Conceptverslag Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D26606, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 12:49, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-28 14:30: Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Commissiedebat), vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft op 28 mei 2026 overleg gevoerd met de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, over:
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 5 december 2025 inzake voortgang en vooruitblik landspakketten Aruba, Curaçao en Sint-Maarten (36800-IV, nr. 27);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 15 december 2025 inzake halfjaarrapportage 2025 trustfonds wederopbouw Sint-Maarten (34773, nr. 33);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 15 december 2025 inzake kabinetsreactie op beleidsdoorlichting artikel 5 van hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties (33189, nr. 21);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 februari 2026 inzake voorhang stichting CariFoodFund voedselzekerheid Caribische delen Koninkrijk (36800-IV, nr. 45);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 februari 2026 inzake toetsingskader risicoregelingen Rijksoverheid bij herfinanciering Curaçao (36800-IV, nr. 47);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 februari 2026 inzake toetsingskader risicoregelingen Rijksoverheid bij lening aan Curaçao voor investeringen via lopende inschrijving (36800-IV, nr. 48);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 februari 2026 inzake toetsingskader risicoregelingen Rijksoverheid bij herfinanciering Sint-Maarten (36800-IV, nr. 49);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 11 februari 2026 inzake periodieke rapportage artikel 4 begrotingshoofdstuk IV Koninkrijksrelaties "Bevorderen sociaaleconomische structuur" over de periode 2016-2023 (33189, nr. 22);
de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 februari 2026 inzake uitvoeringsagenda en uitvoeringsrapportage landspakket Curaçao no. 2 2025 (36800-IV, nr. 44);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 24 april 2026 inzake beleidsbrief Koninkrijksrelaties (36800-IV, nr. 56);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 24 april 2026 inzake tweede halfjaarrapportage C(A)ft en Cft BES 2025 (36800-IV, nr. 55);
de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 22 mei 2026 inzake stand van zaken van een aantal moties en toezeggingen op het beleidsterrein van Koninkrijksrelaties (36800-IV, nr. 59).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Biekman
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Hessing-Puts
Voorzitter: Nanninga
Griffier: Hessing-Puts
Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Tijs van den Brink, Bromet, Heera Dijk, Den Hollander en Nanninga,
en de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid.
Aanvang 14.31 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, bon tardi, good afternoon. Graag stilte in de zaal. Hierbij
open ik de vergadering van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties.
Leuk is dat altijd, om met zo'n hamertje te slaan. Wij voeren vandaag
het commissiedebat met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Van harte welkom, ook aan zijn staf. Ook hartelijk
welkom aan de belangstellenden op de publieke tribune en degenen die via
de livestream met deze vergadering meekijken. Welkom aan de Tweede
Kamerleden: Heera Dijk namens D66, Laura Bromet namens GroenLinks-PvdA,
Renate den Hollander voor de VVD en de heer Tijs van den Brink voor het
CDA. Mijn naam is Annabel Nanninga van JA21. Ik ben vandaag uw
voorzitter. De commissievoorzitter is verhinderd. Ik zal ook zelf een
korte inhoudelijke bijdrage leveren aan dit debat. Dan zal mevrouw Dijk
het voorzitterschap even overnemen, waarvoor heel veel dank.
We gaan beginnen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik
stel voor om vier interrupties toe te staan in de eerste termijn. Ik
geef nu graag het woord aan mevrouw Heera Dijk namens D66 voor haar
inbreng. U heeft daarvoor vier minuten de tijd.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank, voorzitter. Bon dia en good morning voor de mensen die meekijken
op de eilanden en goedemiddag voor de mensen hier. We hebben weer vier
minuten. We hadden veel documenten. Dan is het altijd even kiezen, want
je hebt weinig tijd. Ik heb er nu drie thema's uitgelicht die ik graag
wil bespreken. Dat zijn de landspakketten, het LGO-dossier en de
uitvoeringskracht van de overheden.
De landspakketten lopen in beginsel af in 2027, terwijl veel
hervormingen nog midden in de uitvoering zitten. Ik zie ook echt
verschillen per eiland op het punt van die landspakketten. Op Aruba zien
we stappen op het gebied van begrotingsprocessen, financieel beheer en
hervormingen binnen de overheid. Wat betreft Curaçao lezen we dat de
aanpak rondom financieel beheer moet worden herijkt, omdat trajecten
vertraging oplopen en de uitvoering niet overal effectief blijkt.
Eerlijk gezegd laat dat voor mij zien dat het probleem niet alleen van
technische of financiële aard is, maar dat het ook om de governance
gaat. Daarom zou ik graag van de staatssecretaris willen weten hoe hij
aankijkt tegen de governance-uitdagingen van Curaçao en welke stappen
nodig zijn om deze hervormingen duurzaam te laten slagen.
Op Sint-Maarten is er juist zichtbaar voortgang op grote projecten zoals
de wederopbouw van de luchthaven en infrastructuurprojecten.
Tegelijkertijd lezen we ook daar dat beperkte uitvoeringscapaciteit en
institutionele versterking grote aandachtspunten blijven. Eigenlijk
brengt me dat terug bij de kern van de evaluatie die wij hebben
ontvangen. De boodschap is namelijk heel helder: er moet snel
duidelijkheid komen over wat er na 2027 gebeurt. Anders ontstaat het
risico dat hervormingen stilvallen en opgebouwde uitvoeringscapaciteit
verloren gaat. Daarom heb ik de volgende vraag aan de staatssecretaris.
Wat gaan we doen na 2027? Ik wil erbij zeggen dat ik van de eilanden
signalen heb gekregen dat men het heel fijn zou vinden als we doorgaan
met de landspakketten. Wat D66 betreft zou dat ook goed zijn, want
anders valt alles stil. Graag een reactie.
Dan het Europees beleid voor landen en gebieden over zee, oftewel LGO.
Ik weet dat we hierover nog een EU-debat gaan hebben, maar dat debat
moet nog worden ingepland. Ik ben EU-rapporteur en ik vind het toch
belangrijk om hier alvast een vraag over te stellen. Via het LGO-dossier
ontstaan er namelijk ook kansen op het gebied van energie,
digitalisering, infrastructuur en economische ontwikkelingen via
Europese middelen. Tegelijkertijd komen we ook hier echter weer dezelfde
rode draad tegen die we vaker in stukken zien: de kleinschaligheid van
de Caribische landen beperkt hun bestuurs- en uitvoeringskracht. Ook
hier weer de vraag aan de staatssecretaris: hoe gaan we het Caribisch
deel van het Koninkrijk in de positie zetten dat ze de Europese middelen
ook daadwerkelijk kunnen benutten? Datzelfde geldt eigenlijk ook op
economisch gebied. Welke planning ziet de staatssecretaris voor zich
voor het opzetten van het Economisch Groeiplatform Carib?
Dat brengt mij bij mijn derde thema: de beperkte uitvoeringscapaciteit.
We zien die namelijk terug op alle eilanden. Hoe zorgen we ervoor dat de
overheden de beschikbare middelen daadwerkelijk kunnen benutten en
voldoende expertise en uitvoeringskracht kunnen opbouwen?
Tot slot. Aan het eind van dit jaar gaan we een Koninkrijksconferentie
organiseren. Ik vind dat een goed initiatief om binnen het Koninkrijk te
bouwen aan onze gezamenlijke toekomst en onze gezamenlijke uitdagingen.
Ik ben benieuwd of de staatssecretaris wat meer kan vertellen over deze
conferentie, wat de afspraken zijn en hoe dit zich verhoudt tot het
halfjaarlijkse IPKO, die ook volgende week weer op de planning
staat.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dijk. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Bromet
namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik vervang vandaag mijn collega Mikal Tseggai,
die twee debatten tegelijk heeft.
Voorzitter. Nederland vormt samen met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten het
Koninkrijk der Nederlanden. Voor PRO is deze Koninkrijksband van groot
belang, omdat we een gezamenlijk gedeeld verleden hebben. Het is
belangrijk dat we het ingewikkelde verleden erkennen en met elkaar
blijven bespreken. We hebben daarnaast, als het aan PRO ligt, ook een
gezamenlijke toekomst. Als Koninkrijkslanden kunnen we elkaar hierin
veel meer versterken. Alle vier de landen hebben er juist veel aan om op
een goede manier samen te werken, of het nu gaat om het elkaar
ondersteunen in de ingewikkelde geopolitieke situatie, de aanpak van de
gevolgen van de klimaatverandering of het ontwikkelen van een sterke
economie. Hierover heb ik een vraag aan de staatssecretaris. Is hij het
met mijn fractie eens dat we als landen binnen het Koninkrijk juist meer
kansen moeten benutten om elkaar te ondersteunen en te versterken? Welke
ideeën heeft hij hierover na zijn kennismakingsreis naar de eilanden? Ik
ben ook vooral benieuwd naar de positieve concrete voorbeelden die de
staatssecretaris daarbij kan melden.
Voorzitter. Als we goed met elkaar willen samenwerken, dan moeten we ook
begrip voor elkaars positie hebben en, niet onbelangrijk, elkaar
betrekken bij zaken die het hele Koninkrijk aangaan. Daarbij speelden
recent twee zaken die ik hierbij expliciet wil benoemen. Allereerst noem
ik de VN-resolutie over de slavenhandel. Ik wil het hier vandaag niet
over de inhoud van deze resolutie hebben, maar over het feit dat de
regering heeft nagelaten hierover overleg te voeren met de Caribische
landen. De regering is op het terrein van het buitenlandbeleid immers
Koninkrijksregering en dus ook de vertegenwoordiger van Aruba, Curaçao
en Sint-Maarten. Als er op zo'n voor de CAS-landen cruciaal onderwerp
geen overleg plaatsvindt, dan gaat er iets structureel mis in hoe we als
Koninkrijk met elkaar omgaan. De minister van Buitenlandse Zaken heeft
dit inmiddels ook erkend, maar ik hoor graag van de staatssecretaris hoe
we dit in de toekomst anders en beter gaan doen.
Dat brengt mij ook direct bij de tweede situatie, waar een soortgelijk
probleem speelde. Dat was aan het begin van de spanningen tussen de VS
en Venezuela. Ook toen hoorden we vanuit de landen Aruba en Curaçao dat
de communicatie vanuit de Koninkrijksregering gebrekkig was. Mijn vraag
aan de staatssecretaris is dan ook: wat heeft de Koninkrijksregering van
deze twee situaties geleerd? Hoe gaan we de CAS-landen in bredere zin
beter betrekken bij het buitenland- en defensiebeleid? Vindt hij ook dat
we juist extra zorgvuldig moeten zijn op dit vlak, omdat de Nederlandse
regering op deze bevoegdheden Koninkrijksregering is en dus
verantwoordelijk is voor alle eilanden?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
De vraag die ik aan de fractie van PRO zou willen stellen, is de
volgende. We hebben van de week gesproken met de premier van Aruba en
die had juist over dat conflict tussen de VS en Venezuela hele warme
woorden. Hij zei hoe fijn hij de communicatie met Nederland vond, hoe
prettig het was en hoe veilig ze zich daardoor hebben gevoeld. Ik vraag
me af op welk communicatiegebrek de fractie van PRO doelt.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik kan hier geen antwoord op geven, want ik ben slechts even een
invaller. Ik weet dus niet over welke specifieke communicatie dat gaat,
maar ik hoor graag van de staatssecretaris of het klopt dat daarover
soms onvrede is. Als het allemaal dik in orde is, dan heb ik het voor
niets gezegd. Het lijkt me dat het niet uit de lucht komt vallen. Ik
hoor het dus graag van de staatssecretaris, en ook wat hij gehoord heeft
tijdens het recente bezoek.
