[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda aan voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3396)

Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D24924, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-06-02 15:37, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 21501 02-3419 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken .

Onderdeel van zaak 2026Z10985:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


21501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 3419 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLE

Vastgesteld 27 mei 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3396) en het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3398).

De vragen en opmerkingen zijn op 20 mei 2026 aan de minister voorgelegd. Bij brief 27 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Klaver

Adjunct-griffier van de commissie,

Dekker


Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / reactie van de minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.

Oekraïne en Rusland

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van voortgezette brede steun aan Oekraïne en het verder opvoeren van de druk op Rusland. Deze leden steunen de inzet van het kabinet om aanvullende sanctiemaatregelen te bevorderen, gericht op het tegengaan van de Russische schaduwvloot en het financieel isoleren van Rusland. Deze leden vragen of het kabinet bereid is in Europese Unie (EU)-verband actief te pleiten voor een maritime services ban op de Russische schaduwvloot. Zij vragen daarbij of het kabinet bereid is ook andere Russische scheepvaart en daaruit voortvloeiende economische activiteiten, waaronder witvisvangst, onder Europese sancties te brengen, en waar mogelijk eveneens onder een maritime services ban te laten vallen.

  1. Antwoord van het kabinet

Wat het kabinet betreft liggen alle opties op tafel als het gaat om het ondermijnen van het Russische verdienvermogen met aanvullende sancties. Zowel in G7- als in EU-verband worden doorlopend gesprekken gevoerd over het huidige olieprijsplafond en over het instellen van een volledig verbod op maritieme dienstverlening voor export van Russische olie. Ondanks de volatiliteit op de oliemarkt, blijft het kabinet voorstander van een dergelijke maatregel en pleit hier actief voor. Ten aanzien van Russische witvis geldt in verband met voedselzekerheid geen algeheel handelsverbod in de EU. Daarmee is de import en overslag van witvis in de EU momenteel nog niet verboden. Voor het kabinet liggen ook hier alle opties op tafel.

De leden van de D66-fractie maken zich daarnaast zorgen over het bericht dat het Verenigd Koninkrijk per 20 mei weer import toestaat van diesel en kerosine gemaakt uit Russische ruwe olie. Deelt het kabinet de opvatting dat dit de financiële isolatie van Rusland ondergraaft? Is de minister bereid om zijn Britse collega’s aan te spreken op de onwenselijkheid hiervan?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is van mening dat het onwenselijk is dat het Verenigd Koninkrijk een deel van de oliesancties tegen Rusland tijdelijk hebben verlicht. Het gaat hierbij om een tijdelijke afschaling die slechts een beperkt effect heeft op de oliemarkt en het Russische verdienvermogen. Juist nu de olieprijzen stijgen is het echter essentieel dat de druk op Rusland wordt gehandhaafd en verhoogd met aanvullende sancties. Het kabinet roept bondgenoten waaronder het VK hiertoe op.

Deze leden hebben met genoegen kennisgenomen van het Nederlandse initiatief om de discussie over het vrijgeven van circa 180 miljard euro aan bevroren Russische tegoeden opnieuw open te breken, ten behoeve van de heropbouw en verdedigingsinspanningen van Oekraïne tegen Russische agressie. Heeft het kabinet hiervoor al bijval gevonden bij andere lidstaten? Is de minister voornemens deze discussie tijdens de informele Raad verder te voeren? Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland hierin een voortrekkersrol zou moeten spelen?

  1. Antwoord van het kabinet

Tijdens de Ecofinraad van 5 mei jl. en Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei hebben enkele lidstaten, waaronder Nederland, gepleit voor voortzetting van het gesprek over het gebruik van de geïmmobiliseerde Russische centrale banktegoeden. Verschillende andere lidstaten zijn kritisch over hernieuwde discussies over de inzet van de geïmmobiliseerde tegoeden, met het oog op de vermeende financiële en juridische risico’s. Op dit moment vindt er in EU-verband geen discussie over concrete vervolgstappen plaats.

Het kabinet zal zich, in lijn met het coalitieakkoord, in EU-verband inzetten om conform de conclusies van de Europese Raad van december jl. aanvullende mogelijkheden voor de inzet van de tegoeden te blijven onderzoeken. Hierbij is van belang dat de opties zowel financieel als juridisch houdbaar zijn, dat risico’s en lasten gezamenlijk worden gedragen en dat eventuele stappen in EU-verband en in samenwerking met de G7 worden gezet. Indien nadere voorstellen volgen, zal de Kamer hierover via de gebruikelijke routes worden geïnformeerd.

Voorts constateren deze leden dat er ruimte lijkt te ontstaan voor Europese deelname aan de onderhandelingen over een staakt-het-vuren in Oekraïne.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat Europa een stem aan tafel moet krijgen en moet kunnen meepraten over veiligheid, stabiliteit en vrede op het eigen continent. Hoe beoordeelt het kabinet Europese plannen om een onderhandelaar aan te stellen? Ligt het volgens het kabinet voor de hand dat dit in EU-verband gebeurt? Zo ja, aan welke voorwaarden zou een dergelijke Europese onderhandelaar volgens het kabinet moeten voldoen?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet acht het van groot belang dat Europa, wanneer het gaat om veiligheid, stabiliteit en vrede op het eigen continent, actief en effectief opkomt voor zijn belangen. Op dit moment ligt er in EU-verband geen concreet voorstel voor een EU-vertegenwoordiger voor. Eventuele inzet van een EU- of Europese vertegenwoordiger, en diens mandaat, toegevoegde waarde en tijdigheid, dienen zorgvuldig afgewogen te worden. Daarbij is voor het kabinet essentieel het dat (de discussie over) een dergelijke figuur eraan bijdraagt dat Europa koers houdt en eenheid bewaart in de voortgezette steun aan Oekraïne en de druk op Rusland.

Iran en de Straat van Hormuz

De leden van de D66-fractie nemen waar dat er schot lijkt te zitten in de onderhandelingen over een coalitie voor vrije doorvaart in de Straat van Hormuz. Tegelijkertijd benadrukken deze leden dat een dergelijke missie alleen kansrijk en verantwoord is wanneer zij niet bijdraagt aan verdere escalatie, voldoende regionaal draagvlak heeft en past binnen een breder diplomatiek traject richting een duurzaam staakt-het-vuren. Zij vragen het kabinet daarom welke randvoorwaarden zij hanteert voor Nederlandse steun aan of deelname aan een eventuele vrije-doorvaartmissie. Zijn die randvoorwaarden sinds de eerdere Kamerbrieven of debatten gewijzigd? Zo ja, op welke punten?

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland heeft van meet af aan duidelijke randvoorwaarden gesteld, en deze ook ingebracht in het diplomatieke en militaire spoor van de coalitie. De noodzaak voor het hebben van een permissive environment voor de missie wordt breed gedeeld in de coalitie. De plannen zijn nog in ontwikkeling en eventuele activatie is pas aan de orde zodra een aantal randvoorwaarden is bereikt, waaronder een einde aan de vijandelijkheden.

Kan de minister een update geven over de voortgang van de coalitievorming? Welke landen overwegen op dit moment deelname, en welke vorm van bijdrage ligt daarbij op tafel?

Hoe verlopen de diplomatieke contacten met de aangrenzende Golfstaten en andere betrokken partijen bij het conflict? Ziet het kabinet bij deze partijen voldoende bereidheid om een eventuele vrije-doorvaartmissie te accepteren als onderdeel van een bestendiger staakt-het-vuren?

  1. Antwoord van het kabinet

Momenteel onderzoekt Nederland een mogelijke militaire bijdrage in het brede coalitieverband onder leiding van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Reeds meer dan veertig landen – waaronder uit de Golf-regio en uit Azië - sloten zich aan bij deze coalitie. Nederland is met militaire planners en op diplomatiek niveau betrokken. De plannen zijn nog in ontwikkeling, en eventuele activatie en bijdrage is pas aan de orde zodra een aantal randvoorwaarden is bereikt.

