Nota naar aanleiding van het verslag
Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D25317, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-05-28 12:53, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: G.C. Honsbeek, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36919 -6 Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten.
Onderdeel van zaak 2026Z06132:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 11:30 ⇒ Reeds geagendeerd voor het wetgevingsoverleg Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten op 22 juni 2026. (Besluit)
- 2026-04-08 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-04-02 11:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag reeds vastgesteld op 8 april 2026. (Besluit)
- 2026-04-02 11:30 ⇒ Reeds geagendeerd voor het wetgevingsoverleg over de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten op 22 juni 2026. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z11150:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 11:30 ⇒ Betrekken bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-02 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-04-08 14:00: Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-06-04 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-06-22 11:00: Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
| 36 919 | Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten |
| Nr. 6 | Nota naar aanleiding van het verslag |
Vastgesteld 27 mei 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten (Kamerstuk 36919), heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat het Presidium op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling over de Raming voldoende voorbereid. De voorzitter van de commissie, Kisteman De griffier van de commissie, Honsbeek |
INHOUDSOPGAVE blz.
1. Inleiding
2. Algemeen begrotingsbeeld
2.1 Enveloppe 'goed bestuur'
3. Toekomstbestendige Kamerorganisatie
3.1 Sociale veiligheid
3.2 Arbeidsmarkt in transitie
4. Werkwijze van de Kamer
4.1 Vergaderen in de regio
5. Integrale veiligheid in de Tweede Kamer
5.1 Weerbaarheid Kamer
6. Huisvesting Tweede Kamer
7. Overig
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen
van de Raming. Deze leden danken alle medewerkers van de
Kamerorganisatie voor het harde werk dat zij verzetten om deze
organisatie en onze democratie draaiende te houden.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede
aanwijzing en raming van de ontvangsten, van de geleidende brief, waarin
aandachtspunten voor het jaar 2027 staan beschreven, en de bijlagen.
Graag willen deze leden het Presidium daarover een aantal vragen
stellen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling
kennisgenomen van de Raming voor het jaar 2027. Deze leden hebben
hierover op dit moment een aantal vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de
ramingen. Deze leden willen allereerst uitspreken dat zij de
ondersteuning van de Kamerorganisatie in de vele hoedanigheden waarin
zij plaatsvindt, buitengewoon waarderen. Zij maken graag gebruik van
deze gelegenheid om een aantal vragen te stellen.
De leden van de BBB-fractie danken de Voorzitter en het Presidium voor
de toegestuurde stukken en de voorbereiding daarvan. Daarnaast spreken
deze leden hun waardering uit voor alle medewerkers van de Kamer. Het
functioneren van dit huis staat of valt met hun inzet, vaak achter de
schermen en onder hoge druk. Deze leden vinden het belangrijk om dat
expliciet te benoemen en zullen dat ook tijdens het
wetgevingsoverleg onderstrepen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de Raming voor het jaar 2027. Deze leden hebben veel waardering voor de
inzet die op vele terreinen wordt verricht. Zij hebben slechts enkele
vragen over de stukken.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling
kennisgenomen van de Raming der Tweede Kamer voor de in 2027 benodigde
uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten. Deze leden
danken de leden van het Presidium voor hun werk namens de hele Kamer en
hebben ook veel waardering voor de inzet van de gehele ambtelijke
organisatie voor haar bijdrage aan het functioneren van onze democratie.
Deze leden maken gebruik van de mogelijkheid voor het stellen van vragen
over de Raming.
2. Algemeen begrotingsbeeld
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen of het Presidium een toelichting kan
geven op de kostenontwikkeling in de meerjarenraming. Deze leden wijzen
erop dat de bedragen van artikel 3 in de komende jaren een dalende trend
laten zien en dat veel posten van dit artikel stabiel zijn. Zij vragen
hoe dit te verklaren valt, alleen al gelet op de ontwikkeling van de
inflatie.
Antwoord
In de meerjarenraming is geen rekening gehouden met toekomstige indexeringen als gevolg van inflatie. Loon- en prijsbijstellingen worden verwerkt in lopende begrotingen en maken derhalve geen onderdeel uit van de meerjarenraming.
De dalende ontwikkeling van het budget op artikel 3 in de meerjarenperiode wordt grotendeels verklaard door het incidentele karakter van een aantal uitgaven in 2026. Het betreft onder meer kosten voor schokdemping bij fractievergoedingen, hogere onderhouds- en investeringslasten in het tijdelijke huisvestingsgebouw als gevolg van de verlengde verblijfs- en gebruiksduur, en aanvullende investeringen op het terrein van veiligheid. Deze uitgaven hebben een eenmalig karakter en leiden daardoor tot een relatief hoger uitgavenniveau in 2026, waarna in de daaropvolgende jaren een daling zichtbaar is.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium wil toelichten welke uitgangspunten gehanteerd worden voor de kosten ten aanzien van het uitvoeren van parlementaire enquêtes. Voor de komende jaren blijkt hiervoor geen bedrag ingeboekt. In hoeverre is het nodig om hiervoor toch een voorziening te reserveren, ook in jaren dat geen enquêtes worden uitgevoerd, gelet op het feit dat de behoefte eraan vrij snel kan ontstaan?
Antwoord
Voordat een parlementaire enquête start, worden de kosten
overeenkomstig het onderzoeksvoorstel van de uit te voeren parlementaire
enquête begroot. Deze begroting is gebaseerd op de reguliere
begrotingssystematiek voor parlementair onderzoek en afgestemd met de
Stafdienst Financieel Economische Zaken van de Tweede Kamer. De voor het
onderzoek benodigde middelen worden, conform artikel 3 van de Wet op
de parlementaire enquête 2008, vervolgens toegevoegd aan de begroting
van de Tweede Kamer. Hiertoe wordt een claim ingediend bij het
ministerie van Financiën.
Voor 2027 is geen begroting opgenomen, omdat ten tijde van het opstellen van de Raming de besluitvorming over de verlenging van de parlementaire enquête Corona nog niet formeel was afgerond. Dat is inmiddels wel gebeurd. Nu het Presidium op 11 maart 2026 heeft ingestemd met de ophoging van de begroting van de parlementaire enquêtecommissie Corona, kunnen bij de Voorjaarsnota 2027 middelen worden toegevoegd.
2.1 Enveloppe 'goed bestuur'
Inleidende reactie van het Presidium over enveloppe 'goed bestuur'
Het Presidium begrijpt de vele vragen die zijn gesteld over de besteding van de middelen uit de enveloppe 'goed bestuur' en hecht er daarom aan wat uitvoeriger in te gaan op de achtergrond hiervan alvorens de concrete vragen te beantwoorden. De 10 miljoen euro voor de versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede Kamer komt niet voort uit een door de Kamer zelf geuite behoefte, maar is op 2 juli 2025 aangekondigd door de toenmalig demissionair minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Er is voorafgaand geen contact geweest met de Tweede Kamer op ambtelijk of politiek niveau over de hoogte van dit bedrag of de wijze waarop deze middelen zouden kunnen worden ingezet.1
Op basis van het door het ministerie van BZK meegegeven kader van versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van het instituut Tweede Kamer heeft de Kamerorganisatie een bestedingsplan voor deze middelen opgesteld, waarbij zo veel mogelijk is teruggegrepen op wensen en ambities die eerder door de Kamer zelf op dit gebied zijn uitgesproken, bijvoorbeeld in het rapport van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. Daarnaast is aangesloten bij het rapport 'Van overvloed naar inzicht? Perspectieven van Tweede Kamerleden op informatiegebruik en informatiebehoefte', dat het ministerie van BZK in 2025 door de Universiteit Leiden heeft laten uitvoeren. Dit onderzoek, waar een aantal fracties ook naar verwijst, is gebaseerd op gesprekken met 58 Kamerleden die suggesties hebben aangedragen voor het structureel verbeteren van de informatiepositie van de Tweede Kamer.
Door de vele vragen die zijn gesteld over de groei van de Dienst Analyse en Onderzoek (DAO) lijkt er een beeld te zijn ontstaan dat het volledige bedrag van 10 miljoen voor formatieve uitbreiding van deze dienst zou worden aangewend. Dat is niet het geval. Het klopt dat een deel van de middelen wordt ingezet om de kennispositie en onderzoeksmogelijkheden van met name de vaste Kamercommissies te vergroten. Een net zo substantieel deel van de middelen zal echter worden gebruikt voor de noodzakelijke versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening van de Tweede Kamer.
Hiermee wordt ook opvolging gegeven aan de twee eerste aanbevelingen uit het rapport van de Universiteit Leiden: het verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom en het verbeteren van de digitale infrastructuur. Concreet betekent dat bijvoorbeeld middelen om grote hoeveelheden informatie te verwerken, toegang tot nieuwe en beter ontsloten datasets en informatiebronnen, slimme(re) toepassingen van generatieve AI die de productiviteit kunnen verhogen en verbetering van de digitale samenwerking door in een gedeelde omgeving aan documenten en annotaties te kunnen werken.
Het op deze wijze opgestelde bestedingsplan is eind 2025 besproken met de ambtelijk secretarissen van de fracties en met het Presidium, waarna dit is verwerkt in de Raming voor 2027. Daarbij is gekozen voor een meerjarig ingroeimodel, waarbij steeds tussentijds geëvalueerd wordt wat het effect is geweest van de stapsgewijze uitbreiding en deze op basis daarvan zo nodig kan worden bijgestuurd. Hierbij zal worden aangesloten bij de verantwoordings- en begrotingsrapportage die het Presidium drie keer per jaar ontvangt. Middelen die niet besteed worden, vloeien terug naar het ministerie van BZK. Zoals het Presidium in de geleidende brief al heeft aangegeven, staat het de Kamer vrij om via een amendement alsnog (een deel van) deze middelen te bestemmen voor fractieondersteuning. Het Presidium ziet de behandeling van de Raming ook als een goede gelegenheid om het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen van ondersteuning. Dit kan mede aan de hand van een of meerderere amendementen die fracties zouden kunnen indienen om een andere verdeling van deze middelen mogelijk te maken.
Tot slot wil het Presidium benadrukken dat het altijd aan de Kamer zelf moet zijn om zich uit te spreken over de wijze waarop zij haar taken uitoefent en welke middelen daarvoor benodigd zijn, en dat het uit zowel principieel als praktisch oogpunt dus ongewenst en ongebruikelijk is als een kabinet hier eenzijdig en zonder afstemming vergaande voorstellen toe doet. Het dient ook aan de Kamer zelf gelaten te worden of hierbij gekozen wordt voor meer fractieondersteuning, uitbreiding van de ambtelijke organisatie of een combinatie van beide.
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat de Dienst Analyse en Onderzoek (DAO) in de afgelopen jaren is uitgebreid, en ook de komende jaren zal blijven groeien. Naar de mening van deze leden voorziet de DAO in zeer nuttige ondersteuning voor democratische controle, onder andere via het opstellen van notities. Tegelijk constateren zij dat uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat de diensten van de Kamer nog maar beperkt door Kamerleden als informatiebron worden gebruikt.
Op basis van welke overwegingen wordt voorgesteld om deze diensten uit te breiden? Welke mogelijkheden zijn er om het gebruik van deze diensten te vergroten? Zij vragen of het klopt dat notities en adviezen van DAO momenteel enkel intern beschikbaar zijn. Is overwogen om de adviezen van DAO standaard openbaar te maken, zodat ze voor het brede publiek en media beschikbaar zijn, zo vragen zij tevens. Wat zouden hiervan de voor- en nadelen zijn?
Antwoord
De overwegingen om DAO uit te breiden grijpen terug op eerder geuite wensen van de Kamer om voldoende specialistische ondersteuning in huis te hebben, die ten dienste staat van alle fracties en leden, als aanvulling op de deskundigheid die binnen fracties zelf ook aanwezig is. Dit gaat bijvoorbeeld om terreinen als begroting, fiscaliteit, grondrechten en burgerbetrokkenheid. Hierbij kan onder meer gewezen worden op het rapport 'Versterking functies Tweede Kamer' en de bijbehorende monitoringsrapporten (werkgroep-Van der Staaij II en werkgroep-Kamminga), initiatieven en aangenomen moties over meer aandacht voor constitutionele zaken en grondrechten (zie bijvoorbeeld Kamerstuk 34665, nr. 1 e.v. over de aandacht voor constitutionele zaken en de motie-Omtzigt c.s. over een tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing) en de motie-Van Hijum c.s. over het onderzoeken van een bureau begroting en verantwoording binnen de Kamer (Kamerstuk 36560, nr. 22). Op een aantal terreinen heeft de Kamer hier de afgelopen jaren al stappen gezet, maar deze ondersteuning kan op een veelzijdiger en voorspelbaarder manier worden ingevuld, waardoor ook duidelijker is voor fracties wat zij op welk moment van DAO kunnen verwachten. Op dit moment lukt het niet altijd om op alle terreinen dezelfde consistente dienstverlening aan alle Kamercommissies te leveren.
Daarbij is het uitgangspunt dat niet per se méér wordt geproduceerd, maar selectief wordt ingespeeld op de behoefte aan actuele analyse, ordening en verdieping toegespitst op het parlementaire proces tegen de achtergrond van een steeds groter wordend informatieaanbod zoals ook in het rapport van de Universiteit Leiden wordt geschetst. Daarbij wordt steeds afgewogen in hoeverre daadwerkelijk meerwaarde wordt geboden en het aanbod behapbaar blijft voor Kamerleden en fractiemedewerkers. Dit zal ook periodiek worden getoetst door middel van een behoefte- en kwaliteitspeiling.
De stafnotities die DAO-medewerkers veelal binnen de commissiestaven opstellen zijn doorgaans voor intern gebruik, omdat zij primair bestemd zijn voor de leden en hun medewerkers. Ze bieden inzicht en analyse, doorgaans voorzien van vraagsuggesties, die Kamerleden kunnen gebruiken ter voorbereiding op bijvoorbeeld debatten. Commissies kunnen besluiten een notitie openbaar te maken, waardoor deze notitie onderdeel wordt van het parlementaire proces. Overigens worden veel andere producten waaraan DAO meewerkt, zoals rapporteursverslagen of de rapporten in het kader van parlementaire verkenningen, wel automatisch openbaar gemaakt. Dat geldt ook voor producten in het kader van het samenwerkingsverband Parlement & Wetenschap en externe onderzoeken in het kader van de kennisagenda's van de commissies.
