Concept ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW
Bijlage
Nummer: 2026D39896, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 14:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Reactie op verzoek commissie over toezenden conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW (Kamerstuk 36799) (2026D39895)
Preview document (🔗 origineel)
Ontwerpbesluit van tot wijziging van het Besluit SUWI en het Besluit beslagvrije voet in verband met de uitwerking van proactieve dienstverlening, het vervallen van de grondslagen voor SyRI en de naamswijziging van het Bureau Informatiediensten Nederland (Besluit proactieve dienstverlening SZW) [KetenID WKG026857] |
|---|
Op de voordracht van Onze Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen , gedaan mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 10b, derde lid, 54, elfde lid, 63, en 73b, tweede, vierde en zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van datum, nr. );
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen , uitgebracht mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
Artikel I
Het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1 vervallen de onderdelen aa tot en met cc, onder verlettering van de onderdelen dd tot en met gg tot aa tot en met dd.
B
Na artikel 2.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.7. Samenwerking bij proactieve dienstverlening
1. Het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders dragen zorg voor samenwerking bij proactieve dienstverlening, gericht op:
het desgevraagd kunnen geven van gepersonaliseerde informatie en advies over een uitkering of voorziening, indien mogelijk op basis van reken- en beslisregels;
het kunnen verstrekken van aanvraagformulieren voor door deze bestuursorganen aangeboden uitkeringen en voorzieningen, die zoveel mogelijk vooraf zijn ingevuld, met de mogelijkheid om de aanvraag elektronisch in te dienen bij het bevoegde bestuursorgaan;
het kunnen geven van gepersonaliseerde informatie en advies over andere relevante uitkeringen en voorzieningen, wanneer van de in onderdeel a of b bedoelde dienstverlening gebruik wordt gemaakt;
het onderling verstrekken van gegevens die zich in de onder verantwoordelijkheid van deze bestuursorganen gevoerde administraties bevinden, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de onderdelen a tot en met c;
het kunnen samenwerken met vergelijkbare dienstverlening van derden.
2. Bij de gegevensverwerking in het kader van de samenwerking bij proactieve dienstverlening is de verwerkingsverantwoordelijke de partij die de informatie en het advies geeft of de aanvraag faciliteert.
C
In het opschrift van § 5.7 en in de artikelen 5.23, 5.24 en 5.25 wordt ‘Inlichtingenbureau’ vervangen door ‘Bureau Informatiediensten Nederland’.
D
In artikel 5.24, eerste lid, wordt na ‘artikel 62’ ingevoegd ‘of artikel 73b’.
E
Hoofdstuk 5a wordt vervangen door een hoofdstuk, luidende:
Hoofdstuk 5a. Proactieve dienstverlening
§ 5a.1. Proactieve dienstverlening door het UWV
Artikel 5a.1. Proactieve dienstverlening in het kader van de WW
1. Het UWV kan, wanneer een werkgever in staat van faillissement is verklaard, aan diegene surséance van betaling is verleend, wanneer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is of diegene anderszins in de blijvende toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, diens werknemers die mogelijk loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is te vorderen hebben:
a. gericht benaderen om deze te informeren over zijn mogelijke recht op een uitkering op grond van de WW;
b. begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Voor de uitvoering van het eerste lid worden aan het UWV uit eigen beweging of desgevraagd gegevens verstrekt door:
a. de curator, bedoeld in artikel 14 van de Faillissementswet;
b. de bewindvoerder, bedoeld in de Faillissementswet;
c. de werkgever, diens administratiekantoor of accountantskantoor, dan wel, indien de werkgever is overleden, diens erfgenaam;
d. de schuldhulpverlener, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet;
e. de betrokken pensioenuitvoerder, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet.
3. De te verstrekken gegevens betreffen:
a. over de werknemers: naam, contactgegevens en de gegevens over loon, vakantiegeld, vakantiebijslag en bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, die noodzakelijk zijn voor de berekening, bedoeld in artikel 64 van de WW;
b. over de werkgever: naam en RSIN of toegekend uniek nummer waarmee een onderneming of rechtspersoon in het handelsregister is opgenomen.
§ 5a.2. Proactieve dienstverlening door de SVB
Artikel 5a.2. Proactieve dienstverlening in het kader van de AIO
1. De SVB kan de mogelijk rechthebbende op de voorziening, bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over diens mogelijke recht;
b. begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Om te onderzoeken welke rechthebbenden op een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene ouderdomswet mogelijk recht hebben op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, worden aan de SVB uit eigen beweging of desgevraagd de volgende gegevens verstrekt:
a. door het UWV: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van de betrokken persoon, en inkomensgegevens uit de polisadministratie van de betrokken persoon en de personen die deel uitmaken van het huishouden, met betrekking tot:
1°. inkomsten uit arbeid;
2°. inkomsten uit vroegere dienstbetrekking;
3°. uitkeringen, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; en
4°. bijstand of bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet;
b. door de colleges van burgemeester en wethouders: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van inwoners die een uitkering of voorziening van het college ontvangen en de pensioengerechtigde leeftijd naderen, en die mogelijk recht krijgen op de voorziening, bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet.
3. De SVB past de volgende maatregelen toe om te waarborgen dat aan de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming wordt voldaan:
a. het beheren van een algoritme waarmee een zo realistisch mogelijke benadering van de netto-inkomsten kan worden gegenereerd aan de hand van de in de polisadministratie beschikbare inkomensgegevens;
b. het toepassen van versleuteling, waarmee wordt verhinderd dat de SVB kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen, de benadering van de netto-inkomsten of de gegevens, bedoeld in het tweede lid;
c. het toepassen van versleuteling, waarmee wordt verhinderd dat het UWV kennis kan nemen van enig persoonsgegeven van de persoon waarover de SVB de inkomensgegevens verzoekt, behoudens het burgerservicenummer van betrokkene en de indicatie of betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
§ 5a.3. Proactieve dienstverlening door gemeenten
Artikel 5a.3. Proactieve dienstverlening in het kader van de Participatiewet
1. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen de mogelijk rechthebbende op algemene bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over diens mogelijke recht;
b. begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Om te onderzoeken wie mogelijk recht heeft op algemene bijstand, worden aan de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd verstrekt:
a. door het UWV: de gegevens, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, onder a, van belanghebbenden:
die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangen;
van wie de aanvraag voor een door het UWV verstrekte uitkering of voorziening is afgewezen;
van wie het recht op een uitkering of voorziening van het UWV over ten hoogste drie maanden eindigt; of
van wie uit inkomensgegevens in de polisadministratie over die belanghebbenden en de personen die deel uitmaken van het huishouden kan worden afgeleid dat zij mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet;
b. door de SVB: naam, contactgegevens, burgerservicenummer en de beschikbare gegevens die noodzakelijk zijn voor de aanvraag van een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet, van belanghebbenden die een uitkering ontvangen of een aanvraag hebben gedaan voor een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet of de voorziening, bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet, tenzij uit gegevens in de verzekerdenadministratie blijkt dat zij geen recht hebben op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet;
c. door de colleges van burgemeester en wethouders van andere gemeenten: van belanghebbenden die een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet ontvangen en verhuizen naar de ontvangende gemeente, de naam, contactgegevens, burgerservicenummer en de beschikbare gegevens over de ontvangen en mogelijk nog te ontvangen uitkeringen en voorzieningen.
Artikel 5a.4. Proactieve dienstverlening in het kader van de kwijtschelding van lokale belastingen
1. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen degene die mogelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 255 van de Gemeentewet, of van waterschapsbelastingen als bedoeld in artikel 144 van de Waterschapswet:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over deze mogelijkheid;
b. begeleiden bij het doen van een verzoek om kwijtschelding, onder meer door een formulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Om te onderzoeken wie mogelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding, worden aan de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd verstrekt:
a. door het UWV: de gegevens, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, onder g, met inbegrip van contactgegevens en burgerservicenummer van de personen die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangen;
b. door de SVB: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van de personen aan wie zij de voorziening verstrekt, bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet.
Artikel 5a.5. Proactieve dienstverlening in het kader van de Wgs
1. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen degene die mogelijk in aanmerking komt voor schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over deze mogelijkheid;
b. begeleiden bij de hulpvraag.
2. Om te onderzoeken wie mogelijk in aanmerking komt voor schuldhulpverlening worden aan de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd verstrekt:
a. door het UWV: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van belanghebbenden:
op wie dit bestuursorgaan een vordering heeft;
op wiens door dit bestuursorgaan verstrekte uitkering of voorziening beslag is gelegd of premie als bedoeld in artikel 16 van de Zorgverzekeringswet wordt ingehouden; of
met een mondelinge of schriftelijke hulpvraag;
b. door de SVB: de gegevens, bedoeld in onderdeel a.
Artikel 5a.6. Proactieve dienstverlening in het kader van gemeentelijke minimaregelingen
1. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen de mogelijk rechthebbende op een uitkering of voorziening die zij verstrekken op basis van een gemeentelijke verordening:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over diens mogelijke recht;
b. begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Om te onderzoeken wie mogelijk recht heeft op een uitkering of voorziening als bedoeld in het eerste lid, worden aan de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd verstrekt:
a. door het UWV: de gegevens, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, onder a, van belanghebbenden:
die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangen;
van wie de aanvraag voor een door het UWV verstrekte uitkering of voorziening is afgewezen;
van wie het recht op een uitkering of voorziening van het UWV over ten hoogste drie maanden eindigt; of
van wie uit inkomensgegevens in de polisadministratie over die belanghebbenden en de personen die deel uitmaken van het huishouden blijkt dat zij recht hebben op een uitkering of voorziening als bedoeld in het eerste lid;
b. door de SVB: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van de personen aan wie zij de voorziening verstrekt, bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet.
Artikel 5a.7. Proactieve dienstverlening met betrekking tot de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
1. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen de mogelijk rechthebbende op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 78gg van de Participatiewet:
a. gericht benaderen om diegene te informeren over diens mogelijke recht;
b. begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
2. Om te onderzoeken wie mogelijk in aanmerking komt voor de tegemoetkoming, worden aan de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd door het UWV verstrekt: de gegevens, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, onder a.
§ 5a.4. Experimenteerbepaling
Artikel 5a.8. Tijdelijk onderzoek ten behoeve van proactieve dienstverlening
1. Het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders kunnen onderling gegevens uit de polisadministratie, de verzekerdenadministratie en de gemeentelijke administraties verstrekken om te onderzoeken of deze gegevens noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening.
2. De in het eerste lid genoemde bestuursorganen passen ten minste de volgende maatregelen toe om te waarborgen dat aan de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming wordt voldaan:
1°. indien mogelijk worden de gegevens geanonimiseerd;
2°. indien anonimisering niet mogelijk is, wordt gebruikgemaakt van versleuteling of pseudonimisering;
3°. de bestuursorganen treffen passende organisatorische maatregelen om te waarborgen dat de gegevens uitsluitend voor het onderzoek worden verwerkt;
4°. het onderzoek wordt op een zo beperkt mogelijke schaal uitgevoerd met ten hoogste het aantal betrokkenen om onderbouwde conclusies te kunnen trekken.
3. Voorafgaande aan het onderzoek informeren de deelnemers Onze Minister over het doel, de inhoud, de belangenafweging ten aanzien van de persoonsgegevens die worden verwerkt en de duur van het onderzoek, die ten hoogste drie jaren bedraagt, onder verstrekking van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
4. Uiterlijk een jaar na afloop evalueren de deelnemers het onderzoek en maken zij de resultaten bekend aan Onze Minister.
§ 5a.5. Waarborgen voor gegevensbescherming bij proactieve dienstverlening
Artikel 5a.9. Opt-out
1. Het UWV, de SVB en de colleges van burgemeester en wethouders wijzen de betrokkene op een geschikt moment, en uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene, uitdrukkelijk op de mogelijkheid om bezwaar te maken als bedoeld in artikel 73b, zesde lid, van de Wet SUWI. Het bezwaar kan mondeling of schriftelijk worden gemaakt en heeft betrekking op een, of alle uitkeringen of voorzieningen die het betreffende bestuursorgaan verstrekt.
2. De in het eerste lid genoemde bestuursorganen registreren elk afzonderlijk de gemaakte bezwaren, en zijn de verwerkingsverantwoordelijke voor het door de eigen organisatie beheerde register.
3. In het register opgenomen persoonsgegevens worden na ten hoogste vijf jaren vernietigd. Daarna wordt het eerste lid opnieuw toegepast.
Artikel 5a.10. Technische en organisatorische maatregelen
Bij de toepassing van de artikelen 2.7 en 5a.1 tot en met 5a.8 worden ten minste de volgende maatregelen toegepast om te waarborgen dat aan de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming wordt voldaan:
de elektronische voorzieningen worden waar mogelijk benut;
uitsluitend door de bestuursorganen geautoriseerde personen hebben toegang tot de persoonsgegevens die ten behoeve van proactieve dienstverlening en de samenwerking in dat kader worden verwerkt;
gegevens die zijn verzameld ten behoeve van proactieve dienstverlening of een onderzoek als bedoeld in artikel 5a.8, worden vernietigd nadat de betrokkenen zijn geïnformeerd of nadat de aanvraag onderscheidenlijk de hulpvraag is gefaciliteerd, en in ieder geval na twaalf maanden.
F
Artikel 5a.3 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘algemene als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet’ vervangen door ‘algemene of bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet, of een studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van die wet’.
2. In het tweede lid wordt na ‘algemene bijstand’ ingevoegd ‘, bijzondere bijstand of een studietoeslag’.
Artikel II
In artikel 8, vierde en vijfde lid, van het Besluit beslagvrije voet wordt ‘Stichting Inlichtingenbureau’ vervangen door ‘Stichting Bureau Informatiediensten Nederland’.
Artikel III
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Artikel 5a.7 van het Besluit SUWI vervalt op het tijdstip waarop artikel 78gg van de Participatiewet vervalt.
Artikel IV
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit proactieve dienstverlening SZW.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Nota van toelichting
Algemeen deel
Inhoud
1 Opzet en inhoud van dit besluit 10
2 Samenwerking bij proactieve dienstverlening 12
3 Proactieve dienstverlening door UWV 15
4 Proactieve dienstverlening door de SVB 16
5 Proactieve dienstverlening door gemeenten 19
5.2 Kwijtschelden van lokale belastingen 22
5.3 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 24
6 Experimenten ten behoeve van proactieve dienstverlening 27
7 Waarborgen voor gegevensbescherming bij proactieve dienstverlening 28
8 Schrappen systeem risico indicatie (SyRI) 30
9 Verhouding tot andere regelgeving 31
10.1 Gevolgen voor regeldruk en doenvermogen 33
10.2 Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens 36
10.3 Gevolgen voor de uitvoering 39
12.1 Landelijke cliëntenraad 47
12.2 Autoriteit Persoonsgegevens 49
Opzet en inhoud van dit besluit
De Wet proactieve dienstverlening SZW legt vast dat Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) en gemeenten proactieve dienstverlening mogen toepassen bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Daarmee kunnen deze instanties mensen persoonlijk en gericht informeren over uitkeringen en voorzieningen waar zij mogelijk recht op hebben, en een aanvraag hiervoor op verschillende manieren faciliteren. Proactieve dienstverlening is gericht op het versterken van de bestaanszekerheid en participatie, en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van werk en inkomen. Onder anderen voor mensen met wisselende inkomsten en werkenden met een laag inkomen kan proactieve dienstverlening de toegankelijkheid van de sociale zekerheid verbeteren. De bevoegdheid tot proactieve dienstverlening is vastgelegd in artikel 10b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI). De mogelijkheden om voor proactieve dienstverlening gegevens te verwerken, zijn opgenomen in artikel 73b Wet SUWI.
In het onderhavige Besluit proactieve dienstverlening SZW (hierna: dit besluit) zijn deze bevoegdheid, de samenwerking in dit kader, de daarvoor benodigde gegevensverstrekkingen, de experimenteerruimte en de invulling van de opt-outbepaling (artikel 73b, zesde lid, Wet SUWI) uitgewerkt. Daarnaast zijn de bepalingen in het Besluit SUWI over het systeem risico indicatie (SyRI) geschrapt, in navolging van het schrappen van de bepalingen daarover in de Wet SUWI. Tot slot is de naamswijziging van het Inlichtingenbureau tot Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN) doorgevoerd in zowel het Besluit SUWI als het Besluit beslagvrije voet. Voor een verdere toelichting van dit onderdeel wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel C van artikel 1.
De Wet proactieve dienstverlening SZW (hierna: de wet) schrijft voor dat de volgende vier onderdelen worden uitgewerkt.
De vormgeving van de samenwerking bij proactieve dienstverlening (loketten voor ondersteuning met informatie en advies)
De Wet SUWI voorziet in artikel 10b, derde lid, in een grondslag om bij AMvB regels te stellen omtrent de vormgeving van de samenwerking bij proactieve dienstverlening, waaronder over de inrichting van, en verwerkingsverantwoordelijke voor, een fysiek en digitaal loket voor ondersteuning met informatie en advies. Artikel 10b Wet SUWI vult de regels over samenwerking en gezamenlijke dienstverlening van hoofdstuk 3 Wet SUWI aan, die bijvoorbeeld ook de grondslag zijn voor bijvoorbeeld de arbeidsmarktinfrastructuur. Artikel 10b Wet SUWI beoogt de bestaande ontwikkeling naar meer persoonlijke dienstverlening via de fysieke en digitale loketten te ondersteunen. Dat kunnen loketten van UWV, SVB en gemeenten zijn, maar bijvoorbeeld ook MijnOverheid. De inzet is belemmeringen weg te nemen voor integrale, ontschotte dienstverlening, vooral voor wat betreft de uitwisseling van persoonsgegevens die nodig is voor proactieve dienstverlening. Dat verbetert naar verwachting de toegankelijkheid van de sociale zekerheid voorafgaand aan een formele aanvraag, bijvoorbeeld voor mensen met wisselende inkomsten of werkenden met een laag inkomen. Het doel is dat mensen gecombineerd advies kunnen krijgen over verschillende uitkeringen en voorzieningen, bijvoorbeeld de aanvullende inkomensondersteuning ouderen in combinatie met kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en ook dat zij proactieve en samenhangende hulp krijgen bij het aanvragen van die uitkeringen en voorzieningen.
Verstrekken gegevens aan UWV, de SVB en gemeenten voor proactieve dienstverlening
Artikel 73b, tweede lid, Wet SUWI schrijft voor dat als gegevensverstrekking aan UWV, de SVB of gemeenten noodzakelijk is voor proactieve dienstverlening en plaatsvindt op grond van artikel 54, 62 of 73 Wet SUWI, in ieder geval regels worden gesteld over:
de gegevens die worden verstrekt;
de uitkering of voorziening ten aanzien waarvan proactieve dienstverlening kan worden toegepast;
de bewaartermijnen, met dien verstande dat de gegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk en ten hoogste twaalf maanden; en
de technische en organisatorische maatregelen die worden toegepast.
Dit houdt in dat zowel de gegevensuitwisseling tussen UWV, SVB en gemeenten onderling moet worden uitgewerkt als gegevensverstrekking door anderen. Vanuit deze verbeterde informatiepositie kunnen UWV, SVB en gemeenten de mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering of andere sociale voorziening gericht informeren.
Artikel 73b, eerste lid, Wet SUWI biedt de grondslag voor UWV, de SVB en gemeenten om de gegevens die al in hun eigen administraties aanwezig zijn, te verwerken voor proactieve dienstverlening door de eigen organisatie. Een voorbeeld is dat UWV gericht een WIA-gerechtigde benadert voor een mogelijke aanvulling op basis van de Toeslagenwet en het aanvraagformulier vooraf invult. Proactieve dienstverlening die UWV, de SVB en gemeenten verrichten met al beschikbare gegevens in de eigen administraties zijn dus op basis van de wet al mogelijk en worden niet uitgewerkt in dit besluit.
De uitwerking van proactieve dienstverlening in dit besluit is vormgegeven per uitvoerende publieke dienstverlener: UWV, de SVB en gemeenten, met onderverdeling naar specifieke uitkeringen of voorzieningen. De dienstverleners hebben geïnventariseerd welke vormen van proactieve dienstverlening nodig en mogelijk zijn. Criteria zijn een hoog niet-gebruik van een uitkering of voorziening en knelpunten in de gegevensuitwisseling die proactieve dienstverlening belemmeren. Verder zijn inzichten uit gebruikersonderzoek benut over gepersonaliseerde communicatie en laagdrempelige aanvraagprocedures. Vervolgens is geïnventariseerd welke gegevens noodzakelijk zijn en of het uitwisselen van die gegevens proportioneel en uitvoerbaar is. Ten slotte is een criterium of de gewenste gegevensuitwisseling snel juridisch en veilig mogelijk te maken is. Vormen van proactieve dienstverlening waarvoor verdergaande of complexe aanpassingen van de regelgeving nodig zijn, zijn nu niet meegenomen. Het aanvraagvereiste blijft bijvoorbeeld bestaan. Later kunnen met een wijziging van het Besluit SUWI nieuwe vormen van proactieve dienstverlening mogelijk worden gemaakt.
De technische en organisatorische maatregelen die voor alle vormen van proactieve dienstverlening hetzelfde zijn, zijn opgenomen in één artikel (artikel 5a.10). Bij de uitwerking per dienstverlener zijn waar nodig extra maatregelen toegevoegd.
UWV, de SVB en gemeenten verstrekken elkaar gegevens voor onderzoek
Artikel 73b, vierde lid, Wet SUWI schrijft voor dat kan worden onderzocht of de gegevens in de onder verantwoordelijkheid van UWV, de SVB en gemeenten gevoerde administraties noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening door een van de andere instanties. Deze bepaling maakt experimenten met proactieve dienstverlening mogelijk. De gegevens kunnen onderling worden verstrekt als bij algemene maatregel van bestuur in elk geval regels zijn gesteld over:
de gegevens die worden verstrekt;
de duur van het onderzoek en de bewaartermijnen, met dien verstande dat de persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk en ten hoogste twaalf maanden;
de technische en organisatorische maatregelen die worden toegepast om te waarborgen dat aan de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming wordt voldaan, met dien verstande dat in ieder geval regels worden gesteld over het voor zover mogelijk anonimiseren dan wel pseudonimiseren van persoonsgegevens en over de toegankelijkheid ervan; en
de wijze waarop in dit verband uitvoering wordt gegeven aan de rechten van de betrokkene, bedoeld in hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming.
In aanvulling daarop zijn regels gesteld over de vooraankondiging en evaluatie van het onderzoek.
De opt-outbepaling
De invulling van artikel 73b, zesde lid, Wet SUWI heeft betrekking op het registreren van de voorkeuren van mensen die niet proactief benaderd willen worden. Het gaat om de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt, de inrichting en het beheer van de registratie van bezwaren en de bewaartermijn van maximaal vijf jaar.
Samenwerking bij proactieve dienstverlening
De wet en dit besluit maken een gericht aanbod voor een uitkering of voorziening mogelijk, en ook dat mensen worden geholpen bij het aanvragen, bijvoorbeeld door aanvraagformulieren zoveel mogelijk vooraf in te vullen. Om het niet-gebruik tegen te gaan is eenvoudige toegang voor mensen tot ondersteuning door de overheid nodig, voorafgaand aan een formele aanvraag en met gepersonaliseerde hulp. Dat is nog geen vanzelfsprekendheid als inkomensondersteuning van verschillende instanties nodig is. Om ervoor te zorgen dat mensen in ieder geval in de gebruikerservaring altijd bij het juiste loket zijn, geeft dit besluit een kader voor de samenwerking en gegevensuitwisseling bij proactieve dienstverlening tussen UWV, SVB en gemeenten. Het doel is initiatieven te ondersteunen, die willen voorzien in voldoende fysieke locaties waar mensen terecht kunnen voor op de persoon afgestemd advies over uitkeringen en voorzieningen en hulp bij het invullen van aanvraagformulieren. Het gaat bijvoorbeeld om het Programma Inrichten Overheidsbrede Loketten1, de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO)2, de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur3 en de Omnichannel kanaalstrategie en MijnZaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG)4. Het doel is ook meer ruimte te geven voor samenwerking en gegevensuitwisseling bij digitale loketten, zoals Berekenuwrecht van Nibud en Stimulansz, het Virtueel Inkomsten Loket van de gemeente Utrecht5, de Potjes-check van de Voorzieningenwijzer en het Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht (PDR)6 van het ministerie van BZK. Naar verwachting gaan door dit besluit niet direct meer mensen zich melden bij de fysieke en digitale loketten. De mensen die zich melden kunnen door dit besluit wel beter geïnformeerd, geadviseerd en gefaciliteerd worden (zie verder 10.1 Gevolgen voor regeldruk en doenvermogen).
De start van proactieve dienstverlening kan een vraag zijn over een uitkering of voorziening, die iemand aan de balie, telefonisch of digitaal stelt aan UWV, de SVB of de gemeente. Dit raakt aan de opdracht in artikel 10b, derde lid, Wet SUWI om regels te stellen over de inrichting van een fysiek en digitaal loket. Deze opdracht is ingevuld in artikel 2.7. Het staat UWV, de SVB en gemeenten vrij daarvoor de dienstverlening via bestaande loketten te verbeteren of nieuwe loketten in te richten. In ieder geval zal de medewerker, om vragen over sociale zekerheid te kunnen beantwoorden, veelal informatie nodig hebben over de financiële en leefsituatie van de betrokkene. Deze persoonsgegevens kan de betrokkene zelf verstrekken, maar het is eenvoudiger voor de betrokkene als de medewerker de gegevens, die de overheid al heeft, opvraagt. Het kan bijvoorbeeld gaan om inkomensgegevens die de gemeente opvraagt bij UWV.