Diplomatiek contact over de coalitievorming vindt in breed coalitieverband plaats; verschillende landen uit de Golf-regio zijn hierbij nauw betrokken. Tot slot hebben verschillende landen uit de coalitie (waaronder Nederland) contact met betrokken partijen bij het conflict, over de situatie in de Straat van Hormuz en eventuele oplossingsrichtingen. Nederland blijft aandringen op een duurzame diplomatieke oplossing en voortzetting van het staakt-het-vuren.

Tot slot vragen deze leden hoe het kabinet voorkomt dat een missie die bedoeld is om vrije doorvaart te beschermen, in de praktijk wordt gezien als partij kiezen in een breder regionaal conflict. Welke politieke, juridische en operationele waarborgen acht het kabinet daarvoor noodzakelijk?

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland is geen partij bij het gewapend conflict in de regio en heeft evenmin de intentie dat te worden. De missie in ontwikkeling is, net als de inzet van de Evertsen in de Middellandse Zee, louter defensief van aard. Nederland heeft duidelijke randvoorwaarden gesteld en deze met andere coalitiepartners via het diplomatieke en militaire spoor gedeeld, waaronder een einde aan de vijandelijkheden. De noodzaak voor het hebben van een permissive environment voor de missie wordt breed gedeeld in de coalitie.

Israël, Gaza en de Westelijke Jordaanoever

De leden van de D66-fractie hebben aanhoudende zorgen over de situatie in de Gazastrook, waaronder het aanhoudende geweld en de tekorten aan humanitaire hulp. Ook maken deze leden zich grote zorgen over de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever, mede door toenemend kolonistengeweld en de uitbreiding van illegale nederzettingen. Recente uitspraken van minister Smotrich over het leegvegen van Palestijnse dorpen op de Westelijke Jordaanoever dragen eraan bij dat deze leden met klem oproepen tot Europese maatregelen om Israël tot inkeer te brengen.

De leden van de D66-fractie constateren dat in de geannoteerde agenda wordt gesproken over het verhogen van de druk op Israël, waarbij ook maatregelen op het gebied van handel niet worden uitgesloten. Deze leden merken echter op dat de Nederlandse inzet binnen het kader van het EU-Israël Associatieverdrag, waaronder gedeeltelijke opschorting, niet expliciet wordt genoemd.

Is het kabinet bereid om, conform de motie-Van der Werf/Van Lanschot (Kamerstuk 21501-02, nr. 3375), in EU-verband actief te blijven pleiten voor maatregelen binnen het kader van het EU-Israël Associatieverdrag, indien Israël zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het humanitair oorlogsrecht blijft schenden? Wat is de inzet van het kabinet hierop tijdens de informele Raad? Welke lidstaten spreekt Nederland actief aan om steun te verwerven voor aanvullende maatregelen richting Israël?

  1. Antwoord van het kabinet

Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.1 en motie Van der Werf/Lanschot2 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. Het kabinet zal tijdens de Gymnich wederom onderstrepen dat Israël van koers moet veranderen en dat de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen richting Israël middelen tot een doel zijn, en geen doel op zichzelf. Op dit moment ontbreekt echter het draagvlak onder EU-lidstaten voor de voorgestelde maatregelen. Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement blijven inzetten voor het vergroten van dit draagvlak, ook in bilaterale contacten met lidstaten. Dit heeft het kabinet ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei jl. gedaan. Tevens heeft het kabinet daar opnieuw gepleit voor handelspolitieke maatregelen tegen de onrechtmatige nederzettingen in de bezette gebieden.

Hetzelfde geldt voor Europese handelsmaatregelen tegen producten uit illegale nederzettingen. Op welke manier zet Nederland zich ervoor in om hiervoor meerderheden te vinden?

  1. Antwoord van het kabinet

Zoals bekend in uw Kamer blijft het kabinet werken aan nationale maatregelen tegen producten uit illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Het kabinet heeft op 22 mei jl. besloten het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de bezette gebieden aanhangig te doen maken bij de Raad van State voor een spoedadvies. Dit doet het kabinet omdat EU-maatregelen, die de voorkeur hebben omdat ze effectiever zijn, uitblijven. Het kabinet blijft oproepen tot een Europese maatregel op dit gebied en staat daarover in contact met relevante partners ten behoeve van een verbreding van het draagvlak voor een dergelijke stap.

Libanon

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de aanhoudend kwetsbare situatie in Libanon, het aanhoudende geweld tegen burgers in Zuid-Libanon en het risico op verdere escalatie tussen Israël en Hezbollah. Deze leden onderschrijven het belang van steun aan de Libanese autoriteiten en van volledige naleving van het staakt-het-vuren. Welke diplomatieke inzet pleegt Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Libanon en Israël te bewegen de onderhandelingen voort te zetten en te komen tot een duurzame diplomatieke oplossing?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Libanon en Israël, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. De wederzijdse aanvallen blijven echter doorgaan en uitspraken over verdere intensivering hiervan zijn zorgelijk. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede. Voor een duurzame oplossing acht het kabinet het herstel van het staatsgezag in Libanon van groot belang. Het kabinet zet daarom, bilateraal en in EU-verband, in op het versterken van de Libanese autoriteiten, ook om hen in staat te stellen stappen te zetten in de ontwapening van Hezbollah. Hiervoor heeft het kabinet dit jaar een additionele EUR 7 miljoen vrijgemaakt voor steun aan de Lebanese Armed Forces (LAF). Binnen de EU wordt gewerkt aan een nieuw steunpakket uit de European Peace Facility van EUR 100 miljoen ter ondersteuning van de LAF.

Internationaal Strafhof en Nederland als gastland

De leden van de D66-fractie merken op dat het onafhankelijk functioneren van het Internationaal Strafhof vanuit meerdere landen wordt beïnvloed en gefrustreerd. Nederland heeft als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid om zich hiertegen uit te spreken en rechters, aanklagers, juristen en medewerkers van het hof te beschermen. Wat doet het kabinet concreet om rechters, aanklagers, juristen en medewerkers van het Internationaal Strafhof te beschermen tegen buitenlandse sancties, intimidatie en andere vormen van druk? Is het kabinet bereid om, samen met onder meer Spanje en België, in Brussel te verzoeken tot het inroepen van het Europese blocking statute, conform de breed aangenomen moties-Paternotte c.s. (Kamerstuk 21501-20-, nr. 2310) en Dobbe c.s. (Kamerstuk 21501-02, nr. 3371)?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet stelt voorop dat de ambtsdragers van internationale hoven en tribunalen hun mandaat ongehinderd moeten kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van bedreiging, intimidatie of beïnvloeding. Het is van belang dat alle 125 verdragspartijen bij het Statuut van Rome de ambtsdragers van het Internationaal Strafhof (ISH) ten volle beschermen en het werk van het ISH in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven faciliteren. Daarnaast dienen alle staten de onafhankelijkheid van de organen van het ISH te respecteren en zich te onthouden van inmenging in de strafvorderlijke beslissingen van het Hof. Het kabinet spreekt zich voortdurend uit ter verdediging van de onafhankelijkheid van het ISH.