De voorgestelde extra investeringen bieden de mogelijkheid om te experimenteren met nieuwe vormen van onderzoeksgerichte dienstverlening, zoals meer diepgravende, eigenstandige analyses in de vorm van daarvoor ontwikkelde publicaties. De intentie is dat deze dienstverlening ook openbaar wordt. Zo kunnen inzichten op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek beter toegankelijk en toepasbaar worden gemaakt voor het parlementaire debat. In andere parlementen zijn daar goede ervaringen mee.
Vraag
Deze leden constateren dat er in de afgelopen jaren een aantal rapporten
zijn verschenen over het functioneren van de Kamer, waarin onder andere
voorstellen worden gedaan om te komen tot betere behandeling van
wetgeving. Deze aanbevelingen moeten vervolgens geïmplementeerd worden
in de werkwijze van de Kamer en haar commissies om ook effect te hebben.
De griffies van de commissies spelen hierin een belangrijke rol; zij
kunnen op procedurevergaderingen voorstellen inbrengen om het proces van
wetgevingsbehandeling beter te organiseren.
Op welke wijze wordt de opvolging van de aanbevelingen belegd bij de griffie? Zijn er al best practices die gedeeld kunnen worden?
Antwoord
De aanbevelingen uit de rapporten 'Versterking functies Tweede
Kamer' en 'Voor een Kamer die Werkt' bieden de commissiestaven
bijvoorbeeld meer ruimte om een latere inbrengdatum voor het verslag van
een wetsvoorstel voor te stellen dan de gebruikelijke twee tot drie
weken na indiening van het wetsvoorstel. De commissiestaf kan daarbij
rekening houden met de omvang en bepaalde inhoudelijke aspecten van een
wetsvoorstel, zoals eventuele grondrechtelijke en constitutionele
aandachtspunten. In enkele concrete gevallen zijn recentelijk
voorstellen gedaan voor een latere inbrengdatum dan gebruikelijk vanwege
de fundamentele aard van de wetswijziging, een mogelijk werkbezoek ter
voorbereiding op de behandeling van het wetsvoorstel, het opstellen van
een wetgevingsscan door de staf of vanwege het feit dat de tijdelijke
commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing naar verwachting een
advies over het wetsvoorstel zou gaan geven. Het is vervolgens aan de
desbetreffende commissies om daar al dan niet opvolging aan te geven.
Voorstellen voor latere inbrengdata worden niet altijd overgenomen door
commissies.
In wetgevingsintensieve commissies wordt voorts via de procedurevergaderingen de prioritering van wetsvoorstellen geagendeerd en vastgesteld, wat een voortvarend proces van wetgeving eveneens ten goede kan komen.
Daarnaast gebruiken alle vaste commissies hun jaarlijkse strategische procedurevergadering om verder vooruit te kunnen plannen en planningsbrieven op te vragen bij de bewindspersonen. Daarmee komt de wetgevingskalender beter en sneller in beeld, op basis waarvan een staf proactief en gericht procedurevoorstellen kan doen. Daardoor kan een commissie bijvoorbeeld al vroeg in het behandelproces besluiten tot het laten uitvoeren van een wetgevingsscan en/of het aanstellen van een wetgevingsrapporteur. Ook deze beide instrumenten dienen ter extra kennisondersteuning van de commissies bij de behandeling van complexe wetgeving.
Vraag
Voor de versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede
Kamer wordt in de Raming 2027 een bedrag van 10 miljoen euro geleidelijk
overgeheveld van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties (BZK) naar de begroting van de Tweede Kamer.
Daarmee zal structureel worden geïnvesteerd in de DAO. Een ander deel
van dit bedrag zal worden besteed aan het versterken van de digitale
ondersteuning en informatievoorziening.
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre die 10 miljoen euro al verdisconteerd is in de Raming. Deze leden krijgen graag inzicht in de verdeling en besteding van dit geld over de komende jaren heen. Kortom, kan worden aangegeven hoe de verdeling van de 10 miljoen euro over de drie sporen zal zijn? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.
Antwoord
Dit is deels het geval. Het betreffende budget wordt gefaseerd toegevoegd aan de begroting, aangezien dit plaatsvindt via een ingroeimodel langs drie sporen, zoals weergegeven in bijgaande tabel.
| Artikel 3: Wetgeving en controle | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer (in €1 000) | ||||||
| Spoor 1 (DAO) | 648 | 1.115 | 2.022 | 2.670 | 3.156 | 3.771 |
| Spoor 2 (IV) | 2.417 | 4.112 | 3.917 | 3.982 | 3.992 | 4.012 |
| Spoor 3 (Overig) | 0 | 1.045 | 1.188 | 1.330 | 1.430 | 1.557 |
De twee voornaamste sporen betreffen versterking van DAO en de verbetering van de digitale informatievoorziening. Het derde spoor ziet met name op de verwachte doorwerking naar andere diensten die volgt uit de investeringen in deze twee sporen. De verdeling, inclusief de financiële uitwerking, is toegelicht bovenaan pagina 3 van de begrotingstoelichting en nader gespecificeerd in het middendeel van tabel 4 op pagina 8.
Vraag
In het kader van het aangegeven spoor 1 (versterking DAO) wordt er extra geïnvesteerd in wetgevingsadvisering, het borgen van expertise op het gebied van grondrechten en advisering over burgerbetrokkenheid.
Waarom wordt er voor deze route gekozen? Zou er niet meer behoefte zijn aan wetgevingsjuristen bij Bureau Wetgeving in plaats van een extra investering in DAO, zo vragen deze leden.
Antwoord
De wetgevingsadvisering van DAO is gericht op het inhoudelijk ondersteunen van commissies bij de behandeling van (regerings)wetsvoorstellen. Wetgevingsadviseurs bieden deskundige en direct toepasbare kennis en analyse met betrekking tot de kwaliteit van wetsvoorstellen, bijvoorbeeld met een scan van juridische aspecten, de uitvoerbaarheid en het burgerperspectief van een wetsvoorstel. De commissies kunnen deze inzichten gebruiken bij de voorbereidende behandeling van wetsvoorstellen. Daarnaast ondersteunen zij wetgevingsrapporteurs in de commissies. Deze dienstverlening is de afgelopen jaren opgezet binnen DAO naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. Uit de toename van het aantal wetgevingsrapporteurs blijkt dat hier ook behoefte aan bestaat. Met de huidige capaciteit kan deze advisering op dit moment echter nog niet volledig beschikbaar worden gemaakt voor alle commissies. Een extra investering in wetgevingsadvisering maakt verdere specialisatie op wetgevingsintensieve beleidsterreinen mogelijk en versterkt de ondersteuning van het toegenomen aantal wetgevingsrapporteurs in de commissies.
Over de ondersteuning van Kamerleden door Bureau Wetgeving en de noodzaak van een eventuele capaciteitsuitbreiding heeft het Presidium in 2024 een zienswijze van Bureau Wetgeving met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 36528, nr. 21). Het Presidium onderschreef de conclusie dat de huidige capaciteit van Bureau Wetgeving toereikend is om Kamerleden te ondersteunen bij het voorbereiden van initiatiefwetsvoorstellen en amendementen en om (incidentele) pieken in de werklast op te vangen. Er hebben zich sindsdien geen ontwikkelingen voorgedaan die aanleiding geven tot een herbezinning op de benodigde capaciteit.
Vraag
Verder vragen zij of kan worden toegelicht hoe de investering in DAO zich vertaalt naar een efficiëntere en betere ondersteuning van het parlementaire werk vanuit de Griffies Commissies, de Griffie Plenair en andere ondersteunende diensten.
Antwoord
De investering waarop gedoeld wordt ziet niet op de uitbreiding van DAO, maar op de versterking van de digitale informatievoorziening. Behalve voor de fracties biedt deze transformatie en innovatie ook kansen voor diensten van de Kamer om bijvoorbeeld door de inzet van AI werkprocessen te optimaliseren of sneller innovatieve toepassingen met efficiencyvoordelen te kunnen realiseren.
Vraag
Verder vragen deze leden of bij de fracties is nagegaan welke wensen zij hebben voor de besteding van die 10 miljoen euro. Zo ja, hoe is dat geïnventariseerd? Wat waren de uitkomsten van die inventarisatie? Zo neen, waarom is dat niet gebeurd? Graag krijgen deze leden een reactie van het Presidium. Overigens zouden zij zich kunnen voorstellen dat een deel van de 10 miljoen euro bij de fracties c.q. groepen terechtkomt.
Antwoord
Het bestedingsplan is eind 2025 ter consultatie voorgelegd aan de ambtelijke secretarissen van de fracties en daarna ter besluitvorming aan het Presidium. Verder is zo veel mogelijk aangesloten bij de bevindingen uit het recente rapport van de Universiteit Leiden, waarvoor alle fracties zijn benaderd en waar 58 Kamerleden aan hebben meegewerkt, en bij de aanbevelingen uit recente rapporten die door werkgroepen vanuit de Kamer zijn opgesteld. Voor de overwegingen om de middelen in te zetten voor versterking van de kennis- en onderzoeksfuncties van de Kamer als instituut verwijst het Presidium naar de algemene inleiding, in het bijzonder naar de opmerking over het eerdere uitgangspunt van het ministerie van BZK om deze middelen te bestemmen voor versterking van het instituut en niet voor uitbreiding van de fractieondersteuning.
Vraag
Het is deze leden opgevallen dat er onder artikel 3 punt 02. (Kennis en onderzoek) in het jaar 2026 en verder sprake is van een enorme verhoging van het bedrag, van 240.000 euro in 2025 naar 1.421.000 euro in 2026 en verder. Wat zijn daarvan de redenen?
Antwoord
Het reguliere kennis- en onderzoeksbudget van de Kamer, dat beheerd wordt door de Dienst Analyse en Onderzoek en mede bestemd is voor (extern) onderzoek binnen de verschillende commissies, is onveranderd gebleven ten opzichte van vorig jaar. De 240.000 euro betreft de realisatie aan kosten in 2025. Voor elke commissie is jaarlijks 110.000 euro beschikbaar voor kennis en onderzoek. In 2025 waren de gerealiseerde kosten relatief laag, omdat het een jaar was waarin het kabinet viel en er Tweede Kamerverkiezingen plaatsvonden.
| Vraag |
|---|
Deze leden willen graag aandacht vragen voor een aantal praktische zaken in de Kamer. Al lange tijd wordt door vele fracties bij de Kamerorganisatie aangekaart dat er problemen zijn met de doorlooptijden voor het verkrijgen van een Rijkspas en vervolgens met het verkrijgen van een laptop en werkomgeving. Na indiensttreding van nieuwe (fractie)medewerkers kan het ruim meer dan een week duren voordat zij een afspraak hebben met de Rijkspassenbalie en vervolgens bij de Dienst Automatisering (DA).
Dat betekent dat tot die tijd nieuwe medewerkers niet aan het werk kunnen. Hoe kan dit probleem worden opgelost? Kan de tijd (drie à vier uur) tussen de afspraak bij de Rijkspassenbalie en de DA worden verkort? Zouden meer medewerkers een oplossing kunnen zijn?
In hoeverre wordt er bij de Raming geld vrijgemaakt om dit probleem op te lossen? Zo neen, waarom niet? Graag krijgen deze leden een reactie van het Presidium.
Antwoord
Er is vanuit de ambtelijke organisatie een initiatief gestart door de Beveiligingsdienst, het Bureau CISO en de Dienst Automatisering om knelpunten bij de instroom in kaart te brengen en zo veel mogelijk te verbeteren. Hierbij worden zowel organisatorische als technische oplossingen onderzocht.
De benodigde tijd na de ID-check van de nieuwe medewerker is op dit moment inderdaad drie tot vier uur. Dit komt door de technische inrichting van processen die leiden tot een Tweede Kamer ID en account (e-mail etc.). In het onderzoek wordt meegenomen of dit verkort kan worden.
Op dit moment is er wel inzicht in de ambtelijke instroom op maand- en kwartaalbasis maar niet op de instroom bij fracties. Ook wordt onderzocht hoe er beter geanticipeerd kan worden op pieken bij instroom en benodigde capaciteit bij de Rijkspas- en IT-servicedeskbalies.
Als uit het onderzoek blijkt dat er knelpunten zijn die alleen kunnen worden opgelost door extra inzet van personeel en eventuele benodigde middelen, dan zullen hiervoor de benodigde stappen worden gezet.
Naar verwachting kan in het derde kwartaal een terugkoppeling worden gegeven via de ambtelijk secretarissen, die hier in eerste instantie vaak mee te maken hebben.
| Vraag |
|---|
Graag ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een uitgesplitst overzicht van hoe de middelen uit de enveloppe 'goed bestuur' worden verdeeld over de verschillende posten die nu door het Presidium zijn voorzien (DAO, ontsluiten informatiebronnen etc.).
Deze leden ontvangen daarnaast graag een nadere toelichting op wat concrete effecten zullen zijn van het versterken van de digitale ondersteuning en informatievoorziening, zodat fracties en commissies toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen verkrijgen.
Ook vragen deze leden of het Presidium overwogen heeft om een deel van de middelen uit de enveloppe 'goed bestuur' aan de fractiekostenregeling toe te voegen, zodat fracties zelf nadere invulling kunnen geven aan het versterken van de ondersteuning van Kamerleden.
Antwoord
Voor de verdeling van de middelen over de verschillende posten verwijst het Presidium naar de beantwoording van de vergelijkbare vraag van de VVD-fractie en de daarin opgenomen tabel.
De groeiende inzet van informatietechnologie en daarmee de toenemende hoeveelheid data en informatie zijn geen tijdelijk verschijnsel, maar een structurele ontwikkeling. Dit is zichtbaar in de gehele maatschappij en dus ook binnen de Nederlandse overheid. De Tweede Kamer zal zich hiertoe moeten verhouden om enerzijds de snel groeiende informatiestromen het hoofd te kunnen bieden en anderzijds de risico's op onjuiste informatie te verkleinen. Hiervoor zijn organisatiebrede investeringen in technologie nodig, waarbij risico's op het gebied van security en privacy beperkt worden en onze soevereiniteit bewaakt wordt. Ook in het rapport van de Universiteit Leiden wordt geconstateerd dat er een breed gedeelde wens is om verbeteringen in bestaande informatiesystemen aan te brengen. Daarnaast worden er kansen gezien in de inzet van AI om Kamerstukken sneller toegankelijk te maken en het institutioneel geheugen beter te ontsluiten. AI-toepassingen maken het mogelijk om verschillende informatiestromen in onderlinge samenhang te verwerken en bijvoorbeeld gericht samen te vatten. Het risico op informatie-overload kan worden tegengegaan als Kamerleden hierbij de beschikking hebben over geavanceerde zoektechnologie. De ontsluiting van grote hoeveelheden parlementaire data maakt het eenvoudiger om onderliggende trends en patronen in bijvoorbeeld debatten, beleidsstukken en onderzoeken ook over de langere termijn snel te kunnen reconstrueren en te verbinden met actuele ontwikkelingen.
