[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Landbouwraad 6-8 september 2026 (Kamerstuk 21501-32-1831)

Landbouw- en Visserijraad

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D39871, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 13:39, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z17317:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn brief van 27 augustus 2026 over ā€˜Geannoteerde agenda informele Landbouwraad 6-8 september 2026’ (Kamerstuk 21501-32, nr. 1831). De op 31 augustus 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Steen

De adjunct-griffier van de commissie,

Bosman

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 2

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie 5

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 6

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 8

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie 9

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie 10

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 11

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower 11

II Antwoord/ Reactie van de minister van Landbouw, Visserij,

Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 6-8 september aanstaande. Deze leden zijn positief over de keuze van het Iers voorzitterschap om innovatie centraal te stellen: onderzoek en technologie zijn belangrijke instrumenten waarmee de veehouderij- en eiwitsector economisch sterker, ecologisch duurzamer Ʃn toekomstbestendig kunnen worden. Zij zien in deze Raad een kans voor Nederland om als koploper op eiwitinnovatie het voortouw te nemen in Europa. Wel hebben deze leden op een aantal punten nog vragen en aandachtspunten.

De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de veeteeltstrategie en het ProteĆÆne Actieplan de eiwittransitie en de versterking van de Europese strategische autonomie op het gebied van voedselzekerheid met elkaar verbinden. Deze leden delen de ambitie om de Europese Unie (EU)-productie van eiwitgewassen te laten stijgen van 25 procent naar 35 procent in 2035 en onderschrijven dat een diverser eiwitaanbod, ook op basis van nieuwe productiewijzen zoals kweekvlees en precisiefermentatie, bijdraagt aan klimaatdoelen, dierenwelzijn en een kleinere ecologische voetafdruk. Zij vragen het kabinet om tijdens de informele Raad expliciet te pleiten voor gelijkwaardige Europese inzet op alternatieve en plantaardige eiwitten naast dierlijke eiwitten en vragen of het kabinet bereid is aan te dringen op concrete Europese onderzoeksmiddelen en regelgevend perspectief voor kweekvlees en fermentatie-eiwitten, zodat innovatieve Nederlandse koplopers niet vastlopen in trage of versnipperde EU-toelatingsprocedures. Zij vragen het kabinet voorts een appreciatie te geven van de veeteeltstrategie en het ProteĆÆne Actieplan op het punt van onderzoek en innovatie en daarbij aan te geven hoe deze voorstellen zich verhouden tot de Nederlandse ambities op het gebied van stikstofreductie, dierenwelzijn en de eiwittransitie zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.

De leden van de D66-fractie hechten sterk aan het weren van de meest schadelijke bestrijdingsmiddelen van de Europese markt, ook wanneer producten van buiten de EU komen. Een gelijk speelveld tussen Europese en niet-Europese producenten is in hun ogen niet alleen een kwestie van eerlijke concurrentie voor Europese boeren, maar ook van consumentenbescherming en volksgezondheid. Deze leden zijn dan ook positief over het uitgangspunt achter de spiegelclausule in het vereenvoudigingspakket food/feed. Tegelijkertijd constateren zij dat de uitkomsten van het Joint Research Centre (JRC)-onderzoek, met mogelijke gevolgen voor 235 producten uit 86 landen, tot aanzienlijke internationale weerstand leiden, met formele klachten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) als gevolg.

De leden van de D66-fractie hechten aan een op wetenschap gebaseerde, zorgvuldige en case-by-case beoordeling, zoals de Europese Commissie (EC) ook voorstaat en aan het zoveel mogelijk voorkomen van escalatie in de internationale handelsverhoudingen. Deze leden vragen het kabinet welke inzet het pleegt om te waarborgen dat de uitwerking van de spiegelclausule wetenschappelijk onderbouwd en proportioneel blijft en hoe het kabinet de zorgen van derde landen en producentenorganisaties weegt tegen het belang van een gelijk speelveld en voedselveiligheid. Zij vragen tevens of het kabinet, gelet op de kritische bevindingen van het Europees Parlement (EP) over spiegelclausules in algemene zin, kansen ziet om via multilaterale dialoog escalatie bij de WTO te voorkomen, zonder dat dit ten koste gaat van de bescherming van Europese consumenten en boeren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouwraad van 6–8 september 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

Innovatie in de veehouderij
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van technologische innovatie in de veehouderij. De Nederlandse landbouw en veehouderij lopen van oudsher voorop in het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologieƫn. Deze leden onderschrijven daarom het belang van onderzoek naar de wijze waarop verschillende beleidsdoelen, zoals emissiereductie en dierenwelzijn, integraal kunnen worden behaald. Daarbij moet niet de techniek, maar het aantoonbare resultaat centraal staan en moeten ondernemers ruimte houden om zelf te bepalen met welke maatregelen zij de gestelde doelen bereiken. Kan de minister bevestigen dat Nederland zich tijdens de informele Raad zal uitspreken voor een resultaatgerichte en technologieneutrale benadering? Ook onderschrijven deze leden de inzet van het kabinet dat boeren zelf moeten kunnen meedenken en meebeslissen over dergelijke innovaties. De betrokkenheid van boeren is daarbij van belang om ervoor te zorgen dat innovaties aansluiten bij de praktijk en de voorwaarden worden gecreƫerd voor een succesvolle en brede toepassing. Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de betrokkenheid van boeren niet beperkt blijft tot de ontwikkeling van innovaties, maar ook wordt meegenomen bij de verdere toepassing en opschaling daarvan? Is de minister bereid daarbij expliciet aandacht te vragen voor het wegenemen van Europese en nationale regels die praktijkproeven, toelating en opschaling onnodig vertragen? Daarnaast vinden deze leden het van belang dat ondernemers voldoende zekerheid hebben over de werking en erkenning van technologieƫn waarin zij investeren. Hoe borgt de minister dat boeren die investeren in innovaties om bij te dragen aan publieke doelen, kunnen rekenen op voorspelbare en juridisch houdbare kaders, zodat zij niet achteraf worden geconfronteerd met veranderende uitgangspunten waardoor de waarde of bruikbaarheid van hun investering onder druk komt te staan?

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat innovaties moeten passen binnen ā€˜ethische grenzen’. Kan de minister concreet toelichten wat hiermee wordt bedoeld, wie deze grenzen bepaalt en hoe wordt voorkomen dat dit open begrip wordt gebruikt om wetenschappelijk veilig bevonden innodaties om politieke of ideologische redenen te blokkeren?

Diversificatie van eiwitbronnen
De leden van de VVD-fractie vinden het van belang dat de discussie over de toekomst van eiwitten niet wordt benaderd als een strijd tussen verschillende eiwitbronnen. Met het oog op de groeiende wereldbevolking en de toenemende mondiale vraag naar eiwitten zien deze leden juist kansen in een divers en complementair aanbod. Dierlijke en plantaardige eiwitten, maar ook nieuwe productiewijzen zoals precisiefermentatie en kweekvlees, kunnen elkaar aanvullen en gezamenlijk bijdragen aan de voedselzekerheid en voldoende beschikbaarheid van eiwitten. De keuze welke producten worden geconsumeerd, blijft daarbij aan mensen zelf. Kan de minister bevestigen dat de Nederlandse inzet is gericht op het vergroten van het aanbod en de innovatiekracht en niet op Europese sturing op consumptie van dierlijke of plantaardige eiwtten? Kan de minister tevens bevestigen dat de bestaande veehouderij volwaardig onderdeel blijft van de Nederlandse en Europese voedselvoorziening?

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van Europese innovatie op het gebied van nieuwe eiwitbronnen en productiewijzen. Deze leden constateren dat landen als China fors investeren in biotechnologie en nieuwe eiwitproductie. Hoe wil de minister borgen dat Europa en Nederland hun technologische en industriƫle koppositie op dit terrein behouden en voorkomen dat veelbelovende innovaties uiteindelijk buiten Europa worden opgeschaald en gecommercialiseerd, vanwege een ongunstig regelgevings- en investeringsklimaat? Is de minister bereid in Europees verband te pleiten voor snellere, voorspelbare en meer proportionele toelatingsprocedures voor nieuwe voedseltechnologieƫn, zonder daarbij concessies te doen aan de voedselveiligheid? Welke conrete knelpunten in de Europese toelatingsprocedures wil het kabinet tijdens de Raad agenderen?

Keurmerken en verdienvermogen
De leden van de VVD-fractie lezen dat concepten met lagere emissies of hogere dierenwelzijnsnormen via keurmerken een betere melk- of vleesprijs in de supermarkt kunnen opleveren. Deze leden merken op dat een hogere prijs in de supermarkt niet automatisch betekent dat de meerwaarde ook daadwerkelijk (in voldoende mate) bij de boer terechtkomt. Uit de Agro-Nutri Monitor 2025 van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgevoerd met Wageningen Social & Economic Research, blijkt dat 62 procent van de respondenten met een duurzaamheidskeurmerk aangeeft dat de ontvangen meerprijs de meerkosten niet volledig dekt. Daarnaast worden administratie en kosten voor certificering als belemmeringen ervaren. Kan de minister toelichten hoe hij voorkomt dat keurmerken leiden tot extra kosten en administratieve lasten voor boeren, zonder dat daar een voldoende en structureel verdienmodel tegenover staat?

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat de ACM heeft aanbevolen het grote aantal duurzaamheidskeurmerken terug te brengen tot een beperkt aantal voor consumenten duidelijk herkenbare keurmerken. Deze leden vragen hoe de minister aankijkt tegen de aanbeveling van de ACM om het grote aantal duurzaamheidskeurmerken terug te brengen tot een beperkt aantal voor consumenten duidelijk herkenbare keurmerken. Welke mogelijkheden ziet de minister om de versnippering van duurzaamheidskeurmerken terug te dringen? Daarnaast vragen zij hoe de minister de aanbeveling van de ACM beziet om nationale keurmerken internationaal te benchmarken en te positioneren. Ziet de minister mogelijkheden om te voorkomen dat Nederlandse boeren wel investeren om aan hoge keurmerkeisen te voldoen, maar bij export onvoldoende kunnen profiteren van de commerciƫle waarde daarvan omdat Nederlandse keurmerken in andere lidstaten onvoldoende herkenbaar zijn?

Ondersteuning van boeren en generatievernieuwing
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van praktische en boergedreven ondersteuning, met focus op generatievernieuwing binnen de sector. Deze leden constateren dat een succesvolle bedrijfsovername niet alleen vraagt om goede begeleiding en toegang tot kennis, maar vooral ook om voldoende toekomstperspectief voor de nieuwe generatie ondernemers. Jonge boeren moeten de ruimte en zekerheid hebben om te investeren, te ondernemen en een economisch gezond bedrijf op te bouwen. Zij vragen hoe de minister ervoor zorgt dat de inzet op generatievernieuwing niet beperkt blijft tot het faciliteren van bedrijfsovername, maar er ook aan bijdraagt dat jonge boeren na een overname voldoende perspectief hebben om een gezond en toekomstbestendig bedrijf voort te zetten. Welke concrete Nederlandse en Europese regels vormen volgens de minister momenteel de grootste belemmering voor bedrijfsovername en investeringen door jonge boeren? Is de minister bereid tijdens de informele Raad te pleiten voor een concreet Europees actiepunt om deze belemmeringen en de bijbehorende regeldruk te verminderen? Kan de minister daarnaast inzichtelijk maken hoe de ruim 4 miljoen euro subsidie aan het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en het Programma Voor de Volgende Generatie wordt vertaald in meetbare resultaten? Hoeveel jonge boeren worden hiermee bereikt, hoeveel bedrijfsovernames worden daadwerkelijk ondersteund en op welke wijze wordt beoordeeld of het programma bijdraagt aan meer succesvolle bedrijfsovernames?

GLB en groene doelen
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet zich inzet voor voldoende ambitie op EU-niveau ten aanzien van de groene doelen binnen het toekomstige Gemeenschappelijk Lanbouwbeleid (GLB). Kan de minister nader toelichten wat hieronder wordt verstaan? Welke concrete doelen, voorwaarden of verplichtingen wil het kabinet in het toekomstige GLB opnemen en welke gevolgen kunnen deze hebben voor Nederlandse boeren? Deelt de minister de opvatting dat groene doelen vooral resultaatgericht en technologieneutraal moeten worden vormgegeven, met ruimte voor ondernemers om zelf te bepalen hoe zij de gestelde doelen bereiken? Zij benadrukken dat daarbij ook het verdienvermogen, de productiecapaciteit en de marktvraag nadrukkelijk in ogenschouw moeten worden genomen. Een toekomstbestendige landbouw kan niet uitsluitend afhankelijk zijn van publieke steun, maar moet in de eerste plaats kunnen steunen op een gezond verdienmodel vanuit de markt. Hoe borgt de minister dat de verdere vergroening van het GLB niet leidt tot het onnodig onder druk zetten van bestaande verdienmodellen, waarna boeren vervolgens via publieke middelen voor dat verlies aan verdienvermogen afhankelijk(er) worden gemaakt van compensatie en subsidies? Hoe ziet de minister de verhouding tussen groene doelstellingen enerzijds en voedselzekerheid, concurrentiekracht en het behoud van de Europese productiecapaciteit anderzijds bij de verdere vormgeving van het GLB? Deze leden lezen voorts dat Nederland inzet op het geleidelijk verlagen van de gehele bandbreedte van de degressieve areaalgebonden inkomenssteun. Kan de minister toelichten welke concrete verlaging Nederland nastreeft, welke gevolgen dit naar verwachting heeft voor verschillende typen Nederlandse landbouwbedrijven en hoe wordt voorkomen dat Nederlandse boeren hierdoor een concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van boeren in andere lidstaten? Waar moeten de hiermee vrijvallende middelen volgens het kabinet terechtkomen? Tot slot constateren deze leden dat het Ierse voorzitterschap in het komende halfjaar tot een gemeenschappelijke Raadspositie wil komen. Welke inhoudelijke rode lijnen hanteert het kabinet daarbij? Kan de minister toezeggen dat de Kamer tijdig en voorafgaand aan bepalende besluitvormingsmomenten wordt geĆÆnformeerd over de Nederlandse inzet en niet pas nadat politiek moeilijk omkeerbare afspraken zijn gemaakt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Hierover hebben deze leden enkele vragen en opmerkingen.

Innovatie

De leden van de PRO-fractie zien innovatie prominent op de agenda staan. Deze leden moedigen duurzame innovatie uiteraard aan, met de nadruk dat publiek geld ten alle tijden moet worden ingezet voor bewezen effectieve maatregelen die bijdragen aan publieke doelen. Zij steunen de ambities om alternatieve duurzame eiwitproductie op gang te helpen. Zij vragen het kabinet om concreet te maken welke (Europese) belemmeringen er nu zijn op duurzame eiwitproductie en welke specifieke maatregelen het kabinet bepleit voor effectieve productiemethoden die voor Nederland relevant zijn. Welke maatregelen zijn er op zowel nationaal als Europees niveau mogelijk?

