Nota naar aanleiding van het verslag
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D21965, datum: 2026-05-13, bijgewerkt: 2026-07-30 10:09, versie: 4 (versie 1, versie 2, versie 3)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Beslisnota bij de Nota naar aanleiding van het verslag inzake wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Kamerstuk 36917)
- Aanbiedingsbrief
Onderdeel van kamerstukdossier 36917 -8 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.
Onderdeel van zaak 2026Z05923:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
-
2026-07-02 13:30 ⇒ Aangenomen. (Besluit)
- Voor 113: 50PLUS | BBB | CDA | ChristenUnie | D66 | JA21 | PRO | PvdD | SGP | SP | VVD | Volt
- Tegen 37: DENK | FVD | Groep Markuszower | Keijzer | PVV
- 2026-06-23 18:05 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-05-21 14:10 ⇒ Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2026-05-21 10:15 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2026-04-24 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-04-02 10:15 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 24 april 2026 om 10.00 uur. (Besluit)
- 2026-04-02 10:15 ⇒ Middels e-mail wordt geïnventariseerd welke leden meegaan met het werkbezoek aan Beeld en Geluid en Bureaus Lokaal op vrijdag 24 april 2026. (Besluit)
- 2026-04-02 09:30 ⇒ De tijdelijke commissie besluit een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917) gelet op het dictum en advies van de Raad van State. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Besluit)
-
2026-07-02 13:30 ⇒ Aangenomen. (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z09751:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-21 10:15 ⇒ Betrekken bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-02 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-04-02 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-04-24 10:00: Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-04-24 10:00: Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid en Bureaus Lokaal (geannuleerd) (Werkbezoek), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-05-21 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-05-21 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-23 18:05: Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-07-02 13:30: Aansluitend: STEMMINGEN (over alle onderwerpen tot en met 1 juli 2026) (Stemmingen), TK
Preview document (🔗 origineel)
36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nr. 8 Nota naar aanleiding van het verslag
Ontvangen 13 mei 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en wetenschap (OCW) voor het verslag dat zij heeft uitgebracht naar aanleiding van dit wetsvoorstel. De regering heeft met veel belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, BBB, SGP en CU.
Hierna volgt het antwoord van de regering, waarbij zoveel mogelijk de volgorde en indeling van het verslag is aangehouden.
Inhoudsopgave
I. Algemeen p. 2
1. Inleiding p. 8
2. Hoofdlijnen van het voorstel p. 10
2.1 Aanleiding p. 10
2.2 Overheveling financiering van gemeentefonds p. 12
naar Rijk en investering
2.3 Schaalvergroting p. 31
2.4 Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan p. 41
op lokaal niveau
2.5 Aanscherping van de aanwijzingsprocedure p. 44
2.6 Overige vereisten lokale publieke omroepen p. 48
2.7 Gevolgen voor reikwijdte toezicht p. 49
Commissariaat voor de Media
3. Verhouding tot hoger recht p. 49
4. Verhouding tot nationaal recht p. 52
5. Gevolgen p. 52
6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid p. 56
7. Financiële gevolgen p. 60
8. Evaluatie p. 62
9. Advies en consultatie p. 63
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding p. 66
II. Artikelsgewijs p. 66
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie onderschrijven het doel van het wetsvoorstel om te komen tot het fundamenteel verstevigen van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. De lokale omroepen hebben een ontzettend belangrijke functie in het zorgen voor lokale verbinding, het voorzien in lokaal nieuws en het doen van journalistiek onderzoek. Doordat lokale omroepen hun functies niet altijd goed kunnen uitoefenen en hun werk onder druk staat, is het belangrijk om de positie van lokale omroepen te verstevigen. Deze leden zullen hierover verdere vragen stellen aan de regering.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerend lokaal mediastelsel. Zij hechten grote waarde aan de belangrijke maatschappelijke functie die lokale publieke omroepen vervullen in het informeren van inwoners, het versterken van de lokale democratie en het controleren van het lokaal bestuur. Maar, zo constateren deze leden, de lokale publieke omroepen staan onder druk waardoor de continuïteit en professionele kwaliteit in het geding komen. Dit heeft onder andere te maken met financiële kwetsbaarheid. Deze leden verwachten dat het wetsvoorstel kan bijdragen aan versterking van de lokale publieke media. Zij hebben wel nog enkele opmerkingen en vragen bij het onderhavige wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hechten aan een sterke lokale journalistiek die fungeert als waakhond voor de lokale overheid en belangrijk is in gemeenschappen. Zij zien graag een nauwere samenwerking tussen lokale, regionale en landelijke publieke omroepen, maar huns inziens moeten lokale en regionale media meer (financiële) mogelijkheden krijgen om te innoveren, onder andere om apps en online platforms te ontwikkelen. In hoeverre deelt de regering deze mening?
De regering staat voor een sterke publieke omroep op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Daartoe werken de drie lagen al op verschillende wijzen met elkaar samen. De regering stimuleert dit, bijvoorbeeld met recente investeringen in het project Bureaus Lokaal waarin door middel van verschillende proeftuinen op lokaal en regionaal niveau in gezamenlijkheid wordt geëxperimenteerd met het produceren van nieuws en het delen van infrastructuur.1
Lokale publieke omroepen kunnen als gevolg van het wetsvoorstel professioneler werken, en zijn dan ook beter in staat om te innoveren en aan te sluiten bij de journalistieke standaarden en technische infrastructuur van de regionale en landelijke omroepen. Dit bevordert het delen van content en het gezamenlijk optrekken in (innovatie)projecten.
Het wetsvoorstel regelt dit niet door concrete apps of platforms wettelijk voor te schrijven, maar door de randvoorwaarden voor samenwerking te versterken. De Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (hierna: NLPO) krijgt met dit wetsvoorstel onder meer tot taak om samenwerking en coördinatie te bevorderen en zaken van gemeenschappelijk belang te behartigen.2 Daarnaast moet de NLPO een concessiebeleidsplan opstellen, waarin onder meer de samenwerking met landelijke en regionale publieke media-instellingen en anderen worden beschreven.3 De keuze voor platforms of apps bij de uitvoering van hun publieke taak is aan de lokale publieke omroepen, waarbij de NLPO een coördinerende rol heeft.
De leden van de PVV-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen en hebben nog enkele vragen aan de regering. De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom er gekozen wordt voor het drastisch verminderen van het aantal lokale omroepen en of de regering niet vreest dat hiermee tekort wordt gedaan aan de identiteit en eigenheid van de lokale omroep.
De regering is ervan overtuigd dat door de vorming van lokale omroepen met een groter verzorgingsgebied geen tekort wordt gedaan aan de lokale identiteit; die wordt door de bijbehorende professionalisering juist versterkt. Zonder deze transitie naar een lager aantal lokale publieke omroepen blijft voor veel gemeenten een journalistiek vacuüm dreigen, zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur (hierna: ROB) en de Raad voor Cultuur (hierna: RvC) signaleren; “met name in de landelijke gebieden, buiten de grote en middelgrote steden, komt maar zelden een journalist om verhaal te halen”.4 Dit risico van een “verschraling van het journalistieke aanbod” op lokaal niveau ziet ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (hierna: WRR): “dit is slecht voor de lokale democratie, waar bewoners achterblijven in hun informatiepositie en de lokale macht vrij spel heeft.”5
De regering is van mening dat het wetsvoorstel de eigenheid van iedere lokale omroep stevig borgt. Zo bepaalt het wetsvoorstel dat een lokaal verzorgingsgebied zoveel mogelijk een gebied is met een kenbare identiteit of een gebied waarbinnen het algemene leefpatroon van inwoners zich in belangrijke mate afspeelt. De aangewezen lokale publieke omroep krijgt daarnaast de wettelijke taak om de publieke media-opdracht voor dat specifieke verzorgingsgebied uit te voeren. Bovendien blijft ook in de nieuwe structuur het programmabeleid bepalend orgaan (hierna: pbo) de spil voor deze lokale verankering. Het wetsvoorstel wet borgt dat de relevante maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen binnen het gehele verzorgingsgebied vertegenwoordigd zijn in het pbo. Het wetsvoorstel stelt daarnaast de verplichting aan kandidaat-omroepen om in het beleidsplan in te gaan op de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het aanbod en de inzet van vrijwilligers en lokale partners. Gemeenteraden adviseren hier vervolgens over bij de aanwijzing waardoor ook wordt ingestaan voor de pluriformiteit en lokale inbedding.
Deze leden vragen de regering waarom gekozen is om de financiële middelen voor de lokale omroepen te centraliseren en of de regering niet vreest dat deze centralisatie de binding tussen lokale omroep en haar regio verslechterd.
De regering begrijpt deze opmerking, maar ziet tegelijkertijd dat de lokale omroepen in de huidige situatie onvoldoende financiële middelen hebben voor de uitvoering van hun taken. Door de schaalvergroting en de extra, structurele investering die voortaan door het Rijk wordt betaald, wordt ervoor gezorgd dat de lokale publieke omroepen een betere en onafhankelijker uitgangspositie hebben. Tegelijkertijd wordt met aanvullende maatregelen de binding tussen lokale publieke omroep en zijn verzorgingsgebied gewaarborgd, bijvoorbeeld met de kwalitatieve eisen aan de verzorgingsgebieden (zie het voorgestelde artikel 2.87h), de aangescherpte adviestaak voor gemeenteraden in de aanwijzingsprocedure (zie het voorgestelde artikel 2.87p, derde lid) en de versteviging van het verplichte pbo (zie het voorgestelde artikel 2.87m).
Zij vragen de regering hoe groot een lokale omroep mag worden qua omvang en of, zonder duidelijke afbakening, lokale omroepen niet sterk kunnen gaan lijken op de regionale omroepen.
Volgens het wetsvoorstel is het verzorgingsgebied van een lokale omroep een geografisch afgebakend gebied dat uit één of meer onderling nabijgelegen gemeenten bestaat. Verder wordt bepaald dat een lokaal verzorgingsgebied wat betreft oppervlakte of inwonertal aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld.6 Ten slotte kan een instelling maar voor één lokaal verzorgingsgebied worden aangewezen als lokale publieke omroep.7 Ook in het nieuwe stelsel blijft er overigens een aanzienlijk verschil in het aantal regionale omroepen (13) en het aantal lokale publieke omroepen (maximaal 80). Daarmee blijft het onderscheid tussen lokale en regionale publieke omroepen in het wetsvoorstel gemarkeerd. Bovendien hebben de NLPO en RPO een alliantie gesloten waarbij ze in meer detail beschrijven wat het verschil is tussen de lokale en regionale publieke omroepen als het gaat om het uitvoeren van de taak.8
Deze leden vragen aan de regering of de scherpere eisen aan de professionaliteit van de lokale omroepen er niet toe zullen leiden dat authentiek, afwijkend of lokaal geluid zal wijken voor de mainstream media die beter hun weg weten te vinden naar de bureaucratie die belast is met de aanwijzing en het toezicht.
De regering onderschrijft het belang van het authentieke en lokale geluid van lokale publieke omroepen. Echter staat het behoud en de impact van dat geluid nu juist sterk onder druk door een gebrek aan omvang en professionaliteit van veel lokale publieke omroepen. Anders gezegd is de regering van mening dat de maatregelen uit dit wetsvoorstel er juist voor zorgen dat er niet slechts op sommige plekken, maar overal in Nederland een professionele lokale omroep staat die zorgt voor het lokale geluid. Voorbeelden van maatregelen zijn de versterkte criteria waaraan aanvragen voor een aanwijzing als lokale publieke omroep moeten voldoen en die uitdrukkelijk bedoeld zijn om de lokale binding te borgen, de adviesrol voor de gemeenteraad tijdens de aanwijzingsprocedure en de steviger eisen aan het pbo.
De leden van de PVV-fractie vragen aan de regering welk deel van het budget voor lokale omroepen zal worden gebruikt om alle extra bestuursfuncties die deze wetswijziging zal creëren, zoals bij de NLPO of het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat), te financieren.
Met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen komt het nieuwe voorziene totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen uit op € 34,5 miljoen per jaar, vanaf 2028.9 Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Van deze € 3,5 miljoen is op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 2,7 voor de NLPO en € 0,8 voor het Commissariaat bestemd.
Deze uitvoeringskosten zijn bestemd voor het uitvoeren van hun nieuwe wettelijke taken, onder meer gericht op het bevorderen van de samenwerking en coördinatie tussen de lokale publieke omroepen, de doelmatige inzet van middelen, een adequate aanwijzingsprocedure en toezicht. Het gaat hier niet om extra bestuursfuncties.
Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze leden zijn groot voorstander van een sterke lokale media. Zij voorzien burgers immers van lokaal nieuws en zorgen voor lokale verbinding. Zij vinden het essentieel dat de nieuwe streekomroepen verbonden blijven met hun lokale omgeving en stevig verankerd zijn in stad en streek. Kan de regering hier haar visie op geven?
De regering onderschrijft het belang van de lokale omroepen, die ook in het nieuwe stelsel stevig verbonden zijn met hun lokale omgeving. Dat is en blijft de onderscheidende kracht van lokale omroepen. De regering is van mening dat juist door de schaalvergroting er in heel Nederland professionele redacties komen die fysiek en inhoudelijk aanwezig kunnen zijn in de verschillende gemeenten binnen het verzorgingsgebied. Een stevige verankering in het verzorgingsgebied is immers alleen mogelijk als de lokale publieke omroep beschikt over voldoende (journalistieke) slagkracht. Door aanwezig te zijn bij raadsvergaderingen, sportevenementen of streekeigen gebeurtenissen, bouwt een omroep aan verbinding met de omgeving.
Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in de samenleving borgt. In het nieuwe stelsel moet dit orgaan een afspiegeling zijn van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen binnen het gehele verzorgingsgebied. Dit dwingt de omroep tot een actieve dialoog met alle relevante lokale geledingen.
De regering meent dat een professionele lokale publieke omroep de vrijwillige inzet binnen haar organisatie nog beter kan faciliteren en ondersteunen. Juist de combinatie van professionele redactievoering en de lokale kennis van vrijwilligers in dorpen en wijken versterkt de verankering.
Denken zij dat dit met dit wetsvoorstel voldoende borgt?
De regering is van mening dat de lokale verankering in dit wetsvoorstel niet alleen juridisch steviger is dan in de huidige situatie, maar ook kwalitatief beter uitvoerbaar is geworden. Het wetsvoorstel borgt dit op verschillende niveaus. Bij de aanwijzing toetst het Commissariaat op grond van de voorgestelde artikelen 2.87k tot en met 2.87q aan wettelijke criteria, waaronder het beleidsplan en de representativiteit van het pbo. De gemeenteraad adviseert op grond van artikel 2.87p, derde lid, over elementen die de lokale binding betreffen.
In het nieuwe wetsvoorstel is de opdracht aan lokale omroepen minder algemeen. De omroep moet journalistiek aanbod verzorgen dat relevant is voor de gehele breedte van het verzorgingsgebied, en niet slechts een deel ervan. De verslaglegging moet verspreid zijn over alle aangesloten gemeenten. Het Commissariaat ziet hierop toe bij de aanwijzing en de jaarlijkse verantwoording.
Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in de samenleving borgt. Dit orgaan moet een afspiegeling zijn van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen binnen de gehele streek. Door het pbo wordt vervolgens getoetst of de koers van de omroep aansluit bij de behoeften van de inwoners van het gehele verzorgingsgebied, en niet alleen de grootste kern of een stad. Hiermee wordt voorkomen dat een centrale redactie te eenzijdige keuzes in de berichtgeving maakt. Bij de vijfjaarlijkse aanwijzing toetst het Commissariaat of het pbo daadwerkelijk functioneert als de "oren en ogen" van de lokale gemeenschap. Zonder een aantoonbaar lokaal geworteld pbo volgt er geen aanwijzing als lokale omroep.
Door de overgang naar Rijksfinanciering ontstaat meer financiële stabiliteit. Hiermee wordt geborgd dat er daadwerkelijk budget is voor lokale verslaglegging. De professionalisering zorgt voor een combinatie van professionele redactievoering en betere begeleiding van de vrijwilligers in dorpen en wijken waardoor hun lokale kennis effectiever kan worden omgezet in media-aanbod. Ook dat versterkt de lokale verankering.
Deze leden vragen om een duidelijke uitleg over welke aspecten via delegatiebepalingen worden geregeld en waar deze precies zijn vastgelegd, zodat dit tijdens de plenaire behandeling helder is.
Het wetsvoorstel bevat delegatiegrondslagen op het niveau van een algemene maatregel van bestuur en van een ministeriële regeling. Ten behoeve van de uitwerking van deze delegatiegrondslagen worden momenteel wijzigingen van het Mediabesluit 2008 en de Mediaregeling 2008 voorbereid. De wijziging van het Mediabesluit 2008 is eind 2025 in consultatie gebracht en zal na aanvaarding van dit wetsvoorstel door uw Kamer voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.10 Voor de Mediaregeling 2008 zijn de relevante partijen eveneens eind 2025 geconsulteerd. De geleverde inbreng wordt momenteel verwerkt, waarna de wijzigingsregeling klaar is voor publicatie.
Met de wijziging van het Mediabesluit 2008 wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslagen voor het vaststellen van een indeling in verzorgingsgebieden (artikel 2.87h, vijfde lid), het stellen van regels over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens en passende en specifieke maatregelen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkenen (artikel 2.87u, vierde lid) en de verdeling van het totaalbudget over de lokale publieke omroepen (artikel 2.170e, tweede lid).
Met de wijziging van de Mediaregeling 2008 worden enkele andere delegatiegrondslagen uitgewerkt. Het betreft de grondslagen om regels te stellen over:
de inrichting en tijdstip van indiening van het concessiebeleidsplan van de NLPO (artikel 2.87e, derde lid);
de gegevens of bescheiden die in elk geval bij een aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke omroep worden gevoegd (artikel 2.87u, eerste lid);
het aanvraagtijdvak voor een aanwijzing als lokale publieke omroep en de bijbehorende advies- en beslistermijnen (artikel 2.87u, tweede lid)
de inhoud, inrichting en het tijdstip van indiening van de bekostigingsaanvraag van de lokale publieke omroep (artikel 2.170g, vierde lid, onderdeel a);
de inhoud en inrichting van de bij de bekostigingsaanvraag behorende begroting van de lokale publieke omroep (artikel 2.170g, vierde lid, onderdeel b);
de bevoorschotting van lokale publieke omroepen door het Commissariaat (artikel 2.170h, vijfde lid).
Tevens wordt er samen met de betrokken partijen gewerkt aan een nieuwe ministeriële regeling met een handboek voor de financiële verantwoording van de NLPO en de lokale publieke omroepen. Met deze regeling wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslag tot het stellen van regels over de inhoud en inrichting van de jaarrekening van de NLPO en de lokale publieke omroepen (artikel 2.173b, zesde lid).
De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau gelezen en zij hebben daarover nog vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het belangrijk dat een duidelijker en stabieler kader ontstaat voor het functioneren van de lokale omroepen, maar zij hebben vragen of de beoogde doelstellingen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Bovendien vinden zij het belangrijk dat het wetsvoorstel voldoende ruimte biedt om het verzorgingsgebied van de lokale omroepen te kunnen laten aansluiten bij de lokale cultuur en omstandigheden zonder gehinderd te worden door een gefixeerde norm van tachtig regio’s.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat lokale omroepen van cruciaal belang zijn voor de lokale nieuwsvoorziening en de lokale democratie. Zij hechten dan ook aan een sterke positie van deze lokale omroepen en onderschrijven het doel van de regering met dit wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
1. Inleiding
Een belangrijk element in het wetsvoorstel behelst dat de gebieden waarvoor lokale publieke omroepen media-aanbod verzorgen, groter worden en in samenhang daarmee wordt het aantal lokale publieke omroepen teruggebracht van ruim tweehonderdtwintig nu naar maximaal tachtig. In sommige gebieden zal men zo’n bundeling vooral ervaren als een versterking van het media-aanbod. Dat is echter niet per se overal het geval, mede doordat men verzorgingsgebieden van de lokale omroepen die straks samen worden gebundeld, beleeft als te zeer verschillend. De Raad van State had geadviseerd om voor de omroepgebieden sowieso geen aantal in de wet op te nemen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben hierbij enkele vragen. Waarom heeft de regering niet de voorkeur gegeven aan een zekere bandbreedte, bijvoorbeeld van tachtig tot negentig lokale publieke omroepen?
Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aan de hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag per omroep. En wanneer daarnaast voor een bandbreedte zou worden gekozen, gaat dat ook ten koste van de voorspelbaarheid van het beschikbare bedrag.
Gaan alle huidige lokale omroepen akkoord met de manier waarop zij aan een verzorgingsgebied worden gebonden? Zo neen, in welke gebieden maken huidige lokale publieke omroepen dan bezwaar? En welke gronden voert bij deze regionale omroepen men hiervoor aan? Wat heeft de regering overwogen om tegemoet te komen aan bezwaren?
In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een proces plaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden te komen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid van gemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis van het Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015-2018 het uitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij de zogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 een indeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.11 Dit in de sector bereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wet versterking lokale publieke omroepen.
In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van de internetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedure ingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023 opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft de NLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board Streekindeling Lokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).
De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andere leden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uit gemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemd namens het ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPO te adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeenten tot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokale verzorgingsgebieden.
De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPO vastgesteld.12 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op 16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebieden geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland in tachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling als uitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals is aangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers van belang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sector zelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door de Change Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegenwoordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen, gemeenten en de VNG.
Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabesluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, De Werven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatie heeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsultatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft tot heroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naar de zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwesties die in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onderstreept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeft gegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen. Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten en omroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkoming van het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft het oordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgestelde advies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsultatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebracht tijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin worden geuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale edities binnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst is voor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek te zijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeft ook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samenwerking in dit gebied.
Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang van ruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledige instemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch en ook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelf gedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig en transparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven de regering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassen van de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die als uitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Aanleiding
In 2024 sprak een overgrote meerderheid van de Kamer uit dat de media een belangrijk fundament vormen voor een goed functionerende democratie en dat de overheid hen moet faciliteren om hun werk goed te doen.13 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat dit onverkort moet gelden voor lokale publieke media en een goed functionerende lokale democratie. Als de regering deze mening deelt, hoe wil de regering dan met het onderhavige wetsvoorstel de versterking van de lokale journalistiek wettelijk waarborgen? Moeten de journalistieke taken van de lokale publieke omroepen dan niet expliciet in de wet worden vastgelegd? Hoe denkt de regering over de mogelijkheid om ergens vast te leggen dat per gemeente in het verzorgingsgebied één betaalde kracht zou moeten zijn die ermee belast wordt om de gemeenteraad te controleren en erover verslag te leggen?
De regering is het eens met de uitspraak van de Kamer uit 2024 dat media onmisbaar zijn in de democratische rechtsstaat. Media informeren mensen, controleren macht en bieden een podium aan een enorme diversiteit van geluiden. Zo vormen zij een fundament van onze vrije samenleving. De overheid heeft inderdaad, zoals de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betogen, een faciliterende functie. De WRR legitimeert overheidsingrijpen in het rapport Aandacht voor Media uit 2024 door te benadrukken dat de rol van de overheid onvermijdelijk is “om de invloed van platformbedrijven op de democratische meningsvorming terug te dringen [en] om de positie van reguliere, met name lokale, media te versterken en een beter geïnformeerd publiek debat te bevorderen”.14 Wel geldt hierbij, volgens de WRR, de harde voorwaarde van onafhankelijkheid.
Wat betreft de specifieke journalistieke taken van lokale publieke omroepen het volgende. De publieke media-opdracht, zoals vervat in het al bestaande artikel 2.1 van de Mediawet 2008, geldt ook voor de lokale publieke omroepen. Journalistieke inhoud valt daar onder.15 Het expliciet vastleggen van deze taak voor de lokale publieke omroep zou dus dubbelen met de reeds bestaande publieke media-opdracht. De regering versterkt met dit wetsvoorstel de lokale publieke omroepen, zodat zij beter in staat zijn om hun functies en de publieke media-opdracht uit te voeren. Dat impliceert, gezien het bovenstaande, ook een versterking van hun journalistieke functie op lokaal niveau.
Daarnaast vindt de regering het belangrijk dat de lokale publieke omroepen organisatorisch autonoom kunnen opereren. Het juridisch vastleggen van één betaalde kracht voor politieke verslaggeving zou daaraan afdoen. Het ligt meer voor de hand dat de sectororganisatie NLPO hierover kaders ontwikkelt en omroepen helpt bij het optuigen of verder professionaliseren van een (politieke) redactie.
Nu bepaalt artikel 2.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 dat de kern van de mediaopdracht is dat publieke omroepen een breed en divers publiek voorzien van informatie - waaronder journalistieke inhoud -, cultuur en educatie, via alle beschikbare aanbodkanalen. Wat wordt de mediaopdracht aan de lokale publieke media en welke wetsartikelen in het onderhavige wetsvoorstel gaan deze mediaopdracht waarborgen?
De publieke media-opdracht, die is beschreven in artikel 2.1 van de Mediawet 2008, geldt voor alle publieke omroepen, dus ook voor de lokale publieke omroepen. Dit wetsvoorstel bevat een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee wordt beoogd de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau te versterken. Meer specifiek voor de media-opdracht is in de eerste plaats van belang dat de NLPO wordt gepositioneerd als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.16 De NLPO zal elke vijf jaar een concessiebeleidsplan opstellen waarin wordt beschreven op welke wijze in die vijf jaar de publieke media-opdracht op lokaal niveau wordt uitgevoerd.17 Een kandidaat-omroep die voor aanwijzing als lokale publieke omroep in een bepaald verzorgingsgebied in aanmerking wil komen, moet bij zijn aanvraag een beleidsplan overleggen dat past binnen het concessiebeleidsplan NLPO.18 In het kader van de aanwijzingsprocedure wordt over het beleidsplan advies uitgebracht door de NLPO en de gemeenteraad of -raden. Het aanwijzingsbesluit wordt door het Commissariaat genomen met inachtneming van die adviezen.19 Verder geldt dat de reikwijdte van het toezicht van het Commissariaat wordt verbreed in verband met de verandering van de organisatie van de lokale publieke mediadienst. Zo komt de NLPO, naast de lokale publieke omroepen, onder het toezicht van het Commissariaat te vallen en wordt het Commissariaat belast met de toetsing op de rechtmatigheid van de uitgaven van de NLPO en de lokale publieke omroepen.20 Door dit samenstel van maatregelen wordt volgens de regering vormgegeven aan de borging van de media-opdracht voor de lokale publieke omroep.
Welk aanvullend structureel bedrag zou ervoor nodig zijn als de Kamer wil borgen - zoals ook de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen - dat de stelselherziening niet leidt tot achteruitgang van de huidige totaal beschikbare middelen voor de lokale journalistiek per streek?
De regering hecht eraan te benadrukken dat zij van mening is dat de voorgestelde bekostigingssystematiek en de hoogte van de bekostiging slechts een deel zijn van het totale pakket aan maatregelen in het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel als geheel leidt tot versterking van de lokale publieke omroep, en voor meer voorspelbaarheid en continuïteit in de bekostiging.
Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.21 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op de begroting van het ministerie van OCW. Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW is er uiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar te investeren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbare circa € 31 miljoen.22 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.23 Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.
2.2 Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering
De leden van de VVD-fractie lezen dat de financiering door gemeenten wordt overgeheveld naar het Rijk. Deze leden delen met de regering dat dit voordelen heeft. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt ingekaderd dan wel geborgd dat de extra beschikbare middelen leiden tot een verbetering van de journalistieke kwaliteit in plaats van op te gaan aan organisatie- en overheadkosten. Heeft de regering daar voorzien in enige vorm van controle op doelmatige uitgave, zo vragen deze leden.
De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat de extra beschikbare middelen zoveel mogelijk ten goede moeten komen aan de verbetering van de journalistieke kwaliteit. Daar is het voorstel ook op gericht. Ten eerste is het zo dat de middelen verdeeld worden over minder organisaties, van ruim tweehonderd nu tot maximaal tachtig in de nieuwe situatie. Het doel hiervan is het vergroten van organisatorische slagkracht en het voorkomen van versnippering. Ten tweede krijgt, op grond van het voorgestelde artikel 2.75, derde lid, onderdeel d, de NLPO de taak de doelmatige inzet van de gelden te bevorderen. Het is aan de NLPO om invulling te geven aan deze (nieuwe) taak. Ten derde gaan de bepalingen (huidig artikel 2.142a, eerste lid, onderdeel a) over een sobere, doelmatige en evenwichtige inrichting van de bestuurlijke organisatie ook gelden voor de NLPO en de lokale publieke omroepen. Het Commissariaat houdt hier vervolgens toezicht op. Met dit geheel beoogt de regering te bewerkstelligen dat de middelen zoveel mogelijk ten goede komen aan de uitvoering van de publieke taak, waarbij tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat het onvermijdelijk is dat organisatiekosten onderdeel zullen blijven van de uitgaven van lokale publieke omroepen.
Het uitzenden van reclame wordt, naast publieke bekostiging, genoemd als een mogelijke aanvullende vorm van financiering, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Deze leden staan hier kritisch tegenover en juichen toe dat de regering ervoor kiest dit niet verder aan te moedigen, mede gelet op de mogelijke effecten op de positie van lokale commerciële media-aanbieders. Tegelijkertijd vragen genoemde leden waarom dan niet voor een expliciet verbod op het uitzenden van reclame door lokale publieke omroepen wordt gekozen.
Publieke media-instellingen kunnen, op grond van de huidige Mediawet 2008, reclame uitzenden en daarmee inkomsten genereren. Dit geldt nu ook al voor lokale publieke omroepen. Met het wetsvoorstel blijven de bestaande reclameregels van kracht. De regering kiest er niet voor reclame verder aan te moedigen, mede vanwege het publieke karakter van de lokale omroepen en de positie van commerciële lokale media. Een algeheel verbod acht de regering niet passend. De bestaande reclameregels, het dienstbaarheidsverbod en het toezicht van het Commissariaat bieden reeds waarborgen tegen commerciële beïnvloeding en oneigenlijke concurrentie. Het wetsvoorstel is gericht op versterking van publieke bekostiging en onafhankelijkheid, niet op uitbreiding van commerciële inkomsten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering heeft getracht zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de verschillende, op onderdelen uiteenlopende, adviezen over de bekostiging van lokale publieke omroepen en vragen hoe de regering tot de gekozen hoogte van de bekostiging is gekomen en waarop de conclusie is gebaseerd dat deze toereikend is. Kan de regering nader toelichten op welke wijze aan de adviezen invulling is gegeven? Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat het aansluiten bij de adviezen is gebeurd “met inachtneming van de uitkomsten van politieke besluitvorming over de beschikbaarstelling van middelen” en vragen de regering nader toe te lichten hoe die uitkomsten in acht zijn genomen.
In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebracht over de verhoging van de middelen voor de lokale publieke omroepen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meer inzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoals geadviseerd door de ROB en RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betreft een advies van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (hierna: SvdJ).24
De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij deze adviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidige bekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.25 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op de begroting van het ministerie van OCW.
Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW is er uiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar te investeren in de lokale publieke omroepen, bovenop de reeds beschikbare circa € 31 miljoen.26 Het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 is op dit moment € 34,5 miljoen euro. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.27 Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor de reservevorming van lokale publieke omroepen een limiet is gesteld van tien procent van de uitgaven per jaar. Deze leden wijzen erop dat in artikel 6 van het DAEB28-vrijstellingsbesluit wordt uitgegaan van een maximum van tien procent van de jaarcompensatie. Zij vragen waarom in het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een ander uitgangspunt en hoe deze keuze zich verhoudt tot het DAEB-vrijstellingsbesluit.
In algemene zin heeft de regering bij de vormgeving van het wetsvoorstel de analogie gezocht met de regeling voor de regionale publieke mediadienst: de RPO en de regionale publieke omroepen. Die regeling is op haar beurt geënt op de inrichting van de landelijke publieke mediadienst. Zo heeft de regering beoogd voor consistentie te zorgen in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel.
Dit uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan het voorstel dat het totaal aan gereserveerde gelden door een lokale publieke omroep in een kalenderjaar niet meer dan tien procent van de uitgaven bedraagt. Dit voorschrift geldt al voor de landelijke en regionale publieke omroepen, en is gebaseerd op overweging 73 van de Omroepmededeling 2009, waarin een specifiek kader voor het verlenen van staatssteun aan publieke omroepen is opgenomen. Door uit te gaan van tien procent van de jaarlijkse uitgaven wordt rekening gehouden met het feit dat een publieke omroep, naast de jaarlijkse bekostiging vanuit de overheid, ook andere inkomstenbronnen (zoals reclame-inkomsten) kan hebben die voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht worden ingezet.
De leden van de VVD-fractie lezen dat op basis van de grondslag om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de inhoud en inrichting van de jaarrekening voor de NLPO en de lokale publieke omroepen een gedetailleerd handboek financiële verantwoording zal worden opgesteld. Het voornemen is eveneens om in dit handboek mogelijkheden te creëren voor lokale omroepen om voorzieningen te treffen, zo lezen deze leden. Zij vragen aan de regering welke voorzieningen hierbij moet worden gedacht. Tevens vragen deze leden of voor de vorming van die voorzieningen wordt aangesloten bij de gebruikelijke accountancy-regels betreffende het vormen van voorzieningen.
Het gaat bij voorzieningen om toekomstige uitgaven die waarschijnlijk zijn, op basis van een verplichting op of voor balansdatum, maar waarvan de exacte omvang of het moment nog niet vaststaat. Voorbeelden zijn voorzieningen voor herstructurering en reorganisatie, voorzieningen voor rechtszaken of voorzieningen voor groot onderhoud. De regering beoogt niet om buiten het normale financiële verantwoordingsrecht om vrije reserves te creëren. Het vormen van voorzieningen is aan de regels van artikel 2:374, eerste lid, van het BW (jaarrekeningrecht) gebonden. De nadere uitwerking zal plaatsvinden in het Handboek financiële verantwoording dat op grond van het voorgestelde artikel 2.173b, zesde lid, bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld. Daarbij wordt aangesloten bij de gebruikelijke accountancyregels en bij de systematiek die voor andere publieke media-instellingen geldt, met inachtneming van de specifieke positie van lokale publieke media-instellingen.
De leden van de VVD-fractie vinden het positief dat bij de verdeling van de overige zestig procent van het totaalbudget is gekozen voor objectieve maatstaven die het lokale verzorgingsgebied weerspiegelen. Zij vragen echter wel hoe de gekozen kenmerken de taakzwaarte reflecteren. Waarom is het voor lokale publieke omroepen in landelijk gebied relatief kostbaar om alle inwoners te bereiken en waar blijkt dit uit? Daarnaast vragen deze leden waarom een groter aantal kernen zou leiden tot een relatief hogere nieuwsdichtheid en waarop deze aanname is gebaseerd. Tot slot vragen zij of, mede vanuit het oogpunt van eenvoud en transparantie, is overwogen om de verdeling primair te baseren op één kenmerk, namelijk het aantal inwoners, en waarom daar niet voor is gekozen.
Bij de vormgeving van de verdeelsleutel is gebruik gemaakt van het verkennende rapport van een extern onderzoeksbureau.29 Na overleg met de NLPO is voor de in het wetsvoorstel voorgestelde verdeelsleutel gekozen. In het betreffende model is gekozen voor een normatieve benadering, waarbij wordt uitgegaan van samenhang tussen kenmerken van een gebied en de inspanning die nodig is om de publieke mediaopdracht te vervullen. De verdeling van het budget is daarmee gebaseerd op een combinatie van objectieve kenmerken die beogen recht te doen aan verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden.
Ten aanzien van de vraag hoe de gekozen kenmerken de taakzwaarte reflecteren, geldt dat elk kenmerk een specifieke dimensie van de journalistieke en organisatorische opgave adresseert.
Het aantal inwoners fungeert als maatstaf voor het potentiële bereik en de omvang van de informatiebehoefte in een verzorgingsgebied. Naarmate het aantal inwoners toeneemt, neemt in de regel ook de benodigde journalistieke capaciteit toe om een breed en relevant media-aanbod te realiseren.
Het aantal kernen met meer dan vijfhonderd adressen wordt gebruikt als indicator voor de mate van interne differentiatie binnen een verzorgingsgebied. In gebieden met meerdere kernen is over het algemeen sprake van verschillende lokale gemeenschappen waarvoor afzonderlijke journalistieke aandacht wenselijk is. Dit leidt tot een grotere spreiding van redactionele inzet en daarmee tot een hogere taakzwaarte.
Wat betreft het onderscheid tussen stedelijke en landelijke inwoners geldt dat dit beoogt rekening te houden met verschillen in de praktische uitvoerbaarheid van de publieke mediaopdracht. In meer landelijk gebied kan het kostbaarder zijn om alle inwoners te bereiken, onder meer vanwege grotere reisafstanden en een meer verspreide bevolking, hetgeen een grotere organisatorische en logistieke inzet vergt. In meer stedelijke gebieden kan daarentegen sprake zijn van een hogere concentratie van maatschappelijke activiteiten, wat leidt tot een grotere nieuwsdichtheid en daarmee eveneens tot een substantiële journalistieke opgave.
De leden van de VVD-fractie vragen voorts waarom een groter aantal kernen samenhangt met een grotere nieuwsdichtheid. In het gehanteerde model wordt het aantal kernen niet zozeer opgevat als een directe maatstaf voor nieuwsdichtheid, maar als een indicator voor het aantal afzonderlijke gemeenschappen waarbinnen zich relevante maatschappelijke ontwikkelingen voordoen. Naarmate het aantal kernen toeneemt, neemt de variëteit aan lokale onderwerpen en gebeurtenissen toe, hetgeen een bredere en meer gedifferentieerde journalistieke inzet vergt.
Ten aanzien van de vraag waarom niet is gekozen voor een verdeling uitsluitend op basis van het aantal inwoners merkt de regering op dat een dergelijke benadering is overwogen, maar onvoldoende recht doet aan verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden. Ook valt een dergelijke verdeelsleutel negatief uit voor gebieden met een groot oppervlakte, maar met relatief weinig inwoners. Met de keuze voor dit model wordt een evenwichtige verdeling nagestreefd, waarmee de verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden, volgens de regering, zoveel mogelijk gereflecteerd worden.
Het totaalbudget en de procentuele verdeling worden vijfjaarlijks vastgesteld en de leden van de VVD-fractie vragen waarom is gekozen voor een termijn van vijf jaar. In hoeverre is het mogelijk om binnen die vijf jaar aanpassingen te maken, bijvoorbeeld voor zeer snel groeiende lokale verzorgingsgebieden of grote tussentijdse herindelingen?
Er is voor gekozen om de verdeling van het totaalbudget vast te stellen voor de duur van de gehele aanwijzingsperiode, te weten een periode van vijf jaar. Dit draagt bij aan een grotere continuïteit en voorspelbaarheid van de financiering voor lokale omroepen. Als zij weten op welk budget zij kunnen rekenen, kunnen omroepen makkelijker meerjarenbegrotingen opstellen. Om die redenen is gekozen voor een termijn die samenhangt met de aanwijzingsperiode.
Gedurende de vijf jaar wordt het totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen bijgesteld aan de inflatie.30 Doordat omroepen een bekend deel van een hoger totaalbudget ontvangen, worden zij door de verhoging van het totaalbudget hiermee gecompenseerd voor inflatie. Na vijf jaar worden de berekeningen opnieuw gemaakt en kan er rekening worden gehouden met bevolkingsgroei of -daling in een verzorgingsgebied.
Herindelingen hebben niet altijd invloed op de omvang van het gehele verzorgingsgebied. Dat is alleen het geval als de buitengrens van het her in te delen gebied wijzigt. Herindelingen zijn over het algemeen voorspelbaar, omdat er lange en grondige voorbereidingen aan ten grondslag liggen die uiteindelijk beslag krijgen in een wetstraject. De verwachting is dan ook dat herindelingen in de vijfjaarlijkse cyclus kunnen worden meegenomen.
Tot slot op dit punt vragen de leden van de VVD-fractie wie toezicht houdt op de financiële verslaglegging door de lokale publieke omroepen.
Het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de lokale publieke omroepen, die daartoe hun jaarrekening aan het Commissariaat zenden.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening. Dit betreft het zogenoemde “handboek financiële verantwoording”.
Het wetsvoorstel beoogt circa € 13 miljoen uit het gemeentefonds over te hevelen naar de mediabegroting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen om een nadere toelichting bij deze overheveling. Komt dit bedrag straks volledig ten goede van de lokale publieke omroepen. Zo neen, waaraan gaat dit geld dan nog meer worden besteed?
Met het wetsvoorstel vindt per 2028, op basis van de huidige berekeningen, een overheveling van € 13 miljoen uit het gemeentefonds naar de mediabegroting van het ministerie van OCW plaats. Daarnaast wordt de rijksmediabijdrage voor de lokale publieke omroepen verhoogd met de eerder aangekondigde investering van € 18,1 miljoen en met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen, zoals aangekondigd in de Beleidsbrief 2060-2030 van het ministerie van OCW.
Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen is voor elk lokaal verzorgingsgebied duidelijk wat het voorgenomen beschikbare budget is voor de gehele komende aanwijzingsprocedure van vijf jaar. Dit zou zorgen voor meer voorspelbaarheid en continuïteit van de bekostiging van lokale publieke omroepen dan nu het geval is. Begrijpen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het goed dat lokale publieke omroepen toch wel iedere vijf jaar ermee rekening moeten houden dat een einde kan komen aan hun bestaan, zodat deze omroepen onvoldoende vooruit kunnen plannen, met alle gevolgen van dien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en met freelancers? Deze leden zouden dat bezwaarlijk vinden en strijdig met de beoogde fundamentele versteviging van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Hoe denkt de regering over een langere periode dan vijf jaar voor de aanwijzingsduur voor regionale publieke omroepen, zodat ook deze de zekerheid hebben om structureel aan publieke relevantie kunnen werken, talent kunnen vasthouden en serieuze samenwerkingsverbanden kunnen aangaan?
Aanwijzingen als lokale publieke omroep gelden voor vijf jaar en vervallen van rechtswege aan het einde van die aanwijzingsperiode. Dit geldt voor de aanwijzingen volgens het wetsvoorstel, maar is ook al huidig recht. Aanwijzing als lokale publieke omroep is een schaars recht. Het gelijkheidsbeginsel verlangt dat potentiële gegadigden periodiek kunnen meedingen. Een langere of feitelijk onbeperkte aanwijzing zou die mededinging beperken. De regering acht met de keuze voor een aanwijzingsperiode van vijf jaar een evenwicht bereikt tussen continuïteit en open toegang.
