[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Stand van zaken verbetermogelijkheden ANBI-regeling

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)

Brief regering

Nummer: 2026D26362, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-10 14:05, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36812 -126 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026).

Onderdeel van zaak 2026Z11551:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)

Nr. 126 Brief van de staatssecretaris van Financiën

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2026

Op 1 juli 2025 heeft mijn ambtsvoorganger de kabinetsreactie op het rapport ‘evaluatie ANBI- en SBBI-regelingen’1 naar uw Kamer gestuurd.2 In de kabinetsreactie is aangegeven dat de belangrijkste boodschap uit de evaluatie is dat de verbetering van de dataverzameling voor het toezicht op ANBI’s met de introductie van de ANBI-portal prioriteit moet hebben en dat naast de eigen toezichtsactiviteiten van de Belastingdienst meer ingezet zou kunnen worden op vormen van sectorale regelgeving, codes en zelfregulering. Aan het slot van de kabinetsreactie is een aantal maatregelen en nadere onderzoeken naar aanpassingsmogelijkheden aangekondigd. Met deze brief informeer ik u over de stand van zaken van deze maatregelen en onderzoeken. Daarnaast informeer ik u over de uitvoering van de moties Bakker-Klein3, Diederik van Dijk4 en Stultiens en Dijk.5

Graag benadruk ik vooraf dat het kabinet zeer grote waardering heeft voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang. Deze organisaties vervullen een onmisbare rol in onze samenleving, doordat zij bijvoorbeeld bijdragen aan het behoud van cultureel erfgoed en aan het uitvoeren van waardevol wetenschappelijk onderzoek. Ik vind het daarom ook belangrijk dat deze organisaties door de ANBI-status fiscaal erkend worden en daarmee ook de ruimte krijgen om zich hiervoor in te blijven zetten. Dit betekent tegelijkertijd wel dat organisaties die zich niet inzetten voor het algemeen belang ook niet in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor een ANBI-status en daarmee gepaarde fiscale voordelen. Om de goedwillende maatschappelijke organisaties niet te belemmeren, richt ik mij daarom op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de ANBI-regeling.

  1. Motie Bakker-Klein

De regeling ‘geven uit de vennootschap’ werd per 1 januari 2024 ingevoerd. Als gevolg van het Belastingplan 2025 is de regeling echter per 1 januari 2025 weer afgeschaft. Een amendement op het Belastingplan 2025 om de afschaffing van de regeling ‘geven uit de vennootschap’ per 1 januari 2025 niet te laten doorgaan6, is niet aanvaard met als gevolg dat deze regeling uiteindelijk maar één jaar heeft bestaan. Wel is tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het Belastingplan 2025 de motie Bakker-Klein (CDA), Van der Goot (OPNL) en Holterhues (CU)7 aangenomen. Deze motie verzoekt het kabinet om met de sector in overleg te treden over de impact van het afschaffen van de regeling ‘geven uit de vennootschap’ en mogelijke alternatieven daarvoor in samenspraak met de sector te verkennen. Gelet op de korte bestaansduur en het ontbreken van gegevens uit de aangiften over 2024 valt er op dit moment (nog) niets te zeggen over de impact van de afschaffing. De planning is dat de giftenaftrek in 2028 wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zich richten op de belangrijkste wijziging van de afgelopen jaren, namelijk de beperking van de periodieke giftenaftrek per 2023 tot een bedrag van € 250.000 per jaar en sinds 2025 € 1.500.000 per jaar. Vanwege de inhoudelijke samenhang met de afschaffing van de regeling ‘geven uit vennootschap’ zal deze afschaffing ook worden meegenomen. Op dat moment zijn de gegevens uit de aangiften over 2024 – het jaar waarin de regeling ‘geven uit de vennootschap’ van kracht is geweest – ook bekend.

In de gesprekken met de filantropiesector komt naar voren dat de sector het betreurt dat de regeling ‘geven uit de vennootschap’ zonder alternatief is afgeschaft. Daarom hebben Goede Doelen Nederland en het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) de adviescommissie Rinnooy Kan gevraagd hierover te adviseren. In dit advies wordt nader ingegaan op de vormgeving van een alternatief voor de regeling ‘geven uit de vennootschap’ en wordt gepleit voor de introductie van dat alternatief. Zoals ik heb aangekondigd in het Commissiedebat internationale en nationale fiscaliteit, kom ik voor de zomer met een reactie op dit advies waarin ook nader zal worden ingegaan op het voornemen van het kabinet om rentmeestervennootschappen in de wet als rechtsvorm op te nemen.8

Uit de eerdere evaluatie van de giftenaftrek kwam het invoeren van een geefsubsidie als een mogelijk alternatief voor de giftenaftrek naar voren. Mijn ambtsvoorganger heeft op 30 juni 2025 een ambtelijk rapport over de aanpak van fiscale regelingen aan uw Kamer aangeboden waarin het alternatief van een geefsubsidie is verkend.9 Bij een geefsubsidie ontvangt de ANBI een subsidiepercentage dat samenhangt met de hoogte van de ontvangen giften. Uit de verkenning blijkt dat een geefsubsidie eenvoudiger en doenlijker zou kunnen zijn voor de donateur. Voor de ontvangende instellingen zullen de administratieve lasten wel (beperkt) toenemen. Naar verwachting zou de uitvoering van een geefsubsidie wel een flinke opgave zijn. Daarnaast zijn de kosten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk “geefsubsidie platform” in dit stadium nog lastig in te schatten. Ook is de filantropiesector erg kritisch over de geefsubsidie. Het kabinet vindt het belangrijk om giften fiscaal aantrekkelijk te houden en heeft dit dan ook opgenomen in het Coalitieakkoord.10 Het kabinet is dan ook niet voornemens om een geefsubsidie als alternatief voor de giftenaftrek verder te verkennen.

  1. Motie Van Dijk

Het lid Diederik van Dijk (SGP) heeft op 23 september jl. een motie ingediend die het kabinet verzoekt om beleid te ontwikkelen zodat organisaties die zich antisemitisch uitlaten, terreur verheerlijken of haatpredikers uitnodigen hun ANBI-status verliezen.11 In 2024 heeft dit lid een vrijwel identieke motie12 ingediend die mijn ambtsvoorganger heeft voorzien van een appreciatie.13 Voor mijn appreciatie van de motie van 23 september jl. verwijs ik naar de appreciatie van mijn ambtsvoorganger op de in 2024 ingediende motie. Net als bij mijn ambtsvoorganger is ook bij mij geen twijfel dat het verwerpelijk is wanneer organisaties – ongeacht of deze de ANBI-status hebben – zich antisemitisch uitlaten, terreur verheerlijken of sprekers uitnodigen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid. Het uitgangspunt is dat dergelijke handelingen strafrechtelijk moeten zijn afgedaan, voordat de fiscale wetgeving hieraan gevolgen kan verbinden. De belastinginspecteur mag en kan niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten. De zogenoemde integriteitstoets in de wet14 biedt al de mogelijkheid om in gevallen waar strafrechtelijke grenzen zijn overschreden, bijvoorbeeld ingeval van onherroepelijke veroordelingen wegens haatzaaien of toepassing van of aanzetten tot geweld, de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. Deze toets houdt kortgezegd in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het – in die hoedanigheid – opzettelijk een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf heeft gepleegd. Sinds 2021 kan de ANBI-status ook worden ingetrokken of worden geweigerd bij onherroepelijke veroordelingen voor (groeps)belediging, aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contact met het Openbaar Ministerie (OM). De ANBI-status wordt eveneens ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur, niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.15 De wet biedt dus nu al de mogelijkheid om in gevallen waar strafrechtelijke grenzen zijn overschreden de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. De motie kan dan ook niet worden uitgevoerd, omdat deze overbodig is.

