[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Amendement van het lid Faber over het opnemen van een strafverzwaringsgrond voor het ronselen van minderjarigen

Wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet (verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)

Amendement

Nummer: 2026D24736, datum: 2026-05-26, bijgewerkt: 2026-05-26 14:49, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36705 -8 Wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet (verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit).

Onderdeel van zaak 2026Z10899:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 705 Wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet (verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)
Nr. 8 AMENDEMENT VAN HET LID Faber
Ontvangen 26 mei 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel A, onder 3, wordt als volgt gewijzigd:

  1. In de aanhef wordt “zesde tot achtste lid” vervangen door “zesde tot negende lid” en wordt “twee leden” vervangen door “drie leden”.

  2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Indien een van de feiten, omschreven in het vierde en vijfde lid, wordt begaan met een ander die de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt en hij die ander opzettelijk daarvoor werft, wordt de op dat feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.

II

In artikel I, onderdeel E, onder 2, wordt “zevende lid” vervangen door “achtste lid”.

Toelichting

Minderjarigen worden steeds vaker geronseld voor klussen in het criminele circuit. Zij zijn voor opdrachtgevers extra gewild doordat zij door het jeugdstrafrecht weer snel op straat staan. Na het uitzitten van de straf, vaak maar een paar dagen tot een paar weken, kunnen zij de criminele activiteiten weer gemakkelijk voortzetten, in tegenstelling tot een meerderjarige dader.

Om het ronselen van minderjarigen tegen te gaan, dient de opdrachtgever hiervoor, bovenop de straf voor louter de overtreding, gestraft te worden. De opdrachtgever maakt misbruik van de positie van de minderjarige voor eigen gewin. Indiener stelt daarom voor om een strafverzwaringsgrond op te nemen bovenop het gronddelict, in het geval dat is gebleken dat een minderjarige werd betrokken bij de uitoefening van de strafbare feiten.

Een vergelijkbaar wetsartikel is opgenomen in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Doorgaans worden de subleden 2 en 4 van het eerste lid van dit artikel ten laste gelegd bij criminele uitbuiting van minderjarigen in de zin van mensenhandel. Voor de bewezenverklaring dient vast te komen te staan, dat de verdachte het oogmerk had op die uitbuiting. Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden is het eenmalig inzetten van kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen onvoldoende om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. Pas in de gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen kan uitbuiting worden bewezen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1971).

Artikel 273f Sr richt zich specifiek op mensenhandel. Omdat minderjarigen veelal worden geronseld voor criminele activiteiten gelinkt aan het drugscircuit, draagt opname van de strafverzwaringsgrond in de Opiumwet bij aan het tegengaan daarvan.

Indiener is van mening dat de bestanddelen voor de bewezenverklaring niet zodanig hoge grenzen moeten opwerpen dat veroordeling op grond van dat artikel bijna onmogelijk is, nu het ronselen van minderjarigen een zeer kwalijk probleem is en de halt moet worden toegeroepen. Indiener neemt daarom afstand van het bestanddeel oogmerk. Het ‘oogmerk’ vormt de hoogste gradatie van opzet, indiener kiest daarom voor voorwaardelijke opzet. Het is dan voldoende als de opdrachtgever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zou intreden.

Faber