Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D28793, datum: 2026-06-10, bijgewerkt: 2026-08-24 16:13, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (nds-tk-2026D28793).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken (FVD)
- Mede ondertekenaar: S.R. Muller, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z08421:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Volgcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Volgcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-10 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-05-20 11:00 ⇒ De commissie besluit om de bij agendapunt 1 aangevraagde kabinetsreactie op het rapport van het Commissariaat voor de Media af te wachten en daarna een schriftelijk overleg te voeren over de inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening. De inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg wordt vastgesteld op woensdag 10 juni 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-04-23 14:15 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-04-23 14:15: Aansluitend: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-20 11:00: Procedurevergadering Digitale Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Digitale Zaken
- 2026-06-10 14:00: Inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Digitale Zaken
Preview document (🔗 origineel)
2026D28793 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben enkele fracties de behoefte om enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat inzake «Inrichting toezicht op de naleving van de AI-verordening» (Kamerstuk 22 112, nr. 4318).
De voorzitter van de commissie,
Dekker
Adjunct-griffier van de commissie,
Muller
Inhoudsopgave
| I | Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie | |
| II | Antwoord/reactie van de bewindspersoon |
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Zij lezen dat het kabinet kiest voor een toezichtstelsel met tien verschillende markttoezichtautoriteiten. Deze leden begrijpen de wens om aan te sluiten bij bestaande expertise en bevoegdheden, maar constateren tegelijkertijd dat samenwerking, gezamenlijke kennisopbouw en kennisdeling tussen toezichthouders een belangrijke pijler vormen onder het voorgestelde stelsel. Zij lezen dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) een coördinerende rol krijgen bij het bevorderen van een uniforme toepassing van de AI-verordening. Tegen deze achtergrond vragen de leden hoe het kabinet waarborgt dat de verordening door alle toezichthouders op uniforme wijze wordt uitgelegd en toegepast. Welke instrumenten krijgen de AP en de RDI om een uniforme benadering van de AI-verordening te bevorderen? Worden hierover samenwerkingsafspraken gemaakt, zowel tussen de AP en de RDI als tussen deze toezichthouders en de overige markttoezichtautoriteiten? Kunnen de AP en RDI bijvoorbeeld gezamenlijke handhavingskaders, interpretatierichtlijnen of toezichtagenda’s opstellen?
De leden van de D66-fractie lezen dat de financiële consequenties van het toezicht nog in kaart worden gebracht. Wanneer verwacht het kabinet hierover duidelijkheid te kunnen geven? Deze leden lezen dat op basis van deze inventarisatie mogelijk aanvullende financiële middelen nodig zijn of herprioritering binnen bestaande middelen wordt overwogen. Hoe zal het kabinet deze opties beoordelen en afwegen? Daarnaast vragen zij of de beoogde markttoezichtautoriteiten momenteel over voldoende technische AI-expertise beschikken om deze nieuwe taken uit te voeren. Acht het kabinet specifieke investeringen in kennisopbouw en werving van specialistisch personeel noodzakelijk? En deelt het kabinet de opvatting dat de uitvoering van bestaande toezichtstaken niet onder druk mag komen te staan door de invoering van nieuwe toezichtstaken?
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat Nederland een AI-testomgeving voor regelgeving zal inrichten. Deze leden onderschrijven het belang van een dergelijke testomgeving om innovatie mogelijk te maken en tegelijkertijd naleving van regelgeving te bevorderen. Kan het kabinet nader toelichten hoe deze testomgeving wordt ingericht? Welke organisaties kunnen hiervan gebruikmaken? En hoe wordt geborgd dat deze omgeving ook toegankelijk genoeg is voor startups, scale-ups en kennisinstellingen met beperkte juridische capaciteit en specialistische expertise?
Zij vragen daarnaast hoe het kabinet bij de inrichting van het toezicht rekening houdt met de positie van open-source AI. Welke gevolgen verwacht het kabinet dat de uitvoering van de AI-verordening in Nederland zal hebben voor ontwikkelaars van open-source AI-modellen en -toepassingen, waaronder initiatieven vanuit universiteiten en kennisinstellingen? Hoe wordt geborgd dat ruimte blijft bestaan voor open innovatie en onderzoek, terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan de eisen van de AI-verordening?