  1. Toezicht op ANBI’s

Het toezicht op ANBI’s door de Belastingdienst wordt versterkt en verbeterd. Deze intensivering vindt plaats vooruitlopend op de verbetering van de informatiepositie van de Belastingdienst door het introduceren van een ANBI-portal. Het ANBI-portal zal naar verwachting rond 2030 volledig operationeel zijn. In de Fiscale Verzamelwet 2026, die inmiddels in het Staatsblad is gepubliceerd, is de wettelijke grondslag voor de ANBI-portal geregeld.16 Inmiddels is een verkenning gestart om het ANBI-portal technisch mogelijk te maken.

Daarop kan de verbetering van het toezicht op de circa 45.000 ANBI’s niet wachten. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom toegezegd om op korte termijn het toezicht op de ANBI’s te verbeteren en te versterken. Hiervoor is een tactisch handhavingsplan ANBI’s opgesteld. In het plan wordt beschreven welke stappen er worden gezet om inzicht te verkrijgen in de totale doelgroep met als doel het toezicht op ANBI-instellingen te versterken en te verbeteren. Daarnaast zal onder andere aandacht zijn voor:

  • Het intensiveren van het toezicht op ANBI’s.

  • Verbeteren van de beschikbaarheid van data over ANBI’s.

  • Versterken en uitbreiden van de samenwerking met de filantropische sector.

Samenwerking met de filantropische sector

Samenwerking tussen de Belastingdienst en de filantropische sector is efficiënt doordat de verschillende toezichthouders elkaar kunnen vertrouwen en daarmee kunnen leunen op elkaars werk. Ook verlicht dit vaak de regeldruk van de instellingen. Het op 2 december 2025 ondertekende samenwerkingsconvenant van de Belastingdienst met Goede Doelen Nederland, de Commissie Normstelling en het CBF: Toezicht op goeddoen is daar een mooi voorbeeld van.17 Met dit vernieuwde convenant spreken partijen uit dat zij op elkaars beoordeling kunnen vertrouwen waar de normenkaders gelijkwaardig zijn en zijn er duidelijke afspraken gemaakt over de samenwerking op de vlakken waarop de normenkaders van elkaar verschillen. Het CBF vervult een signaalfunctie richting goede doelen en het ANBI‑team van de Belastingdienst. De komende periode zal de Belastingdienst zich blijven inzetten om de samenwerking met de filantropische sector te versterken en uit te breiden.

Aanpak regeldruk en groepsbeschikkingen

Het kabinet heeft voortkomend uit het onderzoek regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen18 in 2023 een concrete aanpak regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen aangekondigd.19 Zo wordt in het Handboek Meting Regeldrukkosten voortaan expliciet aandacht besteed aan de mate van regeldruk voor vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen. Ook is inmiddels een brede samenwerkingsstructuur met een kerngroep opgericht door de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid met daarin een groep maatschappelijke partners. Binnen deze structuur wordt toegewerkt naar concrete oplossingen voor de tien meest regeldruk veroorzakende verplichtingen, binnen de vastgestelde wettelijke kaders. Ten aanzien van de wettelijke verplichtingen waar al verbeter- of onderzoekstrajecten over lopen of beleidsopties zijn omschreven zal bij de vervolgstappen de kerngroep om advies worden gevraagd. Eén van die verplichtingen betreft de ANBI-regelgeving, waarover in het genoemde onderzoeksrapport de aanbeveling is gedaan om meer met groepsbeschikkingen te werken. Door groepen op basis van bepaalde kenmerken een groepsbeschikking ANBI te geven, zou de ervaren regeldruk moeten afnemen. In de ‘evaluatie ANBI- en SBBI-regelingen’20 is geconstateerd dat de mogelijkheid om een groepsbeschikking aan te vragen, bekend is bij de meerderheid van de ANBI’s maar dat de voorwaarden waaraan de groepsbeschikking is gebonden niet altijd bekend lijken te zijn. Dat terwijl de groepsbeschikking voor de Belastingdienst betere mogelijkheden kan bieden voor informatieverzameling, toezicht en handhaving ten opzichte van alleenstaande ANBI’s.

Een categorie instellingen of een groep met elkaar verbonden instellingen kan een verzoek indienen om bij één beschikking (groepsbeschikking) aangemerkt te worden als ANBI of culturele instelling. Het initiatief voor een groepsbeschikking kan ook bij de inspecteur liggen. Er is sprake van een groep met elkaar verbonden instellingen indien de instellingen qua algemeen nuttige doelstelling met elkaar zijn verbonden en de aanvrager van de groepsbeschikking bevoegd is om namens de andere instellingen een dergelijke beschikking aan te vragen. Van belang hierbij is dat de instellingen die deel uitmaken van die categorie of groep elk afzonderlijk aan alle ANBI-voorwaarden dienen te voldoen.

Het doel van de groepsbeschikking is vooral een besparing op administratieve lasten van de betrokken instellingen omdat één groepsaanvraag volstaat in plaats van individuele aanvragen. Daarnaast kan de groepsbeschikking ertoe dienen om instellingen die bij elkaar horen, ook administratief bij elkaar te houden. Denk bijvoorbeeld aan ANBI’s met een steunstichting ANBI. Voorts kan een groepsbeschikking de basis vormen om samen te werken op het gebied van informatie-uitwisseling of zelfs afspraken op het gebied van horizontaal toezicht te maken. Daarom zal op de communicatiekanalen van de Belastingdienst meer aandacht worden besteed aan de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot een groepsbeschikking.

Andere verbeteringen om de regeldruk te verminderen, zijn (1) de mogelijkheid om sinds voorjaar 2023 de ANBI-beschikking digitaal aan te vragen en (2) het online ANBI-loket van de Belastingdienst. Dit loket is bedoeld voor kleine en middelgrote aanvragers van een ANBI-status die behoefte hebben aan praktische uitleg over het opzetten van een ANBI en de eisen die daaraan worden gesteld. Bezoekers van de website kunnen bovendien via het loket contact opnemen met het ANBI‑team.

