Antwoord op vragen van het lid Coenradie over gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39705, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-08-28 16:14, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Mede namens: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z12425:
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2818
Antwoord van minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2435
Vraag 1
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Antwoord op vraag 1
Ja. Uit onderzoek in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) uit 2010 blijkt ook dat in bepaalde landen waar minimumstraffen zijn ingevoerd de rechter gebruik kon maken van hardheidsclausules.1
Vraag 2
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Antwoord op vraag 2
De gesprekken met de organisaties gingen (onder meer) over de vraag hoe zij aankijken tegen minimumstraffen in algemene zin en bij geweld tegen publieke hulpverleners in het bijzonder. De gesprekken gingen minder over de wijze waarop minimumstraffen in de praktijk kunnen worden toegepast. Desondanks hebben het OM en de Rvdr wel aandacht gevraagd voor een hardheidsclausule bij een eventuele invoering van minimumstraffen om disproportionele strafoplegging te voorkomen.
Vraag 3
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Antwoord op vraag 3
Het OM heeft tijdens de gesprekken toegelicht dat de huidige wetgeving in combinatie met het strafvorderingsbeleid voldoende ruimte biedt om tot proportionele (voldoende zware) strafeisen en strafopleggingen te komen. De verhoging van strafmaxima creëert juist extra ruimte voor zwaardere bestraffing voor zaken die zich daarvoor lenen; hiervan kan de rechter ook gemotiveerd gebruik maken in de gevallen waarin de ernst van het feit en de impact op de samenleving hiervoor aanleiding geeft.
Vraag 4
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 4
Deze uitspraak van het OM zegt op zich niets over de wijze waarop verhogingen van strafmaxima in de rechtspraktijk doorwerken. In het door u aangehaalde WODC-rapport wordt geconstateerd dat verhogingen van wettelijke strafmaxima slechts een beperkte impact hebben gehad op de strafoplegging. In mijn nadere reactie op het rapport zal ik op deze constatering inhoudelijk reageren.2
Vraag 5
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Antwoord op vraag 5
Slachtofferhulp Nederland en Reclassering Nederland hebben aandacht gevraagd voor de uitlegbaarheid van straffen. Als opgelegde straffen beter worden uitgelegd kan dit er volgens hen toe leiden dat er meer begrip voor de opgelegde straffen ontstaat en dat de maatschappelijke ophef wordt beperkt.
Vraag 6
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Antwoord op vraag 6
Reclassering Nederland en Slachtofferhulp Nederland hebben in de
gesprekken aandacht gevraagd voor het beter toelichten van opgelegde
straffen respectievelijk het beter betrekken van de samenleving bij de
totstandkoming van de richtlijnen die voor het eisen en opleggen van
straffen gelden. Er wordt door hen noch door mij geconcludeerd dat een
gebrek aan uitleg een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip
dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf.
Vraag 7
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Antwoord op vraag 7
Het is vooral aan het OM en de Rechtspraak om te bepalen of en hoe
opgelegde straffen beter kunnen worden uitgelegd. Dit zou bijvoorbeeld
kunnen gebeuren door een actiever beleid op sociale media. Zoals ik heb
toegelicht in mijn brief van 8 juni 2026 ben ik in overleg met het OM en
de Rechtspraak om over de knelpunten bij minimumstraffen te spreken en
bericht ik u in de tweede helft van 2026 over de uitkomst.3
Vraag 8
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Antwoord op vraag 8
Bij de discussie over minimumstraffen moet uiteraard naar het belang van bescherming van de samenleving worden gekeken. Onder meer politie en Slachtofferhulp Nederland hebben hier aandacht voor gevraagd tijdens de gesprekken en ik doe dit ook bij het vervolg van de overleggen met het OM en de Rechtspraak. Overigens hangen gedragsverandering van de dader en bescherming van de samenleving met elkaar samen. Zonder gedragsverandering is de samenleving immers minder beschermd als de dader weer op vrije voeten komt.
Vraag 9
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 9
Het klopt dat een langere detentieperiode als voordeel heeft dat gedurende deze tijd de kans erg klein is dat de veroordeelde opnieuw slachtoffers maakt. Het beschermen van de samenleving is een van de strafdoelen die de rechter kan gebruiken om een langere gevangenisstraf op te leggen.4 De rechter neemt strafdoelen mee in het wegen van de uiteindelijke straf in het vonnis. Hoe vaak een rechter een strafdoel meeweegt in een vonnis wordt niet geregistreerd, maar soms wel gemotiveerd in individuele strafzaken.
Vraag 10
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Antwoord op vraag 10
Het klopt dat wanneer een veroordeelde langere periode in detentie zit, deze persoon geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken. Het klopt niet dat langere gevangenisstraffen recidive bevorderen, want uit onderzoek blijkt dat detentieduur geen effect heeft op resocialisatie-uitkomsten.5
Het is niet mogelijk om de twee stellingen goed met elkaar te vergelijken omdat deze betrekking hebben op verschillende effecten van detentie. Recidive betreft het gedrag na vrijlating (lange termijn) terwijl het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken ziet op het directe effect (korte termijn) van vrijheidsbeneming gedurende de detentieperiode.