Verder vragen de leden van de D66-fractie hoe de voorgestelde Nederlandse toezichtsinrichting zich verhoudt tot de keuzes die andere lidstaten maken. Verwacht het kabinet dat de inrichting met meerdere markttoezichtautoriteiten voldoende aansluit bij de toezichtstructuren elders in Europa? En hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen lidstaten leiden tot onduidelijkheid voor organisaties die grensoverschrijdend actief zijn?
Tot slot constateren deze leden dat het kabinet accepteert dat de uitvoeringswet mogelijk later in werking treedt dan op grond van de AI-verordening wordt voorzien. Zij vragen op welke wijze het kabinet in de tussenliggende periode duidelijkheid biedt aan organisaties over hun verplichtingen onder de AI-verordening en het toezicht daarop.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Deze leden delen de opvatting van het kabinet dat AI een steeds belangrijkere rol gaat spelen in de maatschappij. Zij zien AI als een belangrijke bron van productiviteitsgroei. Tegelijkertijd erkennen de leden van de VVD-fractie dat vertrouwen in AI-systemen essentieel is voor een succesvolle toepassing van deze technologie. De leden van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen over de brief.
Deze leden constateren dat het kabinet ervoor kiest tien markttoezichtautoriteiten aan te wijzen voor het toezicht op de naleving van de AI-verordening. Zij stellen dat twee overwegingen daaraan ten grondslag liggen. De overwegingen die het kabinet in de brief in bullets aandraagt, vormen echter geen reden waarom het kabinet ervoor kiest het toezicht te verspreiden, maar enkel een toelichting op die keuze. Graag ontvangen deze leden een onderbouwing op de keuze van het kabinet om het toezicht te verspreiden.
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de efficiëntie en de uniformiteit van het toezicht. Het kabinet stipt dit in de brief aan, maar gaat hier niet verder op in. Deze leden vragen het kabinet uitgebreider uiteen te zetten hoe het de efficiëntie en uniformiteit van het toezicht op de AI-verordening waarborgt.
Het kabinet heeft de consequentie geaccepteerd dat de Nederlandse uitvoeringswet naar verwachting later in werking treedt dan momenteel wordt voorgeschreven vanuit de verordening, zo lezen deze leden. Een zorgvuldige vormgeving van het toezicht achten de leden van groot belang, maar zij vragen wel naar de gevolgen van de latere inwerkingtreding. Is er kans op een inbreukprocedure vanuit de Europese Commissie? Zijn er meer lidstaten die kiezen voor een latere datum van inwerkingtreding?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat het kabinet wil voldoen aan de verplichting uit de verordening om tenminste één AI-testomgeving vanaf augustus 2026 aan te bieden, door een multisectorale NL sandbox in te richten. Hoe moet deze sandbox verschillende sectoren die willen experimenteren met AI bedienen, bijvoorbeeld tegelijkertijd sectoren in de fysieke wereld (en dan ook nog te land, te water, te lucht) en sectoren die hun verdienmodel online willen bouwen? Als er een fysieke sandbox wordt ingericht, waar in Nederland moet deze dan komen? En waarom kiest het kabinet niet voor meer dan één sandbox, aangezien de verordening daar wel ruimte voor biedt? Gaat het kabinet de verplichting uit de verordening om de sandbox vanaf augustus 2026 gereed te hebben wel halen en zo niet, waarom niet en deelt het kabinet de mening van de leden van de VVD-fractie dat haast met de ontwikkeling van AI nodig is daar we als Nederland en EU in deze ontwikkeling nu al fors achterlopen op bijvoorbeeld China en de Verenigde Staten? Is het juridisch mogelijk om heel Nederland als sandbox aan te wijzen en zo niet, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de manier waarop het kabinet het toezicht op de AI-verordening wil inrichten. Deze leden waarderen de uitgebreide uitleg over hoe het stelsel optimaal kan werken. Wel hebben zij nog vragen en zorgen die zij hieronder uiteen zullen zetten.
