[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Juridisch kader en reikwijdte van Kamermoties

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026

Brief regering

Nummer: 2026D18905, datum: 2026-04-20, bijgewerkt: 2026-04-22 12:27, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36800 VI-141 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026.

Onderdeel van zaak 2026Z08411:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Bij brief van 12 februari 2026 heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van uw Kamer mij verzocht om een brief over het juridisch kader en de reikwijdte van Kamermoties. Dit naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2026 in de zaak “Vidar”, waarin de Hoge Raad is ingegaan op de juridische betekenis van twee door de Tweede Kamer aangenomen moties met betrekking tot de inzet van criminele burgerinfiltranten in het kader van de toepassing van artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering (Sv).1 Met deze brief voldoe ik aan genoemd verzoek.

In de zaak “Vidar” lag bij de Hoge Raad primair de rechtsvraag voor of artikel 126w Sv een toereikende wettelijke grondslag bood voor het in deze zaak in de jaren 2019 en 2020 door het Openbaar Ministerie inzetten van een criminele burgerinfitrant. Door de verdachte was in cassatie aangevoerd dat deze grondslag ontbrak, omdat de Tweede Kamer in 1998 bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bijzondere opsporingsbevoedheden, dat heeft geleid tot artikel 126w Sv, een zogeheten “spreekt uit-motie” van het lid Kalsbeek-Jasperse had aangenomen, waarin werd uitgesproken “dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten”.2 Verder was in cassatie aangevoerd dat het gerechtshof had moeten nagaan of bij de inzet van de criminele burgerinfiltrant in deze zaak was voldaan aan de (aanvullende) eisen zoals die zijn verwoord in een door de Tweede Kamer in 2014 aangenomen motie van de leden Recourt c.s., waarin (in zoverre dus terugkomend op de Kameruitspraak in de motie-Kalsbeek-Jasperse) werd overwogen dat in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen gewerkt moet kunnen worden met inzet van een criminele burgerinfiltrant.3

In het genoemde arrest overweegt de Hoge Raad dat de tekst van artikel 126w Sv4 niet de beperking stelt dat het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan om toepassing te geven aan daarin geregelde bevoegdheid ten aanzien van een “criminele burgerinfiltrant” en dat voor de toepassing van deze bepaling uitsluitend van belang is dat het gaat om een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Wat de twee genoemde moties betreft, acht de Hoge Raad “daarbij van belang dat deze de (meerderheids)opvatting van de Tweede Kamer op twee verschillende momenten in de tijd tot uitdrukking brengen over de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden door de politie en het Openbaar Ministerie toepassing zou mogen worden gegeven aan de bevoegdheid die artikel 126w Sv biedt om een burgerinfiltrant in te zetten”. Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt het samenstel van deze moties niet met zich dat dat bij de toepassing van artikel 126w Sv in deze zaak de wettelijke grondslag – in weerwil van de tekst van artikel 126w Sv – ontbrak.

De rechtbank en het gerechtshof oordeelden in deze zaak eerder in soortgelijke zin. De Hoge Raad volgt in zijn arrest ook de advocaat-generaal, die in haar conclusie uitvoerig is ingegaan op interpretatiemethoden door de rechter, waaronder wetshistorische interpretatie, en de juridische betekenis van aangenomen Kamermoties in het algemeen en de twee genoemde moties in het bijzonder.5 Onder verwijzing naar staatsrechtelijke literatuur merkt de advocaat-generaal op dat een motie is te omschrijven als een uitingsinstrument van de Kamer waarin een oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt ten aanzien van een minister of het kabinet, dat een tijdens het wetgevingsproces aangenomen motie een standpunt kan bevatten over de uitleg van een (onderdeel van een) wettelijke bepaling en dat een motie juridisch niet bindend is voor de regering (of anderen) maar wel vanwege de vertrouwensregel een zekere politieke betekenis heeft, waarbij geldt dat een motie van wantrouwen in zoverre als bindend moet worden opgevat dat aanvaarding daarvan de vertrouwensregel activeert.

Ik acht de beschouwingen van de advocaat-generaal goed navolgbaar. Cruciaal lijkt mij te zijn dat als men destijds bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in juridische zin een verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten had willen bewerkstelligen, dit had gemoeten via een uitdrukkelijke wijziging van de wettekst. Een daartoe strekkend initiatief vanuit de Tweede Kamer had dan, zoals ook aangegeven door het gerechtshof in deze zaak, de vorm moeten krijgen van een amendement, niet van een motie.

Dat een aangenomen motie van een andere orde is dan een aangenomen amendement, ziet men overigens ook terug in uitspraken van andere rechtscolleges in ons Koninkrijk en op andere rechtsterreinen, waarbij wel moet worden aangetekend dat rechterlijke uitspraken over de betekenis van aangenomen Kamermoties dun zijn gezaaid. Een recent voorbeeld is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 september 2025, waarin de Afdeling overwoog dat met de door de Tweede Kamer aangenomen motie waarin de regering is verzocht om niet langer door te procederen tegen gedupeerden van de gaswinning,6 de uit artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende bevoegdheid van het Instituut Mijnbouwschade Groningen om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van de rechtbank, niet kan worden beperkt.7

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D.M. van Weel


  1. ECLI:NL:HR:2026:178.↩︎

  2. Kamerstukken II 1998/99, 25403 en 23251, nr. 33.↩︎

  3. Kamerstukken II 2013/14, 29279, nr. 192.↩︎

  4. In het bijzonder lid 1, luidende: “1. In een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.”↩︎

  5. ECLI:NL:PHR:2025:706.↩︎

  6. Gedoeld werd op de op 5 december 2024 door de Tweede Kamer aanvaarde motie-Beckerman/Bushoff (Kamerstukken II 2024/25, 36600 VII, nr. 97).↩︎

  7. ECLI:NL:RVS:2025:4320. Andere voorbeelden: ABRvS 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9574; Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 23 maart 2021, ECLI:NL:OGEAM:2021:30.↩︎