[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag schriftelijk overleg over de kabinetsreactie op AIV-adviesrapport 'Regie op veiligheid in de ruimte' (Kamerstuk 24446-102)

Brief regering

Nummer: 2026D39973, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 16:49, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17482:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld, .. 2026

Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Buitenlandse Zaken over de Kabinetsreactie op AIV-adviesrapport 'Regie op veiligheid in de ruimte'.

De op 11 juni 2026 aan de minister toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Klaver

De adjunct-griffier van de commissie,

Dekker

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie


II Antwoord / Reactie van de minister

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het AIV-advies ā€˜Regie op veiligheid in de ruimte’. Deze leden onderschrijven dat ruimtevaart inmiddels vitale infrastructuur is voor Nederland en Europa. Satellieten en ruimtevaarttechnologie zijn onmisbaar voor communicatie, navigatie, klimaatmonitoring, defensie, logistiek, financiĆ«le transacties en andere vitale processen. Daarmee raakt ruimtevaart direct aan onze nationale veiligheid, economische veiligheid, innovatiekracht, digitale weerbaarheid en Europese autonomie.

De leden van de D66-fractie constateren dat de geopolitieke context snel verandert. Afhankelijkheden van niet-Europese ruimtevaartdiensten, satellietcommunicatie, lanceercapaciteit, aardobservatie en de veiligheid van kritieke infrastructuur brengen risico’s met zich mee. Deze leden vinden daarom dat Nederland en Europa sneller moeten investeren in eigen Europese ruimtevaartcapaciteiten. Europa moet hierbij in the lead zijn. Europese samenwerking moet het centrale kader vormen waarbinnen Nederland zijn technologische, economische en veiligheidsbelangen versterkt.

Nederland beschikt over een sterke uitgangspositie, met hoogwaardige kennisinstellingen, innovatieve bedrijven, ESA-ESTEC in Noordwijk en technologische sterktes op het gebied van onder meer optica, fotonica, mechatronica, lasersatellietcommunicatie, kwantumtechnologie en data-interoperabiliteit. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet daarom of het bereid is om samen met de Nederlandse ruimtevaartsector, kennisinstellingen, startups, scale-ups, campussen, het ministerie van defensie en andere relevante partijen een concreet nationaal actieplan uit te werken om Nederland duurzaam in de Europese kopgroep van de ruimtevaart te brengen.

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland heeft een sterke uitgangspositie, met hoogwaardige kennisinstellingen en innovatieve bedrijven. Het kabinet wil Nederlandse sterktes beter verbinden met Europese programma’s, maatschappelijke toepassingen, veiligheid en weerbaarheid en het economisch verdienvermogen.

Er wordt gewerkt aan een uitvoeringsagenda van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda, die in samenwerking tussen de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Buitenlandse Zaken, Defensie, Infrastructuur en Waterstaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot stand komt. Missie 5 van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda heeft tot doel het versterken van de sector. Het gevraagde actieplan zal worden afgestemd met alle relevante partijen en opgenomen worden als een van de onderdelen van de uitvoeringsagenda. Er is al nauwe samenwerking tussen de betrokken ministeries via de versterkte interdepartementale governance. Binnen die governance wordt de Werkgroep Industrie & Innovatie benut om gezamenlijke behoeftes en capaciteitsvragen te verbinden met Nederlandse kennisposities, technologieontwikkeling en industriƫle mogelijkheden. De realisatie van de doelen van de Lange-Termijn Ruimtevaartagenda zoals gecoƶrdineerd vanuit de werkgroep Industrie & Innovatie, vinden vanuit de verschillende departementen plaats.

Vanuit de Defensienota 2026 worden de ambities op ruimtetechnologie t.b.v. Defensie capaciteiten in het Nationaal Programma Defensie Industrie & Innovatie (NDPII) leidend (wordt najaar 2026 met de kamer gedeeld). Daarnaast werkt Defensie aan een Ambitieplaat Ruimtetechnologie, gericht op het samenbrengen van technologische behoeftes van Defensie met de mogelijkheden die Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen kunnen bieden.

De leden van de D66-fractie vragen welke technologische niches Nederland in dat actieplan wil prioriteren. Hoe worden Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen beter gepositioneerd in programma’s van European Space Agency (ESA), de Europese Unie (EU), het Europees Defensiefonds, het programma Infrastructure for Resilience, Interconnectivity and Security by Satellite (IRIS2), NAVO-gerelateerde capaciteitsontwikkeling en andere Europese instrumenten? En hoe borgt het kabinet dat nationale inzet maximaal bijdraagt aan Europese strategische autonomie en niet versnipperd raakt over verschillende departementen, programma’s en financieringsstromen?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet prioriteert ruimtetechnologieĆ«n en toepassingen waar Nederland aantoonbaar sterk in is en die bijdragen aan veiligheid, weerbaarheid, wetenschap, open strategische autonomie en economisch verdienvermogen. Daarbij gaat het onder meer om hoogwaardige optische technologieĆ«n, subsystemen voor satellieten en raketten, lasersatellietcommunicatie, aardobservatie, astronomie en plaats-, navigatie- en tijdsbepaling. Dit sluit aan bij Nederlandse sterktes en prioritaire sleuteltechnologieĆ«n. Hiervoor zijn tevens de Nationale Technologiestrategie gepubliceerd op 19 januari 2024 (Kamerstuk 33009, nr. 140) en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie gepubliceerd op 4 april 2025 (Kamerstuk 31125, nr. 134). Het kabinet investeert in kennis, innovatie en industrieopschaling, om met sleutelposities in belangrijke ketens de welvaart en economische groei te vergroten. Ook versterken we daarmee de open strategische autonomie van Nederland, Europa en de NAVO. Nederland consolideert zo haar eigen strategische onafhankelijkheid en draagt substantieel bij aan een sterk Europa dat gezamenlijk kan opereren binnen en buiten de NAVO‑structuur. Een sterke industrie en een hoge mate van innovatie draagt daarnaast bij aan afschrikking. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door middel van versterking van de Nederlandse Defensie Technologische IndustriĆ«le Basis, kennisbasis en de randvoorwaarden die bedrijven en kennisinstellingen nodig hebben om de juiste stappen te kunnen zetten. Zo kan Nederland haar bijdrage leveren aan de versterking van de Europese Technologische IndustriĆ«le Basis.

Het kabinet zet zich er verder voor in dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen goed gepositioneerd zijn in Europese ruimtevaartprogramma’s zoals Infrastructure for Resilience, Interconnectivity and Security by Satellite, Galileo, Copernicus en Horizon Europe, in relevante ruimtevaarttrajecten binnen het Europees Defensiefonds en binnen programma's van de European Space Agency. Daarbij zet het kabinet in op tijdige betrokkenheid bij programmaontwikkeling en goede toegang tot opdrachten. Via de driejaarlijkse inschrijvingen bij de European Space Agency, nationale instrumenten, EU-programma’s en defensiegerelateerde trajecten wordt gericht aangesloten bij Nederlandse kennis- en industrieposities, zodat Nederlandse partijen kunnen deelnemen aan de ontwikkeling van Europese capaciteiten en waardeketens.

De gezamenlijke Nederlandse inzet wordt in een interdepartementale thematische werkgroep opgepakt door het verbinden van gezamenlijke behoeftes en capaciteitsvragen met Nederlandse innovatiekracht en industriĆ«le positionering in diverse programma’s. De werkgroep ondersteunt daarmee een samenhangende inzet van nationale, Europese en European Space Agency-instrumenten.

