Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde Agenda formele Telecomraad van 9 juni 2026 (Kamerstuk 21501- 33-1202)
Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D26827, datum: 2026-06-03, bijgewerkt: 2026-06-08 09:11, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken (FVD)
- Mede ondertekenaar: S.R. Muller, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 33-1211 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie.
Onderdeel van zaak 2026Z11757:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-18 15:00 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-06-09 16:20 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-09 16:20: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 15:00: Procedurevergadering Digitale Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Digitale Zaken
Preview document (🔗 origineel)
21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie
Nr. 1211 Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld 3 juni 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft enkele vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken en
Klimaat over:
- de brief van 28 mei 2026 inzake het verslag informele Telecomraad
29-30 april 2026’ (Kamerstuk 21501-33, nr. 1204),
- de brief van 21 mei 2026 inzake de geannoteerde
agenda Telecomraad (Formeel, d.d. 9 juni 2026)’ (Kamerstuk 21501-33,
nr. 1202),
- de brief van 15 mei 2026 inzake het Akkoord
Omnibus AI’ (Kamerstuk 22112, nr. 4343), - de brief van 8 april 2026
inzake het Non-paper Digitale Omnibus – AVG (Kamerstuk 2212, nr.
4304).
De vragen en opmerkingen zijn op 29 mei 2026 aan de staatssecretaris van
Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 3 juni 2026 zijn
de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Dekker
Adjunct-griffier van de commissie,
Muller
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Antwoorden op de vragen van de D66 fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Telecomraad van 9 juni 2026. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke Europese digitale positie en achten het noodzakelijk dat Nederland en Europa meer regie nemen op digitale infrastructuur, cloudvoorzieningen en artificiële intelligentie (AI). Juist in geopolitiek onzekere tijden moet worden voorkomen dat strategische afhankelijkheden ontstaan die de digitale weerbaarheid, concurrentiekracht en democratische rechtsorde onder druk zetten.
Zij spreken in dat verband hun waardering uit voor het besluit van het kabinet om de overname van Solvinity tegen te houden. De leden van de D66-fractie zien daarin een belangrijk signaal dat digitale soevereiniteit en regie op kritieke digitale infrastructuur serieus worden genomen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de discussie over Europese technologische soevereiniteit concreter kan zijn, onder meer via het aangekondigde EU Tech Soevereiniteitspakket.
1)Zij lezen dat het kabinet openstaat voor voorkeursbeleid voor Europese aanbieders binnen kritieke sectoren. De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden en vragen het kabinet nader toe te lichten welke criteria hierbij richtinggevend zouden kunnen zijn, hoe deze in de praktijk toepasbaar zijn en hoe dit zich volgens het kabinet verhoudt tot bestaande aanbestedingsprocedures.
Antwoord
Het kabinet is terughoudend met het inzetten van een EU-voorkeursprincipe. Het principe kan worden ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen of inzet van bestaande handelsinstrumenten ontoereikend zijn, om strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de lange termijn weerbaarheid van de Unie. Hierbij dienen per sector, waardeketen of industrie zorgvuldig de baten afgewogen te worden tegen de kosten.1
De toepassing moet tijdelijk, doelmatig en proportioneel zijn. De toegang voor gelijkgestemde handelspartners moet hierin bijvoorbeeld niet belemmerd worden. Dit kan door vooraf de impact op handelspartners van de EU zorgvuldig in kaart te brengen. Conformiteit met de internationale juridische verplichtingen van de EU is daarbij een belangrijk criterium. De aanbestedingsrichtlijnen en daarmee de bestaande procedures zullen later dit jaar worden herzien. Het kabinet zal de positie op het EU-voorkeursprincipe hier in meenemen.
2)Voorts lezen deze leden dat het kabinet wil inzetten op een Europese aanpak gericht op de gehele digitale keten. Hoewel deze ambitie steun verdient, achten zij het van belang dat binnen deze inzet duidelijke prioriteiten worden gesteld. In hoeverre is daarvan momenteel sprake? De leden van de D66-fractie vragen het kabinet voorts of het onderschrijft dat versterking van digitale soevereiniteit in het bijzonder vraagt om inzet op de cloud en toegang tot kritieke grondstoffen. In dat verband vragen deze leden ook hoe het kabinet de ontwikkeling van een duidelijke Europese definitie van een soevereine cloud beziet.
Antwoord
Het kabinet deelt de visie dat prioriteren binnen de digitale keten essentieel is, waarbij de cloudmarkt en kritieke grondstoffen nadrukkelijk de aandacht behoeven. Zoals betoogd in de agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) functioneert het digitale stack model als een ecosysteem waarin alle lagen, van grondstoffen tot online applicaties en alles daar tussenin – waaronder ooknetwerktechnologie, semicon, AI en cloud, onderling afhankelijk zijn van elkaar. In een recent Nederlands non-paper over het Tech Sovereignty Package2 pleit het kabinet daarom voor een integrale aanpak rondom een Tech Stack. Hierin versterken de lagen elkaar via een vraag-aanbodkoppeling: cloud en AI-toepassingen stimuleren de vraag naar chips en hardware, en in het verlengde hiervan kritieke grondstoffen. In hetzelfde non-paper zet het kabinet uiteen dat de vorming van een duidelijke Europese definitie van een soevereine cloud een van haar prioriteiten is voor de Cloud & AI Development Act (CADA). Ook in het non-paper Versterken van cloudsoevereiniteit van overheden van juli 2025 heeft het kabinet deze ambitie geuit.3 Het wetsvoorstel voor de CADA is op 3 juni gepubliceerd. Op korte termijn ontvangt de Tweede Kamer een BNC-fiche over dit wetsvoorstel, waarin wordt ingegaan op de positie van het kabinet.
3)Ten aanzien van de Omnibus Digitaal lezen zij dat het kabinet van mening is dat vereenvoudiging van regelgeving niet ten koste mag gaan van het niveau van bescherming van grondrechten. De leden van de D66-fractie onderschrijven die lijn. Deze leden roepen het kabinet op zich in de verdere onderhandelingen te blijven inzetten voor behoud van privacybescherming en de Kamer te blijven informeren over de Nederlandse inzet en de voortgang. Zij lezen daarnaast dat er een akkoord is bereikt op de Omnibus AI. De leden van de D66-fractie achten het tot slot van zeer groot belang dat in de Omnibus AI een verbod op seksuele deepfakes is opgenomen.
Antwoord
Het blijft de inzet van het kabinet om via omnibussen vereenvoudiging na te streven zonder beleidsdoelen aan te passen of bescherming van grondrechten te verminderen, en verder om voorstellen die verdergaan dan versimpeling te beoordelen op basis van de verwachte impact, en zich in de onderhandelingen in te zetten om onwenselijke voorstellen te beperken of aan te passen. Over het verdere verloop van de Omnibus Digitaal zal ik uw Kamer informeren in overeenstemming met de geldende informatieafspraken. Het kabinet is verheugd dat er inmiddels binnen de Europese Unie een akkoord is bereikt over een bestuursrechtelijk verbod in de AI-verordening op AI-systemen die materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming vervaardigen of manipuleren.