Vraag 11
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Antwoord op vraag 11
Ja, uit onderzoek blijkt dat bij zeer korte detenties (minder dan 3 maanden) de mogelijkheden om problemen op te lossen heel beperkt zijn, terwijl bij een langere strafduur doorgaans meer ruimte is voor het bieden van behandeling, begeleiding en resocialisatie. Tegelijkertijd is ook bekend dat – ongedacht de detentieduur - het op orde hebben van basisvoorwaarden (woning, inkomsten, schulden, zorg, ID-bewijs, sociaal netwerk) samenhangt met een kleinere kans op recidive en dat bij kortgestraften de detentieschade relatief hoog ligt. Het is daarom van belang dat de mogelijkheid wordt geboden deze basisvoorwaarden op orde te houden en/of brengen. In het meerjarig actieplan Ruimte voor Recht6 wordt dan ook voorgesteld dat partners, zoals gemeenten, daarbij zo goed als mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om gedetineerden hierbij fysiek of digitaal te ondersteunen.
Vraag 12
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
Antwoord op vraag 12
De onderzoekers concluderen dat de beoogde effecten (in hoeverre de wetswijzigingen bijdragen aan de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent, bijvoorbeeld vergelding en preventie) van de voorgestelde wetswijzigingen door de wetgever slecht tot niet werden onderbouwd. Vooruitlopend op mijn nadere reactie op het rapport, merk ik op dat ik het eens ben met de onderzoekers dat het belangrijk is dat de wetgever toelicht waarom een strafverhoging wordt ingevoerd zodat de officier en rechter hiermee bij de bepaling van de hoogte van respectievelijk de strafeis en de straf rekening kunnen houden.
Vraag 13
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 13
Ik ben het met de onderzoekers van het WODC eens dat het belangrijk is dat goed wordt toegelicht waarom een strafverhoging wordt doorgevoerd. Dus als een wetsvoorstel tot doel heeft om de samenleving te beschermen dan moet dit worden toegelicht. Hiervoor is naar mijn mening geen onderzoek nodig. Overigens is bescherming van de samenleving reeds één van de strafdoelen die het Nederlandse strafrecht kent.
Vraag 14
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde
strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de
strafrechtspraktijk?
Vraag 15
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de
rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de
uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te
bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 16
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Antwoorden op de vragen 14, 15 en 16
Ik heb deze conclusie vooralsnog voor kennisgeving aangenomen. Zoals ik
in het antwoord op vraag 7 heb toegelicht ben ik in overleg met het OM
en de Rechtspraak over onder meer deze conclusie en zal ik mijn duiding
hiervan in een brief aan de Tweede Kamer toelichten.
Vraag 17
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Antwoord op vraag 17
Zoals in het WODC-onderzoek wordt geconstateerd zitten er twee kanten aan dit verhaal. Aan de ene kant functioneert de scheiding van de machten goed: de rechter vormt geen uitvoeringsorgaan van de wetgever, maar komt onafhankelijk binnen zijn eigen professionele normen en jurisprudentiële kaders tot een oordeel. Aan de andere kant kan de beperkte doorwerking ook worden gezien als een signaal van beperkte responsiviteit van de rechtspraak ten opzichte van maatschappelijke en politieke signalen. Na mijn gesprekken met het OM en de rechtspraak kom ik hierop terug.
Vraag 18
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Antwoord op vraag 18
Minimumstraffen beperken de vrijheid van de rechter. Dit wil echter niet
zeggen dat het niet mogelijk is om minimumstraffen in te voeren en
daarom ga ik hierover nader in gesprek met het OM en de Rechtspraak.
Zonder het invoeren van hardheidsclausules kunnen minimumstraffen
inderdaad een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid tot gevolg
hebben. Het is echter de vraag of dit wenselijk is als dit leidt tot
disproportionele of onuitvoerbare straffen.
Vraag 19
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 19
Zoals toegelicht ben ik nog in overleg met het OM en de Rechtspraak over
de straffen bij geweld tegen hulpverleners en licht ik de uitkomst
schriftelijk toe. Gelet op de onafhankelijkheid van de Rechtspraak, is
het aan de Rechtspraak zelf om de oriëntatiepunten vast te stellen. Ook
het OM gaat in beginsel zelf over zijn Aanwijzingen, gezien de
bijzondere staatsrechtelijke positie van het OM. Ik kan echter wel
aandacht vragen voor de bevindingen van het WODC-onderzoek en dit zal ik
ook doen.
Vraag 20
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Vraag 21
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Antwoord op de vragen 20 en 21
Uit het in het antwoord op vraag 1 genoemde en enigszins gedateerde
onderzoek uit 2010 blijkt dat er destijds in ieder geval minimumstraffen
bestonden in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland en Wales. In geen
van deze landen was specifiek onderzoek beschikbaar waaruit valt af te
leiden of de minimumstraf onomstotelijk heeft geleid tot de beperking
van de criminaliteit of tot de vermindering van de recidive. Ook op
andere punten bevatte dit onderzoek geen conclusies waarmee een goede
‘best practice’ kan worden geselecteerd.
Vraag 22
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Antwoord op vraag 22
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de ketenorganisaties en wil, net als u, de hulpverleners zo goed mogelijk beschermen en een harde aanpak van geweld tegen hulpverleners. Na mijn overleg met het OM en de Rechtspraak infomeer ik u hier nader over.
Peter J.P. Tak, 2010, De minimumstraf opnieuw bezien, Een geactualiseerde beknopte rechtsvergelijking.↩︎
Kamerstuk 29279, nr. 1038, vergaderjaar 2025-2026↩︎
Kamerstukken II, 29279, nr. 1038.↩︎
https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/rechtspraak-in-nederland/rechters/strafrechter↩︎
Berghuis et al., 2024.↩︎
Kamerstuk 24587, nr. 1134, vergaderjaar 2025-2026↩︎