Dit kan zowel technisch als organisatorisch alleen integraal vanuit de betrokken diensten van de Kamerorganisatie opgepakt worden, met voldoende waarborgen op het gebied van privacy en betrouwbaarheid van informatie. Ook de inzet van veilige en verantwoorde AI-modellen zoals Vlam.ai vraagt om een robuuste organisatie die op structurele basis de regie houdt over een zorgvuldige implementatie en kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen en innovaties. Technologie wordt op deze wijze niet een bron van extra complexiteit, maar een instrument om complexiteit hanteerbaar te houden.
De inzet van innovatieve technologie (zoals data-, AI- en cloudtechnologie) leidt enerzijds tot efficiencyvoordelen voor fracties en de ambtelijke organisatie (eenvoudiger toegang en betere ontsluiting van informatie en ondersteuning van werkzaamheden met generatieve AI) en anderzijds tot nieuwe mogelijkheden om bestaande informatie te gebruiken of nieuwe of gecombineerde bronnen te creëren. Hiervoor is vanzelfsprekend nieuwe technologie nodig (infrastructuur, applicaties en licenties) maar ook is het belangrijk om alle Kamerbewoners, passend bij hun rol en functie, te trainen in het gebruik van deze technologie. Het gebruik van generatieve AI ter ondersteuning van het Kamerwerk biedt immers kansen maar brengt zeker ook risico's met zich mee. Daarnaast is het belangrijk dat er nieuwe kennis en expertise binnengehaald wordt, zodat de technische inrichting en de governance de mogelijke risico's van het gebruik onder controle houden.
Voor meer achtergrond bij de overwegingen om de middelen in te zetten voor versterking van de ambtelijke organisatie in plaats van toevoeging aan de fractiekostenregeling verwijst het Presidium naar de algemene inleiding.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hebben bedenkingen bij de voorgenomen
besteding van de middelen uit de enveloppe 'goed bestuur' en betwijfelen
of deze daadwerkelijk tegemoetkomt aan de ondersteuningsbehoefte van
Kamerleden. Wat deze leden betreft zou het (deels) gebruiken van dit
budget als aanvulling op de fractiegelden, zoals benoemd in de
geleidende brief, wenselijk zijn.
Zij vragen of er reeds een voorstel ligt voor een voorgenomen invulling (in fte en functietitels) en, zo ja, of die meegestuurd kan worden in de beantwoording.
Ook vragen zij of het Presidium bereid is een aanzienlijk deel van het budget beschikbaar te stellen voor de budgetten van fracties.
Antwoord
De inzet van deze middelen vindt plaats via een meerjarig ingroeimodel. Daarbij wordt structureel geïnvesteerd in de kennis- en informatiepositie van de Kamercommissies en ontstaat meer ruimte voor de beantwoording van vragen vanuit Kamerleden en fracties. Meer concreet wordt geïnvesteerd in expertise op het gebied van begroting en verantwoording, wetgeving, grondrechten, burgerbetrokkenheid en de borging van expertise op het gebied van (parlementair) onderzoek. Daarmee wordt aangesloten bij de wensen die de Kamer in diverse rapporten en moties op dit gebied heeft geformuleerd. Ook kunnen de bestaande functiegroepen binnen DAO versterkt om meer ruimte te bieden voor maatwerk aan individuele leden en fracties, naast het ondersteunen van de vaste commissies dat centraal staat in de kennis- en informatiedienstverlening van DAO. Dit voorgestelde ingroeimodel leidt tot een voorgenomen stapsgewijze uitbreiding die oploopt tot 24 fte in 2031.
Daarnaast wordt Kamerbreed geïnvesteerd in versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening, waarbij het gaat om een combinatie van structurele personele uitbreidingen, opleidingen en digitale voorzieningen, aangevuld met incidentele investeringen in onderzoek en implementatie. Kamerleden en commissies krijgen hierdoor toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen. Dit wordt binnen één programmatische aanpak tussentijds gemonitord en geëvalueerd. De verwachte extra inzet vanwege de doorwerking naar andere Kamerdiensten zal nader worden uitgewerkt in samenhang met de andere sporen.
Zoals gezegd ziet het Presidium de behandeling van de Raming als een goede gelegenheid om het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen van ondersteuning. Dit kan er inderdaad toe leiden dat een deel van de middelen alsnog ter beschikking van fracties wordt gesteld.
| Vraag |
|---|
Deze leden merken op dat er de afgelopen jaren is geïnvesteerd in de uitbreiding van de DAO.
Zij vragen of in beeld is hoe de investeringen in en de uitbreiding van DAO de afgelopen jaren hebben uitgepakt.
Hierbij vragen zij hoe dit heeft geleid tot verbeterde ondersteuning van Kamerleden en of dit erin heeft geresulteerd dat Kamerleden meer gebruikmaken van de diensten van DAO.
Antwoord
Naar aanleiding van onder meer het rapport 'Versterking functies Tweede Kamer' (2021) is de ondersteuning vanuit DAO aan de vaste commissies de afgelopen jaren versterkt en is nieuwe dienstverlening ontwikkeld ter ondersteuning van de wetsbehandeling in de commissies. Daarnaast is de EU-advisering naar DAO overgebracht vanuit de Griffies Commissies en verder versterkt ter uitvoering van de motie-Koekkoek c.s. (Kamerstuk 36200-VII, nr. 42). Uit individuele contacten met Kamerleden en medewerkers, reacties op kennisproducten via diverse kanalen en andere rapportages blijkt dat de ondersteuning wordt gewaardeerd en gebruikt. DAO verzorgt verder de inhoudelijke begeleiding van begrotings-, EU- en wetgevingsrapporteurs, die de Kamer in toenemende mate aanstelt. Zo is het afgelopen jaar het aantal rapporteurs verder gegroeid, van 137 naar 160 (waarbij een aantal Kamerleden meerdere rapporteurschappen op zich neemt). Dat geldt ook voor het nieuwe instrument van de parlementaire verkenning, dat de afgelopen jaren tot ontwikkeling is gekomen.
DAO-medewerkers zijn onderdeel van de integrale commissiestaven en werken daarbinnen nauw samen met collega's van de Griffies Commissies. Deze werkwijze in nabijheid van de commissie en de leden bevordert een goede afstemming tussen vraag en aanbod van dienstverlening. Veel producten en diensten worden dan ook onder de vlag van de commissiestaf aangeboden, teneinde Kamerleden een eenduidig aanspreekpunt te bieden voor zowel de procedurele als de inhoudelijke ondersteuning aan de commissies. Mede daardoor lijken niet alle fracties even goed bekend met de dienstverlening, zoals ook bleek uit het rapport 'Voor een Kamer die Werkt'. Het periodiek meten van de bekendheid van én behoefte aan deze ondersteuning is daarom een punt van aandacht. De dienstverlening vanuit de integrale commissiestaven wordt belicht in de introductiedossiers, de brochure 'Commissies aan zet', de kennismakingsbijeenkomsten en individuele gesprekken met Kamerleden en medewerkers. Ook coördineert DAO het cursusaanbod binnen de Tweede Kamer Academie, dat verzorgd wordt met collega's van andere diensten.
Vraag
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de passage over de
enveloppe 'goed bestuur' en de daarin geschetste keuze om middelen over
te hevelen naar de begroting van de Tweede Kamer, met name ten behoeve
van de versterking van de DAO. Ook hebben deze leden kennisgenomen van
de suggestie dat, indien gewenst, (een deel van) deze middelen via een
amendement kan worden ingezet ter versterking van fracties.
Deze leden vragen het Presidium waarom er in eerste instantie voor wordt gekozen om deze middelen primair te investeren in de DAO. Voor zover bij deze leden bekend, zijn er geen signalen van acute capaciteitstekorten bij de DAO die een dergelijke substantiële investering rechtvaardigen.
Kan het Presidium nader onderbouwen waar deze keuze op is gebaseerd en welke concrete knelpunten hiermee worden opgelost?
Tegelijkertijd willen deze leden nadrukkelijk aandacht vragen voor de positie van fracties, en in het bijzonder de kleinere fracties. Deze fracties hebben, net als grotere fracties, dezelfde constitutionele taken: het controleren van de regering, het behandelen van wetsvoorstellen en het deelnemen aan debatten en overleggen. Daar staat echter een aanzienlijk kleinere ondersteuningscapaciteit tegenover. In de praktijk betekent dit dat kleine fracties dezelfde hoeveelheid, vaak zeer complexe, stukken van het kabinet moeten doorgronden, maar met veel minder fractieondersteuning.
Deze leden vragen het Presidium hoe het kijkt naar deze disbalans. Acht het Presidium het wenselijk dat de verschillen in ondersteuning tussen fracties zo groot zijn, terwijl de taken gelijk zijn?
Is het in dat licht niet verstandiger om (een deel van) de beschikbare middelen juist in te zetten ter versterking van de fracties zelf, in plaats van primair te investeren in de DAO?
Deze suggestie lijkt het Presidium ook zelf te doen in zijn begeleidende brief. Deze leden willen wel benadrukken dat zij de inzet en kwaliteit van de DAO zeer waarderen.
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat een deel van de middelen inderdaad wordt gebruikt voor uitbreiding van DAO, maar dat een net zo substantieel deel ingezet wordt voor de verbetering van de digitale informatievoorziening (zie ook de tabel in antwoord op de vraag van de VVD-fractie over de verdeling van de middelen). Beide onderdelen komen rechtstreeks tegemoet aan wensen die op verschillende momenten en manieren door de Kamer zijn geuit. De beschikbaarstelling van de middelen uit de enveloppe 'goed bestuur' maken het mogelijk deze wensen nu in een samenhangend plan uit te werken. De aanleiding is dus niet gelegen in een acuut capaciteitstekort of concrete knelpunten.
De voorgestelde versterking van de kennisdienstverlening van DAO is niet binnen de huidige formatie en middelen te realiseren. De benodigde expertise is ook niet op andere plaatsen binnen de Kamerorganisatie beschikbaar. Het bestaande aanbod van kennisdienstverlening voor commissies richt zich voornamelijk op kennis- en informatieproducten en -diensten gericht op begrotingen, beleidsvoorstellen, wetgeving en EU-dossiers en op advisering en ondersteuning van de kennisagenda's van de commissies. Met de extra capaciteit kunnen meer kennisproducten en diensten worden geleverd voor commissiedebatten en andere parlementaire activiteiten.
Het door de fractie van de BBB genoemde verschil in fractieondersteuning tussen grotere en kleinere fracties vloeit voort uit de systematiek van de Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer, waarbij de bijdrage voor fractieondersteuning bestaat uit een bedrag per zetel vermenigvuldigd met het zeteltal. Overigens kent de fractiekostenregeling al vanaf het begin een voorziening voor kleinere fracties: afhankelijk van het zeteltal ontvangt een kleinere fractie een extra bedrag. Het zeteltal waarop de hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld, wordt fictief met één 'bonuszetel' verhoogd voor fracties met minder dan zes leden en met een halve 'bonuszetel' voor fracties met minder dan elf leden. De fractiekostenregeling wordt door de Kamer zelf vastgesteld, laatstelijk in 2024. De (schriftelijke) behandeling door de Kamer heeft het Presidium destijds geen aanleiding gegeven voor aanpassing van de systematiek die leidt tot wat de fractie van BBB als 'disbalans' omschrijft.
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de suggestie in de
brief dat de Kamer zou kunnen besluiten het budget voor DAO te gebruiken
voor de aanvulling van de fractiegelden, na amendering door de
Kamer.
Deze leden zouden graag een nadere toelichting ontvangen op de meest doelmatige aanwending van de middelen volgens het Presidium en het proces waarmee die besluitvorming op de meest zorgvuldige, geïnformeerde wijze tot stand kan komen.
Antwoord
Het Presidium verwijst voor een toelichting naar de algemene inleiding en merkt daarbij op dat de genoemde suggestie het bestedingsplan in zijn geheel betreft, waarbij het gaat over zowel de investeringen in DAO als in de informatievoorziening en de overige diensten. Bij het opstellen van het bestedingsplan is teruggegrepen op wensen en ambities die de afgelopen jaren door de Kamer zelf op dit gebied zijn uitgesproken. Tevens is aangesloten bij recent onderzoek van de Universiteit Leiden, waarin op basis van gesprekken met 58 Kamerleden een aantal aanbevelingen wordt gedaan voor het structureel verbeteren van de informatiepositie van de Tweede Kamer. Het ingroeimodel dat daarbij wordt gehanteerd wordt tussentijds gemonitord en zo nodig bijgesteld. Een zorgvuldige en geïnformeerde besluitvorming door de Kamer zou wat het Presidium betreft dus gebaseerd kunnen worden op de verschillende rapporten van de Kamer zelf ('Versterking functies Tweede Kamer', 'Voor een Kamer die Werkt') alsmede op het onderzoek van de Universiteit Leiden. Ook een eventueel amendement over een andere verdeling van de middelen kan bijdragen aan een gedegen en goed onderbouwde discussie en besluitvorming.
Vraag
Deze leden wijzen erop dat alleen al ten aanzien van DAO volgens de voorgelegde Raming in de komende jaren sprake zou zijn van meer dan een verdrievoudiging van het bestaande budget. Deze leden constateren dat het aantal medewerkers van de DAO sinds 2021 al met sprongen is gestegen van 40 naar 92 en dat nu kennelijk een nog verdergaande verhoging beoogd is.
Zij vragen of deze verhogingen redelijkerwijs nodig en passend zijn gelet op de ambities die worden beschreven en in het licht van het totaalaantal van 800 medewerkers. Deze leden vragen hoe geëvalueerd wordt of de verhogingen tot het gewenste resultaat hebben geleid.
Verder vragen zij of ook expliciet inzichtelijk gemaakt wordt of de uitbreiding van de capaciteit enigszins naar evenredigheid neerslaat bij de fracties, gelet op het feit dat in de onderbouwing verwezen wordt naar voordelen die de uitbreiding kan hebben voor de fracties.
Antwoord
Het Presidium herkent de vermeende verdrievoudiging van het bestaande budget van DAO niet. Er is, aan de hand van een meerjarig ingroeimodel, voorzien in een personele groei van ongeveer 26%. Dit resulteert in een formatieve uitbreiding met 24 fte in 2031.