De leden van de D66-fractie constateren dat Duitsland recent miljarden vrij heeft gemaakt voor ruimtevaartcapaciteiten, waaronder een alternatief voor niet-Europese satellietcommunicatie en een eigen constellatie in een lage baan om de aarde. Deze leden vragen hoe het kabinet deze ontwikkeling beoordeelt. Ziet het kabinet het strategische belang van dergelijke initiatieven voor Europese veiligheid, digitale soevereiniteit en een open strategische autonomie? Is het kabinet voornemens hierbij aan te sluiten, en zo ja, op welke wijze? Hoe zet Nederland zich ervoor in dat dergelijke initiatieven Europees worden ingebed en bijdragen aan interoperabiliteit, gezamenlijke standaarden en Europese industriƫle versterking? Hoe kijkt de minister in dat kader naar de Lange-termijn Ruimtevaartagenda en de daarin uitgesproken ambitie om toe te groeien naar de ESA-norm?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet ziet het strategische belang van soevereine capaciteiten in het ruimtedomein en Europese open strategische autonomie. Nederland werkt hierin nauw samen met internationale partners en bondgenoten, waaronder Duitsland. Als belangrijke partners onderhouden Nederland en Duitsland nauw contact over mogelijkheden om bilaterale en Europese samenwerking in het ruimtedomein te versterken. Door internationale samenwerking en interoperabele capaciteiten kan van elkaars kennis en kunde gebruik gemaakt worden, kunnen de kosten beheersbaar blijven en kunnen schaalvoordelen worden bereikt. Internationale samenwerking wordt interdepartementaal zorgvuldig afgestemd. Zie het antwoord op vraag 2 omtrent versterking van de Europese Technologische Industriƫle Basis. Zie het antwoord op vraag 7 voor een toelichting op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda en de European Space Agency.

De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland wil bijdragen aan de EU Priority Capability Areas om tekorten in de veiligheid van kritieke ruimtevaartcapaciteiten te dichten. Welke concrete bijdrage wil Nederland hieraan leveren? Is het kabinet bereid een voortrekkersrol te nemen op terreinen waar de Nederlandse Defensie Technologische en Industriƫle Basis sterk is, zoals kleinere ruimtevaartsystemen, herbruikbare lanceercapaciteit, satellietcommunicatie, aardobservatie, Space Domain Awareness, sensortechnologie en data-interoperabiliteit?

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland beschikt over een uitstekende technologische basis en zet in op terreinen waar het in uitblinkt, wat wordt benadrukt in de Defensienota 2026. Een voorbeeld hiervan is de observatiesatelliet PAMI-1, die in 2028 gelanceerd zal worden. De satelliet zal hoge resolutie satellietbeelden verzamelen en krijgt een demonstratie payload voor optische en beveiligde satellietcommunicatie. De PAMI-1 wordt ontwikkeld door een consortium van Nederlandse technologiebedrijven.

De Priority Capability Area Space wordt uitgewerkt in de Coordination Group Space onder leiding van Frankrijk en Italiƫ. Nederland neemt actief deel aan dit werkverband. Op 29 mei heeft de Coordination Group een voorstel voor een European Defence Project for Common Interest ingediend bij de Europese Commissie, wat door Nederland wordt gesteund. De komende maanden zal de Coordination Group dit voorstel gezamenlijk uitwerken. Afhankelijk van deze uitwerking wordt de concrete Nederlandse bijdrage gedefinieerd, waarover wij de Kamer zullen informeren zodra deze gereed is.

De leden van de D66-fractie vragen tevens of het kabinet bereid is een leidende rol te nemen in het verbeteren van de samenwerking tussen de EU en de NAVO op het gebied van ruimtevaart. Europese investeringen moeten bijdragen aan Europese autonomie Ʃn aan NAVO-interoperabiliteit. Hoe voorkomt het kabinet dat EU-, ESA- en NAVO-trajecten naast elkaar bestaan zonder voldoende samenhang? Is het kabinet bereid te pleiten voor structurele afstemming over capaciteitsontwikkeling, standaarden, oefeningen, data-uitwisseling, gezamenlijke aanbestedingen en industriƫle samenwerking?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderschrijft de noodzaak van samenwerking en afstemming tussen de NAVO en de EU op het gebied van ruimteveiligheid en zal zich daarvoor blijven inzetten. Zoals in de kabinetsreactie geschreven, is de Nederlandse inzet gericht op nauwe afstemming tussen NAVO-ambities, EU-initiatieven en programma’s van de European Space Agency, met als doel de industriĆ«le en technologische samenwerkingen te versterken. Dit komt onder andere tot uiting in de onderhandelingen over het European Competitiveness Fund, waarin Nederland pleit voor een structurele dialoog tussen de EU en NAVO om complementariteit en interoperabiliteit te versterken. In het kader van de herziening van EU Raadsbesluit 698 zet Nederland zich in voor NAVO betrokkenheid bij EU-crisisoefeningen om het gezamenlijke beeld van de dreigingscontext in het ruimtedomein en de benodigde capaciteiten te versterken. Dit verbetert procedures, communicatie en voorbereiding voor een geĆÆntegreerde respons op crises waarbij beide organisaties betrokken zullen zijn.

De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet ruimtevaart terecht omschrijft als essentieel voor de samenleving, vitale processen en de nationale veiligheid. Tegelijkertijd blijven de publieke investeringen volgens deze leden achter bij het strategische belang van deze sector. Is het kabinet bereid ruimtevaart expliciet te erkennen als nationale vitale infrastructuur? Zo ja, welke beleidsmatige, budgettaire en organisatorische consequenties verbindt het kabinet daaraan? Zo nee, waarom niet?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet erkent dat ruimtevaart en satellietdiensten van essentieel belang zijn voor de samenleving, economie, vitale processen en de nationale veiligheid. Ruimtevaart is opgenomen als sector in het toepassingsbereik van de nieuwe Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het aanwijzen van kritieke entiteiten in deze sector.

Binnen die kaders kunnen een aantal ruimtevaartdiensten en -entiteiten onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten worden aangewezen. De Wet weerbaarheid kritieke entiteiten ziet op fysieke weerbaarheid van kritieke entiteiten. Digitale weerbaarheid loopt via de Cyberbeveiligingswet. Aanwijzing onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten zal leiden tot specifieke verplichtingen op het gebied van risicobeheersing, beveiliging, incidentmelding en toezicht. Daarnaast werkt het kabinet, in samenhang met de Lange-termijn Ruimtevaartagenda, aan het vergroten van de weerbaarheid en vermindering van afhankelijkheden van satellietnavigatie, communicatie, aardobservatie en ruimte-infrastructuur.

Sinds 2003 werken overheden en private organisaties samen aan het beschermen van onze vitale infrastructuur in de Aanpak vitaal.

Plaats-, navigatie en tijdbepaling is in 2017 voor het eerst aangemerkt als een vitaal proces met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat als verantwoordelijk departement. Andere vitale processen, zoals energie- en drinkwatervoorziening, financiƫle transacties, defensie en logistiek zijn in hoge mate afhankelijk van plaats-, navigatie en tijdsbepaling. Deze classificatie is vorig jaar herijkt. Hierbij is opnieuw vastgesteld dat plaats-, navigatie en tijdbepaling een vitaal proces is en in de 4-jarige vitaalcyclus van de NCTV is opgenomen. (Zie kamerstuk 24446, nr. 92).

