[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Memorie van toelichting

Regels over de uitvoering van nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Uitvoeringswet nucleaire waarborgverdragen BES)

Memorie van toelichting

Nummer: 2026D40556, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-03 13:38, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 37005 -3 Regels over de uitvoering van nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Uitvoeringswet nucleaire waarborgverdragen BES).

Onderdeel van zaak 2026Z17738:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


37 005 Regels over de uitvoering van nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Uitvoeringswet nucleaire waarborgverdragen BES)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

  1. Inleiding

Bijzondere splijtstoffen en kennis over het gebruik daarvan kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van kernwapens. Bij het exploiteren van nucleaire installaties, zoals kerncentrales, moet daarom altijd worden voorkomen dat nucleair materiaal en gevoelige nucleaire kennis bedoeld of onbedoeld in verkeerde handen vallen. Nucleair materiaal komt niet alleen voor in ‘installaties’1, zoals kerncentrales, maar ook op ‘locaties buiten installatie’2. Deze laatste categorie bestaat uit locaties die geen nucleair hoofddoel hebben, maar waar wel een bepaalde hoeveelheid nucleair materiaal voorhanden wordt gehouden of wordt gebruikt. Het op deze locaties meest gebruikte nucleaire materiaal is verarmd uranium, dat vaak wordt ingezet ter afscherming van stralingsbronnen, zoals in ziekenhuizen. Kleine hoeveelheden nucleair materiaal kunnen bijvoorbeeld ook worden gevonden aan een universiteit, of als bijvangst van booroperaties naar grondstoffen als olie en gas.

Het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Koninkrijk) is partij bij het op 14 februari 1967 tot stand gekomen Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika (met Protocollen), beter bekend als het Verdrag van Tlatelolco3, en het op 1 juli 1968 tot stand gekomen Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, beter bekend als het Non-Proliferatieverdrag (hierna: NPV)4. Het NPV vormt de basis van de internationale nucleaire non-proliferatiearchitectuur en legt afspraken vast over het tegengaan van de verspreiding van kernwapens, ontwapening en het recht op vreedzaam gebruik van nucleaire technologie, bijvoorbeeld voor kernenergie.

Op grond van het NPV en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag van Tlatelolco is het Koninkrijk verplicht alomvattende waarborgverdragen te sluiten met het Internationaal Atoomenergieagentschap (hierna: IAEA), zodat het IAEA kan verifiëren dat alle nucleaire toepassingen op het grondgebied van het Koninkrijk vreedzaam zijn en niet bedoeld of onbedoeld bijdragen aan de verspreiding van kernwapens. Om die reden is op 5 april 1973 te Wenen de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Atoomenergieagentschap inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns Amerika (met Protocollen)5 tot stand gekomen voor de toenmalige Nederlandse Antillen, de zogeheten Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). Deze AWO geldt nog altijd voor de Caribische delen van het Koninkrijk als rechtsopvolgers van de Nederlandse Antillen. Bij de AWO die geldt voor de Caribische delen van het Koninkrijk is een Protocol inzake kleine hoeveelheden (hierna: PKH) overeengekomen. Een PKH schort een groot deel van de werking van de verplichtingen onder de AWO op zolang de hoeveelheid nucleair materiaal in het betreffende gebied onder een bepaalde drempel blijft. Door het PKH hebben in de Caribische delen van het Koninkrijk geen inspecties plaatsgevonden en hoefden geen rapportages over het daar aanwezige nucleair materiaal te worden opgesteld voor het IAEA. De hoeveelheid nucleair materiaal in de Caribische delen van het Koninkrijk is nog altijd ruim onder de drempelwaarde.

Voortschrijdend inzicht en technologische ontwikkelingen brachten in de jaren ‘90 van de vorige eeuw een aantal zwakke plekken aan het licht van de wereldwijd voor bijna alle staten geldende model-AWO. Ook de bevoegdheden van het IAEA onder het voor ruim negentig staten en gebieden geldende model-PKH werden toen onvoldoende bevonden. Zo bleken de model-AWO en het model-PKH ontoereikend voor het opsporen van nucleaire activiteiten die niet door landen zelf werden gerapporteerd. In reactie hierop heeft het IAEA samen met de lidstaten in 1998 een model-Aanvullend Protocol (hierna: model-AP) bij de model-AWO ontworpen en in 2005 de afspraken in het model-PKH bijgewerkt naar het zogeheten model-PKH+. Sindsdien worden alle staten met een model-AWO geacht ook het model-AP tot stand te brengen en alle staten en gebieden met een model-PKH dringend verzocht dit verdrag te wijzigen naar een PKH+.

Voor het Europese deel van Nederland geldt bij de voor dit deel van het Koninkrijk separaat met Euratom en het IAEA overeengekomen Alomvattende Waarborgovereenkomst het op 22 september 1998 tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Internationaal Atoomenergieagentschap ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens6. Een PKH en een PKH+ zijn voor het Europese deel van het Koninkrijk niet aan de orde, omdat voor dit deel van het Koninkrijk nucleair materiaal in grote hoeveelheden aanwezig is en dus niet aan de voorwaarden van kleine hoeveelheden wordt voldaan.

In lijