[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (Kamerstuk 19637-3525)

Vreemdelingenbeleid

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D25618, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-03 13:12, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 19637 -3561 Vreemdelingenbeleid.

Onderdeel van zaak 2026Z11266:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 3561 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 mei 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

over de brief van 30 maart 2026 over het ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (Kamerstuk 19 637, nr. 3525).

De vragen en opmerkingen zijn op 17 april 2026 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 28 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van den Broek

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

II Antwoord/Reactie van de minister


I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Deze leden pleiten er al langer voor om kansrijke asielzoekers sneller toegang tot de arbeidsmarkt te geven, vanuit de overtuiging dat het benutten van hun talenten een positieve uitwerking heeft op zowel het integratieproces als de Nederlandse economie. Deze leden zijn verheugd dat het ontwerpbesluit een stap in die richting zet en hebben nog enkele vragen.

3.2 Wachttermijn wordt ingekort tot drie maanden

De leden van de D66-fractie lezen dat met dit besluit de wachttijd voor de toegang van asielzoekers tot de arbeidsmarkt wordt verkort van zes naar drie maanden. Deze leden ondersteunen het uitgangspunt dat vroegtijdige arbeidsparticipatie bijdraagt aan integratie en zingeving, maar vragen hoe wordt geborgd dat asielzoekers daadwerkelijk na drie maanden toegang krijgen tot werk, en niet worden belemmerd door uitvoeringsproblemen. Ook vragen zij de minister aan te geven in hoeverre hij mogelijkheden ziet om in samenwerking met uitzendbureaus zoals Untapped Talents het benutten van de snellere toegang tot de arbeidsmarkt te stimuleren.

3.4 Duur tewerkstellingsvergunning met burgerservicenummer

De leden van de D66-fractie begrijpen dat het een vereiste is dat de werkgever het burgerservicenummer van de asielzoeker opgeeft bij de aanvraag voor de tewerkstellingsvergunning. Voor asielzoekers zonder burgerservicenummer kan een tewerkstellingsvergunning van maximaal drie maanden worden afgegeven. De werkgever zal daarna opnieuw een aanvraag moeten indienen. Welke administratieve lasten brengt dit mee voor werkgevers? In hoeveel gevallen verwacht de minister dat een herhaalde aanvraag nodig zal zijn?

3.5 Duur tewerkstellingsvergunning zonder dat een burgerservicenummer is afgegeven

De leden van de D66-fractie begrijpen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aangeeft dat het voor de meeste asielzoekers haalbaar lijkt om binnen drie maanden de identiteit vast te stellen, maar dat er altijd een restgroep zal zijn waarvoor dit niet lukt. Hoe groot is deze groep? Welke concrete inspanningen worden gedaan om te voorkomen dat asielzoekers met een hoge kans op inwilliging onnodig moeten wachten door vertraging in de identiteitsvaststelling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit dat het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 wijzigt. Deze leden constateren dat het doel van deze wijziging het mogelijk maken voor bepaalde groepen asielzoekers om na drie maanden na de asielaanvraag toe te treden tot de arbeidsmarkt is. Tegelijkertijd zorgt de implementatiewet van het Europese Asiel- en Migratiepact ervoor dat kansarme asielzoekers geen toegang tot de arbeidsmarkt meer krijgen. Deze leden hebben naar aanleiding van het ontwerpbesluit nog enkele vragen.

3.2 Wachttermijn wordt ingekort tot drie maanden

De leden van de VVD-fractie merken op dat het kabinet van mening is dat werk een belangrijke bijdrage kan leveren aan de zelfstandigheid en persoonlijk ontwikkeling van asielzoekers, en dat er daarom is gekozen om de wachttermijn in te korten tot drie maanden. Deze leden beamen de ratio achter het voorstel, maar vrezen wel dat het verkorten van de wachttermijn kan leiden tot een aanzuigende werking van asielzoekers. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Op welke manier wordt in het verlengde hiervan ervoor gezorgd dat het voor kansarme asielzoekers in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijk is dat zij in Nederland niet kunnen rekenen op recht tot de arbeidsmarkt?

De leden van de VVD-fractie maken zich voorts zorgen over het risico dat malafide werkgevers van deze versoepeling gebruik gaan maken om migranten te stimuleren om naar Nederland te komen om asiel aan te vragen, terwijl deze migranten zonder deze aansporing hoogstwaarschijnlijk niet naar Nederland waren gekomen. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Welke stappen is de minister bereid te zetten om in een vroeg stadium misbruik van deze versoepeling door malafide werkgevers of asielzoekers zo een halt toe te roepen?

3.4 Duur tewerkstellingsvergunning met burgerservicenummer

De leden van de VVD-fractie constateren dat de duur van de tewerkstellingsvergunning maximaal drie jaar bedraagt. Deze tewerkstellingsvergunning kan worden ingetrokken op het moment dat een asielzoeker niet langer een lopende asielaanvraag heeft. Deze leden vragen hierbij hoeveel tijd er in de praktijk zal zitten tussen het afwijzen dan wel intrekken van de asielaanvraag, en het intrekken van de tewerkstellingsvergunning. Deelt de minister de opvatting van deze leden dat de tijdspanne tussen beide beslissingen zo kort mogelijk dient te zijn, zodat wordt voorkomen dat afgewezen asielzoekers lang toegang hebben tot de arbeidsmarkt?

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wat er gebeurt als de asielaanvraag van een asielzoeker wordt ingewilligd, waarna deze vergunning na verloop van tijd wordt ingetrokken omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Krijgt het UWV dan wel de werkgever een melding van deze intrekking? Betekent dit in de praktijk dan ook dat de tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken, en zo ja, wat is de gemiddeld tijdspanne tussen beide beslissingen?

3.5 Duur tewerkstellingsvergunning zonder dat een burgerservicenummer is afgegeven

De leden van de VVD-fractie constateren dat het kabinet voornemens is om asielzoekers ook de mogelijkheid te geven om toe te treden tot de arbeidsmarkt in de uitzonderlijke situatie dat de asielzoeker niet op tijd beschikt over een burgerservicenummer. Is dit een verplichting die voortvloeit uit hoger recht (in bijzonder de herziene Opvangrichtlijn), of is dit een beleidskeuze? Hoelang zal het volgens de minister gemiddeld gaan duren voordat asielzoekers een burgerservicenummer kunnen hebben? Zijn er situaties denkbaar waarbij het niet op tijd verkrijgen van een burgerservicenummer te wijten valt aan de asielzoeker in kwestie? Zo ja, deelt de minister dan de opvatting van deze leden dat dit consequenties dient te hebben voor de toegang tot de arbeidsmarkt van de desbetreffende asielzoeker?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit aan houdende de wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Hoewel deze leden een beleid voorstaan waar kansrijke asielzoekers sneller zouden moeten kunnen meedoen, en niet pas na drie maanden, zijn zij positief over deze stap in de goede richting. Ook maken zij zich zorgen over de kwetsbare positie van asielzoekers op de arbeidsmarkt. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de wachttermijn voor kansrijke asielzoekers wordt gehalveerd. Dit is volgens deze leden een welkome stap in de juiste richting. Ook het afschaffen van de 24-weken-eis achten zij zeer positief. Wel zijn zij van mening dat kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk aan het werk zouden moeten kunnen. Waarom is voor drie maanden gekozen? Zou het al mogelijk zijn om na één maand een tewerkstellingsvergunning te krijgen? Zou dit volgens de Europese Richtlijn mogelijk zijn? Is de wachttijd van drie maanden aan de hoge of lage kant in vergelijking met andere Europese Unie (EU-)lidstaten? In de wetstekst staat dat de tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste drie jaar wordt verleend. Is er een mogelijkheid om deze te verlengen als de procedure bijvoorbeeld langer dan drie jaar duurt?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat asielzoekers waarbij het perspectief op inwilliging snel duidelijk is binnen een maand volledig aan het werk zouden moeten kunnen. Ook zijn deze leden van mening dat de noodzaak voor een tewerkstellingsvergunning moet geschrapt worden, net als bij Oekraïense vluchtelingen. Dit is goed voor de integratie van de nieuwkomer én hiermee kan de krapte op de arbeidsmarkt worden verlicht. Waarom is er niet voor gekozen om de noodzaak tot een tewerkstellingsvergunning af te schaffen?

Op dit moment zijn er ongeveer 50.000 openstaande asielaanvragen in Nederland. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze verkorting van de wachttijd ook gaat gelden voor de mensen die al in de procedure zitten – en minder dan zes maanden wachten.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de mensen met weinig kans op een verblijfsvergunning niet meer mogen werken. In de memorie van toelichting staat: “In overweging 51 bij de richtlijn is opgenomen dat de asielzoeker het recht moet hebben om werk te zoeken. Daarnaast benoemt artikel 17, tweede lid, van de Opvangrichtlijn dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat asielzoekers daadwerkelijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt overeenkomstig het nationale recht.” Deze leden vragen of het niet is strijd is met deze overweging en dit artikel om kansarme asielzoekers geen toegang te geven tot de arbeidsmarkt. Deze leden lezen dat er juridische bezwaren kunnen zijn om een onderscheid te maken tussen kansrijke en kansarme asielzoekers gelet op het gelijkheidsbeginsel en er onderscheid gemaakt wordt op basis van nationaliteit. Acht de minister dit onderscheid juridisch houdbaar?

Onder het Asiel- en Migratiepact wordt een asielzoeker die voor politieke vervolging vlucht uit bijvoorbeeld Turkije niet gezien als kansrijke asielzoeker aangezien het land van herkomst een lager gemiddeld inwilligingspercentage heeft dan 20%, constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Bovendien is Turkije officieel nog steeds kandidaat-lidstaat. Deze leden vragen hoe lang de minister inschat dat het duurt voor deze mensen om aan het werk te mogen. Hoe lang zou het maximaal kunnen duren voordat deze mensen aan het werk mogen?

De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de rol van uitzendbureaus zal zijn in de begeleiding naar de arbeidsmarkt van asielzoekers en of mensen op die manier duurzaam werk op niveau zouden krijgen. Komt het voor dat de taak van begeleiden naar werk wordt uitbesteed aan uitzendbureaus? Acht de minister dit wenselijk? Ziet hij voor zich dat er via deze route hoogkwalitatief werk wordt gevonden? Is hij van plan maatregelen te treffen om dit tegen te gaan? Deze leden vragen bovendien hoe asielzoekers die toch kwetsbaarder zijn voor slecht werk en misstanden beschermd worden tegen uitbuiting en onderbetaling. Is er voldoende toezicht en handhaving?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Arbeidsinspectie de controle uitvoert op de Wet arbeid vreemdelingen, ook bij deze groep. Deze leden gaan ervan uit dat de Arbeidsinspectie ook actief toezicht zal houden op de wetten die werkenden beschermen tegen oneerlijk, onveilig en ongezond werk van werkende asielzoekers. Klopt deze aanname en is er voldoende aandacht voor de kwetsbare positie van asielzoekers? Waarom is er op deze factoren geen toets gedaan door de arbeidsinspectie?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat werk, inburgeren en het leren van de taal allen van belang zijn. Het kan voorkomen dat een asielzoeker in een omgeving gaat werken met veel Engelstalige collega’s. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de inburgeringstaken zoals het leren van de taal niet komen te lijden onder het werk? Wordt geborgd dat de werkgever hier ruimte voor laat? Op welke manier kunnen werkgevers een rol krijgen in het vroegtijdig leren van de Nederlandse taal?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er problemen optreden wanneer asielzoekers regelmatig van locatie verhuisd moet worden. Hoe kunnen zij dan hun werk behouden? Worden zij daardoor niet onaantrekkelijker voor werkgevers? Hoe moet dit contractueel opgelost worden in het geval een asielzoeker naar de andere kant van het land moet verhuizen? Deze leden vragen welke maatregelen er worden getroffen om te zorgen dat mensen niet moeten stoppen met werken als gevolg van verplaatsing van de woonlocatie. Hoe wordt tegengegaan dat asielzoekers door de vele verhuizingen met name laag kwalitatief flexwerk gaan doen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of tegelijk met het starten van werk ook gestart kan worden met het in gang zetten van de erkenningsprocedure van diploma’s en kwalificaties zodat asielzoekers op niveau aan het werk gaan. Deze leden achten dit van belang om asielzoekers op hun niveau aan het werk te krijgen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat asielzoekers ook werk kunnen doen als zelfstandige. Deze leden maken zich zorgen over de mogelijkheid dat asielzoekers hierdoor makkelijk als schijnzelfstandige kunnen worden ingezet. Zijn hier nu aanwijzingen voor? Op welke manier wordt er toezicht gehouden dat asielzoekers niet massaal als schijnzelfstandige worden ingezet?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het oude artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav) vervalt. Is er nu voldoende gewaarborgd dat asielzoekers onder marktconforme voorwaarden moeten werken? Graag een toelichting.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tot slot hoe gezorgd wordt dat mensen echt de ruimte krijgen om passend werk te vinden en voorkomen wordt dat er geen dwang ontstaat om ieder werk te accepteren dat aangeboden wordt. Zijn hiervoor maatregelen getroffen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en verwerpen de voorgestelde verruiming van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers. Asielzoekers behoren tijdens de asielprocedure geen toegang te hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt.

De leden van de PVV-fractie constateren dat dit voorstel voortvloeit uit Europese regelgeving, maar dat het kabinet er desondanks voor kiest om verder te gaan dan waartoe deze regelgeving verplicht. Waarom benut het kabinet niet de ruimte om juist strengere nationale voorwaarden te stellen, in plaats van de toegang tot de arbeidsmarkt te verruimen?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de wachttijd voor toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten, wordt verkort van zes naar drie maanden. Deze leden achten dit een verkeerde en onverantwoorde keuze, omdat hiermee de aanzuigende werking van het Nederlandse asielbeleid verder wordt vergroot. Kan het kabinet onderbouwen waarom het sneller toelaten van asielzoekers tot de arbeidsmarkt geen extra instroom stimuleert, terwijl betere voorzieningen en perspectief op werk bekende pullfactoren zijn?