Met betrekking tot de noodzaak van de verhoging verwijst het Presidium naar de algemene inleiding. Omdat gekozen is voor een meerjarig ingroeimodel zal ook regelmatig inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is geweest van de stapsgewijze uitbreiding, zodat deze op basis daarvan zo nodig kan worden bijgestuurd. Hierbij zal worden aangesloten bij de verantwoordings- en begrotingsrapportage die het Presidium drie keer per jaar ontvangt.
De verwachte voordelen voor fracties zijn niet beperkt tot de uitbreiding van DAO, maar zien ook op de versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening. Als de Kamer ervoor zou kiezen een deel van de middelen ter beschikking van fracties te stellen, kan evenredigheid tussen fractieondersteuning en ambtelijke organisatie een van de overwegingen zijn. Zonder af te doen aan de deskundigheid van fractieondersteuning, ziet het Presidium ook de meerwaarde van specialistische kennis bij DAO die in gelijke mate beschikbaar is voor alle leden en fracties. Gelet op de noodzaak van een centrale Kamerbrede structuur voor digitale informatievoorziening, kunnen verbeteringen op dit vlak niet gedecentraliseerd aan fracties worden overgelaten.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium kan toelichten wat de verhouding is tussen de extra investeringen die hoe dan ook in DAO gedaan zouden worden ten opzichte van de onduidelijkheid die er nog over bestaat of op termijn ook extra investeringen in de staf van de commissies te verwachten zijn.
Waarom wordt voorafgaand aan nieuwe intensiveringen niet eerst onderzocht of juist een directe investering in de commissiestaf aan te bevelen valt, gelet op het feit dat die ondersteuning meer direct ten goede komt aan alle fracties en het primaire politieke proces?
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat de medewerkers van DAO deel uitmaken van de commissiestaven en dat het grootste deel van hun werk dan ook direct gerelateerd is aan de ondersteuning van het primaire politieke proces in commissieverband. In aanvulling daarop maakt uitbreiding van de capaciteit van DAO het mogelijk om meer dan nu het geval is tegemoet te komen aan kennisvragen van individuele leden en fracties. Dat nog niet alle investeringen op dit moment zijn ingevuld, hangt samen met de keuze voor een meerjarig ingroeimodel waarbij de effecten steeds tussentijds geëvalueerd worden. Het uitgangspunt van alle investeringen uit het bestedingsplan is nadrukkelijk om de voorgestelde inzet van mensen, middelen en systemen ten goede te laten komen aan versterking van de kennis- en informatiepositie van fracties in relatie tot het primaire politieke proces.
Vraag
Deze leden vragen welk beloningsbeleid gehanteerd wordt voor de functies die betrekking hebben op analyse en onderzoek en hoe dat beleid zich verhoudt tot vergelijkbare functies bij andere publieke instellingen, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
De leden van de ChristenUnie hebben ook vragen over het functiehuis en inschaling van de ambtelijke organisatie. Uit openbare informatie en openstaande vacatures en uit de begrotingstoelichting blijkt dat functies als griffier en kenniscoördinatoren ingeschaald worden in schaal 13. Hoe verhoudt deze inschaling zich tot de inschaling bij het Rijk, bij organisaties als het CPB en het SCP waar ook (gepromoveerd) onderzoekers werken (zie deze recente vacature bij het SCP voor een gepromoveerd wetenschappelijk medewerker in schaal 12 https://web.archive.org/web/20260218153045mp_/https:/www.werkenvoornederland.nl/vacatures/wetenschappelijk-medewerker-onderwijs-en-kwaliteit-van-de-samenleving-VWS-2026-2058 ) en deze vacature voor econoom bij het CPB waar wetenschappelijk medewerkers worden ingeschaald in schaal 10-12
https://web.archive.org/web/20250321093924/https:/www.cpb.nl/het-cpb-zoekt-een-leergierige-econoom-met-een-brede-belangstelling-voor-beleid), en tot de inschaling van fractiemedewerkers?
Antwoord
Functies binnen de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer, waaronder ook de functies binnen de Dienst analyse en onderzoek en de Griffies Commissies, worden beschreven op basis van de aard van de werkzaamheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Deze functiebeschrijving wordt gewaardeerd aan de hand van het functiewaarderingssysteem van de sector Rijk, genaamd FUWASYS. Deze score vertaalt zich in een salarisschaal opgenomen in de CAO Rijk. De beschrijvingen en waarderingen komen tot stand in samenwerking met FUWASYS-gecertificeerde experts. Het Presidium heeft geen inzicht in de afwegingen die een rol spelen bij de waardering van functies bij andere organisaties.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium varianten in beeld zou kunnen brengen waarin in ieder geval een deel van het aanvullende budget voor analyse en onderzoek rechtstreeks bij de fracties terecht zou komen.
Gelet op het aandeel medewerkers dat reeds bij DAO aanwezig is, zou het niet vreemd zijn als ook de fracties een bepaald extra budget toegewezen krijgen om zelf te kunnen investeren in een medewerker die zich richt op inhoudelijke verdieping en ondersteuning.
Antwoord
Er zijn uiteraard verschillende varianten denkbaar om de middelen op een
andere manier te verdelen, maar gezien de door meerdere fracties
genoemde evenredigheid wil het Presidium in ieder geval twee varianten
noemen die daaraan tegemoet zouden komen.
Een variant zou kunnen zijn om het totaal aan middelen van 10 miljoen gelijk te verdelen over fractieondersteuning (5 miljoen) en de ambtelijke organisatie (5 miljoen). Als de Kamer daarvoor kiest, zal de ambtelijke organisatie een nieuwe verdeling maken voor de beschikbare 5 miljoen voor versterking van DAO en verbetering van de digitale informatievoorziening. Bij de versterking van DAO zal in dat geval voorgesteld worden om prioriteit te geven aan versterking van de specialistische ondersteuning, zoals begrotingsadvisering, en het structureel aanbieden van kennisproducten ter voorbereiding op debatten om daarmee de gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis te versterken, zoals ook genoemd in het rapport van de Universiteit Leiden. Bij de verbetering van de digitale informatievoorziening zal voorgesteld worden prioriteit te geven aan de inzet en ontwikkeling van veilige en verantwoorde AI-toepassingen.
Een andere variant waarin de middelen op een evenredige wijze worden verdeeld over fracties en ambtelijke organisatie, is om voor de uitbreiding van fractieondersteuning, de ondersteuning door DAO en de versterking van de digitale informatievoorziening elk een derde van de beschikbare middelen aan te wenden. Ook hierbij zal ambtelijk een herprioritering gemaakt worden. Net zoals bij de vorige variant betekent dit ook dat de verwachte doorwerking naar andere diensten geïntegreerd zal worden als post binnen de twee sporen uitbreiding DAO en versterking digitale informatievoorziening.
Een variant waarin alle middelen voor meer fractieondersteuning worden aangewend, leidt ertoe dat er niet op een structurele en samenhangende manier opvolging gegeven kan worden aan eerdergenoemde wensen en behoeften van de Kamer op het gebied van kennisondersteuning en informatievoorziening. Het is daarmee niet ondenkbaar dat er voor deze wensen en behoeften op een later moment alsnog financiële claims gedaan moeten worden om het door de Kamer gewenste niveau van ondersteuning te kunnen leveren. Middelen die (nog) niet besteed worden, vloeien terug naar het ministerie van BZK, zoals ook het geval is bij andere vormen van onderuitputting.
Vraag
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de uitgaven aan
de DAO. Deze dienst is de afgelopen jaren fors uitgebreid. In 2020
betrof het aantal medewerkers 40, in 2022 73, in 2024 83 en in 2025 92.
In de geleidende brief lezen deze leden dat er een meerjarig
ingroeimodel is waardoor er structureel wordt geïnvesteerd voor
versterking van de DAO. Dat deze dienst, gezien het rapport van de
werkgroep Versterking functies Tweede Kamer, groeit is begrijpelijk en
noodzakelijk. Echter hebben deze leden vragen bij de omvang van de
groei.
De omvang van de dienst is in een paar jaar tijd ruimschoots
verdubbeld.
Deze leden vragen het Presidium om een nadere duiding van de aard en noodzaak van deze sterke groei. Is deze sterke groei nog wel noodzakelijk gelet op de opkomst en het toenemende gebruik van AI, ook in het Kamerwerk?
Antwoord
Voor een nadere duiding verwijst het Presidium naar de algemene inleiding en naar de beantwoording van eerdere vragen hierover. Het gebruik van AI kan inderdaad leiden tot een andere ondersteuningsbehoefte. Tegelijkertijd vraagt een veilig en verantwoord gebruik van AI ook om nieuwe kennis en expertise, zowel bij DAO als bij andere diensten en bij fracties. Een groot onderdeel van de versterking van de digitaal informatievoorziening heeft dan ook als doel om vaardig in te kunnen spelen op nieuwe AI-ontwikkelingen en innovaties en deze ook snel te kunnen vertalen naar relevante toepassingen die aansluiten op het parlementaire proces. Door te kiezen voor een meerjarig ingroeimodel kan hier ook goed en flexibel op ingespeeld worden en blijft samenhang tussen deze twee sporen van het bestedingsplan geborgd.
Vraag
Deze leden lezen in de begrotingstoelichting dat de uitgaven aan de DAO
(spoor 1), bovenop de zeer sterke groei van afgelopen jaren, de komende
jaren met 482% gaat groeien.
Deze leden vragen het Presidium een overzicht te verschaffen van de aantallen medewerkers van DAO voor elk van de jaren tussen 2018 en 2025 en een prognose hiervan voor de jaren 2026 tot en met 2031.
Aanvullend vragen zij het Presidium de noodzaak en invulling van de groei de komende jaren nader uiteen te zetten.
Antwoord
Het Presidium herkent de vermeende groei van 482% van DAO niet. Er is, aan de hand van een meerjarig ingroeimodel, voorzien in een groei van ongeveer 26%. Dit resulteert in een uitbreiding met 24 fte in 2031. Voor de noodzaak en invulling van de investeringen in DAO verwijst het Presidium naar de algemene inleiding en de eerdere vragen hierover.
Het huidige registratiesysteem P-Direkt gaat terug tot 2020. Op basis daarvan kan het volgende overzicht worden gegeven van de aantallen medewerkers van DAO:
| Jaar | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2026 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Fte | 36 | 40 | 49 | 74 | 74 | 86 | 93 |
Het betreft overigens zowel vaste medewerkers als tijdelijke formatie in het kader van de ondersteuning van parlementaire enquêtes. Onderdeel van deze ontwikkeling van de formatie is ook de verplaatsing van de bestaande functiegroep EU-adviseurs van de Griffies Commissies naar DAO in 2022. In het kader van de extra investeringen voor de komende jaren wordt uitgegaan van een ingroeimodel waarbij de formatie van DAO geleidelijk oploopt tot 117 fte in 2031. Het betreft dus een uitbreiding met 24 fte over een periode van vijf jaar.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium nader te duiden wat de extra investering van 10 miljoen euro de komende jaren concreet gaat opleveren.
Antwoord
Het Presidium verwijst hierbij voor een uitgebreide toelichting naar de beantwoording van eerdere gelijksoortige vragen, maar samenvattend kunnen de volgende concrete opbrengsten voor fracties benoemd worden: snellere en voorspelbare levering van feitelijke en specialistische analyses en onderzoeken die nauwer aansluiten op de parlementaire agenda, meer capaciteit voor maatwerkvragen vanuit individuele Kamerleden en fracties, verrijking en verbreding van producten door versterkte data-analyse, middelen om grote hoeveelheden informatie te verwerken, toegang tot nieuwe en beter ontsloten datasets en informatiebronnen, slimme(re) toepassingen van AI die de productiviteit verhogen en verbeterde applicaties in een gebruiksvriendelijkere werkomgeving.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium hoeveel van het budget van het ingroeimodel, zoals uiteengezet in de tabel in de begrotingstoelichting, al een (structurele) bestemming heeft en voor welk bedrag nog een exacte bestemming gezocht moet worden.
Hoeveel fte verwacht het Presidium extra te moeten aantrekken om het geld uit te kunnen geven?
Antwoord
De structurele personele uitbreiding bedraagt circa 39 fte voor de uitbreiding van DAO (24 fte) en de versterking van de digitale informatievoorziening (15 fte) gezamenlijk. Inclusief een indicatieve doorwerking van 20% voor ondersteunende diensten komt de totale formatieve uitbreiding uit op circa 47 fte. Deze uitbreiding wordt gefaseerd gerealiseerd in de periode tot en met 2031 en groeit stapsgewijs door naar dit structurele eindniveau, conform het gehanteerde ingroeimodel.
Vraag
Deze leden lezen in de geleidende brief dat het Presidium de mogelijkheid geeft om per amendement het budget (deels) te gebruiken als aanvulling op de fractiegelden.
Klopt het dat het Presidium hier zelf niet voor heeft gekozen, maar er de voorkeur aan geeft dit budget enkel te besteden aan de ambtelijke organisatie? Zo ja, waarom? Waarom wordt er niet voor gekozen het geld evenredig te verdelen over de ambtelijke organisatie en de fractiegelden, aangezien het zeker voor relatief kleine fracties die volop meedoen aan het parlementaire proces een uitdaging is om voldoende ondersteuning voor al dat werk te organiseren? Ondersteuning die bovendien onmogelijk kan worden geboden door DAO.
Antwoord
Het Presidium verwijst naar de algemene inleiding voor een toelichting op de totstandkoming van het bestedingsplan en de daarbij voorgehouden kaders voor de bestemming van deze middelen. Met dit plan kan ervoor worden gezorgd dat de kennis- en onderzoeksfunctie van de Kamer op een evenwichtige wijze wordt versterkt ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Kamer. De dienstverlening wordt veelzijdiger, breder beschikbaar en toegankelijker, wat aan alle fracties ten goede komt. Zoals gezegd ziet het Presidium de behandeling van de Raming als een goede gelegenheid om het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen van ondersteuning. De uitkomst hiervan kan inderdaad een evenredige verdeling van de middelen over de fracties en ambtelijke organisatie zijn, zoals uitgewerkt in de varianten die zijn geschetst in reactie op de vraag van de SGP-fractie. Het Presidium onderschrijft dat DAO voorziet in een politiek-neutrale ondersteuning en dat fracties in aanvulling daarop ook behoefte hebben aan een politieke vertaalslag, maar wijst er tegelijkertijd op dat redelijkerwijs niet van fracties -- en zeker niet van kleinere fracties -- kan worden verwacht alle voor het Kamerwerk benodigde specialistische kennis in huis te hebben. Hierin kunnen beide vormen van ondersteuning dus complementair zijn. De versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening kan uiteraard niet door de fracties worden gefaciliteerd.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium om nadere duiding te geven bij de volgende teksten uit de geleidende brief: “Dit versterkt o.a. de kennis- en informatiepositie van de Kamercommissies. Ook krijgt DAO meer capaciteit om maatwerk te leveren voor vragen vanuit Kamerleden en fracties.” “Op deze manier ontwikkelt de Kamer een meer eigenstandige kennispositie.”