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2028-2034

De leden van de PRO-fractie zijn blij dat het kabinet zich inzet voor het verlagen van de bandbreedte voor inkomenssteun binnen het GLB om meer geld vrij te maken voor ecosysteemdiensten, conform de aangenomen Kamermotie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21501-32, nr. 1780). Deze leden vragen het kabinet om toe te lichten of Nederland ervoor pleit om een bepaald percentage van de GLB-middelen af te bakenen (ā€˜ringfencing’) voor groene doelen. Zo niet, is het kabinet bereid om een percentage te bepleiten? Volgens deze leden kan het GLB aangewend worden om onderdelen van de Natuurherstelverordening (NHV) te bekostigen. Kan het kabinet duidelijk maken voor welke artikelen van de NHV-financiering vanuit de GLB mogelijk zou zijn? Als dit nog niet voldoende het geval is, is het kabinet dan bereid om ervoor te pleiten dat GLB-middelen aan deze doelen gekoppeld worden?

Diversen

De leden van de PRO-fractie vragen volop de aandacht voor de ontwikkelingen rondom de Omnibus Food & Feed. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken: 1) hoe de komende tijd zal worden onderhandeld over dit voorstel, 2) of het kabinet bevestiging heeft gekregen van het Ierse voorzitterschap dat EU-lidstaten niet nogmaals overvallen worden met nieuwe compromisteksten op het laatste moment en3) wat het kabinet doet om de Kamer en nationale experts en wetenschappers in staat te stellen om een nieuw voorstel tijdig en volledig te beoordelen, voordat het kabinetsstandpunt wordt bepaald. Kan het kabinet op deze drie vragen in gaan?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Algemeen
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026 en het verslag van de informele Visserijraad van 28-29 juli 2026 in Cork. Deze leden maken zich ernstige zorgen over de toenemende stroom aan Europese regelgeving en de impact daarvan op de economische levensvatbaarheid van onze boeren en vissers.

De leden van de PVV-fractie benadrukken dat voedselzekerheid, soevereiniteit en het beschermen van de nationale agrovoedingssector en de visserijgemeenschappen topprioriteiten moeten zijn voor het kabinet. Deze leden leggen in dat kader een aantal kritische vragen en opmerkingen voor aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de staatssecretaris van LVVN.

Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026
Werkprogramma van het Iers voorzitterschap
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Iers voorzitterschap heeft zijn prioriteiten voor de tweede helft van 2026 gepresenteerd, met de nadruk op een concurrerende en duurzame landbouw- en visserijsector en de voorbereiding van het toekomstig GLB en het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Deze leden vragen de minister of hij kan toelichten hoe het kabinet de prioriteit van het voorzitterschap ten aanzien van een duurzame sector weegt. Kan de minister de garantie geven dat het begrip duurzaamheid niet door de EC zal worden misbruikt om knellende milieumaatregelen en verdere administratieve lasten aan onze boeren en vissers op te leggen? Zo ja, hoe gaat het kabinet dit in de Raad bewaken? Zij vragen de minister om een reactie op de inzet van het voorzitterschap voor een MFK dat de sectoren voldoende blijft ondersteunen. Is het kabinet bereid zich in te zetten voor het behoud of de verhoging van het landbouw- en visserijbudget in het komende MFK, zonder dat dit gepaard gaat met aanvullende groene verplichtingen of bureaucratische voorwaarden?

Strategie voor de veehouderij en het EU-Eiwitactieplan
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de EC op 7 juli 2026 de Strategie voor de veehouderij en het EU-Eiwitactieplan heeft gepubliceerd, gericht op voedselzekerheid, strategische autonomie en het concurrentievermogen van de EU. Deze leden hebben er met grote bezorgdheid kennis van genomen dat de EC en het kabinet inzetten op een evenwichtiger consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten en het verminderen van de afhankelijkheid van ingevoerde eiwitten. Zij vragen de minister of dit betekent dat er vanuit Brussel of Den Haag actieve ontmoediging van de consumptie van dierlijk eiwit (vlees en zuivel) zal plaatsvinden. Is de minister het met hen eens dat consumenten volledig vrij moeten zijn in hun voedselkeuze en dat de overheid of de EC hier geen sturende rol in moet spelen? Zij vragen of de minister kan toelichten hoe het studievoorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij deze strategieƫn zich verhoudt tot het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof zoals verwoord in de brief van 26 juni jongstleden. Kan de minister uitsluiten dat deze Europese initiatieven de nationale besluitvorming over het stikstofdossier zullen doorkruisen of verzwaren? Zij vragen of de minister bereid is om bij de uitwerking van de Strategie voor de veehouderij harde garanties te eisen dat deze niet zal leiden tot krimp van de Nederlandse veestapel of tot onevenredige administratieve lasten voor onze veehouders. Zo ja, welke concrete rode lijnen trekt het kabinet hierbij in Brussel?

Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat tijdens de Raad is gesproken over de Chinese heffingen op zuivel en varkensvlees uit de EU, evenals over het voorgestelde handelsakkoord met Indonesië. Deze leden maken zich grote zorgen over de Chinese heffingen. Zij vragen de minister wat de concrete economische gevolgen zijn van deze heffingen voor de Nederlandse zuivel- en varkensvleessector. Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband, om onze boeren en aangesloten bedrijven te beschermen tegen deze oneerlijke handelsbarrières en de negatieve impact hiervan te minimaliseren? Zij vragen de minister of het kabinet bereid is om bij nieuwe handelsakkoorden, zoals het voorgestelde akkoord tussen de EU en Indonesië, te eisen dat er een strikt gelijk speelveld geldt waarbij geïmporteerde producten aan exact dezelfde hoge eisen moeten voldoen als de producten van onze eigen boeren. Hoe gaat het kabinet borgen dat onze boeren niet worden weggeconcurreerd door goedkope importproducten die onder lagere standaarden zijn geproduceerd?