De voorzitter:
Er is toch nog een vervolginterruptie van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik heb er alle begrip voor dat mevrouw Bromet invaller is, dus ik wil
haar er in die zin ook niet mee lastigvallen. Het lastige is alleen dat
we hier het signaal neerleggen alsof het niet goed is, terwijl we van de
premier hebben gehoord dat het juist heel goed was. Ik vind dat wel heel
belangrijk. Ik hoop dat de staatssecretaris er straks ook goed op in kan
gaan en dat we geen verkeerde signalen geven. Onvrede zal er namelijk
altijd zijn, maar die moet wel ergens op gebaseerd zijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik geef twee voorbeelden. Ik geef dus het voorbeeld over de
slavenhandel. Daar hoor ik de VVD niet over. Daarover heeft de premier
zelf ook al iets gezegd. Het gaat dus gewoon niet altijd goed. Dat is
het punt dat ik wil maken. Ik wil niet te veel inzoomen op deze twee
gevallen. Als er in één geval, dat van Venezuela, helemaal niks aan de
hand is: prima. Het gaat erom dat we respectvol met elkaar omgaan en dat
de Nederlandse regering zich ook verantwoordelijk voelt voor de rol die
zij heeft als Koninkrijksregering in plaats van als Nederlandse
regering. Dat is het punt dat ik hierbij eigenlijk wilde maken.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Misschien kan ik helpen. Er is in het begin van januari namelijk wel
degelijk een situatie geweest waarin we aan tafel zaten met allerlei
vertegenwoordigers van de eilanden en ze zeiden: we horen zo weinig van
de Nederlandse regering over wat de situatie nu precies is. Ik heb de
premier van Aruba ook gehoord, maar die zei volgens mij vooral dat hij
blij was met het Koninkrijk, waardoor hij zich veiliger voelde, en niet
per se met de communicatie. Maar goed, dit is een stukje kennisdeling,
zal ik maar zeggen. Het is eigenlijk geen vraag. Sorry,
voorzitter.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel voor deze ondersteuning.
De tijd is beperkt, dus ik wil kort nog twee andere zaken benoemen. Er
moet een besluit genomen worden over de verlenging van de
landspakketten. Mijn collega van D66 had het daar net ook over. De
evaluatiecommissie heeft geadviseerd om de regeling te verlengen. Dat
lijkt mijn fractie een goed idee. Ik hoor, net als D66, graag van het
kabinet hoe het hiertegen aankijkt.
Het is van groot belang dat wij de natuur in het Caribisch gebied beter
gaan beschermen. Vorig jaar werd de noodklok geluid over de zorgwekkende
toestand van de mangroven op de Caribische eilanden. Ook de bescherming
van de onderwaternatuur tussen Curaçao en Bonaire is van groot belang
voor het ecosysteem. Graag zou ik zien dat het kabinet hier samen met de
eilanden een voortvarende aanpak voor opstelt. Graag een reactie.
Voorzitter. Tot slot een persoonlijke vraag aan de staatssecretaris.
Tijdens het komende WK voetbal vaardigt het Koninkrijk twee landen af.
Stel nu dat Nederland en Curaçao na de groepsfase elkaar tegen zouden
komen, voor wie is de staatssecretaris dan?
Dank u wel.
De voorzitter:
Oeh, een gewetensvraag! Het woord is aan mevrouw Den Hollander namens de
VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u, voorzitter. Mijn eerste stukje tekst ging ook over de
landspakketten, maar daar is al wat over gezegd, dus ik zal alleen nog
maar wat aanvullingen doen qua vragen. Hoe beschouwt de staatssecretaris
de voortgang van de hervormingen? Wat zijn de verschillen tussen de drie
Caribische landen? Mevrouw Dijk ging daar ook al op in. Ik ben benieuwd
naar de reflectie van de staatssecretaris daarop. Ik vraag ook naar de
voortgang na 2027.
Naast de hervormingen in relatie met de landspakketten zijn er nog
andere zorgen rondom de financiële situatie op de eilanden. De
rentelasten over de schulden drukken zwaar op de begroting van deze
landen. Daarbij komt dat er grote tekorten zijn in zorgfondsen en
pensioenfondsen voor Curaçao en Sint-Maarten. Ook op Aruba staan
pensioenen onder druk. Er zijn grote hervormingen voor het zorgsysteem
en het pensioensysteem nodig. In hoeverre ondersteunt Nederland de
eilanden hierbij met kennis en expertise? Ik weet natuurlijk dat de
landen hun eigen bestuur hebben, maar ik denk hierbij bijvoorbeeld ook
aan de Rijkswet HOFA. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegen aan? Hoe
kan daar met een bredere meerderheid enthousiasme voor gevonden
worden?
Ik wil dezelfde vraag stellen over de economische weerbaarheid van de
landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. De CAS-eilanden liggen
op een strategisch kruispunt van geopolitieke en economische belangen.
Dat biedt kansen voor handel, logistiek, regionale samenwerking en
groeimarkten in de regio. Tegelijkertijd brengt deze positie
kwetsbaarheden met zich mee, zoals orkanen, criminaliteit en
geopolitieke spanningen. Daarom is het versterken van de economische
weerbaarheid door het diversificeren en het verbreden van de economie
essentieel. Ook hierbij heb ik de vraag aan de staatssecretaris of
Nederland daar kennis en expertise aan kan toevoegen. Is Nederland
bereid om dat te doen?
Voor het versterken van de samenwerking met Aruba, Curaçao en
Sint-Maarten zet het kabinet in op een terugkerend gesprek tussen de
vier regeringen via de Koninkrijksconferentie. Daar is net ook al over
gesproken. De inzet is om dit jaar nog een eerste conferentie te
organiseren. Welke onderwerpen wil de staatssecretaris hier als eerste
ter bespreking inbrengen? Hoe verhoudt de conferentie zich tot de reeds
bestaande structuur waarmee gewerkt wordt via de vertegenwoordiging van
Nederland in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten? Er was een vraag over het
IPKO, maar ik vraag me dus af hoe het zit met het andere
overlegorgaan.
Voorzitter. Een belangrijk gespreksonderwerp voor het debat van vandaag
is de omgang van de CAS-eilanden met grensoverschrijdende en
-ondermijnende criminaliteit. Het gaat om de bestrijding van corruptie
en fraude en de bevordering van integriteit. De ligging nabij
Latijns-Amerika en Noord-Amerika en de handelsroutes naar Europa maken
het Caribisch deel van het Koninkrijk extra kwetsbaar voor ondermijnende
criminaliteit, zoals het smokkelen van drugs en wapens, mensenhandel en
mensensmokkel. Ook brengt de kleinschaligheid van de eilanden een groter
risico op onbedoelde belangenverstrengeling met zich mee. De afgelopen
jaren hebben de Caribische landen diverse stappen gezet op het gebied
van goed bestuur en integriteit. Nederland werkt samen met Aruba,
Curaçao en Sint-Maarten om extra capaciteit, expertise en middelen
beschikbaar te stellen voor de bestrijding van ondermijnende
criminaliteit. Kan de staatssecretaris aangeven wat de resultaten zijn
van de aanpak die hiervoor al enige tijd loopt? Is er al sprake van
vermindering van genoemde criminaliteit?
Voorzitter. Tot slot wil ik nog aandacht vragen voor het probleem van
vluchtelingen. De situatie rond vluchtelingen op de CAS-eilanden wordt
gekenmerkt door een aanhoudende instroom van mensen die politieke en
economische crises in met name Venezuela ontvluchten. Dit leidt tot
aanzienlijke sociaal-economische en humanitaire uitdagingen, waarbij de
eilanden vaak kampen met beperkte opvangmogelijkheden. De toestroom van
vluchtelingen heeft een grote demografische en maatschappelijke impact
op de kleine eilandsamenlevingen. Daarbij is er een sterke en directe
relatie tussen het vluchtelingenprobleem en wapen- en drugssmokkel. Er
is sprake van gecombineerd transport om de winst per vaart te verhogen.
De kartels faciliteren de mensensmokkel. Omdat vluchtelingen geen legale
status hebben en dus niet mogen werken, zijn ze extreem kwetsbaar voor
uitbuiting door diezelfde kartels. Op welke wijze kan Nederland de
eilanden een helpende hand bieden om deze crisis gezamenlijk op te
lossen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Den Hollander. Dan is nu het woord aan Tijs van den
Brink van het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik hoor dat bij mevrouw Bromet het verkeerde bordje staat.
De voorzitter:
Dat is correct. Zij heet nu mevrouw Kröger. Dat is heel alert van
u.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dat gebeurt vaak, voorzitter. Ik denk dat we op elkaar lijken.
De voorzitter:
Kan de bode het oplossen? We hebben toch echt mevrouw Bromet hier in ons
midden en niet mevrouw Kröger. Het wordt vast geregeld. Dan kan de heer
Tijs van den Brink nu beginnen aan zijn inbreng namens het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Bon dia, goedemiddag aan degenen hier aanwezig
en goedemorgen aan degenen die op de eilanden het debat volgen. Mooi om
vandaag dit debat te voeren over de drie autonome landen die naast
Nederland deel uitmaken van het Koninkrijk, vier landen die door hun
gedeelde geschiedenis nauw met elkaar verbonden zijn.
Voorzitter. Voor het CDA is de toon die Nederland kiest heel belangrijk.
Het moet draaien om samenwerking; samenwerking in het bestuur en de
corruptiebestrijding en samenwerking in de economie. Wat ons betreft
betekent dit dat Nederland niet moet komen vertellen hoe het moet, maar
dat we op basis van gelijkwaardigheid samen optrekken en dat we dat doen
waar behoefte aan is. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij zich
in dat voornemen herkent.
De recente stemming in de Verenigde Naties waarbij Aruba, Curaçao en
Sint-Maarten niet geconsulteerd zijn, is een voorbeeld van hoe het fout
kan gaan. Mevrouw Bromet heeft er zonet ook al iets over gezegd. De
Nederlandse regering heeft excuses aangeboden en daar zijn we blij mee;
het is belangrijk dat die excuses er zijn en belangrijk om ervan te
leren, zodat het niet nog een keer gebeurt wat ons betreft.
In de coronaperiode zijn de autonome landen een stuk harder geraakt dan
Nederland. De economische terugval voor de Caribische landen was in die
tijd veel groter dan in Nederland; Nederland kende in 2020 een krimp van
3,8% van het bbp, de Caribische landen een van rond de 20%. Het CDA
vindt het passend bij de verbondenheid die we in het Koninkrijk hebben
dat Nederland toen heeft geholpen met de landspakketten. In de stukken
van vandaag lees ik, net als mevrouw Dijk, dat we aanlopen tegen een
gebrek aan uitvoeringscapaciteit. De vraag aan de staatssecretaris is of
hij een rol ziet voor Nederland om daarbij te helpen. Of is dat volgens
hem vooral een verantwoordelijkheid van de eilanden zelf?
Verder is nog onduidelijk of het hoofddoel van de onderlinge regeling
samenwerking wordt bereikt, namelijk het versterken van de economische
weerbaarheid en de bestuurskracht van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
Als dat onduidelijk is, hoe gaat de staatssecretaris dan beoordelen of
de landspakketten voortgezet moeten worden, zou mijn vraag zijn; de
einddatum is immers in zicht. In de brief bij de evaluatie schrijft de
staatssecretaris dat hij de uitkomsten gaat bespreken met de
minister-presidenten van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Dat is
natuurlijk altijd goed, maar welke criteria hanteert het kabinet
daarbij? Graag hoor ik een reflectie van de staatssecretaris op hoe de
geïntensiveerde samenwerking is bevallen en op hoe hij meent dat die de
landen is bevallen.
Dan nog een paar losse vragen over verschillende onderwerpen. Mijn
fractie vindt het interessant dat er weer een Koninkrijksconferentie
wordt gehouden. Wat is precies de doelstelling die het kabinet daaraan
hangt? Is het een idee om die conferentie nadrukkelijk in het teken te
stellen van de mogelijke win-winsituaties in de toekomstige relatie
tussen Nederland en andere landen van het Koninkrijk? Waar de landen
elkaar kunnen versterken, zou wat ons betreft een heel mooi thema van de
eerste conferentie kunnen zijn.
Dan de klimaatzaak rond Bonaire. Hoe schat de staatssecretaris de
gevolgen in van de uitspraak voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten?
Behalve woordvoerder Koninkrijksrelaties ben ik ook woordvoerder gokken.
Ik ben tegen gokken, zeker als dat illegaal gebeurt, illegaal online.
Onlangs las ik dat ook Curaçao wordt genoemd als een land dat dit
mogelijk maakt. Is de staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met
de regering van Curaçao over hoe dit gezamenlijk bestreden kan
worden?
