[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Nota naar aanleiding van het verslag

Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)

Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag

Nummer: 2026D40114, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-02 10:06, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36878 -6 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland).

Onderdeel van zaak 2026Z00274:

Onderdeel van zaak 2026Z17511:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Vergaderjaar 2025/26

36 878 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 september 2026

De leden van de fracties van D66, VVD en GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland. De leden van de fracties van PVV, CDA, JA21 en BBB hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Naast de inbreng van de leden van de afzonderlijke fracties is er in het verslag gezamenlijke inbreng namens de commissie geleverd. De regering dankt de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en in het bijzonder de door de commissie aangestelde wetgevingsrapporteurs,1 voor de schriftelijke inbreng bij het onderhavige wetsvoorstel.

Tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding van het verslag wordt ook een nota van wijziging ingediend, waarmee vooral enkele technische correcties in het wetsvoorstel worden aangebracht. Voor een nadere duiding van de wijzigingen wordt verwezen naar de bijbehorende toelichting.

INHOUDSOPGAVE

Gezamenlijke inbreng commissie

I Algemeen

  1. Algemeen

  2. Doelstelling

  3. Informatiesysteem

  4. Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

  5. Toelage sociale kanstrajecten

  6. Financiële gevolgen

  7. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens

  8. Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving

  9. Evaluatie

Inbreng leden van de fracties

I. Algemeen

1. Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Doelstelling

2. Hoofdlijnen van het voorstel

2.1 Erkenning beroepsopleidingen

2.2 Bekostiging beroepsopleidingen

2.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)

2.4 Het beroepsonderwijs

2.5 Volwasseneneducatie

2.6 Medezeggenschap

2.7 Informatiesystemen

2.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

2.9 Onderliggende voorzieningen

3. Verhouding tot ander recht

3.1 Grondwet

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

4.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs

5. Overige reacties

5.1 Reacties openbare lichamen

6. Gevolgen en administratieve lasten

7. Financiële gevolgen

8. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens

9. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk

9.1 Internetconsultatie

II. Artikelsgewijs

Artikelen XX. Inwerkingtreding

Gezamenlijke inbreng commissie

I Algemeen

  1. Algemeen

De regering volgt in deze nota naar aanleiding van het verslag de indeling van het verslag. Soms wordt er verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag om onnodige herhaling te voorkomen. Deze nota naar aanleiding van het verslag is gegeven in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  1. Doelstelling

De leden van de commissie lezen dat de regering met het wetvoorstel vijf doelen beoogt, waaronder het zoveel mogelijk gelijktrekken van de regels en het voorzieningenniveau voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in Caribisch Nederland met dat in Europees Nederland zodat gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ontstaan. De regering verwijst in dit kader ook naar verschillende CBS-cijfers: de hoogst genoten opleiding van 50 procent van de beroepsbevolking op Bonaire ligt onder het niveau van een startkwalificatie, op Sint Eustatius geldt dat voor 67 procent van de beroepsbevolking en op Saba voor 40 procent. In Europees Nederland ligt dit percentage op 28 procent. De leden van de commissie constateren dat de regering in de memorie van toelichting geen kwantitatieve doelstellingen heeft opgenomen. Zij vragen zich daarom af of de regering, naast de kwalitatief geformuleerde doelstellingen, ook inzet op kwantitatieve doelstellingen zoals ten aanzien van het percentage van de bevolking met startkwalificatie? Zo ja, welke (tussen)doelen ziet de regering hierin en wanneer verwacht de regering een gelijkwaardig percentage te bereiken? Hoe monitort de regering dit?

Het eerste tussendoel is dat kort na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de instrumenten die met dit wetsvoorstel worden gegeven niet alleen bekend zijn bij alle partijen maar ook worden ingezet om de beleidsdoelen te kunnen realiseren. Bij de evaluatie over vijf jaar zou in de ogen van de regering in ieder geval iedereen zonder startkwalificatie in beeld moeten zijn bij elk openbaar lichaam, elke school een succesvol beleid uitvoeren met behulp van openbaar lichaam en anderen om het aantal voortijdig schoolverlaters te beperken, en zou de omslag naar een verbetering van de basisvaardigheden in gang moeten zijn gezet, afhankelijk ook van de deelname aan opleidingen educatie.

De regering stelt vooralsnog geen kwantitatieve doelstellingen. Zo is het vaststellen van een realistisch streefpercentage voor het aantal personen in Caribisch Nederland met een startkwalificatie lastig, omdat het bereiken hiervan van diverse factoren afhankelijk is.
Om te beginnen wordt het aanbieden van opleidingen educatie aan volwassenen een nieuwe taak van de drie bestuurscolleges. Hoewel zij verplicht zijn om uitvoering te geven aan deze taak, beslissen zij zelf in samenspraak met hun eilandsraden hoe zij invulling geven aan deze taak én hoeveel begrotingsruimte er beschikbaar is voor de uitvoering ervan. Opleidingen educatie zijn gericht op het verbeteren van het kennis- en vaardigheidsniveau van volwassenen. Hierbij kan gedacht worden aan opleidingen Nederlandse taal, digitale vaardigheden of rekenen. Deze opleidingen zijn verschillend van aard; deels gericht op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs of hoger beroepsonderwijs, maar soms ook op alfabetisering. Dit betekent dat een opleiding educatie, uitgezonderd de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) voor havo en vwo, niet rechtstreeks leidt tot een formele startkwalificatie, maar veeleer voorbereidt op het kunnen behalen daarvan. Wettelijk is er sprake van een startkwalificatie bij het bezit van een diploma mbo vanaf niveau 2 (basisberoepsopleiding), havo, vwo, of bepaalde certificaten of diploma’s behaald binnen de onderwijssystematiek van de Caribbean Examinations Council (CXC).2

Daarnaast zet de regering met dit wetsvoorstel in op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten (vsv). Dat begint al bij kinderen vanaf twaalf jaar. Nieuw is ook dat de onderwijsinstellingen het voortouw krijgen bij de organisatie van het vsv-beleid. Hiermee kan de school maatwerk leveren én, anders dan op basis van de huidige Wet sociale kanstrajecten jongeren BES (SKJ-wet), inzetten op de preventieve kant van uitval. De SKJ-wet is alleen van toepassing op het moment dat een jongere al is uitgevallen. Op deze manier verwacht de regering ook het studiesucces van jongeren te vergroten.

Met betrekking tot de doelstelling van het realiseren van gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ten opzichte van Europees Nederland valt het de leden van de commissie op dat daartoe benodigde randvoorwaarden als de data-infrastructuur, bestuurlijke capaciteit en financiering nog in onderzoek of ontwikkeling zijn. Hoe wordt voorkomen dat wettelijke verplichtingen worden ingevoerd die in de praktijk (nog) niet uitvoerbaar zijn? Hoe is in de voorbereiding van het wetsvoorstel expliciet gekeken naar de uitvoerbaarheid voor de openbare lichamen en onderwijsinstellingen, en hoe is deze gewogen ten opzichte van de beoogde beleidsambitie om te komen tot gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen?

In het wetsvoorstel is uitvoerbaarheid een expliciet uitgangspunt. Om te voorkomen dat wettelijke verplichtingen in de praktijk (nog) niet uitvoerbaar zijn, is er gewerkt volgens het “comply or explain” principe. Daarbij is per maatregel beoordeeld of en hoe deze toepasbaar is in Caribisch Nederland.
Voorafgaand aan dit wetsvoorstel én tijdens dit wetstraject zijn er intensieve veldsessies geweest met betrokkenen op de drie eilanden, waarbij de naleefbaarheid en uitvoerbaarheid van het voorstel steeds onderwerp van gesprek waren. Tot slot is het wetsvoorstel onderworpen aan uitvoeringstoetsen door onder meer DUO en de Inspectie van het Onderwijs. Hieruit volgt dat het voorstel uitvoerbaar is, waarbij aandachtspunten waar mogelijk zijn verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.

Dit heeft ertoe geleid dat ik heb gekozen voor een benadering gericht op een gelijkwaardig voorzieningsniveau binnen de lokale mogelijkheden in plaats van voor volledige harmonisatie met Europees Nederland. De uitvoerbaarheid is daarbij steeds afgewogen tegen de beleidsambitie. Dat blijkt ook uit concrete keuzes in het wetsvoorstel. Zo is voor de aanpak van vsv niet gekozen voor de Europees Nederlandse systematiek met een centrale rol voor de gemeenten, maar voor een regierol van de contactschool. Dit sluit beter aan bij de schaal van de eilanden en de beschikbare bestuurlijke capaciteit. Ook is bij het starten van nieuwe beroepsopleidingen een specifieke rol voor ROA CN opgenomen, passend bij de kleinschalige mbo-structuur in Caribisch Nederland. Deze voorbeelden laten zien dat steeds is gezocht naar balans tussen de ambitie van gelijkwaardig onderwijs en de praktische uitvoering in Caribisch Nederland.

  1. Informatiesystemen

De leden van de commissie merken op dat de regering in de memorie van toelichting aandacht besteedt aan het feit dat een centraal register nog ontbreekt in Caribisch Nederland en het ministerie van OCW momenteel daardoor nog geen ‘doorwrochte stelselinformatie heeft van jaar op jaar over indicatoren als studiesucces, diplomaresultaat, verzuim en uitval in Caribisch Nederland’. De regering geeft daarbij aan dat een geautomatiseerde koppeling van gegevens over verzuim en voortijdig schoolverlaten (vsv) nog niet direct vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitvoerbaar is, maar pas met ingang van studiejaar 2026-2027. Het zal volgens de regering ook nog enige tijd duren voor uitgebreide onderwijsdata van Saba en Sint Eustatius kunnen worden opgenomen, maar hierop zal wel ambtelijke inzet gepleegd blijven worden. Kan de regering een nadere toelichting geven op de geautomatiseerde koppeling en beschikbaarheid van deze gegevens? Welke randvoorwaarden zijn nu nog niet vervuld om dit mogelijk te maken en wanneer verwacht de regering dit gerealiseerd te hebben? Wanneer is een volledig centraal register voor Caribisch Nederland gereed? De leden van de commissie vragen tot slot of de regering nader kan toelichten welke ambtelijke inzet nu gepleegd wordt.

Alle scholen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn vastgelegd in de registratie instellingen en onderwijs (RIO). RIO kent een juridisch en een onderwijskundig gedeelte: het juridische gedeelte is gevuld met gegevens vanuit DUO; het onderwijskundig deel (het inrichtingsdeel) kan de school zelf gebruiken en vullen. Het tweede register is het register onderwijsdeelnemers (ROD). Dit register is van belang voor beleidsinformatie voor de bekostiging, diplomagegevens en registratie van schoolverzuim en vrijstelling van de leerplicht.

Er bestaan geen technische belemmeringen voor aansluiting op ROD voor scholen op Bonaire. De verwachting is dat per 1 augustus 2027 alle scholen op Bonaire zijn aangesloten. Dit betreft acht scholen voor primair onderwijs en één verticale scholengemeenschap waaraan zowel voortgezet onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs wordt aangeboden. Vanaf dat moment kunnen de inschrijvingen en de examenresultaten van studenten op Bonaire met het register onderwijsdeelnemers uitgewisseld kunnen worden. De eerste stappen om dat technisch mogelijk te maken zijn al gezet.

Verzuim- en vrijstellingsgegevens worden vooralsnog niet via het register onderwijsdeelnemers verzameld. Het is de bedoeling dat de openbare lichamen op Bonaire, Saba en Sint Eustatius investeren in een pakket om geautomatiseerde uitwisseling met het leerlingenadministratiesysteem op de scholen mogelijk te maken. Het bestuurscollege van Bonaire heeft de eerste stappen gezet en geïnvesteerd in een pakket. Het wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht dat beoogt ervoor te zorgen dat de gegevensverwerking voor verzuim- en vrijstellingsgegevens voorlopig alleen lokaal plaatsvindt zonder uitwisseling met het ROD in Europees Nederland. Het voordeel van het ROD is dat het gehele proces is geautomatiseerd. Daarbij moet wel worden bedacht dat een belangrijke reden voor het bestaansrecht van het ROD is dat een school met diverse gemeenten te maken heeft in Europees Nederland. In Bonaire, Sint Eustatius of Saba is dat niet het geval en is het telkens het bestuurscollege van het eigen openbaar lichaam of de eigen leerplichtambtenaar waarmee verzuim- of vrijstellingsgegevens moeten worden gedeeld.

Voor Saba en Sint Eustatius zijn er technische of financiële uitdagingen met betrekking tot het aansluiten van de scholen op ROD; deze worden op dit moment verder in kaart gebracht. Scholen op Saba en Sint Eustatius werken veelal met andere softwareleveranciers dan in Europees Nederland. Het leerling administratiesysteem (LAS) dat de scholen gebruiken moet kunnen aansluiten op het register voor een goede uitwisseling. Het betreft relatief kleine aantallen.3 Daarbij geldt voor de twee VO-scholen een afwijkend onderwijsstelsel (CXC onderwijssysteem).4 De (vaak buitenlandse) softwareleveranciers moeten bereid zijn om voor een nichemarkt investeringen te plegen om zodoende aansluiting te zoeken met het Nederlandse ROD. Dit alles in overweging nemend zou de conclusie kunnen zijn dat de scholen op Saba en Sint Eustatius de benodigde gegevens digitaal blijven aanleveren zoals zij dat nu ook al doen.

Er vindt periodiek overleg plaats met de scholen, bestuurscolleges, ROA CN, SBB, DUO en Inspectie van het onderwijs en andere partijen. Bij tussentijdse vragen weet men elkaar te vinden.

  1. Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

De regering stelt voor om de aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv) vooralsnog niet te beleggen bij de openbare lichamen, maar bij de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs. Reden hiervoor is dat de openbare lichamen nog een flinke slag te maken hebben om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen. De scholen wordt nu de taak toebedeeld om in samenwerking met andere relevante partijen een eilandelijk plan te maken. Het openbaar lichaam neemt deel in de door scholen op te richten overlegstructuur en is in de woorden van de regering medeverantwoordelijk. Kan de regering een toelichting geven op in hoeverre de scholen in staat zijn deze taak te verrichten en hoe zij worden gefaciliteerd om dit te gaan doen? Hoe staan de scholen zelf tegenover deze taak? Kan de regering verder een toelichting geven op de rol van een openbaar lichaam in de overlegstructuur? Op basis waarvan is een openbaar lichaam formeel (mede)verantwoordelijk en waarvoor? Tot slot vragen deze leden of de regering een planning voor ogen heeft voor de invulling van deze taak op lange termijn. Is het de bedoeling dat deze taak alsnog bij het openbaar lichaam wordt belegd, als zij hun wettelijke taken op orde hebben? Op welke termijn verwacht de regering dat dit het geval is? Welke rol ziet de regering voor de SKJ-organisaties5 in de overlegstructuur, nu de wettelijke grondslag voor de SKJ-organisatie verdwijnt?
De scholen in Caribisch Nederland zijn het beste in staat om een coördinerende en een groot deel van de uitvoerende taak ten aanzien van de aanpak van voortijdig schoolverlaten te vervullen, omdat zij als eerste zicht hebben op (potentiële) voortijdige schoolverlaters. De scholen en bestuurscolleges steunen deze aanpak ook. Dit betekent dat er bewust voor is gekozen om deze nieuwe taak niet bij het openbaar lichaam te beleggen. Ieder openbaar lichaam blijft wel verantwoordelijk voor de handhaving van de leerplicht en krijgt als taak om jongeren zonder startkwalificatie die niet naar school gaan te stimuleren alsnog hun schooldiploma te behalen. De invoering van het vsv-beleid vraagt om een nieuwe integrale aanpak met financiële ondersteuning. Om die reden kan de contactschool subsidie aanvragen voor de gezamenlijke uitvoering van het eilandelijk programma, gericht op het terugdringen en beheersen van voortijdig schoolverlaten. Onderdeel van dit plan is de wijze waarop school, leerplichtambtenaar en bestuurscollege hun taken en bevoegdheden uitoefenen, zodat er geen lacunes in de uitvoering zijn en dubbel werk wordt voorkomen. De uitvoering vindt plaats in samenwerking met andere relevante partijen binnen het sociaal domein. Scholen richten hiertoe een overlegstructuur in, waarin ook het openbaar lichaam participeert. Het openbaar lichaam is op die manier weliswaar niet eindverantwoordelijk voor het eilandelijk vsv-programma, maar wel medeverantwoordelijk en kan via deze rol invloed uitoefenen op de inhoud en uitvoering van het programma. Daarnaast behoudt het openbaar lichaam zijn wettelijke taken op het gebied van registratie, monitoring en doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters tot 27 jaar terug naar school. De regering is niet voornemens om de wet op dit punt snel weer te wijzigen. Het is nu eerst wenselijk alle betrokken partijen de kans te geven beleid te maken voor het eiland en hieraan uitvoering te geven in het belang van de jongeren in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De regering heeft geen enkel bezwaar tegen een rol in de uitvoering van het eilandelijk vsv-programma voor de huidige SKJ-organisaties. Sterker nog, scholen en het openbaar lichaam kunnen per eiland ervoor kiezen om de huidige SKJ-organisaties te blijven betrekken bij de uitvoering van het vsv-beleid, gelet op hun expertise en ervaring bij de begeleiding van voortijdige schoolverlaters.