Rol van vrouwen in de landbouw
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de Raad een gedachtewisseling hield over de rol van vrouwen in de landbouw en het recent opgerichte EU-platform ā€˜Women in Farming’. Deze leden vragen de minister wat de concrete toegevoegde waarde is van dit platform. Is de minister het met deze leden eens dat dergelijke initiatieven het risico dragen te verzanden in symboolpolitiek en bureaucratie? Deelt de minister de mening dat we de focus moeten leggen op het verminderen van de algehele regeldruk voor alle boeren en boerinnen, in plaats van het optuigen van specifieke gender-platforms?

Diversenpunten op de agenda
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de Viségrad-groep (Hongarije, Tsjechië, Polen en Slowakije), met steun van Bulgarije, Kroatië en Roemenië, kritiek heeft geuit op het crisismanagement in het GLB, dat volgens hen niet effectief genoeg is. Daarnaast heeft Italië gepleit voor een ambitieus EU-promotiebeleid. Deze leden vragen de minister waarom het kabinet bij deze beide punten niet heeft geïntervenieerd. Is de minister het met Italië en deze leden eens dat er voldoende middelen beschikbaar moeten blijven voor de promotie van onze hoogwaardige landbouwproducten, juist in het licht van geopolitieke onrust? Deelt de minister de kritiek van de Viségrad-groep dat het huidige crisisbeheersysteem binnen het GLB niet effectief en flexibel genoeg is bij extreme omstandigheden?

Aanpassing Verordening Vangstmogelijkheden 2026
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat via een tussentijdse aanpassing van de Verordening Vangstmogelijkheden 2026 aanvullende maatregelen zijn getroffen, waarbij de ingangsdatum in de EU-wateren is uitgesteld naar 1 november 2026 wegens vertraging bij de implementatie door het Verenigd Koninkrijk. Deze leden vragen de staatssecretaris of de vertraging bij het Verenigd Koninkrijk nadelige gevolgen heeft voor Nederlandse vissers. Is de staatssecretaris ervan overtuigd dat het uitstellen van de ingangsdatum in de EU-wateren inderdaad voldoende is om een gelijk speelveld te waarborgen, of lopen onze vissers hierdoor alsnog nadeel op?

De leden van de PVV-fractie begrijpen dat er tevens is gesproken over de North East Atlantic Fisheries Commission (NEAFC)-makreelmaatregelen om de visserijactiviteiten op makreel door Russische vaartuigen te bemoeilijken. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe het overleg met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de visserijsector verloopt over de uitvoering van deze NEAFC-aanbeveling. Welke administratieve of handhavingslasten brengt dit met zich mee voor Nederlandse havens en visserijbedrijven en hoe wordt voorkomen dat de sector hierdoor onevenredig wordt belast?

Informele Visserijraad van 28-29 juli 2026 in Cork
Generatievernieuwing en de overleving van de sector
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat het centrale thema van de informele Visserijraad generatievernieuwing in de visserijsector was. Deze leden benadrukken dat generatievernieuwing van levensbelang is voor de Nederlandse visserijsector, die de afgelopen jaren zwaar is getroffen door onder andere het onrechtvaardige verbod op de pulsvisserij en ingrijpende, gedwongen saneringsrondes. Zij vragen de staatssecretaris hoe het kabinet concreet invulling gaat geven aan de "Visie 2040" voor de visserij en aquacultuur die door Eurocommissaris Kadis is aangekondigd. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat generatievernieuwing hierin niet slechts een papieren prioriteit blijft, maar dat er daadwerkelijk een rendabel verdienmodel voor jonge vissers wordt gegarandeerd?

De leden van de PVV-fractie begrijpen dat tijdens de vergadering is gewezen op de stijgende brandstofkosten voor vissers als gevolg van conflicten in het Midden-Oosten. Deze leden vragen de staatssecretaris welke concrete ondersteunende maatregelen, hetzij nationaal, hetzij via Europese fondsen, het kabinet overweegt om onze vissers te beschermen tegen deze extreme brandstofkosten. De staatssecretaris heeft in de discussie gepleit voor de noodzaak om de aanlandplicht aan te passen met het oog op vereenvoudiging en werkbaarheid van regels. Deze leden delen de mening dat deze regelgeving onwerkbaar is. Zij vragen de staatssecretaris of hij in Brussel zal blijven pleiten voor een algehele herziening, of idealiter de volledige afschaffing van deze aanlandplicht. Binnen welke termijn verwacht de staatssecretaris dat hierover concrete besluitvorming zal plaatsvinden, aangezien hij zelf heeft aangegeven dat deze aanpassingen urgent zijn en zaken te lang blijven liggen? Veel lidstaten hebben het capaciteitsplafond benoemd als een grote belemmering voor de modernisering van de visserijvloot. Deze leden vragen de staatssecretaris of hij het met deze lidstaten eens is dat dit plafond modernisering in de weg staat. Is het kabinet bereid om in Brussel actief te pleiten voor het verhogen of afschaffen van dit capaciteitsplafond, zodat vissers hun vaartuigen kunnen moderniseren ten behoeve van de veiligheid en betere werkomstandigheden, zonder te worden belemmerd door knellende tonnage- en vermogensgrenzen?