De regering heeft niet overwogen om de aanwijzingsduur voor regionale publieke omroepen te verlengen. Ook voor regionale omroepen geldt op dit moment de aanwijzingsduur van vijf jaar, op grond van dezelfde redenering als die hierboven is gegeven voor de lokale omroepen. Verder heeft dit wetsvoorstel als focus de versterking van de lokale publieke omroep. Wijzigingen die zien op de regionale publieke omroep vallen buiten de reikwijdte van het voorstel.
De regering stelt dat er een structurele verhoging van de mediabegroting is met een bedrag van circa € 18 miljoen met ingang van het startjaar van het nieuwe stelsel, in aanvulling op het bedrag dat aan de mediabegroting wordt toegevoegd vanuit het gemeentefonds. De Raad van State stelt dat uit de toelichting onvoldoende duidelijk is of de nieuwe bekostigingswijze daadwerkelijk een versterking van lokale publieke omroepen is. De leden van de CDA-fractie zijn het hiermee eens. Kan de regering toelichten waar het bedrag van € 18 miljoen op gebaseerd is? Waarom is het totaalbedrag van € 31 miljoen toereikend?
In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebracht over de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meer inzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoals is geadviseerd door de ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betreft een advies van het SvdJ.31
De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij deze adviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidige bekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.32 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op de begroting van het ministerie van OCW.
Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW is er uiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar te investeren in de lokale publieke omroepen, bovenop de reeds beschikbare € 31,1 miljoen.33 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van OCW.
Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.34 Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.
De regering verwacht dat gemeenten aanvullend blijven financieren onder het nieuwe systeem, maar de leden van de CDA-fractie benadrukken, zoals ook de Raad van State doet, dat de basis voor deze verwachting onduidelijk is, aangezien sommige taken nu via deze wet worden geregeld. Kan de regering hierop reageren?
De regering gaat er niet van uit dat gemeenten aanvullend bekostigen. In het wetsvoorstel wordt slechts de mogelijkheid voor gemeenten gecreëerd om dit te doen, vanuit de eigen autonome bevoegdheid. Op die manier kunnen gemeenten “meefinancieren” aan de uitvoering van de publieke taak van lokale publieke omroepen, zonder dat dit leidt tot staatssteunproblematiek. Hiermee blijft er ruimte voor maatwerk, zodat gemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen blijven inspelen op specifieke lokale omstandigheden en wensen, zoals zij nu op verschillende plekken ook al doen.
In het totaal is er € 31 miljoen beschikbaar. Dan lezen de leden van de CDA-fractie vervolgens dat een deel van het voorziene nieuwe totaalbedrag is bestemd voor de extra uitvoeringslasten die voor de NLPO en het Commissariaat voortvloeien uit dit wetsvoorstel. Kan de regering aangeven hoeveel van het totaalbedrag bestemd is voor de uitvoeringslasten van de NLPO en hoeveel voor de taken van het Commissariaat?
Betekent dat het resterende bedrag voor de streekomroepen is?
Met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen van dit kabinet komt het nieuwe voorziene totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen op € 34,5 miljoen per jaar uit, vanaf 2028.35 Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Van deze € 3,5 miljoen is op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 2,7 voor de NLPO en € 0,8 voor het Commissariaat bestemd. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Worden de administratieve lasten voor de lokale publieke omroepen groter als zij hetzelfde financieringsmodel krijgen als de regionale omroepen? Waarom vindt de regering dit proportioneel?
Volgens de regering leidt de overgang naar bekostiging door het Rijk, ondanks striktere verantwoordingseisen, per saldo tot een vermindering van de ervaren regeldruk en een aanzienlijke verhoging van de efficiëntie voor de lokale publieke omroepen.
Door de financiering centraal te beleggen bij het Rijk ontstaat een uniforme werkwijze. De stroomlijning van de bekostigingscyclus vereenvoudigt de administratieve handelingen voor iedere lokale publieke omroep aanzienlijk: er geldt voortaan één set regels, één aanvraagproces en één centrale verantwoording bij het Commissariaat. Het wetsvoorstel leidt tot een voorspelbaar en transparant proces, wat de rechtszekerheid voor de lokale publieke omroepen vergroot.
De regering erkent dat straks de eisen aan de financiële verslaglegging strikter zijn dan in veel huidige gemeentelijke verordeningen. Echter, deze verzwaring is proportioneel in relatie tot de noodzakelijke borging van publieke middelen in de voorgenomen omvang.
Is in de eerste jaren na de inwerkingtreding van de wet ondersteuning beschikbaar voor de lokale omroepen bij het (verder) professionaliseren?
Ook na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen lokale publieke omroepen ondersteuning zoeken bij hun verdere professionalisering. De regering blijft de NLPO daarom zodanig bekostigen dat ze deze ondersteuning kan blijven bieden. Dit gebeurt binnen de uitvoering van activiteiten die algemeen beschikbaar zijn voor alle lokale omroepen en die rechtstreeks voortvloeien uit de (nieuwe) wettelijke taken van de NLPO. Het gaat om praktische begeleiding, kennisdeling, opleiding en ondersteuning bij de verdere ontwikkeling naar toekomstbestendige lokale publieke omroepen.
De regering maakt een keuze in “kenmerken” om de lokale omroepen te bekostigen. In de memorie van toelichting staan hiervoor twee redenen genoemd. Ten eerste zijn dit objectieve maatstaven, waarvoor de gegevens beschikbaar zijn via het CBS36. Ten tweede zijn het maatstaven die de zogeheten “taakzwaarte” reflecteren voor een publieke omroep in een lokaal verzorgingsgebied. De eerste reden kunnen de leden van de CDA-fractie goed volgen. Met betrekking tot de tweede reden willen deze leden graag extra toelichting. Zou de regering dit met een paar voorbeelden kunnen verduidelijken? Zij vragen zich af, of zij het juist begrijpen dat een lokale omroep die een groot gebied bedient, maar relatief weinig inwoners telt, minder financiële middelen krijgt toegewezen via deze nieuwe systematiek?
De regering licht graag nader toe op welke wijze de gehanteerde kenmerken de taakzwaarte van lokale publieke omroepen reflecteren. Om tot de verdeelsleutel te komen, heeft de regering gebruikgemaakt van een verkenning door een extern onderzoeksbureau.37 Met taakzwaarte wordt in dit verband gedoeld op “de journalistieke taken en omvang van het verzorgingsgebied waarbinnen de lokale omroep verbindende en maatschappelijke taken vervult.38 Hierbij gaat het bijvoorbeeld om verschillen in aantal inwoners, steden of dorpen in streken.
Bij de vormgeving van de verdeelsleutel is, na overleg met de NLPO, gekozen voor de normatieve benadering die ook in het rapport terug te lezen is, waarbij wordt uitgegaan van samenhang tussen kenmerken van een verzorgingsgebied en de daarmee gepaard gaande journalistieke en organisatorische opgave. Wanneer een streek meer inwoners of kernen heeft wordt er verwacht dat de taakzwaarte van de streekomroep ook zwaarder wordt.
De door regering bij de verdeelsleutel gehanteerde kenmerken sluiten aan bij deze benadering en kunnen als volgt worden geduid. In de eerste plaats vormt het aantal inwoners een maatstaf voor het potentiële bereik van de omroep. Een groter bereik zal over het algemeen leiden tot een grotere taakzwaarte.
In de tweede plaats fungeert het aantal kernen met meer dan vijfhonderd adressen als een indicator voor de interne differentiatie binnen een verzorgingsgebied. In gebieden met meerdere kernen is over het algemeen sprake van verschillende lokale gemeenschappen, met mogelijk een eigen culturele identiteit, waarvoor afzonderlijke journalistieke aandacht wenselijk is. Deze maatstaf werkt daarmee als een proxy voor de breedte van de journalistieke opgave binnen een streek.
In de derde plaats wordt met het onderscheid tussen stedelijke en landelijke inwoners beoogd rekening te houden met verschillen in de praktische uitvoerbaarheid van de publieke mediaopdracht. In meer landelijk gebied kan het meer inspanning vergen om inwoners te bereiken, bijvoorbeeld vanwege grotere afstanden en een meer verspreide bevolking. Omgekeerd kan in stedelijke gebieden sprake zijn van een hogere concentratie van maatschappelijke activiteiten en daarmee een hogere nieuwsdichtheid. Ook deze factoren beïnvloeden de omvang en aard van de journalistieke inzet en, daarmee, de taakzwaarte.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of het klopt dat een omroep die een groot gebied bedient met relatief weinig inwoners minder financiële middelen zou ontvangen. Door de gekozen verdeelsleutel wordt juist beoogd dit effect te voorkomen. Het aantal inwoners speelt een belangrijke rol, maar is niet geheel doorslaggevend. Juist door aanvullende maatstaven, zoals het aantal kernen en het aandeel landelijke inwoners, in de verdeelsleutel op te nemen, wordt beoogd recht te doen aan situaties waarin de geografische spreiding en interne diversiteit van een gebied leiden tot een relatief grotere inspanning. Het is dus niet zo dat lokale publieke omroepen die een groot gebied met weinig inwoners bedienen per definitie minder financiële middelen toebedeeld krijgen.
De budgetten voor de lokale omroepen worden pas vastgesteld zodra de verzorgingsgebieden duidelijk zijn. Kan de regering aangeven bij hoeveel gebieden de indeling nog niet vaststaat en waar dit wel min of meer het geval is, duidelijk is? Wat zijn de achterliggende oorzaken van de problemen bij de gebieden waar de indeling (nog) ontbreekt?
De indeling in lokale verzorgingsgebieden staat pas vast op het moment dat deze bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. In formele zin staat op dit moment dus nog geen enkel verzorgingsgebied vast.
In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een proces plaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden te komen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid van gemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis van het Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015-2018 het uitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij de zogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 een indeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.39 Dit in de sector bereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wet versterking lokale publieke omroepen.
In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van de internetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedure ingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023 opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft de NLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board Streekindeling Lokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).
De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andere leden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uit gemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemd namens het ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPO te adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeenten tot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokale verzorgingsgebieden.
De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPO vastgesteld.40 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op 16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebieden geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland in tachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling als uitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals is aangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers van belang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sector zelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door de Change Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegenwoordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen, gemeenten en de VNG.
Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabesluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, De Werven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatie heeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsultatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft tot heroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naar de zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwesties die in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onderstreept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeft gegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen. Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten en omroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkoming van het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft het oordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgestelde advies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsultatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebracht tijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin worden geuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale edities binnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst is voor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek te zijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeft ook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samenwerking in dit gebied.
Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang van ruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledige instemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch en ook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelf gedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig en transparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven de regering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassen van de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die als uitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde overheveling van de financiering van het gemeentefonds naar het Rijk en de bijbehorende investering. Deze leden constateren dat de regering stelt dat het totale budget stijgt ten opzichte van de huidige gemeentelijke bekostiging. Zij wijzen er echter op dat deze vergelijking geen recht doet aan het feitelijke huidige niveau van publieke middelen, aangezien daarin ook de tijdelijke overbruggingsmiddelen van het SvdJ zijn opgenomen en eventuele aanvullende gemeentelijke bijdragen. Wanneer deze middelen worden meegewogen, lijkt in de praktijk sprake te zijn van een lager beschikbaar budget voor de lokale journalistiek. De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen dat het wetsvoorstel daarmee in de praktijk kan leiden tot een verslechtering in plaats van een versterking van de lokale journalistiek. Zij hebben daarom de volgende vragen.
Kan de regering aangeven welke streken er in de praktijk financieel op achteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekostiging, inclusief de middelen van het SvdJ? Aangezien de regering er niet van uitgaat dat gemeenten na 2028 aanvullend blijven bijdragen, hoe wordt voorkomen dat streken die nu mede afhankelijk zijn van dergelijke bijdragen financieel verder terugvallen?
Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekomstige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidige bedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebben een tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelen hebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 2023 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel verdeeld worden.
Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om in structurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbekostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het is daarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen voor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggingsmiddelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in een dergelijke vergelijking.
De regering acht het passender om de huidige gemeentelijke bekostiging te vergelijken met de bekostiging in de nieuwe situatie. Met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen van dit kabinet komt het nieuwe voorziene totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen op € 34,5 miljoen per jaar uit, vanaf 2028.41 Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028.
Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen. Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.42 Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.
De regering gaat er niet van uit dat gemeenten aanvullend bekostigen. In het wetsvoorstel wordt slechts de mogelijkheid voor gemeenten gecreëerd om dit te doen, vanuit de eigen autonome bevoegdheid. Op die manier kunnen gemeenten “meefinancieren” aan de uitvoering van de publieke taak van lokale publieke omroepen, zonder dat dit leidt tot staatssteunproblematiek. Hiermee blijft er ruimte voor maatwerk, zodat gemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen blijven inspelen op specifieke lokale omstandigheden en wensen, zoals ze nu op verschillende plekken ook al doen.
Hoe voorkomt de regering dat streken waarin de afgelopen jaren journalistieke capaciteit is opgebouwd, vanaf 2028 juist moeten afschalen? Welk aanvullend structureel bedrag is volgens de regering nodig om te borgen dat de totale beschikbare middelen per streek niet afnemen? Welk aanvullend structureel budget is nodig om dit feitelijke niveau minimaal te behouden?
De inzet van de middelen voor journalistieke capaciteitsopbouw is belangrijk geweest voor de professionalisering van de lokale publieke omroepen. In de nieuwe situatie is er sprake van nieuwe aanwijzingen als lokale publieke omroep en mogelijk nieuwe organisaties.
In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebracht over de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meer inzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, uit het model van de ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betreft een advies van het SvdJ.43
De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij deze adviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag gekozen dan de huidige bekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.44 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op de begroting van het ministerie van OCW.
Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW is er uiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar te investeren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbare circa € 31 miljoen.45 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en is als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.46 Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.
Klopt het dat de publieke bekostiging per inwoner aanzienlijk verschilt tussen landelijke, regionale en lokale omroepen en hoe rechtvaardigt de regering deze verhouding? Hoe verhoudt de bekostiging van grote lokale verzorgingsgebieden zich tot die van regionale omroepen en acht de regering dit in lijn met de publieke mediaopdracht?
Blijkens de Mediabegrotingsbrief 202647 is voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau in 2026 ruim € 835 miljoen beschikbaar vanuit de rijksmediabijdrage. Voor de regionale omroepen is een bedrag van € 189 miljoen beschikbaar. Landelijke, regionale en lokale publieke omroepen verzorgen de publieke mediaopdracht elk voor het eigen verzorgingsgebied. Er is daarbij uiteraard sprake van een fors verschil in schaal tussen de verschillende lagen. Specifiek voor de regionale publieke omroepen geldt dat zij ook in de toekomst een groter verzorgingsgebied moeten bedienen dan de lokale publieke omroepen in hun provincies. Dat maakt de uitvoering van de publieke mediaopdracht ook complexer. Bovendien geldt dat het beschikbare bedrag voor de regionale publieke omroepen historisch zo gegroeid is sinds de overheveling van het budget voor regionale publieke omroepen vanuit het provinciefonds naar de mediabegroting van het ministerie van OCW per 1 januari 2014. Destijds werd € 142 miljoen vanuit het provinciefonds overgeheveld naar de mediabegroting.48
Is de regering bereid om vóór openstelling van de aanwijzingsprocedure een volledige financiële doorrekening per streek met de Kamer te delen?
Vóór het begin van een aanwijzingsperiode maakt de minister van OCW twee zaken bekend. Ten eerste het totaalbudget dat in die aanwijzingsperiode jaarlijks ten minste beschikbaar is voor alle lokale publieke omroepen gezamenlijk. Ten tweede de procentuele verdeling van het gezamenlijke budget over de lokale verzorgingsgebieden gedurende die periode. Daaruit volgt het bedrag dat gedurende vijf jaar ten minste beschikbaar is per lokale publieke omroep. Zo weten kandidaat-omroepen op welk bedrag zij kunnen rekenen en kunnen zij een getrouwe meerjarenbegroting opstellen.
De regering zal de Kamer zo snel mogelijk na het versturen van deze nota en in ieder geval vóór de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel per brief informeren over de huidige ramingen voor het bedrag dat vanaf 2028 per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare cijfers op dat moment.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering in de loop der jaren verschillende verdeelsleutels heeft ontvangen ten behoeve van de bepaling van het budget dat de lokale omroepen minimaal nodig zouden hebben om hun taken uit te kunnen voeren. Deze leden constateren dat de regering vervolgens besloten heeft helemaal geen inhoudelijke verdeelsleutel op te nemen en enkel uit te gaan van de verdeling van het beschikbare budget. Daardoor is niet goed te bepalen wat de inhoudelijke normen zijn die de toereikende uitvoering schragen en waarborgen. Zij vragen waarom de regering dit acceptabel acht.
In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebracht over de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meer inzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoals is geadviseerd door de ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betreft een advies van het SvdJ.49
De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij deze adviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidige bekostiging vanuit de gemeenten.
Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.50 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op de begroting van het ministerie van OCW. Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW is er uiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar te investeren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbare circa € 31 miljoen. Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen en als zodanig geoormerkt op de begroting van het ministerie van OCW.
Dit totaalbudget wordt in het nieuwe stelsel via een verdeelsleutel verdeeld over de aangewezen lokale publieke omroepen. De regering heeft bij het vormgeven van deze verdeelsleutel, en in overleg met de NLPO, beoogd recht te doen aan verschillen in de zogeheten taakzwaarte tussen lokale verzorgingsgebieden. Dat wil zeggen dat de verdeelsleutel op basis van objectieve maatstaven rekening houdt met de samenhang tussen kenmerken van een gebied en de inspanning die nodig is om de publieke mediaopdracht in dat gebied te vervullen.
Concreet wordt van het beschikbare totaalbudget veertig procent gelijkelijk verdeeld onder het aantal aangewezen lokale publieke omroepen. De overige zestig procent van het totaalbudget wordt verdeeld op basis van maatstaven die kenmerken van een lokaal verzorgingsgebied weergeven. De verdeling van die zestig procent van het jaarlijkse budget voor lokale publieke omroepen is als volgt. Vijftien procent wordt verdeeld op basis van het aantal inwoners, twintig procent op basis van het aantal kernen met meer dan vijfhonderd adressen, en vijfentwintig procent op basis van het aantal inwoners in stedelijk, respectievelijk landelijk gebied.
De regering merkt hierbij op dat er bewust niet voor is gekozen om het budget uitsluitend op basis van het aantal inwoners te verdelen. Dit zou onvoldoende recht doen aan verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden. Immers valt een dergelijke verdeelsleutel negatief uit voor gebieden die groot in oppervlakte zijn, maar weinig inwoners hebben. Met de keuze voor dit model wordt zoveel mogelijk een evenwichtige verdeling bereikt, die de verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden reflecteert.
De regering ziet het gehele pakket aan maatregelen uit het wetsvoorstel, inclusief het totaalbudget en de bijbehorende verdeelsleutel, als een stevige impuls voor de lokale publieke omroepen. De regering is van mening dat het budget evenwichtig wordt verdeeld en dat er vanaf 2028 in alle lokale verzorgingsgebieden genoeg budget is om de basis van 3 journalistieke fte mogelijk te maken die het SvdJ adviseert.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil ingaan op de berekening die de Stichting NLPO onder punt 1 en de bijlagen van de position paper toelicht, waarbij in plaats van een verhoging juist minder aanvullende ruimte zou bestaan dan nu het geval is en waarbij 73 van de 80 omroepen lager uitkomen dan het huidige niveau van de bekostiging.51
Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekomstige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidige bedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebben een tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelen hebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 2023 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel verdeeld worden. Het optellen van de huidige tijdelijke SvdJ-middelen en het doorberekenen daarvan naar de nieuwe situatie is daarom niet passend.
Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om in structurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbekostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het is daarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen voor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggingsmiddelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in een dergelijke vergelijking.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering een vergelijkbare systematiek toepast ten aanzien van aanvullende gemeentelijke subsidies door te vereisen dat het gemeentelijke budget voorafgaand aan de aanwijzingsperiode wordt vastgesteld. Deze keuze komt hen niet logisch voor, aangezien de gemeentelijke subsidie niet langer de basis is waarop het bestaan van de lokale omroepen rust. Sterker nog, de regering gaat er in beginsel vanuit dat gemeenten geen extra middelen bijdragen. Deze leden vragen waarom het met het oog op het bieden van maximale flexibiliteit en het creëren van zoveel mogelijk ruimte voor lokale omroepen niet wenselijk zou zijn om gemeenten jaarlijks de mogelijkheid te bieden om aanvullende subsidie te verstrekken, waarbij het Commissariaat altijd kan toezien of sprake zou van oneigenlijke druk. Zij wijzen erop dat juist de samenwerking ten behoeve van meerdere gemeenten in de nieuwe lokale omroepen het risico beperkt dat sprake zou zijn van oneigenlijke druk vanuit een enkele gemeente. Zij vragen ook hierop reactie.