  1. Toelage sociale kanstraject

De regering is voornemens de toelage die SKJ-kandidaten momenteel nog kunnen ontvangen als ze deelnemen aan een traject, te laten vervallen. In eventueel toekomstige trajecten voor voortijdig schoolverlaters worden zij volgens de regering niet meer financieel bevoorrecht ten opzichte van leerlingen en studenten die wel naar school gaan. Kan de regering een nadere onderbouwing geven van het laten vervallen van deze toelage? Met welke doelen was deze toelage destijds geïntroduceerd en welke effecten verwacht de regering van het afschaffen van deze toelage? Hoeveel voortijdig schoolverlaters ontvangen momenteel zo’n toelage en is gekeken naar de inkomensgevolgen voor deze specifieke groep?

De toelage voor deelnemers aan sociale kanstrajecten vindt haar herkomst in de sociale vormingsplicht zoals die destijds bestond in de Nederlandse Antillen. Bij de staatkundige hervorming in 2010 is de Landsverordening sociale vormingsplicht omgezet in een vormingsrecht op grond van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES (SKJ-wet). De toelage is met het verdwijnen van het dwingende karakter echter in stand gehouden om deelname aan de trajecten aantrekkelijk te maken. Afgelopen schooljaar (2025/26) waren er 22 deelnemers aan sociale kanstrajecten.

Met dit wetsvoorstel wordt gekozen voor een andere inrichting van het beleid rond voortijdig schoolverlaten. Een toelage voor het niet meer volgen van onderwijs past hierbij niet meer en is een verkeerde prikkel.

Voor jongeren die bij inwerkingtreding van de wet al deelnemen aan een sociaal kanstraject geldt overgangsrecht. Hiermee wordt voorkomen dat lopende trajecten abrupt eindigen of deelnemers direct hun toelage verliezen. De toelage wordt daarmee tijdelijk voortgezet voor bestaande deelnemers, om een zorgvuldige overgang naar het nieuwe vsv-stelsel mogelijk te maken.

Bij de afschaffing van de toelage voor jongeren die het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie is het van belang om oog te hebben voor de inkomensgevolgen voor deze specifieke groep. Tegelijkertijd is het uitgangspunt van het vsv-stelsel dat jongeren worden gestimuleerd en ondersteund om een startkwalificatie te behalen of toe te leiden naar onderwijs, werk of een combinatie daarvan.

Het is van belang om te monitoren of het wegvallen van de toelage leidt tot financiële knelpunten en of aanvullende ondersteuning nodig is om te voorkomen dat jongeren buiten onderwijs, werk en begeleiding terechtkomen.

  1. Financiële gevolgen

De leden van de commissie constateren dat de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State uitgebreider is ingegaan op de financiële gevolgen van het wetsvoorstel. De toelichting op de financiële gevolgen leidt bij deze leden nog tot een aantal vragen.

Ten eerste lezen de leden van de commissie dat het overgangsrecht ten aanzien van onderwijshuisvesting pas vervalt als duidelijk is dat de Scholengemeenschap Bonaire de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid kan dragen. Aan welke voorwaarden moet dan naar het oordeel van de regering zijn voldaan en wanneer is dat naar verwachting van de regering het geval?

Onder het overgangsrecht zijn de minister van OCW en het bestuurscollege van Bonaire gezamenlijk verantwoordelijk voor het realiseren van gemoderniseerde gebouwen voor de SGB. De nieuwbouw voor het mbo is in volle gang en wordt naar verwachting in augustus 2027 afgerond. De opdracht voor de nieuwbouw van het vmbo moet nog worden gegeven. Om het juiste moment voor het vervallen van het overgangsrecht te bepalen wordt, in overleg met partijen, bekeken op welke manier, en door welke partij, zo efficiënt mogelijk tot realisatie van de nieuwbouw van het vmbo kan worden gekomen. Dit kan de SGB zijn als verticale scholengemeenschap óf het openbaar lichaam Bonaire in afstemming met het ministerie van OCW op grond van het geldend overgangsrecht. Ik verwacht in de loop van 2027 meer duidelijkheid te kunnen bieden.

Ten tweede constateren de leden van de commissie dat de regering aangeeft dat het CBS momenteel onderzoekt of er voldoende data beschikbaar zijn, of beschikbaar gemaakt zouden kunnen worden, om tot een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel voor de aanpak van vsv in Caribisch Nederland te kunnen komen. De regering geeft daarbij aan niet de verwachting te hebben dat er op grond van het wetsvoorstel minder middelen beschikbaar zullen worden gesteld ten behoeve van de vsv aanpak, al verdwijnen wel de toelagen voor SKJ-kandidaten. Kan de regering nader inzicht geven in hoeveel middelen er beschikbaar zullen zijn en wanneer de uitkomsten van het onderzoek van het CBS bekend zijn? Wanneer kan vervolgens een verdeelsleutel worden gemaakt? Zijn de middelen naar het oordeel van de regering afdoende voor het bereiken van de doelstellingen van het wetsvoorstel?

De middelen die nu nog beschikbaar zijn op grond van de SKJ-wet zullen straks ingezet worden voor de aanpak van vsv in Caribisch Nederland. Dat gaat jaarlijks om 0,9 miljoen USD voor de drie openbare lichamen gezamenlijk, naar de stand van kalenderjaar 2026.6 De beschikbare middelen blijven voor de vsv aanpak behouden. De regering acht deze middelen vooralsnog toereikend om uitvoering te geven aan de wettelijke taken die voortvloeien uit het wetsvoorstel. Daarbij is het van belang dat op de eilanden reeds veel wordt geïnvesteerd in de begeleiding van jongeren; ook steeds meer preventief in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel brengt de bestaande inspanningen meer met elkaar in samenhang binnen een preventief en structureel kader voor het voorkomen en bestrijden van vsv. Een definitieve verdeelsleutel zal nog worden vastgesteld, rekening houdend met de behoefte per eiland. Indien er niet tijdig CBS-gegevens beschikbaar zijn, zal er op basis van de beschikbare informatie een verdeelsleutel worden vastgesteld.

Ten derde constateren de leden van de commissie dat de openbare lichamen van Bonaire en Saba benadrukken dat nog geen duidelijkheid is over de financiën. Het openbaar lichaam Bonaire (OLB) geeft in dit verband aan dat onzeker is of het uitoefenen van de taak met betrekking tot voortijdig schoolverlaten mogelijk is met het huidige subsidiebedrag. Ook ten aanzien van volwasseneneducatie benadrukt het OLB het belang dat voldoende middelen en ondersteuning worden verstrekt. De regering geeft in de memorie van toelichting wel aan zich in te spannen om de vrije uitkering vanwege de extra wettelijke taak op het gebied van volwasseneneducatie te verhogen. Kan de regering toelichten wat de stand van zaken is met betrekking tot het overleg met de openbare lichamen? Hebben de openbare lichamen inmiddels meer vertrouwen in dat zij kunnen beschikken over voldoende middelen voor het vervullen van de wettelijke taken? Zijn de zorgen van het OLB ten aanzien van de financiering van de taak met betrekking tot vsv weggenomen, door de taak van het opstellen van een eilandelijk plan bij de scholen te beleggen? Heeft de regering al vorderingen geboekt als het gaat om het verhogen van de vrije uitkering?

Op dit moment vinden er vervolggesprekken plaats met de openbare lichamen over de financiële en uitvoeringsgevolgen van het wetsvoorstel. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor zowel de overheidstaak met betrekking tot voortijdig schoolverlaten als de nieuwe wettelijke taak op het gebied van volwasseneneducatie en voor de randvoorwaarden die nodig zijn om deze taak goed te kunnen uitvoeren.

Voor volwasseneneducatie wordt het uitgangspunt dat middelen via de vrije uitkering uit het BES-fonds beschikbaar worden gesteld. Hiermee krijgen de openbare lichamen ruimte om, passend bij de lokale situatie, invulling te geven aan hun wettelijke verantwoordelijkheid. De inzet van de regering is erop gericht om vanaf de inwerkingtreding van de wet in 2027 extra middelen over te boeken vanuit de OCW-begroting naar het BES-fonds om daarmee de vrije uitkering voor dit doel te verhogen.

Ten aanzien van vsv is met het beleggen van de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een eilandelijk programma bij de scholen gekozen voor een betere uitvoerbare inrichting. Daarmee worden de openbare lichamen ontlast ten opzichte van een situatie waarin zij direct de volledige regierol zouden dragen. Zij blijven wel een essentiële rol behouden binnen de samenwerking, mede door hun relevante wettelijke taken op onder meer registratie en monitoring van voortijdig schoolverlaters zoals hiervoor ook aangegeven. De afdeling OCW Caribisch Gebied (OCW-CG) is liaison tussen het ministerie in Den Haag en de lokale scholen en bestuursorganen.7 Zij fungeert als aanjager in verband met de voortgang van de uitvoering van het wetsvoorstel en signaleert eventuele problemen.

De leden van de commissie constateren dat in artikel 87 Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vastgelegd dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door de openbare lichamen, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd welke de financiële gevolgen zijn voor de openbare lichamen. Ook is hierin bepaald dat in de toelichting wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de openbare lichamen kunnen worden opgevangen. Kan de regering in lijn met het bepaalde in dit artikel een nadere toelichting geven op deze extra wettelijke taak met betrekking tot volwasseneneducatie?
In de huidige WEB BES is al voorzien in een aanbod aan opleidingen educatie, maar ligt deze taak nog bij de Scholengemeenschap Bonaire. In de praktijk is er geen sprake van een aanbod aan opleidingen educatie, ook omdat er geen bekostiging aan is gekoppeld. Met dit wetsvoorstel krijgt elk van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een nieuwe wettelijke taak om zorg te dragen voor een passend aanbod van volwasseneneducatie. Het betreft volwassenenonderwijs gericht op het kunnen behalen van een startkwalificatie maar ook basisvaardigheden zoals alfabetisering, rekenvaardigheden of digitale vaardigheden. Elk openbaar lichaam stelt hiervoor een eigen programma vast, passend bij de lokale behoeften en omstandigheden. Dit is een taak van algemeen belang die beter past bij de taken en verantwoordelijkheden van de eilandsraad en het bestuurscollege dan bij een school.

De financiële gevolgen bestaan uit kosten voor beleidsontwikkeling, organisatie en inkoop of uitvoering van educatieaanbod. De exacte omvang kan per eiland verschillen, afhankelijk van bevolkingsomvang, doelgroep, bestaande voorzieningen en lokale keuzes. Hierover wordt met de openbaar lichamen het gesprek gevoerd, zodat de uiteindelijke financiering aansluit bij de feitelijke uitvoeringslasten en de taak naar behoren kan worden vervuld. De financiering verloopt via de vrije uitkering uit het BES fonds. In het ontwerpbesluit, dat naar verwachting begin volgend jaar aan uw Kamer zal worden overgelegd in het kader van een voorhangprocedure, zal hierop nader worden ingegaan.

Tot slot vragen de leden van de commissie of voorzien is in financiële middelen en andere ondersteuning voor openbare lichamen en scholen voor de implementatie van de wijzigingen als gevolg van het wetsvoorstel, zoals ten aanzien van informatieverplichtingen of de wijzigingen op het gebied van medezeggenschap.

De regering onderschrijft dat de implementatie van het wetsvoorstel inzet vraagt van openbaar lichamen en onderwijsinstellingen. Daarom is bij de voorbereiding nadrukkelijk gekeken naar de uitvoerbaarheid en de financiële gevolgen voor betrokken partijen. Voor de openbare lichamen geldt dat bij nieuwe wettelijke taken, zoals op het terrein van volwasseneneducatie, het uitgangspunt is dat hiervoor middelen beschikbaar komen via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Daarom wordt de vrije uitkering uit het BES-fonds ten behoeve van het kunnen uitvoeren van deze extra taak verhoogd.

Voor scholen, openbare lichamen en uitvoeringspartijen wordt voorzien in ondersteuning bij de implementatie van de nieuwe taken en werkwijzen. Vanuit de aanvullende bekostiging worden financiële middelen beschikbaar gesteld voor deze ondersteuning.

Ten aanzien van de medezeggenschap geldt dat voor de Scholengemeenschap Bonaire de wettelijke kaders worden uitgebreid. In de praktijk bestaan reeds raden, maar hun bevoegdheden worden uitgebreid en formeel vastgelegd. Ook hierbij is aandacht voor een zorgvuldige invoering en ondersteuning bij de inrichting van de vereiste medezeggenschapsstructuren en reglementen.

  1. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens

De leden van de commissie lezen dat de Raad van State heeft geadviseerd om ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens de toelichting aan te passen, nader in te gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen. De Raad van State wees hierbij op de evaluatie van de Wbp BES, waaruit blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau, gezien de onvoldoende naleving in de praktijk. De regering geeft aan dat daarom aanvullende maatregelen zullen worden genomen, zoals het aanbieden van trainingen en gerichte voorlichting. De leden van de commissie vragen of de regering inmiddels een advies heeft ontvangen van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES) over de vraag of de door de regering aangekondigde maatregelen een voldoende passend beschermingsniveau waarborgen. Zo ja, kan de regering dit advies met de Kamer delen? Zo nee, heeft de regering op andere wijze overleg gevoerd met de CBP BES over dit punt?

In juli 2025 is op ambtelijk niveau overleg gevoerd met de secretaris van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES). De uitkomst daarvan is dat met enkele aanvullende maatregelen een adequaat beschermingsniveau van persoonsgegevens kan worden bereikt. Het gaat dan om voorlichting en kennisdeling zodat alle betrokken partijen weten welke persoonsgegevens wel of niet mogen worden gedeeld en met wie. Verder gaat het vooral om het hanteren van beveiligingsstandaarden, toegangsbeperking en correcte bewaartermijnen. Door dit vast te leggen in een convenant of protocol worden de eisen concreet en naleefbaar. Het gaat hier overigens om bestaande rechten en verplichtingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens BES. Daarom is een rol voor de Commissie als toezichthouder voor de Wet bescherming persoonsgegevens BES ook belangrijk. De regering spant zich daarom in om de Commissie hierbij betrokken te houden en tevens om de slagkracht van de Commissie te vergroten.

  1. Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving

De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel diverse grondslagen bevat voor nog op te stellen lagere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Kan de regering een overzicht geven van alle voorgenomen lagere regelgeving, een korte toelichting geven op de hoofdlijnen van de inhoud daarvan en inzicht geven in de planning?

In de bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag wordt een overzicht gegeven van de verschillende grondslagen die het wetsvoorstel bevat.

Momenteel wordt gewerkt aan een algemene maatregel van bestuur (amvb) waarmee de lagere regelgeving wordt aangepast in lijn met dit wetsvoorstel. Zo wordt het Uitvoeringsbesluit WEB BES geïntegreerd in het Uitvoeringsbesluit WEB en wordt het Examen- en kwalificatiebesluit WEB, met aanpassingen, ook van toepassing op Caribisch Nederland. Dit vraagt om diverse aanpassingen (met name in bestaande verwijzingen naar de WEB BES) en enkele afwijkende voorschriften specifiek voor Caribisch Nederland.