Het komt voor dat de betrokkene niet alleen recht heeft op een uitkering van bijvoorbeeld de SVB, maar ook op een voorziening van de gemeente, zoals kwijtschelding van gemeentebelastingen. De medewerker zal in dat geval ondersteunen bij het aanvragen van de uitkering van de eigen organisatie en doorverwijzen naar de andere organisatie voor advies over en het aanvragen van die voorziening. Voor de betrokkene is het eenvoudiger als de medewerker van organisatie 1 de contactgegevens en andere benodigde informatie van de betrokkene verstrekt aan een medewerker van organisatie 2. Deze tweede medewerker kan daarmee contact opnemen met de vragensteller om de gewenste ondersteuning te geven. Alternatief is dat de medewerker van organisatie 2 aan de medewerker van organisatie 1 de gevraagde informatie verstrekt, zodat de betrokkene via één loket een gecombineerd advies krijgt en hulp bij het aanvragen van meerdere uitkeringen en voorzieningen. Medewerkers moeten hiertoe in ieder geval digitaal of telefonisch met elkaar in contact staan. Ze kunnen ook op elkaars fysieke locaties werkzaam zijn of op een gezamenlijke fysieke locatie. Om deze loketfunctie voor proactieve dienstverlening goed te laten verlopen is samenwerking nodig tussen UWV, de SVB en gemeenten, met inbegrip van de uitwisseling van persoonsgegevens.
Als mensen aan de balie, telefonisch of digitaal, voorafgaand aan een formele aanvraag, vragen om advies over uitkeringen en voorzieningen en hulp bij het aanvragen, veronderstelt dat vrijwilligheid. Medewerking is nodig voor het gebruiken van persoonsgegevens om in te schatten waarop iemand recht heeft. De wet en dit besluit beogen de zelfstandige wettelijke grondslag te bieden voor het verwerken van persoonsgegevens bij vragen aan de balie, telefonisch of digitaal. Formele toestemming als bedoeld in de artikelen 4 (onderdeel 11), 7 en 9 AVG is daarom niet nodig, maar de gegevensverwerking gebeurt alleen als de betrokkene dat wil. Op ieder moment is er de keuze om de medewerking te stoppen. En uiteraard is er geen verplichting adviezen van de dienstverleners op te volgen.
Aangezien de dienstverlening in het kader van de samenwerking op basis van artikel 2.7 ook proactieve dienstverlening is, zijn de artikelen 5a.9 en 5a.10 over de opt-out en beschermingsmaatregelen van toepassing. De verplichting om de opt-outvoorkeur te accepteren geldt dus ook bij het contact met de betrokkene in verband met de samenwerking tussen de SUWI-partijen in fysieke en digitale loketten. Als een betrokkene een vraag stelt, is dat het moment om te wijzen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het verstrekken van advies en informatie die niet direct betrekking heeft op het beantwoorden van de vraag.
De wet en het besluit veranderen de bevoegdheidsverdeling tussen de SUWI-partijen niet. De SUWI-partijen blijven afzonderlijk verantwoordelijk voor de eigen proactieve dienstverlening. Bijvoorbeeld, de SVB schat in dat iemand in aanmerking komt voor Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en geeft het advies ook kwijtschelding van lokale belastingen aan te vragen. Dan is de SVB verwerkingsverantwoordelijke en kan de betrokkene bij de SVB terecht voor vragen over bijvoorbeeld de gebruikte gegevens. Een ander voorbeeld is dat de SVB de vraag over de AIO beantwoordt en voor de kwijtschelding van lokale belastingen gegevens deelt met de gemeente, die zelf contact opneemt met de betrokkene. In dat geval zijn de SVB en de gemeente verwerkingsverantwoordelijk voor het eigen deel van de proactieve dienstverlening. Van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid is dus geen sprake.
Samenwerking en gegevensuitwisseling kunnen beter en sneller met ICT-ondersteuning. Het gaat daarbij niet alleen om ICT-ondersteuning om de medewerkers van de juiste informatie te voorzien en processtappen te automatiseren, maar ook om de digitale communicatie te ondersteunen voor de grote groep burgers die voldoende digitaal vaardig zijn. ICT-ondersteuning kan bijvoorbeeld helpen bij het voorinvullen van zo veel mogelijk beschikbare gegevens of het combineren van aanvragen. Een (voor)ingevulde aanvraag voor een uitkering of voorziening kan opnieuw worden gebruikt voor een andere uitkering of voorziening, ook als die door een andere SUWI-partij wordt verstrekt. Ook kunnen SUWI-partijen digitaal contactgegevens uitwisselen om contact op te nemen met mensen bij specifieke vragen over een uitkering of voorziening. Zo wordt voorkomen dat mensen zelf naar een ander loket moeten gaan en daar opnieuw hun vraag stellen. Reken- en beslisregels worden al gebruikt om in te schatten of iemand recht heeft op een uitkering of voorziening. Deze reken- en beslisregels bepalen op basis van de voorwaarden voor een uitkering of voorziening en de persoonsgegevens van de betrokkene of er mogelijk recht is op inkomensondersteuning. De uitgerekende informatie wordt voor de belanghebbende in een toegankelijk advies omgezet, dat wil zeggen dat het voor de belanghebbende begrijpelijk en juridisch verantwoord is, én stimuleert om de regeling aan te vragen. Het besluit beoogt te anticiperen op toenemende mogelijkheden voor ICT-ondersteuning bij proactieve dienstverlening. Het besluit hoeft niet te worden aangepast als er nieuwe mogelijkheden komen voor het gebruiken van reken- en beslisregels en vooraf ingevulde aanvraagformulieren. Voor de realisatie van nieuwe mogelijkheden voor ICT-ondersteuning is versterking van de ketensamenwerking nodig (zie ook de hoofdstukken 10 (Gevolgen en uitvoering) en 12 (Consultatie)).
Naast samenwerking in de SUWI-keten werken vooral gemeenten ook samen met niet-SUWI-partijen om inwoners inzicht te geven in mogelijk recht op ondersteuning en hen digitaal te begeleiden bij de aanvraag. De niet-SUWI-partijen kunnen publieke en private partijen zijn in de rol van ICT-leveranciers, verwerker, gegevensverstrekker of dienstverlener. Voorbeelden zijn de eerdergenoemde BerekenUwRecht en Potjes-check, die in opdracht van gemeenten inwoners met financiële zorgen de weg naar hulp wijzen. Dit besluit geeft ruimte om deze samenwerkingen voort te zetten en uit te breiden, en bestaande informatievoorzieningen en ICT te combineren. Het bouwt ook voort op het bestaande artikel 5.23 Besluit SUWI over het gebruik van de GeVS voor gegevensuitwisseling met derden, niet-SUWI-partijen. UWV, de SVB en gemeenten kunnen gezamenlijk besluiten om een of meer verwerkers in te schakelen, maar zij blijven verwerkingsverantwoordelijk. Zij bepalen immers de vormen van proactieve dienstverlening en middelen die ze hiervoor inzetten. Deze samenwerking met derden gaat niet alleen over het verwerken van persoonsgegevens, waarvoor de AVG voorschriften geeft voor de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en de verwerkersoverkomst. Het gaat ook over samenwerking gericht op integrale dienstverlening, zodat mensen bijvoorbeeld overzicht krijgen van de hulp die er voor hen is en de drempel om hulp aan te vragen voor hen wordt verlaagd. Dit onderdeel van het besluit (artikel 2.7, eerste lid, onderdeel e) wil buiten discussie stellen dat de wettelijke bevoegdheid voor proactieve dienstverlening ook de samenwerking met derden omvat.
Proactieve dienstverlening door UWV
Op wetsniveau is al geregeld dat UWV met behulp van gegevens in de eigen administratie mensen kan adviseren over uitkeringen en voorzieningen waarop zij mogelijk recht hebben, en ook het aanvragen van die uitkeringen en voorzieningen kan faciliteren. Het kan daarbij gaan om alle wetten op basis waarvan UWV uitkeringen en voorzieningen verstrekt, zolang deze binnen de wettelijke omschrijving en doel van proactieve dienstverlening vallen. Het gaat bijvoorbeeld om de Toeslagenwet, waarbij UWV op eigen initiatief en met eigen gegevens beoordeelt of een cliënt recht heeft op een aanvulling op de UWV-uitkering. Als dat zo is, faciliteert UWV de aanvraag. Een tweede voorbeeld is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), waarbij UWV op basis van de eigen administratie mensen wijst op de mogelijkheid tien jaar na afwijzing opnieuw Wajong aan te vragen. Een derde voorbeeld is de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW). Deze uitkering kan een vervolg op de WW zijn. UWV beoordeelt of de betrokkene in aanmerking komt en zo ja, biedt de IOW proactief aan. Het informeren van cliënten kan ook gaan over uitkeringen voorzieningen van de SVB en gemeenten. Als cliënten mogelijk in aanmerking komen voor deze uitkeringen en voorzieningen, maakt de wet mogelijk dat UWV hen proactief daarop wijst en het doen van een aanvraag faciliteert.
Werkloosheidswet
Voor de Werkloosheidswet (WW) heeft UWV in specifieke gevallen voor proactieve dienstverlening gegevens van anderen nodig. Deze gegevensverstrekking was voor inwerkingtreding van dit besluit staande praktijk bij UWV. De grondslag was artikel 54, eerst lid, Wet SUWI, maar deze grondslag is op zichzelf onvoldoende specifiek. Omdat het gaat om een vorm van proactieve dienstverlening verduidelijkt dit besluit de juridische grondslag voor deze gegevensuitwisseling. Een werknemer heeft recht op een uitkering op basis van hoofdstuk IV van de WW, als de werkgever in staat van faillissement is verklaard, als aan de werkgever surséance van betaling is verleend, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is of de werkgever anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. De uitkering voorziet in loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is. De uitkering ondervangt het geldelijk nadeel als de werkgever de werknemer niet meer uitbetaalt (artikelen 61 en 64 WW). Als invulling van proactieve dienstverlening benadert UWV deze werknemers persoonlijk om hen te wijzen op de uitkering op basis van hoofdstuk IV van de WW. Om te komen tot het bestand van werknemers die mogelijk recht hebben op deze uitkering, vraagt UWV gegevens uit bij de partijen die een rol hebben in het faillissement: een curator, de bewindvoerder, de werkgever zelf, de schuldhulpverlener en een pensioenuitvoerder. Zij verstrekken de gegevens die noodzakelijk zijn om het recht op de uitkering te kunnen inschatten. Zo nodig geeft UWV een overzicht van de werknemers die werkzaam zijn of waren bij de werkgever met betalingsonmacht. Deze informatie is nodig om ontslag te kunnen aanzeggen. De volgende gegevens worden voor proactieve dienstverlening uitgewisseld:
naam en contactgegevens van de werknemers, alsmede gegevens over loon, vakantiegeld, vakantiebijslag en bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer verschuldigd is; en
naam en RISN of toegekend uniek nummer waarmee een onderneming of rechtspersoon in het handelsregister is opgenomen van de werkgever.
Deze toepassing van proactieve dienstverlening vindt dus plaats met verwerking van gegevens van derde partijen, en is overeenkomstig artikel 73b, tweede lid, Wet SUWI in dit besluit uitgewerkt. In uitzonderlijke situaties kunnen ook gemeentelijke schuldhulpverleners zo’n derde partij zijn. Zij kunnen bij (een intake voor) schuldhulpverlening constateren dat een cliënt nog salaris tegoed heeft. Schuldhulpverleners kunnen uit eigen beweging de cliënt bij UWV melden en vragen of de betrokkene recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Schuldhulpverleners zullen vaak niet de precieze hoogte van de bedragen weten, maar dat is geen belemmering om de naam en contactgegevens te verstrekken. De mogelijkheid om uit eigen beweging gegevens te verstrekken is een bevoegdheid en geen verplichting. Overigens biedt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening al vergelijkbare mogelijkheden voor gegevensuitwisseling tussen UWV en gemeenten bij schuldhulpverlening.
Proactieve dienstverlening door de SVB
De Wet proactieve dienstverlening SZW regelt dat de SVB met behulp van gegevens in de eigen administratie mensen kan adviseren over uitkeringen en voorzieningen waarop zij mogelijk recht hebben, en ook het aanvragen van die uitkeringen en voorzieningen kan faciliteren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Het bereik van deze uitkeringen en voorzieningen is zeer hoog.
De SVB voert ook de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) uit. Deze sociale voorziening heeft een relatief hoog niet-gebruik. De wet en dit besluit beogen het gebruik van de AIO te verbeteren.
Aanvullende inkomensvoorziening ouderen
De AIO is algemene bijstand voor ouderen die zelf onvoldoende middelen van bestaan hebben. Het gaat daarbij vooral om ouderen die geen volledige AOW hebben opgebouwd, omdat zij daarvoor te kort in Nederland gewoond of gewerkt hebben en over onvoldoende andere inkomens- of vermogensbronnen beschikken. Daarnaast gaat het om ouderen met een jongere partner die nog niet in aanmerking komt voor AOW, die als huishouden onvoldoende middelen hebben om van rond te komen. Deze aanvulling en de voorwaarden die daarvoor gelden zijn geregeld in artikel 47a van de Participatiewet. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het niet-gebruik van AIO hoog is. Ongeveer 30% van de mensen die waarschijnlijk recht hebben op AIO maken er geen gebruik van.7 In 2023 waren dit naar schatting 73.500 mensen.8 Dit is ondanks inspanningen van de SVB om het niet-gebruik terug te dringen. De SVB kan op basis van gegevens in de eigen administratie zien of mensen een onvolledige uitkering hebben op grond van de AOW. Zij komen mogelijk in aanmerking voor een aanvulling op grond van de AIO. Zij ontvangen extra informatie en kunnen op de site van de SVB een AIO-check doen. De informatie die de SVB heeft over AOW-gerechtigden is echter onvoldoende om de doelgroep proactief AIO te kunnen aanbieden. Om potentiële AIO-gerechtigden gerichter te benaderen heeft de SVB inkomensgegevens nodig, waarmee de SVB kan inschatten of een oudere een inkomen onder het bestaansminimum heeft en daarmee in aanmerking komt voor een aanvulling op grond van de AIO. UWV beschikt in de polisadministratie over inkomensgegevens van de doelgroep. In een pilot heeft de SVB een bestandsvergelijking uitgevoegd met gegevens van de SVB en van UWV om zo 1.000 personen die mogelijk recht op hebben op de AIO gericht te kunnen benaderen.9 Uiteindelijk heeft dit geleid tot de toekenning van AIO aan 28 huishoudens. Voor deze huishoudens heeft dat een grote impact, omdat zij zonder AIO onder het sociaal minimum leefden. Het relatief beperkte aantal hangt samen met een relatief grote groep van 20% niet-respons en het ontbreken in de polisadministratie van gegevens over bijvoorbeeld vermogen en pensioenen uit het buitenland.10 Op basis van de evaluatie van de pilot heeft de SVB onder meer de volgende aanbevelingen gedaan:
Creëren van een wettelijke grondslag voor permanente gegevensuitwisseling tussen de SVB en UWV in de Wet SUWI als eerste stap, zodat de SVB de potentiële extra AIO-gerechtigden op basis van alleen de inkomensgegevens uit de polisadministratie volledig en continu kan ontsluiten en bijgevolg meer burgers kan voorzien in bestaanszekerheid.
Verkennen van een meer gerichte benadering, waarbij gegevens uit de polisadministratie worden verrijkt met de gegevens van de Belastingdienst over buitenlands inkomen, vermogen of winst uit een onderneming en ook vanuit de eigen klantdossiers van de SVB. Deze laatste informatie is momenteel echter alleen toegankelijk via dossieronderzoek. De pilot heeft aangetoond dat door uitsluitend gebruik te maken van inkomensgegevens uit de polisadministratie nog steeds veel huishoudens niet in aanmerking komen voor een AIO, om redenen die niet kunnen worden afgeleid uit de polisadministratie. Een verkenning naar een verrijking van de gegevensdeling kan het bereik vergroten.11
Dit besluit maakt de gegevensuitwisseling tussen de SVB en UWV voor het proactief aanbieden van AIO permanent mogelijk, zoals geadviseerd in de eerste aanbeveling. Voor de tweede aanbeveling is een verkenning uitgevoerd en uitgewerkt tot een voorstel voor een vervolgpilot om de gegevens uit de polisadministratie aan te vullen met gegevens van de Belastingdienst. De gegevensuitwisseling die nodig is voor de vervolgpilot wordt mogelijk gemaakt met een nieuwe tijdelijke pilotregeling. Afhankelijk van de uitkomsten van de vervolgpilot kan dit besluit worden aangevuld of aangepast.
Om in aanmerking te komen voor een AIO-voorziening moet het netto-(huishoud)inkomen zich onder bijstandsniveau bevinden. De SVB gebruikt het BSN, gegevens over de samenstelling van het huishouden en de burgerservicenummers van eventuele personen die deel uitmaken van het huishouden. Over deze personen vraagt de SVB de inkomensgegevens op uit de polisadministratie van het UWV. Het gaat om de bruto inkomenscomponenten en afgeleiden daarvan als betaalde premies. Dit betreft de gegevens, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen f en i, van het Besluit SUWI.
De netto-inkomsten zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie van de betrokkene. De SVB gebruikt een algoritme waarmee een zo realistisch mogelijke benadering van het netto-inkomen wordt gegenereerd aan de hand van de in de polisadministratie beschikbare bruto-inkomensgegevens. Dit waarborgt dat alleen de minimaal noodzakelijke persoonsgegevens over de situatie van de betrokkene worden verwerkt. Dit is een aanvullende maatregel voor privacy en veiligheid (ten opzichte van artikel 5a.10).
Bij de eerste selectie van potentieel rechthebbenden worden ook persoonsgegevens verwerkt van personen die uiteindelijk niet geselecteerd worden, omdat de inschatting van hun inkomen en vermogen hoger blijkt te zijn dan de voorwaarden voor AIO. Slechts een klein percentage van de mensen met een onvolledige AOW kan aanspraak maken op AIO. De verwerking is erop gericht dat de SVB alleen kennis vergaart over de vraag of de belanghebbende gelet op het inkomen aan de voorwaarden voor AIO voldoet. Het doel van het experiment is een benadering te ontwikkelen die doeltreffend is, dus het niet-gebruik van de AIO terugdringt, en evenredig is, voor zowel de lasten in de uitvoering als de privacy van betrokkenen. Daarom geldt als aanvullende voorwaarde (bovenop artikel 5a.10) dat bij de bestandsvergelijking versleuteling wordt gebruikt. De versleuteling wordt gedaan door privacy enhancing technologies (PET’s), zoals multi-party-computation (MPC) of secret-sharing. Daarbij kunnen meerdere partijen de nodige berekeningen op meervoudig versleutelde gegevens doen. Door het doen van berekeningen op versleutelde gegevens wordt de informatie over de personen in de bestandsvergelijking niet in onversleutelde vorm bekend. Dit leidt tot minimalisatie van de mogelijkheid om de verwerkte en berekende data op andere manieren, of voor andere doelen te gebruiken. Dit betekent dat geen van de partijen kennis krijgt of heeft over de persoonsgegevens waarover het niet al beschikt, en er toch een bruikbare uitkomst is uit de bestandvergelijking.
Ook gemeenten beschikken over informatie die de SVB nodig heeft om gericht AIO te kunnen aanbieden. Gemeenten kunnen namelijk zicht hebben op inwoners die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangen en mogelijk ook recht hebben op AIO. Bijvoorbeeld inwoners die bijstand of leefgeld ontvangen en de AOW-leeftijd naderen, maar voorafgaand aan de AOW-leeftijd minder dan 50 jaar in Nederland hebben gewoond, of inwoners die een gemeentelijke voorziening gebruiken of gebruikten, zoals kwijtschelding van gemeentebelastingen of een stadspas. Dit besluit maakt mogelijk dat gemeenten aan de SVB contactgegevens en burgerservicenummer verstrekken als zij vermoeden dat een inwoner mogelijk in aanmerking gaat komen voor de AIO. Deze gegevensuitwisseling tussen gemeenten en de SVB is nodig om de aanvraag van de AIO te ondersteunen, en zo niet-gebruik tegen te gaan. Gemeenten kunnen met gegevens in hun eigen administraties controleren of waarschijnlijk aan de voorwaarden voor AIO is voldaan, en kunnen zelf helpen bij het voorinvullen en indienen van een aanvraag.
Proactieve dienstverlening door gemeenten
Gemeenten ondersteunen inwoners met verschillende uitkeringen en voorzieningen. Inwoners kunnen zelf ondersteuning aanvragen. De Wet proactieve dienstverlening SZW maakt het mogelijk dat de colleges van burgemeester en wethouders met gegevens uit hun eigen administraties inwoners gevraagd en ongevraagd persoonlijk kunnen adviseren over relevante uitkeringen en voorzieningen. De wet maakt het ook mogelijk dat gemeenten met eigen gegevens het doen van een aanvraag faciliteren, bijvoorbeeld door het vooraf invullen van aanvraagformulieren met al beschikbare gegevens. Met de gegevens die gemeenten al hebben kunnen zij echter niet altijd de hele doelgroep bereiken. Om inwoners gerichter te kunnen benaderen zijn ook gegevens van buiten de gemeente nodig. Gemeenten hebben andere gegevens ook nodig om het aanvragen van uitkeringen en voorzieningen voor inwoners makkelijker te maken, de overgang van de ene naar de andere uitkering soepel te laten verlopen en om inwoners te ondersteunen bij het tegelijk aanvragen van meerdere uitkeringen en voorzieningen. Dit besluit maakt deze gegevensuitwisseling mogelijk.
Participatiewet
Gemeenten ondersteunen inwoners op grond van de Participatiewet met verschillende uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand en bijzondere bijstand. Hieronder valt ook de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. De Participatiewet heeft een relatief groot niet-gebruik. Naar schatting 35% van de personen die recht heeft op algemene bijstand maakt daarvan geen gebruik.12 Mensen die hun recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet niet gebruiken, zijn onder te verdelen in twee groepen. De eerste groep betreft mensen die bekend zijn in de sociale zekerheid, omdat ze gebruik maken of hebben gemaakt van een uitkering of voorziening, bijvoorbeeld omdat zij een arbeidsbeperking hebben. Voor deze groep is een soepele overgang van de ene naar de andere uitkering of voorziening nodig. De tweede groep maakt nog geen gebruik van een uitkering of voorziening en is niet bekend bij de gemeente. Voor beide groepen bevordert dit besluit met nieuwe gegevensuitwisselingen dat zij hun recht op een uitkering of voorziening kunnen gaan gebruiken.
Mensen die bekend zijn in de sociale zekerheid
De bijstand is een vangnet, waarop geen recht bestaat als iemand gebruik kan maken van een voorliggende voorziening (artikel 15 van de Participatiewet). Studiefinanciering is een voorliggende voorziening. Op grond van de artikelen 10f en 64 van de Participatiewet bieden gemeenten al proactief ondersteuning aan jongeren zonder startkwalificatie aan, om hen naar een opleiding en werk te begeleiden. Zij volgen geen opleiding, waarbij ze recht op studiefinanciering zouden hebben, en werken ook niet. Om gericht aan jongeren zonder startkwalificatie ondersteuning te kunnen aanbieden combineert het BIDN de gegevens van de gemeente, DUO en UWV (artikelen 5.9, eerste lid, onderdeel f, en 5.10 Besluit SUWI).13 Dit besluit wijzigt deze vorm van proactieve dienstverlening niet.
De uitkeringen die UWV verstrekt gelden ook als voorliggende voorzieningen. Een werkloos geraakte werknemer zal bijvoorbeeld eerst zijn WW-uitkering moeten uitputten voordat recht op bijstand ontstaat. Op grond van bestaande taken beschikt UWV over gegevens die erop kunnen wijzen dat iemand misschien recht krijgt op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet. Daarbij gaat het om de volgende situaties:
Iemand ontvangt van UWV een aanvulling op grond van de Toeslagenwet en heeft mogelijk recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet, bijvoorbeeld een gedeeltelijke bijstandsuitkering om het sociaal minimum te bereiken, bijzondere bijstand of een studietoeslag. In 2024 ontvingen 97.526 personen een aanvulling op grond van de Toeslagenwet.14
Iemand heeft een UWV-uitkering aangevraagd en deze aanvraag is afgewezen, terwijl uit de polisadministratie blijkt dat de betrokkene geen of onvoldoende eigen inkomsten heeft. In 2024 zijn bijvoorbeeld 25.588 WIA-aanvragen en 5.680 afgewezen van betrokkenen die mogelijk recht hebben op ondersteuning op grond van de Participatiewet;15
Iemand ontvangt een UWV-uitkering en de maximale uitkeringsduur wordt bereikt, terwijl uit de polisadministratie blijkt dat betrokkene geen of onvoldoende eigen inkomsten heeft. In 2023 is bijvoorbeeld bij 8.400 mensen de WW geëindigd, waarna zij bijstand hebben aangevraagd en ontvangen;16
De SVB voert de Algemene nabestaandenwet (Anw) uit, zodat nabestaanden zeker zijn van een inkomen. De SVB voert ook de AIO uit om ouderen met een onvolledige AOW te voorzien van een aanvulling tot het bestaansminimum. Om deze inkomenszekerheid in verschillende situaties te kunnen waarborgen is samenwerking en gegevensuitwisseling tussen de SVB en gemeenten nodig. Dit besluit maakt proactieve dienstverlening in een aantal situaties mogelijk:
Het jongste kind van een ouder met Anw wordt achttien of een jongere zonder ouders wordt zestien. De SVB wil in die situatie gegevens van Anw-gerechtigden, met geen of een beperkt inkomen, delen met de gemeente om hen te kunnen begeleiden bij het vinden van werk. Dit ruim voordat hun Anw-uitkering wordt beëindigd om te voorkomen dat ze dan een beroep moeten doen op de bijstand. In 2024 ontvingen 21.313 mensen een Anw-uitkering.17 Omdat zij een inkomen rond het sociaal minimum hebben, kunnen zij nu of in de toekomst ook recht hebben op ondersteuning op grond van de Participatiewet.