4) Deze leden zijn daarnaast van mening dat nieuwe AI voorafgaand aan brede inzet beter getest zou moeten worden. Zij constateren dat bij nieuwe AI nog te vaak sprake is van een “eerst lanceren, daarna corrigeren”-benadering. De leden van de D66-fractie vragen hoe het kabinet hiernaar kijkt. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is in Europees verband te verkennen hoe AI voorafgaand aan marktintroductie kan worden getest.
Antwoord
Innovatie is in de kern het op de markt brengen van nieuwe of verbeterde producten of diensten, die niet allemaal voor het op de markt brengen getest kunnen worden. De AI-verordening bevat regels voor AI-systemen die een hoog risico kunnen vormen voor veiligheid, gezondheid of fundamentele rechten. Deze moeten wel voorafgaand aan het op de markt brengen gecertificeerd worden. Daarbij moet worden nagegaan of aan de vereisten van de AI-verordening wordt voldaan. Die certificering kan in een aantal gevallen door de aanbieder zelf worden uitgevoerd, in andere gevallen moet dat door een externe partij worden uitgevoerd. Voor toepassingen die niet als hoog risico worden aangemerkt door de AI-verordening, is een dergelijke certificering niet vereist. Lidstaten mogen dat op grond van de verordening ook niet voorschrijven.
Een verkenning in Europees verband naar methoden voor het testen en evalueren van AI voorafgaand aan marktintroductie is een waardevolle stap. Het kabinet verkent de haalbaarheid en wenselijkheid van een Nederlands AI Safety Institute (NL-AISI) waarbij het van belang is dat dit aansluit bij bestaande Europese initiatieven en kaders.
5) Voorts constateren deze leden dat Europese regelgeving voor digitale diensten (Digital Services Act) al mogelijkheden biedt voor onderzoekers om toegang te krijgen tot informatie over algoritmes, terwijl een vergelijkbare transparantieverplichting in de AI Act ontbreekt. Zij achten het van belang dat inzicht bestaat in de werking van AI-systemen, bekende aandachtspunten en de wijze waarop ontwikkelaars daarmee omgaan. Hoe kijkt het kabinet aan tegen een Europese transparantienorm voor AI? En is het kabinet bereid zich hiervoor in Europees verband in te zetten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van inzicht in de werking van AI-systemen en transparantie over mogelijke risico’s van AI-systemen. Het huidige Europese wettelijke kader bevat meerdere verplichtingen die de transparantie beogen te verbeteren. Uit de AI-verordening volgt dat aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden inzicht moeten geven in de werking van deze modellen aan de ontwikkelaars die hoog-risico AI-systemen met behulp van deze GPAI-modellen ontwikkelen. In het geval van AI-systemen waarbij content wordt gegenereerd hebben ontwikkelaars en gebruiksverantwoordelijken de verplichting hierbij aan te geven dat dit gegenereerde of gemanipuleerde content betreft. Aanbieders van AI-systemen die als hoog-risico zijn gecategoriseerd moeten verder een gebruikershandleiding opstellen en gebruiksverantwoordelijken van hoog-risico systemen moeten diegenen die geraakt worden door besluiten die met behulp van deze systemen worden genomen hierover informeren. Deze bepalingen in de AI-verordening zijn op dit moment nog niet van toepassing en het kabinet werkt momenteel aan onder meer het aanwijzen van toezichthouders via de uitvoeringswet AI-verordening. Deze verplichtingen, in combinatie met de bestaande mogelijkheden voor toegang tot data door onderzoekers in onder de DSA, zorgen dat er momenteel geen aanleiding is om te pleiten voor een bredere Europese transparantienorm voor AI.
6) Ten aanzien van de European Business Wallets zijn de leden van de D66-fractie zeer positief. Deze leden onderschrijven de kansen die wallets bieden voor veilige, privacyvriendelijke en grensoverschrijdende digitale dienstverlening, waarbij gebruikers meer regie krijgen over hun gegevens en minder persoonsgegevens hoeven te delen. Zij zien kansen voor ondernemers, onder meer door vermindering van administratieve lasten. De leden van de D66-fractie zijn daarom benieuwd hoe het staat met de Nederlandse uitrol van de wallets. Worden al vergunningen afgegeven zodat aanbieders daadwerkelijk wallets op de markt kunnen brengen? En acht het kabinet Nederland op schema om tijdig aan de Europese verplichtingen te voldoen?
Antwoord
Voor European Business Wallets (EBW) geldt op basis van het wetsvoorstel dat er geen verplichting is voor lidstaten om ervoor te zorgen dat deze worden uitgerold of door lidstaten vergunningen worden afgegeven. Marktpartijen kunnen een EBW op de markt brengen na toetsing door de toezichthouder. Het kabinet heeft vanuit de markt enthousiaste geluiden gehoord om daar snel na het van kracht worden van het Europese wettelijke kader uitvoering aan te geven. Op nationaal niveau moet daarvoor nog het toezicht op European Business Wallets worden ingericht. Voor publieke organisaties geldt dat zij de verplichting krijgen om European Business Wallets te gaan accepteren binnen de toepasselijke implementatietermijnen. Het kabinet zal zich inspannen hier tijdig aan te voldoen.
Antwoorden op de vragen van de VVD fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en overige stukken voor de formele Telecomraad van 9 juni 2026. Deze leden hebben hierbij nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie staan voor een sterke economie. Economische groei is belangrijk. Zonder groei kunnen we namelijk niet onze voorzieningen blijven betalen zoals we deze nu kennen. Zonder groei kunnen we ook steeds minder goed onze belangen op het internationale podium verdedigen, omdat we steeds meer irrelevant zijn. Economische groei vereist dat we goede digitale infrastructuur hebben. Deze leden zijn daarom blij dat er werk wordt gemaakt van de opbouw van een sterke Europese digitale infrastructuur.
7) Zij vragen hoe de staatssecretaris concreet optimale aansluiting wil zoeken bij AI-gigafabrieken van andere EU-landen, nu Nederland geen publiek geld beschikbaar stelt voor de bouw van een AI-gigafabriek. De leden van de VVD-fractie wijzen daarbij op recent onderzoek van PwC dat uitwijst dat één procent meer data-intensiteit samenhangt met 0,13 procentpunt hogere economische groei in het jaar erna.4
Antwoord:
Nederland stelt momenteel geen publieke middelen beschikbaar voor het
aanbesteden van rekencapaciteit bij een AI-gigafabriek in Nederland. Dat
neemt niet weg dat het kabinet actief inzet op de ontwikkeling van
AI-infrastructuur in Nederland en optimale aansluiting bij
AI-gigafabrieken die in andere EU-lidstaten binnen het kader van EuroHPC
worden gerealiseerd. Ten eerste blijft Nederland via deelname aan de
EuroHPC Joint Undertaking volledig aangesloten op de Europese
besluitvorming en programmering rond deze infrastructuur. Daarmee kunnen
Nederlandse publieke en private partijen via de reguliere EuroHPC-calls
toegang aanvragen tot hoogwaardige rekencapaciteit, waaronder
toekomstige capaciteit in AI-gigafabrieken elders in Europa. Ten tweede
zullen Nederlandse kennisinstellingen, bedrijven en overheden
marktconform rekencapaciteit kunnen inkopen bij deze Europese
voorzieningen, vergelijkbaar met toegang tot andere (bestaande)
commerciële AI-infrastructuur.