De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet ervoor kiest om asielzoekers sneller toegang te geven tot de arbeidsmarkt, terwijl een grote groep statushouders momenteel niet werkt. Wat is het exacte percentage statushouders dat op dit moment niet werkt en geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van de bijstand? Kan het kabinet dit uitsplitsen naar duur van verblijf in Nederland, herkomstland en leeftijdscategorie? Wat zijn de totale jaarlijkse kosten van uitkeringen en aanvullende voorzieningen voor statushouders die niet werken, en kan het kabinet deze kosten inzichtelijk maken over de afgelopen tien jaar? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de arbeidsparticipatie van andere groepen in Nederland? Waarom wordt niet eerst ingezet op het activeren van statushouders die reeds in Nederland verblijven voordat nieuwe groepen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt?

De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet voorkomt dat betaalde arbeid tijdens de asielprocedure feitelijk leidt tot integratie, terwijl nog niet vaststaat of betrokkene recht heeft op verblijf. Kan het kabinet onderbouwen dat asielzoekers die tijdelijk betaalde arbeid verrichten, maar uiteindelijk geen verblijfsstatus krijgen en Nederland moeten verlaten, geen rechten opbouwen, bijvoorbeeld op het gebied van sociale zekerheid of verblijfsrecht, die hun uitzetting bemoeilijken of in de praktijk onmogelijk maken, en zo ja, op basis van welke juridische waarborgen?

De leden van de PVV-fractie vragen aandacht voor asielzoekers van wie de identiteit nog niet is vastgesteld. Deze leden zijn van oordeel dat personen zonder vastgestelde identiteit geen plaats hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Kan het kabinet toelichten waarom het voorstel ruimte laat voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen in situaties waarin geen burgerservicenummer beschikbaar is? Hoe wordt de controleerbaarheid gewaarborgd, mede gelet op de beperkte mogelijkheden tot toezicht en tijdige intrekking van vergunningen in deze gevallen?

De leden van de PVV-fractie ondersteunen het uitgangspunt dat asielzoekers met een lage kans op inwilliging van hun aanvraag geen toegang tot de arbeidsmarkt dienen te krijgen. Hoe wordt deze uitsluiting in de praktijk strikt en consequent gehandhaafd en hoe wordt voorkomen dat via procedurele wijzigingen alsnog toegang tot de arbeidsmarkt ontstaat?

Daarnaast vragen deze leden welke waarborgen bestaan tegen verdringing van Nederlandse werkzoekenden, met name in sectoren waar sprake is van laagbetaald en flexibel werk.

Ten aanzien van de handhaving vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt geborgd dat tewerkstellingsvergunningen onmiddellijk worden ingetrokken wanneer het recht op toegang tot de arbeidsmarkt vervalt en hoe werkgevers daarover tijdig en volledig worden geïnformeerd.

Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie in hoeverre asielzoekers die betaalde arbeid verrichten verplicht worden om zelf te betalen voor hun opvang, zorg, eten, drinken en overige collectief gefinancierde voorzieningen. Gaan asielzoekers die mogen werken deze kosten daadwerkelijk zelf dragen? En is de minister bereid om deze eigen bijdrage te verhogen, zodat betaalde arbeid ook daadwerkelijk leidt tot het verminderen van de kosten voor de samenleving?

De leden van de PVV-fractie zien de beantwoording van hun vragen met belangstelling tegemoet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en hebben daarover enkele vragen.

Deze leden onderschrijven dat met name kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk moeten kunnen meedoen via werk, juist omdat werk kan bijdragen aan taalverwerving, zelfstandigheid en integratie. Tegelijk achten zij het van belang dat de regeling in de praktijk ook uitvoerbaar, controleerbaar en handhaafbaar is.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet beoordeelt of de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden in de praktijk daadwerkelijk werkbaar is voor UWV, IND, gemeenten en werkgevers. In het bijzonder vragen zij welk aandeel van de betrokken asielzoekers naar verwachting na drie maanden al beschikt over een burgerservicenummer.

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij ontbreken van een burgerservicenummer slechts een tewerkstellingsvergunning voor maximaal drie maanden kan worden afgegeven. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat dit in de praktijk leidt tot extra administratieve lasten, herhaalaanvragen en terughoudendheid bij werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de keuze beoordeelt om de tewerkstellingsvergunningplicht te handhaven. Welke concrete belemmeringen maken dat een eenvoudiger systeem, zoals een meldplicht of een andere vorm van registratie, op dit moment nog niet mogelijk is? Ook vragen deze leden of het kabinet al een tijdpad voor zich ziet waarbinnen een lichter en werkbaarder systeem wel gerealiseerd zou kunnen worden.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de gevolgen inschat van het vervallen van de 24-weken-eis. Welke effecten verwacht het kabinet hiervan op arbeidsparticipatie, werkgeversbereidheid en de uitvoeringspraktijk? Ook vragen deze leden hoe het kabinet waarborgt dat eerdere en ruimere toegang tot arbeid niet leidt tot grotere risico’s op onderbetaling, oneerlijke arbeidsvoorwaarden of andere vormen van misbruik op de arbeidsmarkt.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de uitvoerbaarheid per 12 juni 2026 beoordeelt, gelet op de genoemde tijdelijke workaround bij UWV en de nog te dekken uitvoeringskosten. Welke risico’s ziet het kabinet voor een tijdige en ordelijke invoering, en hoe worden die ondervangen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en constateren dat daarin de wachttermijn voor asielzoekers om te mogen werken wordt verkort van zes naar drie maanden, terwijl de Europese richtlijn slechts voorschrijft dat toegang uiterlijk na zes maanden moet worden gegeven. Deze leden vragen de minister of hij erkent dat het kabinet hiermee bewust verder gaat dan Europees noodzakelijk is, feitelijk een nationale kop creëert en waarom hiervoor is gekozen, ook gelet op het gegeven dat deze maatregel het aanvragen van asiel in Nederland mogelijk aantrekkelijker kan maken en het stelsel nu al onder grote druk staat. Deze leden merken op dat de minister schrijft dat asielzoekers “eerder aan het werk” moeten gaan om bij te dragen aan arbeidsmarkt en opvangkosten. Dit klinkt logisch, maar tegelijkertijd vragen deze leden of het kabinet het risico ziet dat de asielprocedure zo in de praktijk tevens gebruikt kan worden als eenvoudige arbeidsmigratieroute. Zij vragen hoe hij het weegt dat mensen al na drie maanden kunnen werken terwijl hun asielverzoek nog lang niet is beoordeeld, en of hij erkent dat asielzoekers onder het huidige stelsel vaak rond de twee jaar in procedure zitten, zodat zij met dit ontwerpbesluit feitelijk ruim anderhalf jaar toegang krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt en loonniveau voordat er een definitief oordeel is over hun aanvraag.

Voorts vragen de leden van de JA21-fractie hoe de minister de kans beoordeelt dat dit pakket – drie maanden wachttijd, langdurige toegang tot werk en relatief lange procedures – een aanzuigende werking heeft op kansarme groepen, zoals asielzoekers uit (West-)Balkanlanden, die in hun thuisland goed weten dat de kans op een vergunning klein is maar hier wel langdurig legaal kunnen werken en geld verdienen. Deze leden vragen of de minister met hen van mening is dat het juist voor deze kansarme groepen ronduit onverstandig is om de toegang tot de arbeidsmarkt te vervroegen, omdat dit de prikkel kan versterken om een asielaanvraag in te dienen, ongeacht de uitkomst daarvan, en welke specifieke mitigerende maatregelen hij overweegt om dit misbruik te voorkomen. Deze leden vragen de minister om kwantitatief te onderbouwen waarom deze verruimde toegang tot werk niet zal leiden tot extra instroom uit landen met lage inwilligingspercentages, en indien een dergelijke onderbouwing ontbreekt, of hij dan erkent dat het kabinet bewust het risico neemt dat Nederland aantrekkelijker wordt als “arbeidsmigratieroute via asiel” dan buurlanden die aan de termijn van zes maanden vasthouden.

De leden van de JA21-fractie vragen verder hoe deze keuze om al na drie maanden werken toe te laten zich verhoudt tot het uitgangspunt van het Europese migratie- en asielpact, waarin wordt beoogd secundaire migratie en “asylum shopping” tegen te gaan. Deze leden vragen of de minister hun zorg deelt dat Nederland zich met deze nationale kop positioneert als aantrekkelijke bestemming binnen de EU voor kansarme asielzoekers die maximaal willen profiteren van werkmogelijkheden. Ook willen zij weten in hoeverre het kabinet het aannemelijk acht dat het feit dat asielzoekers gedurende een zeer lange periode legaal in Nederland kunnen werken – soms meer dan anderhalf jaar vóór een definitieve beslissing – invloed heeft op de beoordeling van hun zaak door IND en rechterlijke macht. Deze leden vragen of de minister onderkent dat langdurige arbeid, opgebouwde sociale banden en financiële afhankelijkheden in de praktijk impliciet kunnen worden meegewogen en zo in de praktijk kunnen leiden tot hogere inwilligingspercentages of ruimere toepassing van schrijnendheid, artikel 8 EVRM of andere verblijfsgrond.

De leden van de JA21-fractie constateren dat met dit ontwerpbesluit een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers bij gebruik van een burgerservicenummer voor maximaal drie jaar kan worden verleend, in plaats van gekoppeld te blijven aan de duur van het W‑document. Daarbij merken deze leden op dat de nota van toelichting erkent dat asielzoekers vanaf het moment dat zij gaan werken rechten op uitkeringen en sociale verzekeringen opbouwen en dat dit structureel oploopt tot 4 miljoen euro aan extra uitkeringslasten, plus miljoenen aan UWV‑uitvoeringskosten. Zij vragen of en hoe de minister dit verdedigbaar vindt en waarom niet is gekozen voor een soberder regime dat geen extra uitkeringsrechten creëert.

Daarnaast constateren de leden van de JA21-fractie dat het kabinet stelt dat asielzoekers die “waarschijnlijk mogen blijven” eerder moeten kunnen werken, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat de IND vaak niet binnen drie maanden de identiteit kan vaststellen en dat procedurewissels en complexiteit toenemen. Deze leden vragen of de minister hoe hij voorkomt dat mensen met onduidelijke identiteit of kansarme aanvragen toch jarenlang in Nederland kunnen werken. In de stukken lezen deze leden verder dat sommige categorieën kansarme asielzoekers met lage kans op inwilliging (zoals veilige‑landers en bepaalde Dublinclaimanten) straks helemaal niet meer mogen werken, terwijl andere kansarme groepen – bijvoorbeeld nationaliteiten met een EU‑inwilligingspercentage van ten hoogste 20% – juist wel toegang kunnen krijgen. Zij vragen of de minister niet erkent dat dit onderscheid willekeurig en juridisch kwetsbaar oogt, en waarom niet wordt gekozen voor het consequente uitgangspunt van geen toegang tot de arbeidsmarkt voor alle asielzoekers.

De leden van de JA21-fractie constateren daarnaast dat in de toelichting wordt gesteld dat meer en eerder werk van asielzoekers goed is voor “zelfstandigheid, integratie en mentale gezondheid”. Deze leden vragen of de minister het met hen eens is dat dit een sterke normatieve keuze richting snelle integratie is, en hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat asielmigratie van tijdelijke aard dient te zijn en dat afwijzing en vertrek onlosmakelijk onderdeel van de procedure zijn. Ook lezen zij dat in de beleidstukken wordt aangegeven dat werkgevers de huidige tewerkstellingsregels en wachttijden als belemmering zien en dat dit ontwerpbesluit mede is ingegeven door de wensen van werkgevers en maatschappelijke organisaties. Zij vragen hoe de minister deze veronderstelde arbeidsmarktbelangen en werkgeverswensen weegt in relatie tot het grote maatschappelijke draagvlak voor een strenger asielbeleid en kortere asielprocedures.

Voorts constateren de leden van de JA21-fractie dat de 24‑weken‑eis na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is afgeschaft en nu ook uit de regelgeving wordt geschrapt, waardoor asielzoekers in principe fulltime en langdurig kunnen werken gedurende de hele procedure. Deze leden vragen of de minister of en welke mogelijkheden hij ziet om binnen het Europese recht toch grenzen te stellen aan arbeidsomvang en duur. Uit de stukken volgt verder dat de Nederlandse Arbeidsinspectie weliswaar kan handhaven op illegale tewerkstelling, maar dat de feitelijke capaciteit beperkt is en dat sterk wordt gerekend op “goede voorlichting” als belangrijke pijler. Deze leden vragen of de minister van mening is dat voorlichting een voldoende instrument is om uitbuiting, schijnconstructies, illegale arbeid en verdringing in dit segment te voorkomen, en of hij bereid is extra capaciteit en maatregelen vrij te maken en te treffen gericht op het tegengaan van misbruik van deze regeling.

De leden van de JA21-fractie merken daarnaast op dat in de toelichting expliciet staat dat werkgevers dankzij de langere duur van de tewerkstellingsvergunning minder vaak een aanvraag hoeven te doen, wat de administratieve lasten verlaagt. Deze leden vragen of de minister niet erkent dat deze “regeldrukreductie” er in de praktijk toe leidt dat werkgevers voor langere tijd een asielzoeker aan zich kunnen binden en dat zij bij afwijzing van het asielverzoek een groot belang hebben bij voortgezet verblijf. Deze leden vragen hoe hij voorkomt dat dit in de praktijk tot het starten van vervolgprocedures kan leiden. Daarnaast wordt in de nota’s erkend dat de implementatiedeadline van 12 juni 2026 waarschijnlijk niet wordt gehaald en dat de richtlijn dan rechtstreekse werking krijgt, terwijl de IT‑systemen van UWV en ketenpartners nog niet klaar zijn. Deze leden vragen de minister hoe hij beoordeelt dat Nederland opnieuw kiest voor relatief ruime toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, terwijl de benodigde uitvoeringssystemen nog niet volledig zijn ingericht, en hoe hij kan waarborgen dat de combinatie van vervroegd werkrecht en nog niet volledig uitgewerkte uitvoeringsprocessen niet leidt tot extra complexiteit, misverstanden of misbruik.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Deze leden erkennen de noodzaak om nationale regelgeving in lijn te brengen met Europese richtlijnen en rechterlijke uitspraken. Tegelijkertijd hebben zij enkele kritische vragen over de praktische uitvoering, de handhaafbaarheid en de maatschappelijke impact van de voorgestelde wijzigingen.