Aanwijzingen voor lokale publieke omroepen zijn schaarse rechten. Dat betekent dat er bij aanwijzing aanvullende vereisten gelden om gelijke kansen voor alle aanvragers te garanderen. Een voorbeeld daarvan is het vereiste dat gemeenteraden die hun lokale publieke omroep aanvullend willen bekostigen voorafgaand aan het aanvraagtijdvak openbaar maken hoeveel middelen er beschikbaar worden gesteld gedurende de gehele aanwijzingsperiode van vijf jaar. Op die manier wordt verzekerd dat alle aanvragers hier op gelijke wijze rekening mee kunnen houden bij hun aanvraag. Bovendien creëert het openbaar maken van de beschikbare middelen voorspelbaarheid in de financiering voor lokale publieke omroepen, wat een belangrijk uitgangspunt is, onder andere op grond van de Europese Verordening Mediavrijheid (hierna: EMFA).52 Het vooraf beschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedrag wordt immers in beginsel beschikbaar gesteld voor de functie van publieke omroep en niet voor een specifieke instelling. De regering heeft bij het opstellen van het wetsvoorstel verschillende mogelijkheden voor aanvullende financiering door gemeenten overwogen en ziet het door haar voorgestelde financieringskader als het meest effectief voor het waarborgen van gelijke kansen voor alle aanvragers.
Het risico op oneigenlijke druk van één gemeente wordt naast bovenstaande in het nieuwe stelsel verder verkleind door het feit dat de meeste lokale verzorgingsgebieden zullen bestaan uit meerdere gemeenten, zoals de leden van de SGP-fractie terecht constateren.
De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de regering zorgt voor een structurele verhoging van de mediabegroting met een bedrag van circa € 18 miljoen zodra deze is overgeheveld van het gemeentefonds naar het Rijk. Deze leden merken desondanks op dat de Raad van State stelt dat uit het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende blijkt dat de bekostiging straks toereikend is. Ook de NLPO en het Commissariaat uiten dergelijke zorgen. Tevens wijzen deze leden op de aangenomen motie Ceder c.s.53 over het voorkomen dat lokale omroepen vanaf 2028 minder ontvangen dan nu. Zij vragen naar de uitvoering van deze motie.
Over de uitvoering van de motie ontvangt u een aparte brief, zo snel mogelijk na deze nota en in ieder geval vóór de mondelinge behandeling.
Volgens berekeningen van de NLPO54 gaan de omroepen in de verzorgingsgebieden er veelal op achteruit. Heeft de regering ook zelf dergelijke berekeningen gemaakt? Kan de regering onderbouwen hoe is geborgd dat dat de lokale omroepen vanaf 2028 per saldo niet minder geld ontvangen dan nu? In dat kader vragen deze leden de regering om een overzicht van de bekostiging per verzorgingsgebied, waarin ook andere inkomsten worden meegenomen zoals de overbruggingsmiddelen die mede door dit wetsvoorstel worden gewijzigd of komen te vervallen.
Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekomstige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidige bedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebben een tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelen hebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 203 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel verdeeld worden.
Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om in structurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbekostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het is daarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen voor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggingsmiddelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in een dergelijke vergelijking.
De regering heeft inderdaad berekeningen gemaakt aan de hand van de verdeelsleutel en zal de uitkomsten zo snel mogelijk, op basis van de momenteel bekende cijfers uit CBS-bronnen, met de Kamer delen. In een latere officiële publicatie voorafgaand aan de openstelling van de aanwijzingsprocedure zal het percentage bekend worden waar de lokale publieke omroepen aanspraak op kunnen maken.
De regering kiest er niet voor om tijdelijke middelen onderdeel te laten zijn van deze berekening. De regering kiest er voor om te vergelijken met de structurele bekostiging vanuit de gemeenten. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.55 Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024.
2.3 Schaalvergroting
De leden van de D66-fractie onderschrijven dat de veelheid aan kleine(re) omroepen stabiliteit en doelmatigheid in de weg staat. Deze leden lezen dat onder regie van Stichting NLPO met betrokkenheid van lokale publieke omroepen en gemeenten een indeling van tachtig verzorgingsgebieden tot stand is gekomen. Echter vragen zij met welke reden ook dit exacte getal is overgenomen als wettelijk maximum.
De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag per omroep.
Zij vragen de regering of het niet wenselijker zou zijn om het maximumaantal hoger te leggen om nog enige speling te behouden, in het geval dat blijkt dat een gebied toch te groot is of onvoldoende een eigen sociaal-culturele, economische en geografische identiteit heeft, zoals ook de Raad van State opmerkt.
Door meer speelruimte in het wetsvoorstel op te nemen kunnen grotere fluctuaties ontstaan in de bedragen die per aanwijzingsperiode aan een lokale omroep beschikbaar worden gesteld. Dat is onwenselijk, omdat het afbreuk doet aan de voorspelbaarheid en continuïteit van de hoogte van de bekostiging. Overigens is er speelruimte, tot en met het maximum van tachtig. Daarnaast is met inachtneming van het maximum van tachtig flexibiliteit wel degelijk mogelijk. De indeling in lokale verzorgingsgebieden wordt namelijk vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en kan door wijziging daarvan worden aangepast.
Bij lokale omroepen is vaak ook sprake van de inzet van vrijwilligers, die veel lokale kennis en lokale netwerken hebben die van belang kunnen zijn voor lokale nieuwsvoorziening. Zij zijn vaak goed op de hoogte van de lokale context en de bijbehorende historie. De leden van de D66-fractie lezen dat de schaalvergroting een verwacht positief effect zal hebben op de essentiële inzet van vrijwilligers door de lokale publieke omroepen, en dat lokale binding behouden kan blijven. Echter bestaan er bij deze leden nog enkele zorgen over de binding tussen lokale vrijwilligers en de omroepen bij een schaalvergroting. Daartoe vragen deze leden hoe gewaarborgd gaat worden dat lokale zichtbaarheid en betrokkenheid niet afneemt, doordat er meer werk verschuift naar een centrale redactie.
Een centrale redactie biedt de professionele basis die nodig is om vrijwillige medewerkers effectiever te laten zijn. Er komt zo meer ruimte voor kwaliteitscontrole, begeleiding en inzet van benodigde apparatuur. Het wetsvoorstel borgt dit door middel van de aanwijzingscriteria. Het beleidsplan van de aanvrager moet een beschrijving bevatten van de voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en de samenwerking met partners in het lokale verzorgingsgebied. Ook moet het beleidsplan ingaan op de zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod en op het bedienen van geografische en sociaal-culturele verscheidenheid.56 Over deze vereisten adviseert de gemeenteraad of -raden.57 Een kandidaat-omroep met uitsluitend een centrale redactie die niet aannemelijk kan maken lokaal voldoende aanwezig te zullen zijn, kan op deze punten een negatief advies van de gemeenteraad verwachten.
De leden van de VVD-fractie begrijpen de keuze voor schaalvergroting om te komen tot financieel gezonde en professionele lokale publieke omroepen, maar hechten tegelijkertijd belang aan voldoende flexibiliteit om in te kunnen spelen op maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende lokale omstandigheden. Deze leden merken op dat de indeling in de maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Zij zijn van mening dat dit flexibiliteit beperkt en toetreding en meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen moeilijk maakt. Zij vragen waarom is gekozen voor deze wettelijke verankering van het aantal verzorgingsgebieden in plaats van meer flexibiliteit te behouden.
De regering heeft ervoor gekozen om het maximumaantal van tachtig op op te nemen in het wetsvoorstel, omdat zij dit nodig acht voor een wezenlijke schaalvergroting en stabiele indeling in verzorgingsgebieden. Zo wordt mogelijk gemaakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, zou dit ten koste gaan van het beschikbare bedrag per omroep. Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aan de hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Enige flexibiliteit is behouden doordat de daadwerkelijke indeling in de verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Dat maakt grenswijziging van de verzorgingsgebieden mogelijk, wanneer lokale ontwikkelingen daarvoor aanleiding geven.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering daarnaast nader in te gaan op de criteria die gehanteerd zullen worden bij het indelen van de zogenaamde verzorgingsgebieden. Hoe wordt bijvoorbeeld bepaald welke omroep hier eventueel het voortouw in een eventuele fusieorganisatie krijgt, zo willen deze leden graag weten.
In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een proces plaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden te komen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid van gemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis van het Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015-2018 het uitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij de zogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 een indeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.58 Dit in de sector bereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wet versterking lokale publieke omroepen.
In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van de internetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedure ingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023 opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft de NLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board Streekindeling Lokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).
De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andere leden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uit gemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemd namens het ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPO te adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeenten tot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokale verzorgingsgebieden.
De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPO vastgesteld.59 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op 16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebieden geactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland in tachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling als uitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals is aangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers van belang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sector zelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door de Change Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegenwoordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen, gemeenten en de VNG.
Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabesluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, De Werven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatie heeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsultatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft tot heroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naar de zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwesties die in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onderstreept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeft gegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen. Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten en omroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkoming van het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft het oordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgestelde advies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit de verzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsultatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebracht tijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin worden geuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale edities binnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst is voor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek te zijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeft ook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samenwerking in dit gebied.
Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang van ruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledige instemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch en ook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelf gedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig en transparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven de regering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassen van de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die als uitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat de indeling in de maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. De memorie van toelichting vermeldt echter de mogelijkheid van wijziging van de indeling van de verzorgingsgebieden, bijvoorbeeld bij gemeentelijke herindeling of maatschappelijke veranderingen in een of meer verzorgingsgebieden. Deze leden vragen welke ruimte de algemene maatregel van bestuur dan biedt om alsnog af te wijken van het aantal van tachtig verzorgingsgebieden.
Het maximumaantal van tachtig wordt wettelijk verankerd. Daar kan met een algemene maatregel van bestuur niet van worden afgeweken. De precieze indeling in lokale verzorgingsgebieden wordt daarentegen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en kan door wijziging daarvan worden aangepast, zo lang het aantal verzorgingsgebieden maximaal tachtig blijft.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen niet dat streekomroepen onbedoeld de schaal van regionale omroepen benaderen en publieke middelen zó ondoelmatig worden besteed. Kan de regering nader toelichten op grond van welke overwegingen zij het advies van de Raad van State niet heeft overgenomen dat een lokaal verzorgingsgebied aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de kleinste betrokken provincie waarbinnen het grondgebied wordt gedeeld?
De Raad van State heeft in zijn advies benoemd dat het wetsvoorstel voorschrijft dat een verzorgingsgebied wat betreft de oppervlakte of het aantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie of elk van de provincies waarmee het lokale verzorgingsgebied grondgebied deelt. Deze bepaling stond dus al in het wetsvoorstel (het voorgestelde artikel 2.87h, derde lid). De Raad van State heeft niet geadviseerd deze bepaling aan te passen.
De regering meent dat het wetsvoorstel de lokale binding bij de opschaling van de verzorgingsgebieden voldoende borgt. De leden van de CDA-fractie willen graag wat meer toelichting op deze borging. Schaalvergroting en professionalisering kunnen immers ook zorgen voor minder lokale binding en afstand tot vrijwilligers en inwoners van het verzorgingsgebied. Kan de regering eens aangeven of en wat voor mogelijke risico’s zij ziet?
De regering heeft risico’s geïdentificeerd die voort kunnen komen uit de voorgestelde wetswijziging. Het is denkbaar dat het zwaartepunt van de journalistieke aandacht verschuift naar de grootste kern binnen een verzorgingsgebied of een meer professionele redactie leidt tot verminderde inzet van vrijwilligers, waardoor de omroep zijn wortels in de gemeenschap zou verliezen. De regering wijst erop dat binnen de omroep door het pbo wordt getoetst of de koers van de omroep aansluit bij de behoeften van de inwoners van het gehele verzorgingsgebied, en niet alleen de grootste kern of een stad. Hiermee wordt voorkomen dat een centrale redactie te eenzijdige keuzes in de berichtgeving maakt. De regering ziet verder professionalisering niet als het vervangen van vrijwilligers, maar als het beter begeleiden en ondersteunen daarvan. Ook zorgt het voor versterking van de lokale binding, omdat het media-aanbod aan kwaliteit wint en daardoor relevanter wordt.
Vindt de regering dat met het onderhavige wetsvoorstel het verschil tussen lokale omroepen (streekomroepen) en regionale omroepen voldoende intact blijft?
De regering is van mening dat met het onderhavige wetsvoorstel het onderscheid tussen lokale omroepen en regionale omroepen in voldoende mate behouden blijft. De lokale en regionale omroeplagen behouden ieder een eigen, wettelijk verankerde positie die aansluit bij het (schaal)niveau waarin zij werkzaam zijn. Volgens het wetsvoorstel is het verzorgingsgebied van een lokale omroep een geografisch afgebakend gebied dat uit één of meer onderling nabijgelegen gemeenten bestaat. Verder wordt bepaald dat een lokaal verzorgingsgebied wat betreft oppervlakte of inwonertal aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld.60 Ten slotte kan een instelling maar voor één lokaal verzorgingsgebied worden aangewezen als lokale publieke omroep.61 Daarmee blijft het onderscheid tussen lokale en regionale publieke omroepen gemarkeerd. Lokale omroepen richten zich op het verzorgen van media-aanbod binnen een of meerdere gemeenten, waarbij de nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokale gemeenschap en lokale democratie. Regionale omroepen hebben een bredere opdracht op (in beginsel) provinciaal niveau, waarbij zij zich richten op regionale nieuwsvoorziening, cultuur en educatie.
De Raad van State adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in de wet vast te leggen, maar om de flexibiliteit te hebben om op basis van de kenbare identiteit en leefgebieden van burgers te komen tot meer dan tachtig verzorgingsgebieden. De regering heeft dit voorstel van de Raad van State niet overgenomen. Kan de regering uiteenzetten waarom zij wil vasthouden aan het maximaal aantal van tachtig verzorgingsgebieden?
Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aan de hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag per omroep.
Vervolgens regelt dit wetsvoorstel ook dat meer eisen worden gesteld aan de lokale omroepen. Dat begrijpen de leden van de CDA-fractie enerzijds, maar anderzijds vraagt de inwerkingtreding van de onderhavige wet veel voorbereiding en kennis bij lokale omroepen. Denkt de regering dat dit haalbaar en realistisch is?
De regering onderkent dat de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel veel voorbereiding vraagt van huidige lokale publieke omroepen en kandidaat-omroepen. Het wetsvoorstel brengt hogere eisen met zich mee aan onder meer professionaliteit, governance, samenwerking, en financiële verantwoording. Dat is een aanzienlijke opgave, zeker voor omroepen die nu nog grotendeels afhankelijk zijn van vrijwilligers of die met beperkte professionele ondersteuning.
Tegelijkertijd is de sector hier de afgelopen jaren stapsgewijs op voorbereid. De regering heeft de NLPO de afgelopen jaren van extra subsidie voorzien om lokale publieke omroepen te helpen met de voorbereiding op het nieuwe stelsel. De NLPO heeft deze middelen onder meer ingezet voor kwartiermakers en financiële coaches, om handboeken en sjablonen te ontwikkelen en informatiebijeenkomsten te organiseren. Daarmee is gewerkt aan duidelijkheid over de aankomende veranderingen en aan praktische ondersteuning bij de vorming en organisatorische versterking van lokale omroepen met een groter verzorgingsgebied.
De leden van de BBB-fractie begrijpen de noodzaak van schaalvergroting, maar maken zich zorgen over de gevolgen hiervan voor de lokale zichtbaarheid en betrokkenheid. Deze leden constateren dat in de praktijk al sprake is van toenemende centralisatie terwijl de formele waarborgen uit het wetsvoorstel nog niet zijn ingericht. Zij signaleren onder meer dat content steeds vaker centraal wordt geproduceerd, dat nieuwe medewerkers niet altijd binding hebben met de lokale gemeenschap en dat lokaal nieuws over afzonderlijke kernen afneemt. Daarnaast zien deze leden dat vrijwilligers en medewerkers met lokale kennis afhaken, wat de kwaliteit en verankering van de lokale journalistiek onder druk zet. Deze leden vrezen dat kleinere kernen in een model met één centrale redactie structureel onderbelicht kunnen raken.
De leden van de BBB-fractie herkennen de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, zoals de adviesrol van gemeenteraden en de eisen aan het beleidsplan van kandidaat-omroepen. Deze leden constateren echter dat in de huidige praktijk dus al sprake is van toenemende centralisatie waarbij lokale zichtbaarheid onder druk staat, terwijl deze waarborgen nog niet van kracht zijn. Zij vragen daarom niet zozeer of er waarborgen zijn, maar hoe effectief deze in de praktijk zullen zijn. Kan de regering toelichten hoe wordt geborgd dat de inbreng van gemeenteraden daadwerkelijk leidt tot aanpassing van plannen van kandidaat-omroepen in plaats van een formele toets achteraf? Hoe wordt voorkomen dat kandidaat-omroepen in beleidsplannen aandacht besteden aan alle kernen maar dat dit in de feitelijke uitvoering alsnog verschraalt? Welke mogelijkheden zijn er om gedurende de aanwijzingsperiode bij te sturen als blijkt dat bepaalde kernen structureel onderbelicht blijven?
De regering is het met de leden van de BBB-fractie eens dat waarborgen in de praktijk effectief moeten zijn. De inbreng van de gemeenteraden werkt als volgt. Het aantonen van lokale binding is een belangrijke eis aan het beleidsplan dat een kandidaat-omroep moet indienen bij een aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke omroep. De gemeenteraden brengen over die eis advies uit. Dat advies gebruikt het Commissariaat bij het besluit over welke kandidaat wordt aangewezen als lokale publieke omroep.
Voor het bijsturen van het beleid over het media-aanbod tijdens de aanwijzingsperiode van een lokale publieke omroep komt het pbo in beeld. Met dit wetsvoorstel krijgt dat orgaan een steviger positie. Dit orgaan van de omroep stelt het beleid over het media-aanbod van de omroep vast. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of levensbeschouwelijke stromingen uit het verzorgingsgebied vinden hier een plek. Als er bij het Commissariaat twijfels over bestaan of het pbo voldoet aan de wettelijke eisen, kan hij hierover advies vragen aan de betreffende gemeenteraad of -raden. In een uiterst geval kan het niet voldoen aan de wettelijke eisen voor een pbo leiden tot intrekken van de aanwijzing. Gelet op dit alles is het voor een lokale publieke omroep essentieel om het gehele verzorgingsgebied te blijven bedienen om in de volgende aanwijzingsprocedure opnieuw kans te maken op aanwijzing.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom het volgens de regering nodig is en voor de hand zou liggen om een zo praktisch voorschrift, bovendien slechts het resultaat van feitelijke ontwikkelingen in de afgelopen jaren, vast te leggen in de wet. Ligt het normaliter niet in de rede dit juist bij AMvB vast te stellen?
De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer het aantal verzorgingsgebieden wijzigt, verandert ook het beschikbare bedrag per omroep. Om fluctuaties hierin te voorkomen is het maximumaantal opgenomen in het wetsvoorstel.
Het maximumaantal van tachtig vormt een fundamenteel onderdeel van de voorgestelde schaalvergroting. Door dit maximum op wetsniveau vast te leggen in plaats van op een lager niveau wordt gezorgd voor stabiliteit in de indeling in verzorgingsgebieden en de financiële middelen voor lokale publieke omroepen. Dit laatste is een belangrijk uitgangspunt van de EMFA. Vanwege dit fundamentele karakter van het maximumaantal van tachtig ligt delegatie naar het niveau van een algemene maatregel van bestuur niet voor de hand.
Deze leden constateren dat de regering ter vergelijking wijst op het wettelijk geregelde aantal van dertien regionale omroepen. Zij vinden deze vergelijking niet terecht. Allereerst bepaalt de wet niet op vergelijkbare wijze het aantal van dertien, maar de aanwijzing van een omroep per provincie. Daar sluit de wet juist aan bij een passende, historisch gegroeide eenheid die in het geval van lokale omroepen ook de bedoeling is maar niet zo eenvoudig in een aantal te vangen. Bovendien geeft alleen het feit dat de afwijking voor Zuid-Holland bestaat aan dat zelfs op dit niveau oog is voor bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Deze leden vragen of het vanuit de inhoudelijke criteria van de wet niet raadzaam is om ook openheid te houden dat het aantal ook iets meer dan tachtig kan bedragen.
Met inachtneming van het maximum van tachtig is nog steeds flexibiliteit mogelijk. De precieze indeling in lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en kan door wijziging daarvan worden aangepast.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State een aantal risico’s benoemt van de schaalvergroting voor de mate waarin lokale publieke omroepen hun publieke functies kunnen uitoefenen. Deze leden vragen of de regering het risico aanwezig acht dat de schaalvergroting, ondanks de waarborgen van de regering, ervoor zorgt dat de lokale publieke omroepen hun publieke functies minder goed kunnen uitoefenen.
De regering kan de redeneringen over afnemende lokale zichtbaarheid en te grote afstanden door centralisatie volgen, maar acht het risico dat de publieke functies verwateren beperkt, omdat het wetsvoorstel de uitoefening daarvan niet vrijblijvend laat. De functies worden geborgd door de wettelijke verplichting om media-aanbod voor het gehele verzorgingsgebied te verzorgen en door een stabiele financiering vanuit het Rijk. Dat geeft lokale publieke omroepen de mogelijkheid met een professionele redactie te werken.
Bovendien wijst de regering erop dat de ROB en de RvC in hun adviesrapport laten zien dat lokale publieke omroepen met een grotere schaal er juist beter in slagen om hun maatschappelijke en democratische functies uit te oefenen dan lokale publieke omroepen met een kleine schaal. Met name de democratische functies van controleren en agenderen staan bij de kleinere lokale publieke omroepen onder druk. In hun gezamenlijke rapport uiten de raden hun zorg hierover.62
Op welke wijze wordt dit geëvalueerd?