De leden van de PVV-fractie vragen tot slot hoe de staatssecretaris gaat borgen dat er in het MFK 2028-2034 voldoende financiƫle middelen worden gereserveerd voor de modernisering van de vloot en de ondersteuning van bedrijfsovernames door jonge vissers, zonder dat hieraan onrealistische groene of bureaucratische voorwaarden worden gesteld.

Overige opmerkingen
De leden van de PVV-fractie dringen er bij het kabinet op aan om in alle Europese gremia een harde en compromisloze lijn te trekken ten aanzien van het beschermen van de Nederlandse landbouw- en visserijsector. Onze nationale voedselproducenten mogen niet langer het slachtoffer worden van Brusselse regelzucht en ideologische transitieagenda's. Deze leden zien de schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen met grote belangstelling tegemoet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg over de Landbouw- en Visserijraad 6-8 september (informeel) en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandse inzet op het spoor van innovatie in eiwitsectoren. In maart is de motie-Lohman (Kamerstuk 21501-32, nr. 1767) aangenomen die verzoekt om een concrete en samenhangende visie op de eiwitketen uit te werken als onderdeel van de nationale voedselstrategie. Hoe verhoudt de uitwerking van deze motie zich tot de inzet van Nederland tijdens de informele raad in september? Kan de minister aan de Kamer laten weten hoe deze visie in Europees verband actief wordt ingebracht?

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de geannoteerde agenda wordt gesproken over open strategische autonomie als argument voor eiwitdiversificatie. Kan de minister concretiseren wat dit betekent voor de afhankelijkheid van geĆÆmporteerde eiwitten (bijvoorbeeld soja uit Zuid-Amerika)? Zijn er concrete doelstellingen of tijdpaden om deze afhankelijkheid te verminderen?

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van diversificatie van eiwitbronnen. Deze leden vragen de minister hoe hij ervoor zorgt dat de eiwittransitie niet alleen een verhaal wordt van grote foodtech-spelers, maar ook bijdraagt aan het verdienmodel van bestaande Nederlandse en Europese boeren. Op welke manier worden boeren in staat gesteld om zelf een rol te spelen in de teelt, verwerking of productie van nieuwe eiwitbronnen, bijvoorbeeld als leverancier van grondstoffen of als mede-eigenaar van nieuwe verdienmodellen? Is de minister bereid zich in EU-verband in te zetten voor instrumenten (bijvoorbeeld via het GLB of Horizon Europe) die specifiek gericht zijn op het betrekken van boeren bij de eiwittransitie?

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland ten aanzien van de ondersteuning van boeren zal aangeven dat deze praktisch en boer-gedreven moet zijn, met een focus op generatievernieuwing, waarbij een combinatie van financiƫle prikkels, kennisdeling en structurele hervormingen van belang wordt geacht. Deze leden vragen de minister nader te concretiseren welke structurele hervormingen zij hierbij voor ogen heeft, bijvoorbeeld op het gebied van grondbeleid, fiscale regelingen bij bedrijfsovername of toegang tot financiering. Wordt dit ook op EU-niveau ingebracht, of betreft dit vooralsnog een nationale aangelegenheid?

De leden van de CDA-fractie merken op dat een van de grootste knelpunten bij bedrijfsovername de hoge grondprijs en de beperkte toegang tot kapitaal voor startende boeren is. Deze leden vragen de minister op welke manier dit knelpunt in EU-verband wordt geadresseerd. Ziet de minister hierin een rol voor het GLB weggelegd, bijvoorbeeld via gerichte investeringssteun of garantstellingen voor jonge boeren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Landbouwraad van 6-8 september 2026 te Dublin, van het verslag van de informele Visserijraad van 28 en 29 juli 2026 te Cork en van het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen, in het bijzonder over de visserij.

De leden van de JA21-fractie constateren dat de informele Raad van 6-8 september in het teken staat van innovatie in de veehouderij- en eiwitsectoren en dat visserij niet op de agenda staat, terwijl de sector voor een reeks urgente vraagstukken staat. Deze leden vragen het kabinet of, en zo ja, op welke wijze, visserijonderwerpen tijdens deze informele Raad aan de orde worden gesteld en wordt nagegaan in hoeverre vooruitgang is geboekt op voor Nederland belangrijke prioriteiten.

