Lijst van vragen en antwoorden inzake Jaarrapportage Belastingdienst 2025 (Kamerstuk 31066-1542)
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D40083, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 10:39, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (PVV)
- Mede ondertekenaar: W.A. Lips, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z17501:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- 2026-09-09 16:45: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Beantwoording feitelijke vragen van de vaste commissie voor Financiën aan de staatsecretaris van Financiën inzake de jaarrapportage Belastingdienst 2025 (Kamerstuk 31066, nr. 1542).
Vraag 1
Hoe complex is de aftrek specifieke zorgkosten in de uitvoering?
Antwoord op vraag 1
De uitvoering van de aftrek specifieke zorgkosten is voor zowel de burger als voor de Belastingdienst zeer complex. Voor de burger is het moeilijk om te overzien welke kosten voor deze fiscale regeling in aanmerking komen en welke onderbouwing daarvoor aanwezig moet zijn. De structurele hoge foutkans, 28% in de meest recente steekproef particulieren, onderschrijft dit. Voor de Belastingdienst is deze regeling complex om uit te voeren, aangezien de Belastingdienst niet goed in staat is om medische informatie te beoordelen. In de Stand van de Uitvoering Belastingdienst 2026 zijn de knelpunten bij deze aftrekpost uitgebreider beschreven.1
Vraag 2
| Hoeveel uitvoeringscapaciteit is er gemoeid met de aftrek specifieke zorgkosten? |
|---|
Antwoord op vraag 2
Er is circa 60 fte belast met het uitvoering van deze regeling.
Vraag 3
Welke inkomensgroepen maken het meest gebruik van de aftrek specifieke zorgkosten? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgkosten die mensen daadwerkelijk maken? Klopt het dat met name hoge inkomensgroepen profiteren van de regeling en lage inkomensgroepen relatief weinig?
Antwoord op vraag 3
Mensen met een jaarlijks inkomen tussen €10.000 – €40.000 per jaar maken het meest gebruik van de regeling. Dat inzicht staat los van het recht of potentiële aanspraak op de regeling, omdat zowel sprake is van niet-gebruik als onjuist gebruik. Het is niet in beeld hoe het gebruik van de regeling voor specifieke zorgkosten zich verhoudt tot gemaakte zorgkosten in bredere zin. Het klopt dat de gemiddelde aftrek toeneemt bij de hogere inkomens en het hoogst is bij inkomens boven de €100.000.
Dit kan deels verklaard worden doordat burgers hun zorgkosten pas kunnen aftrekken als hun uitgaven boven een bepaald bedrag uitkomen én de hoogte van de (maximale) aftrek toeneemt met het inkomen. Het is, zeker voor lagere inkomens, niet altijd haalbaar om kosten volledig voor te schieten. Het duurt lang voordat er zekerheid is of het afgetrokken bedrag klopt, met een hoog risico op fouten.
Vraag 4
Zijn er nog andere fiscale regelingen die uitvoeringstechnisch bijzonder complex zijn, of die bijzonder veel capaciteit vragen?
Antwoord op vraag 4
De Stand van de uitvoering 2026 noemt twee knelpunten die burgers onzekerheid en veel administratieve lasten bezorgen: de aftrek van specifieke zorgkosten en de onverwachte gevolgen van nabetalingen voor burgers.2
Ook het ambtelijk rapport Kansen voor lagere tarieven en beter beleid (30 juni 2025) benoemt fiscaal complexe regelingen. Deze kunnen veel uitvoeringscapaciteit vragen en zijn soms foutgevoelig voor burgers en bedrijven. Voorbeelden zijn het lage MRB (Motorrijtuigenbelasting)-tarief voor bestelauto’s van ondernemers, het verlaagde btw-tarief voor geneesmiddelen en hulpmiddelen, de eigenwoningregelingen, de giftenaftrek, de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de degressieve tariefstructuur voor elektriciteit.
Vraag 5
Hoeveel extra capaciteit is in 2025 ingezet voor de box 3-hersteloperatie en gaat dit ten koste van regulier toezicht?
Antwoord op vraag 5
Het aantal medewerkers dat wordt ingezet voor de hersteloperatie is eind 2025 opgeschaald naar 700 fte en blijft naar verwachting ook de komende jaren tussen 600 en 700 fte. De hersteloperatie gaat niet ten koste van regulier toezicht, maar het vraagt wel aandacht en capaciteit van de Belastingdienst. Daarnaast heeft de invoering van de tegenbewijsregeling de toezichtactiviteiten op box 3 complexer gemaakt.
Vraag 6
Kan worden toegelicht waardoor de belastingontvangsten in 2025 met circa 15 miljard euro zijn gestegen ten opzichte van 2024?
Antwoord op vraag 6
In algemene zin geldt dat belastingontvangsten jaarlijks veranderen onder invloed van economische groei en beleidswijzigingen. De grote verschillen zijn er in 2025 met name bij loon-, inkomensheffing en premies (+€9 mld., totaal €223,5 mld.) en omzetbelasting (+€ 5mld., totaal €83 mld.) en vennootschapsbelasting (+€4 mld. totaal €49 mld.).
Economische ontwikkelingen vormen de belangrijkste verklaring voor de toename. De ontvangsten bij de loonheffing zijn gestegen door hogere lonen. Bij de ontvangsten omzetbelasting vormt groei van de consumptie de belangrijkste verklaring. De toegenomen winsten die bedrijven maken hebben tot een hogere vennootschapsbelasting geleid.
Vraag 7
Welke belastingsoorten hebben het meest bijgedragen aan deze stijging en wat verklaart deze ontwikkeling per belastingsoort?
Antwoord op vraag 7
Zie vraag 6.
Vraag 8
Hoeveel aanvragen voor het formulier “Opgaaf Werkelijk Rendement” zijn in 2025 verwerkt en hoeveel staan nog open?
Antwoord op vraag 8
In 2025 is het herstel box 3 voorbereid en is de verwerking uitgebreid getest. Er zijn sinds het openstellen van het formulier tot 19 augustus 2026 689.600 van de binnengekomen 863.600 formulieren Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) afgehandeld, waarvan 537.800 inhoudelijk zijn verwerkt. 151.800 van de afgehandelde formulieren waren niet behandelbaar of niet verwerkbaar. Er zijn nog 174.000 formulieren OWR in voorraad.
Vraag 9
Wat is de verwachte doorlooptijd van de hersteloperatie box 3?
Antwoord op vraag 9
De behandeling van bezwaren en verzoeken in het kader van herstel box 3 en het toezicht op de ingediende opgave werkelijk rendement zal zeker tot in het jaar 2030 plaatsvinden. Dit komt mede door de voorraad bezwaren en verzoeken (365.100 op 19 augustus 2026) en omdat voor belastingjaar 2024 nog tot en met 31 december 2029 bezwaren en verzoeken kunnen worden ingediend.
Vraag 10
Hoeveel capaciteit is in 2025 ingezet op hersteloperaties en hoe verhoudt dit zich tot reguliere werkzaamheden?
Antwoord op vraag 10
De Belastingdienst heeft in 2025 diverse hersteloperaties uitgevoerd, zoals de hersteloperatie Box-3, de hersteloperatie voor minnelijke schuldhulpverlening natuurlijke personen (MNSP) en het herstel naar aanleiding van het arrest over de hoogte van de belastingrente bij Box-3 en Vennootschapsbelasting. Vanwege de omvang is de capaciteit voor de hersteloperatie Box-3 apart bijgehouden. Er wordt in de systemen van de Belastingdienst niet standaard geregistreerd hoeveel capaciteit precies wordt ingezet op hersteloperaties ten opzichte van reguliere werkzaamheden. In algemene zin kan worden gesteld dat herstelwerkzaamheden aanvullende werkzaamheden met zich meebrengen en daarmee extra capaciteit vragen en tot herprioritering kunnen leiden.