Lokale publieke omroepen dienen in het tweede jaar van hun aanwijzing een zelfevaluatie uit te voeren. Daarmee toetsen zij hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, zoals beschreven in hun beleidsplannen. Het Commissariaat houdt hier toezicht op. De lokale publieke omroepen rapporteren de zelfevaluaties aan de NLPO, die als daar aanleiding voor is een nadere, onafhankelijke evaluatie kan laten verrichten. Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving door de NLPO van de voorschriften voor de inrichting van deze onafhankelijke evaluatie. De regering ziet de getrapte evaluatie als een functioneel instrument omdat de eigen verantwoordelijkheid van de omroepen wordt benut en er wordt invulling gegeven aan de coördinerende taak van de NLPO.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het nader rapport63 dat de regering schrijft dat lokale publieke omroepen de mogelijkheid hebben om op verschillende manieren programmatisch te differentiëren. Deze leden vragen op welke wijze dit reeds al gebeurt. Hoeveel lokale publieke omroepen zetten al meerdere kanalen of edities in en wat is de verwachting van de regering voor de toekomst?
Programmatische differentiatie vindt op dit moment nog niet op grote schaal plaats, maar er zijn wel voorbeelden waarin lokale publieke omroepen hun aanbod afstemmen op verschillende delen van hun verzorgingsgebied of op verschillende doelgroepen. Het gaat dan bijvoorbeeld om afzonderlijke edities, signalen, kanalen of online aanbod waarmee binnen één verzorgingsgebied toch meer lokale herkenbaarheid wordt geboden. Een voorbeeld is de omroep in het verzorgingsgebied Oost-Brabant, waar voor verschillende delen van het gebied een ander televisiesignaal wordt aangeboden, met nieuwsbulletins die specifiek zijn gericht op dat deel van het verzorgingsgebied. Ook in Amsterdam bestaat al langer programmatische differentiatie. De lokale omroep maakt daar gebruik van meerdere radiokanalen, die zich richten op verschillende delen van de stad en op verschillende publieksgroepen. Deze voorbeelden laten zien dat programmatische differentiatie in de praktijk mogelijk is, maar ook dat de invulling sterk afhankelijk is van de schaal, technische mogelijkheden, beschikbare capaciteit en de lokale of stedelijke context.
Het wetsvoorstel beoogt die ruimte te behouden: een lokale omroep kan één organisatie vormen voor het verzorgingsgebied als geheel, terwijl het media-aanbod daarbinnen programmatisch kan worden toegespitst op afzonderlijke gemeenten of doelgroepen. De lokale publieke omroep blijft verantwoordelijk voor de publieke mediaopdracht binnen het volledige verzorgingsgebied. De verwachting is dat na de stelselwijziging de behoefte aan herkenbaar lokaal aanbod binnen het verzorgingsgebied blijft. Binnen een groter lokaal verzorgingsgebied kan het daarom wenselijk zijn om in de programmering of online presentatie meer onderscheid te maken tussen gemeenten, kernen of deelgebieden. Dat hoeft niet te betekenen dat overal aparte kanalen ontstaan. Zo zal er gewerkt kunnen worden met gerichte lokale edities binnen bestaande kanalen en digitale vormen van verspreiding, zodat inwoners binnen het verzorgingsgebied lokaal herkenbaar aanbod blijven ontvangen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre ze als risico ziet dat in de praktijk lokale publieke omroepen op bestuurlijk, redactioneel en/of organisatorisch niveau steeds meer verweven raken met regionale publieke omroepen. Hoe waarborgt de regering de zelfstandigheid van de lokale publieke omroepen in de praktijk? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom niet verder is uitgewerkt wat precies het verschil is tussen een regionale en een lokale omroep, behalve het verschil in schaalgrootte. Kan de regering toelichten welke verschillen ze ziet en of ze reden ziet tot betere wettelijke verankering van die verschillen, bijvoorbeeld via een vereiste voor de inhoud van het concessiebeleidsplan zoals het Commissariaat voorstelt?64
De lokale en regionale omroepen behouden ieder een eigen, wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij het schaalniveau van hun verzorgingsgebied. Een lokale publieke omroep heeft een eigen aanwijzing en eigen bekostiging. Binnen de kaders van het wetsvoorstel is geen ruimte voor een hiërarchische verhouding waarbij de regionale publieke omroep zeggenschap zou krijgen over de lokale publieke omroep.
De lokale publieke omroepen en de regionale publieke omroepen hebben als gezegd elk een eigen schaal en publieke taak. Over de schaal van een lokaal verzorgingsgebied wordt in het wetsvoorstel bepaald dat deze qua oppervlakte of aantal inwoners aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld. Wat betreft de publieke taak: lokale publieke omroepen richten zich op het verzorgen van publiek media-aanbod binnen een of meerdere gemeenten, waarbij de nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokale gemeenschap en lokale democratie. Regionale publieke omroepen hebben een bredere opdracht op provinciaal niveau, waarbij zij zich richten op regionale nieuwsvoorziening, cultuur en educatie. Overigens hebben de NLPO en RPO een alliantie gesloten waarbij ze in meer detail beschrijven hoe zij het verschil zien tussen de lokale en regionale publieke omroepen als het gaat om het uitvoeren van de taak.
Wat betreft de aanwijzingsprocedure: kandidaat-lokale omroepen moeten aantonen dat zij een rechtspersoon zijn die gericht is op het op lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht in het verzorgingsgebied waarvoor zij willen worden aangewezen. Verder moeten kandidaten bij hun aanvraag een beleidsplan indienen dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO. Over de aanvraag wordt geadviseerd door de NLPO en de betrokken gemeenteraad of -raden. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteria voor aanwijzing voldoet. De procedure heeft dus een strikte focus op de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht.
Gelet op dit alles is de regering van mening dat de eigen domeinen van de regionale en lokale publieke omroepen gewaarborgd zijn in het wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in de wet vast te leggen. De regering neemt dit advies niet over, waarbij ze onder meer erop wijst dat het maximum van tachtig het resultaat is van een meerderjarig opschalingsproces uit de sector zelf. Deze leden vragen of de regering het in geen geval denkbaar acht dat het later toch wenselijk kan zijn om tot meer verzorgingsgebieden te komen? Zo ja, ligt het dan niet in de rede om het maximumaantal alsnog in een AMvB te verankeren in plaats van op wetsniveau?
Het maximumaantal van tachtig is een fundamenteel onderdeel van de voorgestelde stelselherziening. De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer in de toekomst voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag per omroep en de voorspelbaarheid daarvan. Dit is onwenselijk. Vanwege het fundamentele karakter van het maximum ligt delegatie naar het niveau van een algemene maatregel van bestuur niet voor de hand. Overigens kan de precieze indeling van de verzorgingsgebieden worden aangepast door wijziging van de algemene maatregel van bestuur waarin die geregeld is, zo lang er sprake blijft van maximaal tachtig verzorgingsgebieden.
2.4 Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan op lokaal niveau
De leden van de VVD-fractie merken op dat het inrichten, in stand houden, beheren, exploiteren en regelen van voor lokale publieke omroepen benodigde faciliteiten, zoals studio’s en distributie-infrastructuren, onderdeel wordt van de wettelijke taak van de NLPO. Deze leden constateren dat dergelijke voorzieningen momenteel ook door marktpartijen worden aangeboden en naar hun beeld aansluiten bij de behoeften van lokale publieke omroepen. Zij vragen wat de reden is om deze taak aan de NLPO toe te wijzen.
De regering heeft verschillende redenen om deze taak bij de NLPO te beleggen. De NLPO heeft zich de afgelopen jaren kunnen voorbereiden op deze taak en zij is als geen ander in staat om de behoeften van de lokale omroepen te kennen en voor een langetermijnstrategie voor de gehele sector te zorgen. Zo heeft de NLPO al bevorderd dat lokale publieke omroepen toegang hebben tot een landelijk dekkend DAB+-netwerk. Verder blijft de samenwerking en aansluiting tussen de drie omroeplagen in redactioneel-technische zin noodzakelijk. Om content eenvoudig te kunnen delen tussen een lokale en regionale omroep, moeten redactiesystemen en technische standaarden op elkaar aansluiten. De NLPO coördineert deze harmonisatie en dat vereist een zekere mate van technische standaardisatie onder de lokale publieke omroepen.
Tot slot heeft de NLPO de mogelijkheid om voor complexe, experimentele projecten projectteams met specialisten van omroepen samen te stellen, waardoor de kennis in de sector optimaal wordt benut. De NLPO moet bij het uitvoeren van zijn taken handelen binnen het wettelijke kader en is hierbij onderworpen aan toezicht door het Commissariaat.
Voor het starten, wijzigen of staken van aanbodkanalen hebben regionale omroepen krachtens het derde lid van artikel 2.60m van de Mediawet 2008 ministeriële instemming nodig, maar de lokale omroepen kennen straks niet zo’n verplichting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat dit samenwerking tussen lokale en regionale omroepen structureel zal bemoeilijken. Hoe staat de regering tegenover de mogelijkheid om de ministeriële instemmingsverplichting uit de Mediawet 2008 te schrappen?
In algemene zin geldt dat onderhavig wetsvoorstel uitsluitend ziet op de lokale publieke omroepen. De regering heeft er dan ook voor gekozen om geen wijzigingen ten behoeve van de regionale publieke omroepen mee te nemen in het wetsvoorstel. Dat geldt ook voor het schrappen van de verplichte instemming vooraf van de Minister van OCW met een nieuw aanbodkanaal, die geldt voor de regionale publieke omroep.
De instemming houdt verband met een controle op de omvang van de publieke omroep, gelet op de mogelijke impact op de markt voor mediadiensten. Anders dan voor het regionale domein acht de regering acht dit instrument voor het lokale domein te zwaar, met name in verhouding tot de te verwachte marktimpact van lokale publieke aanbodkanalen. Het geconstateerde verschil bestaat bovendien al tien jaar en er zijn geen signalen dat dit tot problemen in de samenwerking tussen lokale en regionale publieke omroepen heeft geleid.
Zouden afspraken tussen de NLPO en RPO niet wettelijk moeten worden verankerd, nu artikel 2.71 van de Mediawet 2008, dat de grondslag bood voor samenwerkingsovereenkomsten tussen lokale en regionale omroepen, zal komen te vervallen?
De samenwerkingsovereenkomst zoals bedoeld in het huidige artikel 2.71 van de Mediawet 2008 voorziet in een ingewikkelde constructie waarbij - kort gezegd - media-aanbod van de regionale publieke omroep kan worden meegeteld als media-aanbod dat onder de ICE-norm van lokale publieke omroepen valt. In de praktijk zijn er geen gevallen bekend van samenwerkingsovereenkomsten op grond van dit artikel. De regering acht het aangewezen om dit verouderde artikel te schrappen.
Tegelijkertijd is de regering van mening dat samenwerking, waar mogelijk en haalbaar, moet worden aangemoedigd, zoals dat nu al gebeurt in het kader van het project Bureaus Lokaal. In het kader van de uitvoering van de publieke media-opdracht blijft het voor lokale en regionale publieke omroepen mogelijk om de samenwerking op te zoeken. Het schrappen van het wetsartikel 2.71 doet daar niets aan af.
Voor de benoemings-, schorsings- en ontslagprocedure van de raad van toezicht en het bestuur van de NLPO wordt aangesloten bij de procedures voor de Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO) en de Regionale Publieke Omroep (hierna: RPO) in de Mediawet 2008 die sinds 2021 gelden. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit ook betekent dat er wettelijke termijnen van twee keer vier jaar komen voor benoemingen van directie en leden Raden van Toezicht in beide organen.
Het voorgestelde artikel 2.77, elfde lid, bepaalt dat benoeming geschiedt voor vijf jaar en dat herbenoeming voor een aansluitende periode eenmaal mogelijk is. Dit geldt voor de raad van toezicht van de NLPO. Voor het bestuur van de NLPO bepaalt artikel 2.80, tweede lid, hetzelfde. Ook voor de zittingstermijn van vijf jaar voor raad van toezicht en bestuur is aangesloten bij de regeling voor de NPO en RPO.65
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de NLPO, net zoals de RPO, geen sturingsbevoegdheden krijgt. Acht de regering het risico waar het Commissariaat op wijst66, dat het voor de NLPO lastig kan zijn om verandering door te voeren, aanwezig? Is overwogen om de NLPO wel sturingsbevoegdheden te geven? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Bij de afwegingen over de inrichting van de NLPO als samenwerkings- en coördinatieorgaan heeft de regering als uitgangspunt genomen datgene wat zij nodig acht in het specifieke domein van de lokale publieke omroep. Dat is aan de ene kant de noodzaak van een meer gezamenlijke koers in de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Aan de andere kant acht de regering het juist in het domein van de lokale publieke omroep van groot belang dat de lokale publieke omroepen de autonomie hebben om de publieke mediaopdracht uit te voeren op een manier die aansluit bij hun specifieke lokale verzorgingsgebied.
Gelet op deze afweging heeft de regering er niet voor gekozen om de NLPO in te richten als zelfstandig bestuursorgaan met bijbehorende bevoegdheden. De NLPO beschikt niettemin over instrumenten ten behoeve van de samenwerking en coördinatie. Dit is allereerst het concessiebeleidsplan, waarop kandidaat-lokale omroepen in de aanwijzingsprocedure hun beleidsplannen moeten afstemmen. Verder heeft de NLPO de bevoegdheid om onafhankelijke evaluaties te laten verrichten.
De regering is al met al van mening dat met de voorgestelde inrichting van de NLPO de juiste balans voor samenwerking en coördinatie is gevonden. De regering verwacht dat deze balans gezamenlijke verbeteringen voor de lokale publieke omroep daadwerkelijk mogelijk maakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom ervoor gekozen is dat lokale omroepen zelf geen leden kunnen voordragen voor het college van omroepen, maar dat de benoeming van de leden gebeurt op voordracht van het college zelf.
De keuze hangt samen met de positie van het college van omroepen binnen de NLPO. Het college is geen ledenvergadering en ook geen orgaan waarin iedere lokale publieke omroep afzonderlijk vertegenwoordigd is. Het college moet de lokale publieke omroepen als geheel vertegenwoordigen, en adviseren vanuit het gezamenlijke belang van de lokale publieke mediadienst.
Daarbij past niet dat individuele omroepen zelf leden voordragen. Dat zou het risico vergroten dat leden vooral worden gezien als vertegenwoordiger van één omroep, verzorgingsgebied of belang, terwijl het college juist sectorbreed moet kunnen adviseren.
De wet borgt overigens dat het college representatief wordt samengesteld, met aandacht voor verschillen in omvang en geografische ligging. De benoeming op voordracht van het college zelf, door de raad van toezicht van de NLPO, moet bijdragen aan continuïteit, deskundigheid en een samenstelling die het gezamenlijke belang van de sector dient.
2.5 Aanscherping van de aanwijzingsprocedure
De leden van het pbo zijn representatief voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen. Het pbo heeft ook de taak om het media-aanbod te bewaken. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of het pbo concrete bevoegdheden krijgt om, wanneer nodig geacht, bij te sturen. Zo ja, welke bevoegdheden zijn dit? Zo nee, op welke wijze wordt het pbo geacht haar taak om het media-aanbod te bewaken concreet uit te voeren?
Het wetsvoorstel geeft het pbo geen specifieke sturingsbevoegdheden ten aanzien van de redactie van de omroep, gelet op de redactionele autonomie. Wanneer het pbo concludeert dat het media-aanbod onvoldoende aansluit bij het beleid of bij het verzorgingsgebied, kan het pbo dit binnen de organisatie van de lokale publieke omroep agenderen. Volgens het in de sector gangbare pbo-reglement controleert het pbo of het door hem vastgestelde beleid voor het media-aanbod wordt uitgevoerd. Het pbo rapporteert zijn bevindingen hierover aan het bestuur van de lokale publieke omroep. De bevindingen van het pbo kunnen informatief zijn voor het Commissariaat bij het houden van toezicht op de publieke media-opdracht.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het wetsvoorstel een meer uitgebreide set aan criteria bevat voor aanwijzing van lokale omroepen omdat in de huidige procedure een gebrek aan voldoende wettelijke criteria voor goede toetsing is. Deze leden verzoeken de regering nader toe te lichten aan de hand van welke criteria de NLPO en de gemeenteraad het Commissariaat adviseren bij de aanwijzing van een lokale publieke omroep.
Het klopt inderdaad dat de set aan criteria met dit wetsvoorstel wordt uitgebreid. De criteria zijn verdeeld naar de eigen deskundigheid van de adviseurs in de aanwijzingsprocedure: de NLPO en de gemeenteraad of -raden.
De NLPO adviseert over een aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
de aanvrager heeft een beleidsplan dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan van de NLPO.
het beleidsplan bevat:
een overzicht van de voorgenomen aanbodkanalen;
het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod; en
de voornemens en afspraken over samenwerkingen binnen het publieke mediabestel.
de aanvrager heeft een begroting voor de aanwijzingsperiode, met daarin een overzicht van de baten en lasten in verband met de uitvoering van het beleidsplan en een toelichting daarop.
De gemeenteraad adviseert over een aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
de aanvrager heeft een pbo dat een afzonderlijk orgaan is, bestaat uit vijf of meer leden (onder wie de voorzitter), en dat representatief is voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen.
het beleidsplan van de aanvrager bevat:
de voornemens over het bedienen van de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid in het lokale verzorgingsgebied;
de voornemens over de zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod in het lokale verzorgingsgebied; en
de voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en over samenwerking met partners in het lokale verzorgingsgebied.
Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat de gemeente in een adviserende rol komt? En dat de NLPO uitgaat van dezelfde wettelijke criteria als de gemeente mochten zich twee of meer aanvragers zich melden?
De gemeente, meer precies de gemeenteraad, heeft een adviserende rol in de procedure voor de aanwijzing van een lokale publieke omroep. Overigens heeft de gemeenteraad ook nu al een adviserende rol. In het wetsvoorstel worden de criteria waarover de gemeenteraad adviseert verduidelijkt en aangescherpt. Volgens het wetsvoorstel adviseren de NLPO en de gemeenteraad elk over een eigen set criteria. Het gaat om criteria die passen bij hun rol en deskundigheid, zoals hierboven beschreven. Bij meerdere aanvragers brengen zowel de NLPO als de betrokken gemeenteraad of -raden per criterium een rangorde aan. Het Commissariaat besluit over de aanwijzing en weegt daarbij de adviezen.
Het lijkt de regering wenselijk dat rekening wordt gehouden met de omvang van een gemeente in het gewicht van het advies van de gemeenteraad. Waarom lijkt de regering dit wenselijk
Gemeenteraden brengen in een aanwijzingsprocedure elk een eigen advies uit aan het Commissariaat, ook als het lokale verzorgingsgebied meerdere gemeenten omvat. Dit zal in de praktijk betekenen dat het Commissariaat meerdere adviezen ontvangt van gemeenteraden uit hetzelfde verzorgingsgebied. De regering acht het voor de evenwichtigheid in de advisering wenselijk om in een dergelijk geval de omvang van de gemeentes in aantal inwoners te laten doorwerken in de zwaarte van het advies. Die zwaarte wordt bepaald aan de hand van het aantal gemeenteraadszetels per gemeente. Dit aantal, vastgelegd in de Gemeentewet, kent een vaste structuur waarbij gemeenten in klassen worden verdeeld. Deze klassen werken degressief proportioneel. Dat wil zeggen dat grote gemeenten wel meer zetels hebben dan kleine, maar verhoudingsgewijs hebben de kleinere gemeenten meer zetels ten opzichte van de bevolkingsomvang. Op deze manier wordt voorkomen dat de adviezen van grote gemeenten disproportioneel meer gewicht hebben in de besluitvorming. Door aan te sluiten bij de systematiek van de Gemeentewet worden de adviezen van de gemeenteraden evenwichtig toegepast in de procedure.
De leden van de BBB-fractie heeft een aantal vragen over de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep, in het bijzonder in relatie tot regionale omroepen. Deze leden constateren dat in de praktijk sprake kan zijn van vergaande bestuurlijke en redactionele verwevenheid, met name in grotere steden, waardoor de zelfstandige positie van lokale omroepen onder druk kan komen te staan. Zij achten het van belang dat samenwerking plaatsvindt op basis van gelijkwaardigheid en niet leidt tot afhankelijkheid of feitelijke aansturing door regionale omroepen. Hoe waarborgt de regering dat de zelfstandige positie van lokale publieke omroepen behouden blijft en niet wordt uitgehold door verwevenheid met regionale omroepen?
De lokale en regionale omroepen behouden ieder een eigen, wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij het schaalniveau van hun verzorgingsgebied. Een lokale publieke omroep heeft een eigen aanwijzing en eigen bekostiging. Binnen de kaders van het wetsvoorstel is geen ruimte voor een hiërarchische verhouding waarbij de regionale publieke omroep zeggenschap zou krijgen over de lokale publieke omroep.
Kan de regering bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in de plaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht?
De lokale en regionale publieke omroepen hebben ieder hun een eigen, wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij het schaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagen is aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPO ook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan een duidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod, meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving, alsmede aan het vergroten van het bereik en een sterkere verbinding met het publiek op het lokale en regionale niveau. Versterking van de lokale omroep zoals voorgesteld met dit wetsvoorstel komt de samenwerking ten goede, omdat er op veel meer plekken in Nederland een professionele lokale publieke omroep zal zijn om mee samen te werken.
Hoe voorkomt de regering dat bij de aanwijzingsprocedure feitelijk druk ontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslaggevende rol krijgen?