Voorzitter. Een ander onderwerp is de Centrale Bank van Curaçao en
Sint-Maarten. Wij lazen over bestuurlijke onenigheid en dat er misschien
zelfs een splitsing gaande is. Is de staatssecretaris bekend met deze
problematiek? Ik zie hem knikken, dat betekent dat dat zo is. Wat zou de
impact van die splitsing kunnen zijn en wat kan hij doen om in deze
situatie te bemiddelen?
Tot slot. Er ligt een advies van de Raad van State over 70 jaar Statuut.
Met dat Statuut is niet zo veel mis, meent de Raad van State, het gaat
erom hoe de samenwerking in de praktijk vorm krijgt. Dan lezen we toch
dat de verhoudingen binnen het Koninkrijk ongelijk zijn en dat de
samenwerking wordt gekenmerkt door wederzijds wantrouwen. Ik ga de
staatssecretaris een beetje uitdagen, want gisteren had hij het veel te
makkelijk hier. Wat de Raad van State zegt, is natuurlijk niet nieuw; we
weten dat allemaal. Heeft de staatssecretaris ideeën hoe we de komende
jaren dat wantrouwen een beetje te boven kunnen komen? Wat valt er te
bedenken waardoor we over een aantal jaren tegen elkaar zeggen "dat
wantrouwen is echt afgenomen; we zijn verder gekomen met elkaar"? Ik ben
benieuwd of de staatssecretaris daar iets over te zeggen heeft.
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Dan geef ik graag het voorzitterschap
even aan mevrouw Dijk, zodat ik mijn eigen bijdrage kan doen.
Voorzitter: Heera Dijk
De voorzitter:
Nou mevrouw Nanninga: shoot!
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank u wel, voorzitter. De landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten liggen
op een strategisch belangrijke plek in een instabiele regio. Dat brengt
kansen met zich mee, maar ook kwetsbaarheden zoals economische
afhankelijkheid, voedselafhankelijkheid, migratiedruk, geopolitieke
spanningen, criminaliteit, en helaas ook beperkte middelen om die
kwetsbaarheden zelf op te lossen. Economische kracht en diversificatie
zijn van groot belang, zoals de crisis rondom Venezuela heeft
aangetoond. Met het tijdelijk opdrogen van de toeristenstroom en het
sluiten van het luchtruim werden de economische eenzijdigheid en de
afhankelijkheden in de ketens pijnlijk duidelijk. Des te meer juichen
wij de heropleving van de diplomatieke relatie tussen Venezuela en het
Koninkrijk toe. Alhoewel het afwachten is of de momentele detente tussen
Venezuela en het Westen, uiteraard voornamelijk de VS, permanent is,
schept deze situatie wel kansen. Zo kan Curaçao profiteren van een
heropleving in de olie-industrie. Curaçao heeft een lange geschiedenis
in de olieverwerking en -opslag. Het land was in de jaren vijftig goed
voor 10% van de wereldwijde olieverwerking. Ook voor Aruba biedt het
kansen. Aruba zou kunnen fungeren als springplank voor buitenlandse
investeerders voor wederopbouw van Venezuela en zijn re-integratie op
het wereldtoneel. Daarnaast zouden betere handelsrelaties met ons
grootste buurland, Venezuela, diversificatie in de leveringsketens
kunnen veroorzaken, met name op het gebied van energie en voedsel. Kan
de staatssecretaris mij vertellen in hoeverre de regering de economische
kansen die Venezuela biedt, in overweging neemt? Zou de regering kunnen
aangeven welke EU-sancties er nog gelden richting Venezuela en of zij
erachter staan om voorwaardelijke EU-sanctieverlichtingen te overwegen
als dat de economie van de landen ten goede komt?
Overigens moeten we niet naïef zijn over Venezuela. Een sterke militaire
presentie op het eiland is een randvoorwaarde. Wij vinden het eigenlijk
wel tijd dat ook Sint-Maarten, net als Curaçao en Aruba met Curmil en
Arumil, een eigen militie krijgt, getraind door Defensie. Die kan ook
ondersteunen bij rampenbestrijding, ordehandhaving et cetera, en de
zelfredzaamheid verhogen. Hoe kijkt het kabinet hiernaar?
Voorzitter. Ik haak nu graag even aan op een ander belangrijk thema. Ik
kijk even naar de klok en ik zie dat ik nog wel eventjes heb. Ik wil het
hebben over de financiële relatie met de landen ten opzichte van
Nederland. Wat dit thema betreft staat JA21 heel helder in de wedstrijd:
Nederland moet bereid zijn om te helpen waar het Koninkrijksbelang dat
vraagt, maar die hulp kan niet eeuwig en vrijblijvend zijn. Autonomie en
verantwoordelijkheid horen bij elkaar. De landen zijn onze gelijke
partners. Dat betekent dat als Nederland bijspringt met geld, expertise,
leningen of fondsen er ook een aantoonbare vooruitgang en een pad
richting zelfredzaamheid tegenover moeten staan. Een financieel infuus
alleen dekt uiteindelijk de structurele problemen niet. We moeten de
landen steunen wat betreft hun structurele problemen. Neem de
landspakketten. Die waren bedoeld om de economieën weerbaarder te maken
en de overheidsfinanciën te herstellen. Het zijn goede thema's, maar in
'27, wanneer de onderlinge regeling afloopt, moeten we niet automatisch
gaan verlengen alsof voortzetting vanzelfsprekend is. De vraag moet
zijn: hoe bouwen we de vernieuwde capaciteit duurzaam in zodat die op
lange termijn wordt geborgd? Kan de staatssecretaris aangeven wat de
landen van ons nodig hebben om dit te realiseren en welke voorwaarden en
KPI's eraan vasthangen? Daarom vraag ik de staatssecretaris welke
voorwaarden worden verbonden aan de recente herfinancieringen en hoe we
gaan voorkomen dat Nederland steeds weer de achtervang wordt als de
aflossingentijd nadert.
Tot slot wil ik nog iets zeggen over voedselzekerheid. JA21 ziet
voedselzekerheid als een serieus strategisch thema. De eilanden zijn te
afhankelijk van import.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van meneer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben benieuwd naar het volgende. Als de staatssecretaris uw vraag over
de landspakketten naar tevredenheid beantwoordt, bent u dan voor
voortzetting van de landspakketten?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ga echt eerst het antwoord van de staatssecretaris even afwachten,
zeg ik tegen de heer Van den Brink. Als er goede borgingen, garanties en
afspraken in zitten, dan overwegen we dat. We staan er niet per
definitie afwijzend tegenover, maar we zijn niet zo gelukkig met de
manier waarop het nu gaat.
De voorzitter:
De voorzitter heeft ook een vraag. Dit voelt een beetje schizofreen. Ik
heb een vraag over de landspakketten. Ik ben benieuwd wat mevrouw
Nanninga of JA21 nu niet goed vindt gaan of waar ze vraagtekens bij
zet.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat zit 'm ook in wat we van de eilanden zelf horen. Op het gebied van
compliance, controle, verantwoording van uitgaven, terugbetalen van
leningen et cetera gaat er gewoon heel veel niet goed. Vanuit de
eilanden zelf wordt er ook heel duidelijk aangegeven dat er tegen een
enorm capaciteitsprobleem aan wordt gelopen. Ik betoog dat er een
gelijkwaardige relatie is met de landen. Dat houdt niet alleen in dat we
helpen, maar ook dat we daar accountability, verantwoordelijkheid en
dergelijke voor terug verwachten. Die balans is in de ogen van JA21
momenteel nog niet in orde.
De voorzitter:
Dank voor het heldere antwoord. Dan heb ik alleen nog een vraag over de
uitvoeringscapaciteit. Ik ben het eens met wat u aangeeft, namelijk dat
die niet op orde is. Er is dus een rode draad dat ze het zelf niet
kunnen uitvoeren. Hoe kijkt JA21 daar dan tegen aan?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat daar toch stevigere afspraken over moeten worden gemaakt. Ik stel
deze vraag natuurlijk nadrukkelijk ook aan de staatssecretaris. Ik neem
aan dat hij zich bewust is van dit probleem en dat hij natuurlijk zoekt
naar een oplossing. Maar het werkt natuurlijk niet zo dat ze kunnen
zeggen: "We hebben niet genoeg capaciteit, maar we willen zonder harde
voorwaarden wel steun blijven ontvangen."
De voorzitter:
Helder. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Wat de voedselzekerheid betreft zijn de eilanden
te afhankelijk van import. Een fonds dat lokale voedselproductie en
ondernemerschap stimuleert, kan nuttig zijn, maar ook hier geldt weer:
geen fonds om het fonds. We willen concrete, afrekenbare doelen: hoeveel
extra lokale productie, hoeveel minder importafhankelijkheid, welke
private cofinanciering en wanneer ontvangt de Kamer de exitstrategie,
waar ook de Algemene Rekenkamer aandacht voor vroeg?
Tot zover mijn bijdrage, voorzitter. Dank aan mevrouw Dijk voor het
voorzitten, dat ik bij dezen weer overneem.
Voorzitter: Nanninga
De voorzitter:
We zijn gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. Ik
vraag de staatssecretaris hoeveel tijd hij nodig heeft om de
beantwoording voor te bereiden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Hoewel de heer Van den Brink er natuurlijk gelijk in heeft dat ik het
vandaag veel zwaarder heb dan gisteren, vraag ik toch dezelfde schorsing
en niet langer, want anders krijg ik ruzie met mevrouw Den
Hollander.
De voorzitter:
Dat was volgens mij een halfuur. Het is nu 15.00 uur. Om 15.30 uur
zetten we de vergadering dus voort met de beantwoording van de
staatssecretaris.
De vergadering wordt van 14.58 uur tot 15.27 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. Ik heropen deze vergadering van de vaste Kamercommissie
voor Koninkrijksrelaties. Welkom terug. We gaan dit commissiedebat
voortzetten. We zijn nu toe aan de beantwoording in de eerste termijn
door de staatssecretaris. Ik stel voor om wederom vier interrupties toe
te laten per persoon. Ik geef graag het woord aan staatssecretaris Van
der Burg voor de beantwoording van de eerste termijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
Het helpt voor de kijkers thuis als ik de microfoon aandoe. Ik heb drie
wat ik maar even "blokjes" of "mapjes" noem of hoe u het hebben wil. Ik
eindig met andere belangrijke zaken. Daarvoor bespreek ik de
landspakketten. Ik begin met samenwerking met de landen, al gaat dat
vloeiend in elkaar over.
Voordat ik aan samenwerking met de landen begin, begin ik eerst met de
bijdrage van meneer Van den Brink. Die vroeg namelijk: hoe kijk je hier
überhaupt tegen aan? Vanaf dag één dat ik staatssecretaris
Koninkrijksrelaties ben, heb ik steeds gezegd dat wij geen moeder met
drie dochters zijn, maar vier zussen. Ik ga uit van gelijkwaardigheid
tussen de vier landen in het Koninkrijk, niet zozeer omdat ik dat vind —
ik vind dat — maar ook gewoon omdat het de basis is van ons Statuut. We
hebben gewoon te maken met vier landen binnen het Koninkrijk en die vier
landen zijn gelijkwaardig aan elkaar. Daarbij heeft er wel één land
speciale taken. De Koninkrijkstaken zijn namelijk belegd bij ons. Dat
zijn er ook maar een beperkt aantal: met name buitenland en defensie. De
gelijkwaardigheid is er echter volledig, wat mij betreft.
Ik kom er straks nog uitgebreid op terug, maar zo zit ik dus ook in de
wedstrijd wat de conferentie betreft. Daarover heb ik het de afgelopen
maanden al een aantal keren gehad, zowel met de premiers als met de
kabinetten, maar bijvoorbeeld ook met de gouverneurs. Ik ga ervan uit
dat we met z'n vieren een agenda maken en dit ook met z'n vieren gaan
organiseren. Zoals ik gisteren ook al zei, toen we stilstonden bij
Statia, Saba en Bonaire: het ligt voor de hand dat die conferentie aan
het eind van het jaar plaatsvindt. Dan zijn we toevallig ook allemaal,
zij het om een andere reden, namelijk Statia Day, in de regio, namelijk
bovenwinds bij Sint-Eustatius. Het ligt voor de hand om die conferentie
dan daaromheen met elkaar te gaan organiseren en deze dan jaarlijks
terug te laten keren. Daarbij begrijpt u dat als we het dit keer
bovenwinds doen, de volgende keer benedenwinds voor de hand ligt en dat
we het rouleren langs de vier landen van het Koninkrijk. Daarom heb ik
ook nadrukkelijk gezegd — daarom ligt november ook voor de hand — dat we
het de eerste keer niet op Nederlandse bodem gaan doen, want dan ligt
het weer voor de hand dat Nederland de andere drie uitnodigt. Binnen het
Koninkrijk hebben we niet drie andere landen. Nee, we hebben vier landen
binnen het Koninkrijk en wij zijn er daar toevallig één van. Dat is in
ieder geval hoe ik in de wedstrijd zit, meneer Van den Brink, zeg ik
uiteraard via de voorzitter.
Over de samenwerking met de andere landen zei ik al tegen de heer Van
den Brink, die daar immers ook een vraag over heeft gesteld, dat ik dus
absoluut uitga van gelijkwaardigheid. Die gelijkwaardigheid betekent dus
ook dat wij niet gaan vertellen hoe het daar allemaal moet gebeuren. We
zijn weliswaar vier gelijkwaardige zussen, maar deze zus is toevallig
wat groter dan die andere drie zussen. Wij hebben dus bijvoorbeeld meer
ambtenaren dan ze daar hebben en wij hebben een aantal mogelijkheden die
de anderen niet hebben. Het kan dus wel zo zijn dat we bijvoorbeeld een
bijdrage leveren door het uitlenen van expertise. Het is dan niet:
jullie moeten het zo doen. Het is wel gewoon het overdragen van onze
kennis en kunde, zoals dat overigens ook gebeurt in andere verbanden
waarin Nederland zit en die buiten de familie vallen, zoals binnen de
Europese Unie, de Benelux of anderszins. Het kan altijd zijn dat grote
zus iets kleinere zus helpt of omgekeerd.
Daar vroeg de heer Van den Brink bijvoorbeeld ook naar. Feit is dat het
Koninkrijk letterlijk van de grens met Duitsland tot aan de grens met
Venezuela strekt. Terecht zei mevrouw Nanninga dat Venezuela ons
grootste buurland is en niet Duitsland bijvoorbeeld. Dat geeft ook een
positieve geopolitieke positie. Wij zijn in de geopolitieke gesprekken
met de Amerikanen interessant vanwege het feit dat wij 35 kilometer van
Venezuela af liggen, van Westpunt af gezien. Wij kunnen inderdaad als
hub functioneren als Koninkrijk; dat werd ook al genoemd door u als
commissie en door mevrouw Nanninga, maar dan in haar andere rol.
Bijvoorbeeld tegen bedrijven die het vervelend vinden om nu te
investeren in Venezuela, omdat ze daarvoor de situatie in Venezuela nog
te precair vinden, kunnen we zeggen dat ze ervoor kunnen kiezen om zich
op Aruba te vestigen. Daarmee kunnen ze dan een sprong maken naar het
Zuid-Amerikaanse vasteland. Dat geldt overigens niet alleen voor
Venezuela, maar ook voor Colombia. Kortom, het feit dat wij niet alleen
eindigen bij Scheveningen maar ook bij Westpunt geeft ons een positie,
zowel in geopolitieke discussies als economisch gezien, bijvoorbeeld ten
opzichte van Zuid-Amerika.
We hebben het ook al even gehad over Mercosur. Even los van hoe je
erover denkt — ik weet dat hierover verschillend wordt gedacht in deze
commissie — er wordt nu mee gewerkt en dat betekent dat we nog betere
banden krijgen met landen in Zuid-Amerika. Je kunt kijken in hoeverre
zowel Curaçao als Aruba als landen binnen het Koninkrijk en natuurlijk
ook Bonaire als onderdeel van Nederland hiervan eveneens kunnen
profiteren.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
We hadden gisteren een gesprek met de premier van Aruba, die vertelde
dat hij graag een EU preclearance wilde. Hoe staat het kabinet
daartegenover?
Staatssecretaris Van der Burg:
Voor degenen die dat niet weten, want niet iedereen die kijkt of
luistert weet dat: als je op Aruba bent, kun je op de luchthaven al
inchecken voor Amerika, waarmee je een soort binnenlandse vlucht binnen
Amerika hebt als je vanuit Aruba vertrekt. Zoiets vergelijkbaars wil
Aruba nu ook met Nederland. Daarbij is één kanttekening te plaatsen: dit
ligt in beginsel niet bij mij, maar bij mijn collega van Asiel en
Migratie, want die gaat over het Schengenverhaal. Amerika is één land,
maar als je Nederland binnenkomt, kom je ook het Schengengebied binnen.
Dat is dus net wat ingewikkelder dan met de Amerikanen. Ik weet echter
dat er op het ministerie van AenM gekeken wordt naar dit verzoek van de
heer Eman. We hebben het er ook al vaak met hem over gehad. Maar of we
het gaan doen en hoe we het gaan doen, laat ik echt aan de heer Van den
Brink, want die spreekt namens het kabinet als het gaat om grenzen en
alles wat daarmee te maken heeft.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Bespeur ik een positieve grondhouding?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ook daar ga ik mij in dit gezelschap niet aan wagen. Wat ik tegen mijn
collega zeg, zeg ik tegen mijn collega. Het is de heer Van den Brink —
voor de luisteraars thuis: dan bedoel ik de minister en niet de heer
Tijs van den Brink — die hierover gaat.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Van der Burg:
Mevrouw Bromet begon ook over de Koninkrijksconferentie. Wat mij betreft
gaan we met z'n vieren de agenda maken. Dat wordt wat mij betreft een
conferentie die niet alleen moet gaan over structuren, statuten en dat
soort zaken meer, maar over: wat kunnen we van elkaar leren, waarin
kunnen we elkaar helpen, waarin kunnen we elkaar versterken en hoe
kunnen we zaken verdiepen en verbreden? Dat is om de gelijkwaardigheid
meer te benadrukken, maar behalve good governance is ook het verdiepen
en verbreden van de economie een belangrijke prioriteit van het kabinet.
Daarover spraken we gisteren al ten aanzien van Bonaire, Sint-Eustatius
en Saba. We zien dat men heel erg gericht is op toerisme als
inkomstenbron; dat speelt benedenwinds sterker dan bovenwinds, maar
zeker op Curaçao en Aruba. Dat kan zomaar wegvallen of minder worden.
Dat is al een reden om te kiezen voor nadrukkelijke verdieping en
verbreding van de economie. De vraag van mevrouw Nanninga kan dan helpen
als het gaat om een hub richting Zuid-Amerika en in het bijzonder
Venezuela. Het gaat ook over voedselzekerheid. U weet dat we een food
fund aan het oprichten zijn; mevrouw Nanninga stelde daar vragen over.
In een vorige commissie heb ik al aangegeven dat dat food fund van 18
miljoen, revolverend, niet is bedoeld voor de drie, dus Bonaire,
Sint-Eustatius en Saba, maar voor de zes. Ook Aruba, Curaçao en
Sint-Maarten kunnen daar dus van profiteren, juist ook in het kader van
de discussie die we gisteren hadden over voedselzekerheid,
noodvoorraden, vers eten et cetera. En revolverend, juist omdat je op
die manier meer kunt doen dan subsidie geven en aan het eind van het
subsidiebedrag constateren dat het geld op is.
De voorzitter:
Ik onderbreek u een moment, staatssecretaris. Op de publieke tribune is
bij ons aangesloten hare excellentie mevrouw Arrindell, gevolmachtigd
minister voor Sint-Maarten. Van harte welkom. Wij zijn bezig met de
beantwoording in eerste termijn. De staatssecretaris is aan het woord om
te reageren op onze bijdragen. Ik geef u graag weer het woord,
staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Over die conferentie gesproken: er waren nog twee specifieke vragen, één
van mevrouw Dijk en één van mevrouw Den Hollander. Die gingen over de
verhouding met het IPKO en met de vertegenwoordiging. Alhoewel Aruba,
Curaçao en Sint-Maarten landen zijn, kennen zij geen Nederlandse
ambassade, maar een Nederlandse vertegenwoordiging. Die Nederlandse
vertegenwoordiging valt dus niet onder Buitenlandse Zaken, maar onder
Binnenlandse Zaken, omdat het binnen het Koninkrijk is. Het zijn dus
geen ambassadeurs. Ik mag ze dus ook niet zo noemen, maar feitelijk
hebben ze wel de ambassadeursfunctie of de ambassadeursrol. Dat houdt in
dat zij vanuit Europees Nederland kijken hoe we binnen het Koninkrijk
kunnen samenwerken. Dat is dus echt een andere rol dan wij hebben als
respectievelijk parlement en regering. De vertegenwoordiging daar zijn
onze ambtenaren die ons daar in een ambassaderol
vertegenwoordigen.
Dan ten aanzien van het IPKO. U overlegt in heel veel organen
parlementair. Dat doet u in het IPKO als het gaat om het Koninkrijk. In
NAVO-verband komt u met de parlementen bij elkaar. In de OVSE komt u bij
elkaar. Volgens mij bent u als Tweede Kamer — in dit geval overigens ook
de Eerste Kamer — over twee maanden zelfs host van de parlementaire
conferentie van de OVSE. En niet te vergeten: het Benelux Parlement.
Kortom, dat zijn de overleggen die u heeft met elkaar. Als het gaat om
deze conferentie, dan zijn het echt de vier kabinetten die met elkaar
overleggen. U zult ook zien dat daar een bewindspersoon plus één zal
zitten, om het zo maar even te zeggen, die dan met elkaar gaan
overleggen. In die zin is er dus geen relatie. Tegelijkertijd laten we
ons wel voeden door wat het parlement belangrijk vindt. Dat zei ik
gisteren in een ander verband ook; nee, dat was eergisteren, toen we een
andere bijeenkomst hadden met elkaar. Uiteraard koppelen we ook aan u
terug, want u heeft een controlerende taak richting dit kabinet en dus
ook richting mij als het gaat om de Koninkrijksconferentie.
Meneer Van den Brink stelde de volgende vraag; ik formuleer 'm iets
positiever dan de heer Van den Brink: we zien nog niet op alle punten
het vertrouwen; af en toe steekt ook het woord "wantrouwen" op. Dat is
iets waar wij nadrukkelijk aan moeten werken. Dat begint met aan alle
kanten uitstralen en laten zien dat we vier landen op gelijkwaardige
basis zijn. We moeten zorgen dat we niet af en toe in de bemoederrol,
zoals ik het maar even noem, schieten. De moeder met de drie dochters?
Nee, het zijn de vier zussen. Dat is spannend. Mevrouw Nanninga heeft
natuurlijk wel gelijk dat als wij geld geven, bijvoorbeeld in het kader
van de landspakketten of het herstel na orkaan Irma, wij daar ook eisen
aan moeten stellen. We moeten niet een bedrag overmaken en zeggen:
that's it. Dat komt omdat wij de gelden die wij van u als parlement
krijgen, willen inzetten voor de doelen die wij belangrijk vinden. Dat
zijn dus onder andere good governance, verbreding van de economie en
betere samenwerking. Daarom stellen wij voorwaarden aan het geven van
die gelden. Het is wel zo — dat moeten we ook erkennen — dat op dit
moment vooral geld van ons die kant opgaat. Het komt niet vaak voor dat
Curaçao, Aruba of Sint-Maarten ons financieel moeten ondersteunen met
pakketten. Dat is in het verleden, rondom de Tweede Wereldoorlog, wel
anders geweest. Toen dreven wij op de steun van met name Curaçao en
Aruba, bijvoorbeeld voor brandstof voor onze schepen et cetera. Binnen
die context werken we aan gelijkwaardigheid. Dat is één.
Twee: transparantie. Het is belangrijk dat we dingen benoemen en
uitspreken. Dat doen we volgens mij ook in de gesprekken die we hebben.
In mijn vorige rol als Kamerlid, toen ik nog Buitenlandse Zaken deed en
vaak in het buitenland was, zei ik altijd: Engelsen zijn te beleefd om
eerlijk te zijn en Nederlanders zijn te eerlijk om beleefd te zijn. Ik
ben ook nog eens Amsterdammer. Die hebben sowieso al een foute naam als
het gaat om te bot en te bruut zijn. Dat betekent wel dat ik er echt
voor kies om te zeggen wat ik vind en wat ik denk en het dan met elkaar
uit te spreken. Ook dat helpt: geen ellebogen, geen geheime agenda, maar
gewoon op tafel leggen wat je vindt. Dat kan helpen in het scheppen van
vertrouwen.
Mevrouw Dijk stelde nog een vrij belangrijke vraag over de EU en de
OCT's. Sorry, ik zeg "OCT's"; dat is de Engelse term. Het zijn de landen
en gebieden overzee, dus de Nederlandse term is "LGO's". Daarbij moet ik
even iets zeggen. We hebben het hier over Curaçao, Aruba en Sint-Maarten
en we hadden het gisteren over Bonaire, Statia en Saba, maar als het
over de LGO's gaat, gaat het over alle zes. Dat komt doordat de Europese
Unie geen onderscheid maakt tussen de drie landen en de drie openbare
lichamen. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar ook voor Frankrijk
en Denemarken; dat zijn de drie landen binnen de Europese Unie waar dit
voor speelt. Als het gaat over overzeese gebieden en landen, dan hebben
ze het dus nadrukkelijk over álle overzeese gebieden van Denemarken —
dat is er overigens maar één: Groenland — Frankrijk en Nederland. Daarom
gooi ik het in dit geval even op één hoop.
Daar hebben we een conferentie over gehad met elkaar, dus met de
Europese Unie, Denemarken, Frankrijk en Nederland. "Nederland" is in die
zin het Koninkrijk der Nederlanden, dus Sint-Maarten, Aruba, Curaçao en
Europees Nederland waren daar aanwezig. Dat was op Aruba, vier of vijf
weken geleden, denk ik. De Europese Unie heeft daar een budget voor. Dat
is, gemakshalve afgerond, zo'n 500 miljoen euro voor de komende jaren.
Voor iets minder dan 60 miljoen van die 500 miljoen zouden de zes van
ons in aanmerking komen, want het is bepaald op basis van inwoneraantal
en dat soort zaken. Alle zes hebben daar een presentatie gehouden over
wat zij daarin belangrijk vinden. Nu moet de Europese Commissie daarmee
aan de slag gaan. Eind juni of begin juli ga ik naar Brussel om het
daarover te hebben en te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat het
Koninkrijk zo veel mogelijk geld kan krijgen ter ondersteuning van in
dit geval de zes overzeese gebieden en landen.
Ik meld overigens nog even dat Aruba nu ook een Europahuis op Aruba
heeft geopend om nadrukkelijk aan te geven: wij willen ook de relatie
met de Europese Unie verbeteren. Niet geheel toevallig was ik ook bij de
opening aanwezig. Ik vind dat Aruba daarin goede stappen zet.
Ik heb hier het een en ander eigenlijk al mee beantwoord, dus ik ga even
door.
De HOFA. Ik had het net al over Aruba. De HOFA speelt natuurlijk ook op
Aruba. De HOFA is de rijkswet die gaat over de overheidsfinanciën met
betrekking tot Aruba. Op dit moment heeft Aruba geen regelgeving
waardoor het bij ons kan lenen, zoals Curaçao en Sint-Maarten die wel
hebben. Aruba heeft geen leenfaciliteit. Als de HOFA wordt aangenomen en
de landsverordening, die in Aruba door het parlement moet, wordt
aangenomen, dan kan Aruba bij ons goedkoper lenen. Het gaat echt om
serieuze verschillen. Er was anderhalve week geleden ook een artikel, ik
meen bij de NOS, over de herfinanciering van een lening op dat moment.
De NOS heeft uitgerekend dat het alleen bij die herfinanciering al 82
miljoen zou schelen als men van Nederland zou kunnen lenen in plaats van
op de markt.
Ik zwijg even, voorzitter.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
We hebben gisteren natuurlijk gesproken met de premier van Aruba. Daar
memoreerde ik vanmiddag ook al aan. Die zegt juist: de HOFA is veel meer
dan alleen een financiële overeenkomst. Er is best wat weerstand in
Aruba. De verhouding in het Arubaanse parlement is heel nipt: op dit
moment elf voor en tien tegen. Het zou helpen als de staatssecretaris
zijn kenmerkende enthousiasme ook kan laten horen over andere gronden
waarop de HOFA goed is voor Europees Nederland en Aruba. Kan hij daar
wat meer over zeggen?
Staatssecretaris Van der Burg:
Voor de duidelijkheid: deze wet gaat natuurlijk over financiering. Uit
die financiering komt echter heel veel voort. Aruba moet de komende tijd
namelijk hele grote investeringen doen, bijvoorbeeld in de raffinaderij;
daar zal de heer Eman het ongetwijfeld ook met u over hebben gehad. Zo
niet, dan heeft hij het daar de afgelopen twee weken op andere plekken
in Nederland wel over gehad. Die investeringen kosten echt heel veel
geld. Als je dat geld bij ons kunt lenen in plaats van op de Amerikaanse
markt en je daardoor de helft aan rente betaalt, dan scheelt het vele
tientallen miljoenen euro's, guldens, florins, dollars of hoe je het ook
noemen wil, die je weer kunt investeren in de bevolking daar. Dat is
waar het over gaat. Hiermee speel je heel veel geld vrij om te
investeren in de infrastructuur, in de sanering van de raffinaderij en
in woningbouw. Dit zijn allemaal zaken die daarvoor uitermate belangrijk
zijn. Het gaat, via geld, uiteindelijk altijd over inhoud. Alleen, ik ga
met u en met de Eerste Kamer het debat aan over de HOFA en ik weet
natuurlijk niet hoe u gaat stemmen. Ik heb echter vrij goede hoop, ook
gezien de signalen in het verleden van verschillende partijen, dat de
wet door de Tweede en Eerste Kamer komt. Alleen, die is wel gekoppeld
aan de landsverordening, die door het parlement van Aruba moet gaan.
Mevrouw Den Hollander heeft gelijk dat dat buitengewoon spannend is. Het
is niet aan mij, als lid van het kabinet van Nederland, om de
landsverordening te verdedigen. Dat zal echt moeten gebeuren door het
kabinet daar.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wat de staatssecretaris zegt, is helder. Tegelijkertijd heb ik de
premier gisteren horen zeggen dat dit ook iets doet met de relatie, met
de samenwerking en met de kansen die dit allemaal biedt. Ook heb ik
gehoord dat er wat gevoeligheden zitten als het alleen maar om geld
gaat. Ik denk dat u allen weet dat Aruba ook meekijkt met dit soort
debatten en dat het helpt als wij ons in de breedte uitlaten. Zou de
staatssecretaris zich nog een keer willen verhouden tot de premier van
Aruba om alle andere bijkomende voordelen goed met elkaar uit te zoeken?
Het is fijn als dat gezamenlijk, op een goede manier richting Aruba
gebracht wordt. Ik denk namelijk dat het goed is als er over en weer
gelijke ideeën over bestaan.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat zal ik zeker doen. Als het gaat om communiceren over uw hoofd heen —
zo noem ik het maar eventjes — met de bevolking van Aruba, moet ik
enigszins terughoudend zijn. Dat is namelijk echt aan het kabinet daar.
Ik zeg het volgende ook tegen de parlementariërs in Aruba. Als men de
landsverordening daar afwijst, gaat de rijkswet ook niet door. Als de
landsverordening wordt afgewezen en de rijkswet niet doorgaat, moet men
gewoon op de markt lenen. U weet dat Nederland het beste rentepercentage
ter wereld heeft. Dat zeg ik niet om op te scheppen; dat is gewoon
feitelijk vastgesteld. Wij zijn namelijk een van de weinige landen met
de hoogste status die je kunt krijgen op de financiële markt. Het kan
dus nooit goedkoper dan via Nederland, vanwege onze goede financiële
huishouding, die resulteert in een triple A-status.
Mevrouw Dijk vroeg wanneer het Economisch Groeiplatform Carib wordt
ingevoerd. Dat doe ik uiteraard samen met de minister van EZK. De
planning is nu dat wij in het najaar daarover voorstellen zullen
doen.
U kent mij inmiddels een beetje: ik ben vaak energiek, soms wat
opgewonden en ik praat veel door middel van gebaren. Ik ben nu echter
even wat rustiger, omdat het volgende punt een buitengewoon belangrijk
en serieus punt is. Dat zeg ik niet omdat de rest niet belangrijk is,
maar dat is dit zeker. Ik heb het dan over de vraag van mevrouw Bromet
aangaande de VN-resolutie. Daar is zowel door de premier als door de
minister van Buitenlandse Zaken wat over gezegd. De premier deed dat met
de drie andere premiers. Zij hebben geconstateerd dat dat niet goed is
gegaan. Er wordt heel veel gestemd in de Verenigde Naties over tal van
resoluties. Daarbij moet de inschatting worden gemaakt, op basis van die
resolutie, met wie bepaalde informatie gedeeld wordt. Over heel veel
revoluties wordt niet gebeld met wie dan ook, omdat dat op basis van
instructies ook goed door de vertegenwoordiging kan worden ingeschat.
Als het gaat om zaken die het Koninkrijk aangaan, die dus ook Aruba,
Curaçao en Sint-Maarten raken, dan zouden daarin twee stappen moeten
worden gezet. Eén: het moet teruggekoppeld worden aan BZK, omdat het
onder onze Koninkrijksrelaties valt. Twee: er moet een koppeling worden
gelegd met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Dat is hier niet gebeurd. Dat
is duidelijk gewoon niet goed gegaan. Dat is even los van de inhoud.
Daar blijf ik van weg, want die discussie hoort echt thuis bij de
minister van Buitenlandse Zaken. Maar ik kan wel zeggen dat het niet
goed is gegaan. Dat heb ik besproken met de premiers, dat heeft de
premier besproken met de premiers en daar heeft de minister van
Buitenlandse Zaken ook uitspraken over gedaan.
Het tweede punt dat mevrouw Bromet noemde, herken ik net als mevrouw Den
Hollander niet. We hebben het dan over 3 januari. Ook wij waren er
namelijk niet van op de hoogte dat Amerikanen daar handelingen zouden
gaan verrichten op Venezuela. En als wij niet op de hoogte zijn, kunnen
we het ook niet doorgeven aan de drie andere landen in het Koninkrijk;
daarvoor moeten we het echt wel weten. Wat daar dus aan de hand was, was
dat we het alle vier gewoon niet wisten. Dan is er een tweede element.
Daar hebben we het ook over gehad, zowel toen ik met de koning op Aruba
en Curaçao was, als toen ik twee weken later alleen op Aruba en Curaçao
was. Dat element betreft de informatie richting de bevolking. Daar ligt
de primaire taak bij de regering van Aruba en Curaçao; die ligt niet bij
ons. Maar wij kunnen niet delen wat wij niet wisten en dat speelde heel
specifiek rond 3 januari.