De grondslagen in het wetsvoorstel bieden de ruimte om, waar nodig, voor Caribisch Nederland deels afwijkende voorschriften te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de bekostiging. Een deel van de amvb behoort in het kader van een voorhangprocedure voorgelegd te worden aan beide Kamers der Staten Generaal. Een ander deel zou aan uw Kamer en de Eerste Kamer in het kader van een nahangprocedure behoren te worden voorgelegd. Om onnodig tijdsverlies te voorkomen, wordt bij nota van wijziging voorgesteld om op het gehele ‘Aanpassingsbesluit modernisering regels beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland’ uitsluitend de voorhangprocedure van toepassing te verklaren.

Tot slot zijn er aanpassingen nodig op het niveau van een ministeriële regeling, waarbij met een wijzigingsregeling enkele afzonderlijke regelingen voor Caribisch Nederland geïntegreerd worden met de overeenkomstige regelingen voor Europees Nederland en verwijzingen naar de wet aangepast worden. Waar nodig zal worden voorzien in specifieke afwijkingen of andere regels voor Caribisch Nederland.

De leden van de commissie hebben verder een vraag met betrekking tot de delegatiegrondslag in het voorgestelde artikel 1.6.6, derde lid, WEB. Hierin is bepaald dat bij of krachtens amvb aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken kunnen worden toegekend, die in het verlengde van zijn huidige taak liggen. In de memorie van toelichting geeft de regering aan dat zo bijvoorbeeld de mogelijkheid open blijft om aan Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) als taak de erkenning van leerbedrijven in de zin van de WEB of WVO 2020 in de drie andere landen van het Koninkrijk toe te bedelen. Kan de regering aangeven of er concrete voornemens zijn om dit te gaan doen? Zo ja, op welke termijn? Deze leden vragen ook of de regering nog andere voorbeelden kan noemen van taken die in het verlengde van de huidige taken van de ROA CN, zoals geformuleerd in het voorgestelde artikel 1.6.6 WEB, liggen en die zij voornemens is aan de ROA CN toe te bedelen.

Nee, de regering is op dit moment niet voornemens om de taak van ROA CN uit te breiden met de erkenning van leerbedrijven of een andere taak in het gehele Caribische deel van het Koninkrijk, dus niet alleen in Caribisch Nederland, maar ook in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Dit heeft te maken met de capaciteit van ROA CN. Ook is het van belang dat eerst de uitvoering van de nieuwe wet op orde komt, voordat nieuwe wettelijke taken worden toebedeeld.

  1. Evaluatie

Zowel het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) als de Raad van State heeft geadviseerd om duidelijk te maken hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. De regering heeft hierop de memorie van toelichting aangevuld en een aantal aspecten benoemd waarvan het in de rede ligt deze in ieder geval te betrekken bij die evaluatie.8 De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe de regering deze elementen wil gaan evalueren en betrekken bij de Strategische Evaluatie Agenda van het ministerie. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve meting te doen en is ook voorzien in een nulmeting?

De evaluatie van het onderhavig wetsvoorstel zal worden opgenomen in de strategische evaluatie agenda van het ministerie nadat de wet in werking is getreden en de eerste evaluatieresultaten beschikbaar zijn. Het ligt voor de hand dat de evaluatie deels onder het SEA-thema kwaliteit vervolgonderwijs valt en deels onder het SEA-thema toegankelijkheid vervolgonderwijs. Als onderdeel daarvan zal in kaart worden gebracht welke indicatoren inzicht in doelbereik van het wetsvoorstel kunnen ondersteunen.

Inbreng leden van de fracties

I. Algemeen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan gelijke kansen voor kinderen en jongeren in Caribisch Nederland en willen dan ook dat onderwijswetgeving en voorzieningen in Caribisch Nederland gelijk zijn aan die van Europees Nederland, tenzij er daar bijzondere omstandigheden bestaan die andere wetgeving of voorzieningen rechtvaardigen. In die gevallen dienen de verschillen helder en uitlegbaar te zijn. Deze leden vinden in het algemeen dat het mbo meer regelvrijheid nodig heeft om opleidingen flexibeler vorm te geven, zodat er meer wordt aangesloten bij de praktijk, en de snel veranderende arbeidsmarktbehoeften. Deelt de regering deze visie? Wat moet dit haars inziens betekenen bij de arbeidsmarkt van Caribisch Nederland?
De regering onderschrijft het belang van gelijke kansen voor kinderen en jongeren in heel Nederland, ongeacht waar je wieg staat of heeft gestaan. Tegelijkertijd wil de regering niet haar ogen sluiten voor de verschillende omstandigheden tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland. Binnen de geografische omvang van een eiland kan er nooit een gelijk onderwijsaanbod zijn als op een vergelijkbaar grondgebied in Europees Nederland. Dit betekent dat niet alleen het aanbod op het eiland zelf van belang is, maar ook in de nabije omgeving of de kans op succesvol vervolgonderwijs in Europees Nederland.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd om in Caribisch Nederland een gelijkwaardig voorzieningenniveau te bereiken binnen de mogelijkheden van de Caribisch-Nederlandse context. Dit betekent bovendien dat het vanuit het principe van comply or explain belangrijk is om steeds bij nieuwe wet- en regelgeving te toetsen op de uitvoerbaarheid en de specifieke eilandelijke context. Dit brengt met zich dat daar waar dat kan Europees Nederlandse wet- en regelgeving één op één van toepassing is in Caribisch Nederland, maar dat er waar dat nodig is gedifferentieerd wordt vanuit de lokale behoefte.
De regering deelt de visie dat opleidingen flexibeler vorm moeten kunnen worden gegeven, zodat studenten kansrijk worden opgeleid voor de snel veranderende arbeidsmarkt. Met het Wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt9 krijgen instellingen in Europees Nederland meer ruimte om het onderwijs flexibeler in te richten. Zodra onderhavig wetsvoorstel tot wet zal worden verheven en in werking treedt zal de ruimte voor (verdere) flexibilisering die de Wet Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt biedt ook in Caribisch Nederland beschikbaar komen. Hierop vooruitlopend is met ingang van 1 januari 2026 in Caribisch Nederland onderwijs in de zogenaamde ‘derde leerweg’ mogelijk gemaakt, waar die ruimte er eerder nog niet was in de WEB BES.10

Tegelijkertijd acht de regering het van belang dat deze ruimte wordt gecombineerd met waarborgen voor kwaliteit, doelmatigheid en arbeidsmarktrelevantie. Juist in Caribisch Nederland is deze balans van groot belang. De arbeidsmarkt is kleinschalig en kwetsbaar, en het aantal studenten is beperkt. Dit maakt het noodzakelijk dat het opleidingsaanbod zorgvuldig wordt afgestemd op de regionale arbeidsmarkt.

Tegelijkertijd maken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich ernstige zorgen over het hoge aandeel van de bevolking van Caribisch Nederland dat weinig tot geen opleiding heeft gevolgd (‘zeer laaggeschoold, dan wel laaggeletterd is’). Deze leden willen dat de regering samen met mbo-instellingen werkt aan een kwaliteitsimpuls voor het mbo-onderwijs gericht op betere basisvaardigheden. Hoe wil de regering hierbij recht doen aan de bijzondere omstandigheid dat voor veel jongeren in Caribisch Nederland niet het Nederlands, maar het Papiamentu, Engels of Spaans de thuistaal vormt, maar er in deze talen in zeer ongelijke mate lectuur – in gedrukte vorm of online – beschikbaar is?
De regering deelt deze zorgen. In het mbo bestaan basisvaardigheden uit drie generieke examenonderdelen, namelijk rekenen, burgerschap en Nederlandse taal. Aangezien rekenen een instellingsexamen is, heeft het bevoegd gezag de ruimte om het talig aspect van rekenen, zoals redactiesommen, te verleggen naar het rekenkundig aspect, op die manier wordt het rekenexamen minder talig. En ook burgerschap is een instellingsexamen. Dit betekent dat het bevoegd gezag van de SGB het onderwijs en het examen zodanig kan vormgeven dat het aansluit op de lokale context en de leefwereld van studenten.

Daarnaast groeien studenten op in een meertalige context zoals ook uit de vraag blijkt. Dit brengt mee dat de moedertaalbenadering van de Nederlandse taal niet opportuun is in Caribisch Nederland. Dit is ook bevestigd in de uitvoeringstoets van het College voor toetsen en examens (CvTE). In plaats van de examens Nederlandse taal, die in Europees Nederland worden gebruikt, stelt het CvTE voor om een examen Nederlands als Vreemde Taal (NVT) voor het beroepsonderwijs te ontwikkelen. Op dit moment worden deze toetsen ontwikkeld en de proeftoetsen worden in studiejaar 2026-2027 ingezet om de effectiviteit hiervan te monitoren.

Het voornemen bestaat daarom de examineringsregels in lagere regelgeving zo vorm te geven dat de huidige praktijk op Bonaire vooralsnog kan worden gecontinueerd. Dat betekent dat de in Europees Nederland geldende referentieniveaus voor de Nederlandse taal op Bonaire als richtsnoer zonder harde gevolgen gehanteerd blijven worden. Het vak Nederlands wordt wel geëxamineerd, maar de resultaten tellen niet mee in de slaag-zakbepaling.

Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de memorie van toelichting meermalen de uitdrukking ‘laagopgeleid’ hanteert. Betekent dit dat de regering niet langer vasthoudt aan de visie van de toenmalige minister Dijkgraaf op het onderwijsstelsel als een waaier, waarin meer praktisch gericht onderwijs dus niet langer werd afgedaan als ‘lager onderwijs’? Deze leden zouden liever vasthouden aan het beeld van de waaier.

De regering hecht eraan te benadrukken dat het onderwijsstelsel moet worden benaderd als een waaier, waarin verschillende leerwegen gelijkwaardig zijn en ieder hun eigen waarde hebben. Praktisch gericht onderwijs wordt daarbij nadrukkelijk niet als ‘lager’ gezien. De in de memorie van toelichting gehanteerde term ‘laagopgeleid’ wordt uitsluitend gebruikt in een statistische en beleidsmatige context, bijvoorbeeld in relatie tot het al dan niet beschikken over een startkwalificatie. Deze terminologie sluit aan bij gangbaar gebruik in onderzoek en beleidsanalyse en is niet bedoeld als normatief oordeel over de waarde van verschillende onderwijsrichtingen. Ik onderschrijf het belang van een zorgvuldige en waarderende terminologie en ben het met de leden eens dat het beeld van de waaier beter recht doet aan de gelijkwaardigheid van verschillende onderwijsroutes.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland. Deze wet biedt kansen voor gelijkheid en participatie van jongeren en volwassenen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit wetsvoorstel bevat echter veel delegatiebepalingen. Daarom vinden deze leden het lastig te overzien hoe de wet in praktijk op de eilanden zal uitwerken. Kan de regering hier eens op reflecteren.

Zoals ook in reactie op de vragen vanuit de commissie aangegeven wordt in de bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag een overzicht gegeven van de verschillende grondslagen die het wetsvoorstel bevat. Deze keuze is bewust gemaakt, omdat de situatie in Caribisch Nederland maatwerk en flexibiliteit vereist door de kleinschaligheid van het onderwijs en verschillen tussen de eilanden onderling. Delegatie maakt het mogelijk om onderdelen van het stelsel praktisch en snel aan te passen. De hoofdlijnen blijven in de wet zelf vastgelegd. Tegelijkertijd bevat dit wetsvoorstel niet veel meer delegatiegrondslagen dan andere, in grootte vergelijkbare wetsvoorstellen. Met een voorlichtingsbrochure of circulaire kunnen zo nodig elementen uit de wet en lagere regelgeving worden samengevat, als hieraan in de praktijk behoefte bestaat.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre er sprake is van studie- en arbeidsmigratie naar Europees Nederland van en naar de BES-eilanden. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten welke mogelijkheden er bestaan voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland en in Europees Nederland. Zij vragen de regering of er mogelijkheden zijn om dit soort samenwerking verder te stimuleren, bijvoorbeeld via gezamenlijke opleidingen of digitaal onderwijs. Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie ook in hoeverre het mogelijk is om met diploma’s behaald in Caribisch Nederland doorgestroomd kan worden naar vervolgonderwijs of werk in Europees Nederland.

De Rijksdienst Caribisch Nederland afdeling Studiefinanciering registreert sinds het schooljaar 2023-2024 aan hoeveel studenten een opstarttoelage is toegekend. De opstarttoelage is een tegemoetkoming in de kosten die de overstap naar Europees Nederland met zich meebrengt (o.a. overtocht). Voor het schooljaar 2025–2026 zijn in totaal 100 aanvragen voor een opstarttoelage ingediend. Hiervan zijn 16 aanvragen toegekend aan studenten die een vervolgopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Europees Nederland gaan volgen. Daarnaast is er sprake van een groep studenten die buiten deze registratie valt omdat zij geen opstarttoelage hebben aangevraagd of hiervoor niet in aanmerking komen zoals studenten die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen. Studiemigratie van Europees Nederland naar de BES-eilanden wordt niet geregistreerd.

De onderwijsinstellingen binnen het Koninkrijk werken samen via consortia op mbo- en hbo/wo-niveau. Dat deze samenwerking ook actief wordt opgezocht blijkt ook uit reeds bestaande initiatieven, zoals een samenwerking met onder andere Summa college en de SGB voor het aanbieden van de opleidingen voor dokters- en apothekersassistenten op Bonaire, Aruba en Curaçao. Tijdens een recente werkconferentie van de Strategic Education Alliance (SEA) op Aruba ondertekenden vertegenwoordigers van onderwijs- en kennisinstellingen uit het Caribisch en Europees deel van het Koninkrijk een Koninkrijksbrede Kennisagenda waarin de aandacht uitgaat naar studentsucces en aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt.

Onderwijs in Caribisch Nederland wordt gereguleerd door Nederlandse wetgeving. Hierdoor valt dit onderwijs ook onder het nalevings- en stimulerend toezicht van de Nederlandse onderwijsinspectie en sluit dit onderwijs mede aan op het vervolgonderwijs en werk in Nederland. Zoals eerder aangegeven is het echter juist ook van belang dat er op het eiland zelf of de nabije regio mogelijkheden zijn voor persoonlijke ontwikkeling. Mbo-diploma’s behaald op Bonaire hebben dezelfde civiele waarde als mbo-diploma’s in Europees Nederland en deze diploma’s geven ook doorstroomrecht.

1.1 Aanleiding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt dat het kabinetsbeleid tot 2019 werd gekenmerkt door ‘legislatieve terughoudendheid’ ten aanzien van Caribisch Nederland vanwege het beperkte absorptievermogen van de eilanden, maar dat het kabinet deze terughoudendheid in 2019 heeft losgelaten en is gaan werken vanuit het comply or explain-principe. Ook het coalitieakkoord van de minderheidscoalitie stelt in lijn hiermee: ‘Nieuw beleid in Europees Nederland wordt in de basis ingevoerd in Caribisch Nederland, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen’. Deze leden zijn het hiermee eens, maar zij vragen hoe het legislatieve absorptievermogen van de eilanden zich inmiddels heeft ontwikkeld. Op welke wijze(n) stelt de regering dit absorptievermogen vast, waar het onderwijswetgeving betreft?

Zoals in paragraaf 1.2 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven, is het principe van ‘comply’ geen doel op zich. Soms zijn er redenen om dat juist niet te doen of om naar andere oplossingsrichtingen te zoeken. Dit betekent dat het van belang is om betrokken partijen in een vroeg stadium van een beleidsvoornemen te betrekken. En daarbij nadrukkelijk te kijken naar de uitvoerbaarheid in relatie tot de specifieke eilandelijke context. Dat proces is in dit geval ook doorlopen. De uitvoerbaarheid van maatregelen in de lokale context is van groot belang. Dit overstijgt het belang van uniformiteit of aansluiting bij de Europees Nederlandse regelingen of stelsels. Soms is maatwerk nodig, gebaseerd op weloverwogen keuzes. Maar uiteindelijk moet een maatregel worden beoordeeld op haar effect voor studenten en inwoners van Caribisch Nederland.
Om het absorptievermogen goed te kunnen afwegen, is er gebruikt gemaakt van de Eindnotitie Uitwerking ‘comply or explain’ die op 10 oktober 2022 is uitgegeven door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In die notitie worden handvatten gegeven voor het maken van een afweging hoe wet- en regelgeving kan worden toegepast in Caribisch Nederland.