Niet iedere hersteloperatie is even kostbaar. Sommige herstelacties kunnen grotendeels massaal en geautomatiseerd worden afgehandeld. Een voorbeeld hiervan zijn hersteltrajecten rondom belastingrente. In dergelijke gevallen blijft de extra capaciteitsinzet per geval relatief beperkt. Andere hersteloperaties, zoals box 3 vragen juist meer handmatige beoordeling en maatwerk, waardoor de benodigde capaciteit hoger uitvalt.
Vraag 11
Hoe wordt gemeten of de herschreven standaardbrieven daadwerkelijk beter begrijpelijk zijn voor burgers?
Antwoord op vraag 11
De Belastingdienst meet de begrijpelijkheid van herschreven standaardbrieven achteraf met een combinatie van gebruikersonderzoeken, objectieve taalanalyses, redactionele kwaliteitscontroles en signalen uit de praktijk.
Testen door middel van gebruikersonderzoeken
De Belastingdienst werkt grofweg met twee soorten gebruikersonderzoeken om te testen of brieven goed begrepen worden door de burger en/of ondernemer. De eerste soort is het medewerkerspanel, waarin teksten voorgelegd worden aan medewerkers met diverse expertises, zowel fiscaal, juridisch als taalkundig. De tweede soort is het externe klantonderzoek met bureaus die de communicatie van de Belastingdienst onderzoeken op begrijpelijkheid.Inzet van de Taalscan
De Taalscan is een intern ontwikkelde applicatie, op basis van de taal en tekstrichtlijnen, die de begrijpelijkheid van Belastingdienstbrieven beoordeelt. Na het uploaden van een document bekijkt de Taalscan wat het taalniveau en de taalscore van een tekst is. Het taalniveau en de taalscore zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek van de Universiteit Utrecht.Controle door (eind)redactie
Bij het redigeren en herschrijven van de standaardbrieven worden de Taalscanrapporten meegenomen en de uitkomst gebruikt bij het herschrijven. Na redactie kan een eindcontrole worden gedaan door de herschreven brief nogmaals te laten controleren. Zo controleert de Belastingdienst of de brief daadwerkelijk verbeterd is.Input vanuit andere communicatiekanalen
Eindredacteuren hebben contact met andere kanalen (onder andere met de BelastingTelefoon). Op basis van deze signalen worden brieven waar nodig aangepast, doorontwikkeld of verbeterd. Men blijft constant in gesprek over het doorontwikkelen en verbeteren van brieven.
Naast de instrumenten waarmee de begrijpelijkheid van standaardbrieven wordt gemeten, investeert de Belastingdienst ook in het structureel versterken van begrijpelijke communicatie. Zo zijn taal- en tekstrichtlijnen ontwikkeld die medewerkers ondersteunen bij het opstellen van heldere teksten. Daarnaast is een educatieve module beschikbaar die medewerkers bewust maakt van het belang van begrijpelijk communiceren en handvatten biedt voor de praktische toepassing daarvan. Ook worden de mogelijkheden van AI onderzocht om te verkennen hoe nieuwe technologie kan bijdragen aan het analyseren en verbeteren van teksten. De Belastingdienst heeft verder de Direct Duidelijk Deal ondertekend. Deze landelijke aanpak ondersteunt organisaties bij het schrijven van begrijpelijke en toegankelijke communicatie voor uiteenlopende doelgroepen.
Vraag 12
Hoe wordt de effectiviteit gemeten van het telefonisch benaderen van burgers bij aangifteverzuim?
Antwoord op vraag 12
De effectiviteit van het telefonisch benaderen van burgers wordt beoordeeld aan de hand van het doel van de betreffende campagne. Bij campagnes die zijn gericht op tijdige aangifte wordt gekeken of burgers na het telefoongesprek alsnog aangifte doen. Bij de geldteruggavebrief wordt gekeken of burgers naar aanleiding van het contact aangifte doen en de belastingteruggave ontvangen. De campagnes worden geëvalueerd door het aantal telefoongesprekken en verstuurde geldteruggavebrieven af te zetten tegen het aantal aangiften dat daarna alsnog wordt ingediend en leidt tot een daling in het aangifteverzuim.
Vraag 13
Waarom zijn in 2025 slechts 36 formulieren gedigitaliseerd terwijl 50 het doel was?
Antwoord op vraag 13
Zoals in de Jaarrapportage Belastingdienst 2025 genoemd zijn er 14 formulieren in 2025 nog niet live gezet, omdat er op dat moment nog niet aan alle beveiligingsvereisten werd voldaan. Inmiddels wordt aan alle beveiligingsvereisten voldaan waardoor die formulieren live kunnen worden gezet. De verwachting is dat eind 2026 in totaal 64 formulieren digitaal beschikbaar zijn.
Vraag 14
Hoe verklaart de Belastingdienst de stijging in tevredenheid over de BelastingTelefoon naar 82,4 procent?
Antwoord op vraag 14
De stijging van de klanttevredenheid over de BelastingTelefoon van 79,4 procent in 2024 naar 82,4 procent in 2025 hangt samen met de afname van de wachttijden. De gemiddelde directe wachttijd voor klanten die zelf contact opnemen met de BelastingTelefoon nam af van 421 seconden naar 296 seconden, een daling van ongeveer 30 procent. Eenvoudige vragen worden zoveel mogelijk via de digitale kanalen ondervangen. De complexere vragen, of meer vragen in een gesprek leiden wel tot een hogere gespreksduur bij de BelastingTelefoon, maar ook tot een hogere tevredenheid. De gespreksduur is toegenomen van 450 sec naar 549 sec.
Vraag 15
Waarop is de selectie gebaseerd van de 79.000 handmatig gecontroleerde aangiften inkomstenbelasting?
Antwoord op vraag 15
De Belastingdienst stelt handhavingsplannen op basis van het inzicht op het te ondersteunen nalevingsgedrag en/of het nalevingsprobleem, het inzicht in de doelgroep, de relevante omgeving en risico’s. De keuze welke aangiften/onderwerpen in het handmatig toezicht dienen te worden betrokken wordt gebaseerd op onder andere de uitkomsten van de meest recente steekproef particulieren, handhavingsplannen, wetgeving en hersteloperaties. Advisering door experts van de uitvoering, handhaving en de vaktechnische lijn, waarbij ook de beschikbare behandelcapaciteit wordt meegenomen, leidt tot de uiteindelijke keuzes in de selectie(regels) en de vastlegging daarvan.
Vraag 16
Wat verklaart dat meer dan 90 procent van de processen-verbaal leidt tot veroordeling of schikking?
Antwoord op vraag 16
Het hoge bestraffingspercentage hangt samen met het in een vroeg stadium betrekken van het Openbaar Ministerie (OM) en, indien van toepassing, de betrokken toezichthouder bij de keuze voor strafrechtelijke vervolging van een zaak. In zogeheten ‘weegploegen’ vindt weging plaats of het strafrecht het beste ‘instrument’ is om in te zetten en kansrijk is. Het OM bepaalt vervolgens of tot vervolging wordt overgegaan. Afhankelijk van het onderzoek en de ernst van het misdrijf kan het OM besluiten een zaak voor de rechter te brengen. Het alternatief is dat het OM zelf een straf oplegt met een strafbeschikking, een transactie of procesafspraken. Bij onvoldoende bewijs en/of niet in het algemeen belang kan het OM besluiten niet te vervolgen.
Vraag 17
Hoe wordt geborgd dat toezicht en handhaving risicogericht en proportioneel worden toegepast?