Mevrouw Den Hollander heeft gelijk — ik trek het voor dit geval breder
en neem ook Bonaire mee— dat 3 januari er wel voor heeft gezorgd dat het
belang van het Koninkrijk nog meer bij ons tussen de oren is komen te
zitten. Dat wordt echt gezegd door de regeringen, maar ik heb het ook
van diverse bewoners gehoord. Het feit dat de Friesland daar rondvoer,
voor de kust heen en weer ging en daarmee de oren en ogen van ons was —
"ons" is in dit geval Aruba, Curaçao en Nederland — werd buitengewoon
gewaardeerd. Mevrouw Nanninga sprak net over onze Defensiedetachementen
die daar zitten. Het feit dat op Aruba en Curaçao militairen aanwezig
zijn, werd op dat moment echt gevoeld als een enorm pluspunt. Op
Sint-Maarten kennen we dat al, want op Sint-Maarten hebben we natuurlijk
weleens te maken met hurricanes en dan weet men: als het misgaat, komen
de schepen vanuit Aruba en Curaçao om ons te ondersteunen. Nu was er het
besef op Aruba en Curaçao: die schepen kunnen ook van Sint-Maarten naar
ons komen, bijvoorbeeld als er iets gebeurt waardoor wij ondersteuning
nodig hebben. Het belang van het Koninkrijk is dus sinds 3 januari extra
gevoeld, niet alleen daar, maar zeker ook bij ons, omdat het ons
natuurlijk ook een aparte positie gaf in dit hele conflict.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Er spelen twee dingen. Het ene is het gevoel van veiligheid dat je
ervaart als er een grote zus klaarstaat met schepen of hulp als er
ellende is. Het andere gaat over de communicatie en daar had ik het
eigenlijk over. Het gaat over de communicatie in de eerste dagen, toen
het heel erg stil was. De bewoners zagen toen alles gebeuren met de
schepen en het bleef stil. Mijn collega Kati Piri heeft daar ook vragen
over gesteld. Dat is waar ik het over had. Ik had het dus niet over waar
mevrouw Hollander het over had toen zij zei hartstikke blij te zijn met
Nederland. Het gaat over de manier waarop je erover praat en ook om het
tempo waarin je dat doet. Dat punt heb ik willen maken.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, maar daarvoor geldt dat Nederland niet communiceert met de bevolking
van Aruba en Curaçao. Wij communiceren met het kabinet van Aruba en
Curaçao, en het kabinet van Aruba en Curaçao communiceert met de
bevolking. Dat is anders als het gaat om Bonaire, want de Bonairianen
zijn gewoon inwoners van ons als Nederland; de bewoners van Curaçao en
Aruba zijn bewoners van Curaçao en Aruba.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dus als er weer zoiets gebeurt, blijft Nederland opnieuw stil omdat het
niet de verantwoordelijkheid van Nederland is?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik zal proberen om mijn irritatie in te slikken, maar u moet dit niet
doen, mevrouw Bromet. Door de formulering die u kiest, klinkt wat u zegt
namelijk als kritiek, terwijl juist GroenLinks-PvdA de hele tijd zegt
dat wij Aruba, Curaçao en Sint-Maarten moeten beschouwen als
gelijkwaardige landen binnen het Koninkrijk. Dan moeten wij dus niet een
rol op ons nemen die niet past bij het kabinet van Nederland maar
thuishoort bij het kabinet van Curaçao en Aruba. Als er iets gebeurt
waardoor wij informatie krijgen over wat er speelt in België, wat er
speelt in Duitsland, wat er speelt in Oostenrijk, dan communiceren wij
met de regering van België, met de regering van Duitsland en met de
regering van Oostenrijk. Zo doen we dat dus ook als het gaat om
Sint-Maarten, Aruba en Curaçao. En zij communiceren met de bevolking.
Sterker nog, ik weet zeker dat wanneer de regering van een ander land
hier de bevolking gaat beïnvloeden en hier gaat communiceren, de door
mevrouw Bromet genoemde mevrouw Piri van GroenLinks-PvdA als eerste
vragen gaat stellen en zal zeggen dat een ander land zich niet moet
bemoeien met de communicatie richting onze bewoners. Dergelijke
communicatie verwacht GroenLinks-PvdA dan namelijk terecht van de
Nederlandse regering. Wij communiceren dus met de regering van Curaçao
en Aruba in dit geval, en zij communiceren met de bewoners.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp de emotie van de staatssecretaris niet zo goed. Ik stel
gewoon een vraag. Daar kun je heel rustig op antwoorden: wij hebben geen
rol in de communicatie naar de bevolking, maar wij zullen de regering er
wel op aanspreken. Dat is een antwoord dat je kan geven. Dan hoef je
niet zo emotioneel te reageren over wat wij als GroenLinks-PvdA op welk
moment doen. Het is gewoon een vraag die ik stel. Daar wil ik het bij
laten.
Staatssecretaris Van der Burg:
Het is een debattruc om je tegenstander of degene met wie je in debat
bent de woorden "emotie" of "emotioneel" in de mond te leggen. Daar
maakt mevrouw Bromet nu gebruik van, hetgeen zij mag. Maar waar het mij
om gaat, is dat ik wel vaker parlementsleden, van meerdere fracties,
hoor zeggen: het enige wat ik doe, is een vraag stellen. Maar die vraag
kun je op een zodanige manier formuleren dat uit die vraag een boodschap
blijkt. Als je dan zegt "jullie blijven weer stil", zullen maar weinig
mensen dat als een neutrale vraag om informatie horen. Die horen dat dan
toch echt anders.
Dat gezegd hebbende ga ik door met de antwoorden over de landspakketten.
We hebben in 2020 met de landen een aantal hervormingen afgesproken. Dat
heeft geleid tot de landspakketten. Het toenmalige kabinet heeft,
uiteraard samen met de Kamers, 200 miljoen euro uitgetrokken voor die
landspakketten. We hebben toen gezegd: we gaan met die landspakketten
aan de gang in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, en vervolgens bouwen we
evaluatiemomenten in. Nu staan we voor zo'n evaluatiemoment, of beter
gezegd, we zijn net klaar met zo'n evaluatiemoment. We hebben de
evaluatie ontvangen. Die heb ik ook op 1 april naar u gestuurd. Die is
op 1 april ook naar de parlementen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten
gestuurd door de desbetreffende kabinetten. Op basis van die evaluatie
gaan we kijken hoe we verdergaan. Mevrouw Nanninga zei net "het einde
nadert" — in relatie tot de landspakketten en niet breder dan dat,
mevrouw Nanninga — maar dat was niet helemaal feitelijk juist. We hebben
nu de eerste fase gehad. De evaluatie volgt. Na de evaluatie kunnen we
ons beleid aanpassen en gaan we vervolgens door naar de tweede fase,
want daarin kunnen we de verlenging doen. Van die 200 miljoen is nog 50
miljoen over. De vraag is hoe we die nu gaan inzetten.
Ik hoor nog formeel richting u te reageren op het evaluatierapport dat
is verschenen. Ik geef nu dus een soort preview, maar u krijgt uiteraard
nog een formele reactie op de evaluatie, want dat hoort zo als u zo'n
rapport ontvangt. In het evaluatierapport zegt de commissie heel helder:
ga door met de landspakketten voor Aruba en Sint-Maarten, en kijk hoe je
doorgaat met Curaçao. Inmiddels heb ik natuurlijk gesproken met de drie
kabinetten van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Die zeggen alle drie dat
zij door willen. In die zin zijn zij vrij duidelijk en is het advies ook
behoorlijk duidelijk. We moeten kijken welke aanpassingen we gaan doen.
Daar gaan wij mee aan de gang en dan komen wij richting u met een
voorstel. Maar het is duidelijk dat, alhoewel wij nu een aantal jaren
hiermee bezig zijn geweest en we inmiddels daarin ook 150 miljoen hebben
geïnvesteerd, wij nog niet klaar zijn. Je zou kunnen zeggen dat er dus
sprake is van een zekere mate van kapitaalvernietiging als wij zouden
zeggen: nee, dat doen we niet. Maar dat is ook niet iets wat je afleidt
uit de evaluatie. We gaan nu dus kijken hoe of wat en dan komen we er
bij u op terug. Natuurlijk komt er dan ook nog een formele reactie
richting u. Weet in ieder geval dat de kabinetten van de drie andere
landen richting ons hebben aangegeven door te willen gaan.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank voor het heldere antwoord. Ik ben alleen benieuwd wanneer we dan
een reactie mogen verwachten. Dat zou wel helpen.
Staatssecretaris Van der Burg:
Zo snel mogelijk na de zomer.
Verschillende mensen, onder anderen mevrouw Den Hollander, gaven ook nog
het volgende aan. Mevrouw Den Hollander zei letterlijk: ik zie dat op
Curaçao grote stelselwijzigingen minder goed van de grond komen. Dat is
precies waarom je een nuanceverschil ziet tussen de reactie van de
commissie ten aanzien van Aruba en Sint-Maarten en ten aanzien van
Curaçao. Dat is dus een onderwerp waar we het over moeten hebben. Wij
zetten dit geld in op basis van de evaluatie en op basis van de
afspraken die wij in 2020 hebben gemaakt ten behoeve van de
landspakketten. Vervolgens moeten de regeringen van die drie landen gaan
leveren. Dit wordt dus een nadrukkelijk punt dat wij mee zullen nemen in
onze voorstellen richting u en richting de drie landen, want we willen
die resultaten ook wel zien. Ik zei het net al even: mevrouw Nanninga
had niet helemaal gelijk. Ze heeft wel in die zin gelijk dat van de 200
miljoen al 150 miljoen is uitgegeven en dat wanneer wij twee keer tot
verlenging overgaan het op een gegeven moment wel ophoudt, tenzij u de
portemonnee trekt en zegt: we gaan door. Maar ik zie ook dat we met
elkaar wat andere financiële vraagstukken hebben die we op moeten
lossen. We moeten die 50 miljoen dus wel zo efficiënt mogelijk
inzetten.
Daarbij speelt — het werd al door meerderen van u genoemd, onder anderen
door mevrouw Den Hollander en de heer Van den Brink — dat je bij
Sint-Maarten ziet dat men heel graag wil. Dat speelt bij meerdere
thema's, niet alleen in het kader van de landspakketten. Men wil heel
graag, maar mist gewoon de uitvoeringscapaciteit. We moeten ook met
elkaar beseffen dat wij als Nederland ten opzichte van de big ones als
China en India misschien een pietepeuterig ieniemienieland zijn met onze
18 miljoen inwoners, maar binnen het Koninkrijk zijn wij natuurlijk by
far veel groter dan bijvoorbeeld Sint-Maarten. Daar spreek je over
40.000 inwoners en niet over 18 miljoen. Dat geeft dus ook beperkingen.
Ze kunnen ook niet eventjes zeggen "we halen het bij de buren", wat
bijvoorbeeld een gemeente in Nederland met 40.000 inwoners wel zou
kunnen. De helft van de ambtenaren komt dan uit de gemeente ernaast of
de gemeente dáárnaast. Het dichtstbijzijnde land binnen het Koninkrijk
ligt voor Sint-Maarten 800 kilometer verderop. Dat maakt het dus
allemaal wat ingewikkelder. Als grote zus zijn wij wel degenen die zo
veel mogelijk moeten kijken naar waar we expertise in kunnen zetten. U
ziet ook dat veel ministeries expertise sturen, juist naar Aruba,
Curaçao en Sint-Maarten, om ze te helpen, of het nou gaat om de
governance, de landenpakketten of simpelweg om wat we doen met de haven,
de luchthaven of de afvalproblematiek die op deze eilanden speelt. Dat
mag u ook van ons verwachten als solidaire grote zus.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik hoor de staatssecretaris zeggen: er is nog 50 miljoen. Zegt u daarmee
ook, in het kader van verwachtingsmanagement, dat het daarna wat het
kabinet betreft klaar is?
Staatssecretaris Van der Burg:
We hebben hier in het coalitieakkoord geen extra gelden voor opgenomen.
We hebben deze 50 miljoen nog over van de 200 miljoen. We hebben
natuurlijk de 30 miljoen voor Bonaire, Statia en Saba benoemd in het
coalitieakkoord. Daarnaast hebben we de 24 miljoen in het kader van het
CariFoodFund, waarvan 18 miljoen ook echt voor het CariFoodFund is
bedoeld. De andere 6 miljoen is voor het neerzetten van de
governancestructuur. Dat is, zeg ik eventjes iets te ongenuanceerd
samengevat, het geld waar ik wat mee kan doen.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Zou de staatssecretaris een onderscheid kunnen maken tussen de
financiële ondersteuning via de landspakketten en de TWO als instituut?
Dat is het samenwerkingsverband waarbij wij als Nederland dus die kennis
en expertise leveren. Is dat onderdeel van dat geld? Of is er ook een
situatie voorstelbaar waarin de TWO in stand blijft zonder verdere
financiële bijdrage?
Staatssecretaris Van der Burg:
TWO staat voor Tijdelijke Werkorganisatie; u weet dat, maar dat weet
niet iedereen die naar dit debat luistert. Als wij de Tijdelijke
Werkorganisatie, die bedoeld is om de landspakketten te helpen
uitvoeren, in stand houden, maar de landspakketten niet doorgaan, dan
ontstaat er wel een zekere spanning, zal ik maar zeggen. De Tijdelijke
Werkorganisatie is namelijk bedoeld om de landspakketten te effectueren.