De leden van de BBB-fractie hebben verschillende vragen aan het kabinet. Hoe borgt het kabinet dat de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden voor kansrijke asielzoekers niet leidt tot een aanzuigende werking op migranten die primair om economische redenen naar Nederland komen? Kan het kabinet nader specificeren wat onder een "hogere kans op inwilliging" wordt verstaan en welke objectieve criteria worden gehanteerd om dit onderscheid reeds na drie maanden betrouwbaar te maken? Deze leden steunen het uitgangspunt dat asielzoekers uit veilige landen niet mogen werken tijdens de procedure. Hoe gaat de Arbeidsinspectie controleren op illegale tewerkstelling van deze groep, gezien de verhoogde prikkel om nu illegaal inkomen te genereren? Voorziet de minister problemen bij de terugkeer van asielzoekers van wie het verzoek wordt afgewezen, maar die inmiddels een langdurige arbeidsrelatie hebben opgebouwd door het vervallen van deze beperking?

II Antwoord/Reactie van de minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vraag 1: Deze leden ondersteunen het uitgangspunt dat vroegtijdige arbeidsparticipatie bijdraagt aan integratie en zingeving, maar vragen hoe wordt geborgd dat asielzoekers daadwerkelijk na drie maanden toegang krijgen tot werk, en niet worden belemmerd door uitvoeringsproblemen.

Reactie:

Er is gekozen voor een wachttermijn van drie maanden voor asielzoekers om te mogen werken, omdat het kabinet het belangrijk vindt dat mensen met een grote kans op asiel zo snel mogelijk mee kunnen doen. Een baan helpt bij het integreren en zorgt ervoor dat iemand sneller de taal leert en kan meedoen in de samenleving.

Het kabinet zet zich daarom samen met de betrokken uitvoeringsorganisaties ervoor in om asielzoekers na drie maanden toegang te geven tot werk. Hierbij kijken we in de voorbereidende fase hoe uitvoeringsproblemen zoveel mogelijk kunnen worden gemitigeerd. Zo zorgen UWV en IND er bijvoorbeeld voor dat gegevensuitwisseling zoveel mogelijk geautomatiseerd verloopt. In de uitvoeringstoets die is uitgevoerd door IND1 is aangegeven dat het haalbaar lijkt om voor een groot deel van de asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten binnen drie maanden de identiteit vast te stellen, zodat er zo snel mogelijk een burgerservicenummer kan worden aangevraagd.

Vraag 2: Ook vragen zij de minister aan te geven in hoeverre hij mogelijkheden ziet om in samenwerking met uitzendbureaus zoals Untapped Talents het benutten van de snellere toegang tot de arbeidsmarkt te stimuleren.

Reactie:

Eerder is door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verkenning gedaan naar de manier waarop de begeleiding naar werk van asielzoekers kan worden vormgegeven. Daarbij is geconcludeerd dat aansluiting bij bestaande structuren voor arbeidstoeleiding (de arbeidsmarktinfrastructuur) het meest voor de hand ligt. Tegelijkertijd bestaan er nog verschillende vragen over de meest effectieve vorm van ondersteuning. In het kader van de Actieagenda Integratie2 is door het vorige kabinet extra budget beschikbaar gesteld voor pilots en onderzoek naar effectieve mechanismen voor arbeidstoeleiding van asielzoekers. Daarbij zal ook gekeken worden naar de rol van private intermediairs.

Vraag 3: Voor asielzoekers zonder burgerservicenummer kan een tewerkstellingsvergunning van maximaal drie maanden worden afgegeven. De werkgever zal daarna opnieuw een aanvraag moeten indienen. Welke administratieve lasten brengt dit mee voor werkgevers? In hoeveel gevallen verwacht de minister dat een herhaalde aanvraag nodig zal zijn?

Reactie:

Het streven van het kabinet is om na de eerste drie maanden na registratie van het asielverzoek een burgerservicenummer te kunnen afgeven. In de uitvoeringstoets van IND is aangegeven dat het haalbaar lijkt om voor een groot deel van de asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten binnen drie maanden de identiteit vast te stellen3, zodat er zo snel mogelijk een burgerservicenummer kan worden afgegeven.

Echter zal het niet in alle gevallen lukken om binnen deze periode de identiteit vast te stellen. Het is niet mogelijk om op voorhand in te kunnen schatten over hoeveel gevallen dit zal gaan. Om ervoor te zorgen dat ook asielzoekers kunnen werken, ook als er na drie maanden nog geen burgerservicenummer is afgegeven, blijft het mogelijk voor de werkgever om een tewerkstellingsvergunning te krijgen zonder dat het burgerservicenummer bekend is. De duur van de tewerkstellingsvergunning zal in dat geval beperkt zijn tot maximaal drie maanden, en nooit langer dan de duur van de arbeidsovereenkomst.

Het kabinet heeft voor deze oplossing gekozen, omdat de toegang tot de arbeidsmarkt niet kan worden ontzegd voor deze specifieke gevallen. Dit zou in strijd zijn met de Europese Opvangrichtlijn. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de herschikte Opvangrichtlijn moeten lidstaten er namelijk voor zorgen dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd, toegang hebben tot de arbeidsmarkt, tenzij sprake is van een uitzondering op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt.

Daarom maakt het kabinet het ook mogelijk om zonder burgerservicenummer te werken, maar wel onder strenge voorwaarden, namelijk voor een korte termijn van ten hoogste drie maanden. UWV heeft het burgerservicenummer nodig bij de aanvraag van een tewerkstellingsvergunning, om conform de verplichting uit de Europese Opvangrichtlijn de vergunning in te kunnen trekken als de asielzoeker van procedure wijzigt waardoor hij niet langer toegang meer heeft tot de arbeidsmarkt.

De werkgever zal worden voorgelicht over wat de implicaties zijn van het ontbreken van een burgservicenummer bij de aanvraag van een tewerkstellingsvergunning. Bij de afloop van deze korte tewerkstellingsvergunning kan de werkgever opnieuw een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Veelal zal op dat moment wel de BRP-inschrijving en burgerservicenummer afgifte plaatsgevonden hebben, waardoor op dat moment een tewerkstellingsvergunning voor een langere duur kan worden afgegeven. Dit komt doordat de inschrijving als ingezetene in de BRP moet worden gedaan als mensen (naar verwachting) minimaal zes maanden in Nederland verblijven. De verwachting is daarom dat in veel gevallen het voor werkgevers niet nodig zal zijn om vaker een herhaalde aanvraag te moeten doen met een maximale duur van de tewerkstellingsvergunning van drie maanden. Op het moment dat het burgerservicenummer bekend is zal immers een tewerkstellingsvergunning voor een langere duur afgegeven kunnen worden.

Vraag 4: Hoe groot is deze groep? Welke concrete inspanningen worden gedaan om te voorkomen dat asielzoekers met een hoge kans op inwilliging onnodig moeten wachten door vertraging in de identiteitsvaststelling?

Reactie:

Een van de criteria voor de IND om aan de gemeente een mededeling te kunnen doen ten behoeve van inschrijving in de BRP is dat de identiteit deugdelijk is vastgesteld. De IND houdt geen registratie bij van het aantal personen ten aanzien waarvan als gevolg van toetsing aan dit criterium vooralsnog geen mededeling kan worden gedaan. De IND kan dus niet zeggen hoe groot deze groep is.

Een deugdelijke identiteitsvaststelling kan moeilijk, zo niet onmogelijk zijn bij asielzoekers die ongedocumenteerd zijn. Wanneer een asielzoeker ongedocumenteerd is, moet de IND gedurende de asielprocedure onderzoek doen naar de gestelde identiteit. De uitkomst van dit onderzoek kan mede bepalend zijn voor de vraag of de asielaanvraag kan worden ingewilligd. De IND behandelt elke asielaanvraag, dus ook aanvragen waarin onderzoek naar de identiteit nodig is, zo voortvarend mogelijk. Dit betekent ook dat vermeden wordt dat de identiteitsvaststelling onnodig stilligt.

Daarnaast blijft het met deze nieuwe regels mogelijk voor asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten te werken na afloop van de wachttermijn, ook wanneer zij nog geen burgerservicenummer hebben.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vraag 5: Deze leden beamen de ratio achter het voorstel, maar vrezen wel dat het verkorten van de wachttermijn kan leiden tot een aanzuigende werking van asielzoekers. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Op welke manier wordt in het verlengde hiervan ervoor gezorgd dat het voor kansarme asielzoekers in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijk is dat zij in Nederland niet kunnen rekenen op recht tot de arbeidsmarkt?

Reactie:

Met deze wijziging kunnen asielzoekers met een grotere kans op een verblijfsvergunning na drie in plaats van zes maanden aan het werk. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Bij binnenkomst wordt zo snel mogelijk bepaald in welke procedure een asielverzoek wordt behandeld.

Daarnaast geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen de versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Met deze nieuwe regels mogen bijvoorbeeld asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst4, asielzoekers die enkel een aanvraag doen om terugkeer te verhinderen, of wanneer er kennelijk valse/onwaarschijnlijk verklaringen zijn afgelegd niet meer werken. De Asielprocedureverordening schrijft voor dat een beslissing op het asielverzoek binnen de versnelde behandelingsprocedure zo snel mogelijk en binnen drie maanden moet worden afgerond. Toegang tot de arbeidsmarkt is tevens uitgesloten voor asielzoekers die in kennis zijn gesteld van een genomen overdrachtsbesluit overeenkomstig artikel 42 van de Verordening betreffende asiel- en migratiebeheer (en artikel 21 van de Opvangrichtlijn).

WODC heeft in een onderzoek aangegeven dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar Nederland.5Daarnaast sluit een wachttermijn van drie maanden aan bij de termijn die ons omringende lidstaten hanteren. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden6. België en Luxemburg willen een wachttermijn (blijven) hanteren van vier maanden. Enkel het verkorten van de wachttermijn van zes naar drie maanden, in combinatie met de regels dat bepaalde asielzoekers met een lagere kans op inwilliging van het asielverzoek niet meer mogen werken, zal naar verwachting niet leiden tot een aanzuigende werking of Nederland in dit opzicht aantrekkelijker maken dan andere lidstaten.

Tegen die achtergrond en met de aanpassing dat asielzoekers met een kleine kans op een asielaanvraag niet meer mogen werken verwacht het kabinet dat de wijziging er niet voor zal zorgen dat meer mensen een succesvolle asielaanvraag in Nederland zullen doen of dat dit Nederland aantrekkelijker zou maken voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.

.

Vraag 6: De leden van de VVD-fractie maken zich voorts zorgen over het risico dat malafide werkgevers van deze versoepeling gebruik gaan maken om migranten te stimuleren om naar Nederland te komen om asiel aan te vragen, terwijl deze migranten zonder deze aansporing hoogstwaarschijnlijk niet naar Nederland waren gekomen. Hoe beoordeelt de minister deze zorg? Welke stappen is de minister bereid te zetten om in een vroeg stadium misbruik van deze versoepeling door malafide werkgevers of asielzoekers zo een halt toe te roepen?

Reactie:

In de herschikte Opvangrichtlijn, onderdeel van het Europese Migratiepact, is opgenomen dat bepaalde categorieën asielzoekers met een lagere kans op een asielvergunning binnen de versnelde behandelingsprocedure niet mogen werken. Zo zullen onder andere asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst niet mogen werken. De verwachting is dat de aanpassing van de wachttermijn van zes naar drie maanden geen reden is voor werkgevers om mensen te stimuleren naar Nederland te komen en asiel aan te vragen (zie ook het antwoord bij vraag 5).

De aanname dat werkgevers actief mensen gaan werven in het buitenland en hen stimuleren om asiel aan te vragen acht het kabinet niet aannemelijk. Naast het feit dat voor veel asielzoekers met een lagere kans op een asielvergunning de toegang tot de arbeidsmarkt volledig is uitgesloten, bestaan er praktische en logistieke belemmeringen om vanuit het buitenland naar Nederland te reizen om asiel aan te vragen. Ook mogen asielzoekers voor wie de toegang niet is uitgesloten de eerste drie maanden in Nederland niet werken, en hebben zij (of hun werkgevers) geen invloed op de plaatsing binnen een specifieke regio of opvanglocatie.

Vraag 7: Deze leden vragen hierbij hoeveel tijd er in de praktijk zal zitten tussen het afwijzen dan wel intrekken van de asielaanvraag, en het intrekken van de tewerkstellingsvergunning. Deelt de minister de opvatting van deze leden dat de tijdspanne tussen beide beslissingen zo kort mogelijk dient te zijn, zodat wordt voorkomen dat afgewezen asielzoekers lang toegang hebben tot de arbeidsmarkt?

Reactie:

Ja, het is van belang dat zodra de asielzoeker niet meer mag werken zo spoedig mogelijk de tewerkstellingsvergunning van de werkgever wordt ingetrokken. Het UWV gaat over tot intrekking van de tewerkstellingsvergunning zodra de IND heeft vastgesteld dat het asielverzoek van de asielzoeker onder een categorie komt te vallen waarbij de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten of als iemand niet langer een lopende asielaanvraag heeft.

Het intrekken van de tewerkstellingsvergunning is enkel mogelijk indien bij de aanvraag van de tewerkstellingsvergunning het burgerservicenummer is opgegeven. Via de BRP ontvangt UWV dan een signalering over de door de IND gewijzigde verblijfstitelcode van de asielzoeker. Dit is de directe aanleiding voor een weigering of intrekking van een al lopende werkvergunning. Een lopende tewerkstellingsvergunning zal vervolgens middels een besluit, gericht aan de werkgever, worden ingetrokken. Vanaf dat moment mag de werkgever de asielzoeker geen werkzaamheden meer laten verrichten. De datum waarop de verblijfstatus van de asielzoeker is gewijzigd is daarmee niet leidend, maar het moment dat de werkgever geïnformeerd is door UWV dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de arbeidsmarkt en per welke datum de tewerkstellingsvergunning daarom is ingetrokken.

Vraag 8: De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wat er gebeurt als de asielaanvraag van een asielzoeker wordt ingewilligd, waarna deze vergunning na verloop van tijd wordt ingetrokken omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan. Krijgt het UWV dan wel de werkgever een melding van deze intrekking? Betekent dit in de praktijk dan ook dat de tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken, en zo ja, wat is de gemiddeld tijdspanne tussen beide beslissingen?