De leden van de D66-fractie constateren dat Nederland tijdens de ESA MinisteriĆ«le Conferentie in 2025 op het laatste moment 109 miljoen euro extra heeft ingeschreven, waarmee de totale Nederlandse inschrijving uitkwam op circa 500 miljoen euro. Dat is ongeveer de helft van de verwachte bijdrage van 1 miljard euro per drie jaar op basis van het Nederlandse bruto nationaal product, terwijl de extra inschrijving incidenteel was. Wat is de concrete aanpak en welk tijdspad voorziet het kabinet om te komen tot een structurele verhoging van de Nederlandse bijdrage aan Europese ruimtevaartprogramma’s? Is het kabinet bereid toe te werken naar een bijdrage die past bij de omvang van de Nederlandse economie, de strategische betekenis van ruimtevaart en de ambitie om tot de Europese kopgroep te behoren? Welke middelen zijn structureel beschikbaar voor ruimtevaart, Research & Development (R&D), valorisatie, campusontwikkeling, ESA-inzet, EU-programma’s en defensie gerelateerde ruimtecapaciteiten? Welke aanvullende middelen zijn nodig om de ambities uit de Lange Termijn Ruimtevaartagenda daadwerkelijk te realiseren? En hoe voorkomt het kabinet dat incidentele bijdragen zorgen voor onzekerheid bij bedrijven, kennisinstellingen en consortia die juist behoefte hebben aan voorspelbare, meerjarige financiering?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft met de verhoogde Nederlandse inschrijving bij de MinisteriĆ«le Conferentie van de European Space Agency in 2025 de Nederlandse positie in belangrijke programma’s van het ruimteagentschap versterkt. Het kabinet onderkent het belang van een stabiele en voorspelbare basis voor de Nederlandse ruimtevaartsector en erkent dat meerjarige duidelijkheid voor bedrijven, kennisinstellingen en consortia van groot belang is. Het kabinet erkent daarnaast het belang van een structurele versterking van de Nederlandse ruimtevaartinzet en onderkent de ambitie om op termijn toe te groeien naar een bijdrage die beter aansluit bij de omvang van de Nederlandse economie en de strategische betekenis van ruimtevaart. De Lange-termijn Ruimtevaartagenda en de beleidsevaluatie laten zien dat aanvullende investeringen nodig zijn om alle ambities volledig te realiseren en verder toe te groeien naar de investeringsnorm van de European Space Agency.

Tegelijkertijd is een structurele verhoging van het ruimtevaartbudget niet eenvoudig. Binnen de rijksbegroting moeten voortdurend afwegingen worden gemaakt tussen verschillende maatschappelijke, economische en veiligheidsopgaven. Besluitvorming over eventuele structurele versterking van het ruimtevaartbudget vindt plaats tijdens reguliere begrotingsmomenten. Gegeven de beperkte financiƫle slagkracht van het kabinet kan het daarbij noodzakelijk zijn om, waar mogelijk, gebruik te maken van incidentele ophogingen voor meerdere jaren. Daarmee kunnen belangrijke investeringen in technologieontwikkeling, veiligheid, weerbaarheid en het economisch verdienvermogen worden ondersteund.

Onderdeel 2026 2027 2028
ESA-programma's (EZK) € 99,0 mln € 95,8 mln € 99,2 mln
ESA-programma's (OCW) € 104,4 mln
ESA-programma's (DEF)1 € 8,0 mln € 8,0 mln € 8,0 mln
Nationale ruimtevaartmiddelen (EZK) € 8,5 mln € 9,2 mln € 8,8 mln
Nationale ruimtevaartmiddelen (OCW) € 13,6 mln
EUMETSAT en PNT (IenW) € 29,5 mln € 29,5 mln € 29,5 mln

De tabel geeft een indicatief overzicht van de publieke ruimtevaartmiddelen voor de periode 2026–2028. De middelen voor European Space Agency programma’s, nationale ruimtevaartactiviteiten en departementale ruimtevaartgerelateerde uitgaven zijn hierin afzonderlijk zichtbaar gemaakt.

Het ministerie van Defensie heeft eenmalig een aanvullende bijdrage van EUR 24 miljoen als onderdeel van de Nederlandse investering in de European Space Agency geleverd, onder voorwaarden dat de investeringen bijdragen aan de noodzakelijke technologieƫn relevant voor de invulling van de verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie, meetellen met de NAVO-norm, passen binnen artikel 2 van de conventie van de European Space Agency en dat Defensie sturing geeft aan de inzet van de middelen aan projecten van het ruimteagentschap, die voor Defensie meerwaarde opleveren. In overleg met het Netherlands Space Agency is een samenwerkingsovereenkomst in voorbereiding dat nadere richting geeft aan de inzet en het monitoren van de middelen. Op basis van deze eerste samenwerking zal Defensie een afweging maken in welke mate de European Space Agency een rol kan spelen in de ontwikkeling van ruimtecapaciteiten voor militair gebruik.

Middelen voor onderzoek, ontwikkeling en valorisatie zijn niet afzonderlijk opgenomen. Deze activiteiten maken veelal integraal onderdeel uit van ruimtevaartprogramma’s en bredere innovatie-instrumenten, waardoor zij niet eenduidig zijn toe te rekenen aan afzonderlijke budgetposten. De betreffende uitgaven zijn daarom verwerkt in de weergegeven bedragen.

Financiering van EU ruimtevaartprogramma’s verloopt daarnaast deels via de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie. Deze middelen zijn niet ƩƩn-op-ƩƩn te relateren aan specifieke ruimtevaartprogramma’s of aan de Nederlandse ontvangsten uit Europese instrumenten en zijn daarom niet afzonderlijk in de tabel opgenomen.

De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet de samenhang tussen civiele ruimtevaartinvesteringen en militaire ruimtevaartcapaciteiten structureel borgt. Hoe zorgen de ministeries van economische zaken en defensie voor gezamenlijke prioritering, programmering en financiering? Worden civiele investeringen systematisch beoordeeld op hun bijdrage aan militaire capaciteit, weerbaarheid en strategische autonomie?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet borgt de samenhang tussen civiele ruimtevaartinvesteringen en militaire ruimtevaartcapaciteiten via afgestemd beleid en behoeftestelling tussen de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Defensie, Infrastructuur en Waterstaat, Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor zowel nationale als internationale inzet. De basis hiervoor wordt gelegd met de Lange-Termijn Ruimtevaartagenda, terwijl strategische keuzes in samenhang worden bezien in de Interdepartementale Raad Ruimtedomein. Deze versterkte interdepartementale governance is o.a. te zien binnen The Netherlands Space Agency waar de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Defensie, Infrastructuur en Waterstaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen onderdeel uitmaken van de Stuurgroep om samen uitvoering te geven aan het nationale ruimtebeleid.

Defensie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling, prioritering en inzet van de eigen militaire ruimtecapaciteiten. Militaire ruimtecapaciteiten maken onderdeel uit van multidomeinoperaties en de militaire planning- en commandostructuur en vallen daarmee onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie. Wanneer ruimtecapaciteiten worden ingezet voor militaire operaties, is het noodzakelijk dat deze militair van aard zijn. Civiele investeringen kunnen weliswaar leiden tot militaire toepassingen, maar worden niet systematisch beoordeeld op hun bijdrage aan militaire capaciteit, omdat dit vaak pas in een later stadium van het ontwikkeltraject zichtbaar wordt.

Binnen de versterkte governance wordt de Werkgroep Industrie & Innovatie benut om gezamenlijke behoeftes en capaciteitsvragen te verbinden met Nederlandse kennisposities, technologieontwikkeling en industriƫle mogelijkheden. Daarbij worden relevante sterktes en knelpunten in kaart gebracht en worden waar passend dual-use roadmaps en positioneringsvoorstellen ontwikkeld. De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat zetten zich gezamenlijk in voor een goede afstemming en samenwerking waar dat mogelijk en wenselijk is, zodat de Nederlandse industrie zo sterk mogelijk wordt gepositioneerd.

