Reactie op brandbrief 'De financiële wurggreep van een vakman - Werken loont niet meer'
Arbeidsmarktbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D20226, datum: 2026-04-24, bijgewerkt: 2026-04-30 15:54, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 29544 -1318 Arbeidsmarktbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z09043:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-12 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-12 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-19 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
29544 Arbeidsmarktbeleid
26448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)
Nr. 1318 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2026
Uw Kamer heeft mij gevraagd om een reactie op de brief van M. Ö. 'De financiële wurggreep van een vakman - Werken loont niet meer' van 9 februari 2026.
De brief schetst de situatie van M. Ö., een kostwinner met een chronisch zieke partner en kinderen. Door de chronische ziekte van de partner en diens eigen benodigde zorg, wordt van beide partners het eigen risico jaar in jaar uit volgemaakt. De brievenschrijver ervaart hierdoor een kostwinnersval. Ondanks een fulltimebaan ligt het inkomen van het gezin niet ver boven de uitkeringsnorm, mede doordat het gezin volgens de brievenschrijver geen recht heeft op toeslagen en gemeentelijke kwijtschelding. De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 10 maart 2026 besloten graag een reactie van mij op deze brief te ontvangen.
Dat het gezin van M. Ö. geen recht heeft op gemeentelijke ondersteuning, zoals de kwijtschelding van lokale lasten, herken ik. Deze vorm van gemeentelijke inkomensondersteuning richt zich op de allerlaagste inkomens. Gezinnen die in een vergelijkbare situatie zitten als het gezin van M. Ö. hebben daarentegen wel vaak recht op toeslagen. Op basis van de meegestuurde gegevens over het gezin van M. Ö.1 heb ik een proefberekening laten uitvoeren voor 2026 via de website van de Dienst Toeslagen.2 Hieruit blijkt dat gezinnen in een vergelijkbare situatie vaak recht hebben op huurtoeslag (ruim 200 euro per maand), zorgtoeslag (ruim 30 euro per maand), kindgebonden budget (500 à 600 euro per maand, afhankelijk van de leeftijd van de drie kinderen), en kinderbijslag. Het is mij op basis van de meegestuurde gegevens niet duidelijk waarom het gezin van M. Ö. hier niet voor in aanmerking komt. Daarom moedig ik het gezin aan om een proefberekening uit te voeren op website van de Dienst Toeslagen. Zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget over 2025 kan nog aangevraagd worden tot en met 31 december 2026.
Het signaal van het gezin van M. Ö. staat niet op zichzelf. De afgelopen weken ben ik samen met de Minister van Werk en Participatie in gesprek gegaan met mensen in het hele land. Ik heb gesproken met werknemers over waar zij tegenaan lopen wanneer zij voltijds (willen) werken. Uit die gesprekken blijkt een grote welwillendheid, die ik ook teruglees in de brief van M. Ö. Veel werknemers combineren een drukke baan met de zorg voor kinderen en/of naasten. Die welwillendheid zie ik ook terug bij de vele mensen die momenteel langs de kant staan in een uitkeringssituatie en die graag zouden willen werken.
Ook heb ik geluisterd naar waar mensen tegenaan lopen wanneer zij werken of juist aan het werk willen gaan. Een sterk land laat immers niemand aan de kant staan. Naast een toereikend inkomen en inkomensondersteuning voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, moeten we ervoor zorgen dat mensen die aan het werk gaan of al aan het werk zijn, daar ook daadwerkelijk voor beloond worden. Dat is nu nog niet altijd het geval. Daarom onderzoeken wij als kabinet een aantal aanvullende maatregelen, zoals het versoepelen van de Wet onderscheid arbeidsduur (voltijdsbonus), een arbeidskorting per uur en een meerurenvoordeel. Deze maatregelen kunnen bijdragen aan dat meer uren werken meer loont.
Voor het eigen risico in de zorg geldt dat we het als kabinet belangrijk vinden, dat de zorg ook voor toekomstige generaties toegankelijk en betaalbaar blijft. We kennen in Nederland een uitgebreid basispakket van verzekerde zorg, dat voor iedereen, ongeacht leeftijd of gezondheid, tegen eenzelfde premie toegankelijk is. Dit wordt voor een groot deel gezamenlijk gefinancierd, maar mensen betalen een – op totaal van de zorgkosten relatief klein – deel van de zorgkosten zelf via het eigen risico. Op die manier dragen we allemaal bij aan een solidair zorgstelsel. Het verplicht eigen risico bedraagt sinds 2016 € 385 en heeft zich sindsdien niet mee ontwikkeld met de zorgkosten. Door het eigen risico weer mee te laten bewegen met de zorgkosten blijft de zorg houdbaar en toegankelijk, en stijgt de zorgpremie minder hard. Daar profiteert uiteindelijk iedereen van. Dat neemt niet weg dat het voor individuele huishoudens een forse kostenpost kan zijn die drukt op het besteedbaar inkomen.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Uitgaande van een eenverdienerssituatie, een verzamelinkomen van het gezin van 47.995 euro, drie kinderen onder de 18 jaar, een maandelijkse huur van 870 euro, en een vermogen onder de vermogensgrenzen voor de toeslagen.↩︎