Internationaal werkende ANBI’s

Tijdens het commissiedebat fiscaliteit van 11 maart jongstleden heb ik toegezegd in deze brief ook in te gaan op de vraag van het Tweede Kamerlid Grinwis over de mogelijkheden voor ANBI’s om (financiële) ondersteuning te bieden aan – al dan niet buitenlandse – (partner)organisaties zonder ANBI-status. Zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 1 juli 202521 reeds heeft opgemerkt, is het ANBI’s in beginsel toegestaan om hun algemeen nuttige doelstelling in samenwerking met of via andere (buitenlandse) instellingen te verwezenlijken.

Meer specifiek moeten op basis van de wettelijke systematiek twee soorten instellingen worden onderscheiden. De eerste betreft de zogenoemde steunstichting, zoals bijvoorbeeld een ‘Vrienden van’-stichting van een museum. Dergelijke steunstichtingen hebben als doelstelling om een andere instelling (financieel) te ondersteunen. In de ANBI-regeling is dit als algemeen nuttig aangemerkt, op voorwaarde dat de ontvangende instelling de ANBI-status heeft. Op die manier wordt verzekerd dat de gelden ten goede komen aan het algemeen nut.

Daarnaast zijn er instellingen die een eigen algemeen nuttige doelstelling nastreven. Dergelijke instellingen mogen financiële ondersteuning bieden aan andere instellingen zonder ANBI-status, mits zij aannemelijk kunnen maken dat de gelden worden besteed in lijn met die algemeen nuttige doelstelling. Als een ANBI gelden bestemt voor een algemeen nuttig project of een algemeen nuttige activiteit van een andere instelling en erop toeziet dat de gelden daadwerkelijk hieraan worden besteed, zal over het algemeen aan deze bewijslast zijn voldaan. Dat geldt ook wanneer dat project of die activiteit een langere looptijd kent. Wanneer financiële ondersteuning wordt geboden aan een instelling zonder ANBI‑status en geen afspraken zijn gemaakt over de besteding, zal het in de praktijk lastiger zijn om aannemelijk te maken dat de gelden ten goede komen aan het algemeen nut. Dat neemt niet weg dat beoordeling moet plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden van het geval. De Belastingdienst zal bezien of het mogelijk is om de praktijk handvatten te bieden door enkele omstandigheden aan te geven die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling. Als de onduidelijkheid onvoldoende is weggenomen, kan dat ook aan de orde komen in het reguliere overleg dat het ministerie op ambtelijk niveau met de filantropische sector heeft.

  1. Minimumaantal bestuurders

In de kabinetsreactie op de evaluatie van de ANBI-regeling van 1 juli 2025 is ingegaan op de conclusies uit het rapport over familiestichtingen voor zover deze ANBI’s betreffen.22 Uit dat rapport blijkt dat van de 1.220 feitelijke familiestichtingen met meer dan € 100.000 vermogen ongeveer de helft (660) slechts één of twee bestuurders heeft. Als we kijken naar alle Nederlandse ANBI-stichtingen (32.600 begin 2022), dan heeft bijna 10% slechts één of twee bestuurders (3.000). Voor deze analyse zijn de eventuele toezichthouders in een raad van toezicht of de commissarissen in een raad van commissarissen meegeteld als bestuurders. Vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid en een goede governance achtte mijn ambtsvoorganger het wenselijk om een minimumaantal bestuurders bij ANBI’s te verlangen. Zoals toegezegd is onderzocht of en zo ja, op welke wijze een minimumaantal bestuurders voor ANBI’s kan worden verlangd. Ook ben ik hierover in gesprek gegaan met de filantropiesector.

Verkenning minimumaantal bestuurders

Kernvoorwaarde voor de ANBI-status is dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en dus geen particulier belang beoogt en behartigt.23 De voorwaarden die gelden om de ANBI-status te verkrijgen en te behouden, zijn er mede op gericht dit te waarborgen. Zo geldt onder andere het beschikkingsmachtcriterium.24 Deze voorwaarde houdt in dat uit de statuten van de instelling en de feiten moet blijken dat geen enkele natuurlijk persoon of rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is. Daaruit volgt dat een bestuurder of beleidsbepaler geen doorslaggevende zeggenschap mag hebben over het vermogen van de instelling. De ANBI-regelgeving schrijft niet een minimumaantal bestuurders voor, maar uit het beschikkingsmachtcriterium vloeit voort dat één bestuurder onvoldoende is. Twee bestuurders is slechts voldoende als voor het nemen van een besluit beiden dienen in te stemmen. Als één van de twee bestuurders een doorslaggevende stem heeft, dan wordt niet voldaan aan het beschikkingsmachtcriterium. Dit hoeft echter niet altijd te leiden tot intrekking van de ANBI-status, omdat het kan voorkomen dat door bijvoorbeeld een openstaande vacature(s) een ANBI tijdelijk één of twee bestuurders heeft. Het is dus momenteel afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De goede doelen aangesloten bij Goede Doelen Nederland en de fondsen die zijn aangesloten bij Fondsen in Nederland (FIN) hebben in de regel meer dan twee bestuurders. Onderstaand worden twee opties om het beschikkingsmachtcriterium aan te scherpen toegelicht.

Optie 1: geen meerderheid zeggenschap in de ANBI door een familie

Uitgangspunt bij deze optie is dat familieleden onvoldoende onafhankelijk zouden kunnen opereren in een bestuur waardoor de facto één persoon de zeggenschap kan hebben of een particulier (familie-)belang wordt behartigd. In dat geval voldoet de organisatie op grond van de huidige wet- en regelgeving reeds niet aan de ANBI-voorwaarden, maar deze situaties zijn lastig te handhaven. Dit pleit voor de invoering van dit vereiste. Tegelijkertijd betekent een beleidsbepalend orgaan van een organisatie waarin familieleden een meerderheid vertegenwoordigen niet dat de organisatie niet uitsluitend of vrijwel uitsluitend het algemeen nut kan beogen en behartigen. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Als alle familieleden evenveel stemrecht hebben, zou kunnen worden gesteld dat een kritisch familielid onafhankelijker is dan een derde die vaak ook zal worden aangezocht door de zittende bestuursleden. Bij een keuze voor deze optie is het voorts van belang dat familiebanden moeten worden afgebakend (alleen bloedverwanten of ook aanverwanten en tot welke graad, partners?). Deze maatregel leidt er in voorkomende gevallen toe dat ANBI’s onder andere de statuten moeten aanpassen en de samenstelling van het beleidsbepalend orgaan moeten wijzigen. Het vinden van andere geschikte bestuurders/beleidsbepalers (in een eventuele raad van toezicht of raad van commissarissen) is lastig, zeker voor kleinere organisaties. Overwogen kan worden om dit vereiste enkel voor ANBI’s met een bepaalde omvang (bijvoorbeeld met een ANBI-vermogen van meer dan € 100.000 of een ANBI die verplicht is de standaardformulieren voor de internetpublicatie te gebruiken) te laten gelden.