Wat is dit 'maatwerk' dat nu niet geleverd kan worden, maar in de toekomst wel, zo vragen zij. In hoeverre heeft de Kamer nu geen eigenstandige kennispositie? Heeft het Presidium signalen dat er behoefte is aan een meer eigenstandige kennispositie ten opzichte van de huidige situatie? Waar is dit op gebaseerd?
Antwoord
Naast de ondersteuning aan commissies en de Kamer wordt ook een beroep gedaan op DAO-medewerkers door individuele leden en fracties. Daarvoor geldt nu een beperkte vorm van dienstverlening: op feitelijke individuele vragen van leden of fracties wordt vanuit DAO alleen ondersteuning geboden indien de capaciteit dit toelaat en de inschatting is dat voor de beantwoording van de betreffende vragen niet meer dan vier uur benodigd zal zijn. Dit betekent dat niet alle vragen in behandeling kunnen worden genomen. Om, in aanvulling op de commissieondersteuning, te kunnen voldoen aan de behoefte van individuele Kamerleden en fracties aan kennisondersteuning, wordt gericht geïnvesteerd in versterking van de huidige functiegroepen op terreinen waar dat nodig is. Zo kan meer maatwerk worden geboden. Omdat meer kennis in huis kan worden geleverd, wordt de Kamer minder afhankelijk van andere informatiebronnen zoals van het kabinet en kan de eigenstandige kennispositie worden versterkt. Meer eigenstandige, commissiebrede informatievergaring is ook een van de aanbevelingen uit het rapport ‘Versterking functies Tweede Kamer’.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium ook te reflecteren op het onderzoek 'Van overvloed naar overzicht' van de Universiteit Leiden (Kamerstuk 28362, nr. 85), waaruit blijkt dat Kamerleden maar beperkt gebruikmaken van de diensten van DAO. In hoeverre zou een nog grotere groei van DAO in de komende jaren, ten opzichte van de groei van afgelopen jaren, te rechtvaardigen zijn gezien de conclusies van dit onderzoek?
Antwoord
Het Presidium constateert dat er in dit rapport zes aanbevelingen worden gedaan om de informatiepositie van de Kamer structureel te versterken:
Verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom: kortere, bondigere Kamerstukken en systematische samenvattingen met duiding;
Verbeteren digitale infrastructuur: gebruiksvriendelijkere databases en veilige AI-toepassingen voor ordening en ontsluiting van informatie;
Meer en beter gedeelde werkbezoeken: intensievere en gezamenlijke werkbezoeken, met structurele verslaglegging om praktijkkennis beter en breder te benutten;
Versterken ondersteuning: uitbreiding van persoonlijke en fractieondersteuning en versterking van Kamerdiensten als actieve informatiemakelaars;
Betere timing en gelijke toegang tot informatie: eerder aanleveren van stukken en werken aan een gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis;
Directere toegang tot ambtenaren: contacten met ambtenaren zonder tussenkomst van een minister of staatssecretaris makkelijker maken.
Een deel van deze aanbevelingen houdt rechtstreeks verband met de werkzaamheden van DAO en vraagt ook om uitbreiding van deze dienst als de Kamer hier structureel opvolging aan wenst te geven. Zoals gezegd biedt het rapport van de Universiteit Leiden in combinatie met recente rapporten van de Kamer zelf een goede basis om bij de behandeling van de Raming het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen van ondersteuning.
Voor mogelijkheden om de Kamer meer gebruik te laten maken van de diensten en producten van DAO verwijst het Presidium naar de beantwoording van de vergelijkbare vraag van de fractie van D66.
Vraag
Een groot deel van het extra budget wordt ook gebruikt voor
informatievoorziening, zien deze leden in de begrotingstoelichting. In
de geleidende brief staat hierover: “Kamerleden en commissies
krijgen hierdoor toegang tot nieuwe en beter ontsloten
informatiebronnen”. Kan nader geconcretiseerd worden wat hiermee
wordt bedoeld?
Antwoord
In de huidige situatie zijn de interne en externe informatiebronnen die de Kamerorganisatie gebruikt in haar dagelijks werk groot in aantal en omvangrijk in grootte en gebouwd voor het gebruik in vroeger tijden. Innovatieve (AI-, data- en cloud-) technologie maakt het mogelijk om deze bronnen beter te ontsluiten, aan elkaar te relateren en gebruiksvriendelijk te bevragen. Ook kan de data uit deze bronnen gebruikt worden om nieuwe inzichten, analyses en zelfs voorspellingen te genereren. De mate van toegang tot externe data- en informatiebronnen neemt razendsnel toe omdat veel (overheids-)organisaties in toenemende mate hun data publiceren, ook mogelijk gemaakt door de nieuwe mogelijkheden van technologie. Voor de Tweede Kamer is de betrouwbaarheid van de informatie die gebruikt wordt van wezenlijk belang. Dat betreft zowel de externe informatie die benut wordt bij de uitoefening van de verschillende parlementaire taken als de informatie die in het parlementaire proces zelf geproduceerd wordt. Juist de toename van de datastromen en informatiebronnen vraagt om investeringen die een veilig en verantwoord gebruik van deze data en informatie faciliteren.
Daarom wordt in de moderne werkomgeving van de Tweede Kamer de mogelijkheid aangeboden om op veilige en gecontroleerde wijze generatieve AI in te zetten bij de ondersteuning van dagelijkse werkzaamheden zoals het schrijven, redigeren, samenvatten en vertalen van teksten. Dit wordt, binnen de infrastructuur van de Tweede Kamer, zo ingericht dat risico's voor security en privacy zo veel mogelijk beperkt worden. Daarnaast heeft de Tweede Kamer sinds enige tijd richtlijnen voor het gebruik van generatieve AI vastgesteld en geïmplementeerd. Bij het gebruik van AI hoort ook een (verplichte) opleiding, om de fractiemedewerkers en ambtenaren zo goed mogelijk voor te bereiden op de mogelijkheden die AI biedt en nog gaat bieden.
3. Toekomstbestendige Kamerorganisatie
Vraag
Er wordt gewerkt aan het opstellen van een organisatievisie. Daarin
wordt duidelijk waar de Kamerorganisatie in 2030 wil staan. Hoe wordt
het werken aan deze visie vormgegeven? Worden er bijvoorbeeld gesprekken
met mensen uit de organisatie en de fracties gevoerd? Gaat deze visie
alleen over de ambtelijke organisatie of ook over de fracties in de
Kamer? Wanneer zal deze visie, naar verwachting, gereed zijn?
Wat is in dezen de relatie met de Kamerbrede gedragscode, waar op dit moment aan wordt gewerkt? In hoeverre zal in deze Kamerbrede gedragscode worden meegenomen dat leden van de Kamer zich dienen te onthouden van gedragingen die het gezag of de waardigheid van de Kamer schaden?
In hoeverre kan daarbij een onderscheid worden gemaakt tussen gedragingen in de Kamer, gedragingen buiten de Kamer en gedragingen online? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het Presidium.
Antwoord
De organisatievisie 2030 is een missie- en visiedocument gericht op de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer en ziet dus niet op de fracties. De visie is tot stand gekomen met inbreng van een brede vertegenwoordiging uit de organisatie. Op dit moment worden sessies georganiseerd om de visie binnen de hele ambtelijke organisatie onder de aandacht te brengen. Nadat dit traject is afgerond, wordt de organisatievisie besproken in het overleg met de ambtelijk secretarissen, die in zekere zin de link vormen tussen de ambtelijke organisatie en de politiek. Vervolgens wordt het Presidium over de visie geïnformeerd. Dit gebeurt naar verwachting na het zomerreces.
De organisatievisie gaat over de missie, visie en kernwaarden van de ambtelijke organisatie. Een gedragscode ziet, zoals in de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 36714, nr. 15) is geformuleerd, op de omgangsvormen tussen Kamerleden onderling en richting ambtenaren en fractiemedewerkers. De organisatievisie en een gedragscode hebben dan ook geen directe relatie. Wel zijn beide (mede) geïnitieerd tegen de achtergrond van het belang de sociale veiligheid binnen de Tweede Kamer te verbeteren.
De Kamerbrede gedragscode die op dit moment wordt uitgewerkt zal de in het maatschappelijk verkeer geldende en collectief aanvaarde gedragsnormen beschrijven die niet toelaatbaar zijn. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande wet- en regelgeving die voor de werkvloer relevante gedragsnormen bevatten. De code zal betrekking hebben op gedragingen van Kamerleden, fractiemedewerkers en Kamerambtenaren in hun onderlinge samenwerking. Dit kan gaan om gedragingen binnen en buiten de gebouwen van de Kamer en ook digitaal via e-mails en sociale media.
Vraag
In 2025 is er in de Kamer geëxperimenteerd met het gebruik van
generatieve artificiële intelligentie. Dat experiment is inmiddels
geëvalueerd. Hoe zal het gebruik van AI in de Kamer verder vorm worden
gegeven, zo vragen deze leden.
Antwoord
In 2025 heeft de Kamer een aantal experimenten uitgevoerd in de ambtelijke werkgroep Generatieve AI. De leden van deze werkgroep, werkzaam binnen verschillende ambtelijke diensten, hebben betaalde licenties voor generatieve AI gekregen om aan de hand van verschillende use cases de mogelijkheden te onderzoeken.
Gedurende de experimenten tekende zich een duidelijk beeld af van verschillende manieren om naar het gebruik ervan te kijken. Ten eerste is er het gebruik op individueel niveau, waarbij het gaat om de inzet van GenAI ten behoeve van de persoonlijke productiviteit van een medewerker. In de digitale werkomgeving levert GenAI dan ondersteuning van de eigen productiviteit, de toegevoegde waarde blijft primair bij het individu. Voor Kamerleden en fracties geldt dat zij sinds september 2025 een licentie voor productiviteits-AI op de werkplekomgeving kunnen aanvragen.
Daarnaast kan generatieve AI een bijdrage leveren door een werkproces slimmer of efficiënter te maken met inzet van GenAI, voor een groep Kamerleden, fractiemedewerkers, ambtenaren en/of burgers. Denk hierbij aan de inzet van generatieve AI om grote hoeveelheden parlementaire informatie te kunnen ontsluiten en doorzoeken, bijvoorbeeld door een chatbot. Om generatieve AI goed te kunnen inzetten voor een dergelijke toepassing is een projectmatige aanpak noodzakelijk waarin ethische aspecten en informatiebeveiligingsaspecten zorgvuldig worden gewogen en meegenomen. Hiervoor wordt gedacht aan het gebruik van een AI-oplossing van de Rijksoverheid, Vlam.ai. Vlam staat daarbij voor Veilige Lokale AI-Modellen en is de naam van een project van het ministerie van Binnenlandse Zaken dat als doel heeft AI-modellen veilig, snel en schaalbaar naar productie te brengen binnen de Rijksoverheid.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hechten er waarde aan dat de
Kamerorganisatie een lerende organisatie is. Deze leden vermoeden dat
onder (recent vertrokken) Kamerleden waardevolle inzichtingen opgehaald
kunnen worden over welke vormen van ondersteuning van waarde zijn voor
het goed functioneren van Kamerleden.
Daarom vragen deze leden of en hoe er geëvalueerd wordt onder Kamerleden van welke vormen van ondersteuning zij het meest gebruikmaken, hoe zij verschillende vormen van ondersteuning waarderen en van welke vorm van ondersteuning versterking nodig is.
Antwoord
Om meer inzicht te krijgen in het gebruik van en de behoefte aan
kennisondersteuning wordt vanuit DAO geëxperimenteerd met periodieke
behoeftepeilingen en klantenpanels. Naar verwachting zullen ook
oud-Kamerleden daarin plaatsnemen. Dit bevindt zich nog in een
pilotfase. Met deze werkwijze kunnen meer kwantitatieve en kwalitatieve
inzichten worden verkregen en kan beter worden bepaald hoe de
dienstverlening zo goed mogelijk kan worden aangesloten op de
veranderende samenstelling, behoefte en werkwijze van de Kamer, de
commissies, leden en medewerkers. Bij een succesvolle afronding van de
pilot kan deze werkwijze mogelijk breder worden toegepast binnen de
Kamerorganisatie. Overigens worden reflecties en reacties op producten
en instrumenten van DAO ook doorlopend verzameld in de contacten die er
zijn. Deze worden onderling uitgewisseld, vastgelegd en op basis daarvan
vinden ook tussentijds aanpassingen aan de dienstverlening plaats.
3.1 Sociale veiligheid
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan een veilige sociale werkomgeving voor alle Kamerbewoners. Deze leden kijken dan ook met belangstelling uit naar de Kamerbrede gedragscode.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie-Grinwis inzake een gedragscode (Kamerstuk 36714, nr. 15). Welke vorm krijgt deze en wanneer zal deze worden opgeleverd en geïmplementeerd?
Antwoord
Het Presidium heeft een aantal keren gesproken over de vorm en reikwijdte van een Kamerbrede gedragscode. Het Presidium heeft de voorkeur uitgesproken om een gedragscode uit te werken die beschrijft wat wordt beschouwd als ongewenste omgangsvormen. Voor de beschrijving van deze normen zal worden aangesloten bij de geldende wet- en regelgeving die voor de werkvloer relevante gedragsnormen bevat, zoals de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving waarin is gedefinieerd wat onder agressie, geweld en discriminatie, pesten en (seksuele) intimidatie wordt verstaan. De gedragscode wordt aangevuld met een meld- en klachtregeling.
De motie Grinwis c.s. strekt tot het instellen van een "Kamerbrede gedragscode". Dat wil zeggen dat deze binnen en tussen alle groepen Kamerbewoners van toepassing is: Kamerleden, kamerambtenaren en fractiemedewerkers. Een gezamenlijke code voor alle Kamerbewoners verbetert de kenbaarheid en duidelijkheid van het beleid over ongewenste omgangsvormen.