Bij nieuwe investeringen wordt waar relevant bezien hoe civiele, commerciƫle en militaire toepassingen elkaar kunnen versterken ten behoeve van veiligheid, weerbaarheid, maatschappelijke toepassingen en het economisch verdienvermogen. Daarbij blijven verantwoordelijkheden, financieringsbronnen en operationele eisen per domein verschillen.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor R&D, valorisatie en de versterking van Nederlandse ruimtevaartcampussen in onder meer Noordwijk, Delft en Marknesse. Ruimtevaart is verbonden met een groot deel van de Nationale Technologiestrategie en levert daarmee een hoogwaardige bijdrage aan het concurrentievermogen van Nederland. Hoe bevordert het kabinet dat kennis uit universiteiten, hogescholen, de Toegepast Onderzoekorganisaties en onderzoeksinstituten sneller terechtkomt bij bedrijven en maatschappelijke toepassingen? Welke rol ziet het kabinet voor campussen bij testfaciliteiten, talentontwikkeling, ondernemerschap en Europese consortiavorming?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet bevordert het omzetten van kennis en onderzoeksresultaten in commerciĆ«le of maatschappelijke waarde via een combinatie van ruimtevaartbeleid, innovatiebeleid en technologiebeleid. De Lange-termijn Ruimtevaartagenda en de Nationale Technologiestrategie geven richting aan sleuteltechnologieĆ«n en toepassingen waar Nederland sterk in is. Via European Space Agency programma’s, nationale instrumenten en de inzet van onder meer Netherlands Space Agency en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden bedrijven en kennisinstellingen ondersteund bij het ontwikkelen van nieuwe toepassingen en het versterken van hun positie in Europese consortia. De kennis en expertise van universiteiten, hogescholen, kennisinstellingen en onderzoeksinstituten zijn daarbij van groot belang. Het kabinet hecht eraan dat deze kennis zo goed mogelijk wordt benut voor maatschappelijke toepassingen, innovatie en economische kansen.

Campussen en regionale ecosystemen spelen daarbij een belangrijke verbindende rol. Zij brengen bedrijven, kennisinstellingen, testfaciliteiten, talentontwikkeling en ondernemerschap samen. Daarmee leveren zij een belangrijke bijdrage aan het versterken van het Nederlandse ruimtevaart-ecosysteem en de Nederlandse deelname aan Europese programma’s en consortia.

Tot slot zet het kabinet erop in dat de faciliteiten en activiteiten op de Nederlandse Space Campus en andere campussen wordt afgestemd op de behoeftes van de brede ruimtevaartsector om zodoende de groei van het ecosysteem optimaal te bevorderen.

De leden van de D66-fractie zien ruimtevaart als een domein waarin Nederland met meer ambitie, zelfvertrouwen en strategische scherpte moet optreden. Wie in de huidige geopolitieke context afhankelijk blijft van anderen, verliest handelingsvermogen. Nederland heeft de kennis, bedrijven, campussen en Europese positie om een leidende rol te spelen. Deze leden vragen het kabinet daarom om samen met de sector een concreet, financieel onderbouwd en Europees ingebed plan uit te werken waarmee Nederland zich duurzaam in de Europese kopgroep van de ruimtevaart positioneert, met de EU en Nederland nadrukkelijk in the lead. Het coalitieakkoord biedt derhalve allerlei instrumenten: launching customer, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling en dual-use. Hoe worden deze instrumenten ingezet?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke Nederlandse positie in het Europese ruimtedomein. De Lange-termijn Ruimtevaartagenda en de kabinetsreactie daarop vormen hiervoor het strategische kader. Binnen de beschikbare middelen werkt het kabinet aan de verdere uitvoering daarvan, in nauwe samenwerking met kennisinstellingen, bedrijven en andere overheden.

Het kabinet beziet hoe bestaande en nieuwe instrumenten kunnen bijdragen aan de versterking van het ruimtevaart-ecosysteem. Daarbij gaat het onder meer om ondersteuning van innovatie en valorisatie, betere toegang tot financiering, internationale positionering en waar passend de rol van de overheid als launching customer. Ook wordt bezien hoe nieuwe instrumenten uit het coalitieakkoord, zoals het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie en de Nationale Investeringsinstelling, in de toekomst kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en opschaling van strategische en dual-use technologieƫn die relevant zijn voor het ruimtedomein.

Voor dual-use toepassingen is samenwerking met Defensie van belang, in het bijzonder op terreinen waar civiele technologie ook bijdraagt aan veiligheid en weerbaarheid, en andersom. Daarnaast wordt interdepartementaal gewerkt aan het verbinden van gezamenlijke behoeftes en capaciteitsvragen met Nederlandse kennisposities, technologieontwikkeling en industriĆ«le mogelijkheden. Dit ondersteunt innovatie, opschaling en maatschappelijke toepassing, en draagt bij aan de positionering van Nederlandse partijen in Europese programma’s en waardeketens.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het AIV-adviesrapport 'Regie op veiligheid in de ruimte'. Zij hebben hiertoe geen vragen of opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het AIV-adviesrapport Regie op veiligheid in de ruimte. Deze leden hebben hier nog enkele vragen bij.

Aanbeveling 1: Verbeter de weerbaarheid en bescherming van de gehele ruimteketen

Nederland investeert in systemen voor ruimtemonitoring, oftewel Space Situational Awareness capaciteiten. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de genoemde Space Situational Awareness- en Space Domain Awareness-capaciteiten volledig operationeel zijn.

  1. Antwoord van het kabinet

Robuuste inzicht in het ruimtedomein is cruciaal voor de effectiviteit, snelheid en zelfstandigheid van moderne operaties in alle domeinen, zoals ook gesteld in de Defensienota 2026. De eerste capaciteiten ten behoeve van ruimtemonitoring worden dit jaar operationeel, waarna uitbreiding hiervan in de volgende jaren volgt. Omdat dit de operationele effectiviteit van de krijgsmacht kan schaden, kan hierop geen nadere specificatie gegeven worden.

Benodigde capaciteiten voor Space Domain Awareness zijn echter dermate omvangrijk dat samenwerking benodigd blijft om kosten beheersbaar te houden. Defensie draagt dan ook zorg dat nationale capaciteiten aansluiten op die van Europese en andere internationale partners om gezamenlijk meer militair vermogen te ontsluiten. Verder wordt met diverse Europese en non-Europese commerciƫle aanbieders samengewerkt.

Binnen het Europese samenwerkingsverband voor Space Surveillance and Tracking waar Nederland aan meedoet, kan worden bekeken of ook landen in het mondiale Zuiden kunnen deelnemen in het samenwerkingsverband, maar alleen bij instemming van andere partners en als het past binnen bestaande beleids- en veiligheidskaders. Echter, doordat met Space Surveillance and Tracking gevoelige veiligheidsinformatie kan worden verzameld, zijn er grenzen aan samenwerking met andere landen. Nederland richt zich in eerste instantie dan ook op samenwerking met EU‑lidstaten, NAVO‑bondgenoten en andere belangrijke partners.

Nederland treft diverse maatregelen om verstoringen en manipulatie van satellietnavigatiesystemen aan te pakken. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de verkenning naar robuuste grondgebonden alternatieven voor plaats-, navigatie- en tijdsbepaling volgens planning wordt afgerond. Wordt er geoefend met scenario’s waarin satellietnavigatie tijdelijk of langdurig uitvalt?