Optie 2: een minimumaantal bestuurders bij ANBI’s

Een minimumaantal bestuurders voor elke ANBI zou drie bestuursleden kunnen zijn. Een getalsmatig minimum kan leiden tot een meer verbeterde onafhankelijke sturing van de instelling. Ook is een verplicht minimumaantal bestuursleden gemakkelijker te controleren voor de Belastingdienst dan op grond van het huidig beschikkingsmachtcriterium, omdat nu per ANBI de feitelijke situatie moet worden nagegaan. Het aantal bestuursleden volgt daarentegen uit de jaarlijkse publicatieplicht en blijkt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Tegelijkertijd laat een minimumaantal bestuursleden geen ruimte over voor maatwerk. Ook organisaties met een bestuur van minder dan drie bestuursleden kunnen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen en behartigen. Een klein bestuur hoeft niet te betekenen dat er een particulier belang wordt behartigd. Ook zou een verplicht minimumaantal bestuursleden per ANBI tot (eenmalige) extra administratieve lasten voor instellingen leiden die momenteel nog niet aan dit minimum voldoen. Daarnaast heeft het CIO aangegeven nog te bezien hoe een eis van minimaal drie bestuursleden zich zou verhouden tot de inrichtingsvrijheid voor kerkelijke genootschappen op grond van art. 2:2 Burgerlijk Wetboek (BW). Ook bij deze optie kan eventueel overwogen worden om dit vereiste enkel voor ANBI’s met een bepaalde omvang (bijvoorbeeld met een ANBI-vermogen van meer dan € 100.000 of een ANBI die verplicht is de standaardformulieren voor de internetpublicatie te gebruiken) te doen gelden.

Bijna 10% van alle ANBI-stichtingen (32.600) heeft slechts één of twee bestuurders (3.000). Dit kan ertoe leiden dat niet aan het beschikkingsmachtcriterium wordt voldaan. Teneinde de regeldruk niet onnodig te vergroten, stel ik voor vooralsnog het beschikkingsmachtcriterium niet aan te scherpen. Het betreft namelijk een relatief kleine groep ANBI’s die mogelijk niet aan het huidig beschikkingsmachtcriterium voldoet. Omdat dit diverse redenen kan hebben, zal mijn inziens het aanscherpen van de wettelijke criteria niet effectief zijn. De bereidheid om compliant te zijn lijkt er namelijk wel te zijn.

5. NSW-landgoederen in een ANBI

In de kabinetsreactie van 1 juli jl. is naar aanleiding van het rapport familiestichtingen een situatie beschreven waarbij een NSW-landgoed in een ANBI is geplaatst. Daarbij kan van de giftenaftrek gebruik worden gemaakt als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Er kan een zeker spanningsveld ontstaan, indien de voormalige eigenaren van het landgoed gerechtigd blijven om op het landgoed te blijven wonen (bijvoorbeeld op grond van een eeuwigdurende huurovereenkomst) en zij het landgoed nog als hun (familie)bezit zien. Dat komt doordat de kern van de ANBI-regeling is dat een ANBI het algemeen nut moet beogen en voor ten minste 90% moet dienen. Dit betekent dat er voor minder dan 10% sprake mag zijn van een particulier belang. Zoals in de kabinetsreactie van 1 juli 2025 is vermeld, wordt deze situatie momenteel diepgaander bezien, niet alleen om de voor- en nadelen in kaart te brengen maar ook vanuit de handhaving door de Belastingdienst. Met de resultaten daarvan kan een afweging worden gemaakt of wettelijke aanpassingen wenselijk en noodzakelijk zijn. Ik verwacht dat de eerste resultaten van dit onderzoek in de tweede helft van 2026 bekend zullen zijn. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Stultiens en Dijk over het versturen van beleidsopties naar uw Kamer om in het rapport genoemde belastingconstructies tegen te gaan.25

  1. Verplichtingen voormalige ANBI’s

De ANBI-status heeft een aantal fiscale voordelen. Daarbij hoort ook een aantal voorwaarden zoals het vereiste dat het vermogen geheel of nagenoeg geheel aan het algemeen nut moet worden besteed.26 Als de ANBI-status van een instelling door de Belastingdienst is ingetrokken, kan deze geen gebruik meer maken van de voordelen en hoeft niet meer te worden voldaan aan de ANBI-voorwaarden. Voor instellingen waarvan de ANBI-status is ingetrokken geldt wel nog een informatieverplichting (renseigneringsverplichting27) zolang het ANBI-vermogen van de voormalige ANBI € 25.000 of meer bedraagt.28 Het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van de gegevens en inlichtingen wordt aangemerkt als een overtreding.29 Indien deze overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld van de voormalige ANBI, vormt het een vergrijp ter zake waarvan de Belastingdienst een bestuurlijke boete van ten hoogste € 27.500 kan opleggen.30

In de praktijk is het vaak lastig een dergelijke boete op te leggen, omdat (vergrijp)boete‑onderzoek een arbeidsintensief traject is.

De reden voor invoering van deze informatieverplichting was dat schenkingen door voormalige ANBI’s in beginsel belast zijn met schenkbelasting en dit mogelijk niet voor elke voormalige ANBI en voor de ontvanger van een schenking afkomstig van die voormalige ANBI vanzelfsprekend is.31 In de literatuur wordt tegen deze verplichting wisselend aangekeken. Sommige auteurs achten deze verplichting overbodig en wijzen erop dat bij andere schenkingen niet een dergelijke verplichting geldt. Daarnaast wordt als bezwaar genoemd dat de informatieverplichting alleen geldt voor in Nederland gevestigde voormalige ANBI’s.32 Indien de voormalige ANBI in het buitenland is gevestigd, is de informatieverplichting niet van toepassing. De reden daarvan is dat schenkingen van instellingen slechts onder de schenkbelasting kunnen vallen als deze in Nederland zijn gevestigd.33

Ook constateert de Belastingdienst dat in enkele gevallen, in het bijzonder bij familiestichtingen, de ANBI-status op verzoek van de instelling is ingetrokken kort nadat van fiscale voordelen gebruik is gemaakt.34 De onderzoekers concluderen dat de informatieverplichting niet altijd een effectief middel is om ervoor te zorgen dat in alle situaties het voormalige ANBI-vermogen algemeen nuttig wordt besteed. Het ANBI-vermogen kan aan een niet algemeen nuttig doel worden besteed of onbeperkt lang in de voormalige ANBI blijven zitten.