Reactie: zie de beantwoording opgenomen bij vraag 7. Voor statushouders geldt dat zij vrij zijn op de arbeidsmarkt en dat de werkgever geen tewerkstellingsvergunning hoeft te hebben. Om in Nederland te kunnen werken is een geldige verblijfsgrond nodig. Wanneer de asielvergunning is ingetrokken en de vreemdeling niet een andere geldige verblijfstitel heeft, moet de vreemdeling Nederland verlaten. De vreemdeling mag na het intrekken van de asielvergunning niet meer in Nederland werken.

Vraag 9: De leden van de VVD-fractie constateren dat het kabinet voornemens is om asielzoekers ook de mogelijkheid te geven om toe te treden tot de arbeidsmarkt in de uitzonderlijke situatie dat de asielzoeker niet op tijd beschikt over een burgerservicenummer. Is dit een verplichting die voortvloeit uit hoger recht (in bijzonder de herziene Opvangrichtlijn), of is dit een beleidskeuze? Hoelang zal het volgens de minister gemiddeld gaan duren voordat asielzoekers een burgerservicenummer kunnen hebben? Zijn er situaties denkbaar waarbij het niet op tijd verkrijgen van een burgerservicenummer te wijten valt aan de asielzoeker in kwestie? Zo ja, deelt de minister dan de opvatting van deze leden dat dit consequenties dient te hebben voor de toegang tot de arbeidsmarkt van de desbetreffende asielzoeker?

Reactie:

In het voorstel zijn wijzigingen opgenomen ten aanzien van de regels over de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers. Het recht van asielzoekers op toegang tot de arbeidsmarkt volgt uit de herschikte Europese Opvangrichtlijn.7 Deze richtlijn bevat normen voor de opvang en bijbehorende voorzieningen die lidstaten aan asielzoekers moeten bieden. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de herschikte Opvangrichtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd, toegang hebben tot de arbeidsmarkt, tenzij sprake is van een uitzondering op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt. Hiermee moet de asielzoeker het recht krijgen om werk te zoeken. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat de toegang tot de arbeidsmarkt effectief is, door bijvoorbeeld geen voorwaarden op te leggen die verhinderen dat een asielzoeker werk kan zoeken of door geen onredelijke administratieve formaliteiten op te leggen. Het is derhalve niet mogelijk om asielzoekers die nog geen burgerservicenummer hebben uit te sluiten van de toegang tot de arbeidsmarkt.

Wel geldt dat de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten voor asielzoekers die vallen onder een aantal categorieën binnen de versnelde behandelingsprocedure. Eén van die categorieën betreft wanneer de asielzoeker valse informatie of documenten heeft verstrekt of relevante informatie heeft achtergehouden, met name omtrent zijn of haar identiteit of nationaliteit, die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben . Dit geldt ook wanneer er duidelijke gronden zijn om te oordelen dat de verzoeker te slechter trouw een identiteitsbewijs of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan om de vaststelling van zijn of haar identiteit of nationaliteit te verhinderen.

Een van de criteria voor de IND om aan de gemeente een mededeling te kunnen doen ten behoeve van inschrijving in de BRP is dat de identiteit deugdelijk is vastgesteld. Het verschilt per geval of en hoe snel dit mogelijk is. Wanneer een asielzoeker ongedocumenteerd is, moet de IND gedurende de asielprocedure onderzoek doen naar de gestelde identiteit. Het proces van vaststelling van identiteit kan in deze gevallen weken tot maanden duren. De IND verwacht dat de toegang tot de arbeidsmarkt daarom op zijn vroegst na een wachttermijn van drie maanden mogelijk is. Als het vaststellen van de identiteit niet mogelijk is omdat de vreemdeling niet meewerkt, zal in de regel het onderzoek naar de identiteit langer duren. Dit heeft daarmee direct consequenties voor de vreemdeling en zijn recht op toegang tot de arbeidsmarkt, doordat er nog geen burgerservicenummer kan worden aangevraagd en voor de vreemdeling dus alleen een tewerkstellingsvergunning kan worden aangevraagd met een kortere geldigheidsduur.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

Vraag 10: Waarom is voor drie maanden gekozen? Zou het al mogelijk zijn om na één maand een tewerkstellingsvergunning te krijgen? Zou dit volgens de Europese Richtlijn mogelijk zijn? Is de wachttijd van drie maanden aan de hoge of lage kant in vergelijking met andere Europese Unie (EU-)lidstaten?

Reactie:

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de herschikte Opvangrichtlijn moeten lidstaten aan asielzoekers – indien de toegang niet is uitgesloten – toegang geven tot de arbeidsmarkt binnen uiterlijk zes maanden nadat de asielaanvraag is geregistreerd. In de overwegingen bij de richtlijn is opgenomen dat lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers eerder te laten werken als hun asielverzoek waarschijnlijk gegrond is, met het oog op het bevorderen van de zelfstandigheid van asielzoekers. Op grond van de richtlijn is het mogelijk een kortere wachttermijn te hanteren.

Er is door het kabinet gekozen voor een wachttermijn van drie maanden. Bij een nog kortere periode zou de uitvoerbaarheid onder druk komen te staan. Dit volgt onder andere uit de uitvoeringstoets van de IND. Daarin is aangegeven dat het haalbaar lijkt om voor een groot deel van de asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten, binnen drie maanden de identiteit vast te stellen. Een kortere termijn van bijvoorbeeld één maand is niet uitvoerbaar. Een wachttermijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die ons omringende lidstaten hanteren. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg willen een wachttermijn (blijven) hanteren van vier maanden.

Een termijn van drie maanden sluit daarnaast goed aan op de duur van de versnelde behandelingsprocedure. Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Lidstaten dienen voor asielaanvragen die ze versneld behandelen binnen drie maanden een beslissing op de aanvraag te nemen. Voor asielzoekers van wie het verzoek niet valt onder de versnelde behandelingsprocedure geldt een langere beslistermijn.

Vraag 11: In de wetstekst staat dat de tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste drie jaar wordt verleend. Is er een mogelijkheid om deze te verlengen als de procedure bijvoorbeeld langer dan drie jaar duurt?

Reactie:

De tewerkstellingsvergunning kan voor maximaal drie jaar worden afgegeven. Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Bij de aanvraag dient dan wel het burgerservicenummer van de asielzoeker te worden vermeld. Tewerkstellingsvergunningen worden nooit voor een langere duur afgegeven dan de duur van de arbeidsovereenkomst. Indien de tewerkstellingsvergunning (bijna) is verlopen kan de werkgever een nieuwe vergunning aanvragen. Deze kan dan wederom voor maximaal drie jaar, of de duur van de arbeidsovereenkomst als deze korter is, worden afgegeven.

Vraag 12: Waarom is er niet voor gekozen om de noodzaak tot een tewerkstellingsvergunning af te schaffen?

Reactie:

Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn is ervoor gekozen de tewerkstellingsvergunningplicht in stand te laten. De reden hiervoor is dat het op dit moment uitvoeringstechnisch niet mogelijk is de vergunningplicht af te schaffen. Daarnaast ziet deze wijziging op de implementatie van de richtlijn.8 Gelet op de korte implementatiedeadline en de grote impact die de invoering van het EU migratiepact al op de uitvoering meebracht, is ervoor gekozen om dit niet in het kader van de implementatie van de Richtlijn te verkennen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat er een alternatief komt voor de tewerkstellingsvergunningplicht. Er zal hiertoe een verkenning worden uitgevoerd om de mogelijkheden voor een alternatief in beeld te brengen.

Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn worden bepaalde groepen asielzoekers uitgesloten van toegang tot de arbeidsmarkt. Het is dus belangrijk dat een werkgever zekerheid kan krijgen over de vraag of de asielzoeker die hij wil aannemen, ook mag werken. Dat kan op dit moment enkel via het proces van de tewerkstellingsvergunning. Bij het afschaffen van de tewerkstellingsvergunning en in plaats daarvan het hanteren van de meldplicht, zoals thans geldt voor ontheemden uit Oekraïne, zou de werkgever zelf moeten toetsen of de persoon een lopende asielprocedure heeft, de wachttermijn is verstreken en de behandeling van de asielaanvraag niet valt onder één van de categorieën waarvan op grond van de richtlijn de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Daarnaast zou een werkgever geïnformeerd moeten worden als een asielzoeker niet meer mag werken, bijvoorbeeld door een wijziging in de asielprocedure, aangezien de werkgever het risico loopt op een boete als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden om de asielzoeker te mogen laten werken. Het is op dit moment niet mogelijk deze informatie rechtstreeks beschikbaar te stellen aan de werkgever. Voordat kan worden overgegaan op een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning, zal daarom eerst goed in kaart moeten worden gebracht hoe de werkgever gemakkelijk aan de goede actuele informatie komt, en welke juridische en (systeem-)technische consequenties dit heeft.

Vraag 13: Op dit moment zijn er ongeveer 50.000 openstaande asielaanvragen in Nederland. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze verkorting van de wachttijd ook gaat gelden voor de mensen die al in de procedure zitten – en minder dan zes maanden wachten.

Reactie:

De nieuwe regels voor werk zien zowel op de mensen die een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd voor de inwerkingtredingsdatum van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 als voor de mensen die dit na de inwerkingtredingsdatum hebben gedaan. Voor asielzoekers met een asielaanvraag van voor deze datum zijn de nieuwe regels op basis waarvan de groepen worden uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt echter niet van toepassing. Voor hen mag en wordt geen onderscheid gemaakt op deze gronden voor wat betreft de toegang tot de arbeidsmarkt. Met de overgangsbepaling die is opgenomen in dit voorstel krijgen na de inwerkingtreding van de wijzigingen ook asielzoekers met een aanvraag van voor 12 juni 2026 toegang na drie maanden in plaats van zes maanden. Hiermee gelden voor wat betreft de wachttermijn dezelfde regels voor asielzoekers ongeacht het moment van het indienen van het asielverzoek.

Vraag 14: Deze leden vragen of het niet is strijd is met deze overweging en dit artikel om kansarme asielzoekers geen toegang te geven tot de arbeidsmarkt. Deze leden lezen dat er juridische bezwaren kunnen zijn om een onderscheid te maken tussen kansrijke en kansarme asielzoekers gelet op het gelijkheidsbeginsel en er onderscheid gemaakt wordt op basis van nationaliteit. Acht de minister dit onderscheid juridisch houdbaar?

Reactie:

Het onderscheid tussen de verschillende categorieën asielzoekers die met deze nieuwe regels juist wel of geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt volgt direct uit de herziene Opvangrichtlijn. Het is daarom ook niet mogelijk als lidstaat een andere afweging hierin te maken. Met deze aanpassingen zorgen we voor een implementatie die direct aansluit op de regels zoals die zijn opgenomen in de richtlijn.

Met de nieuwe regels uit het Asiel- en migratiepact worden asielaanvragen van een aantal groepen asielzoekers versneld behandeld. Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën binnen deze procedure wordt uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt (artikel 17 Opvangrichtlijn). Het gaat om groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd, omdat:

– er kennelijk valse/onwaarschijnlijke verklaringen zijn afgelegd;

– er valse informatie of documenten zijn verstrekt of relevante informatie is achtergehouden;

– er enkel een verzoek is ingediend om terugkeer te verhinderen;

– de verzoeker komt uit een veilig land van herkomst; of

– de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde.

Deze groepen asielzoekers met een asielaanvraag binnen de versnelde behandelingsprocedure hebben geen toegang tot de arbeidsmarkt. Lidstaten hebben bij de implementatie van dit artikel uit de Opvangrichtlijn geen ruimte om hier van af te wijken. De uitsluiting van de toegang tot de arbeidsmarkt geldt ook voor Dublinclaimanten die een overdrachtsbesluit hebben gekregen (artikel 21 Opvangrichtlijn). Voor andere groepen asielzoekers voor wie de toegang niet is uitgesloten moeten lidstaten ervoor zorgen dat zij daadwerkelijke en effectieve toegang hebben tot de arbeidsmarkt uiterlijk zes maanden nadat hun asielaanvraag is geregistreerd. Op basis van het EU migratiepact moeten lidstaten dus onderscheid maken tussen verschillende groepen asielzoekers en er is geen ruimte in het pact om daar vanaf te wijken.

Vraag 15: Onder het Asiel- en Migratiepact wordt een asielzoeker die voor politieke vervolging vlucht uit bijvoorbeeld Turkije niet gezien als kansrijke asielzoeker aangezien het land van herkomst een lager gemiddeld inwilligingspercentage heeft dan 20%, constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Bovendien is Turkije officieel nog steeds kandidaat-lidstaat. Deze leden vragen hoe lang de minister inschat dat het duurt voor deze mensen om aan het werk te mogen. Hoe lang zou het maximaal kunnen duren voordat deze mensen aan het werk mogen?

Reactie:

Binnen de versnelde behandelingsprocedure geldt dat voor een aantal categorieën, zoals voor asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst, de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Vanaf 12 juni 2026 geldt er een Europese lijst met veilige landen9. Ook kandidaat-lidstaten van de EU, waaronder Turkije, staan op deze lijst. Gedurende de procedure geldt voor asielzoekers afkomstig uit deze landen dat zij niet mogen werken. De beslistermijn binnen de versnelde behandelingsprocedure bedraagt drie maanden. Bij een toewijzing van het asielverzoek krijgen mensen toegang tot de arbeidsmarkt, ook als zij gedurende de asielprocedure vielen onder één van de categorieën voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt was uitgesloten.

Uit de Opvangrichtlijn volgt dat asielzoekers geen recht hebben om te werken als de behandeling van de asielaanvraag is versneld op grond van artikel 42, lid 1 onder a t/m f. Dit gaat om bijv. asielzoekers die uit een veilig land van herkomst komen, die een gevaar vormen voor openbare orde en nationale veiligheid en als er sprake is van bijv. misleiding. Voor een aantal categorieën groepen binnen deze versnelde behandelingsprocedure, zoals asielzoekers met een nationaliteit uit een land waarvan het gemiddelde inwilligingspercentage lager dan 20% is geldt dit niet. Voor hen geldt dat zij mogen werken na afloop van de wachttermijn van drie maanden. Ongeacht of de aanvraag binnen drie maanden is afgehandeld, heeft deze categorie daarom na drie maanden toegang tot de arbeidsmarkt.