Aanvraag Anw: een persoon van wie de partner is overleden vraagt Anw aan op grond van arbeidsongeschiktheid. Dit is een nieuwe situatie. Er bestond nog geen recht. Een keuring moet dan worden aangevraagd. In de tussentijd kan tijdelijk een beroep worden gedaan op bijstand. De SVB wil gegevens delen met de betreffende gemeente en er daarmee voor zorgen dat een aanvraag voor bijstand zo snel mogelijk door de gemeente kan worden behandeld en toegekend. Dit is ook nodig om de mogelijke ingangsdatum van de bijstand zeker stellen, mocht er geen sprake zijn van arbeidsongeschiktheid.
Betrokkene ontvangt AIO en heeft waarschijnlijk recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet, omdat het inkomen rond het sociaal minimum ligt. Voor deze situatie verstrekt de SVB al gegevens aan gemeenten op grond van de Participatiewet. In 2023 ontvingen 52.400 mensen een AIO-aanvulling.18 De SVB meldt al (via het Bureau Informatiediensten Nederland) wie AIO ontvangt (artikel 64 en 67 van de Participatiewet). Dit besluit regelt dat deze gegevens ook gebruikt kunnen worden voor proactieve dienstverlening.
Omdat het om limitatief opgesomde situaties gaat, die voor gemeenten relevant zijn voor de inschatting van het mogelijke recht, kunnen UWV en de SVB met gemeenten afspreken dat de toepasselijke situatie wordt vermeld, naast de opgesomde persoonsgegevens. Het gaat om de volgende gegevens:
van UWV en de SVB: naam, contactgegevens en burgerservicenummer van de betrokkene;
van UWV: inkomensgegevens van de betrokkene en personen die deel uitmaken van het huishouden;
van de SVB: gegevens uit de verzekerdenadministratie die nodig zijn voor de Participatiewet-aanvraag.
Voor proactieve dienstverlening is het vaak nodig dat ook inkomensgegevens worden verwerkt van eventuele personen die deel uitmaken van hetzelfde huishouden. Dat is nodig, omdat de Participatiewet een vangnet is. Als er personen die deel uitmaken van het huishouden zijn die financieel bijdragen of kunnen bijdragen, is er geen recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet.
UWV en de SVB moeten de gegevens verstrekken als de gemeente daarom vraagt. Daarnaast kunnen UWV en de SVB de gegevens ongevraagd verstrekken, uit eigen beweging. Met deze gegevens kan de gemeente contact opnemen met die inwoners. Gemeenten kunnen dan een aanbod doen voor begeleiding naar werk of zo nodig het verstrekken van bijstand en ook de aanvraag faciliteren.
Dit besluit breidt de mogelijkheden voor gegevensverstrekking door UWV aan gemeenten uit, zodat het proactief aanbieden van ondersteuning op grond van de Participatiewet door gemeenten beter mogelijk wordt. Dat staat naast de bestaande regeling op grond van de artikelen 30c Wet SUWI en 41 en 42 van de Participatiewet, op grond waarvan UWV aanvragen van algemene bijstand vooraf invult, in ontvangst neemt en naar de gemeente van de cliënt doorstuurt. De wet geeft UWV de mogelijkheid aanvragen voor de verschillende vormen van ondersteuning op grond van de Participatiewet voorafgaand aan de aanvraag klaar te zetten en vooraf in te vullen voor zover de gegevens beschikbaar zijn bij UWV. De wet en dit besluit geven zowel gemeenten als UWV extra mogelijkheden voor proactieve dienstverlening bij de Participatiewet.
Tot de groep mensen die bekend zijn in de sociale zekerheid behoren ook mensen met een bijstandsuitkering die gaan verhuizen. De ondersteuning door de oude gemeente zou soepel over moeten gaan in ondersteuning door de nieuwe gemeente. De verhuizing wordt via de basisregistratie personen (BRP) doorgegeven, maar de ondersteuning op grond van de Participatiewet verhuist niet mee. Met de gegevensuitwisseling tussen gemeenten onderling met betrekking tot de Participatiewet in artikel 5a.3, kunnen gemeenten proactief aan de nieuwe inwoner ondersteuning aanbieden als die al gebruik maakte van de Participatiewet. Naast naam, contactgegevens en burgerservicenummer zijn gegevens nodig over de ontvangen en mogelijk nog te ontvangen dienstverlening, vooral voor wat betreft participatie en re-integratie. Als iemand verhuist, is een nieuwe aanvraag en beoordeling nodig van het recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet. Daarvoor raadpleegt de nieuwe gemeente actuele gegevens over werk, inkomen, de leefsituatie en het vermogen. Dat is reguliere dienstverlening, waaraan dit besluit niets wijzigt.
Mensen die niet bekend zijn in de sociale zekerheid
De Participatiewet geldt als laatste vangnet voor wie zelfstandig geen of onvoldoende inkomen verdient. Als mensen geen gebruik maken van hun recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet is de kans groot dat zij financiële en gerelateerde problemen hebben. Dat kan ook gaan om mensen met wisselende inkomsten of werkenden met een laag inkomen. In 2021 maakten naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht daarop hadden.19 Met proactieve dienstverlening kunnen zij gerichter geadviseerd worden. De uitdaging voor gemeenten is deze inwoners te vinden. Recente inkomensgegevens zijn een goede voorspeller voor het recht op een uitkering of voorziening. Het UWV beschikt met de polisadministratie over de inkomensgegevens van iedereen die in loondienst is of was. Dit besluit maakt het mogelijk dat UWV de naam, de contactgegevens, het burgerservicenummer en de inkomensgegevens deelt met gemeenten van inwoners die mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet. Dat is het geval als de belanghebbende volgens de polisadministratie een laag inkomen heeft. Daarbij kunnen ook in dit geval inkomensgegevens worden verstrekt van eventuele personen die deel uitmaken van hetzelfde huishouden. UWV moet de gegevens verstrekken als de gemeente daarom vraagt. Daarnaast kan UWV de gegevens uit eigen beweging verstrekken, bijvoorbeeld naar aanleiding van contact met de betrokkene. Gemeenten kunnen op basis daarvan een aanbod doen voor begeleiding naar werk of zo nodig het verstrekken van bijstand. UWV en gemeenten kunnen onder regie van het gegevensknooppunt BKWI afspraken maken over de invulling van ‘een laag inkomen’. Afhankelijk van de gemeente en de uitkering of voorziening is ondersteuning bij een inkomen tussen 100% en 150% van het sociaal minimum mogelijk.
Kwijtschelden van lokale belastingen
De meeste gemeenten en waterschappen geven inwoners met een laag inkomen de mogelijkheid om lokale belastingen te laten kwijtschelden.20 Gemeenten en waterschappen geven bij de aanslag algemene informatie over de mogelijkheden. Dit is voor een deel van de inwoners die de lokale belastingen niet kunnen betalen voldoende om kwijtschelding aan te vragen en te ontvangen. Een aanzienlijk deel van de doelgroep wordt echter niet bereikt. Landelijke cijfers zijn niet beschikbaar, maar CBS-gegevens van een aantal gemeenten21 laten zien dat 25% tot 45% van de inwoners die mogelijk in aanmerking komen voor kwijtschelding, hiervan geen gebruik maakt. Dit is in de orde van grootte van 130.000 tot 240.000 personen.22 De Wet proactieve dienstverlening SZW maakt mogelijk dat gemeenten inwoners persoonlijk mogen adviseren met behulp van de gegevens die de gemeente al in de eigen administraties heeft, bijvoorbeeld over inwoners die bijstand ontvangen of die al eerder kwijtschelding van lokale belasting hebben gekregen. Deze gegevens kunnen ook worden gebruikt om de aanvraag te faciliteren, zoals een mogelijkheid voor inwoners om het recht op kwijtschelding te toetsen of de aanvraag vooraf in te laten vullen.
Om gericht kwijtschelding te kunnen aanbieden aan de hele potentiële doelgroep zijn gegevens van buiten de gemeente nodig. Dit besluit regelt dat UWV op verzoek van de gemeente inkomensgegevens, contactgegevens en burgerservicenummer van inwoners met een laag inkomen verstrekt. Een laag inkomen is namelijk één van de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Deze informatie heeft de gemeente nodig om kwijtschelding proactief te kunnen aanbieden en de aanvraag te faciliteren.
Cliënten van UWV en de SVB die respectievelijk een aanvulling op grond van de Toeslagenwet of AIO aanvragen of ontvangen, hebben een inkomen op het sociaal minimum. Daardoor komen zij waarschijnlijk voor kwijtschelding van lokale belastingen in aanmerking. Het besluit maakt mogelijk dat UWV en de SVB de contactgegevens en het burgerservicenummer aan gemeenten verstrekken van cliënten die deze sociale voorzieningen gebruiken. Deze gegevens heeft de gemeente nodig voor het aanbieden van kwijtschelding en het faciliteren van de aanvraag.
Dit besluit maakt mogelijk dat de gemeente een inschatting maakt of een inwoner in aanmerking komt voor kwijtschelding van waterschapsbelasting, en inwoners over het resultaat informeert. De gemeente kan de inwoner begeleiden bij de aanvraag van kwijtschelding van waterschapsbelasting. Als de inwoner de aanvraag heeft ingediend neemt het waterschap zo nodig contact op met de inwoner. Het waterschap blijft zelf beoordelen of er recht bestaat op kwijtschelding. Op grond van artikel 6.17 van het Waterschapsbesluit verkrijgt het waterschap, als een aanvraag tot het verlenen van kwijtschelding is gedaan, onder meer van gemeenten de gegevens die nodig zijn om de kwijtschelding te beoordelen. Omdat waterschappen geen SUWI-partij zijn, geldt de bevoegdheid voor proactieve dienstverlening uit de wet niet voor waterschappen.
Proactieve dienstverlening bij het kwijtschelden van lokale belastingen bouwt voort op bestaande gegevensuitwisselingen voor het beoordelen van het recht op kwijtschelding van gemeentelijke en waterschapsbelastingen. UWV verstrekt hiertoe al gegevens aan gemeenten en waterschappen op grond van artikel 5.9, eerste lid, onder g, van het Besluit SUWI over inwoners die een aanvraag voor kwijtschelding hebben gedaan. Het BIDN is het gegevensknooppunt voor deze toets, op grond van artikel 5.24 van het Besluit SUWI. De toets in het kader van proactieve dienstverlening zal minder uitgebreid zijn en er mogen minder persoonsgegevens worden verwerkt dan bij de toets van een ingediende aanvraag. Dat verschil is gerechtvaardigd, omdat voorafgaand aan de aanvraag minder gegevens over de betreffende inwoner bekend zijn en omdat de inwoner vaak nog niet geïnformeerd is.
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs).23 De wet maakt mogelijk dat gemeenten aan de hand van gegevens in de eigen administraties onderzoeken wie mogelijk in aanmerking komt voor schuldhulpverlening. Gemeenten kunnen die doelgroep gericht benaderen om de inwoners daarover te informeren en gemeenten kunnen de hulpvraag faciliteren. Relevante gegevens in de gemeentelijke administratie zijn bijvoorbeeld een betalingsachterstand op de eigen bijdrage Wmo, niet betaalde lokale belastingen en boetes of uitkeringen die moeten worden terugbetaald.
UWV en de SVB ontvangen regelmatig vragen van mensen met geldzorgen, die behoefte hebben aan hulp, bijvoorbeeld omdat een schuldeiser beslag heeft laten leggen op de uitkering. UWV en de SVB kunnen deze mensen niet helpen om hun problematische schulden op te lossen, want schuldhulpverlening is een taak van gemeenten. Het is vaak echter ongewenst dat zij zelf een ander loket moeten opzoeken. UWV en de SVB kunnen daarom een aantal gegevens aan de betreffende gemeente doorgeven, zodat die contact kan opnemen met de inwoner. Dit was al bestaande dienstverlening. Uit ervaringen van UWV en SVB blijkt dat mensen het vaak moeilijk vinden om zelf hulp te vragen. Een deel neemt geen contact op met de gemeente, terwijl zij wel geldzorgen hebben. Vooralsnog is er echter onvoldoende grondslag voor UWV en de SVB om gegevens te verstrekken zonder expliciete toestemming (als rechtsgrond in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, AVG), waarmee gemeenten proactieve dienstverlening aan inwoners met geldzorgen kunnen aanbieden. Dit besluit voorziet in de benodigde grondslag voor gegevensuitwisselingen tussen SUWI-partijen voor proactieve dienstverlening bij schuldhulpverlening als onderdeel van hun wettelijke taken (AVG-grondslag taak van algemeen belang, artikel 6, eerste lid, onderdeel e, AVG). Het gaat om drie situaties:
UWV of de SVB heeft vorderingen op een cliënt;
een derde heeft beslag laten leggen of laat de zorgpremie inhouden op de UWV- of SVB-uitkering van de cliënt; of
bij persoonlijk contact (telefonisch, fysiek of digitaal) heeft de betrokkene een hulpvraag gesteld over financiële problemen.
Bij vorderingen kan het ook gaan om een verrekening via een lopende uitkering. Het CAK laat via de uitkeringsinstantie of werkgever de bestuursrechtelijke premie voor de zorgverzekering inhouden als iemand langer dan zes maanden de reguliere zorgpremie niet heeft betaald. Uit onderzoek van CBS blijkt dat op peildatum 1 januari 2024 circa 66.000 cliënten van UWV een openstaande vordering hebben bij UWV en circa 21.000 cliënten van de SVB een openstaande vordering bij de SVB hebben.24 Daarnaast wordt jaarlijks bij circa 66.000 tot 78.000 cliënten van UWV en bij 8.000 tot 13.000 cliënten van SVB door schuldeisers beslag op de uitkering gelegd. Een klein deel van hen heeft na persoonlijk contact behoefte aan hulp bij geldzorgen. In 2024 heeft Team Geldzorgen van UWV contact gehad met 9.000 mensen, van wie 313 zijn doorverwezen naar verschillende gemeenten.
UWV en de SVB hoeven zelf geen schuldeiser van de betrokkene te zijn om met gemeenten samen te werken. Het doel is toegankelijke en samenhangende dienstverlening in de sociale zekerheid te bieden. Door samen te werken willen UWV, SVB en gemeenten voorkomen dat mensen verder in geldzorgen raken. Het proactief aanbieden van schuldhulpverlening kan ook bijdragen aan de effectiviteit van de uitkeringen en voorzieningen van UWV en SVB. Financiële problemen kunnen het vinden van werk bemoeilijken, het meedoen in de maatschappij belemmeren en gezondheidsproblemen veroorzaken en verergeren.
Als de gemeente contact heeft gelegd en de inwoner wil hulp, heeft de gemeente op grond van de Wgs de mogelijkheid de gegevens te verzamelen bij publieke en private partijen die nodig zijn voor de reguliere dienstverlening, bijvoorbeeld om schulden te inventariseren via het CJIB en gerechtsdeurwaarders.
Gemeentelijke minimaregelingen
Veel gemeenten hebben voor inwoners met een laag inkomen voorzieningen, zodat mensen kunnen blijven meedoen in de maatschappij, zoals om te sporten en voor schoolspullen, ook wel minimaregelingen genoemd. Gemeentelijke minimaregelingen zijn meestal gebaseerd op een gemeentelijke verordening op grond van artikel 108 van de Gemeentewet. Zo’n voorziening kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een stadspas, kindregeling, vergoeding van leermiddelen, ouderenpakket, voordeelabonnement voor openbaar vervoer of een tegemoetkoming voor chronisch zieken hebben. Gemeentelijke minimaregelingen bereiken lang niet altijd de inwoners die het nodig hebben. Cijfers van enkele gemeenten laten zien dat het niet-gebruik varieert van 21% tot 77%. Een ruwe schatting voor heel Nederland is dat 110.000 tot 400.000 mensen wellicht recht hebben op een of meer gemeentelijke minimaregelingen, maar daar geen gebruik van maken.25
Tabel 1: Voorbeelden uit de Armoedescan26 van het niet-gebruik van gemeentelijke armoederegelingen voor het jaar 2021 en Nijmegen in 2022
| Gemeente | Regeling | Niet-gebruik |
|---|---|---|
| Arnhem | Collectieve zorgverzekering | 58% |
| Gelrepas | 21% | |
| Nijmegen | Meedoenregeling | 77% |
| Individuele inkomenstoeslag | 34% | |
| Dordrecht | Kwijtschelding gemeentelijke belastingen | 27% |
| Persoonlijk minimabudget | 50% | |
| Den Haag | Ooievaarspas | 30% |
| Kwijtschelding gemeentelijke belastingen | 43% | |
| Schagen | Kindpakket | 32% |
| Aanvullende zorgverzekering | 60% |
Inwoners kunnen deze voorzieningen zelf aanvragen. De wet maakt het daarnaast mogelijk dat gemeenten de gegevens uit hun eigen administratie verder verwerken om inwoners gevraagd en ongevraagd persoonlijk te adviseren over relevante voorzieningen, waar mogelijk automatisch voorzieningen toe te kennen (als gemeenten zelf de aanvraagprocedure kunnen vormgeven), bijvoorbeeld in aanvulling op bijstand, of de aanvraag van een voorziening voorinvullen.
Om gericht lokale voorzieningen te kunnen aanbieden zijn ook gegevens van buiten de gemeente nodig over inwoners met een laag inkomen. Dit besluit regelt daarom dat UWV en SVB gevraagd en ongevraagd gegevens verstrekken van cliënten die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet of AIO ontvangen. Beide groepen hebben namelijk een inkomen op het sociaal minimum, waardoor zij waarschijnlijk voor deze lokale voorzieningen in aanmerking komen. Dit besluit regelt daarnaast dat UWV op verzoek van de gemeente de gegevens over inkomen verstrekt om te toetsen of inwoners in aanmerking komen voor gemeentelijke minimaregelingen. Dat maakt proactieve dienstverlening aan werkenden met een laag inkomen mogelijk. Daarbij kunnen ook gegevens worden verwerkt van eventuele personen die deel uitmaken van hetzelfde huishouden. Dat is nodig, omdat gemeentelijke minimaregelingen meestal een vangnet zijn. Als er personen zijn die deel uitmaken van het huishouden en die financieel bijdragen of kunnen bijdragen is het meestal niet mogelijk om van een minimaregeling gebruik te maken.
Tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Ongeveer 6.400 huishoudens die onbedoeld een lager inkomen hebben dan vergelijkbare huishoudens met een bijstandsuitkering krijgen via een overbruggingsregeling een tegemoetkoming van hun gemeente.27 Deze huishoudens vallen onder de alleenverdienersproblematiek en hebben door een samenloop van sociale zekerheid, fiscaliteit en toeslagen een lager besteedbaar inkomen dan een vergelijkbaar huishouden met een volledige bijstandsuitkering en bijbehorende toeslagen. Het betreft huishoudens waarvan de voornaamste inkomstenbron een uitkering van een van beide partners is. De overheid komt met opeenvolgende regelingen om de betrokken huishoudens tegemoet te komen. De tegemoetkoming is geïntroduceerd met de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek, waarmee artikel 78gg in de Participatiewet is ingevoegd. Deze wet trad op 1 januari 2025 in werking, en voorziet er tot en met 2027 in dat het college van burgemeester en wethouders ambtshalve of op aanvraag een vaste tegemoetkoming toekent aan huishoudens in de alleenverdienersproblematiek. Artikel 78gg biedt al bepaalde mogelijkheden voor het college om proactief op te treden.
Nu het onderhavige besluit een specifieke bevoegdheid creëert voor proactief handelen door gemeenten, is ervoor gekozen om daarin ook het handelen van gemeenten ten behoeve van de tegemoetkoming voor alleenverdieners mee te nemen. Dit bevestigt dat het college huishoudens gericht kan benaderen om hen te informeren over hun mogelijke recht en om het doen van een aanvraag te faciliteren. Dat is nodig voor de groep inwoners die mogelijk, maar niet zeker recht heeft. Proactieve dienstverlening bij de alleenverdienersproblematiek is dus aanvullend op de mogelijkheden die de tijdelijke regeling in de Participatiewet al biedt. Het doel is bij te dragen aan het bereiken van de volledige doelgroep. Op basis van gegevens van UWV kunnen gemeenten inschatten welke inwoners mogelijk recht hebben op een tegemoetkoming. UVW verstrekt daartoe uit eigen beweging of op verzoek naam, contactgegevens, burgerservicenummer en gegevens over inkomsten uit arbeid en dienstbetrekking, waaronder uitkeringen wordt verstaan, van belanghebbenden. Als met die gegevens zeker is dat de betrokkene daadwerkelijk tot de doelgroep behoort, kan de gemeente op grond van artikel 78gg van de Participatiewet overgaan tot ambtshalve verstrekking. Vaak zal extra onderzoek nodig zijn, waarbij de gemeente contact zoekt met de betrokken inwoner. Deze vorm van proactieve dienstverlening is mogelijk in de overbruggingsperiode tot een fundamentele oplossing, voorzien vanaf 2028.
Experimenten ten behoeve van proactieve dienstverlening
Gegronde indicaties of vermoedens van onvoldoende gebruik van een bepaalde uitkering of voorziening zijn aanleiding om proactieve dienstverlening te overwegen. Het staat niet altijd vast of een bepaalde vorm van proactieve dienstverlening uitvoerbaar en effectief is. Welke gegevens leiden naar een bepaalde doelgroep? Is het haalbaar deze doelgroep proactief te benaderen? Lukt het om contact te krijgen? Dit zijn voorbeelden van vragen die in bepaalde gevallen alleen met experimenten beantwoord kunnen worden.
De wet maakt het onder voorwaarden mogelijk dat UWV, SVB en gemeenten onderling gegevens uitwisselen uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administraties om te onderzoeken of bepaalde gegevens noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening (artikel 73b, vierde lid). Hiermee kunnen de SUWI-partijen op kleinere schaal en voor een beperkte tijd experimenteren, voordat een bepaalde structurele gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening wordt ingericht. In dit besluit zijn de voorwaarden aan de experimenten nader vormgegeven.
Experimenten kunnen gaan om een samenwerking van UWV, de SVB of een of meer gemeenten. Het kan ook gaan om een gegevensuitwisseling tussen gemeenten onderling, bijvoorbeeld bij samenwerkingsverbanden met gezamenlijke dienstverlening. Twee soorten experimenten zijn mogelijk:
Om geschikte gegevens te bepalen om mensen in beeld te brengen die een uitkering of voorziening nodig hebben, maar die nog niet ontvangen;
Onderzoek naar de effectieve inrichting van de samenwerking tussen UWV, de SVB en (groepen van) gemeenten om het aanvragen van uitkeringen en voorzieningen te faciliteren.
Met experimenten is te bepalen welke gegevensuitwisselingen nodig zijn om mensen met proactieve dienstverlening snel en laagdrempelig te helpen, ook als zij zich in eerste instantie vanuit het perspectief van de overheid niet bij het juiste loket melden. Het gaat om uitwisseling van contactgegevens en gegevens om uitkeringen en voorzieningen te kunnen aanvragen of het recht daarop te kunnen toetsen. Als een inwoner akkoord is met een intake voor bijvoorbeeld schuldhulpverlening of bijstand, start de reguliere dienstverlening en hebben de SUWI-partijen al mogelijkheden om breder gegevens uit te wisselen, bijvoorbeeld met de Belastingdienst over inkomen, vermogen en eventuele belastingschulden of met de Dienst Toeslagen om toeslagen aan te kunnen vragen.
Experimenten zijn de oplossing voor de situatie dat het voornemen is om proactieve dienstverlening in dit besluit uit te werken, maar de noodzaak van de verstrekking(en) bij die uitwerking nog niet objectief kan worden onderbouwd. Het experiment dient dus om die kip-ei-vraag op te lossen. Bij een positieve evaluatie van het experiment, kan het Besluit SUWI gewijzigd worden om de proactieve dienstverlening structureel mogelijk te maken.
Omdat de experimenten tijdelijk zijn en een relatief kleine groep mensen betrokken is, zijn de risico’s voor veiligheid en privacy beperkt. Om deze risico’s nog verder te verkleinen, is bepaald dat de gegevens geanonimiseerd moeten worden uitgewisseld, en indien dat niet mogelijk blijkt, versleuteling of pseudonimisering wordt toegepast. Als dat zinvol en haalbaar is, kunnen Privacy Enhancing Technologies (PET’s) worden ingezet om de gegevensuitwisseling en -koppelingen te beveiligen (zie ook de toelichting in paragraaf 4.1). Deze maatregelen gelden in aanvulling op de opt-out (artikel 5a.9) en de technische en organisatorische privacymaatregelen, opgenomen in artikel 5a.10.
Voorafgaande aan een experiment moet de minister worden geïnformeerd over het plan, waarin privacy en het waarborgen van de rechten van de betrokkenen in de onderzoeksopzet is meegenomen met een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB of de Engelse afkorting DPIA). Daarin zijn in ieder geval de privacymaatregelen uit dit besluit opgenomen (artikelen 5a.8, 5a.9 en 5a.10). Daarnaast is het aan de deelnemers om per experiment passende waarborgen in te bouwen. Ook worden in het plan het onderzoeksdoel, de uitkering of voorziening voor proactieve dienstverlening, de belangenafweging ten aanzien van de gegevens die worden uitgewisseld, en de deelnemende organisaties gespecificeerd. Het onderzoek wordt op een zo beperkt mogelijke schaal uitgevoerd met ten hoogste het aantal betrokkenen om onderbouwde conclusies te kunnen trekken. Overwogen is om in het besluit een concreet maximumaantal betrokkenen voor te schrijven. Dit is in de uitvoeringstoetsen van UWV, de SVB en de VNG afgeraden. Daarom is voor deze meer dynamische bepaling gekozen, waarbij het aan de deelnemers is om zich over het aantal deelnemers te verantwoorden.