8) Daarnaast lezen deze leden dat het kabinet openstaat voor een gericht en proportioneel EU-voorkeursprincipe in specifieke kritieke sectoren wanneer andere instrumenten onvoldoende effectief blijken. Hoewel zij de noodzaak om strategische afhankelijkheden af te bouwen en onze digitale weerbaarheid te versterken zeer goed begrijpen, vinden de leden van de VVD-fractie tegelijkertijd dat ervoor opgepast moet worden dat dit niet doorslaat in protectionisme waar uiteindelijk het Nederlandse bedrijfsleven de rekening voor betaalt. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris hiernaar kijkt. Tevens vragen zij op welke kritieke sectoren dit concreet betrekking heeft.
Antwoord
Het kabinet is terughoudend in de toepassing van EU-voorkeurscriteria, juist omdat het uitgangspunt een open, op regels gebaseerde markt is. Om de kosten zo laag mogelijk te houden voor het bedrijfsleven, zet het kabinet zich in EU-verband in voor het bevorderen van een mondiaal gelijk speelveld, waar handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktverstorende praktijken onderdeel van zijn. Om tegengewicht te bieden aan groeiende economische invloed van andere machtsblokken, spoort het kabinet de Europese Commissie actief aan nieuwe handels- en investeringsbedragen te sluiten om onze handelspartners te diversifiëren.
Indien nodig treft de EU-maatregelen tegen marktverstorende praktijken, bijvoorbeeld door inzet van het handelsdefensieve instrumentarium of recentere instrumenten zoals het Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (International Procurement Instrument, IPI). Tegelijkertijd erkent het kabinet dat in sommige strategische sectoren gerichte, tijdelijke en proportionele inzet van dergelijke criteria gerechtvaardigd kan zijn. Hier dient een gedegen analyse aan ten grondslag te liggen en een open houding naar onze handelspartners te worden geborgd. Het kabinet is momenteel bezig met het uitvoeren van dergelijke analyses, bijvoorbeeld voor sectoren in het digitale domein, zoals cloud.
Het kabinet deelt de opvatting dat protectionisme tegengaan moet worden. Nederland respecteert de internationale (WTO-) verplichtingen die ongeoorloofd protectionisme verbieden.
9)Dit spanningsveld zien we terugkomen in een recent artikel van de Volkskrant over satellietfrequenties.5 De EU wil Europese telecombedrijven voortrekken, wordt gesteld. Hoe zou volgens het kabinet moeten worden omgegaan met een situatie waarin Europese partijen ‘falen’, waar de expert in het artikel voor waarschuwt?
Antwoord
Op 27 mei jl. heeft de Europese Commissie haar voorstel voor een verordening omtrent de verdeling van de 2 GHz-band gepubliceerd.6 Het kabinet zal dit voorstel bestuderen, via de gebruikelijke processen appreciëren en de Kamer daarvan via een BNC-fiche op de hoogte brengen. Het uitgangspunt van het kabinet is dat een gebalanceerde verdeling, waarin alle belangen zorgvuldig worden meegewogen, de voorkeur heeft.
10)De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van het voornemen om tijdens de Telecomraad een algemene oriëntatie aan te nemen over het voorstel voor de European Business Wallets (EBW). Deze leden zijn benieuwd naar de ontwikkeling van deze wallets. Wat is de actuele stand van zaken van dit voorstel? En hoe zorgt het kabinet ervoor dat het Nederlandse bedrijfsleven optimaal is geëquipeerd om te profiteren van dit voorstel?
Antwoord
Op 9 juni zal de Telecomraad naar verwachting besluiten over de Raadspositie op de European Business Wallet die het resultaat is van de onderhandelingen tussen de lidstaten die zijn gestart na de publicatie van het voorstel van de Europese Commissie op 19 november 2025. De Nederlandse inzet daarbij was gebaseerd op het BNC-fiche van 16 januari. In de compromistekst zijn voor Nederland de aandachtspunten zoals benoemd in het BNC-fiche voldoende geadresseerd, waardoor het kabinet positief tegenover de compromistekst staat. Na het bereiken van de algemene oriëntatie starten de triloogonderhandelingen met het Europees Parlement en de Europese Commissie.
Het kabinet is gestart met een communicatiecampagne om het Nederlandse bedrijfsleven voor te lichten over het wetsvoorstel van de European Business Wallet. Daarnaast doet Nederland actief mee aan de grote Europese Large Scale Pilot WE BUILD, waar ervaringen met het ecosysteem voor European Business Wallets worden opgedaan. Deze zullen worden gedeeld met het Nederlandse bedrijfsleven.
Antwoorden op de vragen van de GroenLinks-PvdA fractie
11)Zij waarderen dat er uitgebreid wordt stilgestaan bij digitale autonomie, specifiek gericht op de afhankelijkheid van Big Tech binnen de overheid. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd op basis van welke inzichten en onderzoeken naar de digitale afhankelijkheden van EU-lidstaten deze discussie wordt gevoerd. Zijn er actuele cijfers over hoe afhankelijk Europa is? Kan de staatssecretaris deze stukken met de Kamer delen? Bovendien de vraag aan de staatssecretaris om expliciet te benoemen wie het “klein aantal buitenlandse spelers” zijn waar Nederland en Europa afhankelijk zijn geworden. Kan de staatssecretaris een actueel overzicht geven van hoe groot de afhankelijkheid van deze bedrijven is binnen belangrijke strategische sectoren, met name de overheid?
Antwoord
Er zijn verschillende studies die cijfermatige inzichten bieden hoe het gesteld is met dit type Europese afhankelijkheden. Zoals Het Rijk in de cloud van de Algemene Rekenkamer7, waar inzicht wordt gegeven in gebruik van public cloud bij de Rijksoverheid. Ook in de Brief - Evaluatie Rijksbreed Cloudbeleid8 zijn een aantal kengetallen uitgewerkt, incl. leveranciers. Voor generieke cijfers over de cloudmarkt in Nederland en de EU geeft ook de Marktstudie clouddiensten van de ACM de nodige cijfers9, evenals het Draghi-rapport10. In algemene zin is bekend dat de marktconcentratie van de drie US hyperscalers erg groot is (in Nederland, cq Europa). In de rapporten van ACM en Draghi wordt op de verhouding tussen deze partijen ingegaan.
12)De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van enorm belang dat de inkoop- en aanbestedingsregels dusdanig worden aangepast, dat vendor lock-in kan worden voorkomen. Deze leden vragen hoe het kabinet en de EU-lidstaten waar zij mee in overleg gaan kijken naar de rol van de Rijksoverheid om als marktmeester op te treden. Is dit het uitgangspunt bij meer EU-lidstaten? Welke lidstaten slagen er al in om via inkoop en aanbestedingen een nieuwe markt te creëren voor binnenlandse of Europese IT-leveranciers? Welke lessen leert Nederland hier van? Zij ontvangen graag concrete voorbeelden van succesvolle benaderingen van andere EU-lidstaten die er in slagen om digitaal autonoom te worden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook benieuwd hoe groot de digitale afhankelijkheden van Nederland zijn ten opzichte van andere lidstaten. Hoe doen wij het in vergelijking met andere landen? Hoe verklaart de staatssecretaris de positie van Nederland in deze vergelijking?