Antwoord op vraag 17
Onder handhaving verstaat de Belastingdienst dienstverlening, toezicht en opsporing. De Belastingdienst stelt handhavingsplannen op basis van het inzicht op het te ondersteunen nalevingsgedrag en/of het nalevingsprobleem, het inzicht in de doelgroep, de relevante omgeving en risico’s. Bij de inzet van handhaving wordt rekening gehouden met omstandigheden van burgers en bedrijven en de menselijke maat wordt daarbij toegepast. Dit gebeurt binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie, door professionele collega’s en teams binnen de directies Particulieren, MKB en Grote Ondernemingen, ondersteund door fiscaal-juristen en de vaktechnische lijn. Deze medewerkers werken dagelijks aan een juiste naleving van de belastingwetten, ondersteunen burgers en ondernemers daarbij en spelen in op veranderende fenomenen en constructies. Daarbij geldt dat de Belastingdienst, gegeven de hoeveelheid werk, altijd keuzes moet maken binnen de beschikbare capaciteit en deze daarom zo doeltreffend mogelijk inzet.
Vraag 18
Welke concrete toepassingen van AI zijn in 2025 getest en wat zijn de voorlopige resultaten?
Antwoord op vraag 18
In 2025 zijn er een aantal toepassingen van AI getest.
Het gaat om de volgende toepassingen:
Internationaal vooroverleg – beoordelen internationaal ruling verzoek door fiscalisten waarbij AI wordt ingezet voor het toetsen van vereisten en het kunnen doorzoeken van guidelines.
Ondersteuning van IV (informatievoorziening) - diverse AI-proeven zijn uitgevoerd op het gebied van productiviteitsondersteuning, softwareontwikkeling, servicedesk-automatisering, documentanalyse.
Digitale klantbeleving – er zijn drie proeven uitgevoerd om de klantbeleving voor bijvoorbeeld vindbaarheid en samenhang van informatie te vergroten.
Digitale coaches zijn momenteel in gebruik bij de Belastingdienst. Dit is een leermiddel om de performance van medewerkers te verhogen. Een vorm van leren in het werk. Digitale coaches worden ontwikkeld met gebruik van AI.
Enkele van deze toepassingen, internationaal vooroverleg, ondersteuning van IV en digitale klantbeleving zijn nog niet volledig in productie genomen en zaten in de testfase. De testen tonen aan dat AI duidelijke voordelen kan bieden. Vooral de ondersteuning door AI bij documentanalyse, samenvatten, schrijven en zoeken naar informatie wordt als kansrijk ervaren. AI neemt daarbij vaak repetitieve werkzaamheden over zodat medewerkers zich kunnen richten op complexer werk. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele inzet van AI alleen mogelijk is wanneer governance, beveiliging en verantwoord gebruik organisatiebreed worden ingericht. In 2025 zijn de eerste stappen hierin ook genomen. Zo is gestart met het inrichten van een AI-governance. De ontwikkeling en inzet van een Ethisch Juridisch Assessment is ook gestart om te voldoen aan wet- en regelgeving, zoals de Europese AI-verordening. Via bewustwording van AI-ethiek en opleidingen wordt de AI-geletterdheid van management en medewerkers bevorderd.
Het thema digitale soevereiniteit speelde in de testfase nog minder prominent, maar is inmiddels nadrukkelijker relevant geworden bij keuzes rond AI-platformen, dataopslag, afhankelijkheden en leveranciersstrategie.
Vraag 19
Wat verklaart de hoogte van de opbrengst uit de vennootschapsbelasting (49 miljard euro) in 2025?
Antwoord op vraag 19
VPB-ontvangsten bestaan uit voorlopige aanslagen in belastingjaar T en afrekeningen in T-1 en latere jaren. De opbrengst van de vennootschapsbelasting in 2025 is met 49,1 miljard euro ongeveer 4,0 miljard euro hoger dan in 2024 (+8,9%). De opbrengst groeit mee met winsten van bedrijven. In 2025 waren de ontvangsten over belastingjaar t (2025) en t-1 (2024) hoger dan in 2024.
Vraag 20
Kan worden uitgesplitst welk deel van de belastingontvangsten structureel is en welk deel conjunctureel?
Antwoord op vraag 20
De autonome groei (structureel, door de normale stand van de economie zoals loonstijging of inflatie)van de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, zoals toegelicht in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025, bedraagt 22,3 miljard euro (5,5%). Dit ligt dicht bij de feitelijke economische groei in 2025, die in werkelijke prijzen 5,0% bedroeg. Er is geen indicatie dat in 2025 sprake was van een sterke conjuncturele component in de economische groei.
Vraag 21
Hoeveel van de 2.754 fte externe inhuur betreft structurele functies die ook intern vervuld zouden kunnen worden?
Antwoord op vraag 21
Inmiddels (juni 2026) is sprake van een inhuurpercentage van 11,6%, eind 2024 was deze nog 16,2% voor de Belastingdienst. Er wordt geleidelijk toegewerkt naar de realisatie van de Roemernorm (maximaal 10% externe inhuur). Toch blijft inhuur op structurele functies ook nodig om de kwaliteit van dienstverlening te borgen, daar waar het werk vraagt om specialistische kennis of om ziekteverzuim en piekbelasting op te vangen.
Vraag 22
Hoe wordt het verschil tussen instroom (2.636 fte) en uitstroom (2.221 fte) structureel geborgd?
Antwoord op vraag 22
Er wordt gezorgd dat de balans van in- en uitstroom binnen het formatieve kader valt en budgettair gedekt is. De voorspelling voor de komende jaren, is dat het werk bij de Belastingdienst de komende jaren sterk gaat veranderen en daardoor gaat de Belastingdienst zijn taken met minder mensen uitvoeren. De verwachte meerjarige uitstroom door pensionering en natuurlijke doorstroom is daarbij groter dan de geplande instroom. Daarmee blijft de bezetting van de Belastingdienst nog steeds binnen het aangepaste formatieve kader.
Vraag 23
Welke impact heeft het toenemende langdurig verzuim op de uitvoeringscapaciteit?
Antwoord op vraag 23
Langdurig verzuim raakt de Belastingdienst direct in de inzetbare uitvoeringscapaciteit. Doordat veel werk specialistisch is, vergroot het de druk op de inzetbare capaciteit van teams en kan gevolgen hebben voor werkvoorraden, doorlooptijden, wettelijke termijnen en dienstverlening.
Vraag 24
Hoe verhoudt de externe inhuur (2.754 fte) zich tot de structurele personeelsbehoefte en wat zijn de kosten hiervan?
Antwoord op vraag 24
De verhouding tussen externe inhuur en eigen personeel wordt uitgedrukt in het percentage inhuuraandeel waarbij de kosten van de inhuur worden afgezet tegen de uitgaven van het eigen personeel. In 2025 bedroeg dat 12,5%. Dat is een afname van 2,3%-punt ten opzichte van het begin van 2025 en 1,1%-punt lager dan het gestelde budgetkader voor dat jaar. Waar mogelijk en passend binnen de structurele opgave, wordt externe inzet omgezet in ambtelijke capaciteit.
De externe inhuur is gericht op het vervullen van functies waar specialistische kennis nodig is zoals binnen de directie Informatievoorziening (IV). Binnen andere dienstonderdelen, zoals de directie Klantinteractie & -Services (KI&S), wordt bewust ingezet op een beperkte flexibele capaciteitsschil met uitzendkrachten om fluctuaties in de personele behoefte op te vangen, maar zijn uitzendkrachten ook een belangrijk kanaal om medewerkers te werven voor vaste functies.
Vraag 25
Hoe verhoudt het aantal boekenonderzoeken in het MKB (circa 7.800) zich tot eerdere jaren?
