[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van de leden Lohman en Boelsma-Hoekstra over het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D39891, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 15:47, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z16716:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2844

2026Z16716

Antwoord van minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 31 augustus 2026)

  1. Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen in het beheergebied sluit?

Ja, ik ben bekend met dit bericht.

  1. Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie van deze situatie?

Het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) noemt het onttrekkingsverbod op zijn website een uitzonderlijke situatie met grote gevolgen voor inwoners en bedrijven, maar geeft aan dat de maatregel onvermijdelijk is om grotere schade aan de leefomgeving te beperken. Die beschouwing deel ik. De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s vanwege de volgende aspecten: het neerslagtekort in deze regio is nog groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoet water in het gebied is beperkt mogelijk. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en er liggen veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied.

Delfland heeft de zorgplicht voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid van haar inwoners en het gebied. Vanwege het behoud van de peilen in het gebied zijn de verstrekkende maatregelen ingezet, omdat de situatie urgent is. Vanuit de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in de wet, gaat bij watertekorten de veiligheid van keringen vóór op andere functies zoals landbouw. Dat is inmiddels ook bekend bij alle betrokken sectoren, zie ook bijlage 1. Daarbij wordt continue gekeken of maatregelen niet langer dan noodzakelijk van kracht zijn. Dit heeft er ook toe geleid dat Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk heeft opgeheven tot en met 26 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).

  1. Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting? Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld?

Ja, via de grote rivieren (met zeer lage en nog steeds afnemende afvoeren) en de klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA+) wordt zoetwater aangevoerd naar West-Nederland. Water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek wordt met behulp van gemalen, watergangen en stuwen naar Midden- en West-Nederland gepompt, om daar watertekorten en verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan. Door de hoge temperaturen is de verdamping erg groot, waardoor niet aan de volledige watervraag kan worden voldaan.

  1. Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?

Tot voor kort was de verwachting dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren. Door de aanhoudend lage Rijnafvoer en toenemende verzilting kwam de zoetwatervoorziening echter onder druk te staan. De aanvoer uit het Brielse Meer is niet stopgezet. Het Brielse Meer loopt wel risico op verzilting. Verzilting vormt een probleem voor onder andere de landbouw omdat gewassen niet tegen zilt water kunnen. Ook voor andere functies die water uit het Brielse Meer gebruiken is verzilting een probleem, zoals voor de natuur en industrie.

  1. Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals op het Twentekanaal [2], tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?

Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit.

Ook elders in het land worden sectoren en ondernemers geïnformeerd over de droogtesituatie, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden. Om betrokken partijen tijdig te informeren, wordt via verschillende kanalen informatie gedeeld over de ontwikkeling van droogte en de beschikbaarheid van zoetwater. Zo wordt onder meer via de Droogtemonitor Rijkswaterstaat (RWS) en binnen de Regionale Droogte Overleggen (RDO’s) informatie uitgewisseld over de actuele situatie en de te verwachten ontwikkelingen. Ook waterschappen informeren betrokken partijen hierover vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.

  1. Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?

Zie het antwoord op vraag 5.

  1. Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het Rijk nu?

Ja, binnen het regionale droogteoverleg West Midden is er in de afgelopen weken continu afstemming geweest tussen de waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland, Schieland en de Krimpenerwaard, De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Ook zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op 13 augustus jl. op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken.

Vanaf begin juli vindt aanvullend landelijke afstemming en coördinatie plaats binnen de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) en sinds half juli in het Managementteam Watertekorten (MTW). Binnen de LCW en MTW wordt de watervraag in de verschillende regio’s zo goed mogelijk bediend en wordt het water verdeeld conform de verdringingsreeks, maar de hoeveelheid beschikbaar water is te klein om aan alle waterbehoeften te voldoen. Vandaar ook de opschaling naar fase 2: feitelijk watertekort.

  1. Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?