Deze conclusies met betrekking tot de informatieverplichting roepen de vraag op of het mogelijk is om de verplichtingen voor voormalige ANBI’s zo vorm te geven dat gewaarborgd wordt dat het vermogen ook na intrekking van de ANBI-status algemeen nuttig wordt besteed. In de kabinetsreactie van 1 juli 2025 heeft mijn ambtsvoorganger daarom aangekondigd om in overleg met de filantropiesector te onderzoeken op welke wijze de verplichtingen voor voormalige ANBI’s het beste kunnen worden aangescherpt en uw Kamer zo snel mogelijk over de uitkomsten informeren. Hierbij is hij uitgegaan van de drie aanpassingsmogelijkheden die in de evaluatie zijn opgenomen:

  1. Het verplichten van alle voormalige ANBI’s om het ANBI-vermogen binnen een afzienbare tijd aan algemeen nuttige doelstellingen te besteden.

  2. Het invoeren van een fiscale eindheffing bij het verlies van de ANBI-status. Hierbij kan ervoor worden gekozen om deze heffing achterwege te laten indien de voormalige ANBI het ANBI-vermogen aan een andere ANBI uitkeert of in het kader van het algemeen nut besteedt.

  3. Invoeren van een algemene belastingplicht voor stichtingen en verenigingen. Dit betreft een alternatief voor de informatieplicht.

Populatie voormalige ANBI’s

Voordat wordt ingegaan op de eerste twee opties, wordt ingezoomd op de populatie van voormalige ANBI’s. Volgens een recente, nadere analyse van de Belastingdienst hebben in de periode 2020-2023 jaarlijks 1.050 tot 1.450 instellingen de ANBI-status verloren. In de periode 2020-2023 ligt het aantal voormalige ANBI’s dat informatieplichtig is in de meeste jaren rond de 2.100.35 Uit die analyse blijkt ook dat er over de periode 2013 tot en met 2024 8.069 voormalige ANBI’s waren die gedurende één kalenderjaar informatieplichtig waren en 1.260 voormalige ANBI’s die gedurende meer dan één kalenderjaar informatieplichtig waren. Vanaf 2018 is een jaarlijkse daling van tussen de 5% en 10% ten opzichte van het jaar van ontstaan van de informatieplicht te zien bij de voormalige ANBI’s die gedurende meer dan één kalenderjaar informatieplichtig waren. Het is opmerkelijk dat een substantieel deel van de groep voormalige ANBI’s in de eerste jaren als voormalige ANBI geen uitgaven aan een algemeen nuttig doel heeft gedaan en een deel geen beheersuitgaven heeft. Dit kan ertoe leiden dat een deel van deze voormalige ANBI’s tot in de lengte der dagen onder de informatieverplichting blijven vallen. Het merendeel van de voormalige ANBI’s onder de informatieverplichting bevindt zich in de categorie welzijn, cultuur of ontwikkelingssamenwerking. Voor de jaren 2023, 2024 en 2025 is ook de reden van de intrekking nagegaan. Bijna 60% van de intrekkingen betreft ontbindingen (inclusief fusies), 28% volgt na toezicht (inclusief toezicht op de publicatieplicht) van de Belastingdienst36 en 15% betreft intrekking op verzoek van de instelling. Op basis van de beschikbare gegevens is echter niet te achterhalen welk soort instellingen niet aan de informatieplicht voldoen, noch welke redenen er zijn voor het niet (tijdig) naleven van deze verplichting.

Onderstaand wordt ingegaan op de eerste twee opties. De overeenkomst tussen deze twee opties is het introduceren van een zogeheten bestedingsverplichting voor voormalige ANBI’s. Daarom zal eerst worden ingegaan op de bestedingsverplichting. Vervolgens zal worden ingegaan op de mogelijkheid om een fiscale eindheffing te introduceren ingeval de voormalige ANBI het ANBI-vermogen niet binnen een afzienbare periode aan een algemeen nuttig doel heeft besteed. Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven zal uw Kamer afzonderlijk geïnformeerd worden over de derde optie om een algemene belastingplicht voor stichtingen en verenigingen in te voeren.

Verkenning bestedingsverplichting voormalige ANBI’s

De bestedingsverplichting in beide opties beoogt te bewerkstelligen dat de voormalige ANBI het ANBI-vermogen binnen een afzienbare periode aan een algemeen nuttige doelstelling besteedt. De voorwaarde van besteding aan een algemeen nuttige doelstelling betekent dat het vermogen door de instelling algemeen nuttig moet worden besteed, maar ook dat besteding mag plaatsvinden in de vorm van een uitkering aan een andere ANBI. Die uitkering is vrijgesteld van schenkbelasting bij de ontvanger. Dit kan ook het geval zijn bij fusie met een ANBI of ontbinding van de voormalige ANBI waarbij het batig liquidatiesaldo37 aan een andere ANBI toekomt.

Bij de bestedingsverplichting is van belang dat een ‘afzienbare periode’ moet worden gedefinieerd. Een periode van twee jaar lijkt redelijk. Als het statusverlies op initiatief van de ANBI is, dan heeft het bestuur er van te voren over kunnen nadenken en er op kunnen anticiperen. Indien sprake is van intrekking van de ANBI-status door de Belastingdienst met terugwerkende kracht zou deze periode van twee jaar moeten ingaan op de datum van de beschikking. In dat geval lijkt een periode van twee jaar evenzeer redelijk.

Op het eerste oog zou een periode van twee jaar voldoende tijd moeten geven voor een ordentelijke afwikkeling, zonder dat het vermogen jarenlang ‘geparkeerd’ kan worden. Uit de recente analyse kan geen conclusie worden getrokken over de vraag of een periode van twee jaar in de praktijk realistisch is. Deze analyse gaat uit van de huidige situatie en in de analyse is geen onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld stamvermogen en andere vermogensbestanddelen, maar ik verwacht dat een termijn van twee jaar een aansporing tot actie voor voormalige ANBI’s is. Ik vind het belangrijk dat voormalige ANBI’s het nog aanwezige ANBI-vermogen binnen een afzienbare periode algemeen nuttig besteden en niet eindeloos oppotten. Daarvoor zijn de ANBI-faciliteiten niet bedoeld. Daarom wil ik voorstellen om de afzienbare periode vooralsnog te stellen op twee jaar (nagenoeg drie jaar met inbegrip van het jaar van intrekking op basis van de datum van de beschikking). Gedurende deze twee jaar geldt de bestaande informatieverplichting onverkort. Indien niet is voldaan aan de bestedingsverplichting, zal de Belastingdienst een bestuurlijke boete kunnen opleggen.

Ik stel voor de bestedingsverplichting op te nemen in de URAWR met als ingangsdatum 1 januari 2029. Daarbij stel ik voor dat deze bestedingsverplichting ook van toepassing zal zijn op informatieplichtige voormalige ANBI’s die per 1 januari 2029 nog steeds informatieplichtig zijn. Dit alles onder voorbehoud van de gebruikelijke toetsen bij aanpassing van regelgeving zoals een uitvoeringstoets.