Antwoord op vraag 25
In de jaren 2022 t/m 2025 heeft de directie MKB van de
Belastingdienst het volgende aantal boekenonderzoeken uitgevoerd:
2022: 8.098 boekenonderzoeken
2023: 9.002 boekenonderzoeken
2024: 8.211 boekenonderzoeken
2025: 7.878 boekenonderzoeken
Kamerstukken II, 2025/26, nr. 31066, 1464. Het aantal boekenonderzoeken ligt al enige jaren binnen bandbreedte 7.000 – 10.000 boekenonderzoeken per jaar, die in de jaarplannen van de Belastingdienst is opgenomen. In mijn brief van 6 maart 2025 heb ik aangegeven dat ik deze bandbreedte – ondanks dat de gemiddelde tijdsbesteding per onderzoek is toegenomen vanwege toenemende complexiteit - ook voor 2026 en de jaren daarna wil aanhouden uitgaande van de huidige beschikbare middelen3.
Vraag 26
Hoe is de inzet van opsporingscapaciteit van 1,75 miljoen uur verdeeld over prioriteiten?
Antwoord op vraag 26
De FIOD heeft in 2025 in totaal 1.750.920 uur besteed aan opsporing. Van deze uren is 956.525 uur direct toe te rekenen aan opsporingsonderzoeken, 249.748 uur voor het zogenoemde ‘zien en veredelen’ van signalen en gegevens, en 544.647 uur aan overige opsporingswerkzaamheden. Onder ‘zien en veredelen’ vallen de werkzaamheden die nodig zijn om ontvangen signalen en informatie te analyseren en te verrijken, zodat deze bruikbaar worden voor strafrechtelijke onderzoeken. Werkzaamheden van medewerkers die opsporingsteams ondersteunen maken deel uit van de overige opsporingswerkzaamheden.
Voor de verdeling van de directe opsporingsuren over de verschillende thema’s verwijs ik u naar onderstaande tabellen, zoals ook opgenomen in het Jaarverslag FIOD 2025.
Tabel 1: Verdeling directe opsporingsuren naar thema’s conform Handhavingsarrangement in 2025.
| Prestatie-indicator uren | Realisatie 2025 in % |
Realisatie 2025 in uren |
|---|---|---|
| Fiscale delicten | 25,0 | 238.882 |
| Douane delicten | 12,1 | 115.642 |
| Toeslagen | 0,8 | 7.296 |
| Witwassen | 27,6 | 263.911 |
| Faillissementsfraude | 4,3 | 41.568 |
| Corruptie (Anti Corruptie Centrum) | 5,5 | 52.680 |
| Corruptie (mainports) | 3,2 | 30.996 |
| Financieel | 3,4 | 32.956 |
| Terrorisme financiering / Sancties | 5,4 | 51.336 |
| Intellectuele eigendomsfraude | 1,2 | 11.419 |
| Precursoren | 1,9 | 17.755 |
| Overig delicten | 3,5 | 33.674 |
| Opsporing buitenland | 4,0 | 38.050 |
| Werkzaamheden andere BOD / ketenpartners | 2,1 | 20.358 |
| Totaal | 956.525 |
Vraag 27
Wat verklaart dat 46 procent van de opsporingscapaciteit wordt ingezet op omgevingsgerichte onderzoeken?
Antwoord op vraag 27
De FIOD hanteert als streefwaarde jaarlijks minimaal 40 procent omgevingsgerichte onderzoeken op het totaal van afgeronde strafrechtelijke onderzoeken. In 2025 is een aandeel van 46 procent gerealiseerd. Een onderzoek kwalificeert als omgevingsgericht als vooraf is nagedacht over het te bereiken effect, er vooraf afstemming is geweest met ketenpartners en er voor gedragsbeïnvloeding en preventieve werking gericht gebruik is gemaakt van de media. Omgevingsgerichte onderzoeken kunnen betrekking hebben op de verschillende thema’s uit tabel 1.
Vraag 28
Hoe verhoudt het Nederlandse vertrouwenscijfer zich tot dat van belastingdiensten in vergelijkbare Europese landen?
Antwoord op vraag 28
Er is, voor zover ons bekend, geen internationaal vergelijkend onderzoek dat vertrouwen in belastingdiensten in Nederland en andere landen meet. Er zijn wel landen waar ze ook vertrouwen in hun belastingdienst meten, maar dat wordt op dusdanig verschillende manieren gedaan dat de resultaten niet met elkaar vergeleken kunnen worden.
Vraag 29
Hoe verklaart de Belastingdienst de verschillen in belastingmoraal tussen groepen belastingplichtigen?
Antwoord op vraag 29
De Fiscale Monitor laat zien dat de belastingmoraal in Nederland onder alle doelgroepen consistent hoog is. Deze bevindt zich met gemiddeld een 4,3 ruim boven het schaalmidden (belastingmoraal wordt gemeten op een schaal van 1 tot 5, van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal eens’ met 3 als neutrale middencategorie). De verschillen in belastingmoraal tussen de doelgroepen zijn klein. De score voor belastingmoraal onder particuliere belastingplichtigen ligt structureel iets lager (rond de 4,1) dan voor ondernemingen. Met name grote ondernemingen en fiscaal dienstverleners scoren iets hoger (voor beide doelgroepen constant op 4,4).
Belasting betalen heeft een andere betekenis voor de verschillende doelgroepen. Ondernemers hebben bijvoorbeeld te maken met andere belastingmiddelen, hebben een andere relatie met de Belastingdienst en andere belangen dan particuliere belastingplichtigen. Dat maakt het lastig betekenis te geven aan verschillen in belastingmoraal tussen de doelgroepen. Daarom richt de Fiscale Monitor zich primair op de ontwikkeling in de tijd binnen doelgroepen. De cijfers laten zien dat de belastingmoraal zeer stabiel is in de tijd en van jaar tot jaar slechts kleine schommelingen laat zien. Dit geldt voor alle doelgroepen.
Vraag 30
Hoe wordt het nalevingstekort gemeten en welke maatregelen worden genomen om dit terug te dringen?
Antwoord op vraag 30
Het nalevingstekort wordt bepaald door een representatieve steekproef te trekken uit het bestand van bekende aangiften van belastingplichtigen. Deze aangiften worden op juistheid en volledigheid gecontroleerd. De uitkomsten van de steekproeven worden geëxtrapoleerd en geven de mogelijke correcties weer bij een groep belastingplichtigen. Op de website open.overheid.nl worden de analyserapporten van de steekproefonderzoeken gepubliceerd. Recent is daar het geactualiseerde analyserapport 2024, Steekproef Ondernemingen 2022-2023, gepubliceerd. De bijlage van het analyserapport bevat een toelichting op de methodiek van de steekproef.
Het strategisch doel van de Belastingdienst is dat zoveel mogelijk burgers en bedrijven uit zichzelf de regels naleven, zonder dwingende en kostbare acties van de zijde van de Belastingdienst. De Belastingdienst wil zo veel mogelijk fouten voorkomen door gemak te bieden en effectief te informeren. Daarnaast controleert de Belastingdienst binnenkomende aangiftes op mogelijke fouten. Verder spoort de Belastingdienst misbruik en fraude op en pakt deze aan. Waar relevant worden zaken aangemeld bij de FIOD.
Onlangs is een motie aangenomen waarin de Kamer vraagt om een plan van aanpak om het nalevingstekort structureel te verkleinen en de Kamer voor Prinsjesdag hierover te informeren. In mijn reactie op de motie ga ik meer in detail in op de maatregelen die de Belastingdienst neemt om het nalevingstekort (verder) te verkleinen: bijdragen aan eenvoudige wet- en regelgeving, het ondersteunen van burgers en bedrijven door samenwerking met partijen in het (fiscale en administratieve) ecosysteem, een beweging naar meer risicogerichte onderzoeken en het zichtbaar aanpakken van fraude. Het nalevingstekort wordt overigens door veel verschillende factoren beïnvloed, die gedeeltelijk ook los staan van de handhaving door de Belastingdienst. Zie voor een uitgebreidere toelichting de stand-van-zakenbrief en de bijlage Kamerbrief moties nalevingstekort en fraude.