Het onderzoek mag maximaal drie jaar duren. Vervolgens moet binnen twaalf maanden de evaluatie beschikbaar zijn met een advies of structurele inrichting van de gegevensuitwisseling nodig is. De bewaartermijn voor de gegevens die voor het experiment moeten worden uitgewisseld is maximaal twaalf maanden. De bewaartermijn is hetzelfde als voor andere gegevens die voor proactieve dienstverlening worden uitgewisseld. Deze bewaartermijn zal veelal voldoende zijn. Eventueel kunnen na het eerste jaar opnieuw gegevens worden verstrekt voor het onderzoek, zolang de persoonsgegevens van het eerste jaar dan maar zijn verwijderd. Op die manier is ook een onderzoek van meerdere jaren mogelijk als dat nodig is om onderbouwde conclusies te trekken. Tenzij het statistisch onderzoek is, worden bij het onderzoek de betrokkenen daadwerkelijk benaderd met een hulpaanbod. Dat gaat om een relatief kleine groep. Bijvoorbeeld bij de pilot AIO is geprobeerd met 1.000 personen contact op te nemen. Op basis van bij de overheid bekende gegevens over inkomen en leefsituatie hadden zij waarschijnlijk recht op AIO (zie paragraaf 4.1). Het moment van benaderen is meteen het moment om te informeren en toe te lichten dat persoonsgegevens zijn verwerkt. De wijze van benaderen, of het onderzoek tot contact leidt en wat de respons is, zijn cruciaal om te bepalen of een bepaalde gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening zinvol is. Mensen kunnen op ieder moment kunnen kiezen om de proactieve dienstverlening te beëindigen en kunnen aangeven niet meer voor een bepaalde dienstverlening te worden benaderd.
Waarborgen voor gegevensbescherming bij proactieve dienstverlening
Onder de mensen die UWV, de SVB en gemeenten voor proactieve dienstverlening benaderen, zullen zich ook personen bevinden die er geen prijs op stellen dat zij ongevraagd benaderd worden. De wet voorziet daarom in een extra waarborg voor de betrokkene: er wordt expliciet geregeld dat gegevens niet voor proactieve dienstverlening worden verwerkt als de betrokkene hier uit eigen beweging of desgevraagd bezwaar tegen maakt (artikel 73b, zesde lid). Artikel 5a.9 van dit besluit geeft nadere regels over de opt-out. De opt-outbepaling kan worden gezien als een bijzondere invulling van het recht op bezwaar (artikel 21 AVG).
De opt-outbepaling is gekoppeld aan de twee in de wet opgenomen componenten van proactieve dienstverlening; het informeren en faciliteren. Dit betekent dat, nadat iemand bezwaar heeft gemaakt, de persoonsgegevens niet meer worden verwerkt om diegene te informeren over een mogelijk onbenut recht of om een aanvraag te faciliteren. Op het moment van het eerste contact met de betrokkene over het informeren over of faciliteren van een uitkering of voorziening wijzen UWV, SVB of de gemeente de betrokkene op de opt-out, duidelijk en gescheiden van andere informatie (in lijn met artikel 21 AVG). Zij informeren de betrokkene ook over hoe de opt-out wordt verkregen: mondeling of schriftelijk, elektronisch en via andere wegen. En zij zorgen voor passende ondersteuning (in lijn met de Awb en de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv)).
De opt-out geldt als minimum voor de uitkering of voorziening die bij het eerste contact proactief werd aangeboden. Voor andere uitkeringen en voorzieningen krijgen mensen opnieuw een opt-out aangeboden. Het is ook toegestaan dat het bestuursorgaan de opt-out aanbiedt voor alle uitkeringen of voorzieningen die het betreffende bestuursorgaan verstrekt. Als iemand een opt-outvoorkeur uitspreekt bij bijvoorbeeld UWV voor een of meerdere voorzieningen, staat dat er niet aan in de weg dat de andere SUWI-partijen nog wel uitkeringen en voorzieningen aanbieden. Ook dan wordt de betrokkene gewezen op de opt-out voor die uitkering of voorziening. De opt-out geldt tot vijf jaar voor een bepaalde uitkering of voorziening. UWV, SVB en de gemeente mogen de betrokkene de keuze geven de opt-out korter te laten gelden. UWV, SVB en gemeenten registreren de opt-outs in de eigen administratie. Zij zijn afzonderlijk verwerkingsverantwoordelijk voor de eigen registraties en wisselen geen persoonsgegevens onderling uit over opt-outs.
Het uitgangspunt bij de opt-out is een volledig vrije keuze. Het kan iemand dus op een later moment niet worden verweten dat hij niet van een uitkering of voorziening op de hoogte is geraakt vanwege de eigen opt-outvoorkeur, of dat hij zich niet heeft laten begeleiden bij het doen van een aanvraag.
Er zijn uitgebreidere varianten voor de opt-out denkbaar, maar hiervoor is niet gekozen. In een uitgebreide variant heeft de opt-out betrekking op elke uitkering en voorziening van alle SUWI-partijen. Daartoe zouden de SUWI-partijen de opt-outs op een voor elkaar toegankelijke wijze moeten registreren, waarvoor zij gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijk zouden zijn. De uitgebreide variant zou minder handelingen van mensen vragen die niet willen dat hun gegevens voor proactieve dienstverlening worden verwerkt. Uitkeringen en voorzieningen zijn echter bedoeld voor uiteenlopende levensgebeurtenissen en de situatie van mensen kan wijzigen. De uitgebreide variant sluit daarom niet uit dat mensen informatie zullen missen over voor hen relevante of relevant geworden uitkeringen en voorzieningen. Verschil is ook dat de uitgebreide variant samenwerking en gegevensuitwisseling vereist tussen de SUWI-partijen bij de uitvoering van de opt-out, wat inspanningen vereist van de SUWI-partijen en eigen risico’s voor privacy en veiligheid heeft.
Zie de memorie van toelichting bij de Wet proactieve dienstverlening SZW voor de redenering waarom niet voor een opt-in (toestemming vooraf) is gekozen. De kern is dat een opt-inmodel op gespannen voet staat met de doelstellingen van het wetsvoorstel. Een opt-in is minder geschikt om juist de doelgroepen te bereiken die hogere drempels ervaren om ondersteuning te vragen van de overheid. Dit zorgt ook voor meer contactmomenten, terwijl het doel van de opt-out juist is om mensen tegemoet te komen die zulke contactmomenten onwenselijk vinden. Ook zijn de uitvoeringslasten van een opt-in onevenredig hoog.
De opt-out is een bijzondere invulling van het recht op bezwaar, bedoeld in artikel 21 AVG, en doet niets af aan de overige privacyrechten die iedereen op grond van de AVG heeft. Het is bijvoorbeeld altijd mogelijk te vragen om rectificatie als er fouten in de gegevens blijken te zitten, of in het algemeen om een klacht in te dienen. UWV, de SVB en gemeenten hebben al contactmogelijkheden om vragen te stellen of een klacht in te dienen over gegevensverwerking en privacy, of andere onderwerpen. De wet en het besluit veranderen de bevoegdheidsverdeling tussen de SUWI-partijen niet. De SUWI-partijen blijven afzonderlijk verantwoordelijk voor de eigen verwerkingen van persoonsgegevens. De opt-out verandert niets aan het recht op de uitkering of voorziening zelf en heeft alleen betrekking op de communicatie in het kader van proactieve dienstverlening. Een geregistreerde opt-out staat er dus niet aan in de weg dat de SUWI-partijen van die betrokkene persoonsgegevens verwerken en uitwisselen om te onderzoeken of er een ongebruikt recht kan zijn op een uitkering of voorziening. Wel staat het de SUWI-partijen vrij om daarvan af te zien; proactieve dienstverlening is immers een bevoegdheid en geen verplichting. De SUWI-partijen kunnen er ook voor kiezen om niet uit eigen beweging gegevens te verstrekken van betrokkenen met een opt-out. Als een andere SUWI-partij echter verzoekt om in dit besluit aangewezen gegevens, geldt wel een verplichting om die gegevens te verstrekken, ook al zijn die van een betrokkene met een opt-out.
Wanneer iemand een opt-outvoorkeur aangeeft, is de reactie daarop door het bestuursorgaan geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De uitkomst is immers al door de wetgever bepaald: UWV, de SVB en gemeenten moeten een bezwaar registreren, en een afwijzing is niet aan de orde.
Naast de opt-out waarborgt het besluit de bescherming van persoonsgegevens met technische en organisatorische maatregelen. Deze maatregelen zijn voor alle vormen van proactieve dienstverlening opgenomen in artikel 5a.10. Aanvullende maatregelen zijn opgenomen voor proactieve dienstverlening bij de AIO (5a.2) en voor onderzoek (5a.8). Verder maakt onderdeel D van het besluit mogelijk dat de informatievoorzieningen van het BIDN worden gebruikt om gegevens voor proactieve dienstverlening uit te wisselen. Paragraaf 10.2 (Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens) gaat verder in op de maatregelen om de privacy en veiligheid te beschermen bij de verwerking van persoonsgegevens voor proactieve dienstverlening.
Schrappen systeem risico indicatie (SyRI)
In de wet zijn de bepalingen over het systeem risico indicatie (SyRI) vervallen. Daardoor zijn ook in het Besluit SUWI bepalingen overbodig geworden. Met de onderdelen A en C van dit besluit zijn de bepalingen over SyRI in het Besluit SUWI geschrapt. Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de wet, die hieronder voor de duidelijkheid wordt herhaald.
Artikel 65 Wet SUWI bevat de regeling van het instrument SyRI. Op 5 februari 2020 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat de wetgeving die de inzet van SyRI regelt, strijdig is met hoger recht, namelijk artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).28 De rechtbank oordeelde dat de inzet van SyRI onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is. Zo zijn de gegevens die verwerkt kunnen worden niet ingekaderd of geclausuleerd en is er onvoldoende inzicht in de werking van het risicomodel. De wetgeving is daarmee onrechtmatig, want in strijd met hoger recht, en dus onverbindend. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden. Bij brief van 23 april 2020 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de beslissing om niet in hoger beroep te gaan gemotiveerd.29 Niet alleen het ontbreken van voldoende waarborgen, maar ook het feit dat de effectiviteit van het systeem niet bewezen was, gaf daartoe reden.
Verhouding tot andere regelgeving
Wet SUWI
Dit besluit sluit aan op bestaande kaders voor proactieve dienstverlening. Via fysieke en digitale loketten wordt al informatie en advies verstrekt over de uitkeringen en voorzieningen die er zijn en de voorwaarden die ervoor gelden. UWV en de SVB geven met de huidige communicatie uitvoering aan de bestaande bepalingen daarover in de Wet SUWI (artikel 31, tweede lid, en 34, eerste lid, onder c, Wet SUWI).
UWV neemt op grond van artikel 30c Wet SUWI al aanvragen van algemene bijstand in ontvangst en ook van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). UWV zorgt dat de gegevens hiervoor compleet zijn en verstrekt de aanvragen aan het college.
Artikel 73, elfde lid, Wet SUWI regelt de schakelfunctie van UWV om contactgegevens aan een ondersteunende instantie te verstrekken voor hulpverlening, met instemming van de uitkeringsgerechtigde.30 Een ondersteunende instantie is een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning of publieke instelling op het gebied van gezondheid, jeugdhulp, welzijn, wonen, werk en inkomen die kan bijdragen aan de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang van de betrokkene. UWV benoemt in de knelpuntenbrieven van 2023 en 2024 de noodzaak om meer gegevens dan contactgegevens te delen, zodat mensen op korte termijn goed kunnen worden geholpen.31 De SVB verwijst personen met financiële problemen door naar de gemeente. Een duidelijker grondslag hiervoor is gewenst. Ook de inventarisatie van knelpunten inzake gegevensuitwisseling door het Netwerk Publieke Dienstverlening benoemt dit knelpunt.32 De wet en dit besluit voegen daarom specifieke bevoegdheden toe voor proactieve dienstverlening door gemeenten en de gegevensuitwisseling die daarvoor nodig is. Er zijn situaties waar de schakelfunctie en proactieve dienstverlening overlappen. De schakelfunctie houdt meerwaarde, omdat de schakelfunctie gericht is op meer partijen die mogelijk hulp en zorg kunnen verlenen. Vanwege die breedte heeft de schakelfunctie de waarborgen instemming van de uitkeringsgerechtigde en de beperking tot contactgegevens. Voor proactieve dienstverlening is in tegenstelling tot de schakelfunctie niet gekozen voor de voorwaarde instemming (opt-in). Dit zou het bereiken van de doelgroep belemmeren en daarmee het doel van proactieve dienstverlening om het niet-gebruik tegen te gaan. In plaats daarvan heeft proactieve dienstverlening de waarborg opt-out voor mensen die geen behoefte hebben aan proactieve dienstverlening (zie onderdeel 3.4.4 van de memorie van toelichting bij de wet). Een uitkeringsrelatie met UWV of de SVB is geen voorwaarde voor uitwisselen van persoonsgegevens met de gemeente, in tegenstelling tot de schakelfunctie. Hiervoor is gekozen, omdat proactieve dienstverlening juist gericht is op advies en ondersteuning voorafgaand aan een formele aanvraag voor een uitkering of voorziening.
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
De Wgs regelt de gegevensuitwisseling tussen gemeenten en belangrijke schuldeisers, zoals woningverhuurders en zorgverzekeraars, om inwoners met problematische schulden zo vroeg mogelijk te vinden (artikelen 3 en 8b). Er is een belangrijk verschil met proactieve dienstverlening: UWV en de SVB zijn in de eerste plaats dienstverleners in de sociale zekerheid en geen schuldeisers. UWV en de SVB verstrekken daarom geen gegevens aan gemeenten in het kader van de vroegsignalering van schulden op grond van de Wgs. Dit besluit maakt de benodigde gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening mogelijk. Proactieve dienstverlening kan een goede aanvulling zijn op de vroegsignalering van schulden om inwoners met problematische schulden te bereiken. Verwacht wordt dat een deel van de gegevens die UWV en de SVB verstrekken zullen overlappen met de signalen uit de vroegsignalering. Dat wil zeggen dat de gegevensverstrekkingen betrekking kunnen hebben op dezelfde inwoners. Maar de verwachting is ook dat nieuwe inwoners met schulden in beeld komen.
Omdat proactieve dienstverlening in dit besluit en de vroegsignalering op grond van de Wgs verschillen, kunnen ook de bewaartermijnen verschillen afhankelijk van welke bewaartermijn nodig is. Verschil is ook dat bij vroegsignalering gemeenten verplicht zijn signalen van schuldeisers op te volgen. Dat is bij proactieve dienstverlening niet het geval. In dit besluit is in artikel 5a.10 een bewaartermijn van maximaal twaalf maanden opgenomen. Dit wordt toegelicht in paragraaf 10.2 (Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens). Voor vroegsignalering van schulden op grond van de Wgs is geen bewaartermijn in regelgeving opgenomen.
De Wgs kent, evenals de wet en dit besluit, experimenteerruimte (artikel 10 Wgs). Aan experimenten op grond van de Wgs kunnen in principe alle schuldeisers en alle gemeenten deelnemen. Ook kan een experiment op grond van de Wgs zich in principe richten op alle betalingsachterstanden die een betere indicatie voor meer schulden kunnen vormen. In een tijdelijke ministeriële regeling worden deze criteria gespecificeerd. Bij proactieve dienstverlening is ervoor gekozen de deelnemers aan een experiment in de wet vast te leggen. Dat zijn de SUWI-partijen. In dit besluit zijn onder meer de gegevens, de duur van het onderzoek en de technische en organisatorische maatregelen om aan de AVG te voldoen gespecificeerd. Daarom is het voor experimenten met proactieve dienstverlening niet nodig in een ministeriële regeling nadere voorschriften te stellen.
Algemene wet bestuursrecht/Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer
Artikel 2:1 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan zorgdraagt voor passende ondersteuning bij het verkeer met dat bestuursorgaan. Artikel 2:3 Awb draagt bestuursorganen op om berichten die voor een ander bestuursorgaan bestemd zijn naar dat bestuursorgaan door te sturen, en de afzender daarvan te informeren. Dit is de doorzendplicht, die oorspronkelijk bedoeld was voor onjuist geadresseerde post. Deze bepalingen zijn geactualiseerd met de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer.33 Voor proactieve dienstverlening zijn ondersteuning zeer behulpzaam. De wet en dit besluit geven aansluitende, specifieke bevoegdheden voor het tegengaan van het niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen.
Wet basisregistratie personen
Hoewel de basisregistratie personen (BRP) niet is opgenomen bij de gegevens die mogen worden uitgewisseld voor proactieve dienstverlening, kunnen ook BRP-gegevens worden gebruikt. BRP-gegevens zijn niet opgenomen, omdat de verstrekking van die gegevens wordt gereguleerd door de Wet basisregistratie personen en onderliggende regelgeving. Artikel 37 van het Besluit basisregistratie personen bepaalt dat hier een autorisatiebesluit voor nodig is.
Wet algemene bepalingen burgerservicenummer
De SUWI-partijen gebruiken het burgerservicenummer (BSN) bij de uitwisseling van persoonsgegevens voor proactieve dienstverlening. Dat is gerechtvaardigd op grond van de artikelen 10 en 11 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Daarin is geregeld dat overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruik kunnen maken van het BSN. Dat is nodig om de verschillende persoonsgegevens die worden uitgewisseld in verband te brengen met de persoon op wie ze betrekking hebben en ook om de hoeveelheid persoonsgegevens die worden verwerkt te minimaliseren. Strikt genomen hoeft het BSN dus niet genoemd te worden in de bepalingen, maar om niet de indruk te wekken dat het BSN niet wordt verwerkt en om de transparantie richting de burger te vergroten is er toch voor gekozen om deze expliciet te vermelden.
Archiefwet
Dit besluit bevat voor de gegevensverwerkingen voor proactieve dienstverlening de gespecificeerde bewaartermijn van maximaal twaalf maanden (artikel 5a.10). De bewaartermijn is korter dan de bewaartermijnen in de selectielijsten van UWV, SVB en gemeenten onder de Archiefwet. Enerzijds is hiervoor is gekozen, omdat de gegevens binnen de SUWI-keten worden gebruikt. Anderzijds is dat nodig om de risico’s van negatieve gevolgen voor de betrokkenen te beperken.
Een belangrijke bron van gegevens voor proactieve dienstverlening zijn de gegevens waarover UWV, SVB en gemeenten al beschikken in hun administraties. Hiervoor gelden de selectielijsten onder de Archiefwet. Het gaat bijvoorbeeld om de polisadministratie van UWV waarin verzekerden tot zeven jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd staan geregistreerd. Als proactieve dienstverlening leidt tot een aanvraag of het verstrekken van een uitkering of voorziening, gelden de bewaartermijnen voor de reguliere dienstverlening op de selectielijsten onder de Archiefwet. Bijvoorbeeld, voor uitkeringen is de bewaartermijn vijf tot zeven jaar na beëindiging van de uitkering. Voor communicatie en advies is de bewaartermijn drie tot vijf jaar.
Gevolgen en uitvoering
Gevolgen voor regeldruk en doenvermogen
Met dit besluit krijgen burgers proactief toegespitst advies over inkomensondersteunende regelingen die betrekking hebben op hun persoonlijke situaties. Zij kunnen gefaciliteerd worden door een publieke dienstverlener bij het doen van een aanvraag. Burgers hoeven hierdoor niet meer zelf op te zoeken naar waar ze recht op hebben. Het faciliteren van meerdere aanvragen voor bijvoorbeeld AIO en kwijtschelding van lokale belastingen zorgt ervoor dat burgers maar een keer gegevens hoeven aan te leveren. Dit vermindert de regeldruk voor burgers. Zie paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting bij de Wet proactieve dienstverlening SZW voor een verdere toelichting.
Voor de Wet proactieve dienstverlening SZW is een doenvermogentoets gedaan, zie paragraaf 7.2. van de memorie van toelichting bij de wet. Hiervoor zijn ervaringen gebruikt van mensen met en zonder recht op een uitkering, onder wie ook mensen met een beperking. Proactieve dienstverlening kan een drempel wegnemen of verlagen voor mensen die door een samenloop van levensgebeurtenissen of stress een uitkering of voorziening niet gebruiken. De vormgeving van proactieve dienstverlening bepaalt in hoge mate de effectiviteit. Inzichten uit de doenvermogentoets zijn in dit besluit gebruikt om laagdrempelige en gepersonaliseerde communicatie mogelijk te maken. Het verder kunnen verwerken van persoonsgegevens over onder meer inkomen maakt een gericht aanbod van uitkeringen en voorzieningen mogelijk. UWV, de SVB en gemeenten houden ruimte om geschikte kanalen in te richten, zoals loketten, brieven en telefonisch. Voor mensen die geen prijs stellen op proactieve dienstverlening, geeft dit besluit het kader om zo eenvoudig mogelijk een opt-out te registreren. Met de samenwerking bij proactieve dienstverlening die dit besluit mogelijk maak, kunnen mensen over meerdere, al dan niet samenhangende, uitkeringen en voorzieningen worden geadviseerd.
Voor dit besluit is ook gebruik gemaakt van de bevindingen uit het signaal ‘Niet voor Mij’ van de Landelijke Cliëntenraad (LCR)34 en het ‘Prototype Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht’35, dat in opdracht van de ministeries van BZK en SZW is getest. De doenvermogentoets en deze rapporten helpen om de implementatie van proactieve dienstverlening door UWV, de SVB en gemeenten aan te laten sluiten op het doenvermogen van de doelgroepen, bijvoorbeeld met inzichten over welke communicatiemiddelen geschikt zijn om burgers proactief te benaderen, op welke manieren zij ondersteund kunnen worden bij het doen van een aanvraag en hoe burgers de opt-out ervaren.
Het signaal ‘Niet voor mij’ van de LCR laat zien dat burgers die zij gesproken hebben vaak te laat of onvoldoende hulp krijgen, en in een steeds kwetsbaardere positie terecht komen. Deze groep burgers is (langdurig) ziek en een aanzienlijk deel leeft al langer met een zeer beperkt inkomen. Vooral de (bijzondere) bijstand blijft vaak ongebruikt, maar ook bij UWV-uitkeringen is veel (tijdelijk) niet-gebruik te zien. Dit besluit richt zich onder meer op het proactief benaderen van burgers die (langdurig) ziek zijn. Het niet-gebruik is hoog bij uitkeringen die bepaalde kenmerken hebben: afhankelijk van het inkomen van de aanvrager of een aanvulling op het inkomen van burgers met een laag inkomen. Bij deze uitkeringen is de burger aan zet om informatie in te winnen en de aanvraag te doen en dat blijkt een (te) uitdagende opgave. Dit inzicht is gebruikt bij de keuze van de uitkeringen en voorzieningen waarop dit besluit zich richt. In het signaal benoemt de LCR drie oplossingen om het niet-gebruik terug te dringen:
Voorwaarden voor inkomensondersteuning aansluiten op de vraag en de behoefte van burgers;
Achteraf toekennen van bepaalde inkomensondersteunende voorzieningen;
Proactief benaderen van de doelgroep.
Dit besluit richt zich op het proactief benaderen. Daarbij is volgens het signaal het bevorderen van het gebruik van aanvraagprocedures nodig. Mensen geven aan dat zij onvoldoende geïnformeerd worden en dat het niet lukt om door digitale aanvraagformulieren heen te komen. Ook kunnen zij het aanvraagproces als vernederend ervaren en het aanleveren van informatie als een te grote inbreuk op hun privacy. Het signaal noemt als voorbeeld het koppelen van kenmerken om risicogroepen gericht te kunnen benaderen. Verder wijst het signaal op het belang van nazorg als een voorziening niet wordt toegekend. Dit besluit biedt ondersteuning bij het aanvragen van een uitkering of voorziening of de overstap naar een andere uitkering of voorziening. Het geeft ruimte onder meer inkomensgegevens te gebruiken voor een gepersonaliseerd hulpaanbod en het voorinvullen van aanvragen. Daarnaast geeft het besluit nieuwe mogelijkheden om via fysieke en digitale loketten mensen over meerdere uitkeringen en voorzieningen te informeren en te ondersteunen bij het aanvragen.
Met het Prototype Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht (PDR) is onderzocht hoe een digitaal loket, waarbinnen verschillende publieke dienstverleners samenwerken, ingezet kan worden om het niet-gebruik van uitkeringen en voorzieningen terug te dringen en de ervaren complexiteit te beperken (zie ook hoofdstuk 2). Dit digitale loket geeft een persoonlijk advies geeft over de lokale, regionale en landelijke uitkeringen en andere sociale voorzieningen waar iemand mogelijk recht op heeft. In eerste instantie, want het digitale loket zou ook voor andere overheidsdienstverlening gebruikt kunnen gaan worden. Het doel is zorgen dat burgers niet onnodig veel moeite hoeven te doen om aanspraak te maken op de dienstverlening waarop ze recht hebben.
In het onderzoek ligt de focus op werkende armen, met name alleenstaande ouders, die werkloos worden. Deze doelgroep loopt volgens het onderzoek tegen verschillende problemen aan. Deze mensen hebben vaak te maken met onzekerheid over hoeveel uren ze per maand werken, hoeveel inkomen zij hebben en in hoeverre recht zij hebben op aanvullende regelingen. Werkende armen maken vaak geen gebruik van regelingen waar ze recht op hebben. Uit het onderzoek blijkt dat respondenten het PDR als gebruiksvriendelijk ervaren. Een overzicht met regelingen waar zij recht op hebben vinden zij prettig en ze vertrouwen het advies. Het automatisch vooraf invullen van gegevens wordt als positief ervaren. Het onderzoeksrapport doet aanbevelingen om aan te sluiten bij het doenvermogen van de belanghebbende:
Gegevensbeheer: zorg voor actualiteit en correctheid van de gegevens en verminder de hoeveelheid handmatig in te vullen gegevens;
Verder verkennen met verschillende groepen, breder dan werkende armen en werkloos worden;
Functionaliteiten uitwerken, zoals opslaan van het advies en hulpfuncties zoals chatten of bellen;
Samenwerken met relevante overheidsorganisaties, onder meer op het vereenvoudigen van termen, zoals verzamelinkomen;
Geef prioriteit aan een mobiele versie, aangezien veel burgers voornamelijk hun telefoon gebruiken.