Als gastland heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag. Nederland staat dan ook in nauw contact met het Hof en is het afgelopen jaar op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Zo staat het kabinet bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance – d.w.z. het verder gaan dan de sancties vergen – te voorkomen en roept andere verdragspartijen op dit ook te doen. Dit werk gebeurt veelal achter de schermen en is gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Daarnaast pleit het kabinet - in lijn met genoemde moties - bij de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement voor het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen om de EU-antiboycotverordening (het Blocking Statute) zo snel mogelijk toe te passen zodra de Commissie een voorstel hiertoe heeft gedaan. Het is echter aan de Europese Commissie om een voorstel te doen ter activering van het Blocking Statute. Dat vergt een zorgvuldige afweging. Indien de VS nieuwe sancties afkondigen die het functioneren van het Hof naar verwachting ernstig zullen belemmeren, dan zal het kabinet zich conform de moties in EU-verband hard maken voor het daadwerkelijk activeren van de EU-antiboycotverordening. In de contacten met het Hof komen ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde. Indien nodig op grond van actuele dreigingsinformatie, treft Nederland de nodige veiligheidsmaatregelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026. Zij hebben hiertoe nog de volgende vragen en opmerkingen.

Russische agressie tegen Oekraïne

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de onverminderde militaire, financiële en humanitaire steun aan Oekraïne, zoals ook vastgelegd in de budgettaire tabel van het regeerakkoord, essentieel blijft om de Russische agressie het hoofd te bieden en de Europese veiligheid te waarborgen.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat duurzame vrede tussen Oekraïne en Rusland alleen tot stand kan komen als Oekraïne vanuit een positie van kracht aan de onderhandelingstafel aanschuift. Militaire druk op het slagveld en diplomatieke inzet aan de onderhandelingstafel gaan wat betreft deze leden hand in hand.

De leden van de VVD-fractie juichen Europese stappen om te komen tot een bestand tussen Rusland en Oekraïne van harte toe. Deze leden danken de minister voor de bijdrage die Nederland op zich neemt als leidende partij op het gebied van economische sancties en vragen hem of er tussen de andere betrokken partijen een werkverdeling bestaat. Het lijkt deze leden namelijk te prefereren dat verschillende partijen complementair aan elkaar zijn en niet concurrerend. Het afstemmen van acties zou wat deze leden betreft de beste werkwijze zijn en waar mogelijk moeten partijen gezamenlijk optreden, zeker als het om veiligheidsgaranties gaat.

  1. Antwoord van het kabinet

Het ontwikkelen van aanvullende sancties tegen Rusland gaat in goed overleg met andere lidstaten die hierin een prominente rol nemen. Zo heeft Nederland in de sancties tegen de Russische schaduwvloot een coördinerende rol en staat in nauw overleg met andere lidstaten die hieraan bijdragen. Ook op andere dossiers wordt vaak in wisselende samenstelling aan sanctiepakketten gewerkt om de inspanningen op elkaar af te stemmen en de werklast waar mogelijk te verdelen.

De leden van de VVD-fractie zijn het eens met het kabinet dat Europa uiteindelijk vertegenwoordigd moet zijn in het vredesproces tussen Oekraïne en Rusland. Voordat het zover is, zijn er wat deze leden betreft vertrouwenwekkende maatregelen nodig vanuit Rusland. Deelt de minister deze mening en wat zouden wat hem betreft vertrouwenwekkende maatregelen kunnen zijn?

  1. Antwoord van het kabinet

De vredesbesprekingen zijn tot dusver niet succesvol omdat Rusland vasthoudt aan maximalistische eisen en niet bereid is serieus te onderhandelen om de agressieoorlog tegen Oekraïne te stoppen. Rusland kan er iedere dag voor kiezen deze oorlog te beëindigen, maar dat doet het niet. De intensiteit van de Russische aanvallen, waaronder op burgerdoelen, neemt juist toe en in de door Rusland bezette gebieden wordt de Oekraïense bevolking stelselmatig onderdrukt en zijn ernstige mensenrechtenschendingen aan de orde van de dag. Rusland intensiveert de oorlog, in plaats van vertrouwen te wekken in een vreedzame oplossing. Het tonen van bereidheid tot het bereiken van duurzame vrede door bijvoorbeeld een onvoorwaardelijk staakt-het-vuren zou een eerste vertrouwenwekkende stap van Rusland kunnen zijn.

Deze leden willen ook graag van de minister weten of de Europese veiligheidsarchitectuur voldoende garanties biedt voor de veiligheid van Oekraïne nadat er een bestand is bereikt. Zij vragen de minister hoe hij aankijkt tegen de wens van Oekraïne om een harde toetredingsdatum tot de EU vast te leggen als onderdeel van een bestand.

  1. Antwoord van het kabinet

EU-lidmaatschap– en versnelling daarvan – is op zichzelf geen veiligheidsgarantie. Veiligheidsgaranties vergen de gezamenlijke inzet van Europese en like-minded partners, waaronder in Coalition of the Willing-verband en ondersteund door de Verenigde Staten. Daarbij is het uitgangspunt van het kabinet dat een sterk Oekraïne met een sterke en moderne Oekraïense krijgsmacht de beste veiligheidsgarantie is om hernieuwde Russische agressie af te schrikken. Hervormingen maken Oekraïne wel weerbaarder, rechtstatelijker en stabieler. Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het uitgangspunt blijft dat een land pas volwaardig lid wordt als voldaan wordt aan alle criteria; het kabinet is dan ook geen voorstander van het vastleggen van een harde toetredingsdatum.

Midden-Oosten

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het tijdens de Raad van 21 april ingenomen standpunt dat vrijheid van navigatie niet onderhandelbaar is en dat alle veranderingen in de doorvaart door de Straat van Hormuz roekeloos zijn. Deze leden verwelkomen het feit dat Nederland zich blijft inzetten voor nieuwe EU-sancties gericht op schendingen van de vrijheid van navigatie. Kan de minister een update geven over de stand van zaken rondom deze sancties? Hoeveel steun is er onder de lidstaten voor dergelijke maatregelen? Is de minister bereid om lidstaten aan te spreken op hun terughoudendheid?

  1. Antwoord van het kabinet

Op 22 mei heeft de EU een nieuwe sanctiecriterium gericht op vrije doorvaart aangenomen in onder de Iran-sancties, op basis van voorstellen van Nederland. Hiermee heeft de EU een bevoegdheid gecreëerd om Iraanse personen en entiteiten die de vrije doorvaart belemmeren te kunnen sanctioneren. Hiervoor was brede steun onder de lidstaten. Momenteel werkt Nederland met gelijkgezinde lidstaten aan opvolging. Het kabinet zet in op spoedige aanname van de eerste listings, een en ander met inachtneming van de bredere politieke context van het conflict.

De leden van de VVD-fractie steunen concrete sancties tegen gewelddadige kolonisten en een verbod op export uit illegale nederzettingen. Het geweld van kolonisten veroorzaakt onnodig menselijk leed en ondermijnt de rechtsstaat. Een tweestatenoplossing komt zo niet dichterbij. Deze leden verwelkomen dan ook dat het kabinet dit gedrag expliciet heeft veroordeeld. Verder verwelkomen zij het akkoord over het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten van 11 mei jl., en vragen de minister te bevestigen dat Nederland zich zal inzetten voor een spoedige uitvoering hiervan. Is er een toetsingsmechanisme om de effectiviteit van de sanctiemaatregelen te verifiëren en ze bij te sturen als ze onvoldoende uitwerking hebben? Is de minister bereid om te pleiten voor periodieke evaluatiemomenten van de sancties? Kan de minister ook aangeven welke concrete gedragsverandering van de gewelddadige kolonisten wordt beoogd?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet verwelkomt het akkoord over het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en organisaties die hen ondersteunen van 11 mei jl. en is voorstander van zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de maatregelen. Zoals met alle sancties dienen marktpartijen na publicatie daarvan zich per direct aan de betreffende maatregelen te houden. Doorlopend wordt het effect van maatregelen gemonitord en de noodzaak tot aanvullende maatregelen gewogen met het oog op het nagestreefde beleidsdoel. In het geval van gewelddadige kolonisten dienen zij per direct het geweld tegen de Palestijnse bevolking te staken.

Wordt er ook samengewerkt met partners zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Canada om de sanctieregimes op elkaar af te stemmen?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet staat doorlopend in contact met internationale partners zoals de VS, VK en Canada, over bestaande en nieuwe sanctiemaatregelen. Bij gelijke doelstellingen kunnen gelijkluidende maatregelen de gezamenlijke impact daarvan vergroten, het internationale speelveld bevorderen, en de naleving vergemakkelijken. Tegelijkertijd is het mogelijk dat maatregelen enigszins verschillen, aangezien sprake kan zijn van andere economische relaties met derde landen en daarmee met onderling van elkaar verschillende drukpunten. Verschillen in sanctielijsten kunnen daarmee ook een positief effect hebben in de zin dat sancties elkaar kunnen aanvullen.

De leden van de VVD-fractie delen de zorgen van het kabinet over de fragiele situatie in Libanon en onderschrijven het belang van een permanent staakt-het-vuren tussen Libanon en Israël. Deze leden benadrukken dat stabiliteit in Libanon alleen mogelijk is indien de Libanese staat haar gezag in het gehele land weet te herstellen. Deze leden vragen de minister hoe de EU toeziet op de naleving van de afspraken rond het staakt-het-vuren, met name het ontwapenen van Hezbollah, de terugtrekking van Israël uit het zuidelijke grensgebied en het herstel van de Libanese staat.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Libanon en Israël, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. De wederzijdse aanvallen blijven echter doorgaan en uitspraken over verdere intensivering hiervan zijn zorgelijk. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede. Toezicht houden op naleving van de afspraken rond het staakt-het-vuren is primair aan de betrokken partijen bij het gewapend conflict, en de monitoringsmechanismen die daarvoor zijn opgezet.

Voor een duurzame oplossing acht het kabinet het herstel van het staatsgezag in Libanon van groot belang. Het kabinet zet daarom, bilateraal en in EU-verband, in op het versterken van de Libanese autoriteiten. Hiervoor heeft het kabinet dit jaar een additionele EUR 7 miljoen vrijgemaakt voor steun aan de Lebanese Armed Forces. Binnen de EU wordt gewerkt aan een nieuw steunpakket uit de European Peace Facility van EUR 100 miljoen ter ondersteuning van de LAF.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026 en stellen daarover graag enkele vragen aan de minister.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat het Verenigd Koninkrijk ertoe heeft besloten sancties op Russische olie te verlichten. Deelt de minister de mening dat dit een zeer onwenselijk besluit is? Is de minister van plan om zich in de Raad Buitenlandse Zaken te blijven inspannen voor verzwaring van de sancties tegen de Russische agressie en zich stevig uit te spreken tegen sanctieverlichting?

  1. Antwoord van het kabinet

Zie beantwoording vraag 2. De minister van Buitenlandse Zaken zal ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken wederom pleiten voor verzwaring van sancties op de Russische Federatie.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de discussie onder lidstaten om de looptijd van sancties tegen Rusland uit te breiden van zes tot twaalf maanden, om individuele lidstaten minder kans te geven de verlenging van sancties te blokkeren voor eigenbelang. Is de minister het met bovengenoemde leden eens dat dit een goed voorstel is? Zo nee, waarom niet?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is voorstander van het verlengen van de looptijd van de sancties tegen Rusland tot twaalf maanden. Hiermee zou de looptijd van de Ruslandsancties gelijk worden getrokken met andere sancties, hetgeen een beperking van de werklast inhoudt om de Ruslandsancties te onderhouden zonder daartegen opwegende nadelen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de geannoteerde agenda geen expliciete bevestiging van de toezegging aan de Kamer dat de minister zich in de EU in een kopgroep actief in zal zetten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Kan de minister bevestigen dat dat nog steeds het kabinetsbeleid is en dat hij zich ook tijdens de bijeenkomst in Limassol daarvoor gaat inspannen? Zo nee, waarom niet?

  1. Antwoord van het kabinet

Zie beantwoording vraag 8.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het kabinet, ten aanzien van Iran en de situatie in de Straat van Hormuz, alle partijen oproept zich te blijven richten op diplomatieke onderhandelingen ten behoeve van een snel en duurzaam einde aan de oorlog. Deze leden vragen de minister op welke manier de EU betrokken is bij de onderhandelingen, en roepen daarbij in herinnering dat de EU, Frankrijk en Duitsland partij waren bij het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA) ten aanzien van het Iraanse atoomprogramma.

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland blijft bilateraal en in de EU benadrukken dat alle partijen zich moeten blijven richten op diplomatieke onderhandelingen ten behoeve van een snel en duurzaam einde aan de oorlog en spreekt consistent steun uit voor de lopende onderhandelingen en de inzet van regionale partners. Nederland blijft daarnaast voorstander van een actieve EU-rol ter ondersteuning van (humanitaire) initiatieven gericht op vrije doorvaart in de Straat van Hormuz.

Het kabinet constateert dat er tussen de betrokken partijen aanzienlijke verschillen van inzicht bestaan, hetgeen het bereiken van een oplossing complex maakt. Tegen deze achtergrond vindt intensief diplomatiek contact plaats tussen Europese hoofdsteden, de VS en landen in het Midden-Oosten. Ook de EU onderhoudt nauw contact met regionale partners en ondersteunt de inspanningen van landen als Egypte, Turkije, Pakistan en verschillende Golfstaten die gericht zijn op bemiddeling en de-escalatie. Nederland en de EU blijven zich inzetten voor een duurzame oplossing die bijdraagt aan stabiliteit in de regio en tevens recht doet aan Europese veiligheids- en economische belangen. Zo nam op 22 mei jl. de EU het nieuwe sanctiecriterium aan waarvoor Nederland zich heeft ingezet. Hiermee heeft de EU een grondslag gecreëerd om Iraanse personen en entiteiten die de vrije doorvaart belemmeren te kunnen sanctioneren.

Tot slot lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie in de geannoteerde agenda dat Nederland het belang zal onderstrepen van de implementatie van de VNVR-resolutie 2803. Welke staten hebben op dit moment toegezegd deel te willen nemen aan de International Stabilization Force in Gaza? Welke blokkades ziet de minister op dit moment voor het in stelling brengen van deze internationale troepenmacht?

  1. Antwoord van het kabinet

De volgende vijf landen hebben op 19 februari jl. een verklaring getekend waarin staat dat ze voornemens zijn bij te dragen aan de International Stabilization Force (ISF): Indonesië, Marokko, Kazachstan, Kosovo en Albanië. Het is onduidelijk wanneer de ISF daadwerkelijk zal worden ingezet. Voor verdere voortgang van de uitwerking en implementatie van de VNVR-resolutie 2803 en het vredesplan van president Trump zijn de onderhandelingen tussen Israël en Hamas van groot belang. Een groot obstakel tijdens die onderhandelingen is de discussie over de ontwapening van Hamas en hierop het terugtrekken van de IDF.

Is de Gaza Executive Board inmiddels al bijeengekomen? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt de minister op dit moment de voortgang van de implementatie van VNVR-resolutie 2803?

  1. Antwoord van het kabinet

Op dit moment is de Gaza Executive Board nog niet bijeengekomen. Zie ook beantwoording vraag 23.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen over de regeringsbrief met de geannoteerde agenda van de informele Raad Buitenlandse Zaken Gymnich en de Nederlands inzet.

De leden van de PVV-fractie constateren dat Nederland zich volgens de brief blijft inzetten voor extra EU-sancties tegen Iraanse personen en entiteiten. Deze leden vinden dat een goede zaak omdat Nederland zo kan bijdragen aan het verder onder druk zetten van het moorddadige Iraanse regime. Maar wat houdt de Nederlandse inzet dan concreet in, hoe omvangrijk zijn de sancties die Nederland beoogt en wanneer kunnen deze verwacht worden?