Vraag 31
Waarom is het nalevingstekort bij het MKB hoger (5,5 procent) dan bij particulieren (0,2 procent)?
Antwoord op vraag 31
Het nalevingstekort bij Particulieren dat uit de meest recente steekproef naar voren komt is 0,2 procent. Bij MKB is dat percentage 5,5 procent. De reden dat het nalevingstekort bij MKB-ondernemingen significant hoger ligt dan bij Particulieren is dat MKB-ondernemingen te maken hebben met meerdere belastingwetten, zoals Inkomensheffing (winst), omzetbelasting, mogelijk vennootschapsbelasting en loonheffing. Particulieren hebben overwegend uitsluitend met inkomensheffing niet-winst te maken. Daarnaast zijn de wettelijke bepalingen binnen die wetten voor MKB-ondernemingen ingewikkelder dan voor particulieren en moeten ondernemers anders dan particulieren een administratie voeren. Om het voor particulieren zo makkelijk mogelijk te maken om aan hun verplichtingen te voldoen maakt de Belastingdienst gebruik van het instrument van de Vooraf ingevulde Aangifte (VIA) die op basis van (gevalideerde) informatie van derden wordt ingevuld. Voor MKB-ondernemingen beschikt de Belastingdienst beperkt over betrouwbare informatie van derden.
Voor de doelgroep Particulieren, betreffende inkomstenbelasting niet winst, bedraagt het laatst geschatte nalevingstekort 159 miljoen euro, dit is 0,2 procent.4 Voor de doelgroep MKB-ondernemingen bedraagt het laatst geschatte nalevingstekort 5,186 miljard euro.5 Van dit geschatte nalevingstekort wordt elk jaar een substantieel deel door de Belastingdienst gecorrigeerd. In 2025 was dit 1,9 miljard euro bij MKB-ondernemingen en 122 miljoen bij Particulieren. De daadwerkelijk gemiste opbrengst is daarom lager.
Vraag 32
Hoe verklaart de Belastingdienst dat slechts 79,6 procent van de bezwaren binnen de Awb-termijn wordt afgehandeld?
Antwoord op vraag 32
De doelstelling om 90 procent of meer van de afgedane bezwaren binnen de Awb-termijn te behandelen is met een score van 79,6 procent niet gehaald. Deze afwijking wordt met name verklaard doordat de toestroom van bezwaren groot is geweest als gevolg van onder meer de bezwaren box 3 en belastingrente. De grote toestroom leidt ertoe dat de classificering van bezwaren stagneert, waardoor ook bezwaren die niet onder massaal bezwaar vallen te laat worden behandeld. Bij belastingmiddelen waar geen sprake is van een grote toestroom, zoals de omzetbelasting of loonbelasting zijn de bezwaren wel tijdig behandeld. Om de extra instroom aan bezwaren box 3 en belastingrente sneller te kunnen verwerken, is extra personeel en automatisering ingezet. De voorraad bezwaren die al buiten de termijn is blijft echter hoog, waardoor er geen verbetering van het Awb-percentage wordt verwacht in 2026.
Vraag 33
Waarom zijn slechts 141 van de 306 signalen in 2025 afgehandeld?
Antwoord op vraag 33
Van de 306 signalen die in 2025 in behandeling waren, zijn er 141 afgehandeld. De overige signalen vragen meer tijd, afhankelijk van de aard en complexiteit van het signaal en de maatregelen die nodig zijn om het onderliggende probleem structureel op te lossen. Soms lukt dat door bijvoorbeeld processen intern anders in te richten, de communicatie aan te passen of wet- en regelgeving te vereenvoudigen. Zo is bijvoorbeeld de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting verruimd van 8 naar 20 maanden. Deze is opgenomen in de fiscale verzamelwet 2028. De Fiscale verzamelwet 2028 is een door het Ministerie van Financiën ter internetconsultatie voorgelegd wetsvoorstel met technische en redactionele wijzigingen in diverse belastingwetten. De internetconsultatie loopt tot 10 september 2026. In andere gevallen vraagt het aanpassen van wet- en regelgeving meer tijd of zijn aanpassingen in ICT-systemen noodzakelijk. Het feit dat een signaal nog niet is afgehandeld, betekent niet dat er geen vervolg aan een signaal is gegeven. Openstaande signalen kunnen zich in verschillende fasen van analyse, besluitvorming of implementatie van verbetermaatregelen bevinden. Bij signalen waarvoor een ICT-oplossing gewenst is wordt ook bekeken of een alternatieve (tijdelijke) oplossing mogelijk is, bijvoorbeeld via communicatie of een handmatige werkwijze. Wanneer een passend alternatief ontbreekt en er op dat moment geen mogelijkheid is om een structurele oplossing te realiseren, blijft het signaal in de wacht totdat de benodigde randvoorwaarden zijn ingevuld. Dit kan afhankelijk zijn van onder meer prioritering, beschikbare capaciteit, budgettaire ruimte en samenhang met andere ontwikkelingen. Hierdoor kan het in sommige gevallen langere tijd duren voordat een signaal structureel wordt opgelost.
Vraag 34
Welke maatregelen worden genomen om de opvolging van signalen te versnellen?
Antwoord op vraag 34
De Belastingdienst werkt aan manieren om de opvolging van signalen verder te versnellen. Zo zet de Belastingdienst in op een meer thematische werkwijze. Door signalen met vergelijkbare kenmerken te bundelen en patronen eerder te herkennen, kunnen knelpunten vaker in samenhang worden beoordeeld. Hierdoor hoeft niet ieder signaal afzonderlijk hetzelfde analyse- en verbetertraject te doorlopen.
Daarnaast wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij bestaande verbetertrajecten en andere lopende ontwikkelingen binnen (en buiten) de organisatie.
Ook werkt de Belastingdienst aan een sterkere verankering van signalen in de portfolio- en verandersturing. Bij nieuwe ontwikkeling, vernieuwing en aanpassing van processen en ICT-systemen wordt actief bezien welke signalen van burger en ondernemers kunnen worden meegenomen. Hierdoor kunnen verbetermaatregelen vaker worden gecombineerd met reeds geplande veranderingen, wat de opvolging van signalen efficiënter maakt. Daarbij blijft de beschikbare ICT-capaciteit een belangrijke randvoorwaarde, waardoor keuzes noodzakelijk zijn in de volgorde waarin verbeteringen worden gerealiseerd.
De Belastingdienst zoekt bovendien structureel de samenwerking op met andere overheidsorganisaties op het gebied van signaalmanagement, dit is ook onderdeel van de overheidsbrede samenwerking op dienstverlening. Door kennis, ervaringen en werkwijzen uit te wisselen tussen de overheidsorganisaties, wordt gewerkt aan een verdere versterking van het signalenproces. Daarnaast maakt dit het makkelijker om organisatie-overstijgende signalen goed op te pakken en in gezamenlijkheid op te lossen.
Vraag 35
Hoeveel burgers zijn gecompenseerd binnen de MSNP-regeling en wat is de totale financiële omvang?