Ten eerste betreuren de leden van de PRO-fractie de late implementatie van de AI-verordening in Nederland. Het is een patroon dat het kabinet digitale wetgeving te laat implementeert. Wat bedoelt het kabinet door te zeggen dat zij «de consequentie [heeft] geaccepteerd» van late implementatie? Welke nadelen heeft dit en is er een kans dat Nederland een tik op de vingers krijgt? Hoe wordt de periode tussen de inwerkingtreding van de AI-verordening op Europees niveau en het nationaal implementeren hiervan overbrugd?
Deze leden hebben vragen over het doel van de AI-verordening. Volgens hen is het een doel op zich om, via Europese wetgeving, de totale dominantie van niet-Europese techgiganten op de digitale markt te bestrijden. Zij zien de monopolie van enkele bedrijven als een risico voor onze digitale autonomie. Deelt het kabinet deze analyse? Op welke wijze draagt de AI-verordening bij aan dit doel? Heeft het kabinet inzicht in welke lobby heeft plaatsgevonden vanuit niet-Europese techgiganten om de AI-verordening te beïnvloeden, en zo ja, waaruit blijkt dit?
De leden van de PRO-fractie pleiten voor waardevolle en verantwoorde digitalisering. Deze leden vragen het kabinet om concreet te maken welke zorgen zij hebben over de gevolgen van AI voor veiligheid, gezondheid en fundamentele rechten. Kan het kabinet uitleggen hoe deze belangen in het geding komen zonder de AI-verordening? Welke verbeteringen brengt de AI-verordening voor deze belangen aan? Ook staan deze belangen soms op gespannen voet met de doelen van het kabinet om regeldruk te voorkomen en innovatie aan te jagen. Hoe maakt het kabinet deze afweging? Is er nu voldoende balans tussen de belangen?
Zijwijzen er op dat dingen die de AI-verordening verbiedt, vooralsnog volop gebeuren. Zo wordt het ongericht scrapen van gezichtsafbeeldingen verboden. Toch is bekend dat Meta dit volop doet, zoals blijkt uit berichtgeving uit 2024.1 Hier zijn door het lid Kathmann ook vragen over gesteld [2024Z11324]. Wat verandert de AI-verordening concreet aan dit soort praktijken? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij dit soort gedrag van techgiganten?
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd hoe de AI-verordening onderscheid maakt tussen algoritmes en AI-systemen. Wat is het technische verschil tussen de definities? Is in elk geval duidelijk welke bestaande algoritmes onder deze verordening vallen? Zijn er nog grijze gebieden die vooraf verduidelijkt kunnen worden?
Deze leden zijn blij met de transparantie-eisen voor chatbots en generatieve AI. Te vaak zorgen «menselijke» chatbots voor verwarring bij mensen, met een vals gevoel van veiligheid en betrouwbaarheid. Wat gaat het kabinet doen om bij alle chatbots die worden gebruikt in overheidsdienstverlening, bijvoorbeeld bij de politie of bij gemeenten, volstrekt helder te maken dat er geen menselijk contact is? Aan welke technische eisen moeten chatbots voldoen om hierover «transparant» te zijn?
Zij plaatsen een kritische kanttekening bij het toezicht van de Europese Commissie op algemene AI-modellen die achter chatbots zitten zoals ChatGPT en Gemini. De strijd om AI-macht is geopolitiek: het is bekend dat AI-regulering een discussie is in onderhandelingen tussen de Europese Commissie en de Verenigde Staten. De macht van de Amerikaanse overheid en techgiganten is verknoopt. Onderschrijft het kabinet deze analyse? Wordt het toezicht op de grootste modellen niet kwetsbaar voor lobby en politieke druk, als de Commissie hierop toezicht houdt? Deze leden vragen het kabinet om duidelijk uit te leggen hoe de onafhankelijkheid van dit toezicht wordt gewaarborgd.
