[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid De Beer over het bericht – ‘Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet - opleidingen dreigen te verdwijnen’

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D39426, datum: 2026-08-27, bijgewerkt: 2026-08-27 12:27, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z15999:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2783

2026Z15999

Antwoord van minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 27 augustus 2026)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2547

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen"? 1)

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?

Antwoord 2

Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.

De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.

Vraag 3

Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact ‘Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst’. Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.

Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.

Vraag 4

Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?

Antwoord 4

De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.

Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag 3).

Vraag 5

Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?

Vraag 6

Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?

Antwoord 5 en 6

De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.

Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.

Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.

De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.

Vraag 7

Klopt het dat er €200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?

Antwoord 7

Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.

De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact ‘Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst’ vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.

Vraag 8

Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?

Antwoord 8

Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.

Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.

Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.

Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025-2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.

De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.

Vraag 9

Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?

Antwoord 9

Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.

Vraag 10

Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?

Antwoord 10

Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.

Vraag 11

Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?

Antwoord 11

Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.1 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.

De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.

Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.

Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact ‘Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst’.

Vraag 12

Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?

Antwoord 12

Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact ‘Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst’, waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.

1) Telegraaf.nl, 8 juli 2026, Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen (https://www.telegraaf.nl/politiek/technieksector-slaat-alarm-om-mbo-plannen-kabinet-opleidingen-dreigen-te-verdwijnen/158408681.html)


  1. Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2024/25, 31524, nr. 674 en Kamerstukken II 2025/26, 31524, nr. 691↩︎