De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de WEB BES en de SKJ-wet verouderd zijn geraakt. Deze leden vragen de regering om per artikel aan te geven welke bepalingen tot uitvoeringsproblemen of juridische knelpunten hebben geleid en hierbij voorbeelden te geven.
De SKJ-wet richt zich tot voormalige studenten die reeds zijn uitgevallen en vervolgens naar school of werk worden begeleid. Dit in tegenstelling tot Europees Nederland waarbij het beleid voor voortijdig schoolverlaters ook een preventieve component heeft. De SKJ-wet sluit niet aan bij de preventieve beleidsinzet van voortijdige schoolverlaters zoals die bewezen effectief is gebleken in Europees Nederland. Uit de evaluatie van de SKJ-wet bleek ook dat er behoefte is aan preventief beleid voor een effectieve interventiestrategie. In plaats van de SKJ-wet hierop te herzien kiest de regering ervoor om het vsv-beleid, dat in Europees Nederland geldt, met enige differentiatie ook in te voeren in Caribisch Nederland. Zo moet ieder eiland, in tegenstelling tot Europees Nederland waarin regionaal wordt samengewerkt met andere scholen en gemeenten, hun eigen eilandelijk programma opstellen. De WEB BES en de WEB zijn door tijdsverloop steeds meer van elkaar gaan verschillen. Dit maakt dat het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in Caribisch Nederland achter zijn gebleven bij de ontwikkelingen in Europees Nederland. Een voorbeeld is dat de school op Bonaire thans verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van opleidingen educatie. Dit is niet van de grond gekomen, omdat hier geen middelen voor beschikbaar zijn gesteld, maar tegelijkertijd is de vraag of een school de meest geëigende organisatie is om volwasseneneducatie te gaan verzorgen. Volwasseneneducatie vraagt toch weer om een andere benadering dan onderwijs aan minderjarigen of jongvolwassenen.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom er niet is gekozen voor gerichte aanpassing van knelpunten in de bestaande WEB BES in plaats van volledige integratie in de WEB.
De WEB BES is op een tal van punten in de afgelopen periode sterk verouderd. In plaats van te investeren in verbeteringen van de WEB BES en de SKJ-wet kiest de regering om voormelde redenen voor één wettelijk kader voor heel Nederland als het gaat om beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Dit past ook bij de beleidsinzet van deze regering om Caribisch Nederland altijd mee te nemen in beleidsontwikkelingen. Het werken vanuit één wettelijk kader gaat de verwezenlijking van deze beleidsinzet vergemakkelijken. Straks moet namelijk bij iedere wijziging van de WEB of lagere regelgeving de keuze worden gemaakt of het probleem dat met de wijziging moet worden opgelost op elk eiland ook aanwezig is en zo ja, welke maatregel daarbij past. Naar de opvatting van de regering gaat dit bijdragen aan een gelijkwaardig voorzieningenpakket voor heel Nederland, inclusief de drie bijzondere gemeenten. Bovendien sluit dit aan bij eerdere ontwikkeling uit het voortgezet onderwijs, waarbij met de invoering van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) er voor het vo in zowel Europees als Caribisch Nederland één sectorwet geldt. De WVO 2020 verving de afzonderlijke wetten voor Europees en Caribisch Nederland (de oude Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES).

1.2 Doelstelling

Toch hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de doelstelling nog enkele vragen. De memorie van toelichting benoemt dat de huidige WEB BES – die wordt ingetrokken – al een kader gaf voor volwassenenonderwijs, maar er anders dan in het Europese deel van Nederland geen middelen beschikbaar waren gesteld en mede daardoor er geen structureel beleid inzake volwasseneneducatie werd ontplooid. Deze leden lezen in de financiële paragraaf dat er wordt gewerkt aan een onderbouwd bekostigingsmodel, maar er in de periode 2025-2027 tussen de € 125.000 en € 500.000 per eiland beschikbaar komt in het kader van het project ‘LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden’. Kan de regering inzichtelijk maken welke afrekenbare doelen haar te zijner tijd voor ogen staan, in termen van minder laagopgeleiden en minder laaggeletterden in Caribisch Nederland? En kan de regering hierbij nader toelichten waar deze bedragen precies op zijn gebaseerd?

Ik onderschrijf het belang van heldere doelstellingen van volwasseneneducatie in Caribisch Nederland. Met dit wetsvoorstel wordt eerst een structurele basis gelegd zodat beleid kan worden opgebouwd en uitgevoerd. Het streven is om iedere volwassene de kans te geven een eventuele kennisbehoefte bij te spijkeren. Het is aan het bestuurscollege om hier handen en voeten aan te geven door uitvraag te doen voor de inkoop van een passend aanbod van opleidingen educatie of het reeds beschikbare aanbod te subsidiëren voor zijn volwassen inwoners. Het uiteindelijke doel is dat alle inwoners zich kunnen redden, ongeacht waar ze wonen. Dit betekent concreet dat het percentage volwassenen in Caribisch Nederland met een behoefte aan versterking van hun basisvaardigheden op termijn ten minste gelijk moet zijn aan dat in Europees Nederland.

De beleidsinzet met dit wetsvoorstel is gericht op meer deelname aan educatie, versterking van basisvaardigheden en daardoor betere arbeidsmarktkansen en persoonlijke ontwikkeling. Indicatoren zijn bijvoorbeeld verbetering van taal-, reken- en digitale vaardigheden en doorstroom naar werk of vervolgonderwijs. Door de zeer beperkte beschikbaarheid van betrouwbare gegevens acht ik het niet verantwoord om reductiedoelen vast te leggen op dit moment.

De genoemde bedragen komen voort uit de subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden. De bandbreedte houdt rekening met de geografische omstandigheden en verschillen in uitvoeringscapaciteit tussen de eilanden. De eilanden konden hiervoor (gezamenlijk) een aanvraag indienen. Inmiddels is bekend dat Saba een bedrag van € 276.000 toegekend heeft gekregen voor de jaren 2026 en 2027. Voor de effectmeting of eerdergenoemd doel binnen handbereik is, is meer informatie nodig. Bij de evaluatie van de wet over 5 jaar zal er meer zicht moeten zijn op hoe dit beleid zich heeft ontwikkeld, zodat er ook keuzes kunnen worden gemaakt over het vervolg. Alle drie de eilanden hebben dan ook de verhoogde vrije uitkering uit het BES-fonds kunnen gebruiken.

Op Sint Eustatius is 67 procent van de beroepsbevolking opgeleid onder het niveau van een startkwalificatie. Tegelijkertijd constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de Gwendoline van Putten School volgens de Onderwijsinspectie al drie jaar op rij de basiskwaliteit niet heeft gehaald.11 Wat wil de regering ondernemen opdat bij deze tekortschietende basiskwaliteit het percentage opgeleiden zonder startkwalificatie op Sint Eustatius niet alleen maar blijft groeien? Wat wil de regering in het bijzonder ondernemen tegen de problematiek om goede docenten Nederlands te vinden, die wij ook kennen in Europees Nederland, maar in Caribisch Nederland nog iets prangender blijkt?

Indien de Inspectie van het Onderwijs constateert dat de basiskwaliteit op een school tekortschiet, legt zij aan het bevoegd gezag van de school herstelopdrachten op. Het bevoegd gezag van de Gwendoline van Puttenschool werkt op dit moment aan verschillende herstelopdrachten; de voortgang wordt gemonitord door de inspectie. Naast de inspectie die contact heeft met de Gwendoline van Puttenschool in het kader van de herstelopdrachten, spreken ook ambtenaren van mijn ministerie regelmatig met het bevoegd gezag om een vinger aan de pols te houden. Daarnaast heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kalenderjaar 2025 aanvullende middelen bij bijzondere omstandigheden verstrekt, zodat het bevoegd gezag de benodigde investeringen ten behoeve van de organisatie en de onderwijskwaliteit kan realiseren. Wanneer de basiskwaliteit tekortschiet, betekent dat niet automatisch dat er geen diploma (meer) kan worden behaald. Dat is een aparte sanctie die hier niet aan de orde is. Op het moment dat een leerling een diploma CVQ 2 heeft behaald, heeft hij of zij een startkwalificatie.

Het tekort aan leraren speelt ook een grote rol in Caribisch Nederland. Vooral het behoud van leraren blijft een uitdaging voor de eilanden. Het aanpakken van het lerarentekort en het behoud van gekwalificeerde leraren zijn prioriteiten in de derde Onderwijsagenda Caribisch Nederland.12 De verantwoordelijkheid voor het aantrekken van leraren ligt primair bij het bevoegd gezag van de school, maar in de derde onderwijsagenda Caribisch Nederland zijn afspraken gemaakt over onder andere het opstellen van een inwerkprogramma. Daarnaast zijn er ook andere belemmerende factoren zoals de migratieprocedure indien leraren van buiten het eiland komen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Wet Sociale kanstrajecten BES, die met het onderhavige wetsvoorstel wordt ingetrokken, pas in overheidsinterventie om jongeren tussen 18 en 24 jaar terug te leiden naar het onderwijs of de arbeidsmarkt voorzag, nádat deze de school voortijdig hadden verlaten. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt om ook in Caribisch Nederland het preventieve aspect van de wetgeving inzake voortijdig schoolverlaten toe te voegen aan het repertoire van beleid tegen voortijdig schoolverlaten. Nu pleit de organisatie van leerplichtambtenaren Ingrado, waarvan het eiland Bonaire al drie jaar lid is, voor een aanpak waarbij niet langer alleen de nadruk ligt op registratie van spijbelgedrag als voorbode van voortijdig schoolverlaten, maar vooral op aanwezigheidsregistratie, omdat ook veelvuldig geoorloofd schoolverzuim een risicofactor van betekenis vormt. Navraag bij het Centraal Bureau voor Statistiek heeft de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geleerd dat deze instelling voor Caribisch Nederland helaas geen informatie heeft over voortijdig schoolverlaters. Op welke gegevens over voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland baseert de regering de precieze aanpak van voortijdig schoolverlaten bij het onderhavige wetsvoorstel? Wat betekent haars inziens de beperkte beschikbaarheid van gegevens voor de toepasbaarheid van de bevindingen die de Onderwijsinspectie formuleert in de meta-analyse van haar rapport ’Terug naar school: effectieve interventies’13 op de situatie in Caribisch Nederland?
De voorgestelde aanpak voor vsv in Caribisch Nederland is gebaseerd op een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve informatie, zoals gegevens van onderwijsinstellingen, de openbare lichamen, en de evaluatie van de SKJ-wet. Deze evaluatie toont aan dat de registratie van voortijdig schoolverlaters momenteel niet systematisch is, wat het zicht op de doelgroep beperkt.

De regering erkent dat gestandaardiseerde gegevens over voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland beperkt zijn, waardoor beleidsvorming voornamelijk steunt op praktijkervaringen. Het wetsvoorstel richt zich daarom op verbetering van de registratie en monitoring; eerst lokaal en uiteindelijk door aansluiting op landelijke informatiesystemen. De bevindingen uit de meta-analyse van de Onderwijsinspectie (‘Terug naar school: effectieve interventies’) zijn voornamelijk gericht op Europees Nederland. Hoewel deze inzichten waardevol zijn, kunnen ze niet direct worden toegepast op Caribisch Nederland door verschillen in schaal, onderwijsstructuur en sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Daarom worden werkzame elementen zoals vroegsignalering, intensieve begeleiding en samenwerking in de keten als uitgangspunt genomen, maar met maatwerk per eiland. De beperkte gegevens benadrukken het belang van een gefaseerde en lerende aanpak met monitoring en evaluatie.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe de regering het begrip ‘gelijkwaardig voorzieningenniveau’ exact definieert en aan welke meetbare indicatoren dit wordt getoetst. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat het loslaten van legislatieve terughoudendheid leidt tot een stapeling van regelgeving die de uitvoeringskracht op de eilanden overstijgt.
Een gelijkwaardig voorzieningenniveau betekent dat inwoners, waaronder studenten, van een van de drie bijzondere gemeenten in Caribisch Nederland zoveel mogelijk toegang hebben tot vergelijkbaar aanbod als in Europees Nederland. Een voorbeeld hiervan is de impuls aan het volwassenenonderwijs, zodat volwassenen in Caribisch Nederland, net als in Europees Nederland, de kans krijgen een basisvaardigheid te vergroten. Tegelijkertijd kan het onderwijsaanbod op een eiland nooit even omvangrijk zijn als op het vasteland van Nederland. Daarom is het belangrijk dat er naast de basisvoorzieningen op het eiland ook aantrekkelijke routes beschikbaar zijn om buiten het eiland, in de Caribische regio, Amerika of Europa, onderwijs te kunnen volgen en -indien gewenst- daarna weer terug te kunnen keren naar de geboortegrond.
Om het effect op de uitvoeringskracht te kunnen inschatten, wordt er gebruikt gemaakt van de Eindnotitie Uitwerking ‘comply or explain’ die reeds eerder is genoemd, waarbij ook de betrokken instanties en organisaties ter plekke worden geraadpleegd.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

De leden van de VVD-fractie hechten aan en benadrukken de noodzaak van een goede aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Juist op plekken waar de lokale dan wel regionale arbeidsmarkt klein is, zoals op de BES, vinden deze leden het van belang dat het aanbod van opleidingen zo goed als mogelijk aansluit op de vraag van werkgevers. Zij vragen de regering te schetsen hoe de arbeidsmarkt op de BES zich ontwikkelt. Is er net als in Europees Nederland sprake van tekorten aan technisch geschoold personeel, zorgpersoneel en onderwijspersoneel? Op welke manier wordt er aan het tegengaan van die tekorten gewerkt, zo vragen zij zich af.

Ook op de BES-eilanden zijn er structurele tekorten aan technisch geschoold personeel, zorgpersoneel en onderwijspersoneel. De krapte op de arbeidsmarkt is groot, dit komt door een sterke bevolkingsgroei (vooral op Bonaire), gecombineerd met een beperkt aanbod van lokaal gekwalificeerd personeel.14 Maatregelen om de tekorten tegen te gaan zijn onder andere:

  • Investeringen in techniekonderwijs (Sterk Techniekonderwijs BES (STOBES) is een OCW-gesubsidieerd programma, gericht op het versterken van technisch onderwijs via Scholengemeenschap Bonaire. Het programma introduceert techniek bij basisschoolleerlingen en biedt geavanceerde faciliteiten (TechLabs/Hotspots) voor vmbo-leerlingen om hun interesse in technische carrières te stimuleren.

  • De ministeries van OCW en VWS onderzoeken gezamenlijk de stand van zaken met betrekking tot zorgopleidingen in het Caribisch Gebied. Ook wordt er gezocht naar oplossingen om de tekorten aan te pakken. Daarbij werkt de mbo-instelling in Bonaire samen met opleidingen op Aruba en Curaçao. Ook zijn er samenwerkingsverbanden met ROC Mondriaan en SUMMA uit Europees Nederland om de zorgopleidingen te versterken. Door de oprichting in 2025 van het MBO-consortium Caribisch Gebied is er meer kennisdeling en samenwerking tussen de verschillende mbo-instellingen op de eilanden.

  • Onderwijspersoneel zonder bevoegdheid krijgt door het project Kibrahacha de mogelijkheid om lokaal een PO-bevoegdheid te behalen. Binnenkort wordt dit uitgebreid voor toekomstige VO-docenten, zodat het percentage lokale docenten kan toenemen. Ook wordt er gewerkt aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden, zodat het aantrekkelijker wordt voor lokale docenten en docenten uit Europees Nederland om in Caribisch Nederland te werken en langer te blijven.

  • De recente invoering van derde leerweg-onderwijs (LLO) voor het mbo in Bonaire15 heeft ervoor gezorgd dat door volwassenen die reeds werken certificaten kunnen worden behaald via kortere leerroutes en leerwerkprogramma’s, zonder dat er een hele diplomagerichte opleiding nodig is.