De leden van de PRO-fractie hebben vragen over het kennisniveau en de capaciteit bij sectorale toezichthouders die vooralsnog weinig met AI te maken hebben. Hoe wordt, bijvoorbeeld in de domeinen rechtshandhaving, migratie-, asiel- en grenstoezichtbeheer, rechtsbedeling en democratische processen, dit kennisniveau verhoogd? Deze leden vragen om een onderbouwing welke middelen hiervoor nodig zijn. Als dat niet beschikbaar is, vragen zij op welke termijn dat wel duidelijk is.
Zij hebben vragen over de derde partijen die hoog-risico AI-systemen moeten certificeren. Welke derde partijen worden aangewezen en welke eisen zijn er voor hun onafhankelijkheid?
De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat het huidige toezicht- en handhavingsstelsel voor privacy en digitalisering al mankementen kent. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft meermaals aangegeven meer middelen nodig te hebben om effectief toezicht te houden op de bestaande taken. Hoe kijkt het kabinet naar het huidige stelsel? Erkent zij dat deze niet in alle gevallen optimaal functioneert, en grijpt zij dit moment aan om hier structurele verbeteringen in te maken? Op welke termijn wordt er een berekening gemaakt van de aanvullende middelen die voor alle toezichthouders nodig zijn?
Deze leden lezen dat het kabinet het advies van de toezichthouder «grotendeels» heeft overgenomen. Zij zijn uiteraard benieuwd op welke punten het kabinet afwijkt van het advies. Kan het kabinet concreet onderbouwen waarom zij dit heeft gedaan en dat dit niet tot problemen in het toezicht zal leiden? Kunnen de toezichthouders zich vinden in het huidige voorstel?
De leden van de PRO-fractie steunen het idee om het toezicht sterk te coördineren en kennisopbouw te bevorderen. Wel zijn deze leden benieuwd hoe dit in de praktijk vorm krijgt. Hoe wordt kennis en capaciteit in de praktijk uitgewisseld tussen de verschillende toezichthouders? Hoe wordt voorkomen dat er op grensgebieden van toezicht handelingsverlegenheid ontstaat? Komt er structureel overleg tussen toezichthouders om gecoördineerd aan de slag te gaan, en zo ja, met welke regelmaat?
De leden van de PRO-fractie spreken hun vertrouwen uit over de manier waarop de toezichthouders, met name de AP, haar toezicht zal invullen. Echter stellen deze leden wel dat het te verwachten is dat, als er geen toereikende middelen worden toegekend, er wel degelijk keuzes gemaakt moeten worden over de prioritering van de verschillende toezichtstaken die de AP heeft. Erkent het kabinet dat dit een risico is? Zegt zij toe dat hier geen sprake van zal zijn, en dat alle taken van de AP naar behoren vervuld zullen blijven?
De leden van de PRO-fractie achten het onrealistisch dat toezicht op de AI-verordening niet zal leiden tot (aanzienlijk) hogere kosten bij de toezichthouders. Deze leden hebben zorgen over de stelling van het kabinet dat er mogelijk sprake is van «herprioritering binnen bestaande middelen.» Het uitgangspunt moet in alle gevallen zijn dat het toezicht op alle domeinen op orde blijft en dat er geen kwaliteitsverlies komt. Hoe worden de financiële consequenties en de uitvoerbaarheid van de nieuwe toezichtstaken in kaart gebracht? Op welke termijn komt dit inzicht, en welke consequenties verbindt het kabinet aan de uitkomst?
Zij vinden het van groot belang dat het toezichtstelsel blijvend verbeterd wordt. Hiervoor achten de leden van de PRO-fractie het noodzakelijk dat er een structuur is waar knelpunten, problemen en verbeteringen blijvend opgehaald worden. Op welke momenten wordt het stelsel geëvalueerd en hoe worden signalen over de uitvoering opgehaald en aangepakt?
Deze leden willen weten wanneer de verschillende toetsen, die parallel lopen aan de internetconsultatie, worden afgerond en gedeeld. Wat doet het kabinet met de uitkomsten?