  1. Antwoord van het kabinet

In het kader van de verkenning naar robuuste alternatieven voor plaats-, navigatie- en tijdsbepaling worden gesprekken gevoerd met specialisten en organisaties, zowel nationaal als met omliggende landen en binnen de EU. Daarbij kennen met name de multilaterale- en EU-initiatieven verschillende snelheden. Het doel is om een helder overzicht te krijgen van wat verschillende alternatieven zijn en waar samenwerking mogelijk is. Tegelijkertijd heeft het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en met grote betrokkenheid van de vitale-sectoren, een rapport geschreven met als doel de weerbaarheid van die vitale sectoren op het gebied van plaats-, navigatie- en tijdsbepaling versneld te verhogen. Dit rapport is op 25 juni aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat aangeboden met afschrift aan de ministers van Defensie, Economische Zaken en Klimaat en Justitie en Veiligheid, en zal later met een inhoudelijke reactie met uw Kamer gedeeld worden.

Oefenen gebeurt alleen in een gecontroleerde omgeving, in 2022 heeft er op initiatief van Defensie een oefening uitval en manipulatie plaats-, navigatie- en tijdsbepaling plaatsgevonden in Marnehuizen. Op grote schaal oefenen heeft nog niet plaatsgevonden.

Nederland zorg voor de beveiliging en facilitering van het grondsegment van Galileo op Nederlands grondgebied. De leden van de CDA-fractie vragen hoe Bonaire hierin wordt meegenomen, mede gezien het feit dat de Galileo Sensor Station op Bonaire staat.

  1. Antwoord van het kabinet

Voor zowel het Galileo Reference Centre in Noordwijk als het Galileo Sensor Station op Bonaire geldt dat Nederland verantwoordelijk is voor de beveiliging en facilitering van de grondstations.

Aanbeveling 2. Pak met urgentie internationale regulering van veiligheidsuitdagingen op

De leden van de CDA-fractie steunen de inzet op internationale regels. Nederland moet zijn eigen veiligheid versterken, maar ook blijven werken aan internationaal recht en verantwoord gedrag in de ruimte. Deze leden vragen het kabinet welke concrete inzet Nederland heeft in de VN-werkgroep tegen een wapenwedloop in de ruimte. Welke landen zijn op dit moment de belangrijkste bondgenoten van Nederland bij het tegengaan van destructieve antisatelliettesten? Hoe wil het kabinet voorkomen dat voorstellen van Rusland en China over ruimtewapens vooral de bewegingsvrijheid van NAVO-landen beperken, terwijl zij zelf dreigende capaciteiten blijven ontwikkelen?

  1. Antwoord van het kabinet

De Nederlandse inzet in de Open-Ended Working Group on the Prevention of an Arms Race in Outer Space in all its aspects is gericht op het ontwikkelen van maatregelen die bijdragen aan strategische stabiliteit door voorspelbaarheid te creĆ«ren en risico’s te verminderen. Daartoe pleit Nederland concreet tot het voorkomen van plaatsing van massavernietigingswapens in de ruimte, een verbod op het opzettelijk verspreiden van ruimtepuin en handelingen die ernstige schade aan ruimteobjecten van andere staten veroorzaken, zoals destructieve antisatelliettesten, opzettelijke botsingen of destructieve co-orbitale aanvallen. Bij het tegengaan van destructieve antisatelliettesten vormen de belangrijkste partners van Nederland de landen die het moratorium hierop hebben onderschreven, waaronder alle EU-lidstaten en andere gelijkgezinden, zoals de VS, Canada, Japan en het VK.

De verificatie van afspraken voor verantwoord gedrag in de ruimte blijft een uitdaging. In opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Netherlands Space Agency een studie verricht naar de bruikbaarheid van Space Situational Awareness voor de verificatie van normen voor verantwoord gedrag in de ruimte. De eerste versie van dit rapport is tijdens de Space Security Conference in september 2025 in GenĆØve onder de aandacht gebracht bij een groot aantal landen. Momenteel wordt er gewerkt aan een tweede versie van het rapport, die moet dienen als basis voor een nader te organiseren side-event tijdens een toekomstige sessie van de Open-Ended Working Group on the Prevention of an Arms Race in Outer Space in all its aspects.


Om Russische en Chinese initiatieven die de bewegingsvrijheid van Nederland en partnerlanden beperken te voorkomen, trekt Nederland nauw op in EU‑verband en met andere gelijkgezinden. In relevante fora worden gezamenlijk, onder meer via EU‑statements, de bezwaren tegen de Russische en Chinese benadering aangekaart en toegelicht. In het kader van de hierbovengenoemde studie naar het gebruik van Space Situational Awareness brengt Nederland de resultaten daarvan onder de aandacht van niet-Westerse landen om een breed draagvlak te creĆ«ren voor de benadering waarin verantwoord gedrag centraal staat.

De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is om jaarlijks aan de Kamer te rapporteren over de voortgang in de internationale normstelling rond antisatellietwapens, ruimtepuin en dual-use technologie.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderschrijft het belang van internationale normstelling voor een veilig, duurzaam en verantwoord gebruik van de ruimte. Nederland zet zich in relevante internationale fora, waaronder de Verenigde Naties, de EU, de NAVO en de European Space Agency, actief in voor het versterken van internationale normen en afspraken over onder meer ruimtepuin, veilig ruimteverkeer en het voorkomen van destabiliserende of destructieve activiteiten in het ruimtedomein.

Het kabinet zal de Kamer hierover blijven informeren via bestaande rapportagelijnen, waaronder Kamerbrieven over de voortgang van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda, relevante EU-trajecten, internationale ruimtevaartfora en waar relevant verslaglegging van Nederlandse inzet in VN-processen, zoals het VN-ComitƩ voor het vreedzaam gebruik van de ruimte. Het kabinet acht het daarom op dit moment niet noodzakelijk om hiervoor een afzonderlijke jaarlijkse rapportage in te richten.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet het AIV-voorstel voor een toezichtmechanisme naar voorbeeld van de internationale burgerluchtvaart beoordeelt. Wanneer verwacht het kabinet de nadere studie naar zo’n toezichtmechanisme af te ronden?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet ziet de meerwaarde van internationale afspraken die transparantie, veiligheid en duurzaamheid in de ruimte vergroten. Een toezichtmechanisme naar analogie van de internationale burgerluchtvaart is een interessante gedachte, maar verkenning hiervan acht het kabinet op dit moment niet opportuun. Het kent aanzienlijke juridische, institutionele en praktische vragen. Het ruimtedomein verschilt wezenlijk van de luchtvaart, hetgeen ook blijkt uit de verschillen in de toepasselijke verdragsstructuur.

Het kabinet betrekt dit onderwerp daarom bij lopende internationale ontwikkelingen, in het bijzonder in VN-verband. Het VN-ComitƩ voor het vreedzaam gebruik van de ruimte, de International Telecommunication Union en andere VN-gremia bieden al belangrijke platforms voor internationale samenwerking, waaronder de bespreking van transparantie, coƶrdinatie en toezicht.

Aanbeveling 3. Verminder Nederlandse en Europese afhankelijkheid van non-Europese ruimtevaartdiensten

De leden van de CDA-fractie delen de zorg dat Europa te afhankelijk is van niet-Europese aanbieders. Dat geldt voor satellietcommunicatie, lanceringen, navigatie, aardobservatie en vroegtijdige waarschuwing. Strategische autonomie betekent niet dat Europa alles alleen moet doen. Het betekent wel dat wij niet chantabel mogen zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet welke non-Europese ruimtevaartdiensten op dit moment cruciaal zijn voor Nederland en de Nederlandse krijgsmacht. Kan het kabinet, desnoods vertrouwelijk, aangeven waar de grootste afhankelijkheden zitten? Welke doelen stelt het kabinet voor 2030 om deze afhankelijkheden af te bouwen?