De leden van de VVD-fractie constateren dat er in het recentelijk gesloten regeerakkoord verschillende ambities staan over het (beroeps)onderwijs. Zo weten deze leden dat de nieuwe regering een periodieke macrodoelmatigheidstoets in gaat voeren om het opleidingsaanbod actueel en doelmatig te houden. Deze leden vragen zich af of de Raad Onderwijs Caribisch Nederland (ROA) ook over dergelijke instrumenten beschikt om het opleidingsaanbod relevant te houden. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat het regionale opleidingsaanbod goed aansluit bij de arbeidsmarkt. Daarbij vragen zij ook hoe het toezicht op het ROA is geregeld.

Dit wetsvoorstel bevat geen verplichte periodieke macrodoelmatigheidstoets waaraan wordt gerefereerd. ROA CN is de schakel tussen arbeidsmarkt en beroepsonderwijs. ROA CN erkent leerbedrijven en begeleidt bedrijven bij opleidingsactiviteiten, zoals stages en leerwerktrajecten en het opleiden van leermeesters. Daarnaast promoot ROA CN het beroepsonderwijs op de eilanden, zodat meer jongeren voor een beroepsopleiding kiezen. ROA CN doet door middel van arbeidsmarktanalyses aanbevelingen voor nieuwe onderwijsprogramma's die scholen van plan zijn aan te bieden, onderzoekt hun relevantie voor de arbeidsmarkt en hun potentiële effectiviteit. ROA CN is in samenwerking met het ministerie van OCW bezig met het opzetten van het Stagepact Bonaire om de kwaliteit van stages voor de studenten te verbeteren. ROA CN kan vrijwillig een tussentijdse macrodoelmatigheidstoets uitvoeren. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op ROA CN.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn zich bewust van het feit dat het onderhavige wetsvoorstel betrekking heeft op de drie openbare lichamen in Caribisch Nederland en dat de CAS-landen zelf verantwoordelijk zijn voor hun onderwijsbeleid. Toch vragen deze leden aandacht voor het feit dat er zowel op de bovenwindse als benedenwindse eilanden sprake kan zijn van het feit dat studenten van een eiland in Caribisch Nederland verhuizen naar één van de CAS-landen of andersom. Kan de regering aangeven of en zo ja op welke wijze Nederland en de CAS-eilanden samenwerken bij het versterken van de kwaliteit van het beroepsonderwijs en om ervoor te zorgen dat het onderwijs waar mogelijk en gewenst dusdanig op elkaar aansluit dat onnodige belemmeringen om onderwijs op een van de naburige eilanden zoveel mogelijk worden weggenomen?
Hoewel elk land inderdaad verantwoordelijk is voor het eigen onderwijsbeleid, werken de landen samen om het onderwijs binnen het Koninkrijk zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Zo is er een start gemaakt met de invoering van een geüniformeerde kwalificatiedossierstructuur in het secundair beroepsonderwijs ofwel middelbaar beroepsonderwijs (sbo/mbo) op Aruba, Bonaire en Curaçao. Tijdens de eerder genoemde SEA conferentie op Aruba hebben de betrokken partijen daarnaast voorstellen gedaan om de kwaliteit en uniformiteit van het onderwijs in het Caribisch deel van het Koninkrijk te versterken. Voorbeelden hiervan zijn standaardisering van het curriculum en opleidingsprogramma en het verkennen van mogelijkheden voor een Regionaal opleidingsaanbod. Tijdens het vierlandenoverleg van november 2026 zullen deze voorstellen worden aangeboden aan de betrokken onderwijsministers.

2.1 Erkenning beroepsopleidingen

De leden van de PVV-fractie vragen de regering uit te leggen waarom de zorgplicht voor arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid volledig bij de instelling wordt neergelegd, terwijl op Bonaire slechts één bekostigde instelling actief is.
Anders dan nu het geval is, kan de SGB na inwerkingtreding van het wetsvoorstel beroepsopleidingen aanbieden die in de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016 staan, zonder voorafgaand erkenning en bekostiging aan te hoeven vragen voor het mogen aanbieden van deze opleidingen.16 Het is wél de bedoeling dat de SGB alleen opleidingen aanbiedt die voldoende arbeidsmarktperspectief hebben en waarvoor voldoende stageplekken beschikbaar zijn. Zoals hiervoor aangegeven kan ROA CN over een bestaande opleiding een advies uitbrengen als daarvoor aanleiding bestaat, bijvoorbeeld bij een tekort aan stageplekken of een gebrek aan arbeidsmarktperspectief. Zo’n advies is verplicht bij het voornemen om een nieuwe beroepsopleiding te starten.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de Commissie Macrodoelmatigheid mbo haar taak effectief kan uitvoeren, gelet op de geografische afstand en de beperkte schaal van de arbeidsmarkt op Bonaire.
De regering hecht eraan dat de Commissie macrodoelmatigheid MBO (hierna: CMMBO) haar taken op grond van dit wetsvoorstel effectief kan uitvoeren. In Europees Nederland brengt CMMBO op basis van een technische analyse en op basis van gesprekken met betrokken partijen een advies uit. Het gaat dan om een geschil tussen instellingen onderling. Een technische analyse van CMMBO heeft in Caribisch Nederland geen toegevoegde waarde ten opzichte van het advies van ROA CN. Echter, CMMBO kan desgevraagd een rol krijgen in geval van een verschil van inzicht tussen de instelling en ROA CN. Hierover is met CMMBO een werkwijze afgesproken die recht doet aan de rollen en expertise van OCW, ROA CN en CMMBO. Een commissielid van CMMBO kan (in uitzonderlijke gevallen) naast OCW en ROA CN (digitaal) aansluiten bij een gesprek over een geschil, vanuit een gelijkwaardige positie. De inbreng en het onafhankelijk advies van CMMBO is daarbij gebaseerd op de expertise die de commissie heeft in Europees Nederland en is aanvullend op de expertise van OCW en ROA CN.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering te verduidelijken welke criteria worden gehanteerd in het geval van een verschil van inzicht tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) en de instelling.
De zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief worden in Europees Nederland primair getoetst door de instellingen zelf. Dit gaat in onderling overleg. Zij behoren in eerste instantie zelf te bewaken dat er geen nieuwe opleiding wordt gestart in strijd met die zorgplichten. Omdat er – anders dan in Europees Nederland – slechts één bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland is, namelijk de SGB, is er vanwege de geografische afstand met de andere instellingen in Europees Nederland geen sprake van afstemming van het opleidingsaanbod tussen bekostigde instellingen onderling. Kortom, voor de SGB is overleg met de instellingen in Europees Nederland wat dit betreft niet van belang.

Vanwege het relatief geringe aantal studenten op de SGB is het desondanks uitermate belangrijk dat het opleidingsaanbod zorgvuldig wordt afgestemd met de regionale arbeidsmarkt. Een bekostigde instelling in Caribisch Nederland dient haar voornemen tot het starten van een nieuwe opleiding eerst te bespreken met ROA CN. In dit overleg dient ook arbeidsmarktperspectief en beschikbaarheid van leerbedrijven ten behoeve van de beroepspraktijkvorming, te worden besproken.

Bij een verschil van inzicht kan ik besluiten om CMMBO te betrekken zoals hierboven uiteengezet.

Ten aanzien van de taakopvatting van CMMBO is het goed om te benadrukken dat bij een eventueel verschil van inzicht tussen ROA CN en de SGB het niet de bedoeling is, dat CMMBO opnieuw een onderzoek doet naar de arbeidsmarktrelevantie van een opleiding én de beschikbaarheid van stageplekken. Deze taak ligt primair bij ROA CN. CMMBO kan op verzoek optreden als critical friend, door verdiepende vragen te stellen aan partijen over het gevolgde proces, over de aangeleverde data en over de aangedragen argumenten. Op basis daarvan kan de CMMBO een onafhankelijk advies uitbrengen aan de minister van OCW.

2.2 Bekostiging beroepsopleidingen

De leden van de D66-fractie constateren dat voor twee onderdelen van dit wetsvoorstel, de bekostiging van de vsv-aanpak en de educatiemiddelen voor volwasseneneducatie, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) momenteel nog onderzoekt of er voldoende data beschikbaar zijn om tot een onderbouwd bekostigingsmodel te komen. De memorie van toelichting en het nader rapport geven nog geen indicatie van wanneer de uitkomsten van dit onderzoek worden verwacht. Deze leden vragen de regering of de bekostigingsmodellen voor vsv en volwasseneneducatie gereed zijn voor 1 augustus 2026. Zo nee, welke tijdelijke bekostigingsregeling geldt er dan en hoe is de verdeling van de beschikbare middelen over de eilanden geregeld voor de periode tot de nieuwe bekostigingsmodellen van kracht worden?

De beoogde inwerkingtreding is verschoven naar 1 augustus 2027, waardoor er meer tijd is om de bekostigingsmodellen af te ronden. Bestaande SKJ-middelen blijven beschikbaar voor vsv; voor volwasseneneducatie gaat de financiering via de vrije uitkering in het BES-fonds, waarbij mijn inzet is die specifiek voor dit doel te verhogen. Indien op onderdelen nadere bekostigingsregels bij inwerkingtreding nog niet volledig zouden zijn afgerond, zal worden voorzien in passend overgangsrecht of een tijdelijke voortzetting van de bestaande financieringsstromen, zodat de continuïteit van uitvoering niet in het gedrang komt.

De leden van de D66-fractie vragen de regering voor elk van de drie eilanden inzichtelijk te maken welke nieuwe wettelijke taken zij met dit wetsvoorstel krijgen en via welk instrument en welke verdeelsleutel de bijbehorende middelen worden toegekend.

Het wetsvoorstel heeft op hoofdlijnen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba dezelfde wettelijke taken, met ruimte voor maatwerk waar de eilandelijke context daarom vraagt.

Voor alle drie de openbaar lichamen geldt in het bijzonder dat zij een wettelijke taak krijgen op het terrein van volwasseneneducatie. De bestuurscolleges worden verantwoordelijk voor het verzorgen van een aanbod van opleidingen educatie, gericht op onder meer basisvaardigheden, zelfredzaamheid en participatie. Elk openbaar lichaam stelt hiervoor een eigen programma op, passend bij de lokale situatie.

Daarnaast behouden bestuurscolleges van de openbare lichamen binnen de vernieuwde aanpak van vsv taken op het gebied van registratie, monitoring, doorverwijzing en samenwerking binnen het sociaal domein.

De bijbehorende middelen worden niet via een afzonderlijke specifieke uitkering verstrekt, maar via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Voor het vsv beleid blijven de middelen die eerder beschikbaar werden gesteld aan de openbare lichamen voor de SKJ-wet beschikbaar, maar dan voor scholen en de nieuwe vsv aanpak. Deze middelen worden verdeeld op basis het bekostigingsmodel dat over vijf jaar zal worden geëvalueerd.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat de bekostigingssystematiek voor het mbo-deel van de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) inhoudelijk ongewijzigd blijft ten opzichte van de huidige systematiek.

De regering kan bevestigen dat de bekostigingssystematiek voor het mbo-deel van de SGB met dit wetsvoorstel inhoudelijk ongewijzigd blijft.

Met het wetsvoorstel wordt de grondslag voor de bekostiging technisch verplaatst van de Wet voortgezet onderwijs 2020 naar de Wet educatie en beroepsonderwijs en daarbij behorende uitvoeringsregelgeving, passend bij de positionering van de SGB als verticale scholengemeenschap. Uitgangspunt blijft dat de berekeningswijze vergelijkbaar is met de huidige vereenvoudigde bekostiging voor het voortgezet onderwijs op Bonaire.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke risicoanalyse is uitgevoerd met betrekking tot mogelijke versnippering van het beroepsonderwijs indien andere instellingen toegang krijgen tot het mbo-aanbod op Bonaire.

Tijdens de voorbereiding voor het wetsvoorstel is dit risico beoordeeld. Daarbij is uitgegaan van de huidige situatie met een relatief kleine bekostigde mbo-instelling op een eiland. Een gemiddelde mbo-instelling elders bedient een grotere regio, is per definitie groter in omvang, en heeft meer mogelijkheden om een tweede vestiging te openen zonder dat er een aannemelijk risico op kwaliteitsverlies is. Studenten hebben dan ook meer mogelijkheden om een instelling te kiezen in hun regio of daarbuiten, ook dankzij het openbaar vervoer en het studentenreisproduct.

Een kleine instelling op Bonaire daarentegen is kwetsbaar voor verlies van studenten en personeel. Studenten op Bonaire kunnen niet uitwijken naar andere instellingen en hebben ook geen studentenreisproduct. Het is niet de intentie van de wet om de bestaande instelling te beschermen, maar om een drempel op te werpen tegen toetreders die een risico opleveren voor de continuïteit van die instelling zonder dat tevoren grondig rekening is gehouden met de gevolgen voor studenten en het opleidingenaanbod op Bonaire. Voor het behoud van het beroepsonderwijs op Bonaire bij de bestaande instelling is een zekere schaalgrootte nodig. Dit maakt dat versnippering risico’s met zich mee brengt voor de toegankelijkheid, breedte en kwaliteit van het beroepsonderwijs.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat publieke middelen doelmatig worden besteed wanneer voorafgaande ministeriële instemming is vereist voor de toetreding van nieuwe aanbieders.

Elk bevoegd gezag dient de bekostiging die het ontvangt rechtmatig en doelmatig te besteden. Dit wetsvoorstel brengt daar geen wijzigingen in aan. Bij een aanvraag voor instemming wordt onder andere de doelmatigheid van de opleiding, die een bekostigde mbo-instelling uit Europees Nederland wil aanbieden in Caribisch Nederland, vooraf beoordeeld. De regering wil versnippering van het beroepsonderwijs voorkomen en een doelmatigheidstoets is daarvoor een effectief instrument.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat het geringe studentenvolume (746 mbo-studenten voor het studiejaar 2024–2025) op een eiland met ongeveer 25.000 inwoners het een uitdaging maakt om een zo breed mogelijk aanbod aan beroepsopleidingen in stand te houden en tegelijkertijd die instelling in staat te stellen een structurele kwaliteitsborging te realiseren. Dat kunnen de leden van de CDA-fractie zich voorstellen, krijgt het mbo op Bonaire hier ondersteuning bij? Kunnen zij gebruik maken van Nederlandse ervaring aan ondersteuningsmogelijkheden om structurele kwaliteitsborging te borgen?

Ja, er is periodiek contact tussen het ministerie van OCW, de afdeling van OCW voor het Caribisch gebied (OCW-CG) en de mbo-instelling in Bonaire. Daarnaast is er steeds meer sprake van diverse samenwerkingsvormen tussen mbo- of sbo-instellingen binnen het Koninkrijk.

2.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)

De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe in de praktijk wordt omgegaan met situaties waarbij de taakverdeling tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) tot onduidelijkheid of conflicten leidt, met name bij de erkenning van leerbedrijven en het beheer van het gezamenlijke register.
Ter voorbereiding op de invoering van dit wetsvoorstel heeft de regering regelmatig overleg met ROA CN en de SBB. Hierbij is afgesproken dat ROA CN en SBB procesafspraken met elkaar maken hoe zij, vanuit hun wettelijke taak, hiermee omgaan.

2.4 Het beroepsonderwijs

De leden van de PVV-fractie constateren dat bij toepassing van de referentieniveaus Nederlandse taal naar verwachting slechts circa 20 procent van de studenten een diploma zou behalen. Deze leden vragen de regering inzicht te geven in de exacte toetsresultaten per referentieniveau en per opleiding.

De meest recente toetsresultaten van het mbo van de Scholengemeenschap Bonaire laten het volgende beeld zien, indien de Europees Nederlandse eisen onverkort zouden gelden:

- bij de opleidingen op niveau 2 (basisberoepsopleidingen) maakten in totaal 87 studenten het examenonderdeel Nederlands, waarvan 11 studenten aan de eisen van het referentieniveau zouden voldoen;

-bij niveau 3 (vakopleiding) deden 54 studenten mee aan het examen en daarvan zouden 25 studenten het niveau halen;

- tot slot hebben 65 studenten examen afgelegd voor de niveau 4 opleidingen (middenkader- of specialistenopleiding. Daarvan zouden 35 studenten het niveau halen.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de civiele waarde van een mbo-diploma uit Bonaire wordt geborgd indien de Nederlandse taal geen onderdeel uitmaakt van de slaag-zakbepaling.