Zij lezen dat het kabinet het voorstel «volledig van dekking» wil voorzien. Wat bedoelt het kabinet hiermee? Betekent dit dat alle benodigde extra middelen voor de toezichthouders worden vrijgemaakt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over de inrichting van het toezicht op de naleving van de AI-verordening en hebben daarover de volgende vragen.
Deze leden lezen dat het kabinet kiest voor een toezichtstelsel met tien markttoezichtautoriteiten, met de RDI als centraal contactpunt en een gezamenlijke coördinatierol voor RDI en AP. Zij vragen hoe het kabinet voorkomt dat deze inrichting in de praktijk leidt tot versnippering, onduidelijkheid en verschillen in uitleg of handhaving tussen toezichthouders. Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe voor bedrijven, burgers en instellingen duidelijk wordt bij welke toezichthouder zij moeten zijn.
Deze leden lezen dat een groot deel van het toezicht bij de AP wordt belegd, waaronder verboden AI-praktijken, transparantieverplichtingen en een groot deel van de hoog-risico toepassingsgebieden. Zij vragen hoe het kabinet waarborgt dat de AP deze brede taak ook daadwerkelijk aankan, mede gelet op haar bestaande takenpakket. Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe de beoogde zelfstandige en nevengeschikte positionering van het AI-toezicht binnen de AP in de praktijk zal functioneren.
Deze leden lezen voorts dat het kabinet bewust kiest voor een zorgvuldige inrichting van het toezicht, ook als gevolg waarvan de uitvoeringswet waarschijnlijk later in werking treedt dan de verordening nu voorschrijft. Zij vragen hoe het kabinet in de tussenliggende periode rechtszekerheid voor bedrijven en burgers wil bieden, nu de verordening al rechtstreeks geldt maar de nationale toezichtinrichting en bevoegdheidstoedeling nog niet volledig zijn afgerond.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de financiering van dit nieuwe toezichtstelsel wil borgen. Kan het kabinet aangeven wanneer duidelijkheid wordt verwacht over de structurele dekking, en hoe wordt voorkomen dat nieuwe toezichttaken wel wettelijk worden opgedragen maar onvoldoende uitvoerbaar blijken door gebrek aan middelen of specialistisch personeel?
Deze leden lezen dat het kabinet voor bestaande productregelgeving en financiële instellingen zoveel mogelijk aansluit bij bestaande toezichthouders. Deze leden vragen hoe het kabinet de samenwerking tussen sectorale toezichthouders en de AP concreet vorm wil geven, juist op de grensvlakken waar AI, grondrechten, productveiligheid en sectorspecifieke regels samenkomen. Zij vragen daarbij ook hoe wordt voorkomen dat lacunes of overlap ontstaan.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoor zorgt dat dit toezichtstelsel niet alleen juridisch klopt, maar ook past bij de bredere ambitie om Nederland koploper te maken in verantwoorde AI, met sterke Europese en Nederlandse capaciteit, onafhankelijke toezichthouders en een overheid die minder afhankelijk is van grote buitenlandse technologiebedrijven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen inrichting van het toezicht op de Europese AI-verordening in Nederland. Deze leden onderschrijven het belang van een effectief toezichtstelsel dat zowel innovatie mogelijk maakt als de bescherming van rechten waarborgt. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de JA21-fractie zijn ervan op de hoogte dat de AI-verordening reeds in werking is getreden en dat verschillende bepalingen de komende jaren van toepassing worden. Tegelijkertijd geeft het kabinet aan dat de nationale uitvoeringswet naar verwachting later in werking zal treden dan oorspronkelijk voorzien. Deze leden vinden het van belang dat burgers, bedrijven en toezichthouders snel duidelijkheid hebben over de wijze waarop de verordening wordt gehandhaafd. Kan het kabinet uitleggen welke gevolgen deze vertraging heeft voor de effectieve handhaving van de AI-verordening? Kan het kabinet uiteenzetten welke bevoegdheden toezichthouders gedurende deze tussenperiode wel en niet kunnen uitoefenen? Hoe wordt voorkomen dat een handhavingstekort ontstaat zolang de nationale uitvoeringswet nog niet volledig van kracht is?