Voor een Kamerbrede gedragscode zal de meld- en klachtprocedure voor de verschillende groepen Kamerbewoners verschillend moeten worden ingericht. De regeling zal er rekening mee dienen te houden dat Kamerleden een bijzondere, autonome, staatsrechtelijke positie hebben en dat het werkgeverschap van fractiemedewerkers en ambtenaren verschillend is belegd. Uitgangspunt van de regeling zal in elk geval zijn dat ongewenst gedrag eerst op laagdrempelige en informele wijze bespreekbaar wordt gemaakt binnen de fractie of de ambtelijke organisatie.
Het Presidium heeft in zijn vergadering van 12 mei 2026 ingestemd met de verdere uitwerking van een Kamerbrede gedragscode ongewenste omgangsvormen en een daarbij behorende meld- en klachtprocedure zoals hierboven omschreven. In het najaar van 2026 hoopt het Presidium een eerste concept van een regeling verder te kunnen bespreken. Het streven is om volgend jaar een voorstel voor een Kamerbrede gedragscode aan de Kamer voor te leggen. Het is vervolgens aan de Kamer om hier over te beraadslagen en te besluiten.
3.2 Arbeidsmarkt in transitie
Vraag
De leden van de CDA-fractie lezen dat er in 2026 een
medewerkersonderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in thema's
als werkdruk, inclusie, leiderschap en sociale veiligheid. Voor deze
leden is het van belang dat de medewerkers zich op hun gemak voelen in
de omgang met Tweede Kamerleden. Zij vragen of in het onderzoek hier ook
aandacht aan besteed wordt.
Antwoord
In het medewerkersonderzoek zal de beleving rondom verhoudingen en omgangsvormen ambtelijk-politiek aan bod komen.
4. Werkwijze van de Kamer
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat er sinds een aantal maanden
een nieuw inschrijfsysteem is voor plenaire debatten na afloop van de
regeling van werkzaamheden. In plaats van inschrijving in de zaal dienen
leden zich bij het vallen van de hamer digitaal in te schrijven voor
debatten.
Deze leden vragen wat de eerste ervaringen zijn met dit inschrijfsysteem. Zij merken zelf op dat het, in ieder geval in de eerste weken, leek voor te komen dat ook aanmeldingen ingediend vóór de hamerslag geaccepteerd werden. Het systeem van digitaal inschrijven is minder transparant dan inschrijven in de zaal. Wat waren de beweegredenen om van dit systeem af te stappen, zo vragen zij.
Antwoord
Er is geen sprake van een nieuw inschrijfsysteem voor plenaire debatten.
Van oudsher konden leden zich al (laten) inschrijven via e-mail, en dat
was ook altijd de meest gebruikte methode. Inschrijvingen worden
voortdurend verwerkt in Parlis, zodat ook voor debatten die nog niet
zijn gepland een stand van zaken op te vragen is. Wat wel veranderd is,
is dat dit de enige methode is geworden. Voorheen konden leden zich ook
tijdens de regeling van werkzaamheden op dinsdag inschrijven aan het
rostrum bij het sprekershandboek.
Alle leden zijn op 28 november 2025 geïnformeerd over deze verandering. Daarbij is toegelicht dat het in de plenaire zaal in toenemende mate onrustig werd rond het proces van inschrijven en dat er sprake was van rijvorming en gedrang. Dit werkte zeer verstorend voor de plenaire vergadering en maakte dat deze werkwijze niet langer wenselijk was.
De ervaringen sindsdien zijn positief; het is voor fracties duidelijk wanneer er ingeschreven kan worden (op het moment dat de regeling van werkzaamheden is afgelopen) en de inschrijvingen worden op de kortst mogelijke termijn verwerkt in het Parlementaire Informatiesysteem zodat iedereen de sprekersvolgorde van debatten zelf kan raadplegen.
Vraag
Een van de aanbevelingen uit het rapport 'Voor een Kamer die Werkt' van
de werkgroep-Kamminga is het evalueren van het nieuwe appreciatiekader
van moties. De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken
van deze evaluatie.
Antwoord
Het huidige appreciatiekader moties is op 19 november 2024 ingegaan. Doel van deze wijziging is om te komen tot een meer eenduidige definitie van de appreciaties. Daarbij kan het aangepaste kader een bijdrage leveren aan het terugdringen van het aantal moties.
Het Presidium heeft de Kamer op 24 september 2025 via een brief geïnformeerd over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen van de werkgroep 'Voor een Kamer die Werkt' (Kamerstuk 36673, nr. 6). Aangegeven is dat er doorlopend aandacht is voor het appreciatiekader, onder meer door het kader te bespreken tijdens de overleggen die de Voorzitter regulier heeft met de minister-president en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook in het informatieboekje dat dit jaar aan de nieuwe bewindspersonen is uitgereikt wordt aandacht besteed aan het appreciatiekader.
Gezien de relatief korte tijd waarin het nieuwe appreciatiekader wordt toegepast heeft er nog geen evaluatie plaatsgevonden. De Voorzitter laat dit jaar onderzoeken of het appreciatiekader aan de verwachtingen voldoet van zowel Kamerleden als bewindspersonen.
Vraag
Tijdens een wetgevingsoverleg op 9 maart jongstleden is er door een van de aanwezige Kamerleden gevraagd om de avondschorsing gelijktijdig te laten plaatsvinden met de aanvang van de iftartijd. Dit ordevoorstel is behandeld conform artikel 8.10, derde lid, van het Reglement van Orde. Deze leden hebben de brief daarover van de Voorzitter d.d. 31 maart 2026 gelezen. Wat deze leden betreft, is het onwenselijk als tijdens plenaire vergaderingen, commissiedebatten en andere Kamerbijeenkomsten ordevoorstellen worden gedaan vanwege iftar of andere religieuze activiteiten. Schorsingen kunnen om die redenen wat hen betreft niet plaatsvinden. Naar de mening van deze leden is religie een privéaangelegenheid. Religieuze activiteiten horen dan ook niet thuis in de Kamer. In dezen moet de Kamer neutraliteit betrachten, want zij vertegenwoordigt immers het gehele Nederlandse volk.
Antwoord
Op grond van artikel 8.4 van het Reglement van Orde besluit de Voorzitter (of de commissievoorzitter bij toepassing in een commissievergadering) tot het schorsen of sluiten van de vergadering, indien hij dit met het oog op het verloop van de werkzaamheden of voor het handhaven van de orde wenselijk acht. Het schorsen met het oog op het verloop van de werkzaamheden kan daarbij bijvoorbeeld plaatsvinden om gelegenheid te geven tot onderling beraad of alleen maar om een korte rust toe te staan.2
Vanuit het oogpunt van neutraliteit past het daarbij thans niet dat op initiatief van de Voorzitter tot een schorsing vanuit religieuze redenen wordt overgegaan. Artikel 8.10, derde lid, van het Reglement van Orde biedt individuele leden echter ook de mogelijkheid op dit punt een voorstel van orde te doen, waarbij geen inhoudelijke beperkingen gelden. De bepaling sluit dus niet uit dat een lid vanuit religieuze redenen om een schorsing verzoekt, waarvan bij het betrokken wetgevingsoverleg sprake was. De Voorzitter is niet verplicht een dergelijk ordevoorstel direct toe te wijzen, waarbij de Kamer zich dan over de kwestie kan uitlaten. De Kamer(meerderheid) heeft hierbij dan de mogelijkheid om zich uit te spreken over de vraag of zij hiervoor ruimte wil bieden, en kan een dergelijk verzoek dus ook (standaard) afwijzen. Wanneer de Kamermeerderheid zich echter achter het ordevoorstel schaart, zal de Voorzitter daar vanuit zijn neutrale positie naar handelen.
Vraag
De leden van de BBB hebben nog een opmerking over de brief van het Presidium inzake de regels omtrent een religieuze schorsing, in dit geval een iftar. Zij constateren dat het Reglement van Orde een dergelijke schorsing niet verbiedt. Tegelijkertijd zijn zij van mening dat het faciliteren van religieuze momenten niet tot de kerntaken van de Kamer behoort. De Kamer is er voor wetgeving en controle en dient daarin neutraal en verbindend te opereren.
Het Presidium roept de Kamer op om zich hierover uit te spreken. Deze leden geven in ieder geval aan dat zij een aanpassing van het Reglement van Orde op dit punt het overwegen waard vinden, om duidelijkheid te scheppen voor de toekomst. Zij vragen de Voorzitter welke mogelijke nadelen of onbedoelde gevolgen een dergelijke aanpassing met zich mee zou kunnen brengen, zowel praktisch als staatsrechtelijk.
Antwoord
Het naar aanleiding van het betrokken incident in een wetgevingsoverleg reglementair blokkeren van een schorsing of ordevoorstel op religieuze grond, kan de vraag oproepen wat daaronder precies moet worden verstaan, alsmede of er op grond van incidenten nog andere inhoudelijke bijzondere gronden kunnen zijn om schorsingen of ordevoorstellen standaard uit te sluiten. Dergelijke clausules kunnen de flexibele toepassing van de bepaling daarbij ook in de weg gaan staan. Verder blijkt uit de gang van zaken bij het betrokken wetgevingsoverleg dat de meningen op dit punt verdeeld zijn, wat ook wordt onderschreven door de betrokken Presidiumbrief (Kamerstuk 36919, nr. 4). Hierdoor zijn vraagtekens te plaatsen bij het draagvlak voor (en de bestendigheid van) een dergelijk wijzigingsvoorstel. Echter, het staat ieder lid vrij om, alleen of met andere leden, een voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde in te dienen.
Vraag
De leden van de SGP vragen het Presidium naar aanleiding van recente ophef over een iftarschorsing om toe te lichten hoe wordt omgegaan met een beroep op religieuze verplichtingen en gewoonten in de organisatie en de agenda van de Kamer.
Kan het Presidium bevestigen dat in de recentere parlementaire geschiedenis niet op bijzondere wijze rekening is gehouden met bijvoorbeeld bijzondere gebedsdagen en dat er geen reden is om tot wijziging van de staande praktijk te komen dat dit vooral aan de individuele verantwoordelijkheid van de Kamerleden wordt overgelaten?
Hoe wil het Presidium eraan bijdragen dat dit hierover voldoende duidelijkheid bestaat binnen de Kamer en dat bijvoorbeeld niet opnieuw discussie ontstaat in commissievergaderingen?
Antwoord
Er is in de recente geschiedenis niet op bijzondere wijze rekening
gehouden met bijvoorbeeld bijzondere gebedsdagen, anders dan de
officiële feestdagen. Leden die aandacht wilden besteden aan voor hen
bijzondere gebedsdagen hebben op eigen wijze invulling te geven aan hun
(deels) afwezigheid.
Vraag
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het Presidium over de schorsing tijdens het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang. Deze leden lezen in de brief dat in het Presidium geen overeenstemming is bereikt over de te nemen maatregelen. Zij achten het bijzonder ongewenst dat een vergadering wordt geschorst vanwege een religieuze activiteit van één van de aanwezige leden bij een vergadering. Zij begrijpen dat over een dergelijk voorstel de Kamer c.q. commissie altijd besluit of het ordevoorstel wordt gehonoreerd.
Zij vragen of het huidig Reglement van Orde een mogelijkheid biedt voor de Voorzitter van de Kamer of de voorzitter van een commissie om een verzoek voor een dergelijke schorsing te kunnen weigeren? Zo nee, moet het Reglement van Orde hierop worden aangescherpt? Op welke wijze zou het Reglement van Orde kunnen worden aangescherpt om schorsingen voor religieuze activiteiten te voorkomen?
Antwoord
Zoals eerder is vermeld in dit verslag, beslist de Voorzitter (onderscheidenlijk commissievoorzitter) op grond van artikel 8.4 van het Reglement van Orde over een schorsing, en is hij niet gehouden om een ordevoorstel van een lid ex artikel 8.10, derde lid, standaard toe te wijzen. Wanneer de Kamermeerderheid zich echter achter een dergelijk ordevoorstel schaart, zal de Voorzitter daar vanuit zijn neutrale positie naar handelen.
Indien men dit in het Reglement van Orde wenst uit te sluiten, zal dit betrekking hebben op artikel 8.4 (voor zover wordt aangeknoopt bij de schorsing) en/of 8.10 (voor zover wordt aangeknoopt bij ordevoorstellen). Het Presidium verwijst voor wat betreft een eventuele aanscherping van het Reglement van Orde naar de beantwoording bij de hiervoor gestelde vraag van de BBB-fractie.
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan het goede
parlementaire debat. Deze leden vinden het daarom belangrijk dat de
Kamer inhoudelijke debatten kan voeren waarin de regering zo goed
mogelijk kan worden gecontroleerd en Kamerleden onderling een goed
inhoudelijk debat kunnen voeren. Deze leden vinden het van belang dat er
voldoende mogelijkheid is om tijdens het debat interrupties te kunnen
plegen. Bij de afgelopen begrotingsbehandelingen was het echter niet bij
alle begrotingen op een gelijk manier mogelijk omdat bij de ene
begrotingsbehandeling het aantal interrupties niet werd beperkt en bij
andere begrotingsbehandelingen juist wel. Zij zouden het goed vinden als
voor alle begrotingsbehandelingen dezelfde regel wordt gehanteerd. Graag
ontvangen zij op dit punt een reactie van het Presidium.
Antwoord
Artikel 8.11 van het Reglement van Orde kent aan de Voorzitter de bevoegdheid toe om interrupties toe te staan. Deze moeten bestaan uit korte opmerkingen of vragen, zonder inleiding. De voorzitter van het betreffende debat kan een keuze maken voor het vaststellen
van een aantal interrupties, per vraag of cluster van vragen, ervoor kiezen om geen beperking op te leggen maar bijvoorbeeld strenger te handhaven op bondigheid van de interrupties. Daarbij kan bijvoorbeeld een maximumtijd per interruptie ook een hulpmiddel zijn. De keuze van de voorzitter kan van debat tot debat verschillen. De woordvoerders worden bij aanvang van het debat meegenomen in deze keuze.
Vraag
Een ander element waar deze leden graag aandacht voor vragen is de geregelde uitloop van de regeling van werkzaamheden omdat hier soms uitgebreide verzoeken worden geformuleerd en reacties op de verzoeken soms ook halve debatinbrengen zijn. Zij zouden het goed vinden als bij de regeling van werkzaamheden meer aandacht komt voor een korte en bondige procedurele gang van zaken.