Ook in de huidige situatie onder de WEB BES, waarbij er geen referentieniveau geldt, geeft een diploma, dat is behaald in Caribisch Nederland, doorstroomrecht naar het vervolgonderwijs in Europees Nederland. Dit zal niet wijzigen met dit wetsvoorstel. Mbo-diploma’s behaald op Bonaire hebben dezelfde civiele waarde als mbo-diploma’s behaald in Europees Nederland en deze diploma’s geven ook dezelfde doorstroomrechten naar vervolgonderwijs. Daarbij moet in ogenschouw genomen worden dat niet elke gediplomeerde wil doorstromen naar Europees Nederland. De school wijst studenten die buiten het eiland verder willen studeren op het belang van hun taalvaardigheid Nederlandse taal.

De inzet is erop gericht de periode waarin het vak Nederlands is uitgezonderd van de slaag-zakbepaling zo kort mogelijk te houden. Het CvTE ontwikkelt een examenonderdeel Nederlands als vreemde taal. In het najaar van 2026 zal een proef met dit examen worden afgenomen in Bonaire en Aruba. Op basis van de resultaten uit de proef kunnen de examens nog worden aangepast. Het streven is dat met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dit aangepaste examenonderdeel geoperationaliseerd zal zijn. Dit houdt in dat de NVT-examens gedurende vijf studiejaren worden geëxamineerd, de resultaten hiervan worden gemonitord maar dat deze (nog) niet meetellen voor de slaag-zakbepaling.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering in hoeverre het risico bestaat dat studenten bij doorstroom naar Europees Nederland alsnog tegen taalachterstanden aanlopen die hun studiesucces belemmeren.
Dat risico bestaat en is ook reëel zo blijkt thans in de praktijk. Studenten groeien op in een meertalige omgeving, waarbij Nederlands vaak niet de moedertaal is en evenmin de taal die in de omgeving of thuis gesproken wordt. Om die reden is het belangrijk dat – parallel aan dit wetsvoorstel – proeftoetsen Nederlands als vreemde taal worden ontwikkeld zodat in de komende jaren gekeken kan worden of deze pedagogische-didactische benadering ervoor zorgt dat Caribische studenten uiteindelijk ongehinderd aansluiting kunnen vinden op het moedertaalniveau Nederlands van een vervolgopleiding in Europees Nederland. Zoals ook eerder aangegeven zet de regering ook in op ander flankerend beleid om studeren op het eiland zelf of in de regio aantrekkelijker te maken.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke financiële middelen beschikbaar worden gesteld om het taalonderwijs structureel te versterken.

Vanuit het departement wordt op verschillende manieren ingezet op de structurele versterking van het taalonderwijs, zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland. Er wordt breed ingezet op de versterking van het taalonderwijs in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs door extra financiële middelen beschikbaar te stellen. Dit geldt specifiek voor de ontwikkeling van toetsinstrumentarium voor Nederlands als vreemde taal voor het mbo, en Papiaments en Engels voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ook worden de nieuwe kerndoelen op dit moment afgestemd en aangepast op de meertalige context van de eilanden.

De leden van de CDA-fractie vinden net als de regering dat de vraag gerechtvaardigd is of op de eilanden de Nederlandse taalvaardigheid mee moet worden genomen in de examenresultaten en hoe dat moet worden bezien in het licht van doorstroommogelijkheden naar het vervolgonderwijs. Dit is immers niet de moedertaal. Deze leden vragen zich vervolgens wel af hoe de regering dit nu verder wil uitwerken. Er worden verschillende opties gepresenteerd maar aan welke richting denkt de regering nu? Wanneer wordt hier een beslissing over genomen?
Op dit moment bestaat er onvoldoende onderzoek over de wijze waarop in het onderwijs op Bonaire met de Nederlandse taal omgegaan zou kunnen worden, en welke taalniveaus en resultaten uiteindelijk haalbaar zouden zijn. Wel is duidelijk dat de Europees-Nederlandse eisen niet onverkort kunnen worden toegepast in de lokale situatie.

Het voornemen is om de exameneisen in de lagere regelgeving zo vorm te geven dat de huidige praktijk in Bonaire vooralsnog kan worden gecontinueerd. Dit betekent dat de in Europees Nederland geldende referentieniveaus voor de Nederlandse taal op Bonaire niet als maatstaf maar als richtlijn gehanteerd blijven worden. Het vak Nederlands wordt ook geëxamineerd, maar de resultaten tellen niet mee in de slaag-zakbepaling zolang er geen geschikt examenonderdeel is. Het College voor toetsen en examens ontwikkelt daarom momenteel een aangepast examenonderdeel Nederlandse taal NVT (Nederlands als vreemde taal) waarbij rekening wordt gehouden met de meertalige context van de Caribische studenten. Door komend najaar een proef te doen met de NVT-benadering verwacht de regering meer recht te doen aan de meertalige context van de studenten. Nadat de proeftoets is gemaakt, zullen de resultaten van onderwijs en examinering van het NVT-examen worden geëvalueerd, het streven is dat bij de wetsevaluatie een weloverwogen besluit kan worden genomen hoe in de toekomst om moet worden gegaan met het examenonderdeel Nederlands in Caribisch Nederland.

De leden van de JA21-fractie merken op dat omdat het Nederlands voor de meeste leerlingen en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is en bij veel werkgevers en leerbedrijven nauwelijks of geen Nederlands wordt gesproken, besloten is de examenresultaten van het vak Nederlands niet meer mee te tellen voor de slaag-zakbeslissing, omdat anders te weinig leerlingen zouden slagen. De leden van de JA21-fractie vragen de regering welke gevolgen deze wijziging volgens de regering heeft voor de beheersing van de Koninkrijkstaal in Caribisch Nederland? Lopen wij het risico om het Koninkrijk te kort te doen omdat straks kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk met slechts een beperkte kennis van het Nederlands van school komen? En wat zijn volgens de regering de gevolgen van het verdwijnen van het Nederlands uit de slaag-zakregeling voor leerlingen die een vervolgopleiding willen volgen in Nederland?
De regering onderschrijft het belang dat studenten met voldoende kennis van het Nederlands van school afgaan. Op basis van dit wetsvoorstel hebben studenten voorlopig een inspanningsplicht ten aanzien van het vak Nederlands. Dit betekent dat zij het vak Nederlands krijgen en hiervoor geëxamineerd worden, maar de resultaten nog niet meetellen voor de slaag-zakregeling, zolang er geen geschikt examenonderdeel voorhanden is. Dit is thans ook al het geval, zodat er feitelijk niets verandert.

De Scholengemeenschap Bonaire biedt studenten die daar behoefte aan hebben maatwerk om Nederlandse taal op niveau 3F af te leggen. Daarnaast heeft de Scholengemeenschap Bonaire, buiten het reguliere onderwijsprogramma, tevens een zaterdagschool in het leven geroepen. Dit biedt studenten de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen in de Nederlandse taal, wat met name interessant is voor studenten die in Nederland verder willen studeren.

De Nederlandse UNESCO Commissie heeft bij monde van haar voorzitter Kathleen Ferrier vorig jaar tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de ‘Voertaal en instructietaal in het Caribisch deel van het Koninkrijk’ gewaarschuwd dat kinderen die van huis uit Papiamento spreken en van school komen met een beperkte kennis van het Nederlands veel moeilijker toegang hebben tot het Europese deel van het Koninkrijk en dat dit maatschappelijke, culturele en economische gevolgen heeft. De leden van de JA21-fractie vragen of de regering overweegt tegen deze achtergrond om het beleid op Aruba over te nemen waar leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs in Nederland een extra keuzevak Nederlands kunnen volgen?
Op dit moment kunnen studenten in Caribisch Nederland het keuzevak Nederlands 3F volgen. Het keuzedeel 'Nederlands 3F' is relevant voor doorstroom naar een niveau 4-vervolgopleiding.17 Daarnaast kunnen studenten ook het keuzedeel ‘Nederlands 4F’ volgen, dat relevant is voor doorstroom naar hbo.18 Hier wordt dus in voorzien.

Volgens een onderzoek van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) van december ‘Caribbean Netherlands in Numbers’19 willen meer dan acht op de tien scholieren Caribisch Nederland verlaten. Opleiding of werk worden vaak genoemd als reden. Deze leden vragen hoe de regering deze uitkomsten rijmt met de vaststelling dat de meeste afgestudeerde mbo’ers op Aruba of Bonaire niet zullen doorstromen naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt in Nederland?

In het onderzoek van het CBS is door de ondervraagden aangegeven, dat zij het eiland willen verlaten voor vervolgopleiding of werk. Of men daadwerkelijk het eiland verlaat, is een tweede. Uit gegevens van studenten die een opstarttoelage aanvragen om in Europees Nederland te gaan studeren, blijkt dat jaarlijks ongeveer 100 jongeren uit Caribisch Nederland naar Europees Nederland vertrekken voor een vervolgstudie.

In navolging van de arbeidsmarktanalyses die separaat voor Aruba, Caribisch Nederland, Curaçao en Sint Maarten in opdracht van het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW zijn uitgevoerd, hebben in 2025 gesprekken plaatsgevonden tussen overheden, het onderwijsveld en de arbeidsmarkt. Deze gesprekken hebben de basis gelegd voor het versterken en in het geval van Curaçao en Sint Maarten oprichten van structurele platforms waarin deze organisaties zijn vertegenwoordigd. De volgende stap is om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in de regio te verbeteren door bijvoorbeeld informatie over regionaal onderwijsaanbod, standaardisering van de opleidingsprogramma’s en leven lang ontwikkelen aanbod te centraliseren.

2.5 Volwasseneneducatie

De Raad van State adviseert om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet op het ordentelijk beheer van financiën op de eilanden. Nu stelt de regering dat zij zich zal inspannen om de vrije uitkering vanwege deze extra wettelijke taak te verhogen. De CDA-fractie vraagt wat deze inspanningsverplichting concreet betekent? Is hier (meer) duidelijkheid over bij de plenaire behandeling van deze wet?

Ik onderschrijf het belang van duidelijkheid over financiële gevolgen van het wetsvoorstel. Inmiddels zijn stappen gezet en zijn de beschikbare bedragen verhoogd ten opzichte van eerdere uitgangspunten. Momenteel is het streven erop gericht om jaarlijks voor Bonaire € 250.000 en voor Sint Eustatius en Saba elk € 100.000 beschikbaar te stellen voor volwasseneneducatie. Ik blijf met de openbaar lichamen in overleg, zodat de uiteindelijke financiering zo goed als mogelijk aansluit bij de gewenste resultaten en feitelijke uitvoeringslasten en de taak naar behoren kan worden vervuld.

2.6 Medezeggenschap

De leden van de D66-fractie constateren dat dit wetsvoorstel de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) een uitgebreid regime van advies- en instemmingsrecht introduceert, terwijl de huidige wetgeving enkel een informatieplicht kent. Deze leden steunen dit van harte, gezien het belang van medezeggenschap. Zij vragen de regering daarbij welke ondersteuning de instelling ontvangt bij de implementatie van het nieuwe medezeggenschapsregime en wat de beoogde implementatietermijn is.

Direct met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel krijgen de ondernemingsraad, studentenraad en ouderraad hun wettelijke medezeggenschapsrechten. Deze raden zijn er niet vanzelf. De bestaande raden houden op dat moment op te bestaan. Eerst zullen er verkiezingen voor de nieuwe raden moeten worden georganiseerd. In de aanloop naar de inwerkingtreding wordt de SGB reeds ondersteund vanuit OCW, zodat er al zaken kunnen worden voorbereid en er vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel een soepele start kan worden gemaakt. De SGB heeft speciaal voor de medezeggenschap een projectleider aangesteld. Ook is er via OCW-CG contact met de SGB en de huidige medezeggenschapsorganen voor ondersteuning.

2.7 Informatiesystemen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie achten betrouwbare en tijdige gegevens essentieel voor het vroegtijdig signaleren van risico’s op uitval en zouden hier willen aansluiten bij ontwikkelingen in Europees Nederland, waaronder de Wet Terugdringen schoolverzuim, ook al zien deze leden in dit wetsvoorstel niet het wondermiddel dat de memorie van toelichting suggereert. Het is van belang dat privacybescherming adequaat wordt geborgd en dat betrokken organisaties worden ondersteund bij de implementatie van de regels voor gegevensbescherming. Welke ondersteuning staat de regering op dit punt voor ogen?

Zoals eerder ook aangegeven zal het ministerie van OCW trainingen organiseren bij de ketenpartners die met privacygevoelige verzuimgegevens te maken krijgen. Deze trainingen zullen zijn gericht op het vergroten van de kennis en vaardigheden omtrent privacybescherming bij degenen die geautoriseerd zijn verzuimmeldingen te doen of te ontvangen. Het doel is om de persoonlijke levenssfeer van personen die worden geregistreerd te beschermen conform de eisen van de Wet bescherming persoonsgegevens BES. Ook zal daarbij de Commissie toezicht Wbp BES worden betrokken.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke concrete technische belemmeringen momenteel bestaan bij de aansluiting op Registratie Instellingen en Opleidingen (RIO) en het Register Onderwijsdeelnemers (ROD).

Zoals eerder aangegeven bestaan die belemmeringen vooral voor de scholen op de bovenwindse eilanden, omdat zij een ander onderwijsprogramma hebben dan de andere Nederlandse scholen. Daarvoor is geen passende software te koop. Als de scholen gedwongen worden deze aansluiting te regelen, dan kan dat wellicht een onevenredige claim leggen op financiële middelen. Daarom wil ik dit eerst goed onderzoeken.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke waarborgen worden ingebouwd ter bescherming van persoonsgegevens bij de uitrol van deze registratiesystemen in Caribisch Nederland.

Zoals eerder beantwoord is de belangrijkste waarborg de Wet bescherming persoonsgegevens BES. De naleving van deze wet laat echter te wensen over zoals uit een evaluatie blijkt. Daarom zet de regering in op aanvullend instrumentarium zoals trainingen bij de relevante ketenpartners om de naleving bij hen op een voldoende niveau te krijgen. Hierbij is het oogmerk om samen te werken met de unit OCW-CG van de Rijksdienst Caribisch Nederland en de Commissie toezicht Wbp BES. Als het gaat om de meest privacygevoelige verzuim- en vrijstellingsgegevens is er voorlopig overigens nog geen sprake van gegevensuitwisseling vanuit Europees Nederland naar Caribisch Nederland. Daarbij komt ook nog dat het feitelijk om gegevens uit Caribisch Nederland gaat, die dan echter via het ROD weer worden teruggeleverd aan de lokale autoriteiten.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat zonder volledige registratie betrouwbare sturingsinformatie ontbreekt en toe te lichten hoe lang deze situatie naar verwachting nog zal voortduren.

Het is niet zo dat betrouwbare sturingsinformatie in het geheel ontbreekt. Het kan echter beter. Alle scholen op Caribisch Nederland leveren digitaal hun telgegevens aan en deze tellingen worden ook gevalideerd door een accountant. Op basis van deze gevalideerde tellingen wordt de bekostiging vastgesteld. Zoals eerder aangegeven zal de uitwisseling van bekostigings- en diplomagegevens met ingang van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gerealiseerd zijn voor Bonaire.

2.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

De leden van de D66-fractie wijzen op de constatering in de memorie van toelichting dat de openbare lichamen de bestaande wettelijke taken op het gebied van registratie en monitoring van voortijdig schoolverlaten (vsv) tot op heden niet conform de geldende regelgeving uitvoeren, en dat hierin nog een slag gemaakt moet worden. Deze leden vragen de regering welke maatregelen worden getroffen om dit voor inwerkingtreding op orde te brengen en hoe wordt geborgd dat ook de nieuwe vsv-taken tijdig en conform de wet worden uitgevoerd.

