Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
De situatie in het Midden-Oosten
Brief regering
Nummer: 2026D24317, datum: 2026-05-22, bijgewerkt: 2026-05-27 15:31, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
- Mede ondertekenaar: S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Ooit D66 kamerlid)
- Besluit van, houdende tijdelijke economische beperkingen voor het tegengaan van het in stand houden van de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden)
- Beslisnota bij Kamerbrief Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Onderdeel van kamerstukdossier 23432 -749 De situatie in het Midden-Oosten.
Onderdeel van zaak 2026Z10747:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 12:30 ⇒ De commissie besluit om een technische briefing te organiseren gevolgd door een feitelijke vragenronde. (Besluit)
- 2026-05-27 14:05 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-27 14:05: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-04 12:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
23 432 De situatie in het Midden-Oosten
Nr. 749 Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Op 22 mei heeft de ministerraad ingestemd met het aanhangig doen maken
van het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de
door Israël bezette gebieden voor spoedadvies bij de Afdeling
advisering van de Raad van State (Raad van State). Met het
ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur (het sanctiebesluit, of
het besluit) geeft het kabinet invulling aan de moties Paternotte
c.s.,1 Van Baarle2 en
Piri.3 Middels deze brief informeert het
kabinet uw Kamer op hoofdlijnen over het sanctiebesluit. Het
sanctiebesluit is onder voorbehoud van mogelijke wijzigingen naar
aanleiding van het advies van de Raad van State. Voor de uitgebreide
ratio achter het besluit verwijzen wij u naar de bijbehorende nota van
toelichting.4
De huidige situatie
Als bekend acht het kabinet de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden en de Syrische Golanhoogvlakte onrechtmatig. Het Internationaal Gerechtshof heeft in zijn advies opgeroepen de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël.5
Het kabinet maakt zich grote zorgen over deze situatie in de Westelijke Jordaanoever en Syrische Golanhoogvlakte, ook in de context van de bredere regionale escalatie. Het Israëlische nederzettingenbeleid, het kolonistengeweld en recent aangekondigde maatregelen, waaronder de besluiten die de Israëlische civiele controle over de Westelijke Jordaanoever verder uitbreiden, ondermijnen een tweestatenoplossing verder, en druisen in tegen het internationaal recht en aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, zoals het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, resoluties ES-10/24 en A-79/90 van de Algemene Vergadering van de VN, en resoluties 465 (1980) en 497 (1981) van de VN-Veiligheidsraad.
Het kabinet heeft zich steeds naar vermogen en in samenwerking met partners ingezet om de zorgwekkende situatie in de bezette gebieden te verbeteren en zal dat blijven doen.6 Wat betreft de Israëlische bezetting acht Nederland deze onrechtmatig in het verlengde van het advies van het Internationaal Gerechtshof. Gezien het Israëlische nederzettingenbeleid heeft het kabinet, naast publieke veroordelingen, besloten over te gaan tot handelsmaatregelen. Het kabinet heeft, conform motie Van Campen/Boswijk,7 in Europees verband herhaaldelijk gepleit voor handelspolitieke maatregelen op het niveau van de EU tegen de onrechtmatige nederzettingen. Voldoende steun voor dergelijke EU-maatregelen blijft tot nu toe echter uit. Derhalve introduceert het kabinet, zoals toegezegd8 en in lijn met de genoemde moties, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht.
Het sanctiebesluit
Dit sanctiebesluit is opgesteld op grond van de Sanctiewet 1977 als nadere invulling van het voorgenoemde IGH-advies en de VN-resoluties.9 Het besluit ziet op maatregelen met betrekking tot de handel in goederen afkomstig uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (Palestijnse Gebieden en Syrische Golanhoogvlakte). Het besluit bevat zowel een douanemaatregel (invoerverbod), diverse markttoezichtmaatregelen (aankoopverbod, verkoopverbod en het verbod op het verlenen van tussenhandeldiensten), alsook een verbod op het omzeilen van deze verboden. De maatregelen zijn van toepassing op iedere (rechts)persoon die zich bevindt in Nederland (inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en op alle Nederlandse (rechts)personen buiten Nederland.
