt u tevens nader toelichten waarvoor deze middelen zullen worden gebruikt?
Antwoord
Voor de projectenaanpak middenspanning is in totaal € 15 mln overgeheveld vanuit het KEF voor de periode t/m 2035. Hiermee wordt voor een selecte groep prioritaire projecten een ‘versnellingsspecialist’ bij het reguliere projectteam gezet. Deze gaat actief op zoek naar kansen om te versnellen door versnellingsmaatregelen toe te passen, samenwerking te stroomlijnen, en waar gewenst de projectleiding ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan: het versnellen keuze over bevoegd gezag, ondersteuning bij ruimtelijke procedures en het projectteam kritisch bevragen wat nog meer parallel kan. De projectenaanpak levert bovendien pilotprojecten waar de nieuwste versnellingsmaatregelen in de praktijk kunnen worden getoetst. De opzet van deze aanpak is geïnspireerd op de al lopende projectenaanpak hoogspanning en de Taskforce Versnelling Tijdelijke Huisvesting die is opgezet door het ministerie van VRO voor realisatie van woningbouw.
19
Kunt u toelichten uit welke begrotingen en artikelen de voorbereiding en uitvoering van de Crisiswet Netcongestie, de versnelling van netuitbreidingsprocedures en de daarvoor benodigde personele en uitvoeringscapaciteit worden gefinancierd, nu hiervoor geen aparte middelen in het coalitieakkoord zijn gereserveerd?
Antwoord
De versnellingsaanpak, waaronder de voorbereiding en uitvoering van de Crisiswet Netcongestie, wordt gefinancierd uit een aantal budgetten op artikel 31 van de KGG-begroting. Deze budgetten zijn in 2025 en 2026 aan de KGG-begroting toegevoegd vanuit het Klimaat- en energiefonds. Dit betreffen budgetten voor de projectaanpak netcongestie, voor capaciteit voor het pakket noodmaatregelen netcongestie en de vliegende brigade om uitvoering door medeoverheden te ondersteunen. Daarnaast zijn er middelen voor gebiedsinvesteringen voor het ruimtelijk inpassen van het hoogspanningsnet en worden de provincies ondersteund met een specifieke uitkering voor de uitvoeringskosten beschikbaar. Tot slot is er budget toegekend voor de taskforce projectaanpak middenspanning. De specifieke doeleinden en budgetten zijn te vinden in het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 en het Ontwerpmeerjarenprogramma Klimaat- en Energiefonds 2027.
20
Kunt u nader toelichten waar de 50 mln euro voor het toewerken naar een bindende maatwerkafspraak met Alco Energy Rotterdam voor wordt ingezet?
Antwoord
In de intentieverklaring dd. 11 maart jl. is vastgelegd dat AER in 2030 65-75% minder CO₂ gaat uitstoten ten opzichte van 20212. Dat komt neer op een reductie van circa 224 tot 263 kiloton CO₂ per jaar door belangrijke aanpassingen in het productieproces (zie voor een nadere toelichting de betreffende Kamerbrief dd. 11 maart jl). De projecten beogen de energie-efficiëntie nog verder te verbeteren en de productie-installatie voor te bereiden op gedeeltelijke elektrificatie. De eerste stap daarvoor is al gezet door het productieproces op een lagere temperatuur te laten draaien. Daarnaast zal door de inzet van een elektrische boiler (45 MW) de bestaande boiler op aardgas gedeeltelijk vervangen kunnen worden. Tot slot zal door de toepassing van het warmtepompprincipe in het distillatieproces de inzet van fossiele energie nog verder afnemen. Door deze energiebesparings- en elektrificatiemaatregelen daalt het jaarlijkse aardgasverbruik met ca. 100 mln m3 vergelijkbaar met het gasverbruik van ongeveer 75.000 huishoudens. Daarnaast draagt AER ook bij aan de stabilisering van het elektriciteitsnet, wordt minimaal 17 ton stikstof per jaar gereduceerd en neemt het waterverbruik met zo’n 200.000 m3 per jaar af.
21
Kunt u toelichten welke voorwaarden nog moeten worden vervuld voordat middelen voor het energiebesparingsfonds mkb en het uitgebreide ontzorgingsprogramma mkb definitief kunnen worden besteed?
Antwoord
In het KEF is de voorwaarde opgenomen dat voor vrijgave van middelen er in de Ministerraad of een andere relevante onderraad een akkoord moet zijn op de aanscherping van de energiebesparingsplicht van vijf naar zeven jaar.