Antwoord
Met het rapport «Van Kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties.» wordt ingegaan op de ontstane afhankelijkheden met IT-dienstverleners en de bijgaande risico’s. In de brief11 worden de bevindingen, de bredere context van de situatie en de schets voor een noodzakelijke vervolgaanpak verwoord. De eerste resultaten hebben vorm gekregen, zoals een geactualiseerde IT-sourcing strategie en een nieuwe monitoring van IT-leveranciers. De andere aanbevelingen worden nog verder uitgewerkt. Conform de motie van het lid Dassen12 wordt gewerkt aan een routekaart waarin concrete stappen, investeringen en samenwerkingen met andere Europese lidstaten worden beschreven. In vergelijking met andere landen lijkt Nederland een relatieve voorloper te zijn op dit thema voor wat betreft de maatschappelijke en politieke aandacht. Wel zijn er enkele lidstaten die meer concrete stappen hebben ondernomen.
13)Deze leden vragen de staatssecretaris om uit te leggen onder welke voorwaarden een EU-voorkeursprincipe “gericht” en “proportioneel” is. Volgens hen is het een doel op zich om minder diensten van niet-Europese grootmachten af te nemen. Deelt de staatssecretaris deze mening? Hoe brengt zij dat in bij deze beleidsdiscussie? Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie om een duidelijkere uitleg over wat de staatssecretaris bedoelt met het belang van “behoud van innovatie, open handelsrelaties met gelijkgezinde partners en zorgvuldige impactanalyse van oorsprongsmaatregelen.” Kan de staatssecretaris per genoemde punt ingaan op de zorgen die zij heeft? Hoe zou een EU-voorkeursprincipe deze punten kunnen bemoeilijken? Graag een concrete uitleg.
Antwoord
Het kabinet is terughoudend met het inzetten van een EU-voorkeursprincipe. Het principe kan worden ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen of inzet van bestaande handelsinstrumenten ontoereikend zijn, om strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de lange termijn weerbaarheid van de Unie. Hierbij dienen per sector, waardeketen of industrie zorgvuldig de baten afgewogen te worden tegen de kosten.13 Zo kan er product of sector een afweging gemaakt worden voor de inzet van dit instrument.
Het verminderen van het gebruik van diensten van niet-Europese grootmachten is geen doel op zich. Het kabinet zet een EU-voorkeursprincipe alleen in wanneer dit bijdraagt aan de weerbaarheid en verder in lijn is met hierboven beschreven inzet.
Met gericht wordt bedoeld dat de toepassing tijdelijk, doelmatig en proportioneel moet zijn. Om te oordelen of de maatregelen proportioneel zijn dient onder andere de afweging te worden gemaakt of minder vergaande maatregelen reeds zijn uitgeput of van toepassing zijn. Denk aan Trade Defense Instruments (TDI), de Foreign Subsidies Regulation (FSR) of het International Procurement Instrument (IPI). Ook dienen de kosten en baten op korte en lange termijn afgewogen te worden.
De markttoegang voor gelijkgestemde handelspartners moet zo min mogelijk worden belemmerd en zij moeten worden meegenomen in onze ‘open, tenzij’ benadering. Onder de akkoorden van de WTO en EU-handelsakkoorden is het in beginsel niet toegestaan dat de EU goederen of diensten uit een derde land in gelijke gevallen minder gunstig behandelt dan goederen of diensten uit de EU zelf. Daarnaast zijn ook kwantitatieve restricties op grond van oorsprongsvereisten verboden. Een EU-voorkeursprincipe via oorsprongseisen staat daarmee op gespannen voet met dit beginsel. Indien de EU een voorkeursprincipe toch wil toepassen, dient het dit onder het WTO-recht te kunnen rechtvaardigen op een rechtvaardigingsgrond, zoals bijvoorbeeld nationale veiligheid of bescherming van o.a. publieke gezondheid of milieu. De drempel voor dergelijke rechtvaardigingsgronden is hoog, zo mag het niet gaan om een verkapte handelsbelemmering. Dit is dan ook mede waarom het kabinet van mening is dat terughoudendheid, tijdelijkheid, proportionaliteit en een doelmatigheid die zich richt op weerbaarheid als drijfveer, passend zijn.
14)Deze leden kijken net als de staatssecretaris uit naar de EU Tech Sovereignty Package. Zij vragen de staatssecretaris om helder te schetsen welke onderdelen dit beleidspakket bevat. Zijn er onderdelen waarvan nog onduidelijk is of ze uiteindelijk in het pakket belanden? Wat is de inzet van de staatssecretaris voor dit pakket, welke onderdelen en concrete maatregelen zijn volgens de staatssecretaris cruciaal om hierin op te nemen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de Tech Sovereignty Package stevige maatregelen bevat die de digitale autonomie bewezen effectief vergroten. Deze leden hopen dat er concrete, afrekenbare doelen worden opgenomen over het vergroten van het aandeel autonome digitale diensten dat Europese overheden en bedrijven afnemen. Hierbij is van groot belang dat er middelen worden vrijgemaakt om publieke investeringen te kunnen doen in de digitale infrastructuur. Verwacht de staatssecretaris dat er nieuwe middelen vrijkomen als gevolg van het pakket? Zo ja, om hoeveel geld gaat het ongeveer? Zo niet, hoe denkt de staatssecretaris dat zij zonder middelen om te investeren de doelen voor digitale autonomie kan verwezenlijken?
Antwoord
Het Tech Sovereignty Package wordt op 3 juni gepubliceerd. Het pakket bestaat naar verwachting uit vijf voorstellen; een overkoepelende mededeling, de Cloud and AI Development Act, de Chips Act II, open source strategie en de strategische Roadmap AI en digitalisering in de energiesector. Recent heeft Nederland een non-paper over het Tech Sovereignty Package opgesteld.14 Daarin pleit het kabinet daarom voor een integrale aanpak rondom een Tech Stack. Ten tijde van het beantwoorden van dit schriftelijk overleg was het Tech Sovereignty Package nog niet gepubliceerd. Zodra het voorstel gepubliceerd wordt zal het kabinet dit voorstel bestuderen, via de gebruikelijke processen appreciëren en de Kamer daarvan via een BNC-fiche op de hoogte brengen.
15) Zij zijn benieuwd naar het Digital Commons European Digital Infrastructure Consortium (EDIC). De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om expliciet te maken wat de rol van het EDIC is. Welke specifieke kennis en expertise levert Nederland aan dit consortium? Hoe faciliteert EDIC de afbouw van digitale afhankelijkheden? Deze leden vragen om een onderbouwing over de resultaten die het EDIC boekt op dit gebied.