Dit besluit maakt mogelijk dat onder anderen mensen met wisselende en lage inkomsten advies kunnen inwinnen over verschillende uitkeringen en voorziening en ook hulp kunnen krijgen om aanvragen in te dienen. De persoonsgegevens die worden verwerkt komen uit officiële bronnen zoals de polisadministratie, wat de beste waarborg biedt voor actualiteit en correctheid. Het besluit geeft ruimte aan UWV, de SVB en gemeenten om verschillende communicatiekanalen te gebruiken: fysieke en digitale loketten, telefonisch en schriftelijk.
Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens
Om de risico’s voor privacy en veiligheid van gegevensverwerkingen voor proactieve dienstverlening te voorkomen of te verminderen worden maatregelen voorgeschreven en genomen. Artikel 5a.10 schrijft maatregelen voor. Een aantal maatregelen volgt direct uit de AVG en is niet in dit besluit opgenomen. Enkele worden hieronder verder toegelicht. Verder wordt verwezen naar paragraaf 7.4 (DPIA) van de memorie van toelichting bij de wet. Tabel 2 geeft schattingen van aantallen betrokkenen in verschillende doelgroepen over wie mogelijk persoonsgegevens worden uitgewisseld voor proactieve dienstverlening. Tussen de doelgroepen zit waarschijnlijk overlap. Daarom kunnen de aantallen niet worden opgeteld.
Tabel 2: Schattingen van aantallen betrokkenen in verschillende doelgroepen over wie mogelijk persoonsgegevens worden uitgewisseld voor proactieve dienstverlening.
| Doelgroep | Schatting aantal betrokkenen | Jaar en bron | Artikel |
|---|---|---|---|
| Mogelijk recht op AIO | 73.500 | 2023, CBS36 | 5a.2 |
| Afgewezen WIA, mogelijk recht op Participatiewet | 25.588 | 2024, UWV37 | 5a.3 |
| Afgewezen Wajong, mogelijk recht op Participatiewet | 5.680 | 2024, UWV38 | 5a.3 |
| Anw, mogelijk recht op Participatiewet | 21.313 | 2024, SVB39 | 5a.3 |
| Schatting niet-gebruik Participatiewet | 160.000 | 2021, NLA40 | 5a.3 |
| Mogelijk recht op kwijtschelding lokale belastingen | 130.000 tot 240.000 | Afgeleid van CBS41 | 5a.4 |
| Vordering bij UWV, mogelijk recht op schuldhulpverlening | 66.000 | 2024, CBS42 | 5a.5 |
| Vordering bij SVB, mogelijk recht op schuldhulpverlening | 21.000 | 2024, CBS43 | 5a.5 |
| Beslag op UWV-uitkering, mogelijk recht op schuldhulpverlening | 66.000 tot 78.000 | 2023/2024, SVB | 5a.5 |
| Beslag op SVB-uitkering, mogelijk recht op schuldhulpverlening | 8.000 tot 13.000 | 2023/2024, SVB | 5a.5 |
| Persoonlijk contact, mogelijk recht op schuldhulpverlening | 313 tot 9.000 | 2024, UWV | 5a.5 |
| Mogelijk recht op gemeentelijke minimaregelingen | 110.000 tot 400.000 | Afgeleid van CBS44 | 5a.6 |
| Mogelijk recht op tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek | 6.400 | Wet tijdelijke regeling alleenverdieners-problematiek45 | 5a.7 |
GeVS en BIDN
Voor de samenwerking tussen SUWI-partijen bij de sociale zekerheid is ICT-ondersteuning operationeel in de vorm van de Gezamenlijke elektronische Voorzieningen Suwi (GeVS) en dienstverlening door het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN). Deze voorzieningen worden voor zover mogelijk ook gebruikt bij proactieve dienstverlening, dan wel voorzieningen met een vergelijkbaar beschermingsniveau. Dit waarborgt dat proactieve dienstverlening aan de (AVG-)maatregelen voor veiligheid en privacy voldoet. Via beveiligde voorzieningen, zoals Suwinet Inlezen (GeVS) en DKD-inlezen (BIDN), kunnen de SUWI-partijen gegevens inzien of inladen in de ICT van de organisaties om te gebruiken voor proactieve dienstverlening. Het bestaande artikel 5.19 regelt dat de GeVS wordt benut voor de gegevensuitwisseling die nodig is om wettelijke taken uit te voeren, waaronder proactieve dienstverlening. Om dit zeker te stellen is in artikel 5a.10 over de technische en organisatorische maatregelen opgenomen dat de GeVS wordt benut voor proactieve dienstverlening. Artikel 5.19 regelt ook dat de informatievoorziening gericht is op de SUWI-partijen, derde partijen en de betrokkenen (burgers). Dit betekent niet dat voor proactieve dienstverlening altijd en alleen de GeVS wordt gebruikt. Ook de dienstverlening door het BIDN kan voor proactieve dienstverlening worden gebruikt. Om dit verder te verduidelijken voor het BIDN voegt dit besluit (onderdeel D) aan de taken van het BIDN (artikel 5.24) gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening toe (artikel 73b Wet SUWI). Verder is het mogelijk samen te werken met derden en informatievoorzieningen en ICT te combineren. Dit is geregeld in artikel 2.7 en het bestaande artikel 5.23 van het Besluit SUWI over het gebruik van de GeVS voor gegevensuitwisseling met derden, niet-SUWI-partijen. Andere voorzieningen kunnen nodig zijn om de GeVS en het BIDN aan te vullen, bijvoorbeeld om data in bulk uit te wisselen en bestandsvergelijkingen uit te voeren en daarvoor data te anonimiseren of te versleutelen. Hiervoor zijn Privacy Enhancing Technologies (PETs) beschikbaar. De ontwikkeling van ICT-voorzieningen bij proactieve dienstverlening zal in stappen gaan. Voor nieuwe ICT-voorzieningen maken de SUWI-partijen afspraken over onderlinge verantwoordelijkheden, het beschikbaar maken van nieuwe gegevens of in nieuwe combinaties, privacy, beveiliging, enz. Deze afspraken kunnen bijvoorbeeld in aansluit- en gebruiksvoorwaarden worden vastgelegd en kenbaar gemaakt, en geleidelijk bij UWV, SVB en gemeenten worden ingevoerd. De persoonsgegevens worden steeds uit de bron ingelezen. Hiermee wordt ook verzekerd dat steeds de meest actuele gegevens worden gebruikt.
Toegang, autorisatie en interne gegevensuitwisseling
Voor de privacy en beveiliging van digitale communicatie zal het vaak nodig zijn dat betrokkenen via DigiD met betrouwbaarheidsniveau substantieel toegang krijgen (Regeling betrouwbaarheidsniveau authenticatie elektronische dienstverlening, Wet digitale overheid). Voor de fysieke loketten geldt een identificatieplicht.
Gemeenten, UWV en SVB zijn zelf verantwoordelijk voor het autoriseren van medewerkers die bepaalde persoonsgegevens voor hun taken nodig hebben en ook voor het vastleggen en controleren van gegevensgebruik door geautoriseerde medewerkers. De organisaties zijn ook verantwoordelijk voor de beveiliging van de voorzieningen waarmee persoonsgegevens worden uitgewisseld, opgeslagen, ingelezen, gebruikt en anderszins verwerkt om bijvoorbeeld het recht op een uitkering of voorziening in te schatten. Autoriseren en beveiligen zijn noodzakelijke organisatorische en technische maatregelen om de persoonlijke levenssfeer te beschermen.
Voor proactieve dienstverlening is het nodig om gegevens uit te wisselen tussen gemeentelijke afdelingen en onderdelen of juist te combineren. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de samenwerking tussen de sociale dienst en de afdeling gemeentebelastingen om inwoners proactief kwijtschelding van lokale belastingen te kunnen aanbieden en andersom om inwoners die al kwijtschelding krijgen te informeren over de Participatiewet en gemeentelijke minimaregelingen. Andere voorbeelden zijn gegevens van maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of Jeugdzorg, die verder worden verwerkt om iemand een aanbod te doen van ondersteuning op grond van de Participatiewet en te helpen bij het aanvraagproces. Een derde voorbeeld betreft betalingsachterstanden die aanleiding kunnen zijn om iemand schuldhulpverlening aan te bieden, zoals een terug te betalen uitkering, achterstallige parkeerboete of een niet-betaalde eigen bijdrage Wmo. De wet en het besluit staan deze verdere verwerkingen van gegevens binnen organisatie dus toe, ervan uitgaande dat de nodige technische en organisatorische maatregelen zijn genomen om de privacy te beschermen.
Dat geldt ook voor taken die de gemeente heeft gemandateerd, gedelegeerd of uitbesteed, wat bijvoorbeeld bij schuldhulpverlening en re-integratie voorkomt. Bij mandaat blijft de gemeente zelf bevoegd om de bevoegdheden uit te oefenen en ook verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens. De feitelijk uitvoerende partij wordt voor de AVG aangemerkt als verwerker voor de gemeente. Voor mandaatconstructies geldt daarom, dat de gegevens die de uitvoerende partij verzamelt voor de uitvoering van de betreffende gemeentelijke taak, door de gemeente verder mogen worden verwerkt voor proactieve dienstverlening.
Bij gemeenschappelijke regelingen gaan twee of meer gemeenten de uitvoering van bepaalde taken gezamenlijk doen. Dat kan in de vorm van een geheel nieuwe rechtspersoon, of in bijzondere gevallen een gemeenschappelijk orgaan (art. 8 Wet gemeenschappelijke regelingen). Daarbij worden bevoegdheden van deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling overgedragen (art. 30 Wet gemeenschappelijke regelingen). Als de gemeente de bevoegdheid heeft overgedragen, dan is de gemeenschappelijke regeling de verwerkingsverantwoordelijke. De gemeenschappelijke regeling heeft voor het verstrekken van gegevens aan de gemeente een geldige rechtsgrondslag nodig. Dat kan een overeenkomst of de gemeenschappelijke regeling zelf zijn, waar in ook andere technische en organisatorische maatregelen opgenomen kunnen zijn om de privacy te beschermen.
De voorwaarden voor proactieve dienstverlening zijn wat dat betreft hetzelfde als bij reguliere dienstverlening. Voor gegevensuitwisselingen is het nodig dat de noodzaak steeds duidelijk is en dat voldaan wordt aan de andere normen die voortvloeien uit internationale regelgeving, zoals de AVG. Als in eerste instantie twijfel bestaat over de meerwaarde van een gegevensverwerking, kan dit met een experiment worden getoetst. De wet en dit besluit stellen geen eisen aan onderzoek met eigen gegevens. De bepalingen over experimenten in de wet en dit besluit gaan over gegevensuitwisselingen tussen SUWI-partijen voor experimenten.
Bewaartermijnen
Dit besluit bevat voor de gegevensverwerkingen voor proactieve dienstverlening de gespecificeerde bewaartermijn van maximaal twaalf maanden (artikel 5a.10). Deze bewaartermijn is uit oogpunt van privacy en veiligheid gesteld. De bewaartermijn geldt voor gegevensuitwisselingen tussen SUWI-partijen onderling en met andere organisaties. De bewaartermijn is korter dan de bewaartermijnen in de selectielijsten van UWV, SVB en gemeenten onder de Archiefwet. Enerzijds is hiervoor is gekozen, omdat de gegevens binnen de SUWI-keten worden gebruikt. Anderzijds is dat nodig om de risico’s van negatieve gevolgen voor de betrokkenen te beperken. De gegevens gaan over mensen die mogelijk financiële problemen hebben. Dat is op zich een gevoelig gegeven met risico’s voor de persoonlijke levenssfeer. Het is ook de reden om snel hulp aan te bieden. Maximaal binnen twaalf maanden, maar liever sneller, ook omdat een zinvol hulpaanbod op de actuele situatie van mensen gebaseerd moet zijn. Voor de uitvoerbaarheid is wel enige tijd nodig, bijvoorbeeld om de proactieve dienstverlening in een gerichte communicatiecampagne in te passen. Als de betrokkenen zijn geïnformeerd of een aanvraag of hulpvraag hebben gedaan worden de gegevens vernietigd. Dan stopt de dienstverlening, respectievelijk start de reguliere dienstverlening met eigen mogelijkheden en voorwaarden voor gegevensuitwisseling.
Gegevensregisters
UWV/BKWI en het BIDN verantwoorden zich met gegevensregisters over de categorieën van persoonsgegevens die worden uitgewisseld binnen de SUWI-keten (artikel 5.20 en 5.24 van het Besluit SUWI, in samenhang met artikel 6.2 van de Regeling SUWI). Het doel is transparantie en verantwoording. De gegevensregisters zijn de invulling van de verplichting uit de AVG om in een verwerkingsregister informatie te geven over de persoonsgegevens die worden verwerkt. De gegevensregisters worden geactualiseerd voor proactieve dienstverlening en zijn openbaar. Dit draagt bij aan de voorzienbaarheid van proactieve dienstverlening. Voor een aantal gegevensuitwisselingen voor proactieve dienstverlening die dit besluit mogelijk maakt, geven de gegevensregisters een verdere specificatie. Bijvoorbeeld als contactgegevens mogen worden uitgewisseld, geven de gegevensregisters aan of dat adresgegevens zijn of ook telefoonnummers en of dit voor de verschillende vormen van proactieve dienstverlening verschilt.
Gevolgen voor de uitvoering
Het besluit is voor uitvoeringstoetsen voorgelegd aan UWV (waaronder begrepen het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (verder: BKWI)), de SVB, VNG en BIDN. Daarbij is aandacht gevraagd voor het vooraf invullen van aanvraagformulieren, het gecombineerd aanvragen van uitkeringen en voorzieningen en een acceptabele omvang van experimenten met proactieve dienstverlening. Ook is aandacht gevraagd voor het versterken van de samenwerking tussen de SUWI-partijen en de samenwerking met derden. Ten slotte is aandacht gevraagd voor de uitvoerbaarheid van proactieve dienstverlening op kleinere schaal met minder uitkeringen en voorzieningen. Hieronder worden de toetsen per organisatie samengevat weergegeven.
SVB
De SVB beoordeelt het besluit als uitvoerbaar. De SVB ziet het als haar kerntaak om burgers te voorzien in bestaanszekerheid en omarmt de proactieve benadering en de ondersteuning richting de burger die het besluit mogelijk maakt. De SVB heeft een inschatting gemaakt van de impact op de processen, systemen en kosten (zie ook 11. Financiële gevolgen). Deze inschatting kan wijzigen, afhankelijk van de keuzes die de SUWI-partijen nog gaan maken over samenwerking bij proactieve dienstverlening. Omdat de SVB al gegevens uitwisselt met gemeenten voor de sociale zekerheid en hiervoor al voorzieningen van BIDN beschikbaar zijn, verwacht de SVB geen effect op de uitvoerbaarheid van proactieve dienstverlening op een grotere of kleinere schaal. De SVB steunt de mogelijkheid om gegevens van de gemeente te ontvangen over inwoners die naar verwachting recht hebben op een uitkering of voorziening die de SVB kan verstrekken. Daarbij vindt de SVB het belangrijk dat duidelijk is waarop de gemeente de inschatting baseert. De SVB vindt het ook belangrijk dat het besluit met andere gegevens en gegevensbronnen kan worden uitgebreid, bijvoorbeeld de Belastingdienst. Dat is nodig om de effectiviteit van proactieve dienstverlening te kunnen blijven verbeteren. Experimenten met proactieve dienstverlening kunnen helpen om de effectiviteit te verbeteren. Er zou geen maximum moeten gelden voor aan het aantal betrokkenen (cliënten/burgers) bij een experiment. Leidend moet zijn hoeveel betrokkenen deel moeten nemen om onderbouwde conclusies te kunnen trekken. De SVB stelt verduidelijkingen voor van de artikelen en toelichting over onder meer proactieve dienstverlening bij AIO, Participatiewet en schuldhulpverlening.
Mede naar aanleiding van de uitvoeringstoets van de SVB is in artikel 5a.2 duidelijker opgenomen dat gemeenten gegevens kunnen verstrekken over inwoners die mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening die de SVB verstrekt. In de toelichting is duidelijker opgenomen dat het besluit anticipeert op toenemende mogelijkheden voor ICT-ondersteuning bij proactieve dienstverlening en dat voor de realisatie de SUWI-partijen de ketensamenwerking onderling en met derden zullen versterken. Het besluit kan in de toekomst mede naar aanleiding van resultaten van experimenten worden aangepast, zie ook hoofdstuk 1 (Opzet en inhoud van dit besluit). Verder zijn naar aanleiding van opmerking van de SVB verduidelijkingen aangebracht in een aantal artikelen en de toelichting.
UWV (inclusief BKWI)
UWV beoordeelt het besluit als uitvoerbaar, mits er voldoende financiële ruimte is en gesignaleerde juridische risico’s tot een beheersbaar niveau kunnen worden teruggebracht. UWV heeft een kostenraming gemaakt voor nieuwe vormen van proactieve dienstverlening (zie ook 11. Financiële gevolgen). Juridische risico’s ziet UWV bij het faciliteren van de aanvraag als onvoldoende duidelijk is dat het doen van de aanvraag de keuze van de betrokkene blijft. Ook het verstrekken van gegevens door de betrokkene van de betrokkene zelf en over de partner of medebewoner zou vrijwillig moeten zijn. Specifiek voor proactieve dienstverlening bij de WW (artikel 5a.1) vraagt UWV of de grondslag voor het verstrekken van gegevens door derden, zoals werkgever, in dit besluit voldoende is nu een grondslag in de WW zelf hiervoor ontbreekt. Om de uitvoerbaarheid van samenwerking bij proactieve dienstverlening (artikel 2.7) en van experimenten (artikel 5a.8) te kunnen beoordelen is een concretisering nodig van de beoogde dienstverlening en de gewenste experimenten. Om met een experiment te kunnen beoordelen of een vorm van proactieve dienstverlening zinvol is, moet het aantal deelnemers voldoende representatief zijn voor de doelgroep. Een in regelgeving vastgelegd maximumaantal deelnemers is daarom niet verstandig.
Het gegevensknooppunt BKWI, onderdeel van UWV, heeft een voorstel voor keteninformatisering om het adviseren van mensen over relevante uitkeringen en het faciliteren van het doen van een aanvraag voor de hele sociale zekerheid te kunnen doen in plaats van per SUWI-partij. Hiermee kan onder meer artikel 2.7 over samenwerking bij proactieve dienstverlening worden geïmplementeerd. UWV heeft voorzieningen voor het vooraf invullen van aanvragen die, afhankelijk van het beoogde doel, breder kunnen worden gebruikt. UWV werkt al samen met niet-SUWI-partijen. Voor proactieve dienstverlening kan de samenwerking mits onderzocht en afgestemd in de SUWI-keten worden uitgebreid.
In reactie op de opmerking over het faciliteren van de aanvraag is het belangrijk te benadrukken dat het doen van de aanvraag de keuze van de burger blijft. Het doen van een aanvraag is bestaande, reguliere dienstverlening. Met proactieve dienstverlening kan UWV uit eigen beweging mensen adviseren over relevante uitkeringen en het doen van de aanvraag faciliteren door de aanvraag bijvoorbeeld zoveel mogelijk vooraf ingevuld aan te bieden aan mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering. Als mensen geen prijs op stellen op een aanbod, kunnen zij om een opt-out vragen. Dit geldt voor de direct betrokkene. Het geldt niet voor derden zoals de partner, want met derden wordt geen contact gezocht in het kader van proactieve dienstverlening. Voor proactieve dienstverlening kan het wel nodig zijn persoonsgegevens te verwerken van personen die deel uitmaken van het huishouden van de betrokkene om in te schatten of het totale inkomen aan de inkomensgrens van een uitkering voldoet. Derden kunnen gebruik maken van de gebruikelijke AVG-rechten, onder meer rectificatie (artikel 16 AVG) en bezwaar (artikel 21 AVG).
Het juridische risico van onvoldoende grondslag voor het verstrekken door derden, zoals werkgevers, van gegevens voor proactieve dienstverlening van de WW is ondervangen door dit besluit te baseren op artikel 54 van de Wet SUWI en het nieuwe artikel 73b, tweede lid, van de Wet SUWI. Dit besluit is een specificatie van de verstrekkers en de gegevens. De Wet SUWI voorziet in de grondslagen voor gegevensverwerking van een groot aantal socialezekerheidswetten, die grondslagen vervangen in de wetgeving voor een specifieke uitkering.
Het ministerie van SZW ondersteunt de uitvoering van het voorstel van BKWI voor versterking van de ketensamenwerking en gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening.
VNG
De VNG wijst erop dat de SUWI-partijen onderling van elkaar afhankelijk zijn voor een goede uitvoering van proactieve dienstverlening. Daarom zijn gezamenlijke afspraken nodig over onder meer hergebruik van bestaande informatievoorzieningen, inschattingen vooraf van het aantal inwoners over wie gegevens worden verstrekt, periodieke verstrekking van lijsten met inwoners die mogelijk recht hebben op hulp en samenwerking met softwareleveranciers. Gemeenten willen niet op voorhand uitkeringen en voorzieningen uitsluiten van proactieve dienstverlening. Een gefaseerde implementatie ligt wel voor de hand, stapsgewijs op basis van experimenten en praktijkervaring. Gemeenten verwachten dat inwoners slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik zullen maken van de opt-out. Toch zijn ook over de opt-out landelijke afspraken nodig, bijvoorbeeld over toegankelijke communicatie en de gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening als een inwoner een opt-out heeft. De VNG pleit voor een landelijke programmatische aanpak voor de implementatie en uitvoering.
Volgens de VNG zijn de voorgestelde mogelijkheden voor gegevensuitwisseling op onderdelen nog onvoldoende. Bij gegevensverstrekking vanuit UWV en de SVB aan gemeenten voor proactieve dienstverlening bij de Participatiewet moet duidelijk zijn wat de aanleiding is. Verder is informatie nodig over de samenstelling van het huishouden en het inkomen en vermogen van het huishouden. Voorts benoemen gemeenten het risico dat de gegevens die UWV en de SVB kunnen verstrekken te beperkt zijn om goed vast te kunnen stellen of de betreffende inwoner mogelijk recht heeft op een uitkering of voorziening. Daarom pleit de VNG voor de mogelijkheid om meer onderzoek te doen naar aanleiding van de gegevens van UWV of de SVB, voorafgaand aan het benaderen van de inwoner.
Het faciliteren van de aanvraag met vooraf ingevulde aanvraagformulieren zien gemeenten als goed uitvoerbaar. Gemeenten kunnen dat zelf in samenwerking met softwareleveranciers inrichten. De voorwaarde is dat voldoende gegevens beschikbaar komen om vooraf in te vullen, zoals inkomensgegevens. Voor proactieve dienstverlening bij kwijtschelding van lokale belastingen is een toets vooraf nodig of inwoners in aanmerking kunnen komen. Daarnaast is belangrijk dat gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening ook mogelijk is als gemeenten taken hebben uitbesteed aan een gemeenschappelijke regeling of een andere externe partij.
VNG heeft een inschatting gemaakt van de structurele kosten voor gemeenten van proactieve dienstverlening (zie hoofdstuk 11. Financiële gevolgen). De VNG vraagt een financieel en wettelijk kader dat meegroeit met de stapsgewijze uitwerking en implementatie gebaseerd op praktijkervaring en voortschrijdend inzicht.
De opmerkingen van de VNG over de gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening hebben geleid tot aanpassingen in de artikelen en toelichting van het besluit. UWV en de SVB kunnen op grond van artikel 5a.3 in verschillende situaties besluiten om gegevens te verstrekken voor proactieve dienstverlening bij de Participatiewet:
Betrokkene ontvangt een aanvulling op grond van de Toeslagenwet;
Betrokkene is afgewezen voor een uitkering van UWV of de lopende uitkering vanuit UWV eindigt binnenkort;
Betrokkene ontvangt een uitkering of heeft die aangevraagd op grond van de Anw;
Betrokkene ontvangt AIO;
Betrokkene heeft volgens de polisadministratie een laag inkomen.
Deze situaties zijn in artikel 5a.3 helder afgebakend. Bij het verstrekken van de persoonsgegevens aan gemeenten, hoeven UWV en de SVB zich niet te beperken tot de persoonsgegevens die zijn opgesomd, maar kunnen zij met gemeenten afspreken dat de toepasselijke situatie wordt vermeld.
De gegevens die volgens de consultatieversie door UWV verstrekt mogen worden voor proactieve dienstverlening bij de Participatiewet zijn naam, contactgegevens en burgerservicenummer. Voor het vooraf invullen van de aanvraag door de gemeente blijken dit te weinig gegevens om inwoners voldoende te ontlasten. Daarom is toegevoegd dat de inkomensgegevens zelf ook verstrekt mogen worden. Om te kunnen beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor bijstand heeft de gemeente ook inkomensgegevens nodig van personen die deel uitmaken van het huishouden. Dat is verduidelijkt in artikel 5a.3.
Het is belangrijk te realiseren dat UWV al de aanvraag van algemene bijstand faciliteert op grond van artikel 30c Wet SUWI. De wet voegt daaraan de bevoegdheid toe dat UWV de aanvraag van andere ondersteuning op grond van de Participatiewet faciliteert. De extra mogelijkheden voor gegevensuitwisseling, die naar aanleiding van de uitvoeringstoets van VNG zijn toegevoegd, zijn relevant voor proactieve dienstverlening bij de Participatiewet door gemeenten zelf.