Het kabinet kiest voor de combinatie van een douanemaatregel, markttoezichtmaatregelen en een omzeilingsverbod om de omzeilingsrisico’s van een louter nationaal invoerverbod te verkleinen. Als onderdeel van de Europese interne markt met een gemeenschappelijke Europese douanegrens en open binnengrenzen voor het goederenverkeer, is Nederland immers beperkt in het feitelijk handhaven van nationale invoerbeperkingen. De combinatie met diverse markttoezichtmaatregelen en een omzeilingsverbod ondervangt dit zoveel mogelijk.
Het kabinet heeft de doelmatigheid, doeltreffendheid, proportionaliteit, uitvoerbaarheid en regeldruk van de maatregel zorgvuldig gewogen. Desondanks is het aannemelijk dat de handhaving van de maatregelen tegen grenzen aan zal lopen. Dit heeft onder andere te maken met de aard van de interne markt, het feit dat de onrechtmatige nederzettingen geen afgebakend douanegebied vormen, en uitdagingen omtrent de identificatie van goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen. Het kabinet heeft ook samenwerking gezocht met EU-lidstaten die vergelijkbare nationale maatregelen hebben aangekondigd, om daarmee de effectiviteit zoveel mogelijk te waarborgen.
De verboden zien alleen toe op goederen, niet op diensten en investeringen. Voor nationale maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar in het Unierecht, maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke evidente grondslag niet gevonden.10 Een dergelijke grondslag is noodzakelijk in verband met de exclusieve bevoegdheid van de EU op het gebied van handelspolitiek. Om recht te doen aan de urgentie van de situatie en de oproep vanuit uw Kamer om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk tot stand te laten komen, is niet verder gewacht bij het opstellen van de nationale maatregel jegens goederen. Het kabinet zal doorgaan met het onderzoeken van de verdere (juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen.
Het sanctiebesluit is tijdelijk van aard en behoudens eerdere intrekking vervalt het drie jaar na inwerkingtreding, tenzij bij nadere wet anders wordt bepaald.11 De maatregelen betreffen complexe materie en het kabinet begrijpt dat het besluit nadere vragen bij uw Kamer zal oproepen. Het kabinet biedt uw Kamer daarom nogmaals de mogelijkheid voor een technische briefing aan.12
Vervolgproces
Het kabinet zal, conform zijn verplichtingen onder het Unierecht, de Europese Commissie informeren over de beoogde maatregelen.13 Het sanctiebesluit wordt tegelijkertijd aanhangig gemaakt bij de Raad van State met het verzoek om een spoedadvies, omdat het recente Israëlische optreden urgente stappen vergt. Het is de intentie van het kabinet dat het besluit zo spoedig mogelijk na het advies van de Raad van State definitief zal worden vastgesteld waarna het volgens de regels van de Sanctiewet 1977 twee maanden na publicatie in het Staatsblad in werking treedt.14
De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
De minister van Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236.↩︎
Kamerstuk 36 800 V, nr. 27.↩︎
Kamerstuk 23 432, nr. 619.↩︎
Zie bijlage en https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK028298/.↩︎
Kamerstuk 23 432, nr. 544.↩︎
Kamerstuk 23 432, nr. 569.↩︎
Kamerstuk 21 501-02, nr. 3196.↩︎
Kamerstuk 21 501-02, nr. 3253, p. 41.↩︎
Artikel 2, lid 1, van de Sanctiewet 1977.↩︎
Kamerstuk 21 501-02, nr. 3345.↩︎
Artikel 6, lid 4, van de Sanctiewet 1977.↩︎
TZ202509-111.↩︎
Artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 33 van Verordening (EU) nr. 2015/936.↩︎
Artikel 6, lid 1, van de Sanctiewet 1977.↩︎