Antwoord op vraag 35
Per 7 juli 2026 zijn binnen de tegemoetkomingswet minnelijke schuldsanering natuurlijke personen (hierna: MSNP) burgers gecompenseerd via kwijtschelding, forfaitaire tegemoetkomingen en uitgebreidere tegemoetkomingen, en via aanvullende routes voor nabestaanden en (ex)partners. Categorie I en III ontvangen alleen de forfaitaire tegemoetkoming; categorie II en IV ontvangen daarnaast terugbetaling, en waar van toepassing kwijtschelding en afloscapaciteit. De financiële omvang bestaat uit twee delen: kwijtschelding (schuldverlichting) en contante uitbetalingen. De aantallen per regel zijn niet onderling optelbaar tot één totaal aantal burgers, omdat sommige burgers in meerdere categorieën vallen.
| Regel | Aantal burgers | Financiële omvang |
|---|---|---|
| Totaal Kwijtschelding (cat. II, IV): | 1.103 | € 15.211.932 |
| Soorten tegemoetkomingen: | ||
|
7.101 | € 11.581.215 |
|
645 | € 169.598 |
|
410 | € 229.005 |
|
15 | € 103.759 |
| Totaal Tegemoetkomingen** | — | € 12.083.577 |
* Pseudo-MSNP: betaling van de afloscapaciteit via een gemeentelijk schuldhulptraject.
** Kwijtschelding staat los van het totaal tegemoetkomingen; dat totaal is de som van regel 1 t/m 4.
Vraag 36
Kan worden toegelicht waarom zich nog ten minste 64 miljoen ongesorteerde bestanden in de datakluis bevinden?
Antwoord op vraag 36
Tijdens archiefwerkzaamheden van de Belastingdienst om de informatiehuishouding verder op orde te krijgen is de datakluis in beeld gekomen. De datakluis is in 2019 ingericht als tijdelijke maatregel in het licht van de AVG. De informatie in deze datakluis is de afgelopen jaren niet doorzocht bij belangrijke leveringen van informatie, zoals aan de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD). Hierover is uw Kamer op 15 april 2026 geïnformeerd6. Kort hierna is gebleken dat het getal van 64 miljoen het gevolg is geweest van dubbele tellingen en het meetellen van systeem-files. Nadere precisering heeft uitgewezen dat het om circa 25 miljoen bestanden gaat. Hierover is de Tweede Kamer op 10 juli geïnformeerd7.
Om na te gaan hoe de datakluis tot stand is gekomen en hoe deze buiten beschouwing heeft kunnen blijven, heeft een onafhankelijke partij (BDO) onderzoek gedaan. Met de Kamerbrief van 10 juli jl. is dit onderzoek aan uw Kamer toegestuurd.
Vraag 37
Wat is de planning om deze datakluis volledig te verwerken en toegankelijk te maken?
Antwoord op vraag 37
Op 10 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd over het maken van een plan van aanpak waarmee de inhoud van de datakluis op een zorgvuldige, controleerbare en rechtmatige wijze wordt ontsloten, beoordeeld en vervolgens verwerkt overeenkomstig de geldende wettelijke verplichtingen.8 Dit plan van aanpak wordt in samenspraak met de externe commissie verder aangescherpt. We voorzien een start van de commissie per 1 oktober 2026. In samenspraak met de commissie zal uw Kamer zo spoedig mogelijk daarna worden geïnformeerd over het uitgewerkte plan van aanpak, inclusief de planning en doorlooptijd.
Vraag 38
Welke risico’s brengt dit met zich mee voor informatieverzoeken en parlementaire controle?
Antwoord op vraag 38
De datakluis is ten onrechte niet doorzocht bij belangrijke leveringen van informatie, zoals voor de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD). Dit had nooit mogen gebeuren. Daarom zullen deze zoekslagen met prioriteit en in samenspraak met de eerdergenoemde externe commissie alsnog worden gedaan. Daarnaast richt de Belastingdienst zich actief op de behandeling van verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis, zoals Woo-verzoeken. Transparantie richting Kamer, betrokkenen en de maatschappij is hierbij het uitgangspunt.
Vraag 39
Kan per project of projectcategorie binnen het IV-portfolio worden aangegeven welke projecten in 2025 conform planning zijn afgerond en welke projecten niet?
Antwoord op vraag 39
Het totale IV-portfolio bestaat uit meer dan 2000 initiatieven, uiteenlopend van kleinere projecten tot grootschalige trajecten zoals de modernisering van de omzetbelasting. Een uitputtende lijst is gedetailleerd en geeft geen goed inzicht in hoe het IV-portfolio ervoor staat, omdat het geen overzicht in de samenhang biedt. Voor de overzichtelijkheid en een goede bestuurbaarheid heeft de Belastingdienst het IV-landschap opgedeeld in ketens. Ieder proces en iedere IV-voorziening is toebedeeld aan een keten. Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de stand van zaken in deze ketens. Dat gebeurt onder meer via het Overzicht Uitvoerbaarheid dat u ontvangt op Prinsjesdag en via de periodieke stand-van-zakenbrief. In de stand-van-zakenbrief die u gelijktijdig ontvangt met deze beantwoording wordt u geïnformeerd over de ketens waarin sprake is van uitloop in de planning.
Vraag 40
Welke projecten binnen het IV-portfolio hebben in 2025 vertraging opgelopen of zijn uitgesteld en wat waren hiervoor de belangrijkste oorzaken?
Antwoord op vraag 40
Uitloop bij trajecten kan verschillende oorzaken hebben. Nieuwe beleidswensen of aanvullende eisen kunnen leiden tot een aanpassing van de scope, zoals in het kader van het versterken van de digitale autonomie. Ook kan er herprioritering binnen het portfolio nodig zijn, omdat herstel plaats moet vinden. Denk daarbij aan de herstelwerkzaamheden box 3 naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad uit juni 2024. Daarnaast speelt de beschikbaarheid van ICT-medewerkers en professioneel projectmanagement een rol. Werk kan complexer zijn dan vooraf ingeschat of vraagt om expertise die schaars is. Deze factoren worden zo goed mogelijk opgevangen binnen het porfolio.
Zoals aangegeven in antwoord 39 ontvangt u gelijktijdig met deze beantwoording de stand-van-zakenbrief. Daarmee wordt u geïnformeerd over de uitloop in een aantal ketens. Met Prinsjesdag ontvangt uw Kamer het Overzicht Uitvoerbaarheid, waarin voor alle ketens een uitgebreid inzicht wordt gegeven in de stand van zaken.
Vraag 41
Wat was de oorspronkelijke planning voor het Meerjarenportfolio en het IV-portfolio in 2025 en in hoeverre is deze planning gerealiseerd?
Vraag 42
Is gedurende 2025 geherprioriteerd binnen het IV-portfolio? Zo ja, welke projecten zijn naar voren gehaald, vertraagd of geschrapt als gevolg van deze herprioritering?
Antwoord op vraag 41 en 42.
Het Meerjarenportfolio (MJP) is de meerjarige strategische planning voor de prioriteitstelling en toewijzing van middelen binnen het IV-portfolio van de Belastingdienst. Dit heeft als doel om de beschikbare IV-capaciteit zo optimaal mogelijk in te zetten om de (lange termijn) doelstellingen van de Belastingdienst te realiseren.
De praktijk laat zien dat de modernisering van het ICT-landschap voortdurend om bijsturing vraagt. Naast nieuwe beleidswensen, aanvullende eisen, extra (herstel)werkzaamheden en beschikbaarheid van ICT-capaciteit moet de Belastingdienst ook inspelen op technologische ontwikkelingen. De planning staat dus niet stil. Om die reden wordt het MJP twee keer per jaar geactualiseerd. Dan wordt opnieuw bekeken welke wijzigingen en omstandigheden zich hebben voorgedaan en om welke bijsturing dat vraagt. Zo blijft het portfolio aansluiten bij de actuele ontwikkelingen en blijft de organisatie wendbaar.
Vraag 43
Op basis van welk prioriteringskader zijn in 2025 keuzes gemaakt binnen het Meerjarenportfolio en het IV-portfolio?
Antwoord op vraag 43
Sinds 2025 wordt er een prioriteringskader toegepast met drie categorieën:
(1) Essentiële modernisering om continuïteitsrisico's te voorkomen;
(2) Wetgeving en externe verplichtingen;
(3) Strategische initiatieven die bijdragen aan betere dienstverlening, gebruiksgemak, toezicht, digitale autonomie, productiviteit, werkplezier en innovatie. Tot deze laatste categorie behoren ook investeringen die toekomstige achterstanden helpen voorkomen.
