Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Conceptregeling wijziging loonbelasting (Kamerstuk 26488-893)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D34308, datum: 2026-07-01, bijgewerkt: 2026-09-04 15:03, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (nds-tk-2026D34308).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (PVV)
- Mede ondertekenaar: W.A. Lips, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z13035:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-09 16:45 ⇒ Ter informatie. (Besluit)
- 2026-06-30 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-06-18 10:00 ⇒ Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vastgesteld op dinsdag 30 juni 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2026-06-30 14:00: Conceptregeling wijziging loonbelasting (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Financiën
- 2026-09-09 16:45: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
2026D34308 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 1 juli 2026 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de door de Staatssecretaris op 12 juni 2026 toegezonden brief over de conceptregeling wijziging loonbelasting (Kamerstuknummer 26 448, nr. 893).
De voorzitter van de commissie,
Jansen
De adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de voorliggende conceptregeling en hebben hierover geen nadere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de conceptregeling wijziging loonbelasting. Deze leden hebben geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie danken de Staatssecretaris voor het toezenden van de conceptregeling. Deze leden hebben kennisgenomen van de inhoud van de regeling en hebben nog een aantal vragen.
Deze leden merken op teleurgesteld te zijn over het feit dat het aanpassen van de samenvoegbepaling niet is voorgelegd aan het parlement. Het gaat immers om een aanpassing met zeer grote impact voor een substantiële groep mensen.
Deze leden lezen dat de wijziging voor het grootste deel van de 11.000 mensen waar het om gaat negatief uitpakt. Is bekend voor hoeveel van deze 11.000 mensen dat ongeveer geldt en voor hoeveel mensen de wijziging positief uitpakt?
Deze leden merken op dat een negatieve impact betekent dat het gaat om mensen met een inkomen lager dan 45.593 euro bruto per jaar: lager dan modaal dus. Voor deze groep gaat het om een gemiddelde achteruitgang van 3.000 euro. Klopt het dat dat bedrag kan oplopen tot maximaal 8.717 euro, omdat er sprake is van doorwerking op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)? Hoeveel is de gemiddelde achteruitgang als alleen gekeken wordt naar de groep, die erop achteruitgaat (en dus een inkomen heeft in het opbouwtraject van de arbeidskorting)?
Deze leden vragen ook naar het ontbreken van overgangsrecht: in de nota van toelichting lezen zij dat bij wijze van overgangsrecht is gekozen voor een ingangsdatum van 1 januari 2027 en niet eerder. In hoeverre verwacht de Staatssecretaris dat degenen om wie het gaat zich bewust zijn van de wijziging die zal plaatsvinden en hoe zouden deze mensen zich, wat de Staatssecretaris betreft, kunnen en moeten voorbereiden? Acht de Staatssecretaris het mogelijk om alsnog een overgangsregeling in te richten, met als doel te voorkomen dat duizenden mensen er flink op achteruitgaan?
De leden van de PRO-fractie vinden het niet passend om een besluit met een dergelijke grote impact voor mensen met een relatief laag inkomen niet voor te leggen aan de Kamer. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij kan reageren op de stelling van de heer N.J. van Dijk, die in zijn reactie op de internetconsultatie heeft aangegeven dat de aanpassing van de samenvoegbepaling buiten het mandaat van de Staatssecretaris valt. Ook vragen deze leden waarom de Staatssecretaris het voorstel tot wijziging niet aan het parlement voorlegt. Is de Staatssecretaris bereid om dat alsnog te doen?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts of de Staatssecretaris zich realiseert dat veel van de voorgenomen maatregelen van het kabinet bij dezelfde groep terechtkomen. Deze leden wijzen in dat kader op het voornemen het eigen risico te verhogen (zonder de tegemoetkoming arbeidsongeschikten te behouden), het verlagen van het maximumdagloon en het verhogen van de inkomstenbelasting. Zij vragen de Staatssecretaris om in een tabel weer te geven hoeveel iemand met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die parttime werkt en 40.000 euro per jaar verdient er maximaal netto op achteruit kan gaan door de aanpassing van de samenvoegbepaling en de maatregelen uit het coalitieakkoord op het gebied van zorg, sociale zekerheid en belastingen. Deze leden vragen de Staatssecretaris ook hoeveel een gezonde directeur-grootaandeelhouder met een inkomen van 150.000 euro per jaar erop achteruitgaat door de voorgenomen kabinetsmaatregelen. Daarnaast vragen deze leden de Staatssecretaris om hierop te reflecteren.