Antwoord
Het is van belang dat verzoeken bij de regeling van werkzaamheden toegelicht kunnen blijven worden. De Voorzitter ziet daarbij “enkele zinnen” als toelaatbaar. Hier zal ook richting de leden nog eens aandacht voor gevraagd worden. Een reactie aan de interruptiemicrofoon dient daarbij ook kort en bondig te zijn. Overigens zij opgemerkt dat veel verzoeken wel degelijk vlot passeren en dat het aantal verzoeken per regeling van werkzaamheden sterk kan variëren, waardoor de ene regeling van werkzaamheden aanzienlijk langer duurt dan de andere.
Vraag
Het is geen geheim dat de leden van de CDA-fractie van mening zijn dat de Kamer zorgvuldig en behoedzaam om dient te gaan met haar instrumenten. Deze leden hebben dan ook met tevredenheid gelezen dat het Presidium in haar geleidende brief beaamt dat zeker bij het intrument motie overdaad kan schaden. Wat zij echter missen, zijn voorstellen om die zorgvuldigheid in de praktijk meer handen en voeten te geven. Kan hier verder op worden ingegaan?
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat het bij uitstek ook aan de Kamerleden en -fracties is om te werken aan een cultuur waarbij instrumenten zorgvuldig worden ingezet. Het is van belang het gesprek te blijven voeren over het effectief inzetten van onze parlementaire instrumenten, het instrument van de motie is hier één van. De oplossing om het grote aantal moties terug te dringen hoeft niet alleen gezocht te worden in het aanpassen van reglementen en procedures. Het gaat met name om de wijze waarop wij met onze instrumenten omgaan.
4.1 Vergaderen in de regio
Vraag
De leden van de BBB-fractie danken het Presidium voor de uitwerking van de door BBB-fractie ingediende motie om commissiedebatten in de regio mogelijk te maken. Voor deze leden is dit geen symbolisch punt. Te vaak wordt beleid gemaakt op afstand van de praktijk, terwijl de gevolgen juist in de regio het hardst worden gevoeld. Het verheugt deze leden dan ook dat binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken inmiddels een voorbereidingsgroep actief is om het voorstel van het Presidium nader uit te werken, en te komen tot een voorstel voor een commissiedebat in de regio.
Naar aanleiding van de motie van de leden Wijen-Nass en Vijlbrief heeft
het Presidium besloten in 2026 twee keer te experimenteren met een
commissievergadering in de regio. Bij de volgende Raming zal de Kamer
worden geïnformeerd over de opgedane ervaringen.
De leden van de VVD-fractie vragen het Presidium of er een inschatting van de kosten kan worden gemaakt. Wat zullen die kosten zijn? Overigens vragen deze leden in hoeverre de veiligheid van Kamerleden, Kamerpersoneel en medewerkers van Kamerfracties kan worden gegarandeerd. In hoeverre kan hetzelfde niveau van veiligheid als in het gebouw van de Kamer worden geborgd? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.
Antwoord
Vergaderen in de regio vraagt om extra inzet van ambtelijke capaciteit, met name van de Griffies Commissies, het Bureau Beveiligingsautoriteit, de Beveiligingsdienst, de Bodedienst, de Stafdienst Communicatie, de Facilitaire Dienst en de Dienst Verslag en Redactie. Daarnaast brengt vergaderen in de regio extra kosten met zich mee, met name voor transport/reizen, beveiliging, faciliteiten en techniek.
Deze diensten dienen op de betreffende locatie capaciteit in te zetten voor het mogelijk maken en ondersteunen van de vergadering in de regio volgens de vereiste standaarden (van openbaarheid, verslaglegging, veiligheid, etc.) die ook gelden voor de vergaderingen in het Kamergebouw. Voor deze diensten zal dan ook rekening moeten worden gehouden met extra personele capaciteit van ongeveer 19 fte en de daarmee gepaard gaande kosten van ongeveer €10.000. Ook dient rekening te worden gehouden met reis- en mogelijk verblijfskosten. Voor de overige diensten geldt dat de personele kosten binnen de bestaande capaciteit lijken te vallen. Ten slotte zullen eenmalig extra kosten voor techniek en aanschaf materiaal moeten worden gemaakt om de fysieke veiligheid van deelnemers en aanwezigen (waaronder één of twee scanstraten), de openbaarheid en verslaglegging via de livestream te kunnen garanderen tussen de €10.000 en €20.000.
Vergaderingen in de regio vinden uitsluitend plaats op locaties die al beschikken over voldoende basisvoorzieningen, waaronder een voor de leden, genodigden en publiek geschikte vergaderzaal, stabiele internetverbinding, basisvoorzieningen voor audiovisuele ondersteuning en voldoende ruimte voor veiligheidsmaatregelen. Deze locaties zullen (ruim) van tevoren worden verkend door de betrokken diensten, zoals het Bureau Beveiligingsautoriteit, de Facilitaire dienst en de Beveiligingsdienst.
De veiligheidsdriehoek zet zich altijd in om Kamerbewoners voldoende veilig het werk te laten doen. Zo ook bij vergaderingen in de regio. De specifieke maatregelen die nodig zijn hiervoor, zijn echter afhankelijk van de lokale context. Hiervoor schakelt Bureau Beveiligingsautoriteit Tweede Kamer met zijn veiligheidspartners op nationaal, regionaal en lokaal niveau en treft in samenwerking met alle betrokkenen vervolgens die maatregelen die nodig zijn voor de voornoemde veilige werkomgeving. Dit vergt mogelijk extra inzet.
Gelet op het bovenstaande heeft het Presidium besloten de vaste Kamercommissies de mogelijkheid te geven een uitgewerkt voorstel voor het vergaderen in de regio aan het Presidium voor te leggen, inclusief een kostenoverzicht. In 2026 kunnen, in de vorm van een pilot, twee vergaderingen in de regio plaatsvinden. Het Presidium wacht met belangstelling het voorstel van de commissie Binnenlandse Zaken af.
5. Integrale veiligheid in de Tweede Kamer
5.1 Weerbaarheid Kamer
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag wanneer het
Presidium de Kamer nader kan informeren over de uitwerking dan wel
vervolgstappen van het programma weerbaarheid dat in opdracht van de
Griffier gestart is.
Antwoord
In het licht van de geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren krijgt het onderwerp weerbaarheid bijzonder veel aandacht, zowel nationaal als internationaal. Ook het Presidium vindt het van groot belang dat de Tweede Kamer zo goed mogelijk voorbereid is op uiteenlopende dreigingen en proactief maatregelen treft om de continuïteit van het democratische proces ook in buitengewone omstandigheden te waarborgen. Op de recente conferentie van Parlementsvoorzitters in Kopenhagen, waar namens de Tweede Kamer de ondervoorzitter en Griffier aanwezig waren, was continuïteit en veiligheid in tijden van hybride dreigingen en parlementaire kwetsbaarheden ook een belangrijk onderwerp. De verschillende parlementen hebben ervaringen uitgewisseld met het tijdig onderkennen van hybride dreigingen en het versterken van fysieke en digitale veiligheid, zonder daarbij afbreuk te doen aan democratische principes als openbaarheid, transparantie en publieke toegankelijkheid. Ook op ambtelijk niveau vindt er regelmatig uitwisseling van kennis en ervaring over dit onderwerp plaats.
Het Presidium spreekt nog voor het zomerreces over de voortgang van het programma weerbaarheid en zal op basis hiervan ook de Kamer bij dit onderwerp betrekken, in eerste instantie via de commissie voor de Werkwijze. Binnen het programma weerbaarheid is de afgelopen periode intensief gewerkt aan de concretisering van enkele dreigingsscenario’s (o.a. op basis van de verslechtering van de internationale veiligheidssituatie en een toename van de hybride en militaire dreiging voor Nederland), de beschikbaarheid van fysieke uitwijklocaties en noodcommunicatievoorzieningen. Momenteel wordt in kaart gebracht welke gerichte investeringen en aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om effectief voorbereid te zijn op deze dreigingsscenario's. Dit betreft naast fysieke en digitale maatregelen ook het voorbereiden van alle Kamerbewoners op deze scenario's, het oefenen hiervan en de daarbij op te stellen protocollen en communicatie. Het Presidium zal de Kamer met name betrekken bij keuzes die gemaakt moeten worden over de besluitvormingsstructuur in buitengewone omstandigheden en over maatregelen die rechtstreeks ingrijpen op het reguliere parlementaire proces.
6. Huisvesting Tweede Kamer
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat de
Kamer gastvrij is naar bezoekers. Deze leden constateren dat met name in
de avonduren wanneer er vergaderingen zijn, maar het Statenlokaal
gesloten is er amper mogelijkheden zijn voor bezoekers om iets te
drinken. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om in de Statenpassage
bijvoorbeeld een koffie/thee/water voorziening te plaatsen zodat
bezoekers ook tijdens avonddebatten iets kunnen drinken?
Antwoord
Op het verzoek van het Presidium heeft het Restaurantbedrijf in maart
een koffiemachine geplaatst in de Statenpassage. Hier kunnen in de
avonduren wanneer het Statenlokaal is gesloten, naast gekoelde
frisdranken en snacks nu ook warme diverse dranken worden gekocht.
Gekoeld kraanwater is gratis.
7. Overig
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat tijdens verkiezingsrecessen
bepaalde Kamerfaciliteiten hetzelfde rooster draaien als tijdens
reguliere recessen. Meer dan tijdens reguliere recessen zijn veel
medewerkers in het pand aanwezig en maken zij lange dagen, waarop zij
juist graag gebruikmaken van de faciliteiten zoals het restaurant en
koffiecorner op de derde verdieping. Wat is de reden dat deze
faciliteiten sluiten tijdens verkiezingsrecessen, zo vragen deze leden.
Is het mogelijk om deze open te houden in die periodes?
Antwoord
Tijdens alle recessen zijn het Statenrestaurant en het Statenlokaal in principe geopend en kan gebruik worden gemaakt van de vergaderservice. Door werkzaamheden, zoals onderhoud en/of renovatie die niet tijdens reguliere vergaderweken kan plaatsvinden, kan het echter voorkomen dat deze faciliteiten tijdens een reces gesloten zijn.
Het rooster is erop ingericht dat medewerkers van het Restaurantbedrijf met name buiten de reguliere vergaderweken, en dus ook tijdens het verkiezingsreces, de mogelijkheid hebben om verlof op te nemen. Hierdoor kan het Restaurantbedrijf het personeel tijdens vergaderweken efficiënt inzetten. Het afgelopen jaar is de Kamer meerdere keren tussentijds teruggekeerd van reces. Ook op die dagen heeft het Restaurantbedrijf al extra inzet moeten verrichten om faciliteiten te bieden. Het openen van extra faciliteiten tijdens recessen betekent dat er extra medewerkers moeten worden aangetrokken of aanvullend personeel moet worden ingehuurd.
Vraag
Deze leden vragen waar de verdeling van recesweken over het jaar op is gebaseerd. Zo heeft de Kamer drie weken reces rondom de kerstdagen en de jaarwisseling, maar één week rondom de voorjaarsvakantie. Dit terwijl in heel Nederland de schoolvakantie rond kerst en de jaarwisseling twee weken duurt, terwijl de voorjaarsvakantie een vakantiespreiding over twee weken heeft. Dat heeft als gevolg dat de Kamer vergadert terwijl het in een groot deel van Nederland vakantie is. Daarnaast is dit lastig voor Kamerleden met schoolgaande kinderen die vakantie hebben in de week dat de Kamer geen reces heeft en vice versa. Welke mogelijkheden zijn er om het kerstreces met een week in te korten en deze week bij het voorjaarsreces te betrekken?
Antwoord
Het Presidium stelt in het najaar telkens de recesdata voor het volgende parlementair jaar vast. Daarbij wordt rekening gehouden met de schoolvakantiedata zoals die zijn vastgesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het Presidium stelt daarbij inderdaad een derde recesweek volgend op de kerstvakantie vast. De indruk is daarbij dat leden deze recesweek waarderen, juist om het parlementaire werk weer gedegen voor te bereiden en waarbij er ruimte is voor fractieactiviteiten en het afleggen van werkbezoeken.
In de Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030 is er voor de meivakantie één verplichte week. Scholen zijn zelf bevoegd om daar een week aan te voegen voorafgaand of direct na die verplichte week. De praktijk laat zien dat scholen daar verschillend mee omgaan, zelfs binnen gemeentegrenzen en met verschillen tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. In antwoord op de vraag van voornoemde leden zou de Kamer met een Kameruitspraak het Presidium kunnen verzoeken niet langer een derde kerstrecesweek vast te stellen en deze recesweek te voegen aan de voorjaarsvakantie, zodat dat reces in totaal twee weken duurt en het zowel de voorgaande als de nakomende week van de officiële vakantiedatum betreft.
Vraag
Deze leden lezen dat binnen de politieke artikelen 8,7 miljoen euro voor wachtgelduitkeringen wordt toegevoegd als gevolg van een groter beroep op de wachtgeldregeling door vertrekkende en niet herkozen Kamerleden. Zij constateren dat er Kamerleden zijn die zeggen tijdelijk ontslag te nemen om andere werkzaamheden te verrichten en zich “laten vervangen”. Van deze Kamerleden stelt een deel geen gebruik te maken van de wachtgeldregeling, maar die claim kan niet worden gecontroleerd. Het tijdelijk terugtreden als Kamerlid is een vreemde figuur die zich volgens deze leden niet laat rijmen met de ambtseed (tenzij het formeel verlof betreft of er duidelijk sprake is van ziekte), maar is al helemaal niet uit te leggen als er gebruik zou worden gemaakt van wachtgeld. Dat geldt ook voor de “vervanger” die recht zou hebben op wachtgeld als deze het daarvoor vereiste minimaal aantal maanden Kamerlid is geweest. Dit fenomeen is echter lastig te bestrijden als men niet kan controleren of er daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van wachtgeld. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om hier toch enige vorm van toezicht op uit te oefenen, zo vragen zij.
Antwoord
Het Presidium stelt vast dat de huidige wettelijke regeling voor wachtgelden (uitkering via Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) niet voorziet in mogelijkheden om hierop toezicht uit te oefenen of dit nader te reguleren. Voor eventuele aanpassing is wijziging van wet- en regelgeving nodig.
Vraag
Deze leden constateren dat bij de stemmingen met enige regelmaat sprake is van stakende stemmen. Zij constateren tevens dat er in het geval van stakende stemmen vaak direct voor een tweede keer bij handopsteken en aansluitend hoofdelijk wordt gestemd. Dit is veelal een tijdrovende exercitie.