De prioritering gaat op volgorde van de categorieën, waarbij categorie 1 en 2 moeten en er in 3 beperkte ruimte is om keuzes te maken. Initiatieven die bij categorie 1 lager in de prioritering staan en initiatieven die in categorie 2 bovenaan staan worden afgewogen. De ambitie is om op termijn een portfolioverdeling te realiseren van maximaal 20 procent voor essentiële modernisering en minimaal 20 procent voor strategische prioriteiten.
Vraag 44
Welke invloed hebben hersteloperaties, zoals de hersteloperatie box 3, gehad op de beschikbare IV-capaciteit voor overige moderniserings- en verandertrajecten?
Antwoord op vraag 44
Door de herstelwerkzaamheden box 3 zijn bij de keten Inkomensheffingen moderniseringswerkzaamheden, zoals de uitfasering van Cool:Gen, doorgeschoven. Daar is uw Kamer in oktober 2024 over geïnformeerd.9
Vraag 45
Kan worden toegelicht welke knelpunten in 2025 zichtbaar zijn geworden door de toepassing van het prioriteringskader en welke lessen hieruit zijn getrokken voor 2026?
Antwoord op vraag 45
Het belangrijkste knelpunt, is de structurele schaarste aan IV-capaciteit. Hierdoor is de ruimte voor strategische vernieuwing (categorie 3) beperkt, terwijl investeren hierin nodig is voor de toekomstbestendigheid van de Belastingdienst. Dit is ook in 2025 gebleken.
Voor 2026 wordt daarom ingezet op versterking van de portfoliosturing langs drie lijnen: portfolioplanning, portfoliorealisatie en verhoging van de IV-output. Daarbij wordt de schaarse ruimte voor strategische vernieuwing gezamenlijk en integraal geprioriteerd. De ambitie is om deze ruimte voor strategische initiatieven in categorie 3 de komende jaren geleidelijk te vergroten naar ten minste 20 procent van de beschikbare IV-capaciteit.
Vraag 46
Kan worden toegelicht waarom slechts 44 procent van de Woo-verzoeken tijdig is afgehandeld?
Antwoord op vraag 46
In december 2025 is o.a. het Meerjarenplan Openbaarheid vanuit het ministerie van BZK naar de Tweede Kamer gestuurd. De doelstelling voor 2026 voor de ministeries (inclusief uitvoeringsorganisaties) is om 40 procent van de Woo-verzoeken binnen de termijn af te handelen. De Belastingdienst heeft 44 procent van de verzoeken binnen termijn afgerond. Het is de doelstelling om in 2030 te voldoen aan de wet10.
Er zijn verschillende factoren die een rol spelen bij de genoemde 44 procent. Enerzijds heeft dit te maken met interne en organisatorische ontwikkelingen, zoals het afronden van oudere verzoeken (die hebben negatieve impact op de doorlooptijd), en uitdagingen rond de werving van kwalitatief goed personeel. Daarnaast is de aard van de Wet open overheid een belangrijke factor. Zo is sprake van een toename in complexe verzoeken, en vragen verschillende verzoekers zeer veel capaciteit van de organisatie. Zo zijn van één verzoeker zijn in 2025 meer dan 40 verzoeken behandeld. Ook waren er verschillende spoedzaken als het afhandelen van art. 68 verzoeken. Dit heeft impact op de behandeling van andere verzoeken.
Vraag 47
Welke maatregelen worden genomen om dit percentage richting de doelstelling van 90 procent te brengen?
Antwoord op vraag 47
De doelstelling loopt met stappen van 10 of 15 procent op van 40 procent in 2025 naar 90 procent in 2030. Om het realisatiepercentage richting deze doelstelling te verhogen, wordt ingezet op een integrale verbeterstrategie die zich richt op capaciteitsuitbreiding, procesoptimalisatie en intensievere samenwerking binnen de organisatie.
De focus ligt op het wegwerken van historische achterstanden, het analyseren en aanpakken van oorzaken van lange doorlooptijden en het verbeteren van de interne werkprocessen.
Vraag 48
Hoe wordt structurele naleving van privacywetgeving geborgd, gezien het toezichtarrangement van de Autoriteit Persoonsgegevens?
Antwoord op vraag 48
Om meer in control te komen op de AVG en dat aan te kunnen tonen, implementeert de Belastingdienst privacyraamwerk, zodat ook na afloop van het toezichtarrangement een basis is gelegd om centraal te sturen op en privacybeheersing. Een privacyraamwerk is een gestructureerde set van kaders, processen en protocollen die een organisatie helpt om persoonsgegevens op een veilige, consistente en (juridisch) juiste manier te verwerken. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de privacyorganisatie van de Belastingdienst herbeoordeeld. De Autoriteit Persoonsgegevens concludeert dat er zichtbare en merkbare verbeteringen zijn opgetreden in het functioneren van de privacyorganisatie. Desondanks zijn er nog knelpunten op het terrein van onduidelijkheid over taken en verantwoordelijkheden. Uw Kamer is op 16 april 2026 over deze herbeoordeling geïnformeerd.
Vraag 49
Hoeveel ICT-projecten staan op dit moment in de wachtrij vanwege overvolle portfolio’s en wat is de financiële omvang daarvan?
Antwoord op vraag 49
Op basis van de eerste actualisatie van 2026 ziet het ernaar uit dat de Belastingdienst voor 2027 een overvraag heeft van circa 84.000 IV-dagen (€ 84 miljoen).
Vraag 50
Wat zijn de risico's als de vervanging van verouderde systemen verder vertraagt?
Antwoord op vraag 50
Als verouderde systemen niet tijdig worden vervangen ontstaan er risico’s op twee vlakken: continuïteit en wendbaarheid. Continuïteitsrisico’s ontstaan doordat bij verouderde systemen de ondersteuning van de leverancier kan stoppen. Dan worden kwetsbaarheden in deze systemen niet meer verholpen, wat risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid. Ook ontstaat er meer risico op storingen en uitval. Daarnaast wordt de expertise over verouderde systemen, zowel binnen als buiten de Belastingdienst, steeds schaarser. Daardoor wordt het complexer en kostbaarder om deze systemen goed te blijven beheren. Verouderde systemen zijn daarnaast beperkt wendbaar. Het is complex en slechts beperkt mogelijk om wijzigingen door te voeren in verouderde systemen.
Vraag 51
Bij welke belastingen zitten momenteel de grootste risico’s in de systemen en per wanneer zijn die risico’s merkbaar op het moment dat er niets verandert?
Antwoord op vraag 51
In Overzicht Uitvoerbaarheid dat u met Prinsjesdag ontvangt, krijgt u inzicht in de stand van zaken per keten. In de stand-van-zakenbrief die u gelijktijdig met deze beantwoording ontvangt wordt een update gegeven over uitloop in een aantal ketens. In het algemeen geldt dat verschillende ketens nog in omvangrijke moderniseringstrajecten zitten. Dat betekent niet zozeer dat er risico’s zijn, maar wel dat er nog aan de modernisering wordt gewerkt die (soms) nog tijd in beslag kan nemen.
Om risico’s met betrekking tot verouderde systemen te voorkomen en de continuïteit te borgen wordt binnen het MJP prioriteit gegeven aan de categorie (1) essentiële modernisering. Door het MJP periodiek te actualiseren stuurt de Belastingdienst waar nodig bij om risico’s met betrekking tot de continuïteit te voorkomen.
Vraag 52
In hoeverre heeft het als overvol beschreven ICT-portfolio invloed gehad op het behalen van de doelstellingen op het gebied van modernisering, dienstverlening en handhaving?