  1. Antwoord van het kabinet

De Nederlandse inzet richt zich op maximale sancties tegen Iran daar waar dat effectief is. Op 22 mei nam de EU het nieuwe sanctiecriterium aan waarvoor Nederland zich heeft ingezet. Hiermee heeft de EU een grondslag gecreëerd om Iraanse personen en entiteiten die de vrije doorvaart belemmeren te kunnen sanctioneren. Hiervoor was brede steun onder de lidstaten. Nederland werkt met gelijkgezinde lidstaten aan concrete maatregelen. Het kabinet ziet uit naar de aanname van de eerste listings.

Op die vragen krijgen deze leden graag een antwoord, want dat is momenteel allemaal niet duidelijk.

Waar over extra sancties voor Iran wordt gesproken als mogelijkheid, zien de leden van de PVV-fractie dat er in mei al extra sancties tegen Israëlische kolonisten en hun organisaties zijn ingesteld. Deze leden vinden dat onacceptabel. Nederland stelt de verkeerde prioriteiten. Het lijkt er zelfs in toenemende mate op dat Nederland zich (diplomatiek) harder inzet voor sancties tegen Israël, dan voor sancties tegen de agressors in de vorm van het Iraanse regime, Hamas en Islamic Jihad. Klopt dat? Of steekt Nederland aantoonbaar meer tijd, energie en manuren in (het pleiten en vormgeven van) extra sancties tegen Iran en de terreur proxies? Deze leden willen daar meer duidelijkheid over.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet zet zich zonder een daartoe fungerende rangorde in termen van capaciteit in voor zowel aanvullende sanctiemaatregelen tegen gewelddadige kolonisten als voor aanvullende sanctiemaatregelen tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad. Nederland is ook nadrukkelijk onderdeel van de voorhoede ten aanzien van de sancties tegen Iran, zoals recent weer is gebleken bij het initiatief om n.a.v. de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz nieuwe sanctiebevoegdheden te creëren gericht op het recht van vrije doorvaart.

Tot slot willen de leden van de PVV-fractie een reactie op het Israëlische onderzoek van deskundigen die vorige week concludeerden dat het seksuele misbruik van Hamas systematisch, wijdverbreid en onlosmakelijk verbonden was met de aanval van 7 oktober 2023.

Deze leden willen dat Nederland en de EU erkennen dat het brute seksuele geweld van terreurorganisatie Hamas een integraal onderdeel was van de aanval op 7 oktober 2023. Daarom vragen zij of Nederland zich daar tijdens de Raad Buitenlandse Zaken over wil uitspreken en bereid is om samen met andere EU-landen daarover een veroordelende verklaring op te stellen waarmee tevens het leed van de slachtoffers van dit seksuele geweld wordt erkend.

Is het kabinet daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?

  1. Antwoord van het kabinet

Naar aanleiding van een VN-rapport in 2024, heeft voormalig minister van Buitenlandse Zaken Hanke Bruins Slot op 12 maart 2024 tijdens het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken erkend dat het seksueel geweld door Hamas op 7 oktober 2023 afschuwelijk was, en gewezen op een systematische, vooropgezette werkwijze die is gehanteerd als methode van oorlogsvoering. De EU sprak tevens in de Raadsconclusies van 22 maart 2024 haar ontzetting uit over het seksuele geweld gedurende de 7 oktober 2023 aanvallen. Het is van belang dat hier aandacht voor blijft. Hamas is vanwege deze daden op de zwarte lijst van daders gezet van het jaarlijkse rapport van de VN over conflict-gerelateerd seksueel geweld (2025). Nederland agendeert conflict-gerelateerd seksueel geweld internationaal via actieve interventies in open debatten van de VN-veiligheidsraad en waar relevant in andere gerelateerde internationale fora.

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Raad Buitenlandse Zaken (Gymnich) van 27 en 28 mei 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat in Europees verband opnieuw uitgebreid gesproken zal worden over geopolitieke spanningen, sancties, internationale veiligheid en de verdediging van de internationale rechtsorde. Tegelijkertijd blijven deze leden zich ernstige zorgen maken over de aanhoudende dubbele standaard in het Europese buitenlandbeleid. Europa mobiliseert tientallen miljarden euro’s, zware sanctiepakketten en vergaande politieke en militaire steun voor Oekraïne vanwege de illegale Russische invasie van Oekraïne. Tegelijkertijd constateren deze leden dat Europa wegkijkt van de misdaden van Israël, waaronder het continueren van de genocide in Gaza, de vernietiging van civiele infrastructuur en schendingen van het internationaal recht in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Libanon. Deze leden vragen de minister hoe hij deze ongelijke toepassing van internationaal recht uitlegt.

  1. Antwoord van het kabinet

Het internationaal recht geldt gelijkelijk voor alle staten, ook voor Israël en de Verenigde Staten. Nederland roept een ieder op zich aan het internationaal recht te houden en spreekt andere staten daar ook op aan, zowel publiekelijk als achter de schermen.

De leden van de DENK-fractie vragen voorts waarom Nederland en de EU wel inzetten op sancties tegen Iraanse personen en entiteiten vanwege bedreigingen van de vrije doorvaart en regionale destabilisatie, terwijl de militaire escalaties van Israël en de Verenigde Staten eveneens een schending van het internationaal recht vormen. Deze leden vragen de minister waarom voor Israël en de Verenigde Staten kennelijk andere maatstaven gelden.

  1. Antwoord van het kabinet

Het internationaal recht geldt gelijkelijk voor alle staten, ook voor Israël en de Verenigde Staten. Nederland roept een ieder op zich aan het internationaal recht te houden en spreekt andere staten daar ook op aan, zowel publiekelijk als achter de schermen. Om deze reden heeft het kabinet besloten de Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata te verklaren en zet het kabinet in op aanvullende sancties tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en organisaties.

Voorts vragen zij of de minister bereid is zich in Europees verband in te zetten voor een consequente toepassing van sancties en internationale normen met betrekking tot de bedreigingen van de vrije doorvaart en regionale instabiliteit.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet komt op voor het recht op vrije doorvaart en heeft n.a.v. de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz het initiatief genomen voor het creëren van nieuwe sanctiebevoegdheden voor de EU op dit terrein. Dit heeft geresulteerd in unanieme besluitvorming t.b.v. een grondslag om Iraanse personen en entiteiten die de vrije doorvaart belemmeren te kunnen sanctioneren. Het kabinet spant zich in voor de aanname van listings onder dit criterium. Ten aanzien van alle sancties geldt dat het kabinet voorstander is van consequente naleving van sancties om deze zo veel mogelijk kracht bij te zetten.

De leden van de DENK-fractie maken zich daarnaast grote zorgen over recente uitspraken gedaan door Israëlische regeringsleden waarin openlijk wordt gesproken over permanente bezetting, annexatie van Palestijns gebied en verdere escalatie tegen Palestijnen. Deze leden wijzen erop dat Israëlische bewindspersonen openlijk spreken over annexatie van de volledige Westelijke Jordaanoever en het verder uitbreiden van Israëlische controle over Gaza. De leden vragen of de minister uiteen kan zetten hoe hij deze ontwikkelingen beoordeelt. Voorts vragen de leden of de minister erkent dat hier sprake is van openlijke ondermijning van het internationaal recht. Daarnaast vragen zij welke gevolgen Nederland hieraan in Europees verband verbindt.

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland en de EU veroordelen nadrukkelijk het Israëlische onrechtmatige nederzettingenbeleid. Het is duidelijk dat de bezetting van de Westelijke Jordaanoever in strijd is met het internationaal recht. Uitspraken en plannen die raken aan annexatie zijn onacceptabel. Het kabinet benadrukt dit met klem richting Israël. Zie ook beantwoording vraag 8.