Voor een goede start van de uitvoering van de wet werk ik aan een implementatieplan, zodat ik daarover met openbare lichamen en andere betrokkenen bij de uitvoering van de wet afspraken kan maken over hun inzet en ondersteuningsbehoefte. Mijn doel is om de openbare lichamen actief te betrekken bij de verdere uitwerking en implementatie van het wetsvoorstel en waar nodig te ondersteunen bij de inrichting van de nieuwe werkwijze. Ik zal de implementatie nauwgezet volgen over ervoor te zorgen dat de taken tijdig en conform de wet worden uitgevoerd. Zoals eerder aangegeven zal bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op grond van overgangsrecht voorlopig sprake zijn van lokale registratie van verzuimgegevens zonder uitwisseling met het ROD.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren dat het wetsvoorstel de aanpak van voortijdig schoolverlaten voorlopig legt bij schoolbesturen. In Europees Nederland ligt de regierol bij gemeenten, wat deze een onafhankelijke positie biedt en samenwerking met partners in zorg en arbeid faciliteert. Kan de regering nader toelichten waarom zij in dezen vooralsnog nog niet wil werken naar een vergelijkbare publieke regierol voor de openbare lichamen in Caribisch Nederland?

De regierol ligt voorlopig bij scholen, omdat openbaar lichamen hun huidige SKJ-taken (registratie, monitoring, doorverwijzing) nog niet volledig en structureel uitvoeren. Zo ontbreekt onder meer een registratiesysteem. Dit moet nu wel op korte termijn worden ontwikkeld om een meer systematische aanpak van voortijdig schoolverlaten mogelijk te maken. Ik kies daarom voor een pragmatische en gefaseerde aanpak. Scholen hebben dagelijks zicht op leerlingen en studenten, kunnen risico's op uitval vroegtijdig signaleren en beschikken al over de benodigde contacten met de jongeren en hun ouders/verzorgers. Door de regierol in deze fase bij de scholen te beleggen, kan de preventieve aanpak van vsv direct worden versterkt, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan het verbeteren van de randvoorwaarden bij de openbare lichamen. Daarbij wordt nadrukkelijk samengewerkt met de openbare lichamen en andere betrokken partners binnen de lokale overlegstructuur. Tegelijk blijft het openbaar lichaam betrokken en medeverantwoordelijk binnen de overlegstructuur. Op termijn kan een grotere regierol voor de bestuurscolleges van de openbare lichamen worden overwogen.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoeveel voortijdig schoolverlaters in de afgelopen vijf jaar per eiland zijn geregistreerd en hoeveel van hen daadwerkelijk zijn teruggeleid naar onderwijs of werk.

Ik beschik niet over volledige en betrouwbare vsv-cijfers per eiland in de afgelopen vijf jaar, noch over het aantal jongeren dat vervolgens is teruggeleid naar onderwijs of werk.

Met dit wetsvoorstel wordt juist beoogd deze informatie te verbeteren, onder meer door het versterken van registratie en monitoring en door aansluiting op informatiesystemen. Hierdoor moet in de toekomst beter inzicht ontstaan in zowel de omvang van vsv als de resultaten van de aanpak.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten waarom het preventieve kader uit Europees Nederland niet eerder is ingevoerd, indien dit aantoonbaar effectiever is.

Bij de staatkundige hervorming in 2010 was het kabinetsbeleid om bestaande wet- en regelgeving van de Nederlandse Antillen zonder grote wijzigingen om te zetten naar Nederlandse wet- en regelgeving.

Dit kabinetsbeleid van legislatieve terughoudendheid heeft geduurd tot 2019/2020. Vanwege de evaluatie van de SKJ-wet rond die periode is besloten tot verandering van het beleid op dit punt. Dit de reden dat hiertoe niet eerder is besloten.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten op welke wijze wordt gemeten of de nieuwe aanpak daadwerkelijk leidt tot een daling van het aantal voortijdig schoolverlaters.

Momenteel ontbreken betrouwbare data om de effectiviteit van het beleid te meten. Dit is niet alleen een gemis voor het ministerie van OCW maar vooral ook voor de lokale betrokkenen, omdat ook een dollar slechts eenmaal kan worden uitgegeven.

Met dit wetsvoorstel wordt daarom ingezet op het versterken van de monitoring en dataverzameling, onder meer door aansluiting op informatiesystemen zoals de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) en voor de registratie van verzuim- en vrijstellingsgegevens voorlopig een lokaal register. Hierdoor ontstaat structureel inzicht in indicatoren zoals verzuim, uitval en diplomering. Op basis van deze verbeterde gegevens kan de ontwikkeling van het aantal voortijdig schoolverlaters in de tijd worden gevolgd en kan worden beoordeeld in hoeverre de nieuwe aanpak effectief is. Daarnaast zullen scholen en betrokken partijen binnen de keten zelf monitoren en evalueren, en houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de uitvoering. Ik zal de voortgang en resultaten van de aanpak periodiek volgen en betrekken bij de evaluatie van de wet, zodat waar nodig kan worden bijgestuurd.

De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel een belangrijke stap richting gelijkwaardigheid is ten opzichte van Europees Nederland. Zeker gezien het toekomstige vsv-beleid waarbij meer aandacht komt voor het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Deze leden denken wel dat kennis en opgedane ervaring van de huidige SKJ-organisaties geborgd moet worden en kan dienen als leidraad om de preventieve aanpak op te starten. Kan de regering meer duidelijkheid geven over hoe zij de overgangsfase ziet?

De regering onderschrijft dit standpunt. Hoewel de SKJ-wet wordt ingetrokken, heeft het ministerie van OCW in zijn gesprekken met lokale partijen steeds benadrukt dat de huidige expertise van de uitvoeringsorganisaties van de SKJ-wet gebruikt mag blijven worden in het kader van de uitvoering van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

2.9 Onderliggende voorzieningen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat wetgeving rekening houdt met de schaal en context van de Caribische eilanden. Ondersteuning bij uitvoering is daarbij essentieel. Ondanks de gebrekkige registratie, weten deze leden dat het aantal voortijdig schoolverlaters in Caribisch Nederland relatief hoog is, wat de urgentie van effectieve uitvoering van beleid vergroot. Dit vraagt om scholing en begeleiding van alle betrokken professionals en niet alleen van schoolbesturen, maar ook medewerkers van de openbare lichamen en andere uitvoeringspartijen om de wet effectief en in overeenstemming met de doelstellingen te kunnen toepassen. Wat gaat de regering op dit punt ondernemen?
De regering onderschrijft het belang dat wetgeving rekening houdt met de schaal en context van Caribisch Nederland en de adequate ondersteuning bij de uitvoering essentieel is. Juist vanwege de kleinschaligheid en de specifieke omstandigheden op de eilanden wordt met dit wetsvoorstel ingezet op een stelsel dat beter uitvoerbaar is en aansluit bij de praktijk.

In de aanpak van vsv wordt daarom nadrukkelijk ingezet op versterking van de samenwerking tussen scholen, openbaar lichamen en andere partijen in het sociaal domein. Daarbij worden uitvoeringspartijen actief betrokken bij de verdere uitwerking en implementatie van de nieuwe werkwijze, zodat deze aansluit bij de lokale context en uitvoeringspraktijk.

Daarnaast wordt ingezet op een volledige registratie van verzuimgegevens. Een betere informatiepositie t ondersteunt de professionals op het eiland bij het signaleren van risico’s en het gericht interveniëren.

Ik zal de implementatie van het wetsvoorstel begeleiden en volgen, en waar nodig aanvullende ondersteuning bieden aan betrokken partijen, zodat zij hun taken effectief en conform de wet kunnen uitvoeren. Daarbij is expliciet aandacht voor het versterken van kennis, samenwerking en uitvoeringskracht in de praktijk.

3. Verhouding tot ander recht

3.1 Grondwet

Volgens de regering wordt met dit wetsvoorstel de vrijheid van onderwijs niet ingeperkt, behalve indien sprake is van een aanvullende deugdelijkheidseis voor het verzorgen van een bekostigde beroepsopleiding binnen een openbaar lichaam. In dat geval is, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, toestemming van de minister van OCW vereist om de opleiding in aanmerking te laten komen voor bekostiging. De leden van de CDA-fractie voeren echter aan dat dit voorstel wel degelijk een beperking vormt van de vrijheid van onderwijs. Kan de regering stellen waarom zij van mening zijn dat dit onderhavig wetsvoorstel proportioneel is? Dit wetsvoorstel bouwt toch een extra toets in voordat een Europees- Nederlands instelling beroepsopleidingen mag aanbieden.
Het is correct dat dit wetsvoorstel een inperking vormt van de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs door vooraf instemming te eisen voor het mogen aanbieden van een bekostigde beroepsopleiding in Bonaire voor een instelling die daar niet al is gevestigd. Deze inperking is echter noodzakelijk en proportioneel. Een absoluut verbod voor iedere andere instelling ofwel een alleenrecht voor de Scholengemeenschap Bonaire zou disproportioneel zijn.

Het is geen inhoudelijke eis die raakt aan denominatie of onderwijsinhoud maar een procedurele eis. Zolang de eis tot voorafgaande toestemming niet verder gaat dan strikt noodzakelijk en een legitiem doel dient (zoals in dit geval doelmatigheid en arbeidsmarktrelevantie), is dit toegestaan. Het geven van onderwijs is vrij volgens artikel 23, tweede lid, Grondwet “behoudens het toezicht van de overheid”. De wetgever mag eisen stellen aan het onderwijs ter bescherming van de kwaliteit daarvan. Met de voorgestelde eis wordt in feite de toepassing van het doelmatigheids- en arbeidsmarktcriterium, dat nu al in de Wet educatie en beroepsonderwijs is verankerd, bij toepassing in Caribisch Nederland naar voren gehaald, zodat vooraf zeker is dat het recht op bekostiging en op diplomering van een nieuwe beroepsopleiding in Caribisch Nederland niet kort na haar start behoeft te worden teruggedraaid. Ook wordt met een toets vooraf het risico op versnippering van het bekostigd beroepsonderwijs in Caribisch Nederland verkleind. Dat is niet in het belang van het beroepsonderwijs en zeker niet van de studenten in Caribisch Nederland. Artikel 132a, vierde lid, Grondwet stipuleert dat bij wezenlijke andere omstandigheden met Europees Nederland andere regels kunnen worden gesteld. Concreet betekent dit dat differentiatie in wet- en regelgeving tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland grondwettelijk mogelijk is en in dit geval ook nodig is.

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe deze nieuwe regelgeving daadwerkelijk beter uitvoerbaar is in de eilandspecifieke context. Hoe borgt de regering dat, zo vragen deze leden. Zij vragen de regering voorts of de onderwijsinstellingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) zijn betrokken dan wel meegenomen in het opstellen van deze nieuwe wetgeving en hoe deze instellingen de uitvoerbaarheid van de voorgestelde vernieuwingen beoordelen. Wat verandert er concreet voor hen, zo willen deze leden weten.

Om te zorgen dat het wetvoorstel daadwerkelijk uitvoerbaar is in de eilandspecifieke context is er al in 2022 en 2023 met de betrokken partijen op de eilanden gesproken in veldsessie voorafgaande aan dit voornemen. Daarna is een ontwerp van dit wetvoorstel parallel aan de uitvoeringstoets ook voor advies voorgelegd aan de betrokken partijen op de eilanden, alsmede aan DUO, Auditdienst Rijk en Inspectie van het onderwijs, maar College voor toetsen en examens, SBB en ROA CN. De reacties op deze uitgebreide consultatieronde zijn zoveel mogelijk verwerkt in het wetsvoorstel. Daarnaast is en wordt er gedurende de totstandkoming van dit wetsvoorstel periodiek overleg gevoerd met deze betrokken partijen, waaronder de onderwijsinstellingen.

De onderwijsinstellingen steunen de wijzigingen in het beleid door het wetsvoorstel. Voor de onderwijsinstelling op Bonaire wordt het eenvoudiger om een beroepsopleiding aan te bieden. Er is geen voorafgaande erkenning en goedkeuring meer nodig. Grosso modo wordt de gehele WEB van toepassing op deze instelling. Zij kan voor een opleiding vavo bekostiging aanvragen. De scholen voor voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs op alle drie de eilanden krijgen een zwaardere rol in het voorkomen en bestrijden van schooluitval en kunnen daar ook extra middelen voor krijgen.

4.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs

De leden van de PVV-fractie vragen de regering of DUO heeft aangegeven dat implementatie per studiejaar 2026-2027 haalbaar is binnen de huidige capaciteit. Deze leden vragen de regering tevens welke fallbackscenario’s zijn uitgewerkt voor het geval de ICT-koppelingen vertraging oplopen.

DUO heeft aangegeven dat de uitwisseling van bekostigings- en diplomagegevens met de SGB in Bonaire volgens het register onderwijsdeelnemers (ROD) mogelijk is met ingang van 1 augustus 2027. Inmiddels is besloten de beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel te verschuiven naar 1 augustus 2027. Er is voorzien in overgangsrecht om ook zonder de aansluiting op het ROD niet alleen het vsv-beleid te kunnen uitvoeren maar ook lokaal te kunnen registreren. Vervolgens kunnen dan de lokale gegevens worden gebruikt voor beleidsinformatie. De aansluiting op de ICT-koppelingen zal eerst gerealiseerd worden voor Bonaire en daarna voor Saba en St Eustatius. Zie ook eerdere antwoorden op vergelijkbare vragen.

5. Overige reacties

5.1 Reacties openbare lichamen

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reacties van de bestuurscolleges van Bonaire en Saba, die beiden aangeven nog geen duidelijkheid te hebben over de wijze waarop de middelen voor hun nieuwe wettelijke taken worden verdeeld en verstrekt. Deze leden vragen de regering wanneer de bestuurscolleges hierover uitsluitsel kunnen verwachten.
Inmiddels is er duidelijkheid over de toekenning van middelen voor de taken van de bestuurscolleges. Zie ook mijn antwoorden op eerdere vragen hierover.

6. Gevolgen en administratieve lasten

De leden van de CDA-fractie vragen om meer duidelijkheid van de regering over de gevolgen voor de administratieve lasten. Vooral omdat de regering spreekt over het verschuiven of overdragen van verantwoordelijkheden. Volgens deze leden lijken deze veranderingen te leiden tot een hogere administratieve lastendruk voor openbare lichamen, scholen en toezichthouders, terwijl zij geen ervaring met deze wetgeving hebben. Deze leden verzoeken de regering hierop te reageren.

In algemene zin wordt opgemerkt dat de totale administratieve lasten door dit wetvoorstel niet worden verhoogd, maar door verschuiving of overdracht van verantwoordelijkheden kan dat betekenen dat ook de daarmee gepaard gaande administratie lasten ook verschuiven. Hierna wordt kort ingegaan op de administratieve lasten, voor een uitgebreider toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 7 van de memorie van toelichting.

De bestuurscolleges hebben op grond van de Leerplichtwet BES en de SKJ-wet reeds wettelijke taken, waaronder de registratie en monitoring van vsv. De uitvoering hiervan gebeurt op dit moment nog niet conform de bestaande wet- en regelgeving, met de beoogde invoering van de vsv-aanpak is het belangrijk dat de openbare lichamen dit wel gaan doen.

De openbare lichamen worden ontlast van de organisatie rondom de sociale kanstrajecten. De contactschool wordt verantwoordelijk voor het opstellen en indienen van een plan van aanpak met als doel het voorkomen en bestrijden van voortijdig schooluitval. Voor het OLB vervalt de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting, die het thans samen met ondergetekende heeft ten aanzien van de nieuwbouw van schoolgebouwen voor de Scholengemeenschap Bonaire, zodra het overgangsrecht vervalt. Hierover kan in 2027 meer duidelijkheid komen. De drie openbare lichamen worden verantwoordelijk voor volwasseneneducatie. Dit is een nieuwe taak.

ROA CN hoeft niet meer iedere keer OCW te adviseren over een opleiding die de scholen voornemens zijn aan te vragen. Wel blijft de taak om de arbeidsmarkt en de daaraan gerelateerde opleidingsbehoeften in kaart te brengen en te bespreken met de scholen over de toekomstige opleidingsplannen met het oog op beschikbaarheid van leerbedrijven. ROA CN en SBB moeten samenwerken om te komen tot één gezamenlijk register van erkende leerbedrijven.

Met het intrekken van de SKJ-wet komen de sociale kanstrajecten in hun huidige vorm te vervallen en bestaat er ook geen SKJ-uitvoeringsinstantie meer.