De regering benadrukt dat weliswaar samenwerking tussen de verschillende lagen van het bestel wordt aangemoedigd om de journalistieke kwaliteit te verhogen, maar dat het eigen domein van de lokale publieke omroep strikt gewaarborgd blijft.
Regionale publieke omroepen en de RPO hebben geen rol in de aanwijzingsprocedure van dit wetsvoorstel. Kandidaat-lokale omroepen moeten aantonen dat zij een rechtspersoon zijn die gericht is op het op lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht in het verzorgingsgebied waarvoor zij willen worden aangewezen. Verder dienen kandidaten bij hun aanvraag een beleidsplan in dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO. Over de aanvraag wordt geadviseerd door de NLPO en de betrokken gemeenteraad of -raden. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteria voor aanwijzing voldoet. De procedure heeft dus een strikte focus op de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht.
De leden van de BBB-fractie vragen in dit kader nadrukkelijk aandacht voor de omvang en positionering van de beoogde streekomroepen. Zij wijzen erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State heeft gewezen op het risico dat streekomroepen qua schaal, bereik en ambitie in de buurt komen van regionale omroepen. Deze leden constateren dat dit risico zich in de praktijk niet louter theoretisch voordoet, maar dat zich reeds situaties voordoen waarin overlap ontstaat tussen de verschillende omroeplagen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden de regering dan ook hoe wordt voorkomen dat streekomroepen en regionale omroepen in de praktijk overlappende rollen gaan vervullen, met mogelijke inefficiëntie en spanningen binnen het publieke bestel tot gevolg.
De lokale publieke omroepen en de regionale publieke omroepen hebben elk een eigen schaal en publieke taak. Dat blijft behouden in het wetsvoorstel. Wat betreft de omvang van een lokaal verzorgingsgebied wordt bepaald dat deze qua oppervlakte of aantal inwoners aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld. Lokale publieke omroepen richten zich op het verzorgen van publiek media-aanbod binnen een of meerdere gemeenten, waarbij de nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokale gemeenschap en lokale democratie. Regionale publieke omroepen hebben een bredere opdracht op provinciaal niveau, waarbij zij zich richten op regionale nieuwsvoorziening, cultuur en educatie. De regering stimuleert samenwerking om publieke middelen doelmatiger te besteden.
Zij vragen voorts waarom het advies van de Raad van State om de afbakeningsnorm aan te scherpen niet is overgenomen en of de regering bereid is alsnog te bezien of het wenselijk is om in de wet explicieter vast te leggen dat lokale verzorgingsgebieden aanmerkelijk kleiner dienen te blijven dan de schaal van provincies zodat het onderscheid tussen lokale en regionale omroepen helder blijft.
In het wetsvoorstel is in het voorgestelde artikel 2.87h, derde lid, opgenomen dat een verzorgingsgebied wat betreft de oppervlakte of het aantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie of elk van de provincies waarmee het lokale verzorgingsgebied grondgebied deelt. De Raad van State heeft deze bepaling genoemd in zijn advies, maar niet geadviseerd deze aan te passen, omdat dit artikel de gewenste situatie al afdoende regelt. Met deze bepaling wordt daarmee het onderscheid tussen de lokale en regionale omroepen volgens de regering voldoende geborgd.
Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt voorkomen dat samenwerking tussen lokale en regionale omroepen in de praktijk leidt tot bestuurlijke, organisatorische of redactionele afhankelijkheid van lokale omroepen ten opzichte van regionale partijen. Deze leden verzoeken de regering te bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in de plaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht en toe te lichten hoe dit in de praktijk wordt geborgd.
De regering benadrukt dat zij weliswaar samenwerking tussen de verschillende lagen van het bestel aanmoedigt om de journalistieke kwaliteit te verhogen, maar dat de juridische, redactionele en bestuurlijke autonomie van de lokale publieke omroep strikt gewaarborgd blijft. Lokale en regionale publieke omroepen behouden hun eigen bestuurlijke en organisatorische verantwoordelijkheid. Voor alle publieke omroepen, dus ook voor de regionale en lokale publieke omroepen, geldt dat zij verantwoordelijk zijn voor het door hen verzorgde media-aanbod en dat zij beschikken over een redactiestatuut dat de journalistieke rechten en plichten van de medewerkers bevat.
De lokale en regionale publieke omroepen hebben ieder hun een eigen, wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij het schaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagen is aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPO ook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan een duidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod, meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving, alsmede aan het vergroten van het bereik en een sterkere verbinding met het publiek op het lokale en regionale niveau. Versterking van de lokale omroep zoals voorgesteld met dit wetsvoorstel komt de samenwerking ten goede.
Voorts vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat in de aanwijzingsprocedure of in de uitvoering van de eerste concessieperiode feitelijk druk ontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslaggevende positie krijgen binnen streekomroepen.
De regering benadrukt dat weliswaar samenwerking tussen de verschillende lagen van het bestel wordt aangemoedigd om de journalistieke kwaliteit te verhogen, maar dat het eigen domein van de lokale publieke omroep strikt gewaarborgd blijft. Regionale publieke omroepen en de RPO hebben geen rol in de aanwijzingsprocedure van dit wetsvoorstel. Kandidaat-lokale omroepen moeten aantonen dat zij een rechtspersoon zijn die gericht is op het op lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht in het verzorgingsgebied waarvoor zij willen worden aangewezen. Verder dienen kandidaten bij hun aanvraag een beleidsplan in dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO. Over de aanvraag wordt geadviseerd door de NLPO en de betrokken gemeenteraad of -raden. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteria voor aanwijzing voldoet. De procedure heeft dus een strikte focus op de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht.
Lokale en regionale publieke omroepen hebben en behouden hun eigen bestuurlijke en organisatorische verantwoordelijkheid. Voor alle publieke omroepen, dus ook voor de regionale en lokale publieke omroepen, geldt dat zij verantwoordelijk zijn voor het door hen verzorgde media-aanbod en dat zij beschikken over een redactiestatuut dat de journalistieke rechten en plichten van de medewerkers bevat. Gelet op dit alles verwacht de regering ook voor de eerste concessieperiode geen druk richting een doorslaggevende rol van de regionale publieke omroep in het lokale publieke domein.
2.6 Overige vereisten lokale publieke omroepen
Kan de regering verduidelijken waarop het minimumpercentage van 50 procent voor regionaal aanbod en het minimumpercentage van 50 procent (vereenvoudigen ICE-norm67) voor eigen of in opdracht gemaakte programma’s zijn gebaseerd? Is hier eerder ervaring mee opgedaan? Heeft onderzoek dit uitgewezen?
De regering acht het van belang om te borgen dat lokale publieke omroepen aanbod maken dat onderscheidend is ten opzichte van andere lokale, regionale en landelijke publieke omroepen en betrekking heeft op het eigen lokale verzorgingsgebied. De voorgestelde norm van vijftig procent lokaal respectievelijk eigen of in opdracht geproduceerd aanbod bouwt voort op de bestaande ICE-systematiek van artikel 2.70 van de Mediawet 2008 en de uitwerking daarvan in het Mediabesluit 2008. De ervaringen hiermee zijn opgedaan bij de regionale publieke omroepen (voor wie artikel 2.70 eveneens geldt). Uit het toezicht van het Commissariaat op het regionale media-aanbod en de prestatieovereenkomst tussen de RPO, regionale publieke omroepen en het ministerie van OCW blijkt dat deze normen praktisch haalbaar zijn en het Commissariaat een helder en objectief toetsingskader bieden.
2.7 Gevolgen voor reikwijdte toezicht Commissariaat voor de Media
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het Commissariaat ook toezicht houdt op de uitvoering van de plannen door de NLPO en de lokale publieke omroepen.
Het Commissariaat is belast met het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, voor zover bepalingen van die wet niet expliciet van dat toezicht zijn uitgezonderd. Zo houdt het Commissariaat toezicht op de publieke mediaopdracht, die is neergelegd in artikel 2.1 van de Mediawet 2008. De mediaopdracht geldt voor alle lagen van de publieke omroep, dus ook voor de lokale publieke omroep. De plannen van de NLPO en de lokale publieke omroepen zijn richtinggevend bij de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, en kunnen in zoverre van belang zijn voor het Commissariaat bij het uitoefenen van zijn toezicht.
Tevens vragen deze leden waarom het Commissariaat pas om advies wordt gevraagd over het concessiebeleidsplan nadat het is vastgesteld. Waarom is er niet voor gekozen om in een eerder stadium het Commissariaat om advies te vragen?
Het concessiebeleidsplan NLPO wordt vastgesteld door de NLPO en vervolgens openbaar gemaakt; de Minister van OCW vraagt daarover advies aan het Commissariaat en de RvC. De regering heeft gekozen voor advisering na vaststelling omdat het concessiebeleidsplan NLPO in eerste instantie een beleidsdocument van de NLPO is (met medewerking van lokale publieke omroepen). Deze positionering van de adviezen komt overeen met de manier waarop bij de regionale publieke omroep van de adviezen gebruik wordt gemaakt. De adviezen dienen om de Minister te informeren met het oog op de concessieverlening en prestatieovereenkomst, niet om de adviseurs een rol te geven bij de totstandkoming van een document dat het product is van de NLPO.
3. Verhouding tot hoger recht
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de mogelijkheid openlaat tot vrijwillige aanvullende financiering door gemeenten. Deze leden merken daarbij op dat een belangrijke aanleiding voor dit wetsvoorstel lijkt te zijn dat lokale media minder afhankelijk worden van gemeentelijke financiering. Zij vragen de regering of dat klopt en of zij, in dat licht, met de leden van de VVD-fractie deelt dat het openlaten van de optie tot aanvullende financiering door gemeenten haaks staat op deze aanleiding. Deze leden vragen de regering daarom hoe dit zich verhoudt tot het versterken van de onafhankelijkheid van lokale publieke omroepen en of de regering ziet dan wel onderkent dat hier een risico bestaat tot hernieuwde relaties van afhankelijkheid. Deze leden vragen de regering dan ook hoe dit wordt voorkomen.
Het klopt dat het vergroten van de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep één van de doelstellingen van dit wetsvoorstel is. Dat is de reden dat de taak voor de basisbekostiging verschuift van de gemeente naar het Rijk. De mogelijkheid voor aanvullende gemeentelijke bekostiging wordt gecreëerd om recht te doen aan de thans bestaande situatie, waarin sommige gemeenten flink meer dan het richtsnoerbedrag bijdragen aan de uitvoering van de publieke media-opdracht op lokaal niveau. Met de bij de wet gecreëerde mogelijkheid kan de gemeente binnen de staatssteunregels van de Europese Unie alsnog bijdragen. Gemeenten worden gefaciliteerd met deze bepalingen. Het is uitdrukkelijk een autonome keuze van gemeenteraden om al dan niet hiertoe te besluiten.
Een groter verzorgingsgebied dat is samengesteld uit meer dan één gemeente faciliteert ook, naast de basisbekostiging door het Rijk, een onafhankelijker positie van de lokale publieke omroep. Bovendien wordt in de wet geregeld dat gemeenteraden die hun lokale publieke omroep aanvullend willen bekostigen voorafgaand aan de aanwijzingsprocedure openbaar maken hoeveel middelen er beschikbaar worden gesteld gedurende de gehele aanwijzingsperiode van vijf jaar. Het vooraf beschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedrag wordt immers in beginsel beschikbaar gesteld voor de functie van publieke omroep en niet voor een specifieke instelling.
Daarbovenop zien de leden van de VVD-fractie risico’s op mogelijke kwaliteitsverschillen tussen de diverse media als gevolg van eventuele aanvullende financiering. Maakt deze aanvullende financiering het risico op kwaliteitsverschillen niet groter, zo vragen deze leden de regering te duiden.
Met het pakket aan maatregelen van het wetsvoorstel wordt het mogelijk om in het hele land een journalistieke basis te leggen voor lokale publieke omroepen. De aanvullende bekostigingsmogelijkheid voor gemeenten biedt gemeenten (en lokale publieke omroepen) de mogelijkheid om te komen tot een betere uitoefening van de publieke media-opdracht in het betreffende verzorgingsgebied. Daarmee wordt het gemiddelde niveau in Nederland naar een hoger niveau getild, hetgeen de uitvoering van de publieke media-opdracht enkel versterkt.
Daarbovenop vragen deze leden de regering hoe hier een gelijk speelveld wordt geborgd tussen commerciële en publieke lokale media.
De regering is van mening dat commerciële lokale media een belangrijke functie vervullen in het lokale medialandschap. De lokale huis-aan-huiskranten, lokale nieuwswebsites en regionale dagbladen zijn erg belangrijk voor het informeren van een groot publiek. De regering blijft zich inzetten voor een goede positie voor private lokale media, zoals in 2024 aan de Kamer medegedeeld.68
Dit wetsvoorstel heeft echter tot doel de lokale publieke omroep te versterken. De lokale publieke omroep wordt belast met de uitoefening van een publieke taak en is gebonden aan een strenger regime bijvoorbeeld ten aanzien van reclame of sponsoring dan geldt voor commerciële lokale media.
Wanneer is hier een DAEB-vrijstellingsbesluit van toepassing?
Het DAEB-vrijstellingsbesluit maakt onder voorwaarden mogelijk dat staatsteun die wordt verleend als compensatie voor een DAEB verenigbaar is met de interne markt en vrijgesteld is van de aanmeldingsverplichting. Het vrijstellingsbesluit kan slechts worden toegepast indien aan enkele voorwaarden is voldaan, te weten:
De staatsteun mag niet meer dan 20 miljoen euro per jaar bedragen;69
De DAEB mag niet voor meer dan tien jaar worden verleend;70
De onderneming wordt met de DAEB belast door één of meer besluiten, waarin de in artikel 4 van het vrijstellingsbesluit voorgeschreven informatie is opgenomen;71
Het compensatiebedrag mag niet hoger zijn dan nodig is voor de dekking van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van de redelijke winst;72
Er wordt gecontroleerd op overcompensatie en te veel betaalde compensatie wordt terugbetaald aan de Staat;73
Er mag niet meer dan tien procent van de jaarlijkse compensatie gereserveerd worden.74
Volgens de regering wordt met het wetsvoorstel voldaan aan bovenstaande vereisten, waardoor het DAEB-vrijstellingsbesluit van toepassing is en de te verlenen staatssteun verenigbaar is met artikel 106, tweede lid, van het VWEU en er geen voorafgaande aanmeldingsplicht is op grond van artikel 108, derde lid, van het VWEU.75
Worden bepaalde voorwaarden verbonden aan aanvullende financiering door gemeenten? Deze leden vragen de regering dat nader toe te lichten.
Ja. Het wetsvoorstel voorziet in een kader waarbinnen gemeenten hun lokale publieke omroep aanvullend kunnen bekostigen op een manier die in overeenstemming is met de staatssteunregels van de Europese Unie. Het gaat daarbij om aanvullende bekostiging van de publieke taak die een lokale publieke omroep op basis van de systematiek van de Mediawet 2008 is toebedeeld. Dit stelt eisen aan de subsidiebeschikkingen van de gemeente, die niet in strijd met deze systematiek mogen zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat gemeenten bij het verlenen van de subsidie geen voorwaarden mogen opleggen die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008, het concessiebeleidsplan NLPO of het aanwijzingsbesluit. Dat betekent ook dat gemeentelijke subsidie wordt opgenomen in de jaarlijkse begroting van de lokale publieke omroep, en wordt meegenomen in de verantwoordingscyclus bij het Commissariaat.
Mede vanuit het oogpunt van het bieden van gelijke kansen moeten gemeenten die aanvullend willen bekostigen voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure bekend maken hoeveel middelen zij hiervoor beschikbaar stellen. Zo kunnen alle geïnteresseerden met deze aanvullende middelen rekening houden. Het vooraf beschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedrag wordt immers in beginsel beschikbaar gesteld voor de functie van publieke omroep en niet voor een specifieke instelling.
4. Verhouding tot nationaal recht
4.2 Wet normering topinkomens
De regering acht het onderbrengen van de lokale publieke omroepen en de NLPO onder de WNT76 dus noodzakelijk en passend. Dat zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie deels met de regering eens, maar dat per lokale publieke omroep een totaalbudget wordt bekostigd, sluit niet uit dat binnen zo’n budget nog meer geld verschuift naar de hogere salarissen, zoals wel vaker gebeurt zodra er een schaalvergroting plaatsvindt. Deze leden zijn er huiverig voor dat zoiets ten koste gaat van de vergoedingen voor de vrijwilligers. Zij vragen of voor lokale publieke omroepen geen lagere normering voor de topinkomens zou moeten gelden dan voor de landelijke publieke omroep.
Met het wetsvoorstel wordt gestreefd naar consistentie in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel. Een inpassing in de systematiek van de Wet normering topinkomens, waarin ook de overige publieke omroepen, de NPO en de RPO zijn ondergebracht, sluit daarbij aan.
Meer concreet is de regering voornemens om de lokale publieke omroepen en de NLPO via toevoeging aan bijlage 1 bij de WNT onder de toepassing van de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren te brengen, zodat zij – net als de landelijke en regionale publieke omroepen nu al – moeten voldoen aan sectorspecifieke bezoldigingsnormen voor de media-instellingen.77 Daarbij zullen lagere bezoldigingsmaxima gelden dan het algemene maximum van de WNT.
De regering kan nog niet vooruitlopen op de precieze bezoldigingsmaxima die zullen gaan gelden voor de NLPO en lokale publieke omroepen. Er wordt op dit moment in opdracht van het ministerie van OCW een onderzoek uitgevoerd naar de bezoldigingssystematiek voor bestuurders van de toekomstige lokale omroepen en de NLPO na de stelselwijziging. Dit onderzoek moet de basis opleveren voor de concrete inpassing van de bezoldigingmaxima op het lokale niveau.
De regering wenst dat alle lokale publieke omroepen onder de WNT worden gebracht, onafhankelijk van de vraag of zij aan het subsidiecriterium van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel c, van de WNT voldoen. Daarbij zullen lagere bezoldigingsmaxima gelden dan het algemene WNT-maximum.
5. Gevolgen
De Raad van State stelt dat lokale publieke omroepen sterk geworteld zijn in de lokale gemeenschap en dat ze juist door hun kleine schaal en de betrokkenheid van vele vrijwilligers een nauwe band hebben met lokale maatschappelijke en politieke thema’s. De leden van de CDA-fractie delen de mening van de Raad van State en vragen zich af of de sterke toename van administratieve lasten voor lokale publieke omroepen juist hun betrokkenheid en verbinding met lokale maatschappelijke thema’s in de weg zal staan. Ziet de regering ook het punt dat schaalvergroting betrokkenheid en lokale verbinding tenietdoet?
De regering vindt de verbinding van de lokale publieke omroep met de lokale gemeenschap essentieel. De betrokken inzet van vele vrijwilligers draagt eraan bij dat media-aanbod wordt gemaakt dat aansluit bij de behoeften in het verzorgingsgebied. Schaalvergroting of administratieve lasten mogen niet in de weg staan aan die lokale betrokkenheid. Tegelijkertijd moet de regering vaststellen dat een sterke lokale binding weinig waard is als de lokale publieke omroep eenvoudigweg niet de omvang en professionaliteit heeft om zijn publieke functies uit te kunnen oefenen. Daarom wordt met dit wetsvoorstel beoogd om de lokale omroepen te professionaliseren, zodat deze omroepen in het hele land kunnen voorzien in een journalistieke basis. De regering kiest voor professionalisering en schaalvergroting mét wettelijke waarborgen voor lokale binding. Om te beginnen heeft de indeling in lokale verzorgingsgebieden een kwalitatieve component, waarin lokale binding terugkomt. Het verzorgingsgebied moet immers een kenbare identiteit hebben, of het gebied zijn waarbinnen het algemene leefpatroon van de inwoners zich in belangrijke mate afspeelt. Ook wordt de verbinding met de lokale gemeenschap onderdeel van de criteria voor aanwijzing als lokale publieke omroep. De gemeenteraad of -raden krijgen hierover een adviesrol. Daarnaast ziet de regering dat meer professionaliteit ook mogelijkheden biedt voor betere begeleiding en inzet van vrijwilligers.
Wat betreft de administratieve lasten wijst de regering erop dat de NLPO, als wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan, de wettelijke taak heeft de doelmatige inzet van gelden te bevorderen en om zaken te behartigen die van gemeenschappelijk belang zijn. Dit zal naar verwachting ook de administratieve lasten drukken bij lokale omroepen. de lokale publieke omroepen kan helpen bij allerhande administratieve aangelegenheden, bijvoorbeeld door het aanbieden van collectieve dienstverlening.
5.1 Gevolgen voor de regeldruk
De leden van de D66-fractie lezen dat de wijziging van de aanwijzingsprocedure zal leiden tot verzwaring van de regeldruk voor kandidaat-omroepen omdat zij in vergelijking met de huidige procedure in meer informatie moeten voorzien en aan meer criteria moeten voldoen. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze geborgd wordt dat deze verzwaarde regeldruk kandidaat-omroepen er niet van weerhoudt om de aanvraag te doen of te voltooien.
