Stand van zaken gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod
Problematiek rondom stikstof en PFAS
Brief regering
Nummer: 2026D20269, datum: 2026-04-24, bijgewerkt: 2026-05-04 12:16, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van kamerstukdossier 35334 -444 Problematiek rondom stikstof en PFAS.
Onderdeel van zaak 2026Z09057:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-12 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-12 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-20 12:00: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
22 343 Handhaving milieuwetgeving
Nr. 444 Brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2026
PFAS hebben risico’s voor onze gezondheid en leefomgeving. We weten dat PFAS wijdverspreid zijn. Daarom is het belangrijk de productie en het gebruik van PFAS aan banden te leggen. Nederland is kartrekker voor een Europees verbod op PFAS. Daarnaast beperken we emissies naar water, lucht en bodem zoveel mogelijk. En waar PFAS al in ons leefmilieu aanwezig zijn, zetten we ons in om verspreiding te voorkomen.
In het coalitieakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36848, nr. 31) heeft het kabinet aangekondigd om te bezien of en hoe op korte termijn een lozingsverbod voor PFAS mogelijk is. Op 21 juli 2025 is de Kamer door de toenmalige minister van IenW geïnformeerd dat een volledig PFAS-lozingsverbod niet wenselijk is, aangezien dit belangrijke sectoren in de maatschappij zou stilleggen, zoals drinkwaterwinning en grondverzet.1 Daarom wordt als alternatief gekeken naar een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod, gericht op specifieke sectoren of activiteiten met een hoge PFAS-uitstoot. Mijn voorganger heeft toegezegd u in het eerste kwartaal van 2026 een uitwerking van zo’n gedeeltelijk lozingsverbod te sturen.2 Die toezegging blijkt helaas niet haalbaar.
Om te komen tot een uitwerking van een gedeeltelijk lozingsverbod is meer informatie nodig. Daarvoor loopt nu een onderzoek waarin wordt gekeken naar wat we hiermee willen bereiken in termen van milieuwinst, maar ook welke gevolgen in de praktijk er kunnen zijn, zoals effecten en mogelijke knelpunten voor het bedrijfsleven. Ook de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid zijn belangrijke elementen in dit onderzoek. Het formuleren van de eisen en voorwaarden van het onderzoek vroeg om zorgvuldigheid en kostte daarmee tijd. Met deze brief informeer ik u over de opzet van deze verkenning en het vervolg.
Scope onderzoek
Het doel van het onderzoek is om te kijken hoe een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod kan worden ingevuld, met duidelijke vermindering van PFAS-emissies naar water op een juridisch houdbare, uitvoerbare en proportionele wijze. Door de wijdverbreide aanwezigheid van PFAS in het milieu is volledige nul-emissie niet haalbaar, terwijl tegelijkertijd de druk toeneemt om verdere nieuwe emissies zo veel mogelijk te voorkomen. Het ministerie van IenW heeft daarom opdracht gegeven aan een consortium van gespecialiseerde partijen om hier onderzoek naar te doen.
In dit onderzoek wordt nader gekeken naar sectoren en activiteiten met substantiële emissies van PFAS die nieuw worden toegevoegd aan het milieu, bijvoorbeeld omdat bedrijven PFAS in hun productieproces gebruiken. Dit wordt casusgericht verkend. In het onderzoek wordt op verzoek van de Tweede Kamer ook bekeken hoe de afvalsector kan worden meegenomen in een gedeeltelijk lozingsverbod.3 Daarbij is expliciet aandacht voor de spanning tussen het streven naar maximale bescherming van waterkwaliteit en volksgezondheid enerzijds en het in stand houden van essentiële maatschappelijke functies anderzijds. Het gaat daarbij onder meer om activiteiten zoals bodemsaneringen, afvalverwerking, drinkwaterproductie, waterbeheer en infrastructurele projecten, waarbij PFAS niet altijd worden toegevoegd, maar wel vrijkomen als gevolg van verplaatsen van al bestaande verontreinigingen.
Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd met aandacht voor nieuwe ontwikkelingen zoals de komst van een norm voor PFAS in het oppervlakte- en grondwater bij de recente aanpassing van de Kaderrichtlijn Water, Richtlijn Prioritaire Stoffen en Grondwaterrichtlijn4 en de aanstaande Europese PFAS-restrictie onder REACH.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van een gedeeltelijk verbod zijn nadrukkelijke aandachtpunten in deze verkenning. Tijdens de verkenning wordt dit dan ook getoetst bij andere overheden, relevante maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven.
Planning en vervolg
Naar verwachting zullen de resultaten van dit onderzoek in het derde kwartaal van 2026 gereed zijn. Aan de hand van de uitkomsten zal het kabinet besluiten of en hoe op korte termijn een lozingsverbod voor PFAS mogelijk is. De Kamer wordt daar in het najaar van 2026 per brief over geïnformeerd.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
Kamerstukken 35 334, nr. 406.↩︎
TZ202510-098↩︎
TZ202510-099↩︎
https://www.europarl.europa.eu/news/en/press-room/20260323IPR38828/parliament-adopts-more-stringent-rules-to-reduce-water-pollution en Kamerstukken 22 112, nr. 3587.↩︎