22
Welke planning geldt voor de internetconsultatie, ministerraadsbesluitvorming en daadwerkelijke openstelling van deze mkb-instrumenten?
De planning voor beide regelingen is als volgt:
Ontzorgingsprogramma: Internetconsultatie Q3/Q4 in 2026, besluitvorming MR en openstelling Q1 2027.
Energiebesparingsfonds: Internetconsultatie Q2/2026, besluitvorming MR in Q3/2026 en openstelling in Q4 2026.
23
Kunt u per mkb-instrument aangeven welk deel van de middelen in 2026 daadwerkelijk tot besteding zal komen en welk deel later wordt ingezet?
Antwoord
Het ontzorgingsprogramma is al een lopend programma. Voor de uitbreiding en verlenging van dit programma verwachten we dit jaar maximaal € 2,5 mln nodig te hebben voor de noodzakelijke voorbereiding van de specifieke uitkering aan provincies (SPUK).
Voor het energiebesparingsfonds is €35 mln toegekend uit het KEF en 65 mln onder voorwaarden. Voorzien is dat er in 2026 eerst € 2,5 mln beschikbaar wordt gemaakt voor de regeling en €10 mln in 2027, €10 mln in 2028 en €12,5 mln in 2029.
24
Hoeveel middelen uit de SDE++ regeling zijn er de afgelopen jaren toegekend aan Carbon Capture and Storage (CCS), en is er gemonitord hoeveel koolstof er daadwerkelijk en blijvend is opgeslagen?
Antwoord
Hoewel er al wel CCS-beschikkingen zijn afgegeven, zijn er op dit moment nog geen CCS-projecten met een SDE++-beschikking gerealiseerd, dus zijn er ook nog geen SDE++-middelen aan CCS-projecten uitgekeerd.
25
Kun u nader toelichten waarom er minder middelen worden besteed in het kader van de SDE++-regeling (er is sprake van onderuitputting bij de SDE++ regeling, bijvoorbeeld omdat er nieuwe KEV ramingen zijn en een aantal CCS projecten geld teruggeven) en aangeven voor welke projecten en categorieën de klimaatwinsten zijn bijgesteld?
Antwoord
De verwachte onderuitputting op de SDE++-uitgaven wordt veroorzaakt doordat de energieprijsraming van de KEV2025 hoger uitvalt dan de vorige raming. Daardoor nemen de uitgaven voor verschillende categorieën in de SDE++ af. Dit heeft geen gevolgen voor de verwachte CO2-reductie van de regeling.
26
Kunt u toelichten hoeveel van de 50,2 mln euro van de voorziene loon- en prijsbijstelling van het KEF wordt gebruikt voor een op te zetten regeling om de leveringszekerheid van vloeibaar gas te waarborgen? Kunt u tevens nader toelichten hoe deze middelen concreet zullen worden ingezet?
Antwoord
Naar aanleiding van de politieke besluitvorming tijdens het Voorjaaris besloten een deel van de voorziene loon- en prijsbijstelling (LPB) van het KEF over te hevelen naar de KGG-begroting. Samen met LPB van de KGG-begroting is dit ingezet ter dekking van de leveringszekerheid en Mijnbouwschade Limburg. Het grootste deel van de € 50,2 mln is gebruikt als dekking van Mijnbouwschade Limburg. Er kan niet worden uitgeweid over de verdeling omdat er sprake is van bedrijfsgevoelige informatie die de huidige onderhandeling negatief kan beïnvloeden.
Meer informatie vind u op: Technology Readiness Levels (TRL) | RVO.nl Het gebruik van TRL-beoordelingen kan een organisatie helpen de huidige status van de technologie op systeem- en componentniveau beter te begrijpen. Bij het gebruik van dergelijke beoordelingen moet echter rekening worden gehouden met het volgende: TRL's zijn tijdsgebonden en geven het risiconiveau aan als het technologie-element op het moment van de beoordeling in een operationele installatie wordt geïntroduceerd. Daarnaast zijn TRL's contextspecifiek en sterk afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden en de omgeving. Een TRL-score is een nuttige maatstaf voor technische ontwikkeling, maar vermindert op zichzelf geen risico's. Het is het ontwikkelingsplan dat de technische risicoreductie stuurt.↩︎
zie Kamerstuk 29826 nr. 280↩︎