Voorts vragen de leden van de DENK-fractie of de minister bereid is zich binnen de EU in te zetten voor aanvullende maatregelen tegen Israëlische kolonisten, kolonistenorganisaties en Israëlische bewindspersonen die betrokken zijn bij nederzettingenuitbreiding, annexatie en geweld tegen Palestijnen.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is voorstander van aanvullende sancties tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en organisaties. Nederland speelt een leidende rol en werkt aan een vierde pakket aan sancties in lijn met de motie Van Lanschot/Van der Werf3 , Hirsch4 en van Baarle c.s.5.

Daarnaast vragen deze leden of de minister bereid is te pleiten voor een aanvullend Europees sanctiepakket gericht tegen personen en organisaties die bijdragen aan illegale nederzettingenpolitiek en kolonistengeweld. Indien de minister daartoe niet bereid is, verzoeken deze leden hem uiteen te zetten waarom dit niet het geval is.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie beantwoording vraag 32.

Daarnaast constateren de leden van de DENK-fractie dat er inmiddels een politiek akkoord binnen de Raad is bereikt met betrekking tot een derde Europees sanctiepakket tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en kolonistenorganisaties. Deze leden vragen de minister uiteen te zetten welke concrete personen, organisaties en financiële of reisbeperkingen onder dit sanctiepakket vallen en op welke termijn deze maatregelen daadwerkelijk in werking treden.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet verwelkomt het akkoord over het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en organisaties van 11 mei jl. en is voorstander van zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de sancties. Zoals met alle sancties wordt vanwege het verrassingseffect pas na publicatie van de wetteksten bekend over welke precieze maatregelen overeenstemming is bereikt.

Daarnaast vragen zij of Nederland bereid is zich actief in te zetten voor een vierde Europees sanctiepakket gericht tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en kolonistenorganisaties, gezien het aanhoudende en toenemende kolonistengeweld, de voortdurende uitbreiding van illegale nederzettingen en de recente openlijke oproepen tot annexatie van de Westbank door Israëlische bewindspersonen.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie beantwoording vraag 32.

Voorts wijzen deze leden erop dat het kabinet in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei jl. stelt dat het zich “zal blijven inzetten voor het vergroten van draagvlak hiervoor onder andere EU-lidstaten” (Kamerstuk 21501-02, nr. 3398). Deze leden vragen de minister uiteen te zetten welke concrete diplomatieke en politieke stappen Nederland momenteel zet om binnen de Raad draagvlak te creëren voor aanvullende sancties tegen gewelddadige kolonisten en kolonistenorganisaties. Tevens vragen zij welke landen zich momenteel aansluiten bij deze inzet voor een aanvullend sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en kolonistenorganisaties en op welke wijze Nederland actief samen optrekt met deze lidstaten om verdere Europese maatregelen tot stand te brengen.

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland benadrukt consistent het belang dat de EU aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties aanneemt. Dit doet Nederland publiekelijk, multilateraal en in bilaterale gesprekken met relevante lidstaten. Nederland trekt hierbij nauw op met enkele andere lidstaten. Het kabinet doet geen uitspraken over de posities van individuele lidstaten.

Daarnaast merken de leden van de DENK-fractie op dat er al jaren sprake is van een catastrofale humanitaire situatie in Gaza. Volgens de Verenigde Naties en hulporganisaties kampen een enorm aantal Palestijnen met acute voedselonzekerheid, ondervoeding en een vrijwel ingestorte gezondheidszorg. Hulptransporten blijven ernstig beperkt en de humanitaire infrastructuur is grotendeels vernietigd. Deze leden vragen de minister welke concrete stappen Nederland en de EU aanvullend zetten om volledige en ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza af te dwingen.

  1. Antwoord van het kabinet

Er is onvoldoende humanitaire toegang voor professionele hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, om hulp te verlenen in Gaza. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-) organisaties toe te staan wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. De Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s verhindert hulporganisaties om adequaat hulp te bieden en legt de reeds beperkte toegang nog verder aan banden. Nederland roept Israël zowel bilateraal als in multilateraal (EU-)verband op om hulporganisaties veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen. In dit kader roept Nederland Israël ook op de registratieplicht voor internationale ngo’s niet te implementeren in de huidige vorm. Daarnaast blijft het kabinet, mede met het zicht op de humanitaire situatie, gericht op het vergaren van voldoende steun binnen de EU voor de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël.

De leden van de DENK-fractie hebben voorts kennisgenomen van recente berichtgeving over de onderschepping van de Global Sumud Flotilla door Israëlische marineschepen in internationale wateren ter hoogte van Cyprus. Volgens de organisatie waren meerdere schepen onderweg naar Gaza met humanitaire hulpgoederen aan boord, waaronder voedsel, medische hulp en andere essentiële voorzieningen voor de Palestijnse bevolking. Tevens bevonden zich Nederlandse activisten en journalisten aan boord van deze vloot.

De leden van de DENK-fractie maken zich ernstige zorgen over deze onderschepping en de bredere implicaties daarvan voor het internationaal recht, de vrije doorvaart en humanitaire hulpverlening aan Gaza. Deze leden wijzen erop dat de onderschepping plaatsvond in internationale wateren en dat contact met meerdere schepen verloren ging nadat Israëlische militairen aan boord gingen.

De leden van de DENK-fractie vragen de minister hoe hij deze onderschepping juridisch beoordeelt. Voorts vragen de leden de minister of hij van oordeel is dat dit enteren van civiele schepen met humanitaire hulpgoederen in internationale wateren een schending is van het internationaal recht en het recht op vrije doorvaart. Indien dit het geval is, vragen de leden de minister welke consequenties hij hieraan verbindt in internationaal en Europees verband.

  1. Antwoord van het kabinet

Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten dan ook opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Rondom de recente onderscheppingen heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en zo snel mogelijk vrij te laten.

Voorts vragen deze leden of de minister bereid is de onderschepping van de Global Sumud Flotilla expliciet te veroordelen. Daarnaast vragen de leden de minister of hij van mening is dat dergelijke acties een gevaarlijk precedent scheppen voor humanitaire missies, internationale burgerinitiatieven en het vrije verkeer op zee.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Het kabinet deelt de zorgen van de initiatiefnemers van de Global Sumud Flotilla over de humanitaire situatie in Gaza. Er is dringend meer humanitaire hulp nodig. Alleen ongehinderde humanitaire toegang over land kan de extreme noden in Gaza werkelijk verlichten. De humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte te leveren is dan ook voornamelijk symbolisch van aard en kan niet worden gezien als een effectieve vervanging voor grootschalige, gecoördineerde hulpverlening. Het Internationaal Gerechtshof stelde in oktober jl. dat Israël als bezettende macht humanitaire hulp moet toelaten en faciliteren. Nederland roept de Israëlische autoriteiten daarom op om de toegang van VN, Rode Kruis- en Halve Maan, en internationale ngo’s te verbeteren en om meer humanitaire hulp toe te laten.

Daarnaast vragen zij de minister welke stappen Nederland momenteel zet richting Israël om de veiligheid van de opvarenden, waaronder Nederlandse burgers, te waarborgen.

  1. Antwoord van het kabinet

Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.

Het kabinet zag de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld en de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd.

Daarnaast wijzen de leden van de DENK-fractie erop dat deze onderschepping plaatsvindt tegen de achtergrond van een aanhoudende humanitaire catastrofe in Gaza, waarbij volgens de Verenigde Naties een enorm groot deel van de Palestijnen kampen met acute voedselonzekerheid, ondervoeding en een ingestorte gezondheidszorg. Deze leden vragen de minister hoe hij het feit beoordeelt dat humanitaire hulptransporten via zowel landroutes als civiele maritieme initiatieven structureel worden belemmerd. Voorts vragen de leden de minister of het verhinderen van humanitaire toegang kan bijdragen aan collectieve bestraffing en uithongering van de burgerbevolking.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie beantwoording vraag 37 en 39.