Alleen in het geval dat de IND besluit het onderzoek voort te zetten in het kader van de reguliere procedure kunnen deze asielzoekers alsnog toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Indien de IND van mening is dat een betreffend verzoek te complex is om te onderzoeken in het kader van de versnelde procedure, kan de IND op basis van artikel 42, tweede lid, Procedureverordening de behandeling voortzetten in de reguliere procedure. Daarnaast kan de IND op basis van artikel 21, tweede lid, Procedureverordening besluiten de versnelde procedure niet (langer) toe te passen. De toepassing van één van deze bevoegdheden van de IND leidt ertoe dat de tewerkstellingsvergunning niet op deze grond zal worden geweigerd.

Vraag 16: De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de rol van uitzendbureaus zal zijn in de begeleiding naar de arbeidsmarkt van asielzoekers en of mensen op die manier duurzaam werk op niveau zouden krijgen. Komt het voor dat de taak van begeleiden naar werk wordt uitbesteed aan uitzendbureaus? Acht de minister dit wenselijk? Ziet hij voor zich dat er via deze route hoogkwalitatief werk wordt gevonden? Is hij van plan maatregelen te treffen om dit tegen te gaan? Deze leden vragen bovendien hoe asielzoekers die toch kwetsbaarder zijn voor slecht werk en misstanden beschermd worden tegen uitbuiting en onderbetaling. Is er voldoende toezicht en handhaving?

Reactie:

Er is geen formele rol voor uitzendbureaus in de begeleiding naar werk voor asielzoekers. Wel kan het in de praktijk zo zijn dat werkgevers hiervoor uitzendbureaus inschakelen. Eerder is een verkenning gedaan naar de manier waarop de begeleiding naar werk van asielzoekers kan worden vormgegeven. Daarbij is geconcludeerd dat aansluiting bij bestaande structuren voor arbeidstoeleiding (de arbeidsmarktinfrastructuur) het meest voor de hand ligt. Tegelijkertijd bestaan er nog verschillende vragen over de meest effectieve vorm van ondersteuning. In het kader van de Actieagenda Integratie is door het vorige kabinet extra budget beschikbaar gesteld voor pilots en onderzoek naar effectieve mechanismen voor arbeidstoeleiding van asielzoekers. Daarbij zal ook gekeken worden naar de rol van private intermediairs.

Het kabinet is zich ervan bewust dat asielzoekers behoren tot een van de groepen werknemers die kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt. De bescherming tegen misstanden begint aan de voorkant, bij het activeren van asielzoekers om te gaan werken. We zullen daarom asielzoekers wijzen op hun rechten, plichten en meldmogelijkheden bij missstanden. Werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor goede arbeidsomstandigheden en - voorwaarden voor hun werknemers. In de voorlichting richting werkgevers over de nieuwe regels zal dit benadrukt worden. Verder toetst UWV bij de aanvraag van een tewerkstellingsvergunning of er marktconform loon wordt betaald en of er aan de overige arbeidsvoorwaarden wordt voldaan. Omwille van de verplichte tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers is er zicht op werkgevers die asielzoekers tewerkstellen of een aanvraag hebben ingediend.

De Arbeidsinspectie houdt risicogericht toezicht en controleert individuele werkgevers op de naleving van de arbeidswetten. De status van de werknemers speelt daarbij geen rol. Als bijvoorbeeld in een Wml-onderzoek onderbetaling van werknemers waaronder asielzoekers is geconstateerd, dan legt de Arbeidsinspectie aan de werkgever – naast een boete voor de onderbetaling – ook een verplichting tot nabetaling van het onterecht niet-betaalde loon op.

In november 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door de Eerste Kamer. De Wtta regelt dat bedrijven alleen nog werknemers mogen uitlenen als zij daarvoor een toelating hebben. Om deze toelating te krijgen moet de uitlener het normenkader naleven, een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen en een waarborgsom van €100.000 storten. Met deze wet wil de overheid misstanden op de uitleenmarkt tegengaan en zorgen voor een eerlijker speelveld. De wet treedt op 1 januari 2027 in werking. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Nederlandse Arbeidsinspectie handhaven op deze toelatingsplicht.

Vraag 17: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Arbeidsinspectie de controle uitvoert op de Wet arbeid vreemdelingen, ook bij deze groep. Deze leden gaan ervan uit dat de Arbeidsinspectie ook actief toezicht zal houden op de wetten die werkenden beschermen tegen oneerlijk, onveilig en ongezond werk van werkende asielzoekers. Klopt deze aanname en is er voldoende aandacht voor de kwetsbare positie van asielzoekers? Waarom is er op deze factoren geen toets gedaan door de arbeidsinspectie?

Reactie:

De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van arbeidswetten door werkgevers. Ze organiseert haar actieve toezicht in risicogerichte programma’s. Op deze wijze komt ze in sectoren en bedrijven waar een hoog risico is op het niet naleven van een of meer arbeidswetten. Zij heeft geen programma’s die gericht zijn op bepaalde groepen werknemers, zoals asielzoekers, maar focust op bepaalde sectoren en of werkgevers waar de arbeidsrisico’s het hoogst zijn. De Arbeidsinspectie maakt bij haar afhandeling van de bij de werkgever geconstateerde overtreding(en) geen onderscheid tussen deze verschillende groepen werknemers.

Vanzelfsprekend zal altijd opgetreden worden wanneer er aanwijzingen zijn van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting of een acute onveilige of ongezonde werksituatie. Als de Arbeidsinspectie gevraagd wordt een toets te doen op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van nieuwe of gewijzigde wet- en regelgeving, geeft zij een oordeel over de voorgelegde wet of regel. In dit geval is gevraagd naar haar oordeel over de wijzigingen op het terrein van de Wet arbeid vreemdelingen. De Arbeidsinspectie heeft deze wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar bevonden.

Vraag 18: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat werk, inburgeren en het leren van de taal allen van belang zijn. Het kan voorkomen dat een asielzoeker in een omgeving gaat werken met veel Engelstalige collega’s. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de inburgeringstaken zoals het leren van de taal niet komen te lijden onder het werk? Wordt geborgd dat de werkgever hier ruimte voor laat? Op welke manier kunnen werkgevers een rol krijgen in het vroegtijdig leren van de Nederlandse taal?

Reactie:

Het kabinet is het eens met de fractie GroenLinks-PvdA dat naast werken ook het leren van de taal van belang is. Asielzoekers zijn echter (nog) niet inburgeringsplichtig waardoor er geen sprake is van inburgeringstaken zoals omgeschreven in de Wet inburgering 2021 (Wi2021). Desondanks is het leren van de taal belangrijk om mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt en na statusverlening sneller door het inburgeringstraject te gaan. Naast taalaanbod in de opvang subsidieert de minister van Werk en Participatie “Het begint met taal”. Deze stichting werkt aan de totstandkoming van een landelijk dekkend aanbod van taalbuddy’s op de werkvloer. Steeds meer bedrijven sluiten zich hierbij aan en leiden eigen medewerkers op tot taalbuddy voor het begeleiden van anderstaligen. Asielzoekers met een baan kunnen hier ook gebruik van maken.

De minister van Werk en Participatie werkt op het moment aan een plan van aanpak Werk en Meedoen, dat voor de zomer naar de Tweede Kamer verstuurd zal worden. Dit plan bevat maatregelen die bijdragen aan het beter combineren van werk, het leren van de taal en inburgeren voor asielzoekers en statushouders.

Vraag 19: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er problemen optreden wanneer asielzoekers regelmatig van locatie verhuisd moet worden. Hoe kunnen zij dan hun werk behouden? Worden zij daardoor niet onaantrekkelijker voor werkgevers? Hoe moet dit contractueel opgelost worden in het geval een asielzoeker naar de andere kant van het land moet verhuizen? Deze leden vragen welke maatregelen er worden getroffen om te zorgen dat mensen niet moeten stoppen met werken als gevolg van verplaatsing van de woonlocatie. Hoe wordt tegengegaan dat asielzoekers door de vele verhuizingen met name laag kwalitatief flexwerk gaan doen?

Reactie:

De voorgenomen wet- en regelging ziet niet op het reduceren van verhuisbewegingen. Verhuisbewegingen kunnen wel een belemmering vormen voor zowel de asielzoeker als de werkgever aangezien het onzeker is of de asielzoeker de beoogde periode op dezelfde plek zal kunnen blijven wonen en voor werk beschikbaar zal zijn. De huidige stand van het opvanglandschap met het tekort aan opvangplekken zorgt ervoor dat asielzoekers worden geplaatst waar er in het land op dat moment bedden beschikbaar zijn om vervolgens, indien er plekken beschikbaar zijn, in een reguliere locatie geplaatst te worden. Een belangrijke stap om stabiliteit te creëren in de asielopvang is de afbouw van (tijdelijke) noodopvang. Het COA verwacht in het kader van de eerste cyclus van de Spreidingswet 75.000 plekken te kunnen realiseren, waarvan voor ca. 70.000 meerjarige (financiële) afspraken kunnen worden gemaakt met gemeenten. De gerealiseerde plekken zullen er rechtstreeks aan bijdragen dat asielzoekers die nu in dure noodopvang verblijven elders kunnen worden opgevangen. Met het realiseren van meer reguliere opvangplekken en bevorderen van doorstroom van statushouders naar huisvesting, kan de noodopvang worden afgebouwd. Hiermee kunnen we ervoor zorgen dat verhuisbewegingen als gevolg van het plaatsen in en sluiten van tijdelijke noodopvang zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Vraag 20: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of tegelijk met het starten van werk ook gestart kan worden met het in gang zetten van de erkenningsprocedure van diploma’s en kwalificaties zodat asielzoekers op niveau aan het werk gaan. Deze leden achten dit van belang om asielzoekers op hun niveau aan het werk te krijgen.

Reactie:

Het is zowel voor nieuwkomers als voor de samenleving van belang dat zij zo snel mogelijk instromen in een baan, het liefst een baan die passend is bij eerdere werkervaring en opleidingsachtergrond. Een diplomawaardering vergroot de kans dat asielzoekers makkelijker doorstromen naar passend werk of vervolgonderwijs, met betere kansen op een baan op niveau. Met een diplomawaarderingsprocedure wordt bekeken met welk Nederlands opleidingsniveau een buitenlands diploma vergelijkbaar is. De overheid bekostigt een diplomawaarderingsprocedure voor inburgeringsplichtigen.

Vraag 21: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat asielzoekers ook werk kunnen doen als zelfstandige. Deze leden maken zich zorgen over de mogelijkheid dat asielzoekers hierdoor makkelijk als schijnzelfstandige kunnen worden ingezet. Zijn hier nu aanwijzingen voor? Op welke manier wordt er toezicht gehouden dat asielzoekers niet massaal als schijnzelfstandige worden ingezet?

Reactie:

Met deze wijziging blijft het, net als onder de huidige regelgeving het geval is, mogelijk voor asielzoekers om als zelfstandige te werken. Voor het laten verrichten van arbeid als zelfstandige is net als bij het verrichten van arbeid in loondienst een tewerkstellingsvergunning vereist. De werkgever (of opdrachtgever) dient in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning om een asielzoeker arbeid als zelfstandige te laten verrichten. De aanvraag wordt getoetst aan dezelfde voorwaarden als die gelden bij arbeid in loondienst. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op en dat verandert niet met deze wijziging.

Daarnaast handhaaft de Belastingdienst op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. Het handhavingsmoratorium voor de handhaving op schijnzelfstandigheid is per 1 januari 2025 opgeheven. De Nederlandse Arbeidsinspectie en Belastingdienst werken ook samen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Een belangrijke drempel bij de Belastingdienst voor deze samenwerking – het delen en verwerken van gegevens - wordt in 2026 weggenomen omdat de Belastingdienst dan weer meldingen van de Arbeidsinspectie over schijnzelfstandigheid kan betrekken in zijn handhaving. Andersom doet de Arbeidsinspectie al verzoeken aan de Belastingdienst om fiscale gegevens te delen.

Daarnaast is onlangs door uw Kamer het wetsvoorstel rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief aangenomen.10 Hiermee krijgen mensen die werken voor een relatief laag uurtarief en die menen werkzaam te zijn op basis van een arbeidsovereenkomst een betere bewijspositie om dat aan te tonen.

Vraag 22: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het oude artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav) vervalt. Is er nu voldoende gewaarborgd dat asielzoekers onder marktconforme voorwaarden moeten werken? Graag een toelichting.

Reactie:

Bij de beslissing op de tewerkstellingsvergunningaanvraag toetst UWV onder andere of het loon marktconform is. Dit biedt bescherming aan de asielzoeker. De tewerkstellingsvergunning wordt alleen verleend als de werkgever zich houdt aan de geldende arbeidsvoorwaarden. Deze voorwaarde blijft ook met deze wijziging in stand. Met deze wijziging is deze voorwaarde echter niet langer meer opgenomen in dit artikel van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (BuWav 2022). De reden hiervoor is dat dit vereiste ook is opgenomen in de Wet arbeid vreemdelingen. Het is daarom niet nodig om het apart op te nemen in de lagere regelgeving. In artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet arbeid vreemdelingen is reeds opgenomen dat de tewerkstellingsvergunning moet worden geweigerd indien van de te vervullen arbeidsplaats de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden beneden het niveau liggen dat wettelijk is vereist of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is.

Vraag 23: De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tot slot hoe gezorgd wordt dat mensen echt de ruimte krijgen om passend werk te vinden en voorkomen wordt dat er geen dwang ontstaat om ieder werk te accepteren dat aangeboden wordt. Zijn hiervoor maatregelen getroffen?

Reactie:

In Nederland is geen wettelijke verplichting voor asielzoekers om betaald werk te verrichten. Veel van de asielzoekers willen graag aan het werk, om geld te verdienen, een zinvolle dagbesteding te hebben of iets terug te doen voor hun mogelijk nieuwe thuisland. Niet altijd betreft dit werk wat passend is bij hun werkervaring en/of opleiding in land van herkomst. Zo werken weinig statushouders in maatschappelijke tekortsectoren. Vooral taalachterstand en deficiënties in hun opleiding kunnen het moeilijk maken om passend werk te vinden.