7. Financiële gevolgen

De leden van de PVV-fractie vragen de regering een volledig uitgesplitst overzicht te geven van de structurele en incidentele kosten per eiland, inclusief de uitvoeringskosten en de ICT-kosten.

In het wetsvoorstel is geen volledig uitgesplitst overzicht per eiland opgenomen van de structurele en incidentele kosten, uitvoeringskosten en ICT-kosten.

Dit hangt samen met het feit dat een deel van de financiële effecten afhankelijk is van de nadere uitwerking in lagere regelgeving, de inrichting van de uitvoering en de feitelijke implementatie per eiland.

Er zijn of blijven wel voor verschillende onderdelen middelen beschikbaar, zoals de voortzetting van bestaande middelen voor de aanpak vsv en middelen via de vrije uitkering voor nieuwe taken op het terrein van volwasseneneducatie.

Tevens vragen deze leden de regering of kan worden gegarandeerd dat de middelen voor volwasseneneducatie daadwerkelijk geoormerkt worden besteed en niet opgaan in de algemene middelen.

De middelen voor volwasseneneducatie worden niet geoormerkt, maar verstrekt via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Dat betekent dat er geen sprake is van een afzonderlijk en strikt afgebakend budget. Daar staat tegenover dat de openbaar lichamen met dit wetsvoorstel wel een wettelijke verantwoordelijkheid krijgen om een aanbod van volwasseneneducatie te verzorgen. Zij dienen dus invulling te geven aan deze taak en hierover bestuurlijk verantwoording af te leggen.

Ik acht deze systematiek passend, omdat zij enerzijds waarborgt dat middelen beschikbaar komen voor de nieuwe taak en anderzijds ruimte laat voor maatwerk per eiland.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering aan geeft dat het CBS onderzoekt of er voldoende data beschikbaar is, dan wel beschikbaar kan worden gemaakt, om een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel te ontwikkelen voor de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland. Deze leden vragen of de regering een overzicht kan geven van de huidige stand van zaken? Is het mogelijk om dit inzichtelijk te maken? Welke aanvullende informatie is nog nodig en wat ontbreekt er op dit moment? Kan de regering ook aangeven of deze informatie beschikbaar zal zijn tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel?

De beoogde inwerkingtreding is verschoven naar 1 augustus 2027, waardoor er meer tijd is om de bekostigingsmodellen af te ronden. De middelen voor deze beleidsterreinen zijn reeds geregeld. Bestaande SKJ-middelen blijven beschikbaar voor de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten. Voor volwasseneneducatie gaat de financiering langs de band van de vrije uitkering in het BES-fonds, waarbij mijn inzet is die specifiek voor dit doel te verhogen. Indien op onderdelen nadere bekostigingsregels bij inwerkingtreding nog niet volledig zouden zijn afgerond, zal worden voorzien in passend overgangsrecht of een tijdelijke voortzetting van de bestaande financieringsstromen, zodat de uitvoering niet in het gedrang komt.

De leden van de JA21-fractie merken op dat de afdeling advisering Raad van State opgemerkt heeft dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn van de wetswijziging zijn voor het Rijk, de openbare lichamen die de verantwoordelijkheid krijgen voor de volwasseneneducatie, de onderwijshuisvesting en voor andere maatschappelijke sectoren. Is hierover inmiddels meer duidelijkheid gekomen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.

Er is inmiddels meer duidelijkheid over de financieringsrichting. Voor volwasseneneducatie wil de regering de financiering daarvan doen plaatsvinden via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Om dit mogelijk te maken zal een overboeking plaatsvinden vanuit de OCW-begroting naar die van het ministerie van BZK.

Ten aanzien van de onderwijshuisvesting van de SGB geldt dat het bestaande overgangsrecht voorlopig in stand blijft. De huidige gezamenlijke verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam Bonaire en de minister van OCW wordt voortgezet zolang dat wenselijk is. Hiermee worden financiële risico’s op korte termijn beperkt en blijft ruimte bestaan om nadere afspraken te maken over een structurele inrichting.

Voor de andere maatschappelijke sectoren geldt dat het wetsvoorstel primair ziet op onderwijs, arbeidsmarkt en participatie. Eventuele indirecte effecten, bijvoorbeeld door een betere aansluiting op arbeid of vermindering van schooluitval, laten zich op voorhand moeilijk exact kwantificeren.

8. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens

De leden van de D66-fractie constateren dat de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES) op het moment van indiening van het wetsvoorstel nog geen formeel advies had uitgebracht, terwijl CBP BES de aangewezen toezichthouder is. Deze leden vragen de regering wanneer dit advies wordt verwacht en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd wordt. Welke concrete afspraken zijn er inmiddels gemaakt met CBP BES over de handhaving?

De CBP BES heeft geen formeel advies uitgebracht op het wetsvoorstel. Zoals eerder aangegeven is er door medewerkers van mijn ministerie gesproken met de secretaris van deze commissie in juli 2025. Dit contact heeft ertoe geleid dat de CBP BES betrokken wil worden bij de verbetering van de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens BES in het onderwijsdomein. De CBP BES zet vooral in op verbetering van de bewustwording van het belang van bescherming persoonsgegevens, ook omdat haar handhavingsinstrumentarium beperkt is. De CBP BES kan geen bestuurlijke boete opleggen, wel een last tot bestuursdwang ter naleving van de wet. Het Openbaar Ministerie kan tot vervolging overgaan, waarbij een geldboete kan worden opgelegd. Degene die meent dat zijn of haar persoonsgegevens in strijd met de wet worden verwerkt, heeft een zelfstandig recht op verbetering of verwijdering van diens persoonsgegevens naast een eventueel recht op schadevergoeding.

9. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk

9.1 Internetconsultatie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat bij de internetconsultatie de Bonaireaanse zorgstichting Fundashon Mariadal heeft gesteld dat het voor nieuwe opleidingen in Caribisch Nederland niet per se meteen nodig zou zijn dat men arbeidsmarktperspectief zou kunnen aantonen, omdat dit soms over vijf jaar wèl het geval zal zijn. Kan de regering nader toelichten wat haar reactie is op deze overweging, zo vragen deze leden.

De regering vat dit commentaar zo op dat enige flexibiliteit nodig is voor de toetsing van arbeidsmarktrelevantie. Daarbij mag nadrukkelijk ook worden gekeken naar de naastgelegen landen van het Koninkrijk om een goede afstemming te bereiken. Het is echter niet de bedoeling om op te leiden voor werkloosheid.

II. Artikelsgewijs

Artikelen XX. Inwerkingtreding

De leden van de D66-fractie vragen de regering of de beoogde inwerkingtreding per 1 augustus 2026 haalbaar is, gelet op de nog te voltooien lagere regelgeving, de nog lopende CBS-onderzoeken naar de bekostigingsmodellen voor vsv en educatie en de benodigde ICT-aanpassingen bij DUO. Hebben alle betrokken uitvoeringspartijen bevestigd dat zij per die datum gereed zijn voor uitvoering?
Het wetvoorstel had eerder een beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026. Inmiddels is deze datum niet meer haalbaar, ook gezien de stappen die nog te zetten zijn voor aanpassing van de met het wetsvoorstel samenhangende lagere regelgeving. Alle relevante ketenpartners zijn hiervan op de hoogte gesteld. De beoogde datum voor inwerkingtreding schuift nu een jaar op, naar 1 augustus 2027. Een voordeel hiervan is dat scholen en andere betrokken partijen voldoende tijd krijgen om zich te kunnen voorbereiden op de wijzigingen die deze wet voor hen meebrengt. Hierover zal regelmatig worden overlegd met de scholen en de andere stakeholders.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.M. Letschert

Bijlage

Overzicht van delegatiegrondslagen in het wetsvoorstel

Artikel (WEB) Onderwerp Nieuw/ bestaand Toelichting
1.6.4, eerste lid Meldplicht onderwijslocatie mbo of opleiding vavo Caribisch Nederland Nieuw Nodig voor Inspectie van het onderwijs om zicht te hebben wie waar een opleiding verzorgt. Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels over de meldplicht worden gesteld.
1.6.6, derde lid Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland Nieuw Door samenloop met de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt wordt dit vernummerd tot artikel 5.3.2, derde lid. Nodig omdat zowel SBB als ROA CN wettelijke taken hebben over de erkenning van leerbedrijven. Dit was voorheen apart geregeld op grond van de WEB respectievelijk WEB BES.
2.2.6, vijfde lid Rijksbijdrage en private activiteiten Bestaand Deze grondslag zit al in het huidig artikel 2.2.6 WEB; dat artikel wordt alleen opnieuw vastgesteld i.v.m. samenvoeging van de huidige artikelen 1.7.1 en 2.2.6 (oud).
2.8.1, zesde lid Vestigingsplaats bekostigde instelling Caribisch Nederland Nieuw Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en beoordeling ervan voor starten opleiding in Caribisch Nederland.
2.8.3, eerste lid Afwijkende bekostiging beroepsonderwijs Caribisch Nederland Nieuw in de WEB, maar afgeleid van artikelen 2.2.1, tweede lid, WEB BES en 11.56 en 11.57 WVO 2020.

In Caribisch Nederland gelden nu al deels afwijkende bekostigingsmaatstaven. Deze grondslag zal worden ingevuld in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Tot nu toe zijn de regels over de bekostiging van het beroepsonderwijs, samen met die voor de bekostiging van het voortgezet onderwijs in Bonaire uitgewerkt in (de artikelen 9.25 en 9.32 van) het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 op grond van de WVO 2020. Dat wordt met dit wetsvoorstel uit elkaar getrokken.

2.8.4, eerste lid Afwijkende bekostigings-voorschriften vavo CN Voor CN nieuw, in aanvulling op de bestaande grondslag in artikel 2.2a.1, eerste lid, WEB.

In CN kan voor het vavo naast een bedrag per student ook een vaste voet worden toegekend (i.v.m. kleinschaligheid).

Dat is voor CN een aanvulling op de grondslag uit artikel 2.2a.1, eerste lid, WEB (die ook geldt voor Europees Nederland). Het is nieuw voor Caribisch Nederland, omdat de WEB BES geen bekostigingsbepalingen over vavo bevat.

2.8.5, tweede lid Vaststelling budget educatie CN Nieuw voor CN Artikel 2.3.2 m.b.t. de uitkering educatie in Europees Nederland is niet van toepassing voor CN. In plaats daarvan wordt op grond van art. 2.8.5 vastgesteld hoeveel geld er beschikbaar is voor educatie.
7.6.5, eerste lid Nederlands als vreemde taal Nieuw in WEB omdat het ook een opleiding educatie is, maar wel reeds bestaande grondslag in 2.72, derde lid, WVO 2020 Dit artikel geeft een concrete grondslag voor het Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES in de WEB (naast artikel 2.72, derde en vierde lid, WVO 2020).
9.3.1, vijfde lid Melding verzuim zonder geldige reden Caribisch Nederland Voor CN nieuw; artikel 9.2.2 WEB bevat wel al een vergelijkbare grondslag t.a.v. Europees Nederland, maar dat artikel is niet van toepassing in CN. Het betreft een tijdelijke grondslag om bij amvb regels te stellen over verstrekking van verzuimgegevens CN zolang dat nog niet via het register onderwijsdeelnemers mogelijk is.
9.3.3, zesde lid Wettelijke taak bestuurscollege vsv Caribisch Nederland Voor CN nieuw; artikel 9.2.5 WEB bevat wel al een vergelijkbare grondslag t.a.v. Europees Nederland, maar dat artikel is niet van toepassing in CN. Artikel 9.3.3 bevat voor Caribisch Nederland een alternatieve bepaling t.o.v. artikel 9.2.5 (voor Europees Nederland). Artikel 9.2.5, zesde lid, bevat ook nu al een grondslag voor nadere uitwerking bij amvb.
9.3.4, vierde lid Eilandelijk vsv-programma Nieuw Bij ministeriele regeling wordt de geldigheidsduur van een vsv-programma bepaald en kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van dat programma.
9.3.5, tweede lid Subsidie contactschool Nieuw in WEB, maar tot 1-1-2026 op grond van artikel 4 Wet overige OCW-subsidies in Europees Nederland. Met deze subsidie komen extra middelen ter beschikking voor voorkomen en bestrijden voortijdig schoolverlaten.
9.3.6, tweede lid Effectrapportage van eilandelijk vsv-programma Nieuw Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en vormgeving van de evaluatie van het vsv-programma.
12.1, eerste lid Experiment beroepsonderwijs Bestaand Deze grondslag wordt overgeheveld uit het huidig artikel 11a.1, eerste lid, WEB
12.4, derde lid Samenwerking met ander onderwijs Nieuw Het betreft een herformulering van de grondslag die impliciet nu al in het huidige artikel 11a.1, zevende lid, zit.
13.2.5, derde lid Overgangsrecht vavo vanwege afschaffing rekentoets Bestaand Wordt overgeheveld vanuit huidig artikel 12.1a.1.

  1. De leden Heera Dijk (D66) en Tseggai (GroenLinks-PvdA).↩︎

  2. Artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 en artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet BES in samenhang met artikel 25 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES.↩︎

  3. Op Sint Eustatius en Saba samen gaat het om 5 scholen voor primair onderwijs en 2 scholen voor voortgezet onderwijs, met in totaal 832 leerlingen (stand per 1 oktober 2025). Ter vergelijking: op Bonaire betreft het 4695 leerlingen en studenten.↩︎

  4. De Saba Comprehensive School (op Saba) en de Gwendoline van Puttenschool (op Sint Eustatius) verzorgen onderwijs overeenkomstig de systematiek van de Carribean Examinations Council (CXC), die afwijkt van de systematiek voor het voortgezet onderwijs in Europees Nederland. Zie het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES.↩︎

  5. Uitvoeringsorganisaties in het kader van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES.↩︎

  6. Bonaire: 455.757 USD, Sint Eustatius: 284.827 USD, Saba: 170.897 USD.↩︎

  7. OCW-CG is onderdeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) en is de voorpost van het ministerie van OCW in Caribisch Nederland.↩︎

  8. Kamerstukken II 2025/26, 36878, nr. 3, p. 71.↩︎

  9. Kamerstukken 36670.↩︎

  10. Stb. 2025, 282.↩︎

  11. Inspectie van het Onderwijs, d.d. 13 maart 2025, ‘Stichting tot bevordering voortgezet onderwijs op St Eustatius’ (https://www.onderwijsinspectie.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2025/04/04/onderzoek-bestuur-en-scholen-stichting-tot-bevordering-voortgezet-onderwijs-op-st.-eustatius/Onderzoek+bestuur+en+scholen+Stichting+tot+bevordering+voortgezet+onderwijs+op+St.+Eustatius.pdf).↩︎

  12. Brief van 4 juni 2024, Aanbieding Onderwijsagenda’s voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius; Kamerstukken II 2023/24, 36410 VIII, nr. 133.↩︎

  13. Inspectie van het Onderwijs, ‘Terug naar school: effectieve interventies. Meta-analyse naar aanpakken tegen schoolverzuim, 1990 – 2024’ (https://www.onderwijsinspectie.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2026/03/11/terug-naar-school-effectieve-interventies/terug-naar-school.pdf).↩︎

  14. ROA CN, juli 2024, Labor Market Analysis Caribbean Netherlands.↩︎

  15. Het Besluit van 7 oktober 2025, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen V tot en met VII van de Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Stb. 2013, 288) en enkele daarmee samenhangende onderdelen van andere wetten (Stb. 2025, 282).↩︎

  16. De huidige situatie is juridisch geregeld in artikel 1.4.1 juncto artikel 2.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.↩︎

  17. Keuzedeel mbo Nederlands 3F, https://kwalificatiestructuur-mijn.s-bb.nl/keuzedeel/details/b43ed9e6-3e65-40aa-ba50-da454eaf6ae4.↩︎

  18. Keuzedeel mbo Nederlands 4F, https://kwalificatiestructuur-mijn.s-bb.nl/keuzedeel/details/46329429-f149-47a9-9d53-cd998925f020.↩︎

  19. CBS, d.d. 8 december 2025, The Caribbean Netherlands in Numbers 2025 (https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2025/50/the-caribbean-netherlands-in-numbers-2025).↩︎