  1. Antwoord van het kabinet

Defensie maakt gebruik van de diensten van meerdere Europese en niet-Europese partners en private leveranciers van ruimtecapaciteiten om afhankelijkheden en kwetsbaarheden te beperken. Zo wordt er bijvoorbeeld gebruik gemaakt zowel van Europese als niet-Europese satellietcapaciteit voor navigatie en satellietcommunicatie. Defensie maakt bijvoorbeeld gebruik van Europese als niet-Europese satellietcapaciteit voor navigatie en satellietcommunicatie. Defensie doet in principe geen openbare uitspraken over afhankelijkheden individuele leveranciers, omwille van de commerciƫle vertrouwelijkheid en operationele en veiligheidsredenen. Er is echter wel de bereidheid om in een vertrouwelijke technische briefing meer toelichting te bieden.

In de Defensienota 2026 wordt het belang van strategische autonomie benadrukt en om afhankelijkheden van derden in zijn algemeenheid te verminderen, investeert Defensie in eigen militaire ruimtecapaciteiten. Met eigenstandige aardobservatie- en monitoringscapaciteit kan Defensie onafhankelijk informatie vergaren en zicht houden op wat er zich op aarde en in de ruimte afspeelt. Daarnaast werkt Nederland via de European Space Agency en de EU mee aan het versterken van Europese onafhankelijkheid door middel van technologieontwikkeling.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Nederlandse industrie wordt betrokken bij Europese programma’s zoals IRIS², Galileo, Copernicus en toekomstige defensiegerelateerde ruimtecapaciteiten.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet prioriteert ruimtetechnologieĆ«n en toepassingen waar Nederland aantoonbaar sterk in is en die bijdragen aan veiligheid, weerbaarheid, wetenschap, open strategische autonomie en economisch verdienvermogen. Daarbij gaat het onder meer om hoogwaardige optische technologieĆ«n, subsystemen voor satellieten en raketten, lasersatellietcommunicatie, aardobservatie, astronomie en plaats-, navigatie- en tijdsbepaling. Hiervoor zijn tevens de Nationale Technologiestrategie gepubliceerd op 19 januari 2024 (Kamerstuk 33009 140) en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie gepubliceerd op 4 april 2025 (Kamerstuk 31125-134). Het kabinet investeert daarnaast in kennis, innovatie en industrieopschaling, om met sleutelposities in belangrijke ketens de welvaart en economische groei te vergroten. Nederland consolideert zo haar eigen strategische onafhankelijkheid en draagt substantieel bij aan een sterk Europa dat gezamenlijk kan opereren binnen en buiten de NAVO‑structuur. Een sterke industrie en een hoge mate van innovatie draagt daarnaast bij aan afschrikking. Dit wordt onder andere bewerkstelligd door middel van versterking van de Nederlandse Defensie Technologische IndustriĆ«le Basis, kennisbasis en de randvoorwaarden die bedrijven en kennisinstellingen nodig hebben om de juiste stappen te kunnen zetten. Zo kan Nederland haar bijdrage leveren aan de versterking van de Europese Technologische IndustriĆ«le Basis.

Het kabinet zet zich er verder voor in dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen goed gepositioneerd zijn in Europese ruimtevaartprogramma’s zoals Infrastucture for Resilience, Interconnectivity and Security by Satellite, Galileo, Copernicus en Horizon Europe, in relevante ruimtevaarttrajecten binnen het Europees Defensiefonds en binnen programma’s van de European Space Agency. Daarbij zet het kabinet in op tijdige betrokkenheid bij programmaontwikkeling en goede toegang tot opdrachten. Via de driejaarlijkse inschrijvingen bij de European Space Agency, nationale instrumenten, EU-programma’s en defensiegerelateerde trajecten wordt gericht aangesloten bij Nederlandse kennis- en industrieposities, zodat Nederlandse partijen kunnen deelnemen aan de ontwikkeling van Europese capaciteiten en waardeketens.

Aanbeveling 4. Verbeter de samenwerking tussen EU en NAVO en verbeter EU-governance

De leden van de CDA-fractie steunen betere samenwerking tussen de EU en de NAVO. De EU heeft veel civiele en technologische ruimtecapaciteiten. De NAVO heeft de militaire planning en operationele structuur. Die werelden moeten beter op elkaar aansluiten. Deze leden vragen het kabinet welke concrete Nederlandse voorstellen op tafel liggen voor structurele EU-NAVO-samenwerking in de ruimte. Hoe vaak vinden er op dit moment gezamenlijke oefeningen plaats over dreigingen in het ruimtedomein tussen de EU en de NAVO? Hoe voorkomt het kabinet dat EU- en NAVO-initiatieven langs elkaar heen werken of dubbel werk doen?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderschrijft de noodzaak van samenwerking en afstemming tussen de NAVO en de EU op het gebied van ruimteveiligheid en zal zich daarvoor blijven inzetten. Dit komt onder andere tot uiting in de onderhandelingen over het European Competitiveness Fund, waarin Nederland pleit voor een structurele dialoog tussen de EU en NAVO om complementariteit en interoperabiliteit te versterken. In het kader van de herziening van EU Raadsbesluit 698 zet Nederland zich in voor NAVO betrokkenheid bij EU-crisisoefeningen om het gezamenlijke beeld van de dreigingscontext in het ruimtedomein en de benodigde capaciteiten te versterken. Dit verbetert procedures, communicatie en voorbereiding voor een geĆÆntegreerde respons op crises waarbij beide organisaties betrokken zullen zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen verder wie in Nederland de politieke leiding heeft bij de EU-NAVO-ruimteveiligheid. Is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken, Defensie, Economische Zaken of is er een gezamenlijke structuur?

  1. Antwoord van het kabinet

Ruimteveiligheid is een rijksbrede verantwoordelijkheid. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is het coƶrdinerend ministerie voor het Nederlandse ruimtevaartbeleid, maar ruimteveiligheid in de zin van(inter)nationale veiligheid is primair de verantwoordelijkheid van de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken. Waar het gaat om veilig en duurzaam gebruik van de ruimte ligt de verantwoordelijkheid bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, binnen het kader van de Wet ruimtevaartactiviteiten.

Via bestaande overlegstructuren houden de departementen elkaar op de hoogte van ontwikkelingen die voor elkaar relevant zijn. De recent opgerichte Interdepartementale Raad Ruimtedomein waaraan de ministeries op DG-niveau deelnemen, draagt bij aan de versterking van interdepartementale afstemming en informatie-uitwisseling op dit gebied. Gelijktijdig blijft Defensie verantwoordelijk voor de ontwikkeling van militaire ruimtecapaciteiten en de inzet daarvan ter verdediging van het eigen grondgebied en dat van NAVO-bondgenoten.

Aanbeveling 5. Verruim bestaande Europese ruimtecapaciteiten voor militair gebruik en ontwikkel nieuwe militaire ruimtesystemen

Nederland zal zich binnen de EU en NAVO sterk maken voor een afwegingskader voor het ontwikkelen van nieuwe ruimtesystemen, gebaseerd op de grondhouding: waar mogelijk commercieel/publiek en waar noodzakelijk militair. De leden van de CDA-fractie vragen welke capaciteiten volgens het kabinet per definitie militair moeten blijven.

  1. Antwoord van het kabinet

Militaire ruimtecapaciteiten maken onderdeel uit van multidomeinoperaties en de militaire planning- en commandostructuur en vallen daarmee onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie. Wanneer ruimtecapaciteiten worden ingezet voor militaire operaties, is het noodzakelijk dat deze militair van aard zijn.