Vanuit de Actieagenda Integratie zijn daarom verschillende acties gestart om de instroom van statushouders in vooral tekortsectoren te vergroten. Zo wordt gewerkt aan het inzichtelijk maken van het opleidingsniveau en de werkervaring van inburgeringsplichtige statushouders in lijn met de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer. Ook is het van belang dat werkgevers weten wat de vaardigheden van statushouders zijn. CompetentNL11 heeft een skillstaal ontwikkeld voor het (mbo-)onderwijs en de arbeidsmarkt. Deze skillstaal moet ook passend zijn voor statushouders. Om meer statushouders een Nederlandse vakopleiding te laten afronden, wordt samengewerkt met het ministerie van OCW en vertegenwoordigers van sectoren aan de ontwikkeling en toepassing van sectorale Ontwikkelpaden. Verder wordt voor de instroom in tekortsectoren samengewerkt met de ministeries van EZ, VWS en OCW en verschillende branches en sectoren die specifieke trajecten voor statushouders hebben opgezet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Vraag 24: De leden van de PVV-fractie constateren dat dit voorstel voortvloeit uit Europese regelgeving, maar dat het kabinet er desondanks voor kiest om verder te gaan dan waartoe deze regelgeving verplicht. Waarom benut het kabinet niet de ruimte om juist strengere nationale voorwaarden te stellen, in plaats van de toegang tot de arbeidsmarkt te verruimen?

Reactie:

Het recht op toegang tot de arbeidsmarkt van mensen die een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd volgt uit artikel 17 van de herschikte Opvangrichtlijn. Op grond van deze richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Tenzij er sprake is van een uitzondering op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt.

In de overwegingen bij de herziene Opvangrichtlijn is opgenomen dat lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers eerder te laten werken als hun asielverzoek waarschijnlijk gegrond is. Dit om de integratievooruitzichten en de zelfstandigheid van asielzoekers te vergroten. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de wachttermijn te verkorten. Met deze wijziging kunnen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten, eerder gedurende de asielprocedure werken, wat onder meer bijdraagt aan het verkrijgen van meer (financiële) zelfstandigheid, en het leren van de Nederlandse taal. Daarnaast dragen asielzoekers wanneer zij eerder mogen werken ook eerder bij aan de kosten voor de opvang. Doordat bepaalde categorieën asielzoekers straks na drie maanden mogen werken zullen zij eerder een afdracht moeten doen op grond van de Reba12. Verder kan het ook bijdragen aan een hogere arbeidsparticipatie voor statushouders, als zij al gedurende het asielproces hebben kunnen werken.

Vraag 25: De leden van de PVV-fractie constateren dat de wachttijd voor toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten, wordt verkort van zes naar drie maanden. Deze leden achten dit een verkeerde en onverantwoorde keuze, omdat hiermee de aanzuigende werking van het Nederlandse asielbeleid verder wordt vergroot. Kan het kabinet onderbouwen waarom het sneller toelaten van asielzoekers tot de arbeidsmarkt geen extra instroom stimuleert, terwijl betere voorzieningen en perspectief op werk bekende pullfactoren zijn?

Reactie: zie de beantwoording opgenomen bij vraag 5.

Vraag 26: De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet ervoor kiest om asielzoekers sneller toegang te geven tot de arbeidsmarkt, terwijl een grote groep statushouders momenteel niet werkt. Wat is het exacte percentage statushouders dat op dit moment niet werkt en geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van de bijstand? Kan het kabinet dit uitsplitsen naar duur van verblijf in Nederland, herkomstland en leeftijdscategorie? Wat zijn de totale jaarlijkse kosten van uitkeringen en aanvullende voorzieningen voor statushouders die niet werken, en kan het kabinet deze kosten inzichtelijk maken over de afgelopen tien jaar? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de arbeidsparticipatie van andere groepen in Nederland? Waarom wordt niet eerst ingezet op het activeren van statushouders die reeds in Nederland verblijven voordat nieuwe groepen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt?

Reactie:

Van de (ex)statushouders die tussen 2014 en 2024 naar Nederland kwamen (en nog niet de Nederlandse nationaliteit verkregen) ontvangt 48% bijstand. Het dashboard Asiel en Migratie van het CBS biedt de mogelijkheid om uitsplitsingen te maken naar duur van verblijf in Nederland, herkomstland en leeftijdscategorie. Deze cijfers laten zien dat vooral duur van verblijf in Nederland een belangrijke factor betreft. De arbeidsdeelname neemt toe hoe langer mensen in Nederland verblijven. Zo is de arbeidsdeelname van cohort 2014 na 8,5 jaar verblijf in Nederland 59%. De arbeidsdeelname van statushouders blijft achter bij die van andere bevolkingsgroepen (de gemiddelde arbeidsdeelname van de Nederlandse beroepsbevolking is 81%).13

De kosten van individuele burgers of groepen burgers, op basis van herkomst en afkomst, kunnen niet inzichtelijk gemaakt worden. Mede in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) wordt door de instanties die de sociale zekerheid uitbetalen migratieachtergrond niet geregistreerd. Als iemand recht heeft op een regeling dan volgt ook de uitbetaling, daarbij maakt het niet uit welke migratieachtergrond iemand heeft. De informatie over welk deel van het totaalbudget van sociale zekerheidsregelingen naar welke personen of groepen is gegaan is daarmee dus niet beschikbaar. Via CBS Statline is wel informatie beschikbaar over aantallen ontvangers van verschillende sociale zekerheidsregelingen.

Met het eerder toegang geven tot de arbeidsmarkt aan asielzoekers wordt beoogd dat asielzoekers eerder geactiveerd worden om aan de slag te gaan in Nederland. Dit kan ervoor zorgen dat zij ook later, als zij een verblijfsvergunning hebben gekregen, sneller zullen deelnemen aan de arbeidsmarkt, aangezien zij al beter bekend zijn met werken in Nederland.

Vraag 27: De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet voorkomt dat betaalde arbeid tijdens de asielprocedure feitelijk leidt tot integratie, terwijl nog niet vaststaat of betrokkene recht heeft op verblijf. Kan het kabinet onderbouwen dat asielzoekers die tijdelijk betaalde arbeid verrichten, maar uiteindelijk geen verblijfsstatus krijgen en Nederland moeten verlaten, geen rechten opbouwen, bijvoorbeeld op het gebied van sociale zekerheid of verblijfsrecht, die hun uitzetting bemoeilijken of in de praktijk onmogelijk maken, en zo ja, op basis van welke juridische waarborgen?

Reactie:

Asielzoekers in procedure vallen onder de kring van verzekerden van de volks- en werknemersverzekeringen, als zij werken in dienstbetrekking. Wanneer asielzoekers in procedure in loondienst werken, wordt er door en voor deze asielzoekers loonbelasting en premies afgedragen. Indien zich een sociaal risico voordoet (ziekte, werkloosheid, overlijden etc.) tijdens een verzekerde periode kan dit leiden tot een uitkering. Net als nu, zal deze uitkering echter niet uitbetaald worden als de asielzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De uitbetaling kan pas worden hervat indien er weer sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland, of indien de betrokkene in een ander land is gaan wonen én export van de uitkering mogelijk is naar dat land. Voor werkloosheidsuitkering geldt een algemeen exportverbod.

Gelet op het voorgaande verwacht het kabinet niet dat het opgebouwde sociaal zekerheidsrecht een juridische belemmering zal zijn voor de terugkeer naar het land van herkomst. Op de vraag of de opbouw van sociale zekerheid effect kan hebben op de bereidwilligheid van een uitgeprocedeerde asielzoeker om mee te werken aan zijn terugkeer is niet vast te stellen.

Vraag 28: De leden van de PVV-fractie vragen aandacht voor asielzoekers van wie de identiteit nog niet is vastgesteld. Deze leden zijn van oordeel dat personen zonder vastgestelde identiteit geen plaats hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Kan het kabinet toelichten waarom het voorstel ruimte laat voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen in situaties waarin geen burgerservicenummer beschikbaar is? Hoe wordt de controleerbaarheid gewaarborgd, mede gelet op de beperkte mogelijkheden tot toezicht en tijdige intrekking van vergunningen in deze gevallen?

Reactie: zie de beantwoording opgenomen bij vraag 9.

Vraag 29: De leden van de PVV-fractie ondersteunen het uitgangspunt dat asielzoekers met een lage kans op inwilliging van hun aanvraag geen toegang tot de arbeidsmarkt dienen te krijgen. Hoe wordt deze uitsluiting in de praktijk strikt en consequent gehandhaafd en hoe wordt voorkomen dat via procedurele wijzigingen alsnog toegang tot de arbeidsmarkt ontstaat?

Reactie:

Op grond van de herschikte Opvangrichtlijn mogen lidstaten asielzoekers die vallen onder de uitgesloten categorieën geen toegang geven tot de arbeidsmarkt. Met de wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, opgenomen in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, is ten behoeve hiervan een nieuwe intrekkings- en weigeringsgrond opgenomen. Hiermee worden aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning door UWV geweigerd indien het een aanvraag is voor een asielzoeker die niet mag werken. UWV kan bij de beoordeling van de aanvraag zien aan de hand van de gegevens van de IND omtrent de verblijfstitel of de asielzoeker voor wie de vergunning is aangevraagd mag werken. Wanneer iemand uit bijvoorbeeld een veilig land van herkomst komt en daarom niet mag werken, is dat herkenbaar op basis van de verblijfstitel van de asielzoeker, en geeft UWV geen tewerkstellingsvergunning af aan de werkgever.

Vraag 30: Daarnaast vragen deze leden welke waarborgen bestaan tegen verdringing van Nederlandse werkzoekenden, met name in sectoren waar sprake is van laagbetaald en flexibel werk.

Reactie:

Bij een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers geldt geen toets op prioriteit genietend aanbod. Wel geldt de voorwaarde dat er sprake moet zijn van het verrichten van werkzaamheden onder marktconforme voorwaarden. De arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden mogen niet beneden het niveau liggen dat wettelijk vereist is of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is. Hiermee zorgen we ervoor dat het voor werkgevers niet goedkoper is om asielzoekers in dienst te nemen dan andere werkzoekenden.

Vraag 31: Ten aanzien van de handhaving vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt geborgd dat tewerkstellingsvergunningen onmiddellijk worden ingetrokken wanneer het recht op toegang tot de arbeidsmarkt vervalt en hoe werkgevers daarover tijdig en volledig worden geïnformeerd.

Reactie: zie de beantwoording van vraag 7.

Vraag 32: Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie in hoeverre asielzoekers die betaalde arbeid verrichten verplicht worden om zelf te betalen voor hun opvang, zorg, eten, drinken en overige collectief gefinancierde voorzieningen. Gaan asielzoekers die mogen werken deze kosten daadwerkelijk zelf dragen? En is de minister bereid om deze eigen bijdrage te verhogen, zodat betaalde arbeid ook daadwerkelijk leidt tot het verminderen van de kosten voor de samenleving?

Reactie:

Asielzoekers die inkomen of vermogen hebben, betalen sinds 2008 een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang (zoals de kosten voor de woonruimte, zorg en weekgeld t.b.v. voedsel en andere uitgaven). Deze bijdrage wordt berekend op basis van het nettoloon. Hoeveel een asielzoeker moet betalen hangt af van de gezinssamenstelling, de hoogte van het inkomen en of de asielzoeker zelf voor zijn maaltijden zorgt of niet. Er is op dit moment geen aanleiding om de hoogte hiervan aan te passen. De Regeling eigen bijdrage voor asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vraag 33: De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet beoordeelt of de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden in de praktijk daadwerkelijk werkbaar is voor UWV, IND, gemeenten en werkgevers.

Reactie:

De Nederlandse Arbeidsinspectie, de IND en het UWV hebben een handhavingstoets respectievelijk uitvoeringstoets gedaan op deze wijzigingen. Hiermee is in beeld gebracht of de voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar zijn. Vanuit de reacties die zijn ontvangen op de internetconsultatie is ook de inbreng vanuit de VNG en werkgevers meegenomen. Hieruit is naar voren gekomen dat de wijzigingen uitvoerbaar lijken. UWV heeft in de uitvoeringstoets enkele randvoorwaarden en knelpunten geïdentificeerd. Dit ziet met name op het afgeven van een tewerkstellingsvergunning zonder dat het burgerservicenummer bekend is bij de aanvraag.

Hiervoor is inzet nodig van alle partners in de keten. In de uitvoeringstoets van IND is aangegeven dat het haalbaar lijkt om voor een groot deel van de asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten binnen drie maanden de identiteit vast te stellen, zodat er zo snel mogelijk een BSN kan worden aangevraagd. Dit, gecombineerd met dat de afgelopen maanden de achterstanden in de BRP-straten zijn weggewerkt, geeft het vertrouwen dat veel asielzoekers na afloop van de wachttermijn over een burgerservicenummer zouden moeten kunnen beschikken.

Vraag 34: In het bijzonder vragen zij welk aandeel van de betrokken asielzoekers naar verwachting na drie maanden al beschikt over een burgerservicenummer.

Reactie: zie de beantwoording bij vraag 4.

Vraag 35: De leden van de CDA-fractie lezen dat bij ontbreken van een burgerservicenummer slechts een tewerkstellingsvergunning voor maximaal drie maanden kan worden afgegeven. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat dit in de praktijk leidt tot extra administratieve lasten, herhaalaanvragen en terughoudendheid bij werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen.

Reactie: zie de beantwoording bij vraag 3.

Vraag 36: Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de keuze beoordeelt om de tewerkstellingsvergunningplicht te handhaven. Welke concrete belemmeringen maken dat een eenvoudiger systeem, zoals een meldplicht of een andere vorm van registratie, op dit moment nog niet mogelijk is? Ook vragen deze leden of het kabinet al een tijdpad voor zich ziet waarbinnen een lichter en werkbaarder systeem wel gerealiseerd zou kunnen worden.

Reactie: zie de beantwoording bij vraag 12.

Vraag 37: De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de gevolgen inschat van het vervallen van de 24-weken-eis. Welke effecten verwacht het kabinet hiervan op arbeidsparticipatie, werkgeversbereidheid en de uitvoeringspraktijk?

Reactie:

Na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 november 2023 over de 24-weken-eis14 is het aantal tewerkstellingsvergunningen sterk toegenomen. Het UWV past sinds de uitspraak niet langer de 24-weken-eis toe bij aanvragen voor om een tewerkstellingsvergunningen ten behoeve van asielzoekers. Eind 2024 is door UWV een rapportage gepubliceerd15 waarin in beeld is gebracht wat het effect van het loslaten van de 24-weken-eis is op de tewerkstellingsvergunningen. In de periode van december 2023 tot en met oktober 2024 verdrievoudigde het aantal aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers. Ook daarna is het aantal tewerkstellingsvergunningen blijven toenemen. UWV heeft een dashboard gemaakt waarin inzichtelijk is hoeveel aanvragen voor asielzoekers er zijn gedaan16. In 2025 zijn er iets meer dan 23.000 tewerkstellingsvergunningen verstrekt voor asielzoekers. Hierbij wordt opgemerkt dat er ook voor één persoon meerdere vergunningen in een jaar afgegeven kunnen worden en dat niet alle vergunningen nog in gebruik zijn. Wel toont het aan dat door het afschaffen van de 24-weken-eis veel meer asielzoekers aan het werk zijn.