Zij zijn ervan op de hoogte dat het kabinet kiest voor een model waarbij tien verschillende markttoezichtautoriteiten verantwoordelijk worden voor het toezicht op AI binnen hun eigen domein. De leden van de JA21-fractie begrijpen dat hiermee gebruik wordt gemaakt van bestaande expertise, maar constateren tegelijkertijd dat deze keuze, de inrichting van het toezicht, complex maakt. Kan het kabinet toelichten hoe wordt voorkomen dat verschillende toezichthouders uiteenlopende interpretaties van de AI-verordening hanteren? Kan het kabinet eveneens verduidelijken welke instrumenten de Autoriteit Persoonsgegevens en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur krijgen om de noodzakelijke coördinatie tussen toezichthouders daadwerkelijk af te dwingen? Kan het kabinet verder toelichten hoe geschillen tussen toezichthouders worden opgelost wanneer verantwoordelijkheden elkaar overlappen?
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat effectief toezicht op AI niet alleen juridische kennis vereist, maar ook diepgaande technische expertise. Deze leden constateren dat verschillende toezichthouders nog bezig zijn de gevolgen van hun nieuwe taken in kaart te brengen. Tegelijkertijd is gespecialiseerde AI-kennis schaars op de arbeidsmarkt. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokken toezichthouders over voldoende capaciteit en deskundigheid beschikken om hun taken uit te voeren? Kan het kabinet verder verduidelijken welke aanvullende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor de uitvoering van het toezicht?
Zij constateren dat AI-systemen steeds vaker verschillende maatschappelijke domeinen tegelijk raken. Een AI-toepassing kan bijvoorbeeld zowel gevolgen hebben voor privacy, arbeidsverhoudingen als de gezondheidszorg. Hoe wil het kabinet voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen toezichthouders wanneer meerdere toezichtsdomeinen samenkomen? Kan het kabinet toelichten welke toezichthouder uiteindelijk leidend is wanneer bevoegdheden elkaar overlappen?
De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een Nederlandse AI-sandbox ter ondersteuning van innovatie. Tegelijkertijd vragen deze leden welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat experimenteerruimte leidt tot risico’s voor grondrechten, veiligheid of transparantie.
Kan het kabinet toelichten op welke wijze toezicht wordt gehouden op activiteiten binnen de sandbox?
Deze leden zijn op de hoogte dat een groot deel van de geavanceerde AI-systemen die in Nederland worden gebruikt, wordt ontwikkeld door internationale technologiebedrijven. Zij constateren dat effectief toezicht daarom niet uitsluitend op nationaal niveau kan worden georganiseerd. Kan het kabinet toelichten hoe het Nederlandse toezicht zich verhoudt tot de Europese toezichtstructuur die voortvloeit uit de AI-verordening? Kan het kabinet eveneens toelichten op welke wijze wordt samengewerkt met andere lidstaten en Europese toezichthoudende instanties? Acht het kabinet het huidige toezichtstelsel voldoende toegerust om toezicht te houden op grote internationale aanbieders van AI-systemen?
De leden van de JA21-fractie constateren tot slot dat bedrijven de komende jaren te maken krijgen met nieuwe verplichtingen onder de AI-verordening. Tegelijkertijd kunnen wijzigingen in Europese regelgeving en onduidelijkheid over de planning van bepaalde verplichtingen leiden tot onzekerheid. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat bedrijven tijdig duidelijkheid krijgen over hun verplichtingen? Kan het kabinet toelichten op welke wijze organisaties worden ondersteund bij de naleving van de AI-verordening en hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over regelgeving leidt tot onnodige administratieve lasten of terughoudendheid bij innovatie?
II Antwoord/reactie van de bewindspersoon
The Guardian. (2024, 11 september). Meta’s AI is scraping users» photos and posts. Europeans can opt out, but Australians cannot. Zie ook hier.↩︎