Kabinetsreactie op reactie Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van richtlijn intra-EU-overdracht van militaire goederen
Wapenexportbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D26731, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-08 16:11, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 22054 -483 Wapenexportbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z11725:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-09 16:20 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-09 16:20: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-11 13:30: Procedurevergadering Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Preview document (🔗 origineel)
22054 Wapenexportbeleid
33279 Internationale militaire samenwerking
Nr. 483 Brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
Conform het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 maart jl. om een kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel en meerdere organisaties m.b.t. versimpeling van de richtlijn betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensie-gerelateerde producten binnen de Gemeenschap (Richtlijn 2009/43/EG, hierna: intra-EU-overdrachten richtlijn) doe ik u deze brief toekomen.
Nederlands exportcontrolebeleid
Het kabinet erkent het standpunt van Stop Wapenhandel c.s. dat wapenexport met grote zorgvuldigheid dient te gebeuren. Net als Stop Wapenhandel c.s. onderschrijft het kabinet het belang dat het exportcontrolesysteem waarborgen bevat voor de mensenrechten- en humanitaire gevolgen van wapenexport. Het Nederlandse exportcontrolebeleid is erop gericht om ongewenst eindgebruik van militaire goederen, zoals bij schendingen van mensenrechten of het internationaal humanitair recht, te voorkomen.
Europese landen hebben vertrouwen in elkaars exportcontrolesystemen, onder andere omdat alle EU-lidstaten gehouden zijn aan dezelfde exportcriteria zoals gezamenlijk overeengekomen in het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) dat in lijn is met het VN-Wapenhandelsverdrag, ofwel Arms Trade Treaty (hierna: ATT). Ook de intra-EU-overdrachten richtlijn is in lijn met het ATT, wat inhoudt dat de bepalingen van het ATT ook van kracht zijn voor de overdracht van militaire goederen binnen de EU. Bij een overbrenging of verplaatsing van een militair goed van het grondgebied van een lidstaat naar een bestemming in een andere lidstaat wordt gesproken van een overdracht. Zodra de goederen de EU verlaten naar een derde land, betreft het uitvoer.
Tegelijkertijd en met behoud van deze waarborgen is één van de uitgangspunten van het Nederlandse exportcontrolebeleid het voorkomen van onnodige administratieve lasten en het creëren van een gelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven in defensie-industrie.
Het voorstel
De intra-EU-overdrachten richtlijn is in 2009 in het leven geroepen met als doel de regels en procedures te vereenvoudigen die van toepassing zijn op de overdracht van militaire goederen binnen de EU, ten einde de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen.
Op 17 juni 2025 heeft de Europese Commissie het voorstel voor het Defence Readiness Omnibus pakket (hierna: het Omnibuspakket) gepubliceerd. Dit pakket is gepubliceerd in de context van de notie dat het geen oorlog is, maar ook geen vrede, en dat veel regelgeving in de EU niet op die situatie is toegerust. De voorgestelde wijzigingen aan de intra-EU-overdrachten richtlijn maken deel uit van het Omnibuspakket en zijn gericht op het mogelijk maken van snelle overdracht van militaire goederen binnen de EU door complexiteit weg te nemen en administratieve lasten te verlichten met als doel de defensie-industrie in Europa sneller op te schalen. Op 11 juli 2025 is uw Kamer middels een Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-fiche1 geïnformeerd over de beoordeling van het kabinet van het Omnibuspakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn.
Administratieve lastenverlichting
Grensoverschrijdende samenwerking in de Europese defensie-industrie is gebaat bij vermindering van administratieve lasten voor bedrijven. Het kabinet is over het algemeen positief over de lastenverlichting ten aanzien van de intra-EU overdrachten van militaire goederen in het wijzigingsvoorstel voor de intra-EU-overdrachten richtlijn.
Vrijstellingsmogelijkheden
De richtlijn kent op dit moment al de mogelijkheid voor EU-lidstaten om bepaalde type overdrachten vrij te stellen van de vergunningsplicht, bijvoorbeeld wanneer de leverancier of de afnemer een overheidsorgaan is, of een onderdeel van de strijdkrachten van de lidstaten. Het wijzigingsvoorstel stelt een uitbereiding van deze lijst van vrijstellingsmogelijkheden voor. Dit is geen verplichting en in het voorstel blijft het een nationale bevoegdheid van de lidstaten om hierin een keuze te maken.
Zo heeft Nederland de overdracht en uitvoer van militaire goederen, eigendom van en bestemd voor gebruik door de NAVO-strijdkrachten uitgezonderd van de vergunningplicht.
Algemene vergunningen voor laagrisico transacties
Voorts kent Nederland binnen de huidige exportcontrolesystematiek al algemene vergunningen voor laagrisico transacties waarbij bedrijven zich onder de in de vergunning gespecificeerde voorwaarden kunnen registreren. Hierna hoeft er niet meer voor iedere transactie een individuele vergunning aangevraagd te worden. Wel dienen geregistreerde bedrijven dienen te rapporteren over het gebruik van de algemene vergunning. De Europese Commissie stelt voor om in de EU breder en meer geharmoniseerd gebruik te maken van algemene overdrachtsvergunningen, waarbij binnen een bepaald kader hetzelfde geldt, namelijk dat bedrijven niet voor iedere overdracht van militaire goederen opnieuw een vergunning aan moeten vragen. Dit is in lijn met de langjarige inzet van Nederland2 om het gelijk speelveld voor Nederlandse defensie-industrie verder te bevorderen en de samenwerking tussen de Europese defensie-industrie te versterken. Dit geldt in het bijzonder voor industriële samenwerking die voortkomt uit de EU-defensie-industrieprogramma’s zoals het Europees Defensie Fonds (EDF).
Uitvoer buiten de EU
Het kabinet erkent het onderscheid dat Stop Wapenhandel c.s. maakt tussen overdracht van militaire goederen naar EU-lidstaten en de uitvoer naar landen buiten de EU. De richtlijn en de voorgestelde wijzigingen zien niet toe op de uitvoer van militaire goederen naar landen buiten de EU, daarvoor blijft het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) als toetsingskader van kracht.
Genderspecifiek geweld
Tevens onderkent het kabinet het belang van specifieke aandacht voor genderspecifiek geweld bij uitvoer van militaire goederen. Mede door de inzet van Nederland zijn de mogelijke gevolgen van wapenexport voor genderspecifiek geweld of ernstige geweldsdaden tegen vrouwen en kinderen bij de herziening van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) en in lijn met het ATT expliciet opgenomen in de toetsingscriteria voor de beoordeling van uitvoer van militaire goederen.
Vervolg
Op 26 november 2025 is de Raad een onderhandelingsmandaat3 overeengekomen, waarin (mede door de inzet van Nederland) expliciet is opgenomen dat de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van het exportcontrolebeleid inzake militaire goederen niet mag worden aangetast. Ook is expliciet gemaakt dat de bepalingen van de intra-EU-overdrachten richtlijn, betreffende de overdracht van militaire goederen binnen de EU, niet van invloed mag zijn op de uitvoer van militaire goederen naar landen buiten de EU.
De onderhandelingen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (trilogen) over het Omnibuspakket zijn begin 2026 van start gegaan. Gezien de lopende onderhandelingen kan het kabinet niet vooruitlopen op de uitkomsten van dit proces.
De minister van Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Kamerstuk 22 112, nr. 4103↩︎
Kamerstuk 22 054, nr. 395↩︎
https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-16097-2025-INIT/en/pdf↩︎