De leden van de JA21-fractie lezen in het verslag van de informele Visserijraad dat de staatssecretaris in Cork heeft bepleit dat de aanlandplicht wordt aangepast met het oog op vereenvoudiging en werkbaarheid en daarbij heeft aangegeven dat de genoemde aanpassingen urgent zijn. Deze leden delen constatering en die urgentie. In het verslag van de visserijraad van juni lezen zij dat Nederland ā€œverwelkomde dat de commissie in haar mededeling aankondigt de aanlandplicht effectiever te willen maken en gaf in dit kader aan te werken aan een AI-systeem voor automatische vangstregistratie.ā€ Zij vragen de staatssecretaris te preciseren welke aanpassing van de aanlandplicht Nederland nu voorstaat en heeft bepleit, hoe de sector daar nu bij is betrokken, op welke termijn dat beleid kan worden aangepast en langs welk spoor hij dat wil realiseren. In hoeverre is een dergelijk AI-systeem al getest in de praktijk en welke beelden moeten de daarvoor benodigde camera’s gebruiken? Hoe kan worden voorkomen dat dit leidt tot fouten en welke procedure wordt daarbij voorzien? Zij vragen welke lidstaten Nederland hierin steunen en wanneer de Kamer een concreet Nederlands voorstel tegemoet kan zien.

De leden van de JA21-fractie lezen dat veel lidstaten het capaciteitsplafond als een belemmering beschouwen voor modernisering van de vloot. Deze leden vragen of het kabinet die analyse deelt en of Nederland in de Raad bepleit dat het capaciteitsplafond wordt aangepast.

De leden van de JA21-fractie constateren dat generatievernieuwing zowel in Cork als in Dublin het leidende thema is, maar dat het perspectief voor jonge vissers uiteindelijk afhangt van verdienvermogen en werkbare regels. Deze leden vragen het kabinet welke concrete resultaten het op deze drie punten in het komende halfjaar wil boeken. Zij vragen voorts hoe het kabinet zich in de onderhandelingen over het MFK 2028-2034 inzet voor een visserijbudget.

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de NEAFC-aanbeveling die een limiet van 1.495 ton stelt aan de makreelvangsten door vaartuigen van de Russische Federatie en van het gegeven dat implementatie eind augustus 2026 werd voorzien. Deze leden vragen of die implementatie inmiddels een feit is, hoe de naleving wordt gemonitord en door wie en welke gevolgen de maatregel heeft voor Nederlandse havens, aanvoer en dienstverlening. Zij vragen wat de uitkomst is van het overleg van de staatssecretaris met de NVWA en de sector over de uitvoering, welke extra handhavingslast dit oplevert en hoe wordt voorkomen dat de maatregel wordt ontweken via derde landen.

De leden van de JA21-fractie lezen dat de aanvullende maatregelen ter bescherming van kabeljauw en wijting in de Ierse Zee en van tong en schol in het Kanaal in EU-wateren pas per 1 november 2026 ingaan, omdat het Verenigd Koninkrijk vertraging heeft bij de implementatie. Deze leden vragen welke afspraken zijn gemaakt voor het geval het Verenigd Koninkrijk ook de datum van 1 november niet haalt en hoe het kabinet in bredere zin borgt dat afspraken uit het ’Written Record’ wederkerig en tijdig worden nagekomen.

De leden van de JA21-fractie vragen tot slot of het kabinet kan toelichten hoe de onderhandelingen over de Visie 2040 voor visserij en aquacultuur verlopen en over de Nederlandse inzet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en Visserijraad en hebben hier nog enkele vragen over.

De leden van de PvdD-fractie lezen dat Nederland zich inzet voor onderzoek naar en innovaties voor het integraal behalen van verschillende beleidsdoelen, zoals minder uitstoot en beter dierenwelzijn. Deze leden benadrukken het belang van een integrale aanpak. Bedoelt het kabinet hier ook mee dat Nederland innovaties die bijdragen aan ƩƩn doel, maar ten koste gaan van een ander doel (zoals specifiek dierenwelzijn) niet zal faciliteren en ondersteunen? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de gewenste integrale aanpak?

De leden van de PvdD-fractie lazen in een bijlage op de Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingsvoorstellen tweede kwartaal 2026 (Kamerstuk 22112, nr. 4414) dat ā€œwordt gestreefd om in het derde kwartaal van 2026 een Raadspositie vast te stellenā€ over de Food and Feed Omnibus. Kan de minister al meer duidelijkheid geven over de planning? Is dit een streven van het Iers voorzitterschap of een streven van de Nederlandse regering? Wil de minister het Iers voorzitterschap erop attenderen dat de Nederlandse regering eerst de compromistekst aan de Kamer zal voorleggen en aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en wetenschappers en de Kamer de tijd moet hebben om ernaar te kijken, voordat hij een oordeel erover kan vellen, conform de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22112, nr. 4335)? Wil de minister het Iers voorzitterschap erop attenderen dat Nederland niet akkoord zal gaan met een compromisakkoord dat volgens wetenschappers en het Ctgb op een manier een verslechtering zal opleveren voor de bescherming van de gezondheid van mens, dier en natuur, conform motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 22112, nr. 4328)? Kan de minister de Kamer op de hoogte stellen van de procedurele en inhoudelijke inzet van het Iers voorzitterschap omtrent de Food and Feed Omnibus zodra hij hier meer over weet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Landbouwraad van 6 tot en met 8 september 2026. Deze leden hebben vragen over de Nederlandse inzet op het gebied van eiwitten en over de kansen die het Ierse voorzitterschap biedt om de Nitraatrichtlijn ter discussie te stellen.