De regering erkent dat de aanwijzingsprocedure meer informatie vraagt van kandidaat-omroepen dan volgens het wettelijk regime dat nu van kracht is. De aanwijzingscriteria zijn immers verscherpt. Overigens wordt een deel van de criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen nu al gebruikt in de beleidsregel over de aanwijzing als lokale publieke media-instelling van het Commissariaat. De voorgestelde wettelijk regeling biedt daarom meer transparantie over wat wordt gevraagd, omdat dat straks allemaal uit het wettelijke regime blijkt. Daarbij meent de regering dat de vereisten zijn gericht op informatie die een serieuze kandidaat in het kader van de professionele uitvoering van de publieke taak als lokale publieke omroep hoe dan ook moet kunnen aanleveren: notarieel vastgelegde statuten, een pbo-ledenlijst, een beleidsplan en een begroting. De regering verwacht al met al niet dat bovenstaande organisaties zal weerhouden om een aanvraag in te dienen in de aanwijzingsprocedure.
5.2 Gevolgen voor gemeenten
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de regering in haar reactie op de Raad van State uitdrukkelijk stelt dat het wetsvoorstel er niet van uitgaat dat gemeenten ook na 2028 aanvullend blijven bijdragen. Het betreft slechts een mogelijkheid die het wetsvoorstel openlaat. Hoe voorkomt de regering dan dat streken die nu mede op zulke bijdragen steunen na de stelselwijziging alsnog financieel verder terugvallen?
Gemeenten zorgen op dit moment op meerdere plekken voor aanvullende ondersteuning voor hun lokale publieke omroepen. Soms door ervoor te kiezen om meer te bekostigen dan het zogeheten richtsnoerbedrag, soms door lokale publieke omroepen met aanvullende subsidies te helpen bij de transitie naar het nieuwe stelsel. De regering vindt dat zeer waardevol; gemeenten tonen daarmee betrokkenheid bij hun lokale publieke omroep en vervullen zo een waardevolle rol bij de stelselherziening.
De regering acht het dan ook van belang dat gemeenten ook in het nieuwe stelsel aanvullend kunnen blijven bekostigen, indien zij dat willen. Daarom behouden zij in het nieuwe stelsel op een laagdrempelige manier de mogelijkheid om financieel aanvullend bij te dragen aan hun lokale omroep. Zo blijft er vanaf 2028 ruimte voor maatwerk, en kunnen gemeenten blijven inspelen op lokale omstandigheden en wensen, boven op de solide basis die er straks vanuit het Rijk ligt.
Bovendien blijft de regering de komende tijd in nauw overleg met de VNG en individuele gemeenten over de overgang naar het nieuwe stelsel, en in het bijzonder de rol die gemeenten kunnen blijven spelen vanaf 2028.
Hoe voorkomt de regering dat streken met nu al opgebouwde journalistieke capaciteit vanaf 2028 juist moeten afschalen, terwijl de regering juist beoogt deze te versterken?
De inzet van de middelen voor journalistieke capaciteitsopbouw is belangrijk geweest voor de professionalisering van de lokale publieke omroepen. In de nieuwe situatie is er sprake van nieuwe aanwijzingen als lokale publieke omroep en mogelijk nieuwe organisaties. Ook is het zo dat in de nieuwe situatie de beschikbare middelen volgens een bij algemene maatregel van bestuur geregelde verdeelsleutel worden verdeeld. Dit kan leiden tot andere uitkomsten dan het geval was met de beschikbare middelen van het SvdJ.
Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekomstige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidige bedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebben een tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Dat geldt mogelijk ook voor aanvullende tijdelijke subsidies die lokale omroepen van gemeenten ontvangen in de periode richting 2028. Deze middelen zijn bedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling van het SvdJ stopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 2026 en 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel verdeeld worden.
Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om in structurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbekostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het is daarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen voor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggingsmiddelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in een dergelijke vergelijking
De regering concludeert dat “alles bij elkaar” de gemeentelijke taak wordt verduidelijkt en vereenvoudigd”. De leden van de CDA-fractie denken dat het gevolg van dit wetsvoorstel ook kan zijn dat gemeenten en daarmee ook de inwoners op grotere afstand van de lokale publieke omroep komen te staan. Ziet de regering dit als een mogelijk gevolg van de invoering van deze wet of juist niet? En waarom dan niet?
De regering onderschrijft het belang van de lokale omroepen die ook in het nieuwe stelsel stevig verbonden zijn met hun lokale omgeving. Dat is en blijft de onderscheidende kracht van lokale omroepen. De regering is van mening dat juist door de schaalvergroting er in heel Nederland professionele redacties komen die fysiek en inhoudelijk aanwezig kunnen zijn in de verschillende gemeenten binnen het verzorgingsgebied. Een stevige verankering in het verzorgingsgebied is immers alleen mogelijk als de lokale publieke omroep beschikt over voldoende (journalistieke) slagkracht. Door aanwezig te zijn bij raadsvergaderingen, sportevenementen of streekeigen gebeurtenissen, bouwt een omroep aan verbinding met de omgeving.
Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in de samenleving borgt. Dit orgaan moet een afspiegeling zijn van de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen binnen het gehele verzorgingsgebied. Dit dwingt de lokale publieke omroep tot een actieve dialoog met alle relevante lokale geledingen.
De regering meent dat een professionele lokale publieke omroep de vrijwillige inzet binnen haar organisatie nog beter kan faciliteren en ondersteunen. Juist de combinatie van professionele redactievoering en de lokale kennis van vrijwilligers in dorpen en wijken versterkt de verankering.
Het wetsvoorstel stelt daarnaast de verplichting aan kandidaat-omroepen om in het beleidsplan in te gaan op de voorgenomen geografische en sociaal-culturele verscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het aanbod en de inzet van vrijwilligers en lokale partners. Gemeenteraden adviseren over deze eisen, evenals over het pbo, in het kader van de aanwijzingsprocedure, waardoor ook kan worden ingestaan voor representativiteit en lokale inbedding.
6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
6.1 NLPO
De Stichting NLPO wil, om een zorgvuldige “ingroei” in het nieuwe bestel te kunnen realiseren, blijven werken aan het opbouwen van aanvullende capaciteit en het begeleiden van lokale publieke omroepen met uiteenlopende uitgangsposities. Kan de regering wat meer toelichting geven over de uiteenlopende uitgangsposities van de lokale publieke omroepen? Waar moeten de leden van de CDA-fractie aan denken?
De verschillen in de huidige uitgangspositie hebben vooral te maken met de schaal en financiële basis waarop lokale publieke omroepen de afgelopen jaren hebben kunnen werken. De inzet van de NLPO en de professionaliseringssubsidie van het SvdJ hebben weliswaar bijgedragen aan het verminderen van de verschillen, maar deze nog niet volledig kunnen wegnemen. Zo bedienen sommige lokale publieke omroepen nu een grotere gemeente of meerdere gemeenten en beschikken zij daardoor over meer middelen en een grotere organisatorische capaciteit. Andere lokale publieke omroepen werken met een veel kleinere financiële basis en zijn sterker afhankelijk van vrijwilligers. Ook de bestuurlijke en organisatorische continuïteit verschilt per omroep. In sommige verzorgingsgebieden is sprake geweest van wisselingen van de aangewezen omroep of van minder stabiele samenwerking tussen lokale publieke omroepen. Dat werkt door in de mate waarin bestuurlijke, zakelijke en journalistieke capaciteit is opgebouwd voor de voorziene start van het nieuwe stelsel.
De Stichting NLPO heeft in de uitvoeringstoets een inschatting van de kosten gemaakt in verband met de extra taken. De hoogte van deze bekostiging is echter ook afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen in lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen. Wat bedoelt de regering precies? En is dit duidelijk bij de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel?
De NLPO geeft in zijn uitvoeringstoets aan dat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de bepalingen over de financiële verantwoording afhankelijk zijn van de uitwerking van deze bepalingen bij ministeriële regeling. Inmiddels is dit zogenoemde handboek financiële verantwoording in concept gereed en is naar aanleiding daarvan het gesprek over de uitvoeringskosten van de NLPO gevoerd. Voor de structurele extra uitvoeringslasten van de NLPO is op basis van de meest recente ramingen van de NLPO vanaf 2028 jaarlijks € 2,7 miljoen gereserveerd.
De leden van de BBB-fractie erkennen dat het pbo een formeel stevige positie krijgt en dat er instrumenten zijn zoals zelfevaluaties en toezicht door het Commissariaat. Tegelijkertijd constateren deze leden dat veel van deze instrumenten een zwaar of indirect karakter hebben (zoals het intrekken van een aanwijzing), en vragen zij zich af hoe effectief tussentijds kan worden bijgestuurd. Zij hebben daarom de volgende vragen.
Welke concrete, lichtere interventiemogelijkheden zijn er wanneer het pbo of andere betrokkenen signaleren dat de lokale zichtbaarheid binnen een verzorgingsgebied onder druk staat?
Indien het pbo signaleert dat de lokale zichtbaarheid onder druk staat, kan het pbo het bestuur van de omroep aansporen om het programmabeleid tussentijds aan te passen. Lokale publieke omroepen voeren in het tweede jaar van hun aanwijzing bovendien een zelfevaluatie uit. Daarmee toetsen de omroepen hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, zoals beschreven in hun beleidsplannen. In de evaluaties kan uitdrukkelijk worden ingegaan op de lokale zichtbaarheid, bijvoorbeeld wanneer hiertoe signalen zijn ontvangen vanuit het pbo of andere betrokkenen.
De lokale publieke omroepen rapporteren de zelfevaluaties aan de NLPO, die als daar aanleiding voor is een nadere, onafhankelijke evaluatie kan laten verrichten. De regering ziet de getrapte evaluatie als een functioneel instrument omdat de eigen verantwoordelijkheid van de omroepen wordt benut en er recht wordt gedaan aan de coördinerende taak van de NLPO.
Hoe wordt geborgd dat signalen uit zelfevaluaties daadwerkelijk leiden tot aanpassing in beleid of uitvoering en niet slechts onderdeel worden van verantwoording achteraf?
Signalen uit zelfevaluaties kunnen worden vertaald in concrete verbeterpunten en maatregelen voor de omroep. Daarbij kan het gaan om aanpassingen in de programmering, de journalistieke werkwijze, de samenwerking binnen het verzorgingsgebied, de governance, de financiële organisatie of de wijze waarop verschillende gemeenten, kernen en doelgroepen worden bediend.
De opvolging daarvan komt terug in de reguliere planning, uitvoering en verantwoording van de omroep, zodat zichtbaar wordt welke signalen zijn opgepakt en tot welke aanpassingen dit heeft geleid. Ook de NLPO kan hierin een rol vervullen. Zij kan signalen uit zelfevaluaties benutten bij begeleiding, kennisdeling, handreikingen, opleidingen en de inzet van kwartiermakers of coaches. Ook kunnen signalen uit zelfevaluaties aanleiding vormen voor de NLPO om een onafhankelijke evaluatie te laten verrichten, waaruit concrete aanbevelingen volgen ten behoeve van de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
Daarnaast kan de NLPO terugkerende patronen en knelpunten op sectorniveau signaleren en escaleren richting Commissariaat, dat beschikt over een interventievormen die voorafgaan aan formele instrumenten zoals het opleggen van boetes of het intrekken van de aanwijzing.
In hoeverre acht de regering het wenselijk dat er aanvullende instrumenten komen om gedurende de aanwijzingsperiode bij te sturen zonder direct naar zware middelen zoals intrekking van de aanwijzing te hoeven grijpen? Deelt de regering de zorg dat de voorgestelde waarborgen vooral vooraf (bij aanwijzing) en achteraf (via toezicht en evaluatie) aangrijpen maar beperkt voorzien in sturing tijdens de uitvoering? Zo ja, hoe wordt dit ondervangen?
De regering acht de voorgestelde waarborgen toereikend. Immers bieden de tussentijdse evaluaties mogelijkheden voor de lokale publieke omroepen om ook gedurende de uitvoering van de publieke mediaopdracht bij te sturen, bijvoorbeeld naar aanleiding van signalen vanuit het pbo of andere betrokkenen. De regering acht het gezien bovenstaande en het belang van autonomie bij de lokale publieke omroepen niet passend of wenselijk om verdere sturingsmogelijkheden te creëren die ingezet kunnen worden tijdens de uitvoering van de publieke media-opdracht door omroepen.
6.2 Commissariaat voor de Media
Het Commissariaat heeft een uitvoeringtoets gemaakt en stelt ook de bekostiging ter discussie. Ook hier stelt de regering dat die in hoge mate afhankelijk is van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen van de lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen. De leden van de CDA-fractie vragen of dit duidelijk is bij de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel.
Het Commissariaat geeft in zijn uitvoeringstoets aan dat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de bepalingen over de financiële verantwoording afhankelijk zijn van de uitwerking van deze bepalingen bij ministeriële regeling (het zogenoemde “financieel handboek”). De regering heeft dit onderschreven in haar reactie op de uitvoeringstoets. Inmiddels is het financieel handboek in concept gereed, en is naar aanleiding daarvan het gesprek over de uitvoeringskosten van het Commissariaat opnieuw opgestart. Op basis van die gesprekken wordt voor de structurele extra uitvoeringslasten voor het Commissariaat op basis van de huidige ramingen van het Commissariaat vanaf 2028 jaarlijks € 0,8 miljoen gereserveerd.
Het Commissariaat wil meer duidelijkheid in de wetgeving voor gevallen waarin geen aanvragen worden ingediend voor een lokaal verzorgingsgebied of er geen aanvragers zijn die aan de vereisten voldoen. Het Commissariaat acht het daarbij wenselijk om voor deze gevallen een “vangnetbepaling” op te nemen. De regering acht dit niet nodig. Kan de regering schetsen hoe het in praktijk zal werken als er geen aanvragen voor een lokaal verzorgingsgebied zijn?
De regering meent dat het wetsvoorstel voorziet in criteria voor aanwijzing en in gronden voor afwijzing, en daarnaast het Commissariaat voldoende discretionaire ruimte biedt om de gevallen die zich kunnen voordoen te adresseren. Als er geen aanvraag wordt ingediend voor een aanwijzing in een lokaal verzorgingsgebied, zal de situatie zich voordoen dat er in dat gebied gedurende een aanwijsperiode van vijf jaar geen lokale publieke omroep actief zal zijn. Aanwijzing geschiedt namelijk op aanvraag (voorgesteld artikel 2.87k, eerste lid). De regering verwacht echter dat die kans zeer klein is, gezien het feit dat in vrijwel alle voorgenomen lokale verzorgingsgebieden al een omroep bezig is met professionalisering dankzij de SvdJ-subsidie.
De Algemene Rekenkamer benadrukt het belang van duidelijke toezichtregels voor lokale publieke omroepen. Zij wil hierover met het Commissariaat in overleg, rekening houdend met diens zelfstandigheid en de autonomie van omroepen. De uitvoeringstoets van het Commissariaat vormt hiervoor een goed vertrekpunt. Kan de regering toelichten welk toezicht zij passend acht voor de lokale publieke omroepen en aan welke criteria dit moet voldoen?
Toezicht moet in algemene zin proportioneel en risicogericht zijn. In het kader van mediatoezicht is ook onafhankelijkheid essentieel: het gaat hierbij om de onafhankelijkheid van de toezichthouder om zijn toezicht in te richten en uit te voeren, alsmede om de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroepen in het maken van redactionele keuzes.
Als het gaat om de gevolgen van het wetsvoorstel voor het toezicht van het Commissariaat, constateert de regering het volgende. Het toezicht van het Commissariaat strekt zich op grond van de huidige wet al uit over de lokale publieke omroepen. Zo gelden de voorschriften van de Mediawet 2008 die zich in algemene zin richten tot publieke omroepen ook voor lokale publieke omroepen. Het gaat dan bijvoorbeeld over de publieke mediaopdracht en bepalingen over reclame. Het toezicht dat het Commissariaat al heeft, blijft.
Nieuw is dat de NLPO onder het toezicht van het Commissariaat komt te vallen. Daarnaast wordt het toezicht op de lokale publieke omroepen verbreed. Zo wordt het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NLPO en de lokale publieke omroepen. Daartoe worden de NLPO en de omroepen verplicht hun jaarrekening aan het Commissariaat te zenden. Voor de lokale publieke omroepen gaan bovendien bepalingen over bedrijfsprocessen en administratie gelden.
De regering is van mening dat de primaire taak tot het vormgeven van een zogeheten toezichtsarrangement belegd hoort te zijn bij de onafhankelijke toezichthouder, namelijk het Commissariaat. Wel is de regering voornemens om, met inachtneming van ieders rollen en verantwoordelijkheden, met het Commissariaat en de NLPO in gesprek te gaan en te blijven over een adequaat toezichtsarrangement.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanbeveling van het Commissariaat niet overneemt om de bestaande ICE-norm zodanig te wijzigen dat deze ook voor radio goed toepasbaar is. Als gevolg daarvan verdwijnt een inhoudelijke richtinggevende norm helemaal uit de wettelijke opdracht van de regionale en lokale omroepen, terwijl een dergelijk kader wel geldt ten aanzien van de landelijke publieke omroep (art. 2.1). Deze keuze komt niet consistent over en lijkt ook niet wenselijk vanuit het waarborgen van de regionale en lokale publieke media-opdracht. Deze leden vragen een nadere onderbouwing van deze afwijkende keuze.
De regering heeft er in het wetsvoorstel voor gekozen om de huidige “ICE-norm” aan te passen. De huidige Mediawet 2008 bevat een kwalitatieve norm voor het media-aanbod van regionale en lokale publieke omroepen.78 Deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbod voor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard (ICE), dat in het bijzonder betrekking heeft op het verzorgingsgebied waarvoor het aanbod is bestemd. Bovendien moet vijftig procent van dit aanbod door de regionale of lokale publieke omroep zelf of uitsluitend in zijn opdracht zijn geproduceerd. Deze norm voor ICE vormt een nadere invulling van de publieke mediaopdracht uit artikel 2.1 van de Mediawet 2008 voor het lokale niveau. Ook daarin is al opgenomen dat het aanbod van een publieke omroep informatie, cultuur en educatie moet bevatten. In zoverre is de ICE-norm in feite een dubbeling. Het wetsvoorstel bevat ook andere sturende elementen voor die invulling. In het bijzonder is dit het concessiebeleidsplan NLPO, waarin de NLPO moet beschrijven hoe de publieke mediaopdracht op lokaal niveau voor de komende vijf jaar wordt uitgevoerd. Blijvend relevante elementen uit de norm zijn een minimumpercentage (van vijftig procent) voor aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op het verzorgingsgebied en een minimumpercentage (van vijftig procent) voor aanbod dat door de omroep zelf of uitsluitend in zijn opdracht is geproduceerd. De minimumpercentages ondersteunen het publieke karakter van het aanbod. Deze vereisten keren terug in de nieuwe bepaling.79
6.3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de financiering van de lokale publieke omroep losstaat van de inhoudelijke keuzes. De regering verwacht dat de omroep hierdoor meer betrokken raakt bij de gemeente en lokale gemeenschap. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarop deze verwachting is gebaseerd en hoe de regering wil toetsen of het wetsvoorstel daadwerkelijk tot een sterke en relevante lokale publieke omroep leidt.
De regering is van mening dat er meer ruimte komt voor een kritische, onafhankelijke rol van de lokale publieke omroep als de financiële afhankelijkheid van het lokale bestuur beperkt is. Dat volgt op de oorzaken voor de zorgelijke staat van de lokale publieke omroepen die de ROB en de RvC in hun adviezen hebben genoemd. Zij concludeerden dat de wijze van financiering ervoor zorgt dat lokale publieke omroepen financieel afhankelijk zijn van de gemeenten waarover zij moeten berichten en die zij vanuit hun journalistieke opdracht moeten controleren. Met dit wetsvoorstel wordt daarbij ook schaalvergroting en professionalisering, alsmede coördinatie door de NLPO bereikt.
Of dat pakket aan maatregelen op termijn leidt tot sterke en relevante lokale publieke omroepen wordt getoetst via de wetsevaluatie die binnen zeven jaar na inwerkingtreding van de wet de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk in kaart brengt. Daarnaast biedt de driejaarlijkse evaluatie van het Commissariaat inzicht in de bekostiging en financiële gezondheid van lokale publieke omroepen. Volgens dit wetsvoorstel blijft het Commissariaat deze - bestaande - driejaarlijkse evaluatie uitvoeren. Om een beeld te krijgen van bereik en waardering van de lokale publieke omroepen, kan gebruik worden gemaakt van bereiksonderzoek van de NLPO of lokale publieke omroepen. Ook de zelfevaluaties van lokale omroepen en de coördinerende rol van de NLPO leveren informatie op.
7. Financiële gevolgen
Het totaalbedrag dat straks naar de lokale publieke omroepen gaat, zou in het nieuwe stelsel hoger uitvallen dan nu het geval is, maar lager dan het bedrag dat de ROB en de RvC in 2020 adviseerden. Met € 15 miljoen extra zou volledig kunnen worden voldaan aan het advies van beide adviesraden. De Kamer heeft met steun van de GroenLinks-PvdA-fractie de regering verzocht om te voorkómen dat lokale omroepen vanaf 2028 minder ontvangen dan nu het geval is.80 De Kamer acht zich ook niet gebonden aan het voorgenomen financieel kader van het coalitieakkoord Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland.81 De Kamer biedt de regering dus wel degelijk mogelijkheden om aan haar wens tegemoet te komen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering de € 50 miljoen die de Kamer heeft bevochten voor de landelijke publieke omroep om het amendement Bontenbal c.s.82 ongedaan te maken, nu ongemoeid laat.