Antwoord op vraag 52
Nadat er vanaf 2023 meer ruimte is gekomen voor de modernisering van het ICT-landschap is er ingezet op het wegwerken van achterstallig onderhoud en het implementeren van wetgeving. Daardoor was er beperkt ruimte voor strategische initiatieven en verbeteringen voor de toekomst. Door sturing op basis van een Meerjarenportfolio wordt deze balans geleidelijk hersteld.
Op dit moment wordt ongeveer 55 procent van de IV-capaciteit ingezet voor modernisering, 40 procent voor wetgeving en externe verplichtingen en slechts 5 procent voor strategische vernieuwing. De Belastingdienst werkt toe naar een situatie waarbij meer ruimte is voor strategische vernieuwing. Het jaar 2028 vormt daarbij een omslagpunt. Naarmate minder capaciteit nodig is voor de modernisering en het wegwerken van achterstallig onderhoud ontstaat meer ruimte voor initiatieven die direct bijdragen aan het verbeteren van de dienstverlening voor burgers en ondernemers, het toezicht en andere belangrijke initiatieven die bijdragen aan het toekomstbestending maken van de Belastingdienst.
Vraag 53
Hoe groot zijn de huidige werkvoorraden in de invordering en wat is het effect op de inning van belastingen?
Vraag 54
Welke maatregelen worden genomen om het invorderingsrisico verder te beperken?
Antwoord op vraag 53 en 54
De werkvoorraden binnen de inning zijn moeilijk uit te drukken in één totaalcijfer, omdat deze verschillen per proces, type verzoek en ze voortdurend in beweging zijn. De Belastingdienst werkt continu aan het optimaliseren van de balans tussen het werkaanbod en de beschikbare capaciteit binnen de inning, onder meer door het verbeteren van de operatie. In de bijlage met actuele onderwerpen van de stand-van-zakenbrief die u gelijktijdig met deze beantwoording ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Vraag 55
Hoeveel van de meer dan 500.000 ontvangen OWR-formulieren zijn inmiddels volledig verwerkt, en wat is de verwachte doorlooptijd voor de resterende gevallen?
Antwoord op vraag 55
Op 19 augustus 2026 waren 863.600 formulieren OWR binnengekomen. Daarvan zijn 151.800 niet verwerkbaar of behandelbaar. 537.800 formulieren zijn inhoudelijk verwerkt. Er worden nog formulieren OWR ingediend. De behandeling van bezwaren en verzoeken en het toezicht op formulieren OWR zal zeker tot in het jaar 2030 plaatsvinden. Dit komt mede door de huidige grote voorraad en omdat voor belastingjaar 2024 nog tot en met 31 december 2029 bezwaren en verzoeken kunnen worden ingediend.
Vraag 56
Wat is de oorzaak van het structureel te hoge ziekteverzuim van 7,4 procent en welke maatregelen worden genomen om dit terug te brengen naar de norm van 6,5 procent?
Antwoord op vraag 56
Het hogere ziekteverzuim wordt vooral veroorzaakt door langdurig verzuim. De oorzaken hierachter zijn vaak persoonlijk en complex van aard. De Belastingdienst ziet de noodzaak van het omlaag brengen van het verzuim. Daarom is de Belastingdienst in 2025 gestart met een nieuwe aanpak op verzuim - die in 2026 is geïntensiveerd - via drie sporen, namelijk: 1) aanpak van vitaliteit & preventie, via bijvoorbeeld voorlichtingsbijeenkomsten, 2) intensievere aanpak op (eerste) verzuim door de arbodienst in nauwere samenwerking met leidinggevenden en specialiseren en 3) instelling van de taskforce langdurig verzuim, die zich richt op complexe en langdurige verzuimdossiers. De eerste resultaten hiervan zijn voorzichtig positief. De voortgang op de sporen wordt gemonitord en de aanpak wordt op basis van data en ervaringen bijgesteld.
Vraag 57
Hoe verhoudt de personeelscapaciteit zich tot de groeiende uitvoeringsagenda, inclusief hersteloperaties en nieuwe wetgeving?
Antwoord op vraag 57
Op dit moment worden de werkzaamheden binnen de beschikbare capaciteit opgevangen. Daarbij moet in sommige gevallen wel opnieuw worden geprioriteerd of moeten middelen anders worden ingezet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het herstel box 3. Daarnaast wordt ingezet op het vergroten van de efficiëntie van de uitvoering, onder meer door procesverbeteringen en het verkennen van de mogelijkheden die digitalisering en AI bieden. Wanneer het aantal taken voor de Belastingdienst verder groeit, kunnen nieuwe afwegingen ten aanzien van prioriteiten, capaciteit en financiering nodig zijn. Wanneer hier knelpunten voor de uitvoering ontstaan zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
Vraag 58
Welke strategische risico’s vormen momenteel de grootste bedreiging voor de uitvoering van de Belastingdienst?
Antwoord op vraag 58
De Belastingdienst heeft 9 strategische risico’s geïdentificeerd. Deze worden jaarlijks bijgehouden in het Jaarplan en de Jaarrapportage van de Belastingdienst.11 Denk hierbij aan compliance-, besturings- of personeelsrisico’s. Deze risico’s zijn voorzien van maatregelen om te komen tot acceptabele restrisico’s.
Vraag 59
In hoeverre zijn de knelpunten in gegevens- en informatiehuishouding inmiddels opgelost?
Antwoord op vraag 59
In 2025 zijn de benodigde aanvullende beheersmaatregelen in kaart gebracht om het risico te mitigeren dat er onvoldoende grip en zicht is op het gebruik van gegevens en informatie om te voldoen aan interne en externe verplichtingen en verwachtingen. Hiervoor is het programma Grip op gegevens ingericht. Deze aanvullende beheersmaatregel kent een meerjarige doorlooptijd, waarbij de effecten hiervan naar verwachting in 2026 en latere jaren zichtbaar worden.
Vraag 60
Hoe wordt geborgd dat wetgeving uitvoerbaar blijft voor de Belastingdienst, gezien het benoemde wetgevingsrisico?
Antwoord op vraag 60
Op nieuwe wetten of regels wordt een uitvoeringstoets uitgevoerd om inzichtelijk te maken te maken of wetgeving uitvoerbaar is en blijft voor de Belastingdienst. Daarnaast werken beleid en uitvoering aan de voorkant goed samen, om tot goed uitvoerbaar beleid te komen. Ook dit zorgt er ook voor dat de effecten van nieuw beleid op de uitvoering zo vroeg mogelijk meegewogen kunnen worden in de (politieke) besluitvorming. Tot slot staan medewerkers van de Belastingdienst altijd ter beschikking aan uw Kamer, bijvoorbeeld in de vorm van werkbezoeken of technische briefings, om uitvoeringsvragen te duiden.
Kamerstukken II, 2025/26, 31066, nr. 1546↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 31 066, nr. 1546.↩︎
Het betreft het geschatte nalevingstekort uit de steekproef Particulieren 2024 over het belastingjaar 2022.↩︎
Het betreft het geschatte nalevingstekort uit de meest recente steekproef MKB- Ondernemingen 2024. Het belastingjaar dat in deze steekproef centraal staat is 2020 en de boekenonderzoeken voor deze steekproef zijn uitgevoerd in de jaren 2022 tot en met 2025.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, nr. 31066, 1535↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, nr. 31066, 1551↩︎
Kamerstukken II, 2025/26 (2026Z16115)↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 31066, nr. 1429↩︎
Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding Rijksoverheid 2026-2030, bijlage bij Kamerstukken II, 2025/26, 29362 nr. 393.↩︎
De Laatste stand is te vinden in de Jaarrapportage 2025 van de Belastingdienst op pagina 44 t/m 48: https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D27866.↩︎