Het algehele onttrekkingsverbod in het beheergebied van Delfland is genomen met het oog op de waterveiligheid. In het algemeen geldt dat de categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks maatschappelijke functies betreft, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. De categorieën 3 en 4 betreffen economische functies en overige behoeftes.

  1. Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw? Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?

Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven. Naar schatting teelt 10% hiervan in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. Deze bedrijven worden direct geraakt door het onttrekkingsverbod van Delfland. Bij een langdurig verbod kan schade ontstaan aan gewassen en daarmee aan de productie en bedrijfscontinuïteit. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.

Het is mij bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins droog dreigen te komen te staan. Dit onderstreept de ernst van de situatie. Tegelijkertijd sta ik achter de keuze van Delfland om binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks te handelen en een onttrekkingsverbod in te stellen.

  1. Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar, of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?

Ja, met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren aan de sector beschikbaar zijn. Er liggen meerdere opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ontzilting van brak- of zoutwater, hergebruik van effluent en wateraanvoer vanuit het Hollands Diep via tankwagens. Tevens heeft Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk opgeheven (t/m 26 augustus) voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).

  1. Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken? Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant en sportvelden?

Zolang er nog sprake is van watertekorten, blijft opschalingsniveau 2 van kracht. Water wordt dan verdeeld volgens de verdringingsreeks. Als de situatie zodanig verbetert dat er meer water beschikbaar is dan nodig in categorie 1 en 2, wordt gekeken hoe maatschappelijk gezien binnen categorie 3 en vervolgens categorie 4 het water zo goed mogelijk verdeeld kan worden. In de praktijk wordt gestuurd op het zoveel mogelijk voorkomen van schade. Welke sectoren binnen de categorieën van de verdringingsreeks dan in welke volgorde worden bediend, verschilt per regio en is afhankelijk van het weer en de waterhuishoudkundige situatie.

  1. Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?

In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018, 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Met de huidige klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.

Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit programma1. Deze maatregelen zijn ook van belang voor de regio West-Nederland.

Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem, waaronder dat van West-Nederland. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Naast fysieke maatregelen wordt onderzoek voorbereid, waaronder een Kennisimpuls Externe Verzilting. Dit is voor de regio West-Nederland van groot belang. Of de maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds2. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.

  1. Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Er is nauw contact tussen de ondernemers en de waterbeheerders. De huidige droogtesituatie kent een lange aanloop en betrokkenen zijn in de reguliere overlegsituaties daar al zoveel mogelijk op voorbereid. Dit betreft niet alleen informatievoorziening over de actuele situatie maar ook meer structureel bij het opstellen van procedures en protocollen. Dit geldt zowel bij hoogwatersituaties als bij neerslagtekorten. Dit was ook één van de punten die uit de evaluatie van de droogte in 2018 en 2022 volgde.

Ook in het kader van het Deltaprogramma wordt al sinds langere tijd gesproken over ‘waterbeschikbaarheid’. Ondernemers weten inmiddels ook dat 100% waterbeschikbaarheid niet bestaat. Als ondernemers de risico’s voor hun bedrijfsvoering te groot vinden, dan kunnen ze daar zelf aanvullende maatregelen voor nemen. Bijvoorbeeld met een groter bassin, grijswateraanvoer of waterbesparende maatregelen. Veel ondernemers hebben dat ook al gedaan. De ervaringen van deze droogte zullen waar mogelijk worden vertaald naar aanvullende maatregelen en afspraken en kunnen mogelijkerwijs leiden tot aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij zijn echter ook beperkende factoren aan de orde, zoals gebrek aan ruimte voor wateropslag en de gesteldheid van de bodem.

  1. Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?

Ik heb getracht, gezien de acute situatie, de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.

Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Keijzer (Keijzer), ingezonden 4 augustus 2026 (vraagnummer 2026Z16665)


  1. Kamerbrief programma Ruimte voor de Rivier 2.0 10 juli 2026↩︎

  2. Kamerbrief over prioritering Mobiliteitsfonds en Deltafonds↩︎