[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Reactie op verzoek commissie inzake goed bestuur en toezicht in de zorg

Brief regering

Nummer: 2026D40242, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 15:46, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17587:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Datum 1 september 2026

Betreft Commissiebrief inzake goed bestuur en toezicht in de zorg

Geachte voorzitter,

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een brief ontvangen namens de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) over Goed bestuur en toezicht in de zorg. In de procedurevergadering van 24 juni 2026 heeft de commissie besloten een reactie op deze brief te willen ontvangen. Hierbij voldoe ik aan dat verzoek.

De BGZJ geeft aan dat er knelpunten zijn bij de implementatie van de eis tot het hebben van een interne toezichthouder, zoals wettelijk vastgelegd in de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj). De BGZJ roept op om de volgende veranderingen aan te brengen:

  1. Beperk de bepaling dat een lid van de Raad van Toezicht (RvT) geen burgemeester, wethouder of lid van de leiding van een jeugdhulpaanbieder of Gecertificeerde Instelling (GI) mag zijn tot situaties waarbinnen er sprake is van (schijn van) belangenverstrengeling, omdat de functies in hetzelfde verzorgingsgebied zouden worden vervuld;

  2. Geef jeugdzorgorganisaties de ruimte om pas bij natuurlijke momenten van aftreden van toezichthouders, zoals het aflopen van hun zittingstermijn, volgens de nieuwe eisen te werven;

  3. Schrap de verplichting om de aanvullende eisen van de Wvbjz op te nemen in de statuten van alle jeugdhulpaanbieders en GI's.

Hierbij ga ik in op bovengenoemde punten. Bij het opstellen van de wet is het uitgangspunt gehanteerd dat de vormgeving van de verplichting tot het aanstellen van een interne toezichthouder voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen waar mogelijk aansluit bij de vergelijkbare verplichting voor zorgaanbieders in de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). De onafhankelijkheidseisen, waar de BGZJ aan refereert, zijn inhoudelijk destijds 1 op 1 overgenomen.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel zijn verschillen ontstaan met de Wtza door een amendement van de Tweede Kamer.1 Het amendement betrof het aanscherpen van de onafhankelijkheidseisen, zoals de BGZJ benoemt in de brief.

Ik begrijp heel goed dat deze aanvullende eisen gevolgen hebben voor huidige raden van toezicht bij met name combinatie-instellingen die al geruime tijd werken met intern toezicht volgens de Wtza. De impact op deze aanbieders is er omdat hier toezichthouders benoemd zijn die expertise hebben en goed functioneren, maar vanaf januari 2026 een profiel hebben dat niet in lijn is met de aanvullende eisen zoals deze gesteld worden voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.

Gezien de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk heeft VWS vanaf juli 2025 overleg gehad met branchepartijen, de Nederlandse Vereniging voor Toezichthouders in Zorg en welzijn (NVTZ), en met individuele toezichthouders en bestuurders. Daarnaast hebben we meegedacht over de communicatie naar de achterban van brancheverenigingen en is er een podcast over intern toezicht gepubliceerd. Ook de website www.toetredingzorgaanbieders.nl is aangepast. Tot slot heeft de NVTZ modelstatuten ter beschikking gesteld.

We hebben ook uitgebreid gesproken met de IGJ. De IGJ heeft tot 1 juli 2026 niet gehandhaafd. Het is belangrijk dat de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling wel stappen zet om zo spoedig mogelijk aan de wet te voldoen. De IGJ zet in op leren en verbeteren, en heeft daar ook een redelijke termijn voor gegeven, maar verwacht dat de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling voldoet aan de wet. Positief om te noemen is dat het veel aanbieders goed lukt om de nodige aanpassingen door te voeren in het interne toezicht van hun organisatie.

Het met meer waarborgen omkleden van de professionaliteit en kwaliteit van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is van dermate groot belang, dat er in de wet – sinds het opstellen van het wetsvoorstel in 2020 - geen overgangsperiode is vastgelegd voor de eis van intern toezicht. Dit geldt temeer vanwege de kwetsbare doelgroep die deze organisaties bedienen. Dit betekent dat de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen die onder de doelgroep van de verplichting vallen per 1 januari 2026 aan de eisen in de Jeugdwet moesten voldoen. Dit betekent dat niet kan worden gewacht op natuurlijke momenten van aftreden van toezichthouders. Jeugdhulpaanbieders en GI’s zijn verplicht in hun statuten op te nemen hoé zij voldoen aan de wet- en regelgeving. Het is dus niet afdoende om op de nemen dát aan de wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit is niet anders dan in de Wtza.

Tot slot, hoewel ik begrijp dat de implementatie van de eis tot het hebben van een intern toezichthouder voor de sector ingewikkeldheden met zich meebrengt, zie ik geen aanleiding om het ingezette beleid te wijzigen. Er is namelijk een groot belang dat de professionaliteit en de kwaliteit van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen met meer waarborgen wordt omkleed, mede in het

licht van de kwetsbare doelgroep die deze organisaties bedienen. De Tweede Kamer heeft dit belang onderstreept door het aannemen van het wetsvoorstel en het indienen van het amendement.

Hoogachtend,

de minister van Langdurige Zorg,

Jeugd en Sport,

Mirjam Sterk


  1. Kamerstukken II, 2024-2025, 36546 nr. 14↩︎