Verkenning intrekkingsbelasting/afrekening voormalige ANBI

Bij de tweede optie wordt niet alleen een bestedingsverplichting voor informatieplichtige voormalige ANBI’s maar bovendien een fiscale heffing geïntroduceerd die van toepassing zal zijn voor zover het ANBI-vermogen niet binnen die afzienbare periode van twee jaar aan het algemeen nut is besteed. Deze heffing heeft geen budgettair doel maar is bedoeld als stok achter de deur. Het kerndoel van deze heffing bij het verliezen van een ANBI-status is om een extra prikkel te geven het ANBI‑vermogen conform de algemeen nuttige doelstelling van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek te besteden en niet nodeloos aan te houden.38 Het introduceren van een dergelijke heffing is echter wetstechnisch niet eenvoudig en brengt ook bepaalde afbakeningsvraagstukken met zich. Ook is bij het eventueel introduceren van de eindheffing van belang dat de heffing proportioneel en gericht is.

Een afrekening na het verliezen van een ANBI-status zou moreel kunnen wringen. Een donateur geeft om een doelstelling te bevorderen. Een afrekening na intrekking van de ANBI-status treft vermogen dat door derden is ingebracht met de intentie het algemeen nut te dienen. Die derden hadden geen zeggenschap over het (bestuurs)handelen dat tot intrekking leidde. De afrekening onttrekt hun giften aan de algemeen nuttige bestemming waarvoor zij bedoeld waren en leidt het vermogen naar de staatskas.

Tegelijkertijd zou Nederland met het introduceren van de verplichting om het ANBI-vermogen binnen een bepaald tijdsbestek na het verlies van de ANBI-status algemeen nuttig te besteden niet uniek zijn. Zo kent bijvoorbeeld Canada voor ‘registered charities’ een zogeheten ‘revocation tax’ als een instelling haar status verliest. De heffing bedraagt 100% van de waarde van de resterende activa verminderd met de schulden. De instelling is de heffing niet verschuldigd indien de resterende activa alsnog aan liefdadigheidsactiviteiten ten goede komen of binnen 1 jaar na de datum van de kennisgeving van het voornemen tot intrekking van de status worden overgedragen aan een andere ‘registered charity’. Ook kan de instelling de heffing voorkomen indien zij voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • De instelling vraagt ​​binnen een jaar na het verliezen van de status een herregistratie aan en krijgt deze toegekend;

  • De instelling betaalt vóór de datum van herregistratie alle andere belastingen, boetes en rente die zij verschuldigd is;

  • De instelling dient vóór de datum van herregistratie alle ontbrekende informatieaangiften en de financiële overzichten in.39

Ook in Duitsland moet bij het verlies van de status de bestemming van de vermogensbestanddelen duidelijk zijn. Indien het niet zeker is dat het nog aanwezige vermogen algemeen nuttig wordt besteed, dan wordt er alsnog belasting geheven met een terugwerkende kracht van 10 jaar.40

Vormgeving intrekkingsbelasting/afrekening bij verlies ANBI-status

De eindheffing voor voormalige ANBI’s zou enkel – in lijn met de doelstelling van de ANBI-regeling – als stok achter de deur dienen om te bereiken dat het ANBI-vermogen algemeen nuttig wordt besteed. De eindheffing ontslaat een voormalige ANBI ook niet van de bestaande informatieverplichting gedurende deze twee jaar en bijvoorbeeld van de verplichting om het vermogen in lijn met de doelstelling in de statuten uit te geven. Het (resterende) ANBI-vermogen dient ook na de eindheffing conform de algemeen nuttig doelstelling besteed te worden. Bij introductie van de eindheffing kan de informatieverplichting vervallen op het moment dat de voormalige ANBI de eindheffing heeft voldaan.

Vastgesteld moet worden in welke belastingwet de heffing zou moeten worden ondergebracht. De heffing zou onderdeel kunnen worden van de AWR omdat deze de essentialia van de ANBI-regelgeving bevat. Anderzijds is de AWR een algemene wet die geen heffingen bevat, dus in die zin past een heffing in de AWR niet. De Successiewet ligt dan voor de hand aangezien de voormalige ANBI in haar ANBI-periode heeft geprofiteerd van de vrijstellingen schenk- en erfbelasting voor ANBI’s. Het opnemen van de heffing in een nieuwe materiële belastingwet is ook denkbaar, maar dit staat wel haaks op de ambitie om het belastingstelsel te vereenvoudigen.

Om wetstechnisch een fiscale eindheffing te kunnen introduceren zullen de volgende elementen moeten worden vastgesteld:

  1. Subject.

  2. Belastbaar feit.

  3. Heffingsgrondslag.

  4. Tarief.

  5. Tijdstip van heffing.

  6. Wijze van heffing.

Daarnaast is uiteraard ook de uitvoerbaarheid van de heffing voor zowel de Belastingdienst als de voormalige ANBI’s van belang. Bij de vormgeving van de heffing kan vooruitlopend op een gesprek met de Belastingdienst en de sector rekening gehouden worden met mogelijke knelpunten. Onderstaand worden de bovenstaande elementen op hoofdlijnen langsgelopen zodat bepaald kan worden of nadere uitwerking gewenst en haalbaar is. Een eerste inschatting op basis van de onderstaande contouren is dat een dergelijke heffing uitvoerbaar zou moeten zijn, maar of deze inschatting juist is zou moeten blijken uit een uitvoeringstoets.

Dit geldt ook voor de mate waarin de administratieve lasten al dan niet worden verhoogd.

Subject

De eindheffing zou zien op ANBI’s die na de datum van inwerkingtreding van de eindheffing de ANBI-status verliezen. Met andere woorden, de heffing zou van toepassing zijn op voormalige ANBI’s.

Bezien kan worden of de heffing ook moet gelden voor in het buitenland gevestigde voormalige ANBI’s. De informatieverplichting geldt weliswaar niet voor in het buitenland gevestigde voormalige ANBI’s maar het is denkbaar om de eindheffing wel van toepassing te verklaren op in het buitenland gevestigde voormalige ANBI’s. Hiermee zou een sluitend systeem ontstaan.

Belastbaar feit

Het belastbaar feit is het feit dat als rechtsgevolg heeft dat de eindheffing is verschuldigd. In dit geval zou het belastbaar feit mogelijk kunnen zijn: de aanwezigheid van ANBI-vermogen aan het einde van de termijn waarbinnen het ANBI‑vermogen algemeen nuttig besteed moet zijn.

Het invoeren van deze heffing betekent wel dat de drempel om op eigen verzoek de ANBI-status te laten intrekken – bijvoorbeeld vanwege de administratieve lasten – hoger kan komen te liggen. Tegelijkertijd leidt dit er vermoedelijk wel toe dat het aanvragen van een ANBI-status door organisaties beter afgewogen zal worden, omdat intrekking van een ANBI-status ook fiscale gevolgen kan hebben.