Antwoord
De EDIC Digitale Gemeenschapsgoederen is eind 2025 opgericht en richt zich op het versterken van de Europese digitale soevereiniteit. Waar het consortium ontstond uit een samenwerking tussen Frankrijk, Duitsland, Italië en Nederland is deze in het afgelopen half jaar verder uitgebreid naar twaalf EU-landen. De deelnemende landen en regio’s gaan in EDIC-verband samenwerken aan digitale gemeenschapsgoederen: open en transparante alternatieven voor digitale diensten zoals kunstmatige intelligentie, cloud computing, cybersecurity en sociale netwerken die gemeenschappelijk ontwikkeld en beheerd worden. Door kennis, middelen en contacten te delen, moet de ontwikkeling van Europese technologie worden versneld. Nederland draagt hier actief aan bij door, naast een financiële bijdrage, capaciteit en expertise beschikbaar te stellen. Zo levert Nederland de voorzitter van het bestuur, de zogenaamde Assembly of Members, in de persoon van CIO Rijk. Daarnaast is Nederland inhoudelijk trekker van één van de vier pijlers van de EDIC, te weten community building, waarmee samenwerkingsverbanden met onder andere Europese bedrijven en kennisinstellingen worden opgezet. Bovendien wordt door de EDIC Digitale Gemeenschapsgoederen voortgeborduurd op de kennis en producten op het terrein van digitale werkplek-software die in het kader van Mijn Bureau zijn ontwikkeld. Deze worden in het kader van de EDIC Digitale Gemeenschapsgoederen, in samenwerking met de Franse equivalenten LaSuite en het Duitse OpenDesk in EDIC-verband verder doorontwikkeld. De eerste projecten van de EDIC Digitale Gemeenschapsgoederen worden op dit moment uitgerold, waaronder een “100 dagen uitdaging” om onafhankelijke open source componenten te bouwen en een pilot voor een Europees Soeverein Tech Fonds. Deze is ontwikkeld in samenwerking met de Duitse Sovereign Tech Agency en verkent of en hoe deze op Europees niveau kan worden toegepast om essentiële open digitale infrastructuur te versterken.
16) Zij zijn benieuwd naar de rol van Europa en Nederland in de International Telecommunication Union (ITU). Zij kunnen zich voorstellen dat de belangen van VN-landen op dit gebied flink uiteen kunnen lopen. Hoe treedt de EU eensgezind op binnen dit gremium? Zijn er grote verschillen tussen accenten en belangen van EU-lidstaten, en hoe groot zijn die verschillen in vergelijking met de andere internationale machten die hier bij betrokken zijn? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de belangrijkste inzet van de EU en Nederland is bij de onderhandelingen voor de conferentie in 2026. Daarbij vragen deze leden ook wat de staatssecretaris bedoelt met de “internationale druk om het aandachtsgebied van ITU uit te breiden.” Om wat voor uitbreiding zou dit gaan? Zij vragen de staatssecretaris ook op welke deelgebieden samenwerking met ITU volgens haar kan bijdragen aan een waardevolle digitale transformatie. Hoe gaat de staatssecretaris dit uitdragen bij de Telecomraad? Op welke gebieden is ITU volgens de staatssecretaris niet van meerwaarde? Tot slot vragen de leden welke landen een duidelijke strategie hebben om “middels ITU-standaarden hun invloed in het wereldwijde digitale domein te vergroten.” Welke landen doelt de staatssecretaris op, en hoe ziet de strategie er in de praktijk uit? Welke zorgen heeft het kabinet over de bescherming van mensenrechten en “een duurzame en mensgerichte aanpak” bij die strategie?
Antwoord
De ITU werkt met regionale samenwerkingsverbanden die als regio voorstellen kunnen indienen. Nederland maakt samen met 46 andere Europese landen (waaronder de EU-lidstaten) deel uit van de Conférence Européenne des Administrations des Postes et Télécommunications (CEPT). Naast de EU-landen werkt Nederland binnen de CEPT dus ook samen met landen die onderdeel uitmaken van geografisch Europa, zoals het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Turkije. De inzet van de EU-lidstaten wordt gecoördineerd in Brussel en vervolgens ingebracht in CEPT. Nederland participeert actief in dit proces. Hierbij is er aandacht voor het zorgen dat de inzet van EU lidstaten en de inzet van de CEPT congruent zijn en voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor het Europees concurrentievermogen. Daarnaast is er ook aandacht voor het voorkomen van ethisch onwenselijke gevolgen.
Tussen EU-lidstaten zijn er verschillende accenten en belangen, maar over het algemeen verloopt de samenwerking binnen CEPT zeer voorspoedig. Zo wordt er samen geschreven aan de resoluties binnen CEPT en werkt Nederland op dit moment, samen met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, aan de resoluties met betrekking tot het internet. De verschillen die er zijn tussen deze EU landen, zijn relatief klein en worden vaak in goed onderling overleg besproken. De verschillen met andere machtsblokken zijn over het algemeen groter.
De Nederlandse en Europese inzet voor deze conferentie richt zich onder meer op het vergroten van de efficiëntie van ITU als organisatie en het verlagen van drempels voor het Europese bedrijfsleven, inclusief het mkb. Daarnaast draagt Nederland actief bij aan de internet-gerelateerde resoluties.
Met betrekking tot het uitbreidende aandachtsgebied van ITU bedoelt het kabinet dat de ITU zich binnen het VN-systeem op steeds meer digitale onderwerpen profileert. Daarmee wordt het originele mandaat met een focus op wereldwijde telecommunicatie steeds verder opgerekt.
Wat betreft de samenwerking met ITU op het gebied van digitale transformatie stelt het kabinet dat de digitale transformatie voor een groot deel afhankelijk is van standaarden en interoperabiliteit. De internationale standaarden die binnen de ITU worden uitonderhandeld en vastgesteld dragen bij aan wereldwijde connectiviteit en economische groei en raken in dit digitale tijdperk vele facetten van onze economie en samenleving. Landen die middels ITU-standaarden trachten hun invloed te vergroten zijn bijvoorbeeld China en de Russische federatie. Deze landen leveren zeer actief en prominent voorzitters en leden van standaardisatiecommissies.
17) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het essentieel dat Europese bandbreedte van satellietfrequenties wordt behouden voor strategische Europese en nationale doeleinden. Deze leden hebben hier eerder zorgen over geuit via de Kamervragen van de leden Kathmann en Nordkamp. 15 Heeft de staatssecretaris, sinds de beantwoording van de vragen, nog relevante ontwikkelingen of aanvulling op de antwoorden te melden? Volgens de leden is het “meewegen” van Europese soevereiniteit bij het nieuwe besluit over de frequentievergunningen niet genoeg. Zij zijn van mening dat Europese soevereiniteit het uitgangspunt moet zijn van dit besluit. Wat vindt de staatssecretaris op dit punt?
Antwoord
Op 27 mei jl. heeft de Europese Commissie haar voorstel voor een verordening omtrent de verdeling van de 2 GHz-band gepubliceerd.16 Hierin stelt de Commissie onder andere voor om de 2 GHz-band op te delen in drie delen, waarvan één beschikbaar gesteld zal worden voor gouvernementeel gebruik (kritieke en veilige communicatie) geleverd door een Europese satellietoperator, één deel beschikbaar is voor commercieel gebruik door nieuwe Europese satellietoperators om innovatieve diensten te bevorderen en één deel voor commercieel gebruik door Europese of niet-Europese satellietoperators. Het kabinet zal dit voorstel bestuderen, via de gebruikelijke processen zoals het BNC-fiche appreciëren en de Kamer daarvan op de hoogte brengen.
18) Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de Omnibus AI en de Omnibus Digitaal. Ten eerste vragen deze leden of het realistisch is dat er eind juni een Raadsakkoord is bereikt over de Omnibus Digitaal. Krijgt de Kamer nog een moment om zich uit te spreken over het bereikte akkoord en de positie van de staatssecretaris mede te bepalen of beïnvloeden? Voor hen weegt de positie van de Kamer bij het behandelen van Omnibusvoorstellen zwaar. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen dan ook graag meer informatie over de ontwikkelingen in het krachtenveld rondom de Omnibus Digitaal. Kan de staatssecretaris duidelijker uitleggen wat zij met deze constatering bedoelt? Deze leden herhalen ook, nogmaals, het belang van impact assessments bij de Omnibussen. Zij vinden “politiek belang” en zwakke reden om wetgeving versneld en zonder onderbouwing ingrijpend te wijzigen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om alsnog aan te dringen op het uitvoeren van een (beperkte) impact assessment door de Europese Commissie, zodat de gevolgen van de Omnibussen te overzien is. Als de Commissie hier niet toe is bereid, ziet de staatssecretaris dan mogelijkheden om met een consortium van lidstaten een onafhankelijke assessment of wetenschapstoets uit te voeren? Is de staatssecretaris bereid om dit te verkennen bij de Telecomraad?
Antwoord
Het streven van het Cypriotische voorzitterschap is om eind juni een Raadsakkoord op de Omnibus Digitaal te bereiken. Het is nog niet zeker of dat daadwerkelijk gaat lukken. Dat zal de komende weken moeten blijken. Ik zal uw Kamer in aanloop naar het Raadsakkoord per brief informeren over de verwachte inhoud van het akkoord en hoe zich dit verhoudt tot de inzet zoals verwoord in het BNC-fiche.
Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda van de Telecomraad17 zijn er positieve signalen over het krachtenveld op onze belangrijkste zorgpunten. De non-papers die we samen met andere landen hebben opgesteld over de P2B-verordening en het Europees meldpunt hebben enige tractie in de Raad. Ook veel van onze zorgen m.b.t. aanpassingen aan de AVG worden door meerdere lidstaten gedeeld. Ik kan daar echter nog geen definitieve conclusies aan verbinden. Juist in de laatste fase van de onderhandelingen kan het krachtenveld en het beoogde compromis nog bewegen.
Ik ben het met uw Kamer eens dat het passend was geweest een impact assessment uit te voeren voor deze omnibussen. Het kabinet heeft de Commissie herhaaldelijk verzocht dit alsnog te doen. Hier is echter onvoldoende steun voor in de Raad. Ook is er in de Raad onvoldoende steun om de onderhandelingen afhankelijk te maken van het alsnog uitvoeren van een impact assessment. De prioriteit van het kabinet is nu om haar inzet te realiseren in de onderhandelingen. Een belangrijk onderdeel van de kabinetsinzet is het schrappen of verbeteren van voorstellen die afbreuk doen aan de bescherming van grondrechten. Als het lukt de voorstellen zo aan te passen dat ze weinig significante effecten hebben buiten het verlagen van regeldruk, vervalt ook de noodzaak voor een impact assessment.
19) Deze leden zijn blij met het verzet tegen de aanpassingen aan de definities binnen de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Zij steunen de inzet van het kabinet om deze aanpassing te schrappen. Ook brengen zij in dat het recht van inzage mogelijk onderhevig is aan een nieuw precedent, geschept door de Rechtbank Amsterdam. De leden Kathmann en Dassen hebben hier vragen over gesteld op 17 april 2026.18 Kan de staatssecretaris alvast een korte reactie geven op de uitspraak, vooruitlopend op de formele beantwoording? Is zij bereid om de mogelijke consequenties die de uitspraak heeft voor de interpretatie en handhaving van het inzagerecht bij de Telecomraad ter sprake te brengen?
Antwoord
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op de aangehaalde Kamervragen, die op korte termijn naar uw Kamer zullen worden verzonden.
Antwoorden op de vragen van de CDA fractie
20) Deze leden vinden het belangrijk dat de diverse verboden op schadelijke AI toepassingen die gelden sinds februari 2025 op basis van de EU AI Act, intact blijven en juichen de uitbreiding van het verbod op uitkleedapps toe. Zij vragen of er nog andere uitbreidingen (of beschermende randvoorwaarden) zullen volgen. Dit alles vraagt ook om AI geletterdheid binnen organisaties en de eerder besproken registratieplicht. De leden van de CDA-fractie vragen hoe deze twee zaken (AI geletterdheid en registratieplicht) nu zijn geborgd en welke inbreng Nederland levert in de Telecomraad van 9 juni.
Antwoord
Additionele uitbreidingen van de AI-verordening zoals die van uitkleed-apps zijn op het moment niet gepland, wat niet zegt dat bij technologische en maatschappelijke ontwikkelingen deze niet in de AI-verordening kunnen worden opgenomen. De verordening voorziet ook in evaluaties, in de mogelijkheid om nieuwe AI-praktijken te verbieden en om nieuwe producten of toepassingsgebieden als hoog-risico aan te duiden. Naast dit omnibus-proces kan via een gedelegeerde handeling annex 3 van de AI-verordening, die bepaalt wat “hoog risico” AI-systemen zijn, worden uitgebreid. Daarmee dienen aanbieders en gebruikersverantwoordelijken van hoog-risico AI-systemen aan uitgebreide verantwoording te voldoen, zoals een fundamentele mensenrechtentoets.
De registratieplicht voor AI-systemen die binnen een hoog-risico toepassingsgebied niet als hoog-risico worden beschouwd, blijft met de AI-omnibus gehandhaafd. Een aanbieder die beoordeelt dat een AI-systeem in een AI-systeem bedoeld voor een hoog-risico toepassingsgebied toch geen risico voor gezondheid, veiligheid of fundamentele rechten oplevert, moet dat oordeel onderbouwen en documenteren, en het systeem toch registreren in de EU-database. Daarmee wordt het veel moeilijker om systemen onterecht als niet-hoog-risico te bestempelen. Toezichthouders hebben immers inzicht in de database en kunnen de aanbieder van zo’n systeem om de documentatie vragen.
De borging van AI-vaardigheden binnen overheidsorganisaties wordt onder andere gesteund door een overheidsbrede beschikbare basisopleiding AI en data, als onderdeel van Ambtelijk Vakmanschap. Daarnaast is de verkenning naar een overheidsbreed AI-competentiecentrum, een onderdeel van de NDS, afgerond en worden op het moment de mogelijke volgende stappen onderzocht.
Aangezien de onderhandelingen over de AI-omnibus reeds zijn afgerond, is Nederlandse inbreng op deze punten tijdens de Telecomraad van 9 juni niet opportuun.
21) Deze leden lezen dat het kabinet vereenvoudiging van digitale regelgeving steunt, maar tegelijk serieuze zorgen heeft over AVG-wijzigingen die het niveau van gegevensbescherming wezenlijk kunnen verminderen zonder dat daar echte lastenverlichting tegenover staat. Zij vragen welke onderdelen van de voorgestelde AVG-wijzigingen voor het kabinet nog steeds het meest problematisch zijn en op welke punten Nederland in de Raad concreet inzet op schrappen of aanpassen. Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet voorkomt dat vereenvoudiging in de praktijk juist leidt tot meer juridische onduidelijkheid voor burgers, ondernemers en toezichthouders. In het bijzonder vragen deze leden hoe het kabinet aankijkt tegen de wijziging van de definitie van persoonsgegevens en de bevoegdheid van de Commissie om via uitvoeringshandelingen te specificeren wanneer gegevens voldoende gepseudonimiseerd zijn. Zij vragen of er samen met gelijkgestemde landen kan worden opgetrokken om tot een gedragen visie te komen hierop, ook als het gaat om het ‘gerechtvaardigd belang’ als grondslag voor gebruik van gegevens in AI en de uitzonderingsgrond voor residuele data (hoe deze wordt afgebakend en toegepast).