Vraag 38: Ook vragen deze leden hoe het kabinet waarborgt dat eerdere en ruimere toegang tot arbeid niet leidt tot grotere risico’s op onderbetaling, oneerlijke arbeidsvoorwaarden of andere vormen van misbruik op de arbeidsmarkt.

Reactie: zie de beantwoording van vraag 16.

Vraag 39: Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de uitvoerbaarheid per 12 juni 2026 beoordeelt, gelet op de genoemde tijdelijke workaround bij UWV en de nog te dekken uitvoeringskosten. Welke risico’s ziet het kabinet voor een tijdige en ordelijke invoering, en hoe worden die ondervangen?

Reactie:

Het UWV voert momenteel de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden uit voor de implementatie van de wetgeving in de Wet arbeid vreemdelingen. Deze werkzaamheden verlopen conform planning en zullen naar verwachting tijdig gereed zijn op 12 juni 2026. Met deze wijziging wordt gezorgd dat voor bepaalde groepen asielzoekers die op grond van de herschikte Opvangrichtlijn niet mogen werken de tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd. Dit betreft asielzoekers met een lagere kans van inwilliging van het asielverzoek (waaronder Dublinclaimanten en asielzoekers uit veilige landen van herkomst). Het intrekken van tewerkstellingsvergunningen indien de verblijfsstatus van de asielzoekers gedurende hun asielprocedure wijzigen en zij niet langer meer mogen werken, moet tegelijkertijd met de lagere regelgeving worden geïmplementeerd.

De wijziging van de lagere regelgeving, waaronder de verkorte wachttermijn en het onderscheid bij aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning met of zonder burgerservicenummer, treedt niet op 12 juni in werking, omdat het wetgevingsproces meer tijd in beslag heeft genomen dan voorzien. Tot aan de inwerkingtreding zullen daarom de huidige regels ten aanzien van onder andere de duur van de tewerkstellingsvergunning en de wachttermijn blijven gelden. IND en UWV hebben afspraken gemaakt om in de tussenliggende periode de uitvoering te continueren zodat de dienstverlening niet belemmerd wordt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

Vraag 40: De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en constateren dat daarin de wachttermijn voor asielzoekers om te mogen werken wordt verkort van zes naar drie maanden, terwijl de Europese richtlijn slechts voorschrijft dat toegang uiterlijk na zes maanden moet worden gegeven. Deze leden vragen de minister of hij erkent dat het kabinet hiermee bewust verder gaat dan Europees noodzakelijk is, feitelijk een nationale kop creëert en waarom hiervoor is gekozen, ook gelet op het gegeven dat deze maatregel het aanvragen van asiel in Nederland mogelijk aantrekkelijker kan maken en het stelsel nu al onder grote druk staat.

Reactie: zie de beantwoording van vraag 24.

Vraag 41: Deze leden merken op dat de minister schrijft dat asielzoekers “eerder aan het werk” moeten gaan om bij te dragen aan arbeidsmarkt en opvangkosten. Dit klinkt logisch, maar tegelijkertijd vragen deze leden of het kabinet het risico ziet dat de asielprocedure zo in de praktijk tevens gebruikt kan worden als eenvoudige arbeidsmigratieroute.

Reactie: zie de beantwoording van vraag 6.

Vraag 42: Zij vragen hoe hij het weegt dat mensen al na drie maanden kunnen werken terwijl hun asielverzoek nog lang niet is beoordeeld, en of hij erkent dat asielzoekers onder het huidige stelsel vaak rond de twee jaar in procedure zitten, zodat zij met dit ontwerpbesluit feitelijk ruim anderhalf jaar toegang krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt en loonniveau voordat er een definitief oordeel is over hun aanvraag.

Reactie:

Onder de nieuwe regelgeving kunnen asielzoekers met een grotere kans op een verblijfsvergunning na drie in plaats van zes maanden aan het werk. Daarnaast schrijft de Asielprocedureverordening voor dat de behandeling van een asielverzoek dat niet wordt behandeld in de versnelde procedure zo snel mogelijk en binnen zes maanden wordt afgerond. Deze termijn mag eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. Dat betekent inderdaad dat asielzoekers gedurende de periode dat er nog niet op hun asielaanvraag is beslist toegang hebben tot de arbeidsmarkt.

Vraag 43: Voorts vragen de leden van de JA21-fractie hoe de minister de kans beoordeelt dat dit pakket – drie maanden wachttijd, langdurige toegang tot werk en relatief lange procedures – een aanzuigende werking heeft op kansarme groepen, zoals asielzoekers uit (West-)Balkanlanden, die in hun thuisland goed weten dat de kans op een vergunning klein is maar hier wel langdurig legaal kunnen werken en geld verdienen. Deze leden vragen of de minister met hen van mening is dat het juist voor deze kansarme groepen ronduit onverstandig is om de toegang tot de arbeidsmarkt te vervroegen, omdat dit de prikkel kan versterken om een asielaanvraag in te dienen, ongeacht de uitkomst daarvan, en welke specifieke mitigerende maatregelen hij overweegt om dit misbruik te voorkomen. Deze leden vragen de minister om kwantitatief te onderbouwen waarom deze verruimde toegang tot werk niet zal leiden tot extra instroom uit landen met lage inwilligingspercentages, en indien een dergelijke onderbouwing ontbreekt, of hij dan erkent dat het kabinet bewust het risico neemt dat Nederland aantrekkelijker wordt als “arbeidsmigratieroute via asiel” dan buurlanden die aan de termijn van zes maanden vasthouden.

Reactie:

Op dit moment geldt er nog geen onderscheid voor de toegang tot de arbeidsmarkt voor verschillende categorieën asielzoekers. In de herschikte Opvangrichtlijn, onderdeel van het Europese Migratiepact, is opgenomen dat bepaalde categorieën asielzoekers met een lagere kans op een asielvergunning binnen de versnelde behandelingsprocedure niet mogen werken. Met deze wijzigingen ten behoeve van de implementatie van de richtlijn zullen onder andere asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst niet mogen werken. Vanaf 12 juni 2026 geldt er een Europese lijst met veilige landen17. Onder andere de kandidaat-lidstaten van de EU en Kosovo staan op deze lijst. Aangezien asielzoekers afkomstig uit veilige landen gedurende de asielprocedure geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt is de aanname dat met het verkorten van de wachttermijn Nederland niet aantrekkelijker zal worden voor mensen uit deze landen om in Nederland asiel aan te vragen. Zie ook de beantwoording van vraag 5.

Vraag 44: De leden van de JA21-fractie vragen verder hoe deze keuze om al na drie maanden werken toe te laten zich verhoudt tot het uitgangspunt van het Europese migratie- en asielpact, waarin wordt beoogd secundaire migratie en “asylum shopping” tegen te gaan.

Reactie:

Onze buurlanden België en Duitsland hanteren een wachttermijn van respectievelijk vier en drie maanden. De meeste andere Europese lidstaten hanteren ook een termijn van drie of vier maanden. Het ligt daarom niet voor de hand dat verkorting van de wachttermijn “asylum shopping” in de hand werkt.

Vraag 45: Deze leden vragen of de minister hun zorg deelt dat Nederland zich met deze nationale kop positioneert als aantrekkelijke bestemming binnen de EU voor kansarme asielzoekers die maximaal willen profiteren van werkmogelijkheden. Ook willen zij weten in hoeverre het kabinet het aannemelijk acht dat het feit dat asielzoekers gedurende een zeer lange periode legaal in Nederland kunnen werken – soms meer dan anderhalf jaar vóór een definitieve beslissing – invloed heeft op de beoordeling van hun zaak door IND en rechterlijke macht. Deze leden vragen of de minister onderkent dat langdurige arbeid, opgebouwde sociale banden en financiële afhankelijkheden in de praktijk impliciet kunnen worden meegewogen en zo in de praktijk kunnen leiden tot hogere inwilligingspercentages of ruimere toepassing van schrijnendheid, artikel 8 EVRM of andere verblijfsgrond.

Reactie:

Uit onderzoek van Regioplan18 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie en opgebouwde banden met vrienden, kennissen en collega’s worden gezien als inherent aan langdurig verblijf in Nederland en gelden daarom niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd..

Vraag 46: De leden van de JA21-fractie constateren dat met dit ontwerpbesluit een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers bij gebruik van een burgerservicenummer voor maximaal drie jaar kan worden verleend, in plaats van gekoppeld te blijven aan de duur van het Wdocument. Daarbij merken deze leden op dat de nota van toelichting erkent dat asielzoekers vanaf het moment dat zij gaan werken rechten op uitkeringen en sociale verzekeringen opbouwen en dat dit structureel oploopt tot 4 miljoen euro aan extra uitkeringslasten, plus miljoenen aan UWVuitvoeringskosten. Zij vragen of en hoe de minister dit verdedigbaar vindt en waarom niet is gekozen voor een soberder regime dat geen extra uitkeringsrechten creëert.

Reactie:

Het kabinet treft maatregelen om ervoor te zorgen dat iedereen sneller mee kan doen. Een van de elementen van deze aanpak is dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden het recht krijgen om aan het werk te gaan. Werk kan een belangrijke bijdrage leveren aan iemands mentale gezondheid, (financiële) zelfstandigheid en persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast zorgen we er hiermee voor dat mensen mee kunnen doen in de samenleving en eraan bijdragen.

Wanneer asielzoekers eerder toegang krijgen tot de arbeidsmarkt heeft dit een positief economisch effect. Zij zorgen voor toename van het arbeidsaanbod en leveren een productieve bijdrage. Onder andere uit het rapport van SEO19 volgt dat het bieden van ruimere werkmogelijkheden voor asielzoekers leidt tot substantiële maatschappelijke baten. Ook leveren asielzoekers die werken een financiële bijdrage voor de kosten van de asielopvang, afhankelijk van de hoogte van hun inkomsten, op grond van de Reba (Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008), en dragen zij premies en inkomstenbelasting af. Daarnaast is de verwachting dat asielzoekers die werken op een later moment als zij statushouder zijn minder vaak een beroep doen op een bijstandsuitkering.

Als mensen werken in dienstbetrekking vallen zij onder de kring van verzekerden van de volks- en werknemersverzekeringen. Dit geldt ook voor asielzoekers, net zoals op dit moment al het geval is. Wanneer zij in loondienst werken, wordt er door en voor hen loonbelasting en premies afgedragen. Wel gelden er al beperkingen voor de export van uitkeringen naar het buitenland en geldt er voor de werkloosheidsuitkering een algemeen exportverbod.

Vraag 47: Daarnaast constateren de leden van de JA21-fractie dat het kabinet stelt dat asielzoekers die “waarschijnlijk mogen blijven” eerder moeten kunnen werken, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat de IND vaak niet binnen drie maanden de identiteit kan vaststellen en dat procedurewissels en complexiteit toenemen. Deze leden vragen of de minister hoe hij voorkomt dat mensen met onduidelijke identiteit of kansarme aanvragen toch jarenlang in Nederland kunnen werken.

Reactie:

De inspanningen van de IND zijn erop gericht om ten aanzien van asielaanvragen ingediend vanaf 12 juni 2026 de wettelijke termijnen na te leven en de instroom bij te houden. Het kan noodzakelijk zijn om in de asielprocedure onderzoek te doen naar de gestelde identiteit. Bij aanvragen ingediend vanaf 12 juni aanstaande worden noodzakelijke onderzoeken, bijvoorbeeld ten aanzien van de gestelde identiteit, in principe kort na indiening van de asielaanvraag opgestart. Verder krijgt elke asielzoeker een persoonlijk onderhoud, waarin indien nodig ook de gestelde identiteit wordt onderzocht. Dit persoonlijk onderhoud vindt in principe plaats binnen twee maanden na indiening van de aanvraag. Hiermee streeft de IND een tijdig oordeel over de door een asielzoeker gestelde identiteit na.

Vraag 48: In de stukken lezen deze leden verder dat sommige categorieën kansarme asielzoekers met lage kans op inwilliging (zoals veiligelanders en bepaalde Dublinclaimanten) straks helemaal niet meer mogen werken, terwijl andere kansarme groepen – bijvoorbeeld nationaliteiten met een EU inwilligingspercentage van ten hoogste 20% – juist wel toegang kunnen krijgen. Zij vragen of de minister niet erkent dat dit onderscheid willekeurig en juridisch kwetsbaar oogt, en waarom niet wordt gekozen voor het consequente uitgangspunt van geen toegang tot de arbeidsmarkt voor alle asielzoekers.

Reactie:

Het onderscheid tussen de verschillende categorieën asielzoekers die met deze nieuwe regels juist wel of geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt volgt rechtstreeks uit de herschikte Opvangrichtlijn. Met deze nieuwe regels uit het Asiel- en migratiepact worden asielaanvragen van een aantal groepen asielzoekers versneld behandeld. Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën binnen deze procedure worden uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt (artikel 17, eerste lid, Opvangrichtlijn). Deze groepen asielzoekers met een asielaanvraag binnen de versnelde behandelingsprocedure hebben geen toegang tot de arbeidsmarkt. Lidstaten hebben bij de implementatie van dit artikel uit de Opvangrichtlijn geen ruimte om hiervan af te wijken. De uitsluiting van de toegang tot de arbeidsmarkt geldt ook voor Dublinclaimanten die een overdrachtsbesluit hebben gekregen (artikel 21 Opvangrichtlijn). Voor andere groepen asielzoekers voor wie de toegang niet is uitgesloten, zoals bijvoorbeeld voor asielzoekers met een nationaliteit van een land waarvan het gemiddelde inwilligingspercentage lager dan 20% is, moeten lidstaten ervoor zorgen dat zij daadwerkelijke en effectieve toegang hebben tot de arbeidsmarkt uiterlijk zes maanden nadat hun asielaanvraag is geregistreerd. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de groep die niet uitgesloten is van de arbeidsmarkt al na drie maanden toegang te geven tot de arbeidsmarkt. Op basis van het EU Asiel- en migratiepact moeten lidstaten dus onderscheid maken tussen verschillende groepen asielzoekers en er is geen ruimte in het pact om daarvan af te wijken.