Het kabinet noemt het ontwikkelen van een eigen satellietconstellatie als mogelijkheid voor beter beveiligde en robuuste satellietcommunicatie. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer hierover een besluit wordt genomen.

  1. Antwoord van het kabinet

Om afhankelijkheden te beperken, maakt Defensie reeds gebruik van de diensten van meerdere Europese en niet-Europese partners en private leveranciers van ruimtecapaciteiten voor satellietcommunicatie. Daarnaast voorziet de Defensienota 2026 in de financiering voor een Nederlandse satellietconstellatie die fungeert als een snelle, betrouwbare en volledig onafhankelijke ā€˜digitale snelweg’ in de ruimte. Deze transport layer verbindt sensoren, grondstations en operationele gebruikers, vormt de ruggengraat van de Nederlandse ruimte-architectuur en is volledig compatibel met de systemen van onze NAVO bondgenoten. Hierdoor wordt zowel de operationele capaciteit van de krijgsmacht versterkt als de nationale soevereiniteit over cruciale ruimte-infrastructuur gewaarborgd.

De leden van de CDA-fractie vragen welke rol het kabinet ziet voor het ESA bij defensierelevante technologie.

  1. Antwoord van het kabinet

Het ministerie van Defensie heeft eenmalig een aanvullende bijdrage van 24 miljoen euro als onderdeel van de Nederlandse investering in de European Space Agency voor de periode 2026-2028 geleverd, onder voorwaarden dat de investeringen bijdragen aan de noodzakelijke technologieƫn relevant voor de invulling van de verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie, meetellen met de NAVO-norm, passen binnen artikel 2 van de conventie van de European Space Agency en dat Defensie sturing geeft aan de inzet van de middelen aan projecten van het ruimteagentschap, die voor Defensie meerwaarde opleveren. In overleg met de Netherlands Space Agency is een samenwerkingsovereenkomst in voorbereiding dat nadere richting geeft aan de inzet en het monitoren van middelen. Op basis van deze ervaring zal Defensie een afweging maken in welke mate de European Space Agency een rol kan spelen in de ontwikkeling van ruimtecapaciteiten voor militair gebruik.

Aanbeveling 6. Verzeker de NAVO van toegang tot ruimtecapaciteiten voor militair gebruik

De leden van de CDA-fractie vinden het van groot belang dat de NAVO in een artikel 5-situatie toegang heeft tot betrouwbare ruimtecapaciteiten. Zonder communicatie, navigatie, observatie en waarschuwing is moderne afschrikking niet geloofwaardig. Deze leden vragen het kabinet daarom welke Europese ruimtecapaciteiten volgens het kabinet in een NAVO-crisis beschikbaar zouden moeten zijn.

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft het standpunt dat Europese ruimtecapaciteiten zoveel als mogelijk beschikbaar gesteld moeten worden aan de NAVO in een artikel 5-situatie. Daarbij geldt wel dat niet alle civiele of dual-use capaciteiten te gebruiken zijn voor militaire inzet zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8. Zie voor specifieke duiding op toegang van NAVO bondgenoten tot het beveiligde en versleutelde Galileo-signaal, de Public Regulated Service, het antwoord op vraag 25.

De AIV schrijft dat het geavanceerdere Galileo-PRS, een encrypted navigatiedienst voor door de overheid geautoriseerde gebruikers en strategische toepassingen die een hoge continuĆÆteit en storingsbestendigheid vereisen, elk moment in gebruik kan worden genomen. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar het gebruik van Galileo-PRS als aanvulling op of back-up voor GPS binnen de NAVO. Is Nederland bereid om binnen de EU actief te pleiten voor bredere toegang tot Galileo-PRS voor NAVO-bondgenoten?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet ziet het beveiligde en versleutelde Galileo-signaal, de Public Regulated Service, als een aanvulling en back-up voor militair GPS. Als extra onafhankelijk beveiligde dienst systeem zorgt het Galileo-signaal voor redundantie en een robuustere navigatievoorziening voor zowel goedgekeurde civiele gebruikers en Defensie. Het gebruik van het Galileo-signaal voor defensietoepassingen draagt bij aan de Europese open strategische autonomie.

Specifiek het beveiligde en versleutelde Galileo-signaal, de Public Regulated Service, is in beginsel voorbehouden aan EU-lidstaten. Wel voorziet de EU-regelgeving rond het Galileo-programma (besluit 1104/2011/EU) in provisies voor het verstrekken van toegang tot het beveiligde Galileo-signaal aan derde landen door middel van een afzonderlijke overeenkomst tussen de EU en het betreffende land. Deze overeenkomst is voorwaardelijk aan specifieke eisen rond o.a. gegevensbeveiliging, en lands-specifieke aspecten als de eerbiediging van democratie, rechtstaat en fundamentele vrijheden in deze landen. Deze overeenkomst dient goedgekeurd te worden door de Raad van de Europese Unie. Goedgekeurde derde landen verkrijgen gebruikersrecht, maar geen inspraak in het programma. Tot op heden is dit voor geen enkel derde land gerealiseerd. De EU voert echter wel onderhandelingen hierover met een aantal landen, waaronder met Noorwegen.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe geregeld wordt dat ook NAVO-bondgenoten die geen EU-lid zijn kunnen profiteren van Europese ruimtecapaciteiten, zonder dat EU-zeggenschap wordt uitgehold.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie het antwoord op vraag 25.

Het overgrote deel van de capaciteiten van Galileo zijn vrij toegankelijk, ook voor landen en gebruikers buiten de EU. Dit betreft de standaard open dienst, maar ook om diensten rond Search-and-Rescue, precisie-navigatie of geauthenticeerde diensten zoals OSNMA (Open Service Navigation Message Authentication).

Aanbeveling 7. Versterk de Nederlandse ruimtevaartindustrie

De leden van de CDA-fractie zien de Nederlandse ruimtevaartsector als strategisch belangrijk. Nederland heeft sterke kennisinstellingen en bedrijven. ESTEC in Noordwijk is een groot voordeel. Maar zonder schaal, financiering en langjarige opdrachten blijft Nederland kwetsbaar

Het kabinet investeert in de periode 2026-2028 in totaal 450 miljoen euro in ESA-programma’s. Het kabinet schrijft dat aanvullende structurele middelen op termijn nodig zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer het kabinet daarover besluit.

  1. Antwoord van het kabinet

Een eventuele structurele verhoging van het ruimtevaartbudget is niet eenvoudig. Binnen de rijksbegroting moeten voortdurend afwegingen worden gemaakt tussen verschillende maatschappelijke, economische en veiligheidsopgaven. Besluitvorming over eventuele structurele versterking van het ruimtevaartbudget vindt plaats tijdens reguliere begrotingsmomenten.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet zorgt dat Nederlandse bedrijven vroeg genoeg aan tafel zitten bij Europese aanbestedingen. Welke knelpunten ervaren Nederlandse ruimtevaartbedrijven bij opschaling en financiering? Welke rol krijgen mkb en startups in defensiegerelateerde ruimtevaartprogramma’s? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse kennis wordt ontwikkeld met publiek geld, maar vervolgens buiten Europa wordt opgekocht?

  1. Antwoord van het kabinet

Voor aanbestedingen in EU kader (en overigens ook op de commerciĆ«le markt) is een gekwalificeerd product essentieel. Die kwalificatie gebeurt veelal via de European Space Agency, met publieke middelen. Een adequate inschrijving in programma’s van de European Space Agency is daarvoor van belang.