In reactie op de opmerking dat de door UWV en de SVB verstrekte gegevens te beperkt kunnen zijn, wordt erop gewezen dat gemeenten de bevoegdheid hebben om aanvullend onderzoek te doen op basis van artikel 73b, eerste lid, van de wet. Naast het ontvangen van gegevens van UWV en de SVB op basis van dit besluit, zijn gemeenten bevoegd om gegevens die zij hebben verzameld voor andere doeleinden verder te verwerken ten behoeve van proactieve dienstverlening. Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar bestaan, en dus gelijktijdig worden toegepast. In de praktijk kan dit betekenen dat gemeenten gegevens, die zij ontvangen van UWV of de SVB, eerst verrijken met gegevens in de eigen administraties alvorens zij tot contact met de betrokkene overgaan. Omgekeerd kan ook informatie die is verkregen uit het onderzoeken van ‘interne’ gegevens, eerst worden verrijkt, door UWV of de SVB te verzoeken om een of meer aanvullende gegevens die in dit besluit zijn aangewezen, voordat zij contact met de belanghebbende opnemen. Deze handelswijze vergroot de kans dat de betrokkene daadwerkelijk recht blijkt te hebben, en verkleint dus het risico op teleurstellingen.
Naar aanleiding van uitvoeringstoets van de VNG is ook de toelichting op de opt-out aangevuld. In lijn met de uitvoeringstoets van de VNG wordt het mogelijk voorafgaand aan de aanvraag te toetsen of een inwoner mogelijk recht heeft op kwijtschelding van lokale belastingen. Deze toets zal minder uitgebreid zijn en er mogen minder persoonsgegevens worden verwerkt dan de toets van een ingediende aanvraag. Dat verschil is gerechtvaardigd, omdat voorafgaand aan de aanvraag minder gegevens over de betreffende inwoner bekend zijn en omdat de inwoner vaak nog niet geïnformeerd is. De regels voor het mandateren, delegeren en uitbesteden van proactieve dienstverlening zijn niet anders dan voor reguliere dienstverlening. Dat hoeft daarom geen belemmering voor de gegevensverwerking te zijn, op voorwaarde dat de organisaties afdoende technische en organistische maatregelen voor de privacy en veiligheid nemen. Paragraaf 10.2 (Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens) gaat daarop in. In lijn met de uitvoeringstoets van de VNG is een landelijk gecoördineerde implementatie en uitvoering voorzien, waarbij de ketensamenwerking van de SUWI-partijen wordt versterkt en gefaciliteerd door de gegevensknooppunten BKWI en BIDN. De keten kan bijvoorbeeld afspraken maken over de frequentie en de hoeveelheid gegevensuitwisseling die nodig is voor een doeltreffende proactieve dienstverlening. De afspraken kunnen bijvoorbeeld worden uitgewerkt en verspreid met handreikingen over de interne en externe gegevensuitwisseling in het kader van proactieve dienstverlening.
BIDN
Het BIDN kan gemeenten ondersteunen bij het gecombineerd aanvragen, ook als dat uitkeringen en voorzieningen van verschillende SUWI-partijen zijn, bijvoorbeeld van SVB in combinatie met een gemeente. BIDN is beschikbaar om daartoe een experiment te starten. BIDN kan gemeenten ook ondersteunen bij het vooraf invullen van aanvraagformulieren voor inwoners voor zover de gevraagde gegevens actueel beschikbaar zijn. BIDN is beschikbaar om bij te dragen aan de samenwerking tussen de SUWI-partijen bij proactieve dienstverlening onderling en met derden, bijvoorbeeld voor digitale loketten en nieuwe gegevensuitwisselingen. De uitbreiding van activiteiten van BIDN vereist extra capaciteit en expertise.
Naar aanleiding van de uitvoeringstoets van BIDN over dit besluit en de eerdere uitvoeringstoets van BIDN over de wet zijn middelen beschikbaar gemaakt voor ICT-ondersteuning van proactieve dienstverlening door BIDN.
Nederlandse Arbeidsinspectie
De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) houdt toezicht op de uitvoering van de Wet SUWI door UWV, de SVB en gemeenten (stelseltoezicht, hoofdstuk 7 Wet SUWI). De NLA heeft daarom een toezichtbaarheidstoets op het ontwerp verricht. De uitkomst is dat de NLA geen aanleiding ziet voor opmerkingen over de toezichtbaarheid.
Financiële gevolgen
Waar de Wet proactieve dienstverlening SZW het mogelijk maakt voor het UWV, de SVB en gemeenten om proactieve dienstverlening toe te passen bij de uitvoering van hun wettelijke taken, maakt dit besluit het mogelijk om gegevens uit te wisselen tussen SUWI-organisaties en derden om regelingen proactief te kunnen aanbieden. Het delen van specifieke gegevens kan het bereik van en de dienstverlening voor de burger verbeteren. Zowel de wet als het besluit zullen leiden tot een toename van uitkeringslasten en uitvoeringskosten.
Uitkeringslasten
Om de toename in uitkeringslasten te berekenen is er rekening gehouden met een viertal variabelen:
Totale uitgaven aan uitkeringslasten per jaar van één specifieke uitkering.
Het niet-gebruik als percentage van de totale uitkeringslasten per jaar van één specifieke uitkering. De groep niet-gebruikers is veelal niet in beeld waardoor het lastig is om te bepalen hoe groot deze groep is. Om dit percentage te bepalen is daarom gebruik gemaakt van beschikbaar onderzoek46 en de ontwikkeling van de bevolkingsgroei.
De effectiviteit van de interventie uitgedrukt als percentage van de totale uitgaven. Het aantal niet-gebruikers dat uiteindelijk gebruik gaat maken van de uitkering bepaalt de effectiviteit van de interventie. Dit percentage is bepaald op basis van bestaande pilots.47
De gemiddelde uitkering. Over het algemeen betreft dit 100% van de uitkering, maar in een aantal gevallen, is uitgegaan van een lagere gemiddelde uitkering.
Aansluitend, is een ingroeipad van vier jaar gehanteerd.
Toename uitkeringslasten = 𝑈𝑖𝑡𝑔𝑎𝑣𝑒𝑛 ∗ 𝑁𝑖𝑒𝑡𝑔𝑒𝑏𝑟𝑢𝑖𝑘 ∗ 𝐸𝑓𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑛𝑡𝑒𝑟𝑣𝑒𝑛𝑡𝑖𝑒 ∗ 𝐺𝑒𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑢𝑖𝑡𝑘𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 |
|---|
Hoofdstukken 3, 4 en 5 beschrijven voor welke uitkeringen en voorzieningen dit besluit de gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening mogelijk maakt. Per uitkering en voorziening is gebruik gemaakt van bovenstaande formule en is de toename in uitkeringslasten berekend. In totaal leidt het wetsvoorstel en het conceptbesluit proactieve dienstverlening tot een toename van de uitkeringslasten van € 66,6 miljoen structureel. In tabel 3 is weergegeven wat de toename in uitkeringslasten per regeling is.
Tabel 3: Geraamde uitkeringslasten, invoering per 1 januari 2027 (prijspeil 2026)
| X mln. | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Struc. |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Wetsvoorstel | 0 | 5,1 | 10,1 | 15,2 | 20,3 | 20,3 | 20,3 |
| TW | 0 | 5,1 | 10,1 | 15,2 | 20,3 | 20,3 | 20,3 |
| Besluit | 0 | 10,7 | 21,9 | 33,8 | 45,8 | 46,3 | 46,3 |
AIO Algemene bijstand Bijzondere bijstand* Studietoeslag* |
0 0 0 0 |
0,4 6,8 3,2 0,4 |
0,8 13,9 6,5 0,7 |
1,2 21,9 9,7 1,1 |
1,5 29,9 12,9 1,4 |
1,5 30,4 12,9 1,4 |
1,5 30,4 12,9 1,4 |
| Totaal | 0 | 15,8 | 32,0 | 49,0 | 66,1 | 66,6 | 66,6 |
* Vanwege ontbrekende dekking zal het besluit nog niet in werking treden voor deze regelingen.
Uitvoeringskosten
Uit de uitvoeringstoetsen van de SVB, UWV (inclusief BKWI), VNG en BIDN blijkt dat zij extra uitvoeringskosten verwachten voor het proactiever maken van de dienstverlening.
De SVB raamt in hun uitvoeringstoets incidentele en structurele uitvoeringskosten voor het proactief aanbieden van de AIO. Om te onderzoeken welke huishoudens op dit moment potentieel recht hebben op de AIO schat de SVB de incidentele uitvoeringskosten op € 2,08 miljoen op het moment dat zij hiermee starten. Deze schatting is gebaseerd op de eerste pilot met UWV om het niet-gebruik van AIO tegen te gaan. Daarnaast schat de SVB in € 0,25 miljoen per jaar nodig te hebben om te onderzoeken wie recht heeft op AIO.
UWV schat de incidentele uitvoeringskosten op € 3,9 miljoen voor het jaar 2026. UWV heeft een uitvoeringstoets uitgebracht op basis van een groslijst met initiatieven. Deze reikt verder dan de uitkeringen en voorzieningen, waarvoor dit besluit gegevensuitwisseling mogelijk maakt. UWV schat de structurele uitvoeringskosten op € 6,4 miljoen in 2026 oplopend naar € 32 miljoen in 2032 afhankelijk van de vormen van proactieve dienstverlening, die in de toekomst kunnen worden gekozen. Voor de vormen van proactieve dienstverlening die de wet en dit besluit mogelijk maken zijn middelen beschikbaar: Toeslagenwet, WW en faciliteren naar gemeentelijke schuldhulpverlening. Via monitoring en evaluatie worden de kosten gevolgd.
BKWI faciliteert de ketensamenwerking en het uitwisselen van gegevens door de SUWI-partijen om proactieve dienstverlening in te zetten. Dit doet BKWI door het realiseren van gezamenlijke elektronische voorzieningen die de benodigde gegevensuitwisseling mogelijk maken. BKWI raamt in hun uitvoeringstoets incidentele kosten van € 4,3 miljoen verspreid over de jaren 2025 t/m 2027, en structurele kosten van € 1,6 miljoen vanaf 2028. In overleg is gekozen op kleinere schaal te starten en eventuele benodigde uitbreiding via monitoring te volgen.
VNG schat in de uitvoeringstoets de structurele uitvoeringskosten voor gemeenten bij een brede toepassing van proactieve dienstverlening op ongeveer €19 miljoen per jaar. Met name het aantal gegevens dat gemeenten jaarlijks kunnen ontvangen voor proactieve dienstverlening is bepalend voor de uitvoeringskosten. Het bepaalt het aantal inwoners aan wie hulp aangeboden kan worden en dat beïnvloedt het gebruik van uitkeringen en voorzieningen. In welke mate gemeenten aan de slag gaan met proactieve dienstverlening beïnvloedt ook de kosten. Zij hebben keuzevrijheid, omdat proactieve dienstverlening een bevoegdheid is en geen verplichting. Andersom beïnvloedt het beschikbare budget in welke mate gemeenten met proactieve dienstverlening aan de slag kunnen gaan.
De VNG heeft daarnaast een schatting gemaakt van incidentele kosten voor landelijke ondersteuning van de implementatie ten bedrage van € 6,1 miljoen verspreid over drie jaar. In overleg wordt een keuze gemaakt voor het tempo en de prioritering en de daarvoor benodigde middelen.
Het BIDN heeft ramingen gemaakt voor de extra uitvoeringskomsten om gemeenten te ondersteunen bij proactieve dienstverlening ter grootte van € 0,5 miljoen per jaar. Daarnaast verwachten zij incidenteel € 0,2 miljoen nodig te hebben voor de realisatie van voorzieningen en begeleiding van pilots met gemeenten.
Dekking
In de voorjaarsnota van 2024, 2025 en 2026 zijn middelen gereserveerd voor de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten van proactieve dienstverlening.48, 49 Voor de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten van proactieve dienstverlening bij de bijzondere bijstand en de studietoeslag is geen dekking beschikbaar. Daarom is ervoor gekozen om artikel 5a.3 van dit besluit, inzake de Participatiewet, in eerste instantie alleen in werking te laten treden in een vorm die proactieve dienstverlening voor de algemene bijstand mogelijk maakt. Artikel I, onderdeel F, wijzigt artikel 5a.3 zodra er dekking is: op dat moment wordt ook proactieve dienstverlening voor bijzondere bijstand en de studietoeslag mogelijk, met inbegrip van de gegevensuitwisseling voor deze uitkeringen en voorzieningen (zie ook hoofdstuk 14 over inwerkingtreding).
In sommige gevallen zijn de geraamde middelen niet overeenkomstig de uitvoeringstoetsen. Dit is hoofdzakelijk te verklaren doordat de uitvoeringstoetsen een impactanalyse bevatten die verder reikt dan dit besluit. Zo heeft UWV een lijst van ongeveer 50 mogelijke vormen van proactieve dienstverlening. Daarnaast is de VNG in hun uitvoeringstoets uitgegaan van volledige implementatie van het besluit bij alle gemeenten. Met evaluatie en monitoring worden de kosten gevolgd.
Gezien de discretionaire bevoegdheid dekt dit besluit niet de inkomensderving vanwege het proactief aanbieden van kwijtschelding van gemeentelijke belasting en de extra uitgaven aan gemeentelijke minimaregelingen als gevolg van het toepassen van proactieve dienstverlening. Deze voorzieningen vallen onder de Gemeentewet. Gemeenten hebben de autonomie om zelf de afweging te maken hoe intensief zij voor deze voorzieningen proactieve dienstverlening willen inzetten.
Consultatie
Voor zover niet eerder besproken, komen hieronder de adviezen en reacties aan bod die zijn verkregen naar aanleiding van een gerichte adviesvraag aan de genoemde partijen en naar aanleiding van de internetconsultatie van dit voorstel.
Landelijke cliëntenraad
De landelijke cliëntenraad (hierna: LCR) vertegenwoordigt de belangen en behoeften van burgers in de sociale zekerheid. Om deze belangen mee te nemen bij de vormgeving van dit besluit is de LCR om advies gevraagd. Aanvullend is verzocht om de volgende drie vragen mee te nemen in de burgertoets:
Wat zijn geschikte communicatiemiddelen om mensen proactief te benaderen?
Wat zijn geschikte manieren om mensen, met name mensen die minder digitaal vaardig, zijn te ondersteunen bij het indienen van een aanvraag?
Sluiten de fysieke en digitale loketten aan bij het doenvermogen van mensen?
Op de vragen 1 en 2 geeft de LCR aan dat de geschiktheid van communicatiemiddelen afhangt van de specifieke boodschap en situatie. Aangeraden wordt dat burgers in ieder geval actief en persoonlijk worden benaderd. Als burgers minder digitaal vaardig zijn wordt hulp bij het (vooraf) invullen van een formulier aangeraden en eventuele ondersteuning door een cliëntondersteuner. Op vraag 3 wordt positief geantwoord, met als aandachtspunt dat mensen wel de weg naar het loket moeten kunnen vinden. Dat vraagt om een actieve benadering, mogelijk via diverse dienstverleners of organisaties.
De LCR steunt het besluit en onderschrijft de uitgangspunten van proactieve dienstverlening; zij kunnen bijdragen aan de bestaanszekerheid. De LCR benadrukt dat proactieve dienstverlening voor alle regelingen moet worden toegepast en zij zijn voorstander van een verdere uitbreiding naar ook andere soorten voorzieningen. In de burgertoets worden daarbij wel enkele kritische kanttekeningen meegegeven:
De LCR geeft aan zorgen te hebben dat de beleidsvrijheid van gemeenten kan leiden tot verschillen en raadt een duidelijke opdracht aan.
Ten aanzien van de opt-out wordt aangegeven dat dit per specifieke voorziening mogelijk moet zijn en dat de geldigheidsduur verder beperkt zou moeten worden.
De LCR adviseert voorts om kwijtschelding van lokale belastingen en gemeentelijke minimaregelingen ambtshalve toe te kennen.
Wat betreft de experimenteerbepaling vraagt de LCR zich af of al eerder dan na 4 jaar duidelijkheid kan worden gegeven over de noodzaak van datagebruik. Om burgers vooraf meer zekerheid te geven, zou een maximumaantal deelnemers kunnen worden vastgesteld.
Tot slot geeft de LCR aan dat gegevens voor proactieve dienstverlening nooit in het nadeel van een burger worden gebruikt. Voorgesteld wordt een bepaling van deze strekking toe te voegen.
De antwoorden van de LCR zijn meegenomen bij de vormgeving van dit besluit. Zoals onder andere beschreven staat in hoofdstuk 2, beschikken SUWI-partijen over de kennis en ervaring om het niet-gebruik door burgers tegen te gaan. Uitgangspunten hierbij zijn dat mensen persoonlijk en gericht worden geïnformeerd. Door de SUWI-partijen worden de middelen ingezet die passend zijn gelet op het doenvermogen van de doelgroep. Het besluit gaat bewust uit van de discretionaire bevoegdheid van SUWI-partijen. Zie voor een toelichting op dit punt paragraaf 3.4.2 van de memorie van toelichting bij de Wet proactieve dienstverlening SZW.50 Verder wordt een invoeringstoets uitgevoerd en wordt de wet binnen vijf jaar geëvalueerd. Daarbij worden ook mogelijke verschillen onderzocht, en zo nodig wordt hierop bijgestuurd.
Zie paragraaf 7 voor een onderbouwing van de gekozen vormgeving van de opt-out (waarborgen voor gegevensbescherming bij proactieve dienstverlening). Ambtshalve toekenning heeft de aandacht, maar valt buiten dit besluit. Voor een verdere toelichting, zie paragraaf 3.4.3, onder 2, van de memorie van toelichting bij de Wet proactieve dienstverlening SZW.51 Artikel 5a.8 over de experimenteerbepaling is aangepast, mede naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (zie de volgende paragraaf). De duur van het onderzoek is ten hoogste drie jaar, waarbij altijd het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Een korter onderzoek is dus geboden, als de noodzaak voor een langer onderzoek niet kan worden onderbouwd. Ook is in het tweede lid als waarborg toegevoegd dat het onderzoek op een zo beperkt mogelijke schaal moet worden uitgevoerd.
De Wet proactieve dienstverlening SZW en dit besluit onderschrijven het uitgangspunt dat proactieve dienstverlening nooit in het nadeel van een burger gebruikt mag worden. De wet heeft waarborgen ingebouwd om burgers te beschermen tegen negatieve effecten op bestaanszekerheid en participatie. Zie onder andere de toelichting bij artikel 10b, eerste lid, Wet SUWI in de memorie van toelichting bij de Wet proactieve dienstverlening SZW, en de toelichting bij artikel 73b, derde lid, over de uitsluiting van gegevensverwerking voor handhaving.52
Autoriteit Persoonsgegevens
De Autoriteit Persoonsgegevens (verder: AP) benadrukt dat de gegevensverwerkingen voor proactieve dienstverlening zorgvuldig moeten gebeuren. Bij drie onderdelen van het besluit achtte de AP een wijziging of nadere onderbouwing nodig om zorgvuldige gegevensverwerking te waarborgen:
Samenwerking bij proactieve dienstverlening;
Proactieve dienstverlening bij schuldhulpverlening; en
Experimenten met proactieve dienstverlening.
Wanneer een burger een vraag stelt over een uitkering of voorziening, kunnen UWV, de SVB en de gemeente ook andere relevante informatie over uitkeringen en voorzieningen verstrekken naast het beantwoorden van de vraag (artikel 2.7). De AP vindt dat hiervoor instemming gevraagd moet worden, omdat ongevraagd persoonsgegevens worden verwerkt. Instemming moet overigens niet worden verward met toestemming als bedoeld in de AVG, waarvoor strikte eisen gelden. Verder vraagt de AP zich af waarom de mogelijkheid tot samenwerking met derden is opgenomen, nu een verwerkingsverantwoordelijke al op basis van de AVG de mogelijkheid heeft om een verwerker in te schakelen.
Proactieve dienstverlening bij schuldhulpverlening uit dit besluit lijkt op vroegsignalering van schulden op grond van de Wgs en het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening. De AP vraagt de verhouding toe te lichten, ook voor wat betreft de verschillende bewaartermijnen. Het moet duidelijk zijn welk instrument in een bepaalde situatie wordt ingezet en welke regels gelden voor de verwerking van persoonsgegevens.
De AP adviseert het doel, de functie, het bereik en de evaluatie van experimenten met proactieve dienstverlening concreet te maken. De AP adviseert verder de verhouding met experimenten op grond van de Wgs duidelijk te maken.
Aan het advies van de AP is op de volgende wijze opvolging gegeven.
In de toelichting is toegevoegd dat de mogelijkheid om een opt-out te vragen ook geldt bij de samenwerking tussen de SUWI-partijen in fysieke en digitale loketten (artikel 2.7). Als een betrokkene een vraag stelt, is dat het moment om te wijzen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het verstrekken van advies en informatie die niet direct betrekking heeft op het beantwoorden van de vraag. De opt-out (artikel 5a.9) functioneert dan als een soort instemmingsrecht. Verder is meer toelichting opgenomen over de samenwerking met derden bij proactieve dienstverlening. Dit gaat niet alleen over het verwerken van persoonsgegevens, waarvoor de AVG voorschriften geeft voor de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en de verwerkersoverkomst. Het gaat ook over samenwerking gericht op integrale dienstverlening, zodat mensen bijvoorbeeld overzicht krijgen van de hulp die er voor hen is en de drempel om hulp aan te vragen voor hen wordt verlaagd. Artikel 2.7, eerste lid, onderdeel e, wil buiten discussie stellen dat de wettelijke bevoegdheid voor proactieve dienstverlening ook de samenwerking met derden omvat. Naar aanleiding van het advies van de AP is toelichting aangevuld in hoofdstuk 2 (Samenwerking bij proactieve dienstverlening).
De Wgs regelt de gegevensuitwisseling tussen gemeenten en belangrijke schuldeisers, zoals woningverhuurders en zorgverzekeraars, om inwoners met problematische schulden zo vroeg mogelijk te vinden. De AP vraagt de verhouding met dit besluit toe lichten, ook voor wat betreft de bewaartermijn en de experimenteerruimte. Naar aanleiding daarvan is de toelichting aangevuld in hoofdstuk 9 (Verhouding tot andere regelgeving). De opmerkingen van de AP hebben betrekking op de gegevensuitwisseling, die in de consultatieversie van dit besluit was omschreven als ‘signalen van betalingsachterstanden bij schuldeisers die een goede indicatie vormen voor meer schulden’. Deze formulering is volgens de AP zonder nadere specificering onvoldoende bepalend. Om het advies van de AP op dit punt te verwerken is gekozen voor een nieuwe formulering die beter aansluit bij de praktijksituatie die het besluit wil ondersteunen (artikel 5a.5). Het doel is mogelijk te maken dat mensen met wie UWV en de SVB persoonlijk contact hebben en die aangeven financiële zorgen te hebben eenvoudig advies kunnen krijgen van de gemeente over schuldhulpverlening en hulp bij het aanvragen.
Het advies van de AP over experimenten is verwerkt in artikel 5a.8. De AP noemt waardevolle criteria om het doel van experimenten concreter te maken, en de betrokkenen die ermee te maken kunnen krijgen scherp af te bakenen. De evaluatie van een experiment moet laten zien in hoeverre de gegevens noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening, in die zin dat de verwerking bijdraagt aan het verbeteren van het gebruik van een bepaalde uitkering of voorziening. De evaluatie hoeft overigens geen aanbevelingen te doen over het experimenteerartikel zelf.53 Aanvullend of ander onderzoek vindt eveneens plaats binnen de kaders van artikel 5a.8. Als uit de evaluatie blijkt dat gegevens noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening, kan op basis van de resultaten een wijziging van dit besluit worden voorbereid. Daarom is het nodig dat de deelnemers zorgen voor goed onderbouwde resultaten en deze bekend maken. Het voornemen is artikel 5a.8, en ook de delegatiegrondslag daarvoor in artikel 73b, vierde lid, van de wet te evalueren. Zie hiervoor hoofdstuk 11 van de memorie van toelichting bij de wet.
Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het voorstel niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Internetconsultatie
Consultatiegegevens
Het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW heeft van 2 april tot en met 14 mei 2025 opengestaan voor internetconsultatie. Bij de consultatie zijn drie vragen gesteld. Respondenten konden op de vragen reageren, maar dat hoefde niet. De vragen luidden:
Wat vindt u ervan dat u bij één loket hulp kan krijgen bij uitkeringen en andere sociale voorzieningen?
Hoe wilt u geïnformeerd worden als u misschien recht heeft op een uitkering of voorziening? Bijvoorbeeld per brief, internet/digitaal, een persoonlijk gesprek, enz.
Experimenten met persoonsgegevens kunnen helpen om te bepalen wie een uitkering of voorziening nodig heeft. Een experiment mag drie jaar duren en met bijvoorbeeld 1.000 personen mag contact worden opgenomen. Wat vindt u daarvan?
Er zijn in totaal 30 reacties ontvangen, waarvan 27 openbare. Acht reacties zijn afkomstig van gemeenten of gemeentelijke organisaties. Vier reacties hebben een maatschappelijke organisatie als afzender.
De volgende punten komen, samengevat en geclusterd, in de consultatie naar voren.
Proactieve dienstverlening wordt overwegend positief ontvangen. De meeste reacties steunen proactieve dienstverlening en de uitwisseling van persoonsgegevens en de samenwerking tussen UWV, de SVB en gemeenten die daarvoor nodig is. De steun is vaak in combinatie met de wens proactieve dienstverlening ook toe te passen op bijzondere bijstand, kwijtschelding van lokale belastingen en gemeentelijke minimaregelingen. De reacties geven aandachtspunten mee over uitvoering, financiële gevolgen, ICT-ondersteuning, burgerperspectief, persoonsgegevens en privacy. Verder vragen veel reacties aandacht voor vereenvoudiging van de sociale zekerheid, het automatisch toekennen van uitkeringen en verbreding naar andere overheidsorganisaties, zoals waterschappen.