Vraag 49: De leden van de JA21-fractie constateren daarnaast dat in de toelichting wordt gesteld dat meer en eerder werk van asielzoekers goed is voor “zelfstandigheid, integratie en mentale gezondheid”. Deze leden vragen of de minister het met hen eens is dat dit een sterke normatieve keuze richting snelle integratie is, en hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat asielmigratie van tijdelijke aard dient te zijn en dat afwijzing en vertrek onlosmakelijk onderdeel van de procedure zijn.

Reactie:

Het kabinet acht het van belang dat asielzoekers voor wie de kans groot is dat zij een asielvergunning krijgen snel aan het werk gaan. Het uitgangspunt hierbij is dat iedereen, ook nieuwkomers, actief deelnemen en bijdragen aan de samenleving. Werk vormt hiervoor één belangrijk element. Asielzoekers kunnen de taal leren op het werk, doen ervaring op en dragen ook financieel bij aan de kosten voor de opvang. Daarbij geldt wel dat overeenkomstig met de bepalingen uit de herschikte Opvangrichtlijn andere groepen asielzoekers met een lagere kans op inwilliging, bijvoorbeeld omdat zij uit een veilig land van herkomst komen, niet mogen werken. Ook na (onherroepelijke) afwijzing van het asielverzoek mag er niet langer worden gewerkt. Indien er niet langer sprake is van een lopende asielprocedure is dit een reden om een eventuele tewerkstellingsvergunningen voor de asielzoeker in te trekken.

Vraag 50: Ook lezen zij dat in de beleidstukken wordt aangegeven dat werkgevers de huidige tewerkstellingsregels en wachttijden als belemmering zien en dat dit ontwerpbesluit mede is ingegeven door de wensen van werkgevers en maatschappelijke organisaties. Zij vragen hoe de minister deze veronderstelde arbeidsmarktbelangen en werkgeverswensen weegt in relatie tot het grote maatschappelijke draagvlak voor een strenger asielbeleid en kortere asielprocedures.

Reactie:

De aanleiding van dit ontwerpbesluit is het Europese asiel- en migratiepact en de herziene Opvangrichtlijn. Het kabinet vindt dat de aanpassingen met betrekking tot de regels voor asielzoekers om te mogen werken niet conflicteren met de inzet gericht op het terugdringen van de asielinstroom. Uit het Migratiepact volgt dat er kortere beslistermijnen gelden binnen de versnelde behandelingsprocedure voor asielzoekers met een lagere kans op een asielvergunning. Uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten geen toegang tot de arbeidsmarkt meer mogen geven aan een aantal categorieën asielzoekers die vallen onder deze versnelde behandelingsprocedure.

Tegelijkertijd is de ambitie in het coalitieakkoord opgenomen om iedereen, waaronder ook asielzoekers met een hogere kans op een asielvergunningen, actief deel te laten nemen en bij te laten dragen aan de samenleving. Werk en vrijwilligerswerk spelen hierin voor asielzoekers een belangrijke rol. Om ervoor te zorgen dat asielzoekers ook daadwerkelijk aan de slag kunnen is het van belang om ook te kijken naar de belemmeringen waar werkgevers tegenaan lopen om hen in dienst te nemen. Er zal daarom ook een verkenning worden gedaan om te kijken of er een alternatief kan worden ingevoerd voor de tewerkstellingsvergunningplicht voor de werkgevers.

Vraag 51: Voorts constateren de leden van de JA21-fractie dat de 24wekeneis na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is afgeschaft en nu ook uit de regelgeving wordt geschrapt, waardoor asielzoekers in principe fulltime en langdurig kunnen werken gedurende de hele procedure. Deze leden vragen of de minister of en welke mogelijkheden hij ziet om binnen het Europese recht toch grenzen te stellen aan arbeidsomvang en duur.

Reactie:

Op 29 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over deze zogeheten 24-weken-eis20. De Afdeling bestuursrechtspraak is tot het oordeel gekomen dat de 24-weken-eis niet in lijn is met de Opvangrichtlijn.21 In de uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak aangegeven dat de 24-weken-eis afbreuk doet aan het doel en nuttig effect van de Europese Opvangrichtlijn. De 24-weken-eis is onverbindend verklaard. Ook uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke toegang. Er mogen geen voorwaarden worden opgelegd die effectief verhinderen dat een asielzoeker werk zoekt.22 Ook mogen er geen onredelijke administratieve formaliteiten worden opgelegd en ook de arbeidstijd mag niet onnodig worden beperkt.

Gelet op de richtlijn lijkt het niet aannemelijk dat het mogelijk is de duur en arbeidsomvang voor asielzoekers in het algemeen te beperken. Hierbij zal namelijk snel sprake zijn van een ontoelaatbare beperking van de effectieve toegang tot de arbeidsmarkt. Het kabinet acht het daarnaast ook onwenselijk met het oog op de inzet op het verhogen van de arbeidsparticipatie van asielzoekers met een goede kans op een asielvergunning om de toegang tot de arbeidsmarkt te beperken.

Vraag 52: Uit de stukken volgt verder dat de Nederlandse Arbeidsinspectie weliswaar kan handhaven op illegale tewerkstelling, maar dat de feitelijke capaciteit beperkt is en dat sterk wordt gerekend op “goede voorlichting” als belangrijke pijler. Deze leden vragen of de minister van mening is dat voorlichting een voldoende instrument is om uitbuiting, schijnconstructies, illegale arbeid en verdringing in dit segment te voorkomen, en of hij bereid is extra capaciteit en maatregelen vrij te maken en te treffen gericht op het tegengaan van misbruik van deze regeling.

Reactie:

Om het risico op misstanden en illegale tewerkstelling te beperken zijn er verschillende interventies vanuit de overheid nodig die elkaar afdoende versterken om gezamenlijk effectief te zijn. Voorlichting vanuit de (rijks)overheid is een belangrijke middel om werkgevers bekend te maken met de bestaande en nieuwe regels ten aanzien van de tewerkstelling van asielzoekers, zodat zij weten wat zij moeten doen om de arbeidswetten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen, na te leven. Na inwerkingtreding van wet- en regelgeving kan en mag een toezichthouder als de Arbeidsinspectie die een overtreding constateert, geen onderscheid maken tussen werkgevers met goede of slechte bedoelingen. Om maatschappelijk effect te bereiken zet de Arbeidsinspectie verschillende interventies en instrumenten in, die aansluiten bij de motieven voor (niet-)naleving.23 Zo krijgen notoire overtreders zwaardere straffen (zoals hogere boetes, stilleggingen of strafrechtelijke vervolging). Ik acht de capaciteit en het instrumentarium afdoende.

Vraag 53: De leden van de JA21-fractie merken daarnaast op dat in de toelichting expliciet staat dat werkgevers dankzij de langere duur van de tewerkstellingsvergunning minder vaak een aanvraag hoeven te doen, wat de administratieve lasten verlaagt. Deze leden vragen of de minister niet erkent dat deze “regeldrukreductie” er in de praktijk toe leidt dat werkgevers voor langere tijd een asielzoeker aan zich kunnen binden en dat zij bij afwijzing van het asielverzoek een groot belang hebben bij voortgezet verblijf. Deze leden vragen hoe hij voorkomt dat dit in de praktijk tot het starten van vervolgprocedures kan leiden.

Reactie:

In de herschikte Opvangrichtlijn, onderdeel van het Europese Migratiepact, is opgenomen dat bepaalde categorieën asielzoekers met een lagere de kans op een asielvergunning binnen de versnelde behandelingsprocedure niet mogen werken. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat een asielzoeker bij de asielaanvraag alleen feiten aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen. Indien het asielverzoek van een werkende asielzoeker wordt afgewezen, moet hij in principe terugkeren naar het land van herkomst. Indien er een volgend asielverzoek wordt ingediend, wordt deze behandeld onder de versnelde procedure.

Vraag 54: Daarnaast wordt in de nota’s erkend dat de implementatiedeadline van 12 juni 2026 waarschijnlijk niet wordt gehaald en dat de richtlijn dan rechtstreekse werking krijgt, terwijl de ITsystemen van UWV en ketenpartners nog niet klaar zijn. Deze leden vragen de minister hoe hij beoordeelt dat Nederland opnieuw kiest voor relatief ruime toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers, terwijl de benodigde uitvoeringssystemen nog niet volledig zijn ingericht, en hoe hij kan waarborgen dat de combinatie van vervroegd werkrecht en nog niet volledig uitgewerkte uitvoeringsprocessen niet leidt tot extra complexiteit, misverstanden of misbruik.

Reactie: zie de beantwoording van vraag 39.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

Vraag 55: De leden van de BBB-fractie hebben verschillende vragen aan het kabinet. Hoe borgt het kabinet dat de verkorting van de wachttermijn van zes naar drie maanden voor kansrijke asielzoekers niet leidt tot een aanzuigende werking op migranten die primair om economische redenen naar Nederland komen?

Reactie:

Zie ook de beantwoording van vraag 5.

Vraag 56: Kan het kabinet nader specificeren wat onder een "hogere kans op inwilliging" wordt verstaan en welke objectieve criteria worden gehanteerd om dit onderscheid reeds na drie maanden betrouwbaar te maken?

Reactie: zie de beantwoording van vraag 48.

Vraag 57: Deze leden steunen het uitgangspunt dat asielzoekers uit veilige landen niet mogen werken tijdens de procedure. Hoe gaat de Arbeidsinspectie controleren op illegale tewerkstelling van deze groep, gezien de verhoogde prikkel om nu illegaal inkomen te genereren?

Reactie: zie de beantwoording van vraag 52.

Vraag 58: Voorziet de minister problemen bij de terugkeer van asielzoekers van wie het verzoek wordt afgewezen, maar die inmiddels een langdurige arbeidsrelatie hebben opgebouwd door het vervallen van deze beperking?

Reactie:

Uit onderzoek van Regioplan24 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie en opgebouwde banden met vrienden, kennissen en collega’s worden gezien als inherent aan langdurig verblijf in Nederland en gelden daarom niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.


  1. Uitvoeringstoets Wijziging toegang arbeidsmarkt asielzoekers in procedure, IND, april 2025. Uitvoeringstoets - Wijziging toegang arbeidsmarkt asielzoekers in procedure - april 2025.↩︎

  2. Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving, Werk maken van integratie voor een open en vrije samenleving | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.↩︎

  3. Uitvoeringstoets Wijziging toegang arbeidsmarkt asielzoekers in procedure, IND, april 2025. Uitvoeringstoets - Wijziging toegang arbeidsmarkt asielzoekers in procedure - april 2025.↩︎

  4. Vanaf 12 juni 2026 is er een Europese lijst met veilige landen. Op de EU-lijst met veilige landen staan vanaf 12 juni 2026 Bangladesh, Colombia, Egypte, Kosovo, India, Marokko en Tunesië. Ook de kandidaat-lidstaten van de EU, met uitzondering van Oekraïne, staan op deze lijst. De lijst is opgenomen in de bijlage van de Europese verordening 2026/464, L_202600464NL.000101.fmx.xml.↩︎

  5. ‘Invloed asielbeleid op migratie naar Nederland. Wetenschappelijk inzichten in migratiedrivers’, Verwey-Jonker Instituut, juli 2023. Geen bewijs dat asielbeleid aanzuigende werking heeft op instroom asielzoekers | WODC - Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum↩︎

  6. ‘2025.66 Implementation of the waiting period for access to the labour market under article 17

    of the recast reception conditions directive’, European Migration Network, Ad-hoc query, december 2025. Nederland wil met de invoering migratiepact de wachttijd voor toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers verkorten, de meeste EU-lidstaten behouden huidige termijn | EMN Nederland - Europees Migratienetwerk Nederland↩︎

  7. Artikel 17 van de richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.↩︎

  8. Dit is overeenkomst aanwijzing 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Hierin is opgenomen dat gelet op de noodzaak van tijdige implementatie o.a. wordt vermeden dat “extra” nationaal beleid wordt meegenomen.↩︎

  9. Welke landen staan op de lijst van veilige landen van herkomst? | Rijksoverheid.nl.↩︎

  10. Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief | Tweede Kamer der Staten-Generaal↩︎

  11. De Uitvoeringsorganisatie Werknemers Verzekeringen (UWV), Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), TNO en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werken samen aan de ontwikkeling van CompetentNL.↩︎

  12. Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008.↩︎

  13. Bron: CBS, 2025, Rapportage Inclusieve Arbeidsmarkt↩︎

  14. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4418 en ECLI:NL:RVS:2023:4341.↩︎

  15. ‘Tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers. Eén jaar na de afschaffing van de 24-wekeneis.’ UWV, 2024. Tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers | UWV↩︎

  16. Dashboard Tewerkstellingsvergunningen | UWV↩︎

  17. Op de EU-lijst met veilige landen staan vanaf 12 juni 2026 Bangladesh, Colombia, Egypte, Kosovo, India, Marokko en Tunesië. Ook de kandidaat-lidstaten van de EU, met uitzondering van Oekraïne, staan op deze lijst. De lijst is opgenomen in de bijlage van de Europese verordening 2026/464, L_202600464NL.000101.fmx.xml.↩︎

  18. ‘Belemmeringen asielzoekers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt’, 11 april 2023, Regioplan. Eindrapport Belemmeringen asielzoekers↩︎

  19. ‘Ruimere werkmogelijkheden asielzoekers. Maatschappelijke kosten-batenanalyse op hoofdlijnen’, maart 2024, SEO economisch onderzoek. Ruimere werkmogelijkheden asielzoekers - SEO Economisch Onderzoek↩︎

  20. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4418 en ECLI:NL:RVS:2023:4341.↩︎

  21. Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling

    van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)↩︎

  22. overweging 50 van de richtlijn↩︎

  23. Jaarplan Nederlandse Arbeidsinspectie 2026, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/jaarplannen/2025/11/20/jaarplan-nederlandse-arbeidsinspectie-2026↩︎

  24. ‘Belemmeringen asielzoekers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt’, 11 april 2023, Regioplan. Eindrapport Belemmeringen asielzoekers↩︎