Daarnaast is het van belang dat de Europese Commissie en de European Union Agency for the Space Programme goed zicht hebben op de Nederlandse capaciteiten en behoeften. Daarom hebben de betrokken ministeries het Netherlands Space Agency gevraagd te onderzoeken hoe de positionering van Nederland richting de Europese Commissie en de European Union Agency for the Space Programme verder kan worden versterkt, zodat Nederlandse capaciteiten en behoeften beter aansluiten op de Europese ruimtevaartprogramma’s en daarin beter zichtbaar zijn.

Opschaling vereist investeringen die veelal voor de ruimtevaartbedrijven nog moeilijk bereikbaar zijn. Private investeerders zijn nog onvoldoende bekend met de mogelijkheden die de ruimtevaartmarkt biedt. Ook daarvoor zijn er diverse initiatieven, onder meer vanuit de European Space Agency en de NL Space Campus. Ook werkt Netherlands Space Agency om het brede instrumentarium van bijvoorbeeld de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij de sector bekend te maken.

In recente Europese defensie-initiatieven, zoals het recent aangekondigde AGILE-programma, blijven speciale onderdelen voor space startups en mkb beschikbaar, ook binnen programma's die raakvlakken hebben met ruimtevaart, digitalisering, energie en connectiviteit. Het kabinet benadrukt in defensie- en Europese innovatieprogramma's dat mkb en startups expliciet moeten kunnen deelnemen. Het kabinet erkent het belang van het beschermen van strategische technologieƫn en kennisposities en streeft ernaar dat industriƫle waardeketens met internationale partners, ook buiten de Unie, worden onderhouden, bijvoorbeeld met NAVO-bondgenoten.

Het kabinet acht het daarnaast van belang dat strategische kennis en technologie die met publieke middelen zijn ontwikkeld op een verantwoorde wijze worden beschermd. Daartoe beschikt het kabinet over instrumenten op het gebied van kennisveiligheid, investeringstoetsing en exportcontrole. Daarbij wordt steeds gezocht naar een goede balans tussen een aantrekkelijk innovatie- en investeringsklimaat, internationale samenwerking en de bescherming van Nederlandse en Europese veiligheids- en economische belangen.

Aanbeveling 8. Maak veiligheid in de ruimte tot een rijksbrede prioriteit

De recent opgerichte Interdepartementale Raad Ruimtedomein vormt een belangrijke stap in het versterken van de interdepartementale afstemming en informatie-uitwisseling, maar ziet geen reden de Wet Ruimtevaartactiviteiten aan te passen, ondanks dat de AIV dit wel adviseert. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet waarom zij er niet voor kiest om ruimtevaart als gedeelde ministeriƫle verantwoordelijkheid in de wet vast te leggen. Hoe voorkomt het kabinet dat de huidige versnippering blijft voortbestaan?

  1. Antwoord van het kabinet

De Wet ruimtevaartactiviteiten is primair een juridisch kader voor vergunningverlening, toezicht en registratie van ruimtevaartactiviteiten. Binnen dat kader is geen sprake van versnippering: de verantwoordelijkheden voor vergunningverlening en toezicht zijn duidelijk belegd. Defensie is niet vergunningsplichtig onder deze wet en voor defensie- en veiligheidsaspecten is reeds voorzien in uitzonderingen. Het opnemen van gedeelde ministeriƫle verantwoordelijkheid in de wet zou de uitvoeringspraktijk daarom niet verbeteren en kan juist leiden tot onduidelijkheid over bevoegdheden en besluitvorming.

De bredere beleidsmatige samenhang tussen civiele ruimtevaart, veiligheid, defensie, internationale samenwerking, innovatie en vitale processen wordt geborgd via interdepartementale governance. De Interdepartementale Raad Ruimtedomein draagt bij aan versterking van de interdepartementale afstemming en informatie-uitwisseling. Zoals op 16 juni jl. aan uw Kamer is gemeld (Kamerstuk 2026D29999), is Defensie toegetreden tot de Stuurgroep Netherlands Space Agency om sterker betrokken te zijn bij de uitvoering van het nationale ruimtebeleid. Gelijktijdig blijft Defensie verantwoordelijk voor de ontwikkeling van militaire ruimtecapaciteiten en de inzet daarvoor ten behoeve van de hoofdtaken van Defensie.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken zal vooralsnog niet toetreden tot de Stuurgroep Netherlands Space Agency. De Adviesraad Internationale Vraagstukken adviseert de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie toe te laten treden om de Stuurgroep een sterkere geopolitieke, strategische en militaire invalshoek te geven, de belangen van beide ministeries beter te borgen en fragmentatie van het ruimtevaartbeleid tegen te gaan. Toetreding tot de Stuurgroep impliceert ook een opdrachtgeversrol richting Netherlands Space Agency. Het ministerie van Buitenlandse Zaken acht de bestaande overlegstructuren, waaronder de Interdepartementale Raad Ruimtedomein, op dit moment voldoende om ruimteveiligheid een centrale plaats in het nationale ruimtevaartbeleid te geven en fragmentatie te voorkomen. Daarnaast heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken op dit moment geen nieuwe uitgewerkte opdracht voor Netherlands Space Agency gereed, zodat ook vanuit dit perspectief geen directe noodzaak tot toetreding bestaat.

De leden van de CDA-fractie vragen wanneer duidelijk wordt of de ministeries van buitenlandse zaken en defensie toetreden tot de Stuurgroep Netherlands Space Agency.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie het antwoord op vraag 29.

Aanbeveling 9. Werk samen met een breed scala aan internationale ruimtevaartorganisaties

De AIV adviseert de samenwerking met niet-Europese ruimtevaartorganisaties zoals NASA (VS), JAXA (Japan) en ISRO (India) te verdiepen. De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete doelen Nederland heeft in de samenwerking met NASA, JAXA en ISRO.

  1. Antwoord van het kabinet

Nederland werkt internationaal samen waar dit bijdraagt aan Nederlandse en Europese belangen, wetenschappelijke excellentie, technologische ontwikkeling en maatschappelijke toepassingen. Samenwerking met ruimtevaartorganisaties zoals de National Aeronautics and Space Administration (NASA), de Japan Aerospace Exploration Agency (JAXA) en de Indian Space Research Organisation (ISRO) kan onder meer betrekking hebben op aardobservatie, klimaatmonitoring, wetenschap, exploratie, technologieontwikkeling, data-uitwisseling en kennisopbouw.

Het kabinet ziet dergelijke samenwerking tevens als een manier om Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven toegang te geven tot internationale netwerken, samenwerkingsverbanden, missies en waardeketens, in lijn met een van de doelen van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda om het Nederlandse ruimtevaart-ecosysteem te versterken. Daarbij wordt steeds gekeken naar aansluiting bij Nederlandse sterktes, de behoeften van de Nederlandse ruimtevaartsector, bredere kabinetsdoelstellingen en relevante geopolitieke en veiligheidsafwegingen.

Voor het kabinet geldt dat dergelijke samenwerking waar mogelijk complementair moet zijn aan de inzet in de European Space Agency en de EU. Europese samenwerking blijft het primaire kader voor de Nederlandse ruimtevaartinzet. Buiten Europa blijven veiligheids-, exportcontrole- en kennisveiligheidskaders leidend.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar samenwerking met landen in het mondiale Zuiden op het gebied van Space Surveillance and Tracking.

  1. Antwoord van het kabinet

Zie het antwoord op vraag 11.

II Antwoord/ Reactie van de minister

III Volledige agenda

- Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen - Kabinetsreactie op AIV-adviesrapport 'Regie op veiligheid in de ruimte', d.d. 24 april 2026 (Kamerstuk 24446, nr. 102)


  1. Betreft een eenmalige aanvullende bijdrage van EUR 24 miljoen verspreid over drie jaar.ā†©ļøŽ