Zonder landspakketten kan de Tijdelijke Werkorganisatie de
landspakketten niet helpen vervolmaken. Los van de landspakketten en los
van de Tijdelijke Werkorganisatie helpen wij — "wij" is niet specifiek
BZK, maar de Nederlandse overheid en overigens ook organisaties in
Nederland, van VNG tot andere expertiseclubs — door af en toe mensen die
kant op te sturen en te zeggen: goh, jullie hebben een vraagstuk; wij
hebben iemand die jullie daar de komende week, dag, maanden wel bij wil
helpen. Ook worden er trainingen gegeven, zoals "train de trainer". Daar
sturen we ook mensen voor die kant op.
Mevrouw Nanninga vroeg welke voorwaarden worden verbonden aan de
voortzetting van de landspakketten. Dat weet ik nog niet. Ik kom nog met
een voorstel richting u over hoe we dat gaan doen, dus daar kan ik u —
"u" is de voorzitter en natuurlijk de commissie — nog niets zinnigs over
zeggen.
Dan ga ik naar ondermijnende criminaliteit in de landen. Mevrouw Den
Hollander schetst terecht een beeld dat deze drie landen in een
turbulente omgeving functioneren. Ik moet er overigens bij zeggen dat
dit ook geldt voor onze drie openbare lichamen. Dat betekent dat je te
maken hebt met de eilanden eromheen. Bij Bonaire, Aruba en Curaçao
speelt natuurlijk ook de relatie met het vasteland van Venezuela en
Colombia. Dan heb je het ook meer over vluchtelingen, die benedenwinds
meer een vraagstuk zijn dan bovenwinds. Dan heb je ook de combinatie
waar mevrouw Den Hollander het over heeft, namelijk dat je bovenwinds de
relatie hebt met een aantal eilanden eromheen en de bewegingen die
tussen die eilanden plaatsvinden. Ik ben zelf in mijn voorvorige rol,
die van staatssecretaris van Justitie, op Saint Kitts en Nevis geweest.
Daar heb ik met de overheid gepraat, want we zagen dat men zowel op Saba
als op Statia als op Sint-Maarten negatieve effecten ontdekte van de
traffic tussen Saint Kitts en Nevis en onze drie eilanden. Dat had met
name te maken met de criminaliteit. Benedenwinds speelde dat heel sterk
op het gebied van vluchtelingen en, daaraan gekoppeld, wapens en drugs.
Dat noemde mevrouw Den Hollander ook al. Bovenwinds had het minder te
maken met vluchtelingen. Dat blijft spannend. We zetten daar wel een
aantal stappen in. Zo hebben we het Recherche Samenwerkingsteam, dat
daarmee bezig is. De Openbare Ministeries zitten daar natuurlijk ook
goed op. In het najaar komt — ik lees het even voor — de
najaarsvoortgangsrapportage over goed bestuur. De voortgang op dit punt
nemen we daarin mee.
Wat betreft illegaal gokken blijf ik even weg bij de mening van de heer
Van den Brink. Als het kabinet daar al een standpunt over heeft, dan is
dat niet aan mij maar aan de minister van Justitie. Nee, dat is aan de
staatssecretaris van Justitie. Wat betreft illegaal gokken op Curaçao,
waar de vraag over ging, maak ik een onderscheid. Wij gaan niet over
gokken op het eiland. Zodra het gebeurt in een ander land bepaalt dat
land wat het van dat gokken vindt. Het is anders als er zaken gebeuren
vanaf het eiland. Dat speelt bijvoorbeeld bij de onlinecomponent. De
eerste verantwoordelijkheid om daarmee aan de gang te gaan, ligt bij
mijn collega van Justitie. In zijn algemeenheid geldt natuurlijk dat wij
ons als Nederland ertegenaan bemoeien als vanuit een ander land — het
maakt niet uit of dat vanuit Curaçao, Aruba, Sint-Maarten, Dubai, Sierra
Leone of een ander land gebeurt — activiteiten worden ontplooid waar we
hier last van hebben. Dan kunnen we het daar met de desbetreffende
overheid over hebben.
De voorzitter:
Dit wordt uw laatste interruptie, mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik wil mijn laatste interruptie toch besteden aan ondermijning. De vraag
die ik heb gesteld, is of de staatssecretaris kan aangeven wat de
resultaten zijn van de aanpak die al enige tijd loopt. Wij hebben daar
als Nederland namelijk best wel wat middelen voor ingezet. Ook vroeg ik
of er sprake is van vermindering van de genoemde criminaliteit. Die
vraag is nog niet beantwoord, behalve dat de staatssecretaris zei dat
het antwoord wellicht terugkomt in de evaluatie van de Agenda Goed
Bestuur Caribisch Nederland. Kan de staatssecretaris dan toezeggen dat
daarin concreet en cijfermatig wordt onderbouwd of de criminaliteit echt
is afgenomen? Als dat niet in die rapportage kan, kan het dan als aparte
informatie naar de Kamer komen?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik lees het volgende even voor, want het thema ondermijning zit niet in
mijn portefeuille. De meest recente beleidsdoorlichting is die van 2023.
Die liet zien dat de aanpak effectief maar moeilijk meetbaar is. Dat
komt omdat aan de vermindering van ondermijningszaken diverse dingen ten
grondslag kunnen liggen. Dat is eventjes wat ik als antwoord hierop heb
staan. We zien dus in ieder geval dat het aantal ondermijningszaken is
afgenomen. Het is moeilijk meetbaar of het specifiek hierdoor komt, zo
lees ik eventjes van dit papier voor.
Welke sancties zijn er nog vanuit de EU richting Venezuela? Dat is geen
vraag aan mij, maar aan de minister van Buitenlandse Zaken. De melding
die ik krijg, is dat er nog diverse EU-sancties actief zijn. Er zijn
sinds 2017 beperkte maatregelen ingezet als gevolg van het democratisch
verval. Er is ook nog een EU-wapenembargo van kracht en er staan 69
individuen op de EU-sanctielijst wegens ernstige
mensenrechtenschendingen en ondermijning van de democratie. Deze
sancties gelden steeds voor de termijn van een jaar. Ik lees hier dat ik
verder moet verwijzen naar de minister van Buitenlandse Zaken, dus dat
doe ik bij dezen.
Ik blijf even weg bij het woord dat mevrouw Nanninga gebruikte, namelijk
"militie"; daar blijf ik even bij weg. Op dit moment zit Defensie op
Aruba en Curaçao met 500 en 300 mensen, zeg ik even uit mijn hoofd. Ik
zal nog even contact hebben met de minister van Defensie, want daar
hoort de vraag thuis of verdere defensieopschaling aan de orde is en, zo
ja, hoe en waar. Ik zal dit richting Defensie terugkoppelen, zodat zij
weten dat dit in het eerstkomende debat met de minister van Defensie
vanuit JA21 aan de orde zou kunnen komen. Ik word nu ingefluisterd dat
ik het verkeerde antwoord geef, omdat het u ging om de mensen van de
landen zelf. Maar misschien is dat niet zo.
De voorzitter:
Ja, dat klopt. Ik pleeg toch een kleine interruptie. Het woord "militie"
vond ik ook merkwaardig. Ik heb het dus even opgezocht, maar het schijnt
echt zo te heten. Ik bedoel daar dus verder niks mee. Ik begreep van
Arumil en Curmil dat dat zo heet. Ik dacht ook: dat klinkt een beetje
"staatsgreperig". Ik heb het woord daarom toch gebruikt, maar mocht daar
een verkeerd beeld over ontstaan, dan was dat niet de insteek.
Staatssecretaris Van der Burg:
Daar ging ik ook niet van uit, mevrouw Nanninga, maar ik kan daar nu
verder niks over zeggen, want ik weet niet hoe dat zit.
Waar ik wel wat over weet, is de vraag van de heer Van den Brink over de
Centrale Bank Curaçao & Sint-Maarten. Daar heb ik het al diverse
keren over gehad met de premiers van Curaçao en Sint-Maarten, en de
laatste keer ook met de vicepremier van Curaçao. Het is ook aan de orde
gekomen tijdens het bezoek van onze premier aan Sint-Maarten en Curaçao.
Er is inderdaad een discussie over de benoemingen. Daarbij kwam ook de
vraag over splitsing van de bank aan de orde. Tot nu toe, in de laatste
gesprekken die wij hebben gehad, wordt ons door zowel Curaçao als
Sint-Maarten verzekerd dat ze eruit gaan komen. Maar het staat op de
agenda van al mijn overleggen met de regeringen van Curaçao en
Sint-Maarten, want het is wel belangrijk, ook in het kader van de
financiële situaties van de beide landen, dat er geen dingen gebeuren
die een direct effect hebben op de economieën en de financiën van de
landen. Maar men heeft ons verzekerd: wij komen hier met z'n tweeën
uit.
Ik kom nog even specifiek terug op het punt van de vluchtelingen, want
daar doet zich een bijzonderheid voor. Curaçao heeft het
Vluchtelingenverdrag namelijk niet erkend. Dat is een continu punt voor
ons, want wij vinden dat Curaçao het Vluchtelingenverdrag wél zou moeten
erkennen. Maar dat is op dit moment niet aan de orde. De
vluchtelingenproblematiek speelt met name benedenwinds en minder
bovenwinds. Saba en Statia zijn sowieso net iets anders dan de andere
vier, bijvoorbeeld qua grootte et cetera. Maar ze liggen ook een stukje
verder weg, zo'n 800 à 900 kilometer van Venezuela en Colombia. We
helpen aan alle kanten. Dat gebeurt vooral vanuit het ministerie van
Asiel en Migratie. Toevallig mocht ik mij daar tot een paar jaar geleden
tegenaan bemoeien in een andere rol. We ondersteunen bij de opvang en
met expertise en adviezen over hoe je zaken zou moeten doen,
bijvoorbeeld als het gaat om vluchtelingendetentie. Een belangrijk punt
voor ons is dat Curaçao tot ondertekening en erkenning van het verdrag
zou moeten overgaan. We zien dat dit grote problemen met zich meebrengt.
Kijk je naar de verhouding tussen het aantal asielzoekers en het aantal
bewoners, dan blijkt dat Curaçao en Aruba — ook voor Curaçao noem ik het
toch maar even "asielzoekers" — relatief gezien veel meer asielzoekers
krijgen dan wij hier in Nederland. 50.000 mensen hier is nu eenmaal een
ander getal dan 50.000 mensen op een eiland met 150.000 mensen. Het gaat
dus echt over enorme aantallen.
Mevrouw Bromet stelde namens GroenLinks-PvdA nog een vraag over de
natuur tussen Curaçao en Bonaire. Toevallig heeft haar rechterbuurvrouw
daar gisteren bezien vanuit de positie van Bonaire vragen over gesteld.
Die gingen precies hierover: ga na hoe we het reservaat tussen Curaçao
en Bonaire veel groter kunnen maken, het liefst zo groot als het hele
gebied. Ik heb aangegeven dat ik daarover het gesprek aanga met de
regering van Curaçao, omdat ik namens het kabinet de regering van
Bonaire vertegenwoordig, al moeten we dat natuurlijk ook kortsluiten met
de Bonairianen. Ik ga daar dus het gesprek over aan. Dat heb ik gisteren
aan mevrouw Dijk beloofd en als ik het aan mevrouw Dijk beloof, dan
beloof ik het uiteraard ook aan mevrouw Bromet.
De heer Van den Brink had nog een vraag over de gevolgen voor Curaçao,
Aruba en Sint-Maarten van de klimaatzaak van Bonaire. Ik snap dat hij
die vraag hier stelt. Eergisteren hebben mevrouw Tseggai en mevrouw Van
Oosterhout, beiden van GroenLinks-PvdA, hier vragen over gesteld aan de
minister van Klimaat en Groene Groei. Dat heb ik gisteren gezegd. Zij
zal de vragen hierover beantwoorden. Uit mijn hoofd zeg ik even dat
hierover ook vragen zijn gesteld door mevrouw Teunissen van de Partij
voor de Dieren. Ik weet even niet of die ook bij de minister van Klimaat
en Groene Groei liggen, maar ik weet wel dat mevrouw Teunissen daar
vragen over heeft gesteld. Deze vragen worden dus beantwoord door de
minister van Klimaat en Groene Groei richting GroenLinks-PvdA.
Tot slot nog een vraag. Ik wil niet zeggen dat het de belangrijkste
vraag is, maar het is in ieder geval een vraag die ik niet kan
niet-beantwoorden en dat is de vraag over het wereldkampioenschap.