De leden van de PRO-fractie vragen of het klopt dat het beloofde onderzoek naar aanleiding van de motie Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 848-79) nog niet met de Kamer gedeeld is. Vindt de Staatssecretaris het passend om een maatregel met een dergelijke grote impact te nemen vóórdat de verkenning naar de impact van de stapeling van maatregelen, die het kabinet van plan is af is? Is de Staatssecretaris bereid om ook het aanpassen van de samenvoegbepaling in de analyse mee te nemen? Deze leden zouden graag helderheid krijgen over de stapeling van: de doorwerking van de duurverkorting van de WW in de WGA, de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, de afschaffen van de aftrek en tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de verhoging en het schrappen van de verlaging van het eigen risico, de voorgenomen verhoging van de inkomstenbelasting en het aanpassen van de samenvoegbepaling.
De leden van de PRO-fractie zouden graag een bredere discussie voeren over het nut van de arbeidskorting. De arbeidskorting is immers flink verhoogd in de afgelopen vijftien jaar, zonder dat daar een duidelijke analyse over de arbeidsmarkt aan ten grondslag lag. Daardoor lijkt de arbeidskorting verworden tot vooral een instrument om inkomenspolitiek te voeren, meer dan een instrument om arbeidsparticipatie te bevorderen. Is de Staatssecretaris het daarmee eens is en wat was volgens hem de reden achter de verhogingen van de afgelopen jaren was?
Ook vragen deze leden in hoeverre het doel van de arbeidskorting volgens de Staatssecretaris al bereikt wordt door het sociale zekerheidsstelsel zelf. De hoogte van uitkeringen wordt in Nederland immers zo vastgesteld dat werken blijft lonen: er is bewust gekozen voor een percentage van de lonen. Zo ook bij de WIA. Waarom is het volgens de Staatssecretaris dan nodig om ook een fiscale prikkel in te bouwen? In hoeverre is dat volgens hem dubbelop?
Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie of het bestaan van en de opeenvolgende verhogingen van de arbeidskorting volgens de Staatssecretaris hebben bijgedragen aan een hogere uitstroom uit de WIA dan anders het geval was geweest. Kan de Staatssecretaris dit kwantificeren?
Deze leden willen ook graag weten of de Staatssecretaris de grote verschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden die het gevolg zijn van onder andere de hoogte van de arbeidskorting nog te rechtvaardigen vindt. Voorts vragen deze leden of het klopt dat de arbeidskorting nog maar zeer beperkt effectief is, en of dit feit van invloed is op de keuze van de Staatssecretaris voor de voorgestelde aanpassing.
In dit kader vragen de leden van de PRO-fractie naar de alternatieve opties die de Staatssecretaris heeft overwogen. Deze leden lezen dat een uitbreiding van de arbeidskorting tot alle socialezekerheidsuitkeringen die door tussenkomst van de werkgever kunnen worden uitbetaald, «niet in lijn» is met «het stimuleren van arbeidsparticipatie». Betekent dit dat dat de voornaamste reden is om niet voor dit alternatief te kiezen en dat deze optie wel juridisch houdbaar is? Hoeveel zou dit alternatief kosten? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat dit een vreemd argument is, gegeven de beperkte effectiviteit van de arbeidskorting in het stimuleren van arbeidsdeelname, en gegeven het feit dat het om een groep gaat die: a) gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en dus niet fulltime kan werken en b) al werkt en dus niet verder geprikkeld hoeft te worden?
De leden van de PRO-fractie zijn voorts benieuwd in hoeverre de mensen die de afgelopen jaren geen arbeidskorting over hun uitkering toegekend hebben gekregen, terwijl anderen in een vergelijkbare situatie dat wel kregen aanspraak kunnen maken op een vergoeding met terugwerkende kracht. Kunnen zij alsnog vragen om de arbeidskorting over hun volledige inkomen te berekenen voor de afgelopen jaren? Zo nee, betekent dat dat het kabinet zich erbij neerlegt dat de overheid sinds de invoering van de samenvoegbepaling discriminerend heeft gehandeld?
Tot slot vragen de leden van de PRO-fractie naar de reacties op de internetconsultatie. Hoeveel daarvan waren positief en hoeveel negatief? Heeft de Staatssecretaris overwogen om het voorgenomen besluit te wijzigen op basis van de reacties?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het besluit tot aanpassing van de loonbelasting naar aanleiding van WIA-compensatie en de uitspraak van de Hoge Raad in geval van vervallen van de samenvoegbepaling.
Bij het vervallen van de samenvoegbepaling hebben de leden van de CDA-fractie enkele vragen. Deze leden snappen dat de uitspraak van de Hoge Raad moest leiden tot aanpassing van de arbeidskorting voor uitkeringsgerechtigden om de situatie gelijk te trekken tussen iemand, die de uitkering direct van het UWV of via de werkgever ontvangt. Wat deze leden minder goed begrijpen is de keuze om daar niet direct over te gaan communiceren. Het vorige kabinet heeft immers ervoor gekozen de uitspraak van de Hoge Raad nog geen gevolg te laten hebben in 2025 en 2026, maar per 1 januari 2027 gaat die wel in. Waarom is ervoor gekozen om mensen hiervan pas na de zomer van 2026 te informeren? Deze leden achten de kans vrij groot dat een deel van de 11.000 mensen, die dit zal treffen, vanwege de technische aard van de wijziging hier nog geen kennis van heeft genomen en wel dus binnen een paar maanden tijd met een flinke inkomensdaling zal worden geconfronteerd. Dat is gemiddeld 3.000 euro verlies aan arbeidskorting en als het recht op IACK vervalt komt daar nog eens 3.000 euro bovenop. Deze leden begrijpen dat de Staatssecretaris wilde afwachten tot de regeling definitief was. Maar gaat dit niet juist in tegen de wens van het kabinet om mensen de tijd te geven zich voor te bereiden?