Heffingsgrondslag

De mogelijke heffingsgrondslag is het nog resterende ANBI-vermogen op het tijdstip nadat de afzienbare periode na de intrekking van de ANBI-status is verstreken. Hiervoor zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de definitie van ANBI-vermogen voor de huidige informatieverplichting.41 Voor deze heffing zal dan onder het ANBI-vermogen worden verstaan: het eigen vermogen van de instelling42 op het tijdstip met ingang waarvan deze ingevolge artikel 5b, zevende of achtste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet meer als algemeen nut beogende instelling is aangemerkt, verminderd met de bedragen die vanaf dat tijdstip (gedurende twee jaar) zijn besteed ter verwezenlijking van haar doelstelling en aan de daarmee verband houdende beheerkosten.

Overwogen kan worden om te bepalen dat de ANBI aannemelijk moet maken welk bedrag na intrekking van de ANBI-status aan de algemeen nuttige doelstelling is besteed.

Of het resterende ANBI-vermogen inderdaad een goede heffingsgrondslag zou zijn, zou verder onderzoek vergen. Het eigen vermogen zal in de praktijk afkomstig zijn van uiteenlopende bronnen en niet alleen uit donaties.

Tarief

Voor het tarief kan aansluiting gezocht worden bij het tarief in de schenk- en erfbelasting voor derden van 30% voor een belaste verkrijging tot en met € 158.669 en 40% voor zover de verkrijging hoger is (2026).43 Dit tarief van 30% of 40% zou immers ook van toepassing zijn voor verkrijgingen door en van een ANBI indien de vrijstelling van schenk- en erfbelasting daarvoor niet zou gelden. Omdat het resterende ANBI-vermogen kan bestaan uit verkrijgingen die in de loop der jaren zijn ontvangen, zou een tarief van ten hoogste 30% passend zijn. Reconstructie van de totstandkoming van het reserverende ANBI-vermogen zal waarschijnlijk niet altijd mogelijk zijn.

Tijdstip van heffing

De eindheffing is verschuldigd op het moment dat de afzienbare periode na het verliezen van de ANBI-status is verstreken. Om misbruik te voorkomen kan worden bezien of het gewenst en juridisch houdbaar zou zijn om zekerheden te laten stellen of om een conserverende aanslag op te leggen ingeval een voormalige ANBI naar het buitenland verhuist.

Wijze van heffing

De vraag is of de belasting wordt geheven bij wege van aanslag. De voormalige ANBI dient hiervoor een aangifte in binnen (een nader te bepalen) aantal maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de afzienbare periode (na intrekking van de ANBI-status) ten einde is gekomen.

Uitkomst verkenning eindheffing/ intrekkingsbelasting bij verlies ANBI-status

Het is wetstechnisch mogelijk om de ANBI-regeling zodanig te wijzigen dat van voormalige ANBI’s wordt geëist dat ze het ANBI-vermogen binnen een afzienbare periode algemeen nuttig besteden (bestedingsverplichting). Zoals uit bovenstaande verkenning naar voren komt, is de invoering van een eindheffing daarentegen zeer complex en kent ook nadelen. Daarom kies ik er nu voor om alleen verder te gaan met de uitwerking van de optie om verplicht te stellen dat voormalige ANBI’s het nog aanwezige ANBI-vermogen binnen een afzienbare tijd aan een algemeen nuttige doelstellingen besteden. Ik ben voornemens een dergelijke bestedingsverplichting met ingang van 1 januari 2029 in de Uitvoeringsregeling AWR op te nemen.

Conclusie

Met deze brief heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van de aangekondigde maatregelen en onderzoeken naar aanleiding van de evaluatie van de ANBI-regeling. Samenvattend doe ik naar aanleiding hiervan de volgende toezeggingen:

  • Ik kom voor de zomer met een reactie op het advies Beter Geven III van de commissie Rinnooy Kan waarin wordt gepleit voor een alternatief voor de regeling ‘geven uit de vennootschap’.

  • Het kabinet vindt het belangrijk om giften fiscaal aantrekkelijk te houden en is dan ook niet voornemens om een geefsubsidie als alternatief voor de giftenaftrek verder te verkennen.

  • Het toezicht door de Belastingdienst wordt versterkt en verbeterd.

  • De Belastingdienst zal de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot een groepsbeschikking meer aandacht geven in de communicatie-uitingen.

  • De Belastingdienst zal met betrekking tot internationaal werkende ANBI’s bezien of het wenselijk en mogelijk is om de praktijk handvatten te bieden door enkele omstandigheden aan te geven die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling.

  • Ik verwacht dat de eerste resultaten van het diepgaandere onderzoek naar de situatie van NSW-landgoederen in een ANBI in de tweede helft van 2026 bekend zullen zijn en zal u dan daarover informeren.

  • Op basis van de verkenning met betrekking tot de verplichtingen voor voormalige ANBI’s kom ik tot de conclusie dat het wenselijk is om een bestedingsverplichting (uitkeringsverplichting) voor voormalige ANBI’s in te voeren teneinde zeker te stellen dat het ANBI-vermogen binnen een periode van twee jaar na verlies van de ANBI-status aan een algemeen nuttige doelstelling wordt besteed. Daarom ben ik voornemens deze verplichting op te nemen in de Uitvoeringsregeling AWR met ingang van 1 januari 2029.

De staatssecretaris van Financiën,

E. Eerenberg


  1. Kamerstukken II 2024/25, 36600-IX, nr. 42.↩︎

  2. Kamerstukken II 2024/25, 36600-IX, nr. 46. Daarin is tevens ingegaan op het rapport ‘Fiscaal onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen’ voor zover dat betrekking heeft op algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s).↩︎

  3. Kamerstukken I 2024/25, 36602, N.↩︎

  4. Kamerstukken II 2025/26, 30950, nr. 472.↩︎

  5. Kamerstukken II 2024/25, 31066, nr. 1490.↩︎

  6. Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 89.↩︎

  7. Kamerstukken I 2024/25, 36602, N.↩︎

  8. Kamerstukken II 2025/26, 36812, 123.↩︎

  9. Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 266, bijlage p. 119-121. Giftenaftrek (2): omvorming tot geefsubsidie.↩︎

  10. Coalitieakkoord 2026-2030 D66, VVD en CDA. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 31, bijlagen.↩︎

  11. Kamerstukken II 2025/26, 30950, nr. 472.↩︎

  12. Kamerstukken II 2023/24, 30950, nr. 387. ‘Constaterende dat een instelling alleen een anbi kan zijn als ze zich nagenoeg geheel inzet voor het algemeen belang; overwegende dat organisaties die terreur verheerlijken en haatpredikers uitnodigen afbreuk doen aan het algemeen belang; verzoekt de regering zich met de Belastingdienst in te spannen om de anbistatus in te trekken van organisaties die zich antisemitisch uitlaten, terreur verheerlijken of sprekers uitnodigen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.’↩︎