Afgelopen vrijdag mocht ik in een televisieprogramma van Sven Kockelmann
zitten. Ik weet niet of u de eindrubriek kent die er dan altijd is, maar
dan kun je altijd de bitterballenvraag krijgen. Binnenkort zult u het
ook op de social media zien, want daar gaan ze het binnenkort op zetten.
Je krijgt dan een vraag die je moet beantwoorden met a of met b. Als je
die niet neemt, moet je een bitterbal eten en die moet je eerst dopen in
een ontiegelijk hete saus. Dat is om ervoor te zorgen dat je antwoord
geeft op die vraag. Ik ben de nieuwe recordhouder aantal bitterballen
eten, want toen ik deze vraag kreeg, heb ik niet één bitterbal genomen,
maar twee bitterballen, want daar kon ik als staatssecretaris van
Koninkrijksrelaties geen antwoord op geven. Ook op deze vraag zeg ik
tegen mevrouw Bromet: zodra ik als VVD'er weer de kans krijg — en dat is
zaterdagmiddag om een uur of halfvijf, want dan heb ik weer een
VVD-bijeenkomst — zal ik een extra bitterbal voor u eten, want ik ga
hier geen antwoord op geven.
De voorzitter:
Is de vraag zo beantwoord? Haha. Nee hoor, ik ga geen interrupties
uitlokken.
Dank u wel, staatssecretaris, voor de beantwoording in de eerste termijn
van de zijde van het kabinet. Is er behoefte aan een tweede termijn? Dat
is het geval. Dan gaan we het rondje nog een keer maken. Er is 1 minuut
20 seconden spreektijd per fractie. Ik stel voor in deze ronde twee
interrupties toe te staan, want anders redden we het misschien niet qua
tijd. Ik geef het woord aan mevrouw Heera Dijk van D66.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording.
Goed om te horen dat de staatssecretaris naar Brussel gaat. Daarover heb
ik een vraag. Worden wij daar dan ook over geïnformeerd? Ik weet niet of
wij ons rapporteurschap dan al af hebben — dat zal ik even intern
afstemmen — maar misschien kunnen we dan ook die info meegeven. Het is
dus meer een aanvullende vraag.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Bromet, GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en dank
voor de toezegging over de natuur en de actie die de staatssecretaris
daarop gaat nemen.
Ik zou ook nog even terug willen komen op het debatje dat ik had met de
staatssecretaris waarin hij de communicatie vergeleek met die met
België: de staatssecretaris zei ook niet tegen de inwoners van België te
zeggen wat ze moeten doen. De Nederlandse Koninkrijksregering is echter
verantwoordelijk voor de buitenlandse zaken en defensie van alle landen
van de CAS. Ik zou dat graag bevestigd willen zien. Daarop ziet mijn
vraag, want de manier waarop de staatssecretaris daarop reageerde vond
ik echt vervelend. Ik wil het namelijk begrijpen. Als de
staatssecretaris nu zegt dat wat ik zeg klopt, is voor mij de kous
af.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Den Hollander van de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. Ik zou nog heel kort willen terugkomen op de
Koninkrijksconferentie. Ik heb gevraagd welke onderwerpen de
staatssecretaris zelf gaat inbrengen. Ik wil in ieder geval aandacht
vragen voor de voedselvoorziening op de eilanden. Wij hebben daar
gisteren in het debat over onze bijzondere lichamen ook kort over
gesproken. Ik ben er echt van overtuigd dat een goede, eigen
voedselproductie op deze toch wel grote eilanden, misschien met daaraan
een eigen energie-opwek gekoppeld, het verschil kan maken voor de
zelfredzaamheid van de inwoners en daarmee voor het economisch
perspectief en de bestaanszekerheid op de eilanden. Er is nog steeds
veel armoede en soms is het voedsel slecht of is er een gebrek aan vers
voedsel. Zou de staatssecretaris dat onderwerp in ieder geval vanuit
Nederland voor de Koninkrijksconferentie kunnen agenderen? Zouden wij
als Koninkrijk bijvoorbeeld met het CariFoodFund of op andere manieren
hiermee aan de slag kunnen gaan?
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van den Brink van het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Hartelijk dank aan de
staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording. Ik had ook nog een
vervolgvraag over de landenconferentie. Ik had namelijk gevraagd of daar
gekozen zou kunnen worden voor het thema win-win. Het precieze antwoord
daarop heb ik niet gehoord. Ik weet dat de premier van Aruba hetzelfde
thema heeft geagendeerd. Als u dat ook doet, dan is in ieder geval de
helft van de landen daar al voor. Dan zijn we al een heel eind op
weg.
Ik heb er behoefte aan op te merken dat de term "wantrouwen" die u
gebruikte omdat ik die had gebruikt, niet van mij kwam, maar van de Raad
van State. Ik hoor de staatssecretaris nu "nee, nee, nee" zeggen. Oké,
dan is dat duidelijk. Die kwam dus niet van mij, maar van de Raad van
State.
Verder, mevrouw de voorzitter, lijkt de staatssecretaris mij geen
gokker. Ik zal niet vragen "u wel?", want ik mag niet uitlokken, maar ik
zou het wel fijn vinden als de staatssecretaris ten minste bij mevrouw
Van Bruggen het probleem onder de aandacht wil brengen. Voor ons is het
een beetje zoeken: wat ligt bij u en wat ligt bij haar? Als u zegt "het
ligt bij haar", dan wil ik dat wel geloven, maar het is volgens mij wel
echt een serieus probleem waardoor ook in Nederland problemen ontstaan.
Ik zou dus heel graag willen dat de staatssecretaris dat onder haar
aandacht brengt.
De voorzitter:
Dank. We hoeven de heer Van den Brink niet te vragen om de
WK-voetbalpool in te vullen, en de staatssecretaris ook niet, want hij
wil geen keuze maken maar bitterballen eten met hete saus.
Ik lever graag zelf nog een korte bijdrage namens JA21. Dat mag van de
plaatsvervangend voorzitter.
Ik heb nog iets gevraagd over het CariFoodFund. Op zich zien wij daar
het nut wel van in, maar hoe zit het met de concrete doelstellingen en
de aantallen in productie? Hoeveel minder importafhankelijkheid? Is er
een private cofinanciering, en welke?
De Algemene Rekenkamer vroeg ook aandacht voor een exitstrategie. Ik zou
toch graag zien dat de staatssecretaris daar nog even op ingaat, als dat
kan.
Ik had nog één onbeantwoord punt. Dat ging over Venezuela. Het gaat niet
alleen om een "springplank", maar ook om de toevoer van vers voedsel en
andere goederen uit Venezuela. Dat kan natuurlijk ook heel erg bijdragen
aan een betere eigen voedselvoorziening of in ieder geval een
gediversifieerde voedselvoorziening; het is dan natuurlijk nog steeds
import.
Brandstof is natuurlijk belangrijk. Ik begrijp dat deze staatssecretaris
niet per se over de buitenlandse handel gaat, maar kan hij in ieder
geval aangeven of dit wordt meegenomen in de kabinetsbrede gesprekken en
of hij dit bij zijn ambtsgenoten aanhangig maakt? Wij zien daar toch ook
wel kansen.
Dank u wel. Dan zet ik nu even een ander petje op.
Dit was het einde van de tweede termijn van de kant van de Kamer. Als
hij daar klaar voor is, geef ik graag het woord aan de staatssecretaris
voor de beantwoording. Of wil de staatssecretaris eerst nog een
schorsing?
Staatssecretaris Van der Burg:
Nee, voorzitter. Uiteraard kan dat meteen.
Tegen mevrouw Dijk zeg ik uiteraard: ja. Als het gaat om de
besluitvorming over de OCT/LGO-gelden, dan hebben we het over mei
volgend jaar en mijn bezoek is ergens in juni/juli. Uiteraard koppel ik
aan u terug hoe of wat. Als u mij kunt voeden vanuit uw rol —dan bedoel
ik voeden in de zin van informatie en niet zoals mevrouw Den Hollander
dat bedoelt — dan graag.
Mevrouw Bromet heeft gelijk: buitenlandse zaken en defensie zijn
Koninkrijkstaken. Dat laat onverlet dat de regering ook dan communiceert
met de regering en dat de regeringen communiceren met hun eigen
bewoners.
Mevrouw Den Hollander vroeg wat ik inbreng. Ik vind voedselvoorziening
buitengewoon belangrijk. Dit past binnen de discussie die wij gisteren
hadden over noodvoorraden, dit past heel nadrukkelijk bij soevereiniteit
en dit past heel nadrukkelijk bij gezondheid. Als je geen vers voedsel
hebt, komt de frituur eerder om de hoek kijken, en dat helpt ook niet
altijd in het kader van de bestrijding van obesitas en andere daaraan
gerelateerde zaken. U kunt er dus van uitgaan dat dit mijn absolute
prioriteit heeft, in zijn algemeenheid, maar of dit specifiek op de
agenda komt, bepaal ik niet alleen. Dat bepalen we met z'n vieren, maar
u mag van mij verwachten dat ik mij daar wel voor inzet.
Dan de heer Van den Brink. We hebben alle vier al uitgesproken dat we
uitgaan van een win-win op de conferentie. Aan hem kan ik dan ook
makkelijker een toezegging doen dan aan mevrouw Den Hollander; sorry,
mevrouw Den Hollander, dat is zeker niet persoonlijk bedoeld. Daarbij
gaat het er nadrukkelijk om dat we nagaan hoe we elkaar kunnen
versterken. Dat is dus makkelijk.
Aan de heer Van den Brink zeg ik ook toe dat ik het daar met mevrouw Van
Bruggen over heb. Op één punt moet ik hem een beetje teleurstellen. Ik
ben namelijk wel lid van de Vriendenloterij en de Postcodeloterij en van
uw eigen, zeg ik eventjes tegen de heer Van den Brink, Staatsloterij,
die niet voor niets "Staatsloterij" heet. Aan andere vormen van gokken
doe ik niet.
Tegen mevrouw Nanninga zeg ik dat ik wel degelijk de WK-pool ga
invullen. Bij een pool vul je namelijk niet in wie je wíl dat er wint,
maar wie je dénkt dat er wint. Ik vul heel vaak iemand in van wie ik wel
denk, maar niet wil dat die wint. Bij de WK-pool kan ik dat dus
doen.
Mevrouw Nanninga had nog een vraag. Sterker nog, ze had er feitelijk
zelfs twee. Ik was zo in beslag genomen door de hoofdvraag over de pool,
dat ik daardoor de andere twee vergat. Zij heeft nog gevraagd naar het
CariFoodFund. Daar krijgt u van mijn nog gewoon de voorstellen voor. Dan
gaan we het over alle punten hebben waar mevrouw Nanninga het net over
had. Zij mag zeker van mij verwachten dat ik mij zowel in mijn rol als
verantwoordelijke voor Bonaire als het gaat om de landsaangelegenheden,
als in mijn rol van staatssecretaris van Koninkrijksrelaties als het
gaat om het willen verdiepen en verbreden ook van de economie op Curaçao
en Aruba, er volop voor zal inzetten om de door mevrouw Nanninga
genoemde hubfunctie en dus ook het investeren in de relatie met
Zuid-Amerika zo vaak mogelijk en op zo veel mogelijk plekken op de
agenda te krijgen.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn
en daarmee van dit commissiedebat. Ik kijk even naar de leden. Is er
behoefte aan een tweeminutendebat? Dat is niet het geval. Dan lees ik
nog even de toezegging voor die de staatssecretaris heeft gedaan. Dat is
er eentje.
De Kamer wordt na het gesprek van de staatssecretaris in Brussel geïnformeerd. Dat zal eind juni of begin juli zijn.
Tot slot wil ik de staatssecretaris en zijn ondersteuning hartelijk bedanken. Ik dank de aanwezige Kamerleden, de belangstellenden die dit debat hebben gevolgd, onder wie de gevolmachtigde minister op de publieke tribune, en de mensen die digitaal naar het debat kijken. Ik wil ook de griffie, de Kamerbodes en al het overige ondersteunende personeel heel hartelijk bedanken. Ik wens u een fijne dag. Ik sluit deze vergadering.
Sluiting 16.32 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|