De leden van de DENK-fractie wijzen bovendien op recente berichtgeving dat binnen het Internationaal Strafhof (ICC) aanvullende geheime arrestatiebevelen zouden zijn aangevraagd tegen Israëlische bewindspersonen, waaronder ministers die betrokken zijn bij het nederzettingenbeleid, en de annexatie en geweld tegen Palestijnen. De leden vragen aan de minister of bevestigd kan worden dat het in dit geval gaat om arrestatiebevelen tegen de minister van nationale veiligheid Ben Gvir en de minister van Financiën Smotrich. Tevens vragen deze leden of deze ontwikkelingen aanleiding geven om binnen de EU te pleiten voor aanvullende sanctiemaatregelen tegen de ministers Ben Gvir en Smotrich.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving dat de aanklagers van het Internationaal Strafhof één of meerdere verzoeken om arrestatiebevelen tegen Israëlische ministers zouden hebben ingediend bij de rechters van het Hof. Nederland kan deze berichtgeving niet bevestigen of ontkrachten. Het is aan het Hof zelf om over dergelijke interne en vertrouwelijke procedurele stappen al dan niet te communiceren. Aangezien het Hof deze berichtgeving niet heeft bevestigd, ziet het kabinet deze berichtgeving niet als een aanleiding om hiervoor te pleiten.

Zoals reeds bekend heeft Nederland zowel minister Smotrich als minister Ben-Gvir tot personae non gratae verklaard en hen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit omdat zijuit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, zij voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleiten en oproepen tot etnische zuivering in de Gazastrook. In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland ook de voorstellen voor Europese sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet is gezien de recente uitlatingen wederom bereid om sancties tegen de ministers Smotrich en Ben Gvir te agenderen binnen de EU.

De leden van de DENK-fractie maken zich tevens zorgen over de verslechterende situatie in Libanon. Ondanks diplomatieke gesprekken over een staakt-het-vuren blijven Israëlische aanvallen op Zuid-Libanon doorgaan, waarbij opnieuw woonwijken, civiele infrastructuur en publieke voorzieningen worden geraakt. Daarnaast wijzen deze leden op recente uitspraken en plannen vanuit de Israëlisch regering over langdurige militaire controle en mogelijke uitbreiding van Israëlisch bezet grondgebied in Zuid-Libanon. Deze leden vragen de minister of hij dergelijke schendingen van het internationaal recht aanmerkt als oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en illegale annexatie.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet houdt de situatie in Libanon nauwlettend in de gaten. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren en roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede. Het kabinet maakt zich zorgen over de wederzijdse schendingen van het staakt-het-vuren, uitspraken over verdere intensivering van de aanvallen, en de bredere ontwikkelingen in het conflict. Militair optreden moet plaatsvinden in overeenstemming met het internationaal recht. Het kabinet heeft reeds zorgen uitgesproken over het Israëlisch militair optreden in Libanon, waaronder op het gebied van proportionaliteit. Het kabinet dringt aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. In dat kader onderzoekt het kabinet mogelijkheden om de Libanese autoriteiten hierin te ondersteunen en steunt Nederland het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 miljoen over de jaren 2025-2026.

De leden van de DENK-fractie vragen voorts aandacht voor Sudan. Deze leden wijzen erop dat de oorlog in Sudan inmiddels heeft geleid tot een van de grootste humanitaire crises ter wereld. Volgens recente cijfers kampen bijna twintig miljoen Soedanezen met acute honger, verkeren honderdduizenden mensen in een situatie van catastrofale hongersnood en lijden honderdduizenden kinderen aan ernstige acute ondervoeding. Daarnaast zijn miljoenen mensen ontheemd geraakt en worden ziekenhuizen, markten en civiele infrastructuur steeds vaker getroffen door geweld. Tegen deze achtergrond vragen deze leden welke concrete stappen Nederland en de Europese Unie aanvullend op het huidige beleid zullen zetten om verdere escalatie van het conflict tegen te gaan en humanitaire hulpverlening te verbeteren.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet deelt de zorgen over het voortduren van het geweld in Soedan en blijft zich inzetten voor een einde aan het conflict. In EU-verband speelt Nederland een aanjagende rol bij de vormgeving van de diplomatieke inzet richting Soedan en benadrukt Nederland bij alle betrokken partijen de noodzaak van een onmiddellijk staakt-het-vuren. In dit verband steunt het kabinet de inzet van de EU-speciaal gezant voor de Hoorn van Afrika, die namens de Europese Unie contact onderhoudt met alle relevante partijen. Deze contacten zijn onder andere gericht op het beschermen van kritieke infrastructuur. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning bij het voorbereidende werk aan een monitoringsmechanisme voor een toekomstig staakt-het-vuren, in samenwerking met de EU en Verenigde Naties. Ook de samenwerking met partnerorganisaties die gespecialiseerd zijn in conflictbemiddeling en bescherming van burgers behoort in dit kader tot de inzet. Tot slot steunt Nederland aanvullende EU-sanctiemaatregelen tegen actoren en sectoren die het conflict voeden.

Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. benadrukte Nederland het belang van intensivering van humanitaire inspanningen in Soedan, in lijn met de motie van het lid Dobbe.6 Op de dag van de RBZ werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin de EU de strijdende partijen opriep tot een staakt-het-vuren en externe actoren opriep te stoppen met hun steun voor het conflict. Ook benadrukte de EU het belang van ongehinderde humanitaire toegang. Nederland trekt diplomatiek op met andere donorlanden om te pleiten voor ongehinderde en veilige humanitaire toegang. Nederland speelt hierbij als voorzitter van de humanitaire donorgroep een faciliterende rol. Tijdens de Soedan conferentie in Berlijn werd voor EUR 1,5 miljard aan toezeggingen gedaan voor noodhulp, waarvan EUR 812 miljoen door de EU en haar lidstaten.

De leden van de DENK-fractie vragen voorts aandacht voor de verslechterende humanitaire situatie in Afghanistan. Deze leden constateren dat de humanitaire crisis in Afghanistan verder verdiept. Volgens recente cijfers van de Verenigde Naties leven inmiddels tientallen miljoenen Afghanen in armoede en kan bijna driekwart van de bevolking niet meer voorzien in basisbehoeften zoals voedsel, drinkwater, gezondheidszorg en huisvesting. Tegelijkertijd neemt door droogte, teruglopende internationale hulp en de terugkeer van Afghaanse vluchtelingen de druk op de bevolking verder toe. Daarnaast wijzen deze leden erop dat honderden klinieken hun deuren hebben moeten sluiten vanwege financieringstekorten, terwijl de toegang tot gezondheidszorg verder verslechtert. Deze leden vragen welke aanvullende stappen Nederland en de EU zetten om humanitaire hulpverlening, toegang tot gezondheidszorg en voedselvoorzieningen in Afghanistan te verbeteren en de armoede onder de Afghaanse bevolking terug te dringen.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet is bezorgd over de verslechterende humanitaire situatie in Afghanistan, en erkent dat de genoemde combinatie van factoren leidt tot een toenemende druk op de bevolking. Dit zal naar verwachting, mede door de huidige conflicten in de regio, niet snel veranderen. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering via meerdere kanalen: VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. De Nederlandse inzet op voorspelbare en flexibel inzetbare financiering stelt organisaties in staat om wendbaar te zijn en snel in te spelen op veranderende noden wereldwijd, en dus ook in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het centrale VN-noodhulpfonds (CERF), evenals van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee hulp (waaronder voedsel, drinkwater, gezondheidszorg en opvang) aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd.

De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 van dd. 12 januari 2026, gestoeld op meerjarige, flexibel inzetbare financiering aan onze humanitaire partnerorganisaties.7 Deze organisaties bepalen op basis van noden en de bijdragen van andere donoren waar en in welke mate zij hulp verstrekken, en kunnen er voor kiezen hun activiteiten met Nederlandse financiering op te schalen.