  13. Kamerstukken II 2023/24, 30950, nr. 398.↩︎

  14. Artikel 5b, achtste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.↩︎

  15. Kamerstukken II 2019/20, 35437, nr. 7.↩︎

  16. Wet van 4 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2026). Stb 2025, nr. 431.↩︎

  17. https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/convenant-belastingdienst-erkenningsregeling-goede-doelen↩︎

  18. Kamerstukken II 2022/23, 29515, nr. 485. Eindrapport onderzoek regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen uitgevoerd door Sira Consulting.↩︎

  19. Kamerstukken 2024/2025 29 515, nr. 494. Staatssecretaris Maeijer (Langdurige en Maatschappelijke Zorg) en staatssecretaris Struycken (Rechtsbescherming) informeren de Tweede Kamer over een concrete aanpak van regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.↩︎

  20. Kamerstukken II 2024/25, 36600 IX, nr. 42, par. 4.3.3. en p. 75.↩︎

  21. Kamerstukken II 2024/25, 36600-IX, nr. 46.↩︎

  22. Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 38. Kabinetsreactie op een onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen.↩︎

  23. Artikel 5b Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).↩︎

  24. Op grond van artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (URAWR).↩︎

  25. Kamerstukken II 2024/25, 31066, nr. 1490.↩︎

  26. Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de algemeen nuttige werkzaamheden van de instelling (bestedingscriterium), ook wel de anti-oppoteis genoemd.↩︎

  27. https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/opg-vermog-schenk-anbi-ib0741z41fol.pdf.↩︎

  28. Zie artikel 75 van de Successiewet 1956 en artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.↩︎

  29. Artikel 10e, zevende lid, Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.↩︎

  30. Bij niet (of te laat) nakomen van de informatieverplichting kan jaarlijks op grond van artikel 10e, lid 7 UBSW een vergrijpboete opgelegd worden van maximaal € 27.500. Bij grove schuld bedraagt de boete in beginsel € 6.875 (25%) en bij opzet bedraagt de boete in beginsel € 13.750 (50%).↩︎

  31. Zie Besluit van 20 november 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit SW 1956 in verband met de vastlegging van de informatieplicht voor bepaalde financiële ondernemingen alsmede invoering van een informatieplicht voor voormalige algemeen nut beogende instellingen (Stb. 2014, nr. 464).↩︎

  32. Kamerstukken II 2013/14, 33 753, nr. 5, p. 2-5 artikelsgewijze toelichting artikel 75 van de Successiewet 1956. Schenkingen door deze voormalige ANBI’s zijn niet langer vrijgesteld en dus bij de begiftigde in beginsel belast met schenkbelasting, mits de voormalige ANBI in Nederland gevestigd is en de begiftigde niet zelf een ANBI is.↩︎

  33. NvW, Kamerstukken II 2013/14, 33 753, nr. 5, p. 2-5; toelichting artikel 75 SW 1956. “Schenkingen door deze voormalige ANBI’s zijn niet langer vrijgesteld en derhalve bij de begiftigde in beginsel belast met schenkbelasting, mits de voormalige ANBI in Nederland gevestigd is en de begiftigde niet zelf een ANBI is.”↩︎

  34. Ministerie van Financiën (2025), ‘Fiscaal onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen’, p. 24.↩︎

  35. Volgens de evaluatie verloren in de periode 2020-2023 jaarlijks in totaal 800 tot 2.300 instellingen de ANBI-status. In de evaluatieperiode ligt het aantal voormalige ANBI’s dat informatieplichtig is in de meeste jaren rond de 1.300. Deze verschillen met de recente, nadere analyse door de Belastingdienst vallen enerzijds te verklaren doordat in het evaluatierapport is uitgegaan van de intrekkingsdatum terwijl voor de infoplicht ex-ANBI het jaar van einddatum van belang is (in verband met terugwerkende kracht intrekkingen) en anderzijds omdat de aantallen in het gebruikte publicatiebestand (op internet) niet een getrouw beeld gaven naarmate het oudere jaren betreft (in concreto 2020).↩︎

  36. Indien de status als gevolg van toezicht door de Belastingdienst wordt ingetrokken, kan dat met terugwerkende kracht vanaf het moment dat een instelling niet meer aan de voorwaarden voor de ANBI-regeling voldoet.↩︎

  37. Artikel 1a, eerste lid, onderdeel h, URAWR. Indien en zolang uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt maar indien het een culturele instelling als bedoeld in artikel 1d betreft, ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft.↩︎

  38. Een ander doel zou kunnen zijn om met deze heffing de eerder verleende fiscale voordelen gerelateerd aan de ANBI-regeling terug te halen voor zover deze nog niet tot besteding conform de ANBI‑regelgeving hebben geleid. Dit is voorstelbaar in het geval de ANBI-status op verzoek van de instelling wordt ingetrokken kort nadat van fiscale voordelen gebruik is gemaakt. De praktijk is echter zeer uiteenlopend. Zo kan er ook sprake zijn van voormalige ANBI’s die al decennia als ANBI hebben bestaan en er geen gegevens zijn over de omvang van de ooit verleende fiscale faciliteiten aan die ANBI’s. Het bepalen van een tarief dat ook dient ter compensatie voor de gemiste inkomsten- en vennootschapsbelasting vanwege onder andere de giftenaftrek is ondoenlijk.↩︎

  39. https://www.canada.ca/en/revenue-agency/services/charities-giving/charities/revoking-registered-status/revocation-tax-t2046-tax-return.html, geraadpleegd op 1 oktober 2025.↩︎

  40. Zie artikel 61, derde lid van de Duitse belastingwet (Abgabenordnung of AO). Voor de vertaling uit het Duits is op 12 november 2025 gebruikgemaakt van de officiële vertaling van het ministerie van Justitie op https://www.gesetze-im-internet.de/englisch_ao/englisch_ao.html#p0480. Artikel 61, derde lid AO luidt:

    ‘If the provision on the dedication of assets is subsequently amended so that it no longer conforms to the requirements of section 55(1) number 4 it shall be deemed from the outset to have been insufficient for tax purposes. Section 175(1), first sentence, number 2 shall apply with the proviso that tax assessment notices may be issued, cancelled or amended insofar as they relate to taxes which have arisen within the ten calendar years preceding the amendment of the provision on the dedication of assets’.↩︎

  41. Zie artikel 10e, vierde lid, Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.↩︎

  42. Om het eigen vermogen te kunnen bepalen moeten de bezittingen en schulden worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van de heffing. Voor onroerende zaken kan worden aangesloten bij de waarde op de WOZ-beschikking.↩︎

  43. Zie artikel 24, eerste lid, Successiewet 1956.↩︎