De leden van de CDA-fractie vragen of mensen die nog werken naast hun uitkering, deze uitkering altijd via de werkgever krijgen uitbetaald of dat veel werkenden dit ook rechtstreeks vanuit het UWV krijgen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat de IACK vanaf een inkomen van ca. € 6.000 opbouwt tot volledige IACK bij een inkomen van ca. € 30.000, en de arbeidskorting vanaf een inkomen, en de arbeidskorting tot een inkomen van € 40.000 volledig opbouwt. Zij vragen of het in de regel klopt dat hoe lager het arbeidsinkomen is dat wordt aangevuld tot ca 30.000–40.000 met een uitkering, hoe meer nadeel iemand heeft van de wijziging.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende conceptregeling. Zij hebben daarover enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie constateren ten aanzien van de toelichting op de wijzigingen dat de regeling uit twee onderdelen bestaat. Waarbij de introductie van een eindheffing voor een eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA voornamelijk voordelen oplevert, terwijl de aanpassing van de samenvoegbepaling grote negatieve gevolgen kan hebben voor burgers. Is overwogen om beide onderdelen in twee aparte regelingen op te nemen? Waarom is daar niet voor gekozen? Is het mogelijk om dit alsnog te doen? Deze leden wijzen daarbij op het feit dat het eerste onderdeel uiterlijk op 1 september 2026 in moet gaan, terwijl voor het tweede onderdeel wellicht meer tijd genomen kan worden.
De leden van de SGP-fractie begrijpen ten aanzien van het aanpassen van de samenvoegbepaling dat de regering, als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, een keuze moet maken om de arbeidskorting al dan niet van toepassing te laten zijn op uitkeringen, die worden verstrekt door tussenkomst van de werkgever, waarbij er ook andere loonbestanddelen aanwezig zijn. De uitwerking van deze keuze pakt nu voor bepaalde groepen enorm nadelig uit. Doordat het recht op de arbeidskorting voor een groep abrupt eindigt, gaat een groep van 11.000 uitkeringsgerechtigden er 3.000 euro per jaar in netto-inkomen op achteruit. Deze daling kan oplopen tot 8.700 euro. Wat is de procentuele koopkrachtdaling, zowel gemiddeld als maximaal? Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie of de Staatssecretaris de inkomenseffecten uitgebreider kan toelichten en beschrijven, voor diverse situaties.
De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris voorts om te reflecteren op de effecten op de (kinder)armoede als gevolg van de voorliggende conceptregeling.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een geleidelijker afbouwpad. Is de Staatssecretaris met deze leden van mening dat de groep uitkeringsgerechtigden daardoor beter kan anticiperen op de inkomensdaling?
Tevens vragen deze leden waarom niet of gekozen voor een tijdelijk uitstel van de aanpassing van de samenvoegbepaling, zodat in de tussentijd gewerkt kan worden aan een structurele, meer passende oplossing.
De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ten principale aankijkt tegen het feit dat uitkeringsgerechtigden per definitie zwaarder worden belast, terwijl in veel gevallen uitkeringsgerechtigden niet eens in staat zijn (meer) te werken. Deelt de Staatssecretaris de mening dat dit onrechtvaardig is en dat daarom moet worden ingezet op een meer structurele oplossing? Welke concrete stappen gaat de Staatssecretaris zetten in die richting? Werkt het kabinet intussen aan een fundamentele aanpassing of uitfasering van de arbeidskorting, zoals geschetst in een eerdere Kamerbrief hierover?1
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het grote inkomensverschil komt door de enorm opgelopen arbeidskorting, en andere heffingskortingen. Deelt de Staatssecretaris de analyse dat het inkomensverlies niet zo groot was geweest als de arbeidskorting de laatste jaren niet enorm verhoogd zou zijn? Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze stijging, gezien dit soort negatieve consequenties? Wat zegt dit over de toekomst van de arbeidskorting?
De leden van de SGP-fractie vragen ten aanzien van de gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven hoe de groep uitkeringsgerechtigden die als gevolg van deze regeling een inkomensachteruitgang tegemoet kan zien, geïnformeerd is? Kan de regering dit concreet uiteenzetten? En hoe ziet de communicatie er de komende maanden uit?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 544, nr. 1273↩︎