Verschillende reacties benadrukken dat persoonlijk contact nodig is om mensen te bereiken die weinig digitale vaardigheden hebben, onder meer via maatschappelijk werkers, schuldhulpverleners en wijkteams. Er blijven toegankelijke fysieke loketten nodig bij UWV, gemeente en de SVB, ook voor mensen met een beperking. De reacties vinden een laagdrempelig loket belangrijk, dat kennis bundelt, duidelijke voorlichting geeft en uitgaat van vertrouwen. Het advies is voor proactieve dienstverlening gebruik te maken van bestaande samenwerking en ontwikkelingen, bijvoorbeeld de samenwerking tussen gemeenten en waterschappen en de bestaande ontwikkeling van digitale loketten. De reacties noemen verschillende manieren om mensen te bereiken: folders, brieven, telefoon, whatsapp, huisbezoek en een mobiel loket. Mensen met een beperking en ervaringsdeskundigen moeten betrokken zijn bij de totstandkoming en uitvoering van proactieve dienstverlening. Ten slotte wijst een aantal reacties erop dat het belangrijk is dat dienstverleners voldoende kennis hebben om maatwerk te kunnen bieden.
Experimenten met proactieve dienstverlening zijn zinvol. Met de door het BIDN ontwikkelde Verzoekservice Werk & Inkomen kunnen verschillende vormen van proactieve dienstverlening worden getest. De gemeente Arnhem is al een pilotgemeente. Een van de reacties doet de oproep tijdens de uitvoering van proactieve dienstverlening ruimte te bieden om fouten te herstellen en van die fouten te leren. Verder wordt gevraagd te onderzoeken hoe alleenstaanden en andere doelgroepen die nu ‘buiten de boot’ vallen bereikt kunnen worden met proactieve dienstverlening.
Reacties wijzen erop dat veel mensen geen gebruik maken van kwijtschelding van lokale belastingen en gemeentelijke minimaregelingen, terwijl zij daar wel voor in aanmerking komen. Inwoners zouden ook proactief op deze lokale dienstverlening gewezen moeten worden. Bijzondere bijstand is van belang voor de bestaanszekerheid. Daarom is voor kwetsbare groepen laagdrempelige toegang nodig, waaraan proactieve dienstverlening kan bijdragen. Andere uitkeringen en voorzieningen die in de reacties voor proactieve dienstverlening worden genoemd zijn: AIO, Toeslagenwet, schuldhulpverlening, individuele inkomenstoeslag, regelingen voor inwoners met extra zorgkosten, de stadspas, IOAZ, IOAW, WW, WIA, de Wmo, aanvullende particuliere regelingen, Stichting Urgente Noden, Stichting Leergeld en de voedselbank. Veel reacties vinden het belangrijk proactieve dienstverlening bij zoveel mogelijk uitkeringen en voorzieningen in te zetten.
Goede ICT-ondersteuning is cruciaal om proactieve dienstverlening goed uitvoerbaar te maken. Er is behoefte aan één centrale routeervoorziening voor gegevensuitwisseling. Voorts is er behoefte aan een snelle inkomenstoets in de fase vóór een definitieve aanvraag. Hiermee kan met inwoners contact worden gezocht voor een brede inventarisatie van het recht op regelingen. En er is behoefte aan eenvoudige aanvraagprocedures.
Proactieve dienstverlening vraagt volgens een aantal reacties om een stevige investering in de uitvoering om mensen effectief toe te kunnen leiden naar regelingen, diensten en voorzieningen. Veel reacties verwachten dat door proactieve dienstverlening meer mensen gebruik gaan maken van uitkeringen en andere sociale voorzieningen. Daarom wordt herhaaldelijk de oproep gedaan te anticiperen op de financiële gevolgen, zodat dat geen knelpunt wordt. Bijvoorbeeld, bij kwijtschelding van lokale belastingen kan proactieve dienstverlening leiden tot kostenbesparingen, zoals minder aanmaningen en beslagleggingen. Tegelijkertijd kunnen, in dit voorbeeld, de opbrengsten van lokale belastingen afnemen. Gemeenten zijn in staat om proactieve dienstverlening en begeleiding bij de aanvraag te bieden, mits zij hierin gefaciliteerd worden. Als dat niet gebeurt, is de kans groot dat financiële en personele uitdagingen in de weg staan van het optimaal gebruikmaken van de bevoegdheden die deze wet biedt.
De bestaande gemeentelijke dienstverlening heeft als knelpunt dat geen persoonsgegevens mogen worden uitgewisseld voor gemeentelijke minimaregelingen buiten de Participatiewet, zoals de stadspas. Het voorstel om gegevensuitwisseling mogelijk te maken voor proactieve dienstverlening bij gemeentelijke minimaregelingen wordt daarom als een wezenlijke verbetering beschouwd. Het verzoek is duidelijk te regelen dat de polisadministratie van UWV gebruikt kan worden bij proactieve dienstverlening. Een aantal reacties wijst erop dat proactieve dienstverlening beter uitvoerbaar wordt als ook gegevensbronnen mogen worden gebruikt van de Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DUO over vermogen, inkomen toeslagen en studiefinanciering. Deze gegevens zijn bijvoorbeeld nodig om te kunnen toetsen aan de voorwaarden voor de bijstand en gemeentelijke minimaregelingen. Omdat het voorstel is de gegevensuitwisseling uit te breiden, moet er aandacht zijn voor een zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens en ook van bijzondere persoonsgegevens, zoals over iemands beperking. Alle cliënten moeten kunnen aangeven dat ze gegevensdeling niet wensen. Stigmatisering moet worden voorkomen. Voor het vertrouwen in de sociale zekerheid moet worden uitgesloten, dat gegevens voor andere doelen dan proactieve dienstverlening worden verwerkt, zoals voor handhaving. Enkele reacties zien betere alternatieven dan de gegevensuitwisseling die het voorstel mogelijk maakt, zoals persoonlijk contact via professionals die al in gesprek zijn met mensen, duidelijke en toegankelijk voorlichting en gegevensverwerking op grond van toestemming vooraf.
Verwerking van de ontvangen reacties
Hieronder wordt toegelicht tot welke aanpassingen de reacties hebben geleid:
In de toelichting is verduidelijkt dat bij de voorbereiding van de wet en het besluit mensen met een beperking en ervaringsdeskundigen zijn betrokken om te zorgen dat het besluit voor mensen uitvoerbaar is, aansluit bij het doenvermogen (paragraaf 10.2).
Om het aanvragen van uitkeringen en voorzieningen eenvoudiger te maken is verduidelijkt dat aanvraagformulieren zoveel mogelijk vooraf zijn ingevuld (artikel 2.7, onderdeel b).
De toelichting legt uit hoe de vormen van proactieve dienstverlening zijn gekozen, waarvoor gegevensuitwisseling mogelijk wordt gemaakt. Later kunnen nieuwe vormen worden toegevoegd (hoofdstuk 1).
Het besluit maakt ook gegevensuitwisseling mogelijk voor kwijtschelding van lokale belastingen en gemeentelijke minimaregelingen, en op den duur ook bijzondere bijstand. Deze uitkeringen en voorzieningen hebben een hoog niet-gebruik. Voor proactieve dienstverlening is gegevensuitwisseling noodzakelijk. De gegevens zijn beschikbaar en de uitwisseling is uitvoerbaar (artikelen 5a.3, 5a.4 en 5a.6).
De verwachting is dat proactieve dienstverlening tot extra uitvoeringskosten en uitkeringslasten leidt. Hiervoor heeft de rijksoverheid middelen gereserveerd. Het (nieuwe) hoofdstuk 11 (Financiële gevolgen) licht dit toe. Gemeentelijke minimaregelingen en kwijtschelding van lokale belastingen zijn lokale dienstverlening, waarvoor gemeenten de benodigde middelen voor proactieve dienstverlening lokaal beschikbaar maken.
Het besluit maakt mogelijk dat de polisadministratie van UWV wordt gebruikt voor proactieve dienstverlening. Voor gemeenten zal het IB als gegevensknooppunt gaan fungeren om gemeenten van de benodigde gegevens informatie uit de polisadministratie te voorzien (artikel 5.24).
Monitoring en evaluatie
Het besluit zal een jaar na inwerkingtreding in eerste instantie worden geëvalueerd door middel van een invoeringstoets. Vervolgens zal het besluit elke vijf jaar worden geëvalueerd.
De doeltreffendheid en doelmatigheid van proactieve dienstverlening gaan gemonitord worden door het meten van het niet-gebruik en door te onderzoeken hoe burgers de dienstverlening ervaren. Verder is het voornemen bij de monitoring informatie ophalen over de voortgang van de implementatie van proactieve dienstverlening en in het bijzonder van de door UWV, de SVB en gemeenten voorgenomen pilots. De monitoring zal ook signalen en knelpunten gaan verzamelen vanuit de uitvoering en vanuit burgers.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Omdat er geen financiële dekking is voor proactieve dienstverlening ten aanzien van bijzondere bijstand en de studietoeslag, treedt artikel I, onderdeel F, pas in werking zodra die dekking er is. De inwerkingtreding artikel I, onderdeel F, zorgt ervoor dat bijzondere bijstand en de studietoeslag worden toegevoegd aan artikel 5a.3, over proactieve dienstverlening voor uitvoering van de Participatiewet.
Artikelsgewijs deel
Artikel I. Wijziging van het Besluit SUWI
Onderdeel A
In navolging van het schrappen van artikel 65 Wet SUWI via de Wet proactieve dienstverlening SZW, zijn alle bepalingen in het Besluit SUWI over SyRI vervallen. Met onderdeel A zijn in artikel 1.1 de begripsbepalingen in de onderdelen aa tot en met cc komen te vervallen, te weten de begrippen ‘samenwerkingsverband’, ‘SyRI’ en ‘SyRI-project’. Dit hangt samen met onderdeel E, waarmee hoofdstuk 5a over SyRI is geschrapt en vervangen door bepalingen over proactieve dienstverlening.
Onderdeel B
Met onderdeel B is een nieuw artikel 2.7 ingevoegd, waarin de kaders zijn uitgewerkt voor de samenwerking tussen UWV, de SVB en gemeenten bij proactieve dienstverlening, en de gegevensuitwisseling in dat verband. De grondslag voor dit artikel is artikel 10b, derde lid, Wet SUWI, dat bepaalt dat bij AMvB regels worden gesteld omtrent de vormgeving van de samenwerking bij proactieve dienstverlening, waaronder over de inrichting van, en verwerkingsverantwoordelijke voor, een fysiek en digitaal loket voor ondersteuning met informatie en advies.
In de aanhef van het eerste lid is de vormgeving geregeld. UWV, de SVB en de colleges dragen zorg voor de samenwerking bij proactieve dienstverlening. Zij dienen ketenafspraken te maken over de rolverdeling, in samenspraak met het Bureau Informatiediensten Nederland, dat het gegevensknooppunt voor gemeenten is (zie ook onderdeel C). Vanwege de definitie van proactieve dienstverlening in artikel 10b, tweede lid, Wet SUWI, is de samenwerking erop gericht om op de belanghebbende afgestemde informatie en advies te leveren over relevante uitkeringen of voorzieningen, en het doen van een aanvraag te faciliteren. Ten tweede volgt hieruit dat het doel van de samenwerking en gegevensuitwisseling is de bestaanszekerheid en participatie te versterken, en een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van werk en inkomen te verkrijgen. Dit volgt uit artikel 10b, eerste lid.
Om invulling aan deze vereisten te geven, is in de onderdelen a tot en met e opgesomd welke vorm de samenwerking in ieder geval moet hebben.
Onderdeel a betreft het kunnen geven van gepersonaliseerde informatie en advies over een uitkering of voorziening, wanneer belanghebbenden daar specifiek naar vragen. Dit kan een geautomatiseerde berekening zijn van een mogelijk recht op een uitkering of voorziening op basis van reken- en beslisregels. Om deze inschatting te kunnen maken, kan de belanghebbende de gegevens laten gebruiken die al beschikbaar zijn bij een gemeente, UWV of de SVB (zie ook onderdeel d). De resterende gegevens die voor de berekening nodig zijn kan de klant zelf aanleveren.
Onderdeel b schrijft voor dat de SUWI-partijen aanvraagformulieren kunnen verstrekken die zoveel mogelijk zijn vooringevuld, zodat de belanghebbende deze direct in kan dienen. Het gaat om de formulieren voor de aanvraag van relevante uitkeringen en voorzieningen die door UWV, de SVB en gemeenten worden verstrekt. De bepalingen in hoofdstuk 4 Awb over (elektronische) indiening van aanvragen zijn van toepassing.
In onderdeel c is bepaald dat ook gepersonaliseerde informatie en advies wordt geleverd over andere relevante uitkeringen en voorzieningen. Dat wil zeggen dat als een klant laat berekenen of hij of zij mogelijk recht heeft op een specifieke uitkering of voorziening, of een aanvraag daarvoor indient, aan de hand van de opgehaalde en ingevulde gegevens kan worden ingeschat of er daarnaast mogelijk recht bestaat op een andere uitkering of voorziening. Anders dan bij onderdeel a, is in onderdeel b niet gespecificeerd dat deze dienstverlening ‘desgevraagd’ wordt geleverd. Dit betekent echter niet dat dit zonder medeweten of instemming van de betrokkene gebeurt. Zoals in hoofdstuk 2 van het algemene deel is toegelicht, is artikel 5a.9 over de opt-out ook van toepassing op artikel 2.7. Wanneer een belanghebbende dus een vraag stelt over een specifieke uitkering of voorziening, en het bestuursorgaan tevens wil onderzoeken of er nog andere uitkeringen of voorzieningen zijn waar mogelijk recht op bestaat, is dat het geschikte moment om te vragen of de belanghebbende daar bezwaar tegen heeft. Zo ja, dan blijft de dienstverlening beperkt tot het beantwoorden van de vraag. Als er geen bezwaar is en blijkt dat er mogelijk recht bestaat op een of meer andere uitkeringen of voorzieningen, wordt dit bij de belanghebbende onder de aandacht gebracht in duidelijke en correcte bewoordingen. Belangrijk is dat wordt benadrukt dat het in de regel slechts om een inschatting gaat, en dat het recht alleen daadwerkelijk kan worden bepaald nadat een aanvraag is ingediend.
Onderdeel d schrijft voor, dat gegevens die zich in de administraties van UWV, de SVB en gemeenten bevinden onderling uitgewisseld kunnen worden, zodat ze gebruikt kunnen worden voor proactieve dienstverlening. In de praktijk worden deze gegevens ingelezen met beveiligde voorzieningen. In artikel 73b, vijfde lid, Wet SUWI is bepaald dat voor proactieve dienstverlening geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen worden verwerkt, behoudens gezondheidsgegevens. De dienstverlening dient dus zo te worden ingericht, dat bij voorbaat geen gegevens kunnen worden opgevraagd over bijvoorbeeld ras of etnische afkomst van de betrokkene, en andere categorieën die zijn opgesomd in artikel 9 AVG.
Tot slot bepaalt onderdeel e dat de proactieve dienstverlening verbonden moet kunnen worden met vergelijkbare dienstverlening van derden, door middel van samenwerking. Dit kan eraan bijdragen dat bestaande dienstverlening ook proactief wordt ingezet en een completere advisering ontstaat van landelijke en lokale uitkeringen en voorzieningen. Ook wordt zo continuïteit gewaarborgd, in die zin dat burgers die al gebruikmaakten van andere dienstverlening, dit kunnen blijven doen. De samenwerking bij proactieve dienstverlening beoogt niet bestaande initiatieven overbodig te maken, maar deze te ondersteunen, en gelijktijdig aan te vullen met de informatie en mogelijkheden van vergelijkbare voorzieningen.
Het tweede lid biedt transparantie over de verantwoordelijkheid voor de verwerking van persoonsgegevens in verband met de voorziening. Aan dit deel van de delegatiegrondslag is invulling gegeven, door te bepalen dat de verwerkingsverantwoordelijke steeds de partij is die de informatie en het advies geeft (onderdelen a en c van het eerste lid) of de aanvraag faciliteert (onderdeel b). Wanneer de samenwerking bijvoorbeeld uitmondt in een gecombineerd advies, dat wil zeggen dat het bestuursorgaan waar de burger zich meldt advies geeft over zowel een uitkering die het zelf verstrekt als een voorziening die een andere partij verstrekt, dan blijft dat bestuursorgaan de verwerkingsverantwoordelijke. De betrokkene dient zich dan ook tot dat bestuursorgaan te wenden voor het inroepen van diens AVG-rechten. Overigens staat dit er niet aan in de weg, dat als de verwerkingsverantwoordelijke zelf niet de bronhouder is van de gegevens en deze dus bijvoorbeeld niet kan rectificeren, de burger wordt doorverwezen naar de bronhouder, of het verzoek om rectificatie wordt doorgeleid.
Wanneer de samenwerking de vorm krijgt van een overdracht, is elk bestuursorgaan voor het eigen deel van de beantwoording verwerkingsverantwoordelijk. Daarvan is sprake als het bestuursorgaan de vraag beantwoordt voor zover het uitkeringen en voorzieningen betreft die het zelf verstrekt, en de vraag doorspeelt naar een samenwerkende partij die andere uitkeringen en voorzieningen verstrekt, en daarbij de contactgegevens van de vraagsteller meestuurt.
Onderdeel C
De organisatiestructuur van het Inlichtingenbureau (IB) is in 2025 veranderd van een vijfkoppig bestuur naar een model met Raad van Toezicht en een directeur-bestuurder, conform de aanbeveling uit het rapport ‘Grip op gegevensuitwisseling’.54 In goed overleg met het ministerie van SZW en de VNG heeft het IB besloten om verder te gaan als Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN), om de nieuwe organisatievorm te bekrachtigen.
De Tweede Kamer is nader over de naamswijziging geïnformeerd via het voorleggen van de statuten in het voorjaar van 2025. In deze statuten is de naamswijziging geëffectueerd. Met onderdeel C is deze wijziging aangebracht in het Besluit SUWI. Dit onderdeel hangt samen met artikel II, waarmee deze wijziging ook is aangebracht in het Besluit beslagvrije voet.
Onderdeel D
Voor de samenwerking tussen SUWI-partijen bij de sociale zekerheid is ICT-ondersteuning operationeel in de vorm van ten eerste de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI (GeVS; artikel 62 Wet SUWI en artikel 5.19 tot en met 5.23a van het Besluit SUWI) en ten tweede het knooppunt voor gegevensuitwisseling voor gemeenten, het BIDN (artikelen 5.24 en 5.25 van het Besluit SUWI). Deze voorzieningen kunnen worden gebruikt bij proactieve dienstverlening. Om dit verder te verduidelijken voor het BIDN wordt in artikel 5.24 bepaald, dat het BIDN niet alleen de gegevens verwerkt die door tussenkomst van het BIDN aan of door colleges van burgemeester en wethouders worden verstrekt, voor zover artikel 62 Wet SUWI van toepassing is, maar ook voor zover artikel 73b inzake proactieve dienstverlening van toepassing is.
Onderdeel E
Met onderdeel E wordt hoofdstuk 5a van het Besluit SUWI vervangen. Dat houdt in dat alle bepalingen over SyRI komen te vervallen. Zie hierover verder de toelichting bij onderdeel A.
Hier komt een hoofdstuk over proactieve dienstverlening voor in de plaats. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit vijf paragrafen:
5a.1. Proactieve dienstverlening door het UWV
5a.2. Proactieve dienstverlening door de SVB
5a.3. Proactieve dienstverlening door gemeenten
5a.4. Experimenteerbepaling
5a.5. Waarborgen voor gegevensbescherming bij proactieve dienstverlening
Artikel 5a.1. Proactieve dienstverlening in het kader van de WW
Paragraaf 5a.1 bestaat vooralsnog uit één artikel, met betrekking tot de WW. Het betreft situaties als bedoeld in hoofdstuk IV, over WW-uitkering bij betalingsonmacht van de werkgever. UWV heeft de bevoegdheid om, bij faillissement, surséance van betaling, schuldsanering of andere vormen van betalingsonmacht van de werkgever, diens werknemers gericht te benaderen om ze te informeren over hun mogelijke recht op deze specifieke WW-uitkering. Het UWV kan het doen van een aanvraag faciliteren, bijvoorbeeld door een zoveel mogelijk vooringevuld aanvraagformulier te verstrekken.
Om deze vormen van proactieve dienstverlening uit te kunnen oefenen heeft het UWV bepaalde gegevens nodig. Ten eerste dient het UWV een betrouwbaar signaal te krijgen welke werkgever in betalingsonmacht verkeert. Ten tweede dient UWV voldoende gegevens te krijgen om in contact te kunnen treden met de betrokken werknemers. Daartoe is in het tweede lid bepaald wie gegevens kunnen verstrekken, namelijk de curator, de bewindvoerder, de werkgever (dan wel diens administratiekantoor, accountantskantoor of erfgenaam bij overlijden), de schuldhulpverlener of de pensioenuitvoerder. Onder pensioenuitvoerder wordt verstaan een beroepspensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of verzekeraar die zetel heeft in Nederland.
In het derde lid is bepaald welke gegevens de genoemde partijen kunnen verstrekken. Het betreft ten eerste de naam en de contactgegevens van de werknemers, en de gegevens over loon, vakantiegeld, vakantiebijslag en andere betalingen die de werkgever aan de werknemer (of in verband met die dienstbetrekking aan derden) verschuldigd is, en die noodzakelijk zijn voor de berekening, bedoeld in artikel 64 WW. Ten tweede gaat het om gegevens om de werkgever te kunnen identificeren. Er is niet voor gekozen om ook mogelijk te maken dat de genoemde partijen tevens kunnen aangeven wat de aard van de betalingsonmacht is, dat wil zeggen een indicatie kunnen verstrekken van surséance, faillissement, schuldhulpverlening of overig. UWV kan dit gegeven namelijk uit het Centraal Insolventieregister halen.
Artikel 5a.2. Proactieve dienstverlening in het kader van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen
Paragraaf 5a.2, over proactieve dienstverlening door de SVB, bevat eveneens vooralsnog één artikel. Zoals in paragraaf 5.1 van het algemene deel van de toelichting beschreven, gaat het om een structurele basis voor proactieve dienstverlening in het kader van de AIO, waarmee opvolging wordt gegeven aan de pilot die eerder in dit verband heeft plaatsgevonden.
De SVB kan ingevolge het eerste lid de mogelijk rechthebbende op een AIO-voorziening gericht benaderen om deze te informeren over dit mogelijke recht, en het doen van een aanvraag faciliteren door een zoveel mogelijk vooringevuld aanvraagformulier te verstrekken. De doelgroep betreft personen van de pensioengerechtigde leeftijd, waarvan het inkomen lager is dan de normbedragen die voor dat huishouden gelden (artikel 37a van de Participatiewet).
Voor een gerichte benadering van deze personen is het nodig om te weten of de netto-inkomsten van die persoon, of diens huishouden, onder het daarvoor geldende normbedrag liggen. Deze kennis kan voor een belangrijk deel van de doelgroep worden verkregen door een bestandvergelijking met de polisadministratie van het UWV. Daarom is in onderdeel a van het tweede lid bepaald, dat aan de SVB op verzoek of uit eigen beweging door het UWV inkomensgegevens uit de polisadministratie worden verstrekt van de betrokken persoon en van de personen die deel uitmaken van het huishouden. Meer bepaald gaat het om gegevens met betrekking tot inkomsten uit arbeid, inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, uitkeringen, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, en algemene bijstand of bijzondere bijstand.
Uit de polisadministratie kan evenwel niet het exacte inkomen geautomatiseerd worden opgemaakt. Daarom wordt gewerkt met een benadering van de netto-inkomsten. Deze benadering wordt gegenereerd op basis van een algoritme. Zie hierover verder de toelichting bij het derde lid.
In onderdeel b is bepaald dat ook de colleges van burgemeester en wethouders uit eigen beweging en op verzoek gegevens verstrekken, namelijk de contactgegevens en het BSN van inwoners die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangen en de AOW-leeftijd naderen, omdat aannemelijk is dat zij bij aanvang van hun AOW recht zullen krijgen op de AIO-voorziening. Het afgeven van een tijdig signaal stelt de SVB ertoe in staat om voor een soepele overgang te zorgen.
In het derde lid zijn, in aanvulling op artikel 5a.10 en in navolging van de eerste tijdelijke regeling, de technische en organisatorische maatregelen genoemd die de SVB toepast om te waarborgen dat aan de voorschriften van de AVG wordt voldaan. Dit artikel legt de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en de realisatie van deze waarborgen bij de SVB. Daarbij wordt het beginsel van dataminimalisatie uitdrukkelijk in acht genomen.
Het betreft ten eerste het beheren van een algoritme waarmee een zo realistisch mogelijke benadering van de netto-inkomsten kan worden gegenereerd aan de hand van de in de polisadministratie beschikbare inkomensgegevens. Voor het algoritme worden in de polisadministratie beschikbare gegevens verwerkt van personen van wie bekend is dat het netto-inkomen onder of rond het normbedrag voor de AIO-voorziening ligt. Bij de bestandvergelijking wordt van personen nagegaan of de benadering van de netto-inkomsten lager is dan het voor hen geldende normbedrag. De keuze om een benadering van het inkomen, berekend door een algoritme, te gebruiken is ingegeven door de overweging dat het alternatief, handmatige berekening van om en nabij 300 inkomenscomponenten, zich niet voor zulke volumes leent. Handmatige en exacte berekening vindt uiteraard wel plaats bij de beoordeling van een concrete aanvraag.
Voorts past de SVB versleuteling toe waarmee wordt verhinderd dat de SVB kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen, de benadering van de netto-inkomsten of de gegevens, bedoeld in het tweede lid. Door het toepassen van versleutelingstechnieken, zoals multi-party computation met additief homomorfe encryptie, kunnen berekeningen uitgevoerd worden door een partij, zonder dat die partij kennis heeft of kan vergaren over de onderliggende gegevens. Met behulp van die techniek wordt de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen beperkt. De verwerking staat hierdoor in evenredige verhouding tot het te dienen doel, te weten het benaderen van een selecte groep kwetsbare personen, om met hen na te gaan of het aanvragen van een AIO-voorziening in hun belang is.