Zij vragen op welke regel in het Reglement van Orde deze praktijk gebaseerd is. Op grond van paragraaf 8.3.2 van het Reglement van Orde kan worden volstaan met stemmen bij handopsteken.
Zij vragen of bij stakende stemmen bij handopsteken alleen kan worden overgegaan tot hoofdelijk stemmen indien een lid daartoe actief verzoekt en het voorstel anders niet wordt aangenomen.
Antwoord
Het Presidium acht dit een interessant vraagstuk en zal de commissie
voor de Werkwijze verzoeken dit te onderzoeken en daarover de Kamer te
informeren.
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat
jongeren in aanraking komen met de instituties van de democratische
rechtsstaat. Het werk van ProDemos is daarin van belang. Deze leden
hebben afgelopen jaar een motie ingediend (Kamerstuk 36714, nr. 14)
waarin het Presidium verzocht werd om het ministerie van BZK en het
ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) in overleg te treden met
als doel om de activiteiten van ProDemos voort te laten zetten. In de
Raming zijn de middelen voor ProDemos vanuit de Kamer voor de komende
periode tot en met 2031 opgenomen. Zij lezen in reactie op de aangenomen
motie dat de middelen vanuit het kabinet tot 2027 geborgd zijn, maar dat
de afspraken voor de periode vanaf 2027 nog niet helder zijn.
Wat is de stand van zaken nu? Is het Presidium bereid om opnieuw met BZK en JenV te bezien hoe de activiteiten van ProDemos structureel geborgd kunnen worden?
Antwoord
Aan de motie is uitvoering gegeven middels een overleg tussen de
Griffier van de Tweede Kamer en de secretaris-generaal van het
ministerie van BZK in 2025. Eerder dit jaar is een
amendement-Sneller/Meulenkamp aangenomen op de begroting van het
ministerie van BZK voor 2026 dat voorziet in extra middelen voor
ProDemos om haar kerntaken te continueren en verder uit te breiden
(Kamerstuk 36800-VII,
nr. 93). Dit betreft een structurele investering van 1,5 miljoen,
waarmee de activiteiten van ProDemos na 2027 dus ook zijn geborgd. In
algemene zin is het Presidium ook van mening dat de financiering van
ProDemos beter geadresseerd kan worden bij de behandeling van de
begroting van het ministerie van BZK dan bij de behandeling van de
Raming.
Vraag
De leden van de CDA-fractie vragen om een stand van zaken rondom de
evaluatie van de dienstauto van de Griffier.
Antwoord
De voorziening voor het woon-werk en werk-werkverkeer van de Griffier wordt na afloop van de leaseovereenkomst van de dienstauto geëvalueerd. Deze overeenkomst is in 2025 afgesloten en heeft een looptijd van drie jaar. De evaluatie zal in 2028 plaatsvinden.
Vraag
Deze leden zouden graag nader inzicht hebben in de buitenlandse reiskosten van Kamerleden. Specifiek vragen zij of aangegeven kan worden hoeveel geld er is uitgegeven aan vluchten naar het buitenland voor Kamerleden, uitgesplitst in eerste en tweede klas, en of hierbij aangegeven kan worden om hoeveel vluchten dit gaat.
Antwoord
Kamerleden volgen voor hun buitenlandse reizen grotendeels de richtlijnen die zijn vastgelegd in de CAO Rijk, die als norm geldt voor reiskosten.
Hieronder vindt u het totale aantal buitenlandse reizen in 2025 en de bijbehorende kosten die door de Kamerleden zijn gemaakt. Deze zijn per type reis onderverdeeld in verschillende klassen.
| Soort | Aantal | Bedrag |
|---|---|---|
| Vliegen | 157 | € 345.943 |
| Trein | 143 | € 45.278 |
| Totaal | 300 | € 391.221 |
| Vliegreizen | ||
|---|---|---|
| Class | aantal | Bedrag |
| Businessclass | 52 | € 266.270 |
| Economy Class | 100 | € 66.171 |
| Premium Economy Class | 5 | € 13.502 |
| Totaal | 157 | € 345.943 |
| Treinreizen | ||
|---|---|---|
| Class | Aantal | Bedrag |
| 1st Class | 142 | € 44.124 |
| 2nd Class | 1 | € 1.154 |
| Totaal | 143 | € 45.278 |
Vraag
Deze leden vragen welke inzet er vanuit de organisatie gepleegd wordt op leefstijl van de Kamerbewoners. Met onder andere de onregelmatige werktijden en veelal zitgebonden werkomgeving is de Kamer immers niet in alle opzichten een gezonde werkomgeving.
Deze leden vragen of er signalen bekend zijn van medewerkers die veelvuldig dienst draaien in de plenaire zaal over de verlichtingstechniek in de plenaire zaal in relatie tot een natuurlijke dag-en-nachtcyclus.
Antwoord
Veiligheid, gezondheid en welzijn (psychosociale arbeidsbelasting) staan
hoog op de agenda van de Tweede Kamerorganisatie. Er is een vastgesteld
arbeidsomstandighedenbeleid. Zo bestaan bijvoorbeeld voor veiligheid
(o.a. sociale veiligheid en bedrijfshulpverlening (BHV)), voor
preventie, verzuim, en re-integratie (verzuimbeleid) en voor welzijn
(beleid ongewenste omgangsvormen) aparte beleidsstukken. Onder meer het
Arbojaarplan en programmaplan Sociale Veiligheid beschrijven
activiteiten ter invulling hiervan evenals het actieplan van de Risico
Inventarisatie en Evaluatie (RI&E).
Preventiemedewerkers werken met collega’s uit de Tweede Kamerorganisatie die een taak uitoefenen in de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid zoals de Ondernemingsraad, BHV, stafdienst HR en het zorgteam van Bedrijfszorg. Er zijn onder meer diverse toolboxen beschikbaar, er worden werkplekonderzoeken uitgevoerd, ter bevordering van de vitaliteit worden geregeld lunchwandelingen en pilateslessen georganiseerd en kunnen medewerkers meedoen aan activiteiten in de week van de vitaliteit. Ook worden er geregeld maatregelen
genomen op basis van meldingen/aanbevelingen uit de RI&E op het gebied van gezondheid en welzijn. Team Bedrijfszorg, bestaande uit onder meer een bedrijfsarts, een bedrijfsmaatschappelijk werker en een Arbodeskundige, adviseert werknemers en de Tweede Kamerorganisatie als werkgever over gezondheid, veiligheid en welzijn op het werk.
Bij de preventiemedewerkers zijn geen vragen of signalen bekend van medewerkers over de verlichtingstechniek in de plenaire zaal in relatie tot een natuurlijke dag- en nachtcyclus noch in relatie tot andere onderwerpen.
Vraag
Gastvrijheid is voor de leden van de BBB-fractie een kernwaarde. De
Kamer moet een toegankelijke plek zijn voor iedere Nederlander. In dat
licht vragen deze leden aandacht voor een ogenschijnlijk klein, maar
betekenisvol punt: het verstrekken van een muntje voor koffie aan
bezoekers. Dit was in het verleden gebruikelijk, maar is inmiddels
afgeschaft. Kan het Presidium toelichten waarom hiervoor is gekozen? Is
het Presidium bereid te bezien of dit soort laagdrempelige vormen van
gastvrijheid heringevoerd kunnen worden? Juist dit soort gebaren maken
dat mensen zich welkom voelen in hun eigen parlement.
Antwoord
Voorheen werd op dinsdagmiddag het zogenaamde petitiemuntje uitgedeeld bij de overhandiging van petities in de Statenpassage. Met dit muntje kon men in het Statenlokaal koffie of thee krijgen. Het Presidium is het met de vragensteller eens dat dit een klein gebaar van gastvrijheid is. De kosten hiervan zijn ook beperkt aangezien het bij petitieoverhandigingen op de dinsdag om een relatief klein aantal bezoekers gaat, namelijk gemiddeld 50 personen. Het Presidium heeft het Restaurantbedrijf daarom gevraagd om voorbereidende maatregelen te treffen om het petitiemuntje na het zomerreces weer in te voeren.
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen hoe het Presidium reflecteert op de
grote verschillen die bestaan in de termijnen van de beantwoording van
schriftelijke vragen door de verschillende ministeries.
In hoeverre wordt gerichte actie ingezet om bijvoorbeeld een top vijf van wanpresteerders tot verbetering te bewegen? Deze leden wijzen erop dat er departementen zijn die zowel een zeer laag percentage kennen van vragen die binnen de gestelde termijn zijn beantwoord als een hoog percentage antwoorden die meer dan een maand buiten de gestelde termijn worden aangeleverd. Welke rol wil het Presidium vervullen om verbetering aan te jagen en hoe kan de ervaring van departementen die het juist heel goed doen hierbij van nut zijn?
Antwoord
Het Presidium merkt op dat elke maandag een lijst wordt gepubliceerd van schriftelijke vragen die buiten de daarvoor geldende termijn nog niet beantwoord zijn. Ook worden alle betrokken departementen daarover ambtelijk wekelijks gerappelleerd. In de publicatie Staat van de Kamer wordt jaarlijks cijfermatig, per ministerie, in kaart gebracht op welk moment schriftelijke vragen zijn beantwoord.
In alle kennis- en voortgangsgesprekken die de Voorzitter voert met bewindspersonen staat dit onderwerp ook op de agenda. De Voorzitter is voornemens, zoals ook in 2025 dreigde te gebeuren, extra mondelinge vragenuren te organiseren zodat niet op tijd beantwoorde schriftelijk vragen daar aan bod kunnen komen. Om te voorkomen dat bewindspersonen zich daarnaar gaan richten, in plaats voor structureel aandacht voor tijdige beantwoording, is het voornemen daar geen vaste momenten voor in te richten maar slechts kort tevoren mededeling van te doen. Een en ander laat onverlet dat leden nu al de mogelijkheid hebben en houden om niet tijdig beantwoorde schriftelijke vragen aan te melden voor het reguliere mondelinge vragenuur.
Vraag
Deze leden hebben gezien dat de Kamer fysiek te ontoegankelijk is voor
mensen in een rolstoel. Voor het huis van de democratie was het
beschamend dat bij een debat over het gehandicaptenbeleid er geen ruimte
was voor bezoekers in een rolstoel het debat fysiek bij te kunnen
wonen.
Zij vragen het Presidium de aangenomen motie van het lid Bikker (Kamerstuk 36800-XVI, nr. 183) met spoed op te pakken en verbeteringen aan te brengen. Zij vragen het Presidium naar de stand van zaken en de planning voor uitvoering van deze motie.
Antwoord
Het Presidium onderschrijft het belang van voldoende plekken voor mensen met een rolstoel in de commissiezalen, zeker bij debatten die over hen gaan, waarbij zij directe betrokkenheid hebben. Op dit moment is er in de grote commissiezalen plek voor twee rolstoelen. Formeel gezien wordt hiermee voldaan aan de ITS-normen.3 Bij de meeste debatten is dit aantal toereikend, maar bij een debat dat veel mensen uit de doelgroep willen bijwonen volstaat dit niet.
Op de huidige locatie is de ruimte om meer integraal toegankelijke plekken in de commissiezalen te realiseren beperkt. Als van tevoren bekend is dat een groter aantal bezoekers met een rolstoel een debat zou willen bijwonen, kunnen wel specifieke aanpassingen worden gedaan. Het Presidium heeft de Facilitaire Dienst verzocht om, in afstemming met de Stafdienst Communicatie en de Dienst Beveiliging, in ieder geval de volgende opties in kaart te brengen:
• de perstafel in de grotere commissiezalen tijdelijk laten verwijderen;
• een meer afgeschermde meeluisterruimte in de Statenpassage creëren;
• een belendende commissiezaal inrichten als meeluisterruimte;
• de Max van der Stoelzaal voor de gelegenheid inrichten als commissiezaal.
Het Presidium heeft daarbij verzocht om per optie inzicht te geven in het aantal plaatsen dat daarmee wordt gecreëerd voor bezoekers met een rolstoel, de praktische uitvoerbaarheid, de daarvoor benodigde inzet van personeel en financiële middelen en de consequenties voor de beveiliging. Zodra dit overzicht beschikbaar is, zal het Presidium een keuze maken om uitvoering te geven aan de gewenste verbeteringen.
Vraag
Deze leden merken op dat de Tweede Kamer in het verleden deelnemer was van de Nationale Prokkelstagedag, een stage voor één dag voor iemand met een beperking bij een bedrijf of organisatie. Veel andere vergelijkbare organisaties, zoals de Eerste Kamer en veel ministeries, doen hier jaarlijks aan mee. De Tweede Kamer doet nu al een aantal jaar niet mee en ook dit jaar niet.
Deze leden vragen het Presidium toe te lichten waarom zij hieraan niet deelneemt en of zij dit besluit wil heroverwegen en alsnog wil deelnemen aan de nationale Prokkelstagedag op 4 juni aanstaande.
Antwoord
De Tweede Kamer heeft inderdaad vele jaren met veel plezier meegewerkt aan de Prokkelstagedag. Op een gegeven moment is ervoor gekozen om niet meer deel te nemen, omdat het steeds moeilijker werd om een en ander rond te krijgen. Met name voor de fracties bleek het moeilijk om deel te nemen. Met het oog daarop is het accent toen verlegd naar de begeleiding van mensen met een arbeidsbeperking binnen de ambtelijke organisatie zelf.
Gelet op de korte termijn gaat het niet meer lukken om mee te werken aan de Prokkelstage op 4 juni aanstaande. Het Presidium laat nagaan of het mogelijk is om in 2027 weer deel te nemen. Dat zal dan vooral gericht zijn op een stage bij de afdelingen binnen de ambtelijke organisatie. Gepeild zal worden of ook de fracties kans zien om hieraan mee te doen.
In het regeerprogramma van het kabinet-Schoof was in dit verband de volgende passage opgenomen: 'De Kamer moet in het kader van het adequaat kunnen uitvoeren van haar controlerende taak beter in staat worden gesteld om zelfstandig onderzoek te doen. In overleg met de Voorzitter van de Tweede Kamer en griffie werken we daarom aan versterking van hun kennis- en onderzoeksfunctie.' (Kamerstuk 36471, nr. 96.) Dergelijk overleg heeft niet plaatsgevonden.↩︎
Zie hierover Kamerstukken 1964/65, 8042, nr. 3, p. 16 (toenmalig art. 75). De betrokken bepaling is nadien inhoudelijk ongewijzigd gebleven.↩︎
Integrale Toegankelijkheid standaard↩︎