Zoals is aangegeven in de beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW wordt uit de extra middelen voor media uit het coalitieakkoord de bezuiniging op de rijksmediabijdrage van de landelijke publieke omroep deels teruggedraaid met structureel € 45 miljoen vanaf 2027.83 De verruiming van de reclamemogelijkheden van de publieke omroep die het vorige kabinet heeft aangekondigd als reactie op het amendement Bontenbal, wordt ook teruggedraaid. Uit de overige extra middelen voor media investeert het kabinet vanaf 2027 € 3,4 miljoen per jaar in de lokale publieke omroepen, bovenop de reeds beschikbare € 31 miljoen. Tot slot stelt het kabinet vanuit de extra middelen voor media uit het coalitieakkoord € 1 miljoen per jaar beschikbaar voor een programma waarmee wordt ingezet op de versterking van journalistieke vrijheid, persveiligheid en de trajecten die worden gestart in navolging van het WRR-rapport.
De Stichting NLPO weet de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor te rekenen dat lokale omroepen er juist vanaf 2028 circa € 5 miljoen op achteruitgaan, zodra men rekening houdt met de tijdelijke overbruggingsmiddelen van het SvdJ en de extra uitvoeringslasten van de NLPO.84 Kan de regering specificeren welke streken er in de praktijk financieel op achteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekostiging inclusief de middelen van het SvdJ, nog afgezien van eventuele aanvullende gemeentelijke bijdragen die in sommige streken nu ook deel uitmaken van de feitelijke financieringsbasis?
Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekomstige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidige bedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kanttekeningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebben een tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelen hebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 2023, 2024, 2025, 2026 en 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ zijn van dezelfde omvang en komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel verdeeld worden.
Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om in structurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbekostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het is daarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen voor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggingsmiddelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in een dergelijke vergelijking.
De regering heeft inderdaad berekeningen gemaakt aan de hand van de verdeelsleutel en zal de uitkomsten zo snel mogelijk, op basis van de momenteel bekende cijfers uit CBS-bronnen, met de Kamer delen. In een latere officiële publicatie voorafgaand aan de openstelling van de aanwijzingsprocedure zal het percentage bekend worden waar de lokale publieke omroepen aanspraak op kunnen maken.
De regering kiest er niet voor om tijdelijke middelen onderdeel te laten zijn van deze berekening. De regering kiest er voor om te vergelijken met de structurele bekostiging vanuit de gemeenten. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.85 Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024.
Klopt het beeld dat, uitgaande van de Mediabegrotingsbrief 2026 en een Nederlandse bevolking van circa 18,1 miljoen inwoners, de publieke bekostiging neerkomt op ongeveer € 55,70 per inwoner voor de landelijke publieke omroep, € 10,90 per inwoner voor de 13 regionale publieke omroepen en - uitgaande van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbudget van circa € 31 miljoen - slechts € 1,70 per inwoner voor de lokale publieke omroep? Zo ja, welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze verhouding binnen het publieke omroepbestel, juist nu van de lokale publieke omroep wordt verwacht dat zij in tachtig streken een structurele, professionele en onafhankelijke nieuwsvoorziening dicht bij de burger organiseert?
In grote lijnen klopt deze berekening, hoewel de regering eraan hecht te vermelden dat de rijksmediabijdrage voor de landelijke publieke omroep lager uitvalt. In dit rekenvoorbeeld zijn namelijk de Ster-inkomsten meegeteld als publieke bekostiging. Indien enkel de rijksmediabijdrage wordt meegeteld, komt de bekostiging voor de landelijke publieke omroep uit op ongeveer € 46,15 per inwoner, een verschil van ongeveer € 150 miljoen.
De regering erkent dat de lokale publieke laag een belangrijke democratische taak vervult. Het lokale budget wordt structureel verhoogd en wordt de basisbekostiging gekoppeld aan schaalvergroting en vijfjarige voorspelbaarheid. De verhouding tussen de lagen en de hoogte van de bekostiging voor de lagen is in de loop van de tijd zo gegroeid. De regering is in de memorie van toelichting ingegaan op de geschiedenis van de bekostiging van de lokale publieke omroep (zie paragraaf 2.2 van de toelichting).
8. Evaluatie
De leden van de VVD-fractie hechten aan een goede evaluatie van de doeltreffendheid van wetgeving. Deze leden vragen welke concrete indicatoren de regering hanteert om het succes en de effectiviteit van deze wetswijziging te monitoren en te evalueren.
Het wetsvoorstel bevat een algemene evaluatiebepaling, het voorgestelde artikel 9.14i. In ieder geval wil de regering de volgende elementen betrekken: (1) de financiële gezondheid van de lokale publieke omroepen, (2) het bereik en de waardering van de lokale publieke omroepen en (3) de rol die de lokale publieke omroepen spelen in de hoeveelheid en het type lokaal nieuws in Nederlandse gemeenten.
Ten aanzien van het eerste onderdeel: financiële gezondheid is een duidelijke indicator. Het Commissariaat doet hier momenteel al onderzoek naar en er zal in de nieuwe situatie een taak voor het Commissariaat blijven bestaan op dit punt. Hiermee wordt het mogelijk de financiële gezondheid inzichtelijk te maken. Voor het tweede onderdeel kan worden aangesloten bij bereiksonderzoek van de NLPO of van de lokale omroepen zelf. Voor het derde onderdeel wordt verwezen naar een nieuw op te zetten onderzoek van het SvdJ en het Commissariaat naar aanbod, verspreiding en kwaliteit van lokaal nieuws. Dit onderzoek zal ook betrekking hebben op private partijen, waardoor het medialandschap integraal bezien wordt.
Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatie binnen zeven jaar na inwerkingtreding van de wet. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben behoefte aan een toelichting op deze lange termijn. Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag Zou een termijn van drie tot vier jaar niet eerder voor de hand liggen mede in het licht van de zittingstermijn van de gemeenteraden?
De termijn van zeven jaar is gekozen omdat na inwerkingtreding van de nieuwe wet eerst een overgangsperiode van ongeveer één tot anderhalf jaar nodig is ter voorbereiding van de start van het nieuwe bestel. In deze periode worden bijvoorbeeld de aanwijzingsprocedures voor de nieuwe lokale publieke omroepen gevoerd. Pas na de overgangsperiode begint de eerste vijfjarige concessiebeleidsplan- en aanwijzingsperiode. Een evaluatie na zeven jaar maakt het mogelijk het nieuwe stelsel over een volledige eerste periode te beoordelen. Een evaluatie na drie of vier jaar zou vooral de overgang en aanloop meten en in mindere mate de werking van het stelsel.
9. Advies en consultatie
De Raad van State had geadviseerd om het wetsvoorstel niet in te dienen, tenzij het werd aangepast. Onder meer betrof het advies het maximum van tachtig omroepgebieden, waarvan de Raad van State adviseerde dit maximum niet vast te leggen in de wet, in verband met de mogelijkheid dat een gebied te groot zou blijken of onvoldoende een eigen geografische, economische en sociaal-culturele identiteit zou hebben. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassingen in het wetsvoorstel. Kan de regering nader toelichten waarom een wezenlijke schaalvergroting en stabiele indeling in verzorgingsgebieden zou staan of vallen precies bij tachtig lokale publieke omroepen, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.
Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aan de hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag per omroep en daarmee de mogelijkheden voor professionalisering. Fluctuaties in het aantal verzorgingsgebieden zorgen direct voor fluctuaties in de budgetten en daarmee minder financiële stabiliteit voor de omroepen. Er is daarom voor gekozen om het aantal omroepen op maximaal tachtig vast te leggen.
9.2 Autoriteit Persoonsgegevens
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het advies van de tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing86 en vragen de regering om, zoals de tijdelijke commissie in overweging heeft gegeven, de noodzaak toe te lichten van het verwerken van gegevens over vakbondslidmaatschap en gezondheid voor het borgen van de representativiteit van het pbo.
Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens over vakbondslidmaatschap en gezondheid ten behoeve van de representativiteit van het pbo zal niet voor elk verzorgingsgebied noodzakelijk zijn. Echter, denkbaar is dat het in bepaalde verzorgingsgebieden wenselijk zal zijn dat vertegenwoordigers van een vakbond of een belangenorganisatie in het kader van gezondheid zitting nemen in het pbo. Daarbij kan gedacht worden aan verzorgingsgebieden waar specifieke vormen van industrie een grote rol spelen in het maatschappelijke leven en de werkgelegenheid. In dat geval kan het wellicht wenselijk zijn om de betreffende inwoners door middel van een vakbondsvertegenwoordiger te vertegenwoordigen in het pbo. Wat betreft gezondheid spelen belangenorganisaties een belangrijke rol bij het toegankelijk maken van lokale faciliteiten en voorzieningen, zoals lokale media, voor personen met een handicap of chronische ziekte. Vertegenwoordiging van deze inwoners in het pbo kan daarom wenselijk zijn.
Indien een vakbondslid uit hoofde van dat lidmaatschap zitting heeft in het pbo betekent dat dat in het kader van de aanwijzingsprocedure bijzondere persoonsgegevens, namelijk gegevens over vakbondslidmaatschap zullen worden verwerkt door het Commissariaat en de gemeenteraad of -raden. In geval een vertegenwoordiger van een belangenorganisatie voor personen met een handicap of chronische ziekte zitting heeft in het pbo kan daarbij verwerking van gegevens over diens gezondheid plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer deze persoon ervaringsdeskundige is en in die hoedanigheid betrokken is bij de betreffende belangenorganisatie. In beide gevallen kan verwerking van de bijzondere persoonsgegevens dan ook noodzakelijk zijn om de representativiteit van het pbo te borgen.
9.3 Internetconsultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat er enkele zorgen bestaan over de samenwerking tussen lokale en regionale omroepen. Daartoe vragen deze leden de regering of de samenwerking tussen lokale en regionale omroepen in het nieuwe stelsel enkel aanvullend zal zijn, en of de zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht hiermee niet in het gedrang zal komen.
De lokale en regionale omroepen hebben ieder hun een eigen, wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij het schaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagen is aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPO ook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan een duidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod, meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving, het vergroten van het bereik en een sterkere verbinding met het publiek op het lokale en regionale niveau. Versterking van de lokale omroep zoals wordt voorgesteld met dit wetsvoorstel, komt de samenwerking ten goede, omdat er op veel meer plekken in Nederland een professionele lokale omroep komt om mee samen te werken.
De regering stelt dat - in combinatie met de schaalvergroting naar maximaal tachtig lokale publieke omroepen - er vanaf 2028, gemiddeld meer budget per omroep beschikbaar is. Waar baseert de regering dit op? Kan de regering dit eens grofmazig voorrekenen voor de fractie? Dit hangt toch ook van af hoeveel van het budget naar het Commissariaat gaat en naar de NLPO? En hoeveel uit het gemeentefonds? Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie hier een reactie op.
Met het wetsvoorstel vindt per 2028, op basis van de huidige berekeningen, een overheveling van € 13 miljoen uit het gemeentefonds naar de mediabegroting plaats. Daarnaast wordt de rijksmediabijdrage voor de lokale publieke omroepen verhoogd met de eerder aangekondigde investering van circa € 18,1 miljoen en met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen als aangekondigd in de Beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW.87
Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publieke omroepen.
Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.88
De regering zal de Kamer zo snel mogelijk na het versturen van deze nota en in ieder geval vóór de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel per brief informeren over de huidige ramingen voor het bedrag dat vanaf 2028 per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare cijfers op dat moment.
Gemeenten die aanvullend willen bekostigen moeten voorafgaand aan de aanwijzingsperiode bekend maken hoeveel middelen zij voornemens zijn hiervoor beschikbaar te stellen voor de lokale publieke omroep. Het blijft voor de leden van de CDA-fractie onduidelijk of hier bij het maken van de financiën rekening mee is gehouden of gemeenten (of een aantal gemeenten) bij willen dragen aan de financiering van de omroep. Of is ervan uitgegaan bij het maken van de financiële plaat dat gemeenten dit niet zullen doen?
In de berekeningen van de regering is steeds gewerkt met de nieuwe situatie. Hierin zijn gemeentelijke subsidies die worden verleend op grond van de voorgestelde afdeling 2.6.6A optioneel. Er is dus niet gerekend met de aanname dat gemeenten blijven bijdragen.
Volgens de regering is er geen aanleiding om de regels rondom reclame voor lokale publieke omroepen aan te passen, zelfs al wil men de publieke mediaopdracht lokaal versterken. De leden van de CDA-fractie verzoeken om verdere toelichting op de redenen achter dit standpunt van de regering.
De regering ziet geen aanleiding om de reclameregels voor lokale publieke omroepen aan te passen. De huidige Mediawet 2008 bevat regels over reclame, sponsoring en dienstbaarheid aan winst van derden. Het Commissariaat houdt daarop toezicht. De regering wil reclame niet verder aanmoedigen, omdat lokale publieke omroepen een publieke taak hebben en omdat uitbreiding van reclame de positie van commerciële lokale media kan raken. Een verbod op reclame voor lokale publieke omroepen acht de regering echter niet aan de orde; dat zou niet bijdragen aan het doel van het wetsvoorstel om de lokale omroepen te versterken. Beperkte reclame is binnen de bestaande regels mogelijk en de reclame-inkomsten kunnen benut worden voor de versterking van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De termijnen voor de aanwijzingsprocedures zouden wel eens erg krap kunnen worden indien het wetsvoorstel pas na 1 november 2026 in werking zou treden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat het nieuwe stelsel zou dan niet meer zou kunnen starten per 1 januari 2028. Hoe beziet de regering de haalbaarheid van 1 november 2026?
Als beschreven in de beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van OCW blijft het streven dat deze stelselwijziging van start gaat op 1 januari 2028.89 Dat is waar lokale publieke omroepen, gemeenten, de NLPO en het Commissariaat al enige jaren naartoe werken.
In verband met de benodigde voorbereidende werkzaamheden, waaronder het doorlopen van de procedures voor de aanwijzing van de nieuwe lokale publieke omroepen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel uiterlijk op 1 november 2026 als wet in werking treedt.90 Bij latere inwerkingtreding is start van het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 niet haalbaar. In dat geval zal die start naar alle waarschijnlijkheid een jaar vertraging oplopen; dat wil zeggen dat het nieuwe stelsel dan per 1 januari 2029 van start gaat.
De haalbaarheid van 1 november 2026 hangt in deze belangrijke fase nauw samen met de behandeling van het wetsvoorstel in uw Kamer, en de resultaten daarvan.
II. Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel O
De leden van de SGP-fractie vragen waarom in het voorgestelde artikel 2.78, eerste lid, onderdeel e, de leden van waterschapsbesturen niet zijn opgenomen. Deze leden menen dat ook vanuit de hoedanigheid van het waterschap op vergelijkbare wijze sprake zou kunnen zijn van onwenselijke invloed door het vervullen van dubbelfuncties.
De regering heeft bij de vormgeving van het wetsvoorstel de analogie gezocht met de regeling voor de regionale publieke mediadienst: de RPO en de regionale publieke omroepen. Die regeling is op haar beurt geënt op de inrichting van de landelijke publieke mediadienst. Zo heeft de regering beoogd voor consistentie te zorgen in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel. Een onverenigbaarheid voor leden van waterschapsbesturen is op het landelijke of regionale niveau niet voorzien.
Bovenstaand uitgangspunt ligt ten grondslag aan de keuze om lidmaatschap van het waterschapsbestuur niet op te nemen in de artikelen over onverenigbaarheden in het wetsvoorstel. Overigens wijst de regering in dit verband op het voorgestelde artikel 2.78, eerste lid, onderdeel g. Hieruit volgt dat het hebben van een nevenfunctie waardoor de onafhankelijkheid in het gedrang komt, een onverenigbaarheid kan opleveren.
Artikel 2.87l
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering als uitwerking van de doelstelling van de lokale publieke media-instelling uitsluitend benoemt het bevredigen van de maatschappelijke behoeften. Hoewel het van belang is dat deze instellingen zich in voldoende mate rekenschap geven van de maatschappelijke behoeften, menen deze leden dat het uitvoeren van een hoogwaardige, veelzijdige opdracht meer behelst dan het bevredigen van behoeften. Tegen de achtergrond van het feit dat ook de ICE-norm komt te vervallen, hebben deze leden de indruk dat hier een kwetsbaarheid schuilt. Zij vragen een toelichting waarom het wetsvoorstel niet kiest voor een iets meer richtinggevende benadering.
Het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b, waarnaar de leden verwijzen, regelt de statutaire doelstelling van de instelling als aanwijzingsvereiste. De formulering sluit aan bij de formulering in het huidige artikel 2.61, tweede lid, onderdeel b, voor de lokale en regionale omroep, en bij de vergelijkbare bepalingen voor de landelijke omroep (artikelen 2.24, eerste lid, onderdeel c, en 2.24a, eerste lid, onderdeel c). De inhoudelijke opdracht voor de lokale publieke omroep volgt uit het bredere wettelijke kader. Het voorgestelde artikel 2.87l moet worden gelezen in samenhang met artikel 2.1 van de Mediawet 2008, waarin de publieke mediaopdracht en de publieke waarden zijn vastgelegd, en met het voorgestelde artikel 2.87x, dat normen bevat voor gebiedsgericht en eigen aanbod. Daarnaast geven het concessiebeleidsplan NLPO en het beleidsplan dat een instelling moet overleggen om te kunnen worden aangewezen als lokale publieke omroep, en waarover advies wordt uitgebracht door de NLPO en de gemeenteraad of -raden, richting aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. De regering acht een aanpassing van de formulering in artikel 2.87l, onderdeel b, niet nodig of wenselijk.
Artikel 2.87n
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft om in de beschrijving van het beleidsplan aan te sluiten bij de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid die ook in artikel 2.87m te vinden is. Op deze wijze zou het voorstel een meer eenduidige focus brengen in de opdracht van de lokale omroepen, mede van belang voor de adviestaak die de gemeenten hebben in dezen.
De regering heeft in artikel 2.87n gekozen voor een beleidsplan dat ingaat op de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht in brede zin, waaronder het bedienen van de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod, afspraken over de inzet van vrijwilligers en samenwerking met lokale partners. Artikel 2.87m ziet specifiek op het pbo en met name de representativiteit van het pbo voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen in het verzorgingsgebied. Deze bepalingen hebben verwante, maar verschillende functies. Wel is het zo dat de gemeenteraad, bij zijn advisering in het kader van de aanwijzingsprocedure, zowel een advies uitbrengt over de representativiteit van het pbo als over de hierboven genoemde criteria waaraan het beleidsplan moet voldoen. Daarmee is de samenhang tussen beide bepalingen, in de ogen van de regering, voldoende verzekerd.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Kamerstukken II 2024/25, 36600-VIII, nr. 53.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.75, derde lid.↩︎
Het voorgestelde 2.87 e. tweede lid, onderdeel c.↩︎
Lokale media: Niet te Missen, ROB en RvC, november 2020, p. 3.↩︎
Aandacht voor media. Naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies, WRR september 2024, p. 153-154.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87h, tweede en derde lid.↩︎
Dit volgt uit het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 32827, nr. 294.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Zie de wetgevingskalender voor de voorgestelde aanpassing van het Mediabesluit 2008: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026595.↩︎
Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPO en VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.↩︎
Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change Board NLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 32827, nr. 305.↩︎
WRR (2024) Aandacht voor media, naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies. Den Haag, p. 162.↩︎
Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Mediawet 2008.↩︎
De voorgestelde paragraaf 2.4.1.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87e.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87n.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87p.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.173b.↩︎
Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800 VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.↩︎
Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
DAEB: diensten van algemeen economisch belang.↩︎
Doorrekening financiële scenario’s streekomroepen. Cebeon, november 2023.↩︎
Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek van artikel 2.144, tweede lid, van de Mediawet 2008.↩︎
Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.↩︎
Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek.↩︎
Doorrekening financiële scenario’s streekomroepen. Cebeon, november 2023.↩︎
Zie de vorige voetnoot.↩︎
Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPO en VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.↩︎
Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change Board NLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.↩︎
Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 16.↩︎
Kamerstukken II 2012/13, 33400-VIII, nr. 29.↩︎
Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.↩︎
Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.↩︎
Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).↩︎
Artikel 5, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid).↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 67.↩︎
Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87n, eerste lid, onderdelen d tot en met f.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87p, derde lid.↩︎
Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPO en VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.↩︎
Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change Board NLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.↩︎
Het voorgestelde artikel 2.87h, tweede en derde lid.↩︎
Dit volgt uit het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b.↩︎
Lokale media: Niet te Missen, ROB en RvC, november 2020, p. 71.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36917, nr. 4.↩︎
Commissariaat, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)↩︎
Artikelen 2.5, elfde lid, 2.8, tweede lid, 2.60c, elfde lid, en 2.60f, tweede lid, van de Mediawet 2008.↩︎
Commissariaat, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/).↩︎
ICE-norm: deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbod voor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32827, nr. 326.↩︎
In de memorie van toelichting bij de wet is uitgegaan van een oudere versie van het DAEB-vrijstellingsbesluit. In deze nota wordt uitgegaan van de meest recente versie; Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Artikel 2, derde lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Artikel 4 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Artikel 7 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Artikel 7 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.↩︎
Voor een nadere toelichting op de individuele voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van de memorie van toelichting.↩︎
WNT: Wet normering topinkomens.↩︎
Artikel 2.6, eerste lid, van de WNT.↩︎
Artikel 2.70 van de Mediawet 2008.↩︎
Zie het voorgestelde artikel 2.87x.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 67.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 34.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36600-VIII, nr. 141.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36917, nr. 6.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024 van het Commissariaat, nog te publiceren.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 148.↩︎
Zoals ook benoemd in het position paper van het Commissariaat van 23 april 2026 https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/.↩︎