Antwoord
Het kabinet heeft 8 april jl. een non-paper gedeeld over de AVG-onderdelen van de Omnibus Digitaal met uw Kamer19. Dat non-paper geeft aan voor welke onderdelen het kabinet erop inzet deze te schrappen of te wijzigen. De kabinetsinzet is dat de omnibussen effectief bijdragen aan het versimpelen van wetgeving. Het kabinet is kritisch op voorstellen die mogelijk meer onduidelijkheid creëren, waaronder de voorgestelde wijziging aan de definitie van persoonsgegevens uit de AVG. Ook is het kabinet kritisch op het voorstel om een bevoegdheid te creëren voor de Commissie om via uitvoeringshandelingen te specificeren wanneer gegevens voldoende gepseudonimiseerd zijn, de voorgestelde grondslag voor gebruik van persoonsgegevens in AI en de uitzonderingsgrond voor residuele data in geval van bijzondere persoonsgegevens. Het kabinet spant zich er in de onderhandelingen voor in om in het voorstel deze onderdelen te schrappen of, indien passend, te verbeteren en trekt daarbij op met gelijkgestemde lidstaten.
De voorgestelde wijziging van de definitie van het begrip persoonsgegevens wordt door het kabinet zeer kritisch beoordeeld. Zoals aangegeven in het BNC-fiche20, is dit voor het kabinet de wijziging die de meeste impact lijkt te hebben op het beschermingsniveau van het grondrecht op gegevensbescherming. Dit begrip bepaalt immers of de AVG – en alle rechten van betrokkenen – van toepassing zijn. Ook de EDPB en EDPS stellen in hun advies van 10 februari 2026 dat deze wijziging zou leiden tot een aanzienlijke beperking van de reikwijdte van het begrip persoonsgegevens en daarmee van de reikwijdte van de AVG. Zij adviseren nadrukkelijk om de wijziging van deze definitie niet te aanvaarden. Er lijkt voldoende steun in de Raad om deze wijziging terug te draaien. Het kabinet kan daar echter nog geen definitieve conclusies aan verbinden. Juist in de laatste fase van de onderhandelingen kan het krachtenveld en het beoogde compromis nog bewegen.
Bij de voorgestelde bevoegdheid van de Commissie om via uitvoeringshandelingen te specificeren wanneer gegevens voldoende gepseudonimiseerd zijn, is de Nederlandse inzet is er op gericht deze voorgestelde bepaling te schrappen. Dit artikel zou problematisch zijn omdat fundamentele rechten volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU niet kunnen worden beperkt door middel van uitvoeringshandelingen21. Er lijkt binnen de Raad voldoende steun om deze voorgestelde bevoegdheid van de Commissie te schrappen. Ook hier geldt dat het kabinet daar nog geen definitieve conclusies aan kan verbinden, omdat het krachtenveld en het compromis nog bewegen.
22) De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het bereikte akkoord over de Omnibus AI. Deze leden lezen dat het kabinet eerder kritisch was op het verplaatsen van onderdelen van Annex I van de AI-verordening naar sectorale wetgeving, omdat dit tot onduidelijkheid, vertraging en lacunes in toetsing zou kunnen leiden. Zij vragen hoe het kabinet beoordeelt of de overeengekomen waarborgen rond de Machinerichtlijn voldoende zijn om dat in de praktijk te voorkomen. Ook vragen de leden van de CDA-fractie welke onderdelen van de Omnibus AI volgens het kabinet nog nadere uitleg of uitvoeringsrichtsnoeren vergen. Verder lezen deze leden dat aan het akkoord een verbod is toegevoegd op AI-systemen die seksuele deepfakes of materiaal van seksueel kindermisbruik kunnen genereren. Zij vragen hoe het kabinet de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze belangrijke verbodsbepaling beoordeelt en hoe de Nederlandse uitvoeringspraktijk in staat kan worden gesteld om deze verbodsbepaling effectief te handhaven.
Antwoord
De waarborgen in de Omnibus AI zorgen ervoor dat de AI-specifieke eisen uit de AI-verordening zullen worden verwerkt in de Machinerichtlijn zelf. Daarmee is voldoende geborgd dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de doelen en ambities van de AI-verordening. De Commissie moet uiterlijk op 2 augustus 2027 gedelegeerde regelgeving opstellen die de vereisten ten aanzien van de gezondheid en veiligheid onder de Machinerichtlijn invulling geeft. Daarmee wordt ook gezorgd dat er geen vertraging optreedt en onduidelijkheid en lacunes worden voorkomen.
Het kabinet is verheugd dat er inmiddels binnen de Europese Unie een akkoord is bereikt over een verbod in de AI-verordening op AI-systemen die materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming vervaardigen of manipuleren. Het verbod treedt in december dit jaar nog in werking. Dat is goed nieuws want een Europese aanpak heeft hierbij de voorkeur aangezien het probleem niet stopt bij de grens.
In de onderhandelingen voorafgaand aan dit akkoord, heeft Nederland actief bijgedragen aan discussies over uitvoerbaarheid, reikwijdte en effectiviteit van de verbodsbepaling. Hoewel Nederland verheugd is met het Europese akkoord, blijft de handhaafbaarheid van de verbodsbepaling een aandachtspunt. Het verbod zal in nationale uitvoeringswetgeving nader moeten worden uitgewerkt. Dit pakt het kabinet op in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening.
23) De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens de Telecomraad een beleidsdebat plaatsvindt over technologische soevereiniteit van de overheid. Deze leden vragen wat het kabinet concreet verstaat onder een “gericht en proportioneel EU-voorkeursprincipe”, voor welke kritieke sectoren of diensten dit volgens het kabinet in beeld is, en welke criteria Nederland wil hanteren om te bepalen wanneer sprake is van een risicovolle strategische afhankelijkheid. Ook vragen zij wat het kabinet precies verstaat onder een “soevereine cloud”, en hoe wordt voorkomen dat Europese digitale autonomie in de praktijk vooral op papier bestaat terwijl feitelijke controle elders ligt. Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet wil borgen dat bij deze lijn ook ruimte blijft voor Nederlandse en Europese mkb-bedrijven en scale-ups.
Antwoord
Het kabinet is terughoudend met het inzetten van een EU-voorkeursprincipe. Het principe kan worden ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen of inzet van bestaande handelsinstrumenten ontoereikend zijn, om strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de lange termijn weerbaarheid van de Unie. Hierbij dienen per sector, waardeketen of industrie zorgvuldig de baten afgewogen te worden tegen de kosten.22
Recent heeft het kabinet een non-paper gepubliceerd over het Tech Sovereignty Package.23 Daarin zet het kabinet uiteen dat de vorming van een duidelijke Europese definitie van een soevereine cloud een van haar prioriteiten is voor de Cloud & AI Development Act (CADA). Ook in het non-paper Versterken van cloudsoevereiniteit van overheden van juli 2025 heeft het kabinet deze ambitie geuit.24Het wetsvoorstel voor de CADA is op 3 juni gepubliceerd. Op korte termijn ontvangt de Tweede Kamer een BNC-fiche over dit wetsvoorstel, waarin wordt ingegaan op de positie van het kabinet.