Nederland pleit in internationaal en Europees verband frequent voor het belang van voldoende humanitaire financiering en aandacht voor onderbelichte crises, waaronder die in Afghanistan. Deze inzet zal het kabinet voortzetten, mede met het oog op de uitvoering van de motie van het lid Van Baarle over hulpverlening in Afghanistan.8

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Raad Buitenlandse Zaken van 27 en 28 mei 2026. Zij hebben enkele vragen over de rol van de VS en Europa in het Russisch-Oekraïense vredesproces en meerdere vragen en suggesties over de effectiviteit van EU-sancties tegen de Iraanse Revolutionaire Garde.

Recente ontwikkelingen in de Russisch-Oekraïense vredesonderhandelingen

De leden van de SGP-fractie constateren dat Oekraïne en Rusland formeel nog geen afstand hebben gedaan van het vredesproces, maar dat het vertrouwen van beide partijen in de Verenigde Staten als bemiddelaar tanende is. Deze leden vragen het kabinet om een duiding te geven van de voortgang in het proces en de rol van de VS hierin. Welke rol ziet het kabinet weggelegd voor Europese actoren, of eventuele derde landen, in het vredesproces? Wie zou wat het kabinet betreft de stem namens Europa moeten zijn als met Moskou onderhandeld wordt?

  1. Antwoord van het kabinet

Steun aan Oekraïne en druk op Rusland blijft de basis om Rusland aan tafel te krijgen. Eventuele gesprekken met Rusland moeten namelijk worden gevoerd vanuit een positie van kracht; pas dan zal Rusland bereid zijn serieus te onderhandelen. Ondanks de belangrijke faciliterende rol van de VS zijn de gesprekken over vrede momenteel niet succesvol, omdat Rusland vasthoudt aan maximalistische eisen en niet bereid is serieus over vrede te spreken. We zien daarentegen dat Oekraïne zich constructief opstelt en bereid is tot compromissen om een duurzame en rechtvaardige vrede te bereiken. Het is van belang dat Europese actoren betrokken zijn bij het vredesproces, aangezien dit direct raakt aan de Europese veiligheid. Zie ook de beantwoording op vraag 3 en 13.

Sancties tegen Iran

Voorts hebben de leden van de SGP-fractie meerdere vragen over de passage in de geannoteerde agenda waarin wordt aangegeven dat Nederland blijft inzetten op het mogelijk maken van EU-sancties tegen Iraanse personen en entiteiten die betrokken zijn bij de belemmering van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz, en al dan niet met concrete sanctiemaatregelen zal komen.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe deze inzet zich verhoudt tot de plaatsing van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) op de Europese terrorismelijst, zoals besloten door de Raad van de Europese Unie eind januari. Acht het kabinet het aannemelijk dat de personen en entiteiten die betrokken zijn bij het belemmeren van vrije doorvaart direct of indirect gelieerd zijn aan de IRGC? Als dat het geval is, in hoeverre vallen dergelijke personen en entiteiten dan niet al onder bestaande EU-sanctieregimes tegen Iran?

  1. Antwoord van het kabinet

De IRGC is al sinds juli 2010 gesanctioneerd onder de EU-sancties op Iran. Daarmee dienen tegoeden van deze organisatie in de EU te worden bevroren en mogen EU personen of bedrijven geen zaken doen met de IRGC, ook niet indirect. Vervolgens is de IRGC in januari 2026 op de EU-terrorismelijst geplaatst. De aanwezigheid in Iran van de IRGC is veelomvattend en veel bedrijven of structuren zijn (deels) verwant aan de IRGC. Onder de EU-sanctieregels vallen bedrijven of organisaties die voor meer dan 50% in eigendom zijn of onder controle staan van de IRGC automatisch ook onder de sancties. In de praktijk is dit echter niet altijd vast te stellen doordat er complexe structuren worden opgetuigd om sancties te omzeilen. De EU sanctioneert daarom ook entiteiten die vallen onder de IRGC of indirect worden aangestuurd door de IRGC. Mede om die reden is het van belang dat de EU op Nederlands voorstel specifieke sanctiegrondslagen heeft gecreëerd om betrokkenen bij het belemmeren van de vrije doorvaart ook direct te kunnen sanctioneren. Het kabinet zet in op spoedige aanname van maatregelen in dit kader, een en ander met inachtneming van de bredere politieke context van het conflict.

Kan het kabinet reflecteren op de aanvullende stappen die Nederland en andere EU-lidstaten hebben genomen sinds het besluit van eind januari over de plaatsing van de IRGC op de Europese terrorismelijst? Kan de minister de Gymnich-bijeenkomst aangrijpen voor een strategische gedachtewisseling en uitwisseling van best practices met Europese counterparts over de praktische implementatie hiervan, waaronder het bevriezen van tegoeden, strafrechtelijke handhaving, reisbeperkingen, het opsporen van financieringsstromen en samenwerking met derde landen die de IRGC al eerder als terroristische organisatie hebben aangemerkt, zoals de Verenigde Staten, Canada, Bahrein, Saoedi-Arabië en Israël?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderschrijft het belang van het versterken van Europese samenwerking op de handhaving van sancties en zet daar actief op in. Tegoeden van de IRGC zijn binnen de EU al sinds 2010 bevroren. Er geldt een inreisverbod voor leden van de IRGC die zelf ook op de sanctielijst staan. Het opsporen van financieringsstromen is onderdeel van de dagelijkse handhaving op gebied van sancties door organisaties als Douane en FIOD. Hierbij wordt nationaal nauw samengewerkt in bijvoorbeeld het Samenwerkingsplatform Sanctienaleving (SPS) en met internationale partners waar relevant. De precieze onderzoekstrategie naar dergelijke activiteiten leent zich niet voor de openbaring. Concrete manieren om de Europese samenwerking op handhaving van sancties in brede zin te versterken zijn het uitvoeren van ‘peer reviews’, outreach naar het bedrijfsleven, betere regelgeving en gezamenlijke risico-inschattingen.

Kan het kabinet daarbij ook reflecteren op de concrete materiële gevolgen die sinds de plaatsing van de IRGC op de Europese terrorismelijst zichtbaar zijn geworden, zowel op Europees niveau als in Nederland? Welke praktische effecten heeft deze plaatsing tot dusver gehad ten aanzien van handhaving, financiële maatregelen, opsporing en internationale samenwerking?

  1. Antwoord van het kabinet

Van de plaatsing van de IRGC op de terrorismelijst gaat een sterke politieke signaalwerking uit. Aangezien de IRGC als organisatie en nagenoeg de volledige top reeds gelist waren onder andere EU-sanctieregimes, is het additionele materiële effect van deze maatregel beperkt.

Ten slotte vragen deze leden of het kabinet van oordeel is dat de huidige EU-sanctiekaders voldoende instrumenten bieden om op te treden tegen de betrokken actoren bij de blokkade van de Straat van Hormuz, of dat aanvullende maatregelen noodzakelijk worden geacht.

  1. Antwoord van het kabinet

De aanname door de EU op 22 mei jl. van een nieuwe sanctiegrondslag voor bedreiging van de vrije doorvaart in Hormuz creëert meer mogelijkheden om hiertegen op te treden. Daarnaast blijven de overige sanctiecriteria als het gaat om Iran van belang, zoals die zijn toegespitst op het nucleaire terrein of op mensenrechtenschendingen.


  1. Kamerstuk 21501-02, nr. 3374↩︎

  2. Kamerstuk 21501-02, nr. 3375↩︎

  3. Kamerstuk 23 432, nr. 742↩︎

  4. Kamerstuk 21 501-02, nr. 3048↩︎

  5. Kamerstuk 21501-02, nr. 3378↩︎

  6. Kamerstuk 21501-02, nr. 3373↩︎

  7. Kamerstuk 36180, nr. 189↩︎

  8. Kamerstuk 36 180, nr. 211↩︎