De leden van de BBB-fractie constateren dat Nederland tijdens de informele Landbouwraad opnieuw nadrukkelijk inzet op plantaardige en alternatieve eiwitten, waaronder precisiefermentatie en kweekvlees. Deze leden vragen waarom het kabinet zo sterk inzet op deze zogenoemde eiwittransitie. Welk concreet probleem wordt hiermee volgens het kabinet opgelost? Is deze inzet gebaseerd op een aantoonbare vraag van consumenten en boeren, of vooral op beleidsmatige klimaat- en stikstofdoelen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de EC in haar eigen werkdocument (EUR-lex, 7 juli 2026, Commissiestaf Werkdocument over de EU Veehouderijsector (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52026SC0576)) over de Europese veehouderij beschrijft dat de sector ongeveer 40 procent van de agrarische toegevoegde waarde in de EU vertegenwoordigt, jaarlijks ongeveer 400 miljard euro omzet en werk biedt aan ongeveer zeven miljoen mensen op vier miljoen landbouwbedrijven. Ook benadrukt de EC het belang van dierlijke eiwitten voor de voedselzekerheid en van de veehouderij voor de leefbaarheid van het platteland. Hoe verhoudt de sterke Nederlandse inzet op alternatieve eiwitten zich tot deze analyse van de EC? Deelt het kabinet de opvatting dat het versterken van onze eigen veehouderij minstens zo belangrijk is voor de voedselzekerheid en strategische autonomie als het investeren in kweekvlees en andere alternatieve productiemethoden? Kan het kabinet concreet aangeven hoeveel publiek geld inmiddels wordt besteed aan de ontwikkeling, subsidiĆ«ring en promotie van kweekvlees, precisiefermentatie en andere alternatieve eiwitten? Het kabinet stelt dat innovaties ā€œboer-gedrevenā€ moeten zijn. Waarom noemt het kabinet vervolgens vooral technologieĆ«n en productiemethoden die vanuit de overheid en onderzoekswereld worden aangejaagd? Welke concrete invloed hebben boeren gehad op de Nederlandse inzet voor deze Landbouwraad? Kan het kabinet toezeggen dat boeren niet door middel van beleid, subsidies of regelgeving worden gedwongen richting een door de overheid gewenste eiwittransitie?

De leden van de BBB-fractie constateren dat Ierland momenteel als enige EU-lidstaat beschikt over een derogatie van de Nitraatrichtlijn. Deze derogatie loopt tot en met 31 december 2028 en maakt onder voorwaarden een gebruiksnorm van 220 of 250 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare mogelijk. Ierland begrijpt als geen ander hoe belangrijk deze ruimte is voor een grondgebonden landbouw en een goede benutting van dierlijke mest. Waarom gebruikt Nederland het Ierse voorzitterschap niet om de werking en toekomst van de Nitraatrichtlijn als diversenpunt te agenderen? Is het kabinet bereid dit alsnog te doen? Zo nee, waarom laat het kabinet deze kans liggen? Is het kabinet bereid samen met Ierland te pleiten voor een Nitraatrichtlijn die meer rekening houdt met regionale omstandigheden, bodemsoort, gewasopname, grondgebondenheid en de lange groeiperiode van gras? Wil het kabinet daarbij inzetten op meer ruimte voor het gebruik van dierlijke mest, zodat minder kunstmest hoeft te worden geïmporteerd en boeren nutriënten beter kunnen benutten? Is het kabinet tevens bereid met Ierland te verkennen welke route nodig is om ook voor Nederland opnieuw passende ruimte boven de generieke norm van 170 kilogram mogelijk te maken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het verslag van de informele Visserijraad van 28-29 juli 2026 in Cork, Ierland en het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026 en de geannoteerde agenda informele Landbouwraad 6-8 september 2026 en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de Groep Markuszower vinden het onbegrijpelijk dat de minister in Europees verband gaat praten over voedselzekerheid terwijl zijn eigen beleid in Nederland de voedselzekerheid aan het afbreken is. Deze leden hebben hier dan ook op geen enkele manier begrip voor.

Het kabinet denkt dat fermentatie van biomassa en kweekvlees veel kan opleveren. Voor wie, zo vragen deze leden. Wat leveren deze nieuwe productiemethoden de consument op? Wil de consument deze nieuwe productiemethode? Zo ja, waaruit blijkt dit? Wat leveren deze nieuwe productiemethode de boeren op? Willen de boeren deze nieuwe productiemethoden? Zo ja, waaruit blijkt dit? Wat zijn hiervan de gevolgen voor de consument? Kan de regering aangeven of en hoeveel Europese middelen Nederland ontvangt om innovatie in de landbouwsector te versnellen en boeren toegang te geven tot nieuwe technologieƫn en bedrijfsmodellen?

II Antwoord/ Reactie van de minister van Landbouw, Visserij,

Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

Geannoteerde agenda informele Landbouwraad 6-8 september 2026

Kamerstuk 21501-32-1831 – Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen – d.d. 27 augustus 2026

Verslag van de informele visserijraad van 28-29 juli 2026 in Cork, Ierland

Kamerstuk 21501-32-1830 – Brief staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens – d.d. 13 augustus 2026

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026

Kamerstuk 21501-32-1829 – Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen – d.d. 30 juli 2026