Tot slot wordt versleuteling toegepast, waarmee wordt verhinderd dat het UWV kennis kan nemen van enig persoonsgegeven van de persoon waarover de SVB gegevens verzoekt, behoudens het BSN van betrokkene en de indicatie of betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Artikel 5a.3. Proactieve dienstverlening in het kader van de Participatiewet
Paragraaf 5a.3, over proactieve dienstverlening door het college van burgemeester en wethouders, telt vijf artikelen, te beginnen met proactieve dienstverlening in het kader van de Participatiewet.
Op grond van het eerste lid kan het college degene die mogelijk in aanmerking komt voor bijstand gericht benaderen om diegene te informeren over diens mogelijke recht, en begeleiden bij het doen van een aanvraag, onder meer door een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens reeds zijn ingevuld.
Het gaat in eerste instantie om algemene bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet. Op termijn wordt dit artikel uitgebreid, zodat proactieve dienstverlening ook mogelijk wordt voor bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet, waaronder begrepen de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, en daarnaast om de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b. Zie daarvoor de toelichting bij artikel I, onderdeel F.
In het tweede lid is uitgewerkt welke organisaties uit eigen beweging of op verzoek gegevens aan gemeenten verstrekken om deze vorm van proactieve dienstverlening uit te kunnen voeren. Ook zijn de te verstrekken gegevens gespecificeerd.
Net als op grond van artikel 5a.2, tweede lid, verstrekt UWV ten eerste de naam, contactgegevens en het BSN van de belanghebbende die van UWV een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangt, alsmede de relevante inkomensgegevens van de belanghebbende en diens huisgenoten.
Diezelfde gegevens verstrekt UWV ten tweede van belanghebbenden van wie de aanvraag voor een door het UWV verstrekte uitkering of voorziening is afgewezen, mits UWV zelf op basis van de beschikbare gegevens kan concluderen dat er sprake is van een mogelijk onbenut recht.
Ten derde worden deze gegevens verstrekt van belanghebbenden van wie het recht op een uitkering of voorziening van het UWV over ten hoogste drie maanden eindigt.
Ten vierde verstrekt UWV deze gegevens van belanghebbenden, uit wiens inkomensgegevens in de polisadministratie kan worden afgeleid dat zij mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet.
De SVB verstrekt eveneens de naam, contactgegevens en het BSN, evenals de beschikbare en voor de aanvraag noodzakelijke gegevens van belanghebbenden die een uitkering ontvangen of een aanvraag hebben gedaan voor een uitkering op grond van de Anw of de AIO. Deze gegevens worden niet verstrekt als de SVB uit gegevens in de verzekerdenadministratie over hun financiële situatie kan afleiden dat zij geen recht hebben op een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet, omdat het inkomen of vermogen hoger is dan de bijstandsnorm.
Tot slot kunnen ook de colleges van andere gemeenten de naam, contactgegevens en het BSN doorgeven in geval van verhuizing, alsmede informatie over de voorgenomen en ontvangen uitkeringen en voorzieningen. Daarmee kan een eventueel volgende bijstandsaanvraag in de ontvangende gemeente worden vergemakkelijkt.
Hierbij kunnen ook gegevens worden verwerkt van personen die deel uitmaken van hetzelfde huishouden. Dat is nodig, omdat de Participatiewet een vangnet is. Als er personen zijn die deel uitmaken van het huishouden die financieel bijdragen of kunnen bijdragen is er geen recht op ondersteuning op grond van de Participatiewet.
Artikel 5a.4. Proactieve dienstverlening in het kader van de kwijtschelding van lokale belastingen
Het eerste lid biedt het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om personen die mogelijk in aanmerking komen voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen actief te benaderen. Het college kan deze personen informeren over de mogelijkheid tot kwijtschelding en hen ondersteunen bij het indienen van een verzoek. Dit kan bijvoorbeeld door het voorinvullen van de benodigde gegevens voor het kwijtscheldingsverzoek.
Het verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen kan de gemeente, althans de bevoegde invorderingsambtenaar, zelf afhandelen. Voor waterschapsbelastingen kan het college de mogelijk rechthebbende informeren en de benodigde gegevens voor het verzoek voorinvullen. Vervolgens kan het college de belanghebbende doorverwijzen naar het bevoegde waterschap voor de verdere afhandeling, dan wel bijstand verlenen bij het correct indienen van het verzoek.
Het tweede lid specificeert de gegevens die het UWV en de SVB aan de colleges kunnen verstrekken voor dit doeleinde. UWV verstrekt de gegevens, die reeds op grond van artikel 5.9, eerste lid, onder g, Besluit SUWI aan gemeenten worden verstrekt, ten behoeve van de reguliere dienstverlening ten aanzien van lokale belastingen. Dit omvat in ieder geval de contactgegevens en het BSN van personen die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangen. De SVB verstrekt de contactgegevens en het BSN van de personen aan wie zij een AIO-voorziening verstrekt. Omdat de Toeslagenwet en de AIO een aanvulling tot de bijstandsnorm betreffen, is het waarschijnlijk dat deze doelgroep ook in aanmerking komt voor kwijtschelding.
Gelet op de wijziging die met onderdeel D in artikel 5.24 is aangebracht, kunnen deze gegevens worden verstrekt door tussenkomst van het BIDN.
Artikel 5a.5. Proactieve dienstverlening in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Het eerste lid concretiseert dat het college bevoegd is een inwoner die mogelijk in aanmerking komt voor schuldhulpverlening gericht te benaderen en, aangezien er in de Wgs geen sprake is van een aanvraag, de hulpvraag te faciliteren.
Ten behoeve van deze proactieve dienstverlening verstrekken UWV en de SVB, aan het college van burgemeester en wethouders uit eigen beweging of desgevraagd gegevens. Voor beide partijen betreft het de naam, contactgegevens en het BSN, in drie onderscheiden situaties. Deze gegevens worden verstrekt als UWV of de SVB een of meer vorderingen op de belanghebbende heeft, als er beslagleggingen van derden zijn op diens uitkering of de premie als bedoeld in artikel 16 van de Zorgverzekeringswet wordt ingehouden, en wanneer de belanghebbende een mondelinge of schriftelijke hulpvraag heeft gesteld. De gegevens dienen noodzakelijk te zijn voor deze vorm van proactieve dienstverlening, wat wil zeggen dat de schulden van dien aard moeten zijn dat instroom in de Wgs een reële mogelijkheid voor de belanghebbende is.
Het faciliteren van de hulpvraag vindt plaats met de verstrekte gegevens in combinatie met gegevens uit de gemeentelijke administraties. Hiermee is het mogelijk een concreter aanbod doen voor hulp. Relevante gegevens zijn bijvoorbeeld een betalingsachterstand op de eigen bijdrage Wmo, niet betaalde lokale belastingen, boetes of uitkeringen die moeten worden terugbetaald.
Artikel 5a.6. Proactieve dienstverlening in het kader van gemeentelijke minimaregelingen
Dit artikel maakt proactieve dienstverlening mogelijk voor gemeentelijke minimaregelingen, die zijn ingesteld bij gemeentelijke verordeningen op grond van artikel 108 van de Gemeentewet. Het kunnen incidentele of periodieke regelingen zijn, zoals een (stads)pas, een tegemoetkoming voor chronisch zieken, leermiddelen, een ouderbijdrage of een zogeheten meedoen- of participatieregeling.
Overigens is de term minimaregeling een breed begrip. Dit artikel ziet alleen op specifieke gemeentelijke minimaregelingen; landelijke minimaregelingen, waaronder vormen van (bijzondere) bijstand, vallen onder artikel 5a.3, en kwijtschelding van belastingen onder artikel 5a.4.
Op grond van het eerste lid is het college bevoegd mogelijk rechthebbenden gericht te benaderen om ze over het mogelijke recht te informeren, en het doen van een aanvraag te faciliteren door onder meer een zoveel mogelijk vooringevuld aanvraagformulier te verstrekken.
Uit hoofde van het tweede lid worden ten behoeve van deze proactieve dienstverlening bepaalde gegevens op verzoek of uit eigen beweging aan het college verstrekt. UWV verstrekt de naam, contactgegevens en het BSN van de belanghebbende, en inkomensgegevens uit de polisadministratie van deze belanghebbende en de personen die deel uitmaken van het huishouden:
die een aanvulling op grond van de Toeslagenwet ontvangt;
van wie de aanvraag voor een door het UWV verstrekte uitkering of voorziening is afgewezen;
van wie het recht op een uitkering of voorziening van het UWV over ten hoogste drie maanden eindigt; of
van wie uit inkomensgegevens in de polisadministratie over die belanghebbenden en de personen die deel uitmaken van het huishouden blijkt dat recht bestaat op een gemeentelijke minimaregeling.
Dat is nodig, omdat gemeentelijke minimaregelingen meestal een vangnet zijn. Als er personen zijn die deel uitmaken van het huishouden die financieel bijdragen of kunnen bijdragen is het meestal niet mogelijk om van een minimaregeling gebruik te maken. Deze gegevens verstrekt UWV ook van belanghebbenden van wie uit gegevens in de polisadministratie kan worden afgeleid dat zij mogelijk recht hebben op een gemeentelijke minimaregeling.
De SVB verstrekt eveneens de naam, contactgegevens en het BSN, van belanghebbenden die AIO ontvangen. Benadrukt wordt dat deze gegevens niet worden verstrekt voor de taak van de verstrekking van minimaregelingen zelf (artikel 108 van de Gemeentewet biedt hier immers geen grondslag voor), maar dat deze gegevens worden verstrekt voor de taak van proactieve dienstverlening (artikel 10b Wet SUWI), op grond van artikel 62, eerste lid, en 73b, tweede lid, Wet SUWI.
Artikel 5a.7. Proactieve dienstverlening met betrekking tot de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Dit artikel betreft proactieve dienstverlening bij toekenning van de vaste tegemoetkoming voor huishoudens in de alleenverdienersproblematiek. Voor een uitleg over de opname van dit artikel in dit besluit wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van het algemene deel van de nota van toelichting.
Het eerste lid voorziet erin dat het college de mogelijk rechthebbenden op de tegemoetkoming in het kader van de alleenverdienersproblematiek gericht kan benaderen om hen daarover te informeren. Ook kan het college de aanvraag begeleiden door bijvoorbeeld een aanvraagformulier te verstrekken waarop de beschikbare gegevens al zijn ingevuld.
Het tweede lid gaat over gegevensverstrekking door UWV aan de gemeente. UWV kan aan de gemeente informatie verstrekken over huishoudens die mogelijk recht hebben op de tegemoetkoming. Informatie die beschikbaar is bij UWV is van belang voor het college om de doelgroep zoveel mogelijk te bereiken. Dit betreft criteria op basis waarvan een eerste selectie van mogelijk rechthebbende huishoudens gemaakt kan worden (bijvoorbeeld type uitkering van de meestverdienende partner en geboortedatum van de minstverdienende partner).
Gemeenten kunnen informatie opvragen om huishoudens te selecteren voor proactieve benadering: naam, contactgegevens, burgerservicenummer en gegevens over inkomsten uit arbeid en (voormalige) dienstbetrekking, uitkeringen en bijstand. Zo is een voorwaarde om tot de doelgroep te behoren dat de meestverdienende partner een loondervings- of Wajonguitkering ontvangt. UWV is de voornaamste verstrekker van deze uitkeringen. Een andere voorwaarde is dat het besteedbare jaarinkomen lager is dan het bestaansminimum voor het betreffende huishouden. Om dit te beoordelen zijn actuele loongerelateerde gegevens nodig (waaronder hoogte inkomen, inkomstenbron en loonheffing), waarover het UWV beschikt.
UWV kan deze informatie over geselecteerde huishoudens ook uit eigen beweging verstrekken. Een deel van de doelgroep van de tijdelijke regeling is niet in beeld bij de gemeente, omdat zij enkel een uitkering van UWV ontvangen (en geen aanvullende bijstand). UWV kan op basis van een bestandsanalyse of tijdens een aanvraagprocedure uitkeringsgerechtigden in beeld krijgen die mogelijk tot de doelgroep behoren. De relevante informatie kan dan worden gedeeld met het college van de gemeente waar de meestverdienende partner ingeschreven staat.
In artikel III van dit wijzigingsbesluit is geregeld dat artikel 5a.7 vervalt op het tijdstip waarop artikel 78gg van de Participatiewet vervalt.
Artikel 5a.8. Tijdelijk onderzoek ten behoeve van proactieve dienstverlening
Dit artikel bevat de zogeheten experimenteerbepaling. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van het algemene deel van deze nota van toelichting.
Op grond van artikel 73b, vierde lid, Wet SUWI kunnen het UWV, de SVB en gemeenten onderling gegevens verstrekken om te onderzoeken of de gegevens in de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administraties noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening. Alvorens dergelijke experimenten kunnen worden gestart, moeten bij algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld over in ieder geval de gegevens die worden verstrekt, de duur van het onderzoek, de bewaartermijnen van ten hoogste twaalf maanden, de technische en organisatorische maatregelen om aan de AVG te voldoen (waaronder het indien mogelijk anonimiseren dan wel pseudonimiseren van de gegevens), en over de rechten van de betrokkene.
In het eerste lid is afgebakend welke gegevens bij de experimenten kunnen worden betrokken, namelijk (persoons)gegevens uit de polisadministratie, de verzekerdenadministratie, de gemeentelijke administraties en de basisregistratie personen. Dit is een ruime invulling van het vereiste om de uit te wisselen gegevens te specificeren. Dit is echter noodzakelijk voor een dergelijk 'verzamelartikel', waar meerdere onderzoeken tussen de Suwi-partijen onder kunnen worden geschaard. De evenredigheid is gewaarborgd door de overige beperkingen die aan de experimenten worden gesteld. Zo worden de gegevens steeds voor korte duur uitgewisseld (ten hoogste een jaar, gelet op artikel 5a.10), met stevige waarborgen (tweede en derde lid), en de verplichting om voor elk experiment een DPIA uit te werken en deze aan de Minister van SZW te verstrekken.
In het tweede lid zijn de technische en organisatorische maatregelen gespecificeerd, die in aanvulling op de maatregelen in artikel 5a.10 ten minste worden toegepast door het UWV, de SVB en gemeenten, om te waarborgen dat aan de voorschriften van de AVG wordt voldaan. In navolging van artikel 73b, vierde lid, is gespecificeerd dat de gegevens indien mogelijk worden geanonimiseerd. Omdat erkend wordt dat dit niet voor elk experiment mogelijk zal zijn, juist omdat het doel ervan is om te onderzoeken of die gegevensuitwisseling noodzakelijk is voor proactieve dienstverlening, is in subonderdeel 2° geregeld dat als anonimiseren niet mogelijk is, gebruik wordt gemaakt van versleuteling of pseudonimisering.
Ten derde treft elke deelnemer aan een experiment passende organisatorische maatregelen om te waarborgen dat de gegevens enkel voor het onderzoek worden verwerkt.
Tot slot moet het onderzoek op een zo beperkt mogelijke schaal worden uitgevoerd, met ten hoogste het aantal betrokkenen om onderbouwde conclusies te kunnen trekken. In het algemene deel is toegelicht waarom niet is gekozen voor een algemeen maximumaantal deelnemers. In plaats daarvan is met dit onderdeel aan de deelnemende SUWI-partijen opgedragen zelf het aantal betrokkenen te bepalen, en zich te kunnen rechtvaardigen over de vraag waarom onderbouwde conclusies over de noodzaak niet met minder betrokkenen kunnen worden verkregen. Ook op andere vlakken dan het aantal betrokkenen dienen de SUWI-partijen de privacy-impact van het onderzoek zo beperkt mogelijk te houden.
Voorafgaande aan het onderzoek, dat maximaal drie jaar mag duren, informeren de deelnemers de Minister van SZW over het doel, de inhoud, de belangenafweging ten aanzien van de persoonsgegevens die worden verwerkt en de duur van het onderzoek. Dit doen de deelnemers door een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB, ook wel DPIA voor data protection impact assessment) als bedoeld in artikel 35 AVG te verstrekken aan de Minister van SZW. Daarin dient gedetailleerd te worden beschreven op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de rechten van de betrokkene, bedoeld in hoofdstuk III van de AVG, zoals het informeren over het experiment en de mogelijkheid bezwaar te maken.
Uiterlijk een jaar na afloop evalueren de deelnemers het onderzoek en maken de resultaten bekend aan de Minister van SZW. Daarin dient in ieder geval de centrale vraag te worden beantwoord of de verwerkte gegevens noodzakelijk zijn voor proactieve dienstverlening. Ook wordt ingegaan op de getroffen waarborgen en de gekozen schaal, om daar lering uit te trekken voor toekomstige onderzoeken.
Artikel 5a.9. Opt-out
Dit artikel bevat de uitwerking van artikel 73b, zesde lid, van de wet, met het verbod om gegevens te verwerken ten behoeve van proactieve dienstverlening nadat de betrokkene hier desgevraagd of uit eigen beweging bezwaar tegen maakt. Het betreft een bezwaar als bedoeld in artikel 21 AVG, waarmee dus wordt afgeweken van het bezwaarbegrip in de Awb. Het zesde lid bepaalt voorts dat bij AMvB regels moeten worden gesteld over de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt, de inrichting en het beheer van de registratie van bezwaren, de verwerkingsverantwoordelijkheid voor het register, en de bewaartermijnen, met dien verstande dat kenbaar gemaakte bezwaren niet langer worden bewaard dan vijf jaar. Verwezen wordt verder naar hoofdstuk 7 van het algemene deel van de nota van toelichting.
Artikel 5a.10. Technische en organisatorische maatregelen
Artikel 5a.10 bevat voor de verschillende vormen van proactieve dienstverlening de technische en organisatorische maatregelen, die ten minste moeten worden toegepast om te waarborgen dat aan de voorschriften van de AVG wordt voldaan.
Onderdeel a schrijft voor dat de gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening zoveel mogelijk via de GeVS verloopt. Voor de gegevensuitwisseling via het BIDN is dat opgenomen in aanpassing van artikel 5.24 (onderdeel D van dit besluit). Hiermee is gewaarborgd dat de gegevensuitwisseling voldoet aan hoge standaarden voor privacy en veiligheid.
Op grond van onderdeel b is het de verantwoordelijke bestuursorganen verplicht om ervoor te zorgen dat uitsluitend geautoriseerde personen toegang hebben tot de persoonsgegevens die worden verwerkt. Daarbij wordt met name gedacht aan personen die de ondersteuning moeten kunnen bieden, bedoeld in het derde lid, en bepaalde ICT-medewerkers.
Onderdeel c regelt de bewaartermijn. Gegevens die voor proactieve dienstverlening worden verstrekt, worden vernietigd zodra de proactieve dienstverlening is uitgevoerd, dat wil zeggen nadat de betrokkenen zijn geïnformeerd of nadat de aanvraag is gefaciliteerd. Hoe dan ook worden de persoonsgegevens na twaalf maanden gewist. Voor proactieve dienstverlening mogen gegevens in andere administraties tijdelijk worden verzameld en getoond, zonder deze gegevens in een eigen administratie over te nemen. Daarmee wordt beoogd om het risico op inbreuken in verband met persoonsgegevens te verkleinen. Het is niet verboden om niet-persoonsgegevens te bewaren.
Artikel 5a.2 over proactieve dienstverlening in het kader van de AIO en artikel 5a.8 over tijdelijk onderzoek ten behoeve van proactieve dienstverlening geven aanvullende technische en organisatorische maatregelen voor die vormen van proactieve dienstverlening.
Onderdeel F
Onderdeel F wijzigt artikel 5a.3 (nieuw), in die zin dat de mogelijkheid wordt toegevoegd om proactieve dienstverlening toe te passen ten aanzien van bijzondere bijstand en de studietoeslag. Dit onderdeel treedt later in werking, zodra er financiële dekking voor deze onderdelen is.
Artikel II
Dit artikel bevat een technische wijziging van artikel 8 van het Besluit beslagvrije voet, waarmee de naam Inlichtingenbureau is vervangen door de actuele naam Bureau Informatiediensten Nederland. Deze wijziging hangt samen met onderdeel C van artikel I.
Artikel III
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Het moment van inwerkingtreding is op grond van het eerste lid niet bepaald op de datum waarop de Wet proactieve dienstverlening SZW in werking is getreden, omdat dat tijdstip eveneens voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kon worden vastgesteld. Bovendien wordt de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, uitgesteld totdat er dekking is voor proactieve dienstverlening ten aanzien van bijzondere bijstand en de studietoeslag.
Het tweede lid regelt de vervaldatum van het nieuwe artikel 5a.7, over proactieve dienstverlening met betrekking tot de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek, bedoeld in artikel 78gg van de Participatiewet. In artikel II van de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek is geregeld dat dit artikel 78gg vervalt op een bij koninklijk besluit bepaald tijdstip. Het is niet nodig dat artikel 5a.7 van het Besluit SUWI doorwerkt nadat artikel 78gg van de Participatiewet is vervallen, dus is geregeld dat de vervaldatums samenvallen.
Artikel IV
Artikel IV bevat de citeertitel: Besluit proactieve dienstverlening SZW.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief |
|---|
Kamerstukken II, 26 643, nr. 1149.↩︎
Kamerstukken II, 36 566, nr. 109 en Overheid.nl | Consultatie Wijziging van de wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de versterking arbeidsmarktinfrastructuur↩︎
Omnichannel kanaalstrategie - Mijn Services dienstverlening | VNG↩︎
Kamerstukken II, 29 362, 26 448, nr. 328.↩︎
Kamerstukken II, 26 643, nr. 1197.↩︎
Niet-gebruik inkomensondersteunende regelingen SZW; Een synthesestudie, APE Significant in opdracht van het ministerie van SZW, januari 2023.↩︎
Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023↩︎
Tijdelijke regeling pilot gerichte bevordering gebruik AIO (Stcrt. 2022, nr. 24731).↩︎
Kamerstukken II, 29 389, 26 448, nr. 121.↩︎
Resultaten pilot gerichte bevordering gebruik AIO, SVB, 27 juni 2023, bijlage bij Kamerstukken II, 29 389, 26 448, nr. 121.↩︎
Niet-gebruik inkomensondersteunende regelingen SZW; Een synthesestudie, APE Significant in opdracht van het ministerie van SZW, januari 2023.↩︎
Jongeren buiten beeld in beeld brengen; De Beleidsonderzoekers in opdracht van ministerie van SZW, februari 2022.↩︎
Jaarverslag UWV 2044; Kwantitatieve informatie 2024, UWV, 2025.↩︎
Jaarverslag UWV 2044; Kwantitatieve informatie 2024, UWV, 2025.↩︎
Doorstroom WW-bijstand; Tabellenset 2021-2023, UWV, 2024 (Tabellenset doorstroom WW-bijstand 2020-2022).↩︎
Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023↩︎
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023.↩︎
Keuzes in het kwijtscheldingsbeleid van gemeenten, Rijksuniversiteit Groningen, COELO, 2023.↩︎
Armoedescan van de gemeenten Arnhem, Den Haag, Dordrecht en Groningen.↩︎
Uitgaande van 25% tot 45% van de het aantal mensen in Nederland dat volgens CBS-statistieken arm is (Armoede en schulden | CBS).↩︎
Zie de artikelen 3 en 8 Wgs, in combinatie met de artikelen 3, 4 en 12 tot en met 17 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.↩︎
Uitgaande van 21% tot 77% van de het aantal mensen in Nederland dat volgens CBS-statistieken arm is (Armoede en schulden | CBS).↩︎
Artikel 78gg van de Participatiewet, Staatsblad 2024, nr. 407, Kamerstukken II, 36 617.↩︎
Rechtbank Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865.↩︎
Kamerstukken II 2019/20, 17 050, nr. 593.↩︎
Kamerstukken II, 35 897, nr. 9.↩︎
Kamerstukken II, 26 448, nr. 760; Kamerstukken II, 26 448, nr. 717.↩︎
Kamerstukken II, 29 362, nr. 363.↩︎
Staatsblad 2023, nr. 183.↩︎
Landelijke Cliëntenraad - Signaal 'Niet voor mij' over potjes en regelingen die blijven liggen↩︎
Prototype Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht: Een gevalideerde waardepropositie en UX-concept | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023↩︎
Jaarverslag UWV 2044; Kwantitatieve informatie 2024, UWV, 2025.↩︎
Jaarverslag UWV 2044; Kwantitatieve informatie 2024, UWV, 2025.↩︎
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023.↩︎
Uitgaande van 25% tot 45% niet-gebruik volgens de Armoedescan (Armoedescan) van de het aantal mensen in Nederland dat volgens CBS-statistieken arm is (Armoede en schulden | CBS).↩︎
Uitgaande van 21% tot 77% niet-gebruik volgens de Armoedescan (Armoedescan) van de het aantal mensen in Nederland dat volgens CBS-statistieken arm is (Armoede en schulden | CBS).↩︎
Artikel 78gg van de Participatiewet, Staatsblad 2024, nr. 407, Kamerstukken II, 36 617.↩︎
Niet-gebruik inkomensondersteunende regelingen SZW; Een synthesestudie, APE Significant in opdracht van het ministerie van SZW, januari 2023.↩︎
Ervaringen van UWV met tegengaan van het niet-gebruik van de Toeslagenwet en de SVB-pilot gerichte bevordering gebruik AIO Kamerstukken II, 29 389, 26 448, nr. 121.↩︎
Kamerstukken II 2023/2024, 36 550 XV, nr. 1 en 2.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 36 725 XV, nr 1 en 2.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 36 799, nr. 3 p. 26, 27 en 28.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 36 799, nr. 3 p. 25.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 36 799, nr. 3 p. 5.↩︎
Aanwijzing 2.42 van de Aanwijzingen voor de regelgeving schrijft voor dat bij een experimenteerregeling wordt aangegeven hoe evaluatie van de regeling plaatsvindt. De experimenteerregeling zelf wordt geëvalueerd in het kader van de bredere evaluatie van proactieve dienstverlening; de evaluatie door de deelnemers van elk experiment op grond van artikel 5a.8 van dit besluit staat daar los van.↩︎
Andersson Elffers Felix, de Beleidsonderzoekers en Hooghiemstra & partners, 2022, Grip op gegevensuitwisseling.↩︎