24) Deze leden nemen kennis van het beleidsdebat over satellietconnectiviteit. Zij vragen hoe het kabinet Europese soevereiniteit en strategische weerbaarheid precies wil meewegen bij de toekomstige herverdeling van het satellietspectrum, in het bijzonder in de 2 GHz-band voor mobiele satelliettoepassingen. Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de balans beoordeelt tussen strategische autonomie, marktwerking en leveringszekerheid.
Antwoord
Op 27 mei jl. heeft de Europese Commissie haar voorstel voor een verordening omtrent de verdeling van de 2 GHz-band gepubliceerd.25 Hierin stelt de Commissie onder andere voor om de 2 GHz-band op te delen in drie delen, waarvan één beschikbaar gesteld zal worden voor gouvernementeel gebruik (kritieke en veilige communicatie) geleverd door een Europese satellietoperator, één deel beschikbaar is voor commercieel gebruik door nieuwe Europese satellietoperators om innovatieve diensten te bevorderen en één deel voor commercieel gebruik door Europese of niet-Europese satellietoperators. Het kabinet zal dit voorstel bestuderen, via de gebruikelijke processen appreciëren en de Kamer daarvan via een BNC-fiche op de hoogte brengen.
Antwoorden op de vragen van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken voor de formele Telecomraad van 9 juni aanstaande. Deze leden hebben daarover twee vragen.
25) Zij vragen allereerst hoe de staatssecretaris kijkt naar het interview van ASML CEO Fouquet met Politico van 22 mei waarin hij zijn zorgen uitspreekt over concurrentiekracht in Europa, ook na de AI Omnibus. Welke acties voorziet de staatssecretaris na de omnibus en welke rol ziet zij voor Nederland weggelegd qua voortouw?
Antwoord
Het kabinet neemt signalen over de Europese concurrentiekracht uiterst serieus en werkt doorlopend aan het aanjagen van een concurrerend digitaal ecosysteem waarbij nadelige maatschappelijke effecten beperkt worden. Nu er een akkoord is bereikt op de AI omnibus, kijkt het kabinet uit naar het aankomende EU Tech Sovereignty Package. Nederland wil hierin het voortouw nemen door te sturen op een integrale aanpak van de gehele technologische keten (de tech stack). Door cloud, AI, chips en netwerktechnologieën via een slimme vraag-aanbodkoppeling te verbinden, versterken deze lagen elkaar en borgen we de Europese concurrentiepositie en soevereiniteit.
26) Ten tweede vragen de leden van de BBB-fractie of de staatssecretaris kan reageren op de brief van vele Europese en internationale ondernemersorganisaties getiteld "Joint Industry Statement: EU Member States and Policymakers Must Not Undermine the Ambition of the EU Digital Omnibus"13 en of zij hierbij kan ingaan op de vier specifieke inhoudelijke punten die zij aandragen en tot slot op het bredere punt dat zorgvuldigheid over snelheid moet gaan en dat niet overhaast tot een compromis overgegaan moet worden.
Antwoord
Dit statement pleit voor behoud van de voorgestelde wijzigingen aan de AVG en het voorgestelde Europees meldpunt. Het kabinet is juist kritisch op veel voorgestelde wijzigingen aan de AVG en het voorgestelde Europees meldpunt. Daarnaast wordt het belang van werkbare geharmoniseerde cookieregels benadrukt. Het kabinet zet erop in dat de nieuwe cookieregels effectief en uitvoerbaar zijn. Tot slot benadrukt het statement het belang van het beschermen van bedrijfsgeheimen in de Dataverordening. Het kabinet is positief over de voorgestelde aanpassingen in de Dataverordening die de waarborgen versterken ter bescherming van bedrijfsgeheimen waar er risico is op lekken naar entiteiten uit derde landen.
Waarbij baten en kosten niet enkel geldelijk worden gekwalificeerd, maar ook kwalitatief worden bekeken, denk aan een bijdrage aan verduurzaming of verslechtering van de (handels)betrekkingen met derde landen.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 21 501-33, nr. 1195.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 22 112, nr. 4113.↩︎
PwC. (2026, 26 mei). Bijna een tiende van de Nederlandse economie draait op data. PwC Nederland. https://www.pwc.nl/nl/actueel-en-publicaties/themas/digitalisering/bijna-een-tiende-van-de-nederlandse-economie-draait-op-data.html. ↩︎
Rensen, F. (2026, 27 mei). Brussel reserveert satellietfrequenties voor Europese telecombedrijven, China en VS kritisch. de Volkskrant. https://www.volkskrant.nl/wetenschap/brussel-reserveert-satellietfrequenties-voor-europese-telecombedrijven-china-en-vs-kritisch~bee01719/. ↩︎
Voorstel voor een machtiging op EU-niveau voor systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren (27 mei 2026). Raadpleegbaar via https://digital-strategy.ec.europa.eu/nl/library/proposal-eu-level-authorisation-systems-providing-mobile-satellite-services-mss↩︎
Algemene Rekenkamer, Het Rijk in de cloud, Den Haag, 15 januari 2025.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 26 643, nr. 1225↩︎
Autoriteit Consument & Markt (ACM), Marktstudie Clouddiensten, Den Haag, 2022.↩︎
Draghi, M., The Future of European Competitiveness, rapport voor de Europese Commissie, september 2024.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 29 362, nr. 388.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 36 800, nr. 73.↩︎
Waarbij baten en kosten niet enkel geldelijk worden gekwalificeerd, maar ook kwalitatief worden bekeken, denk aan een bijdrage aan verduurzaming of verslechtering van de (handels)betrekkingen met derde landen.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 21 501-33, nr. 1195.↩︎
Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 847 (Kamervragen 2025Z19066). ↩︎
Voorstel voor een machtiging op EU-niveau voor systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren (27 mei 2026). Raadpleegbaar via https://digital-strategy.ec.europa.eu/nl/library/proposal-eu-level-authorisation-systems-providing-mobile-satellite-services-mss↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 21 501-33, 1202↩︎
Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 2138 (Kamervragen 2026Z08236).↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4304↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 22112, nr. 4223↩︎
Hof van Justitie EU 5 september 2012 (Europees Parlement / Raad), zaak C-355/10, rechtsoverweging 77.↩︎
Waarbij baten en kosten niet enkel geldelijk worden gekwalificeerd, maar ook kwalitatief worden bekeken, denk aan een bijdrage aan verduurzaming of verslechtering van de (handels)betrekkingen met derde landen.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 21 501-33, nr. 1195.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 22 112, nr. 4113↩︎
Voorstel voor een machtiging op EU-niveau voor systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren (27 mei 2026). Raadpleegbaar via https://digital-strategy.ec.europa.eu/nl/library/proposal-eu-level-authorisation-systems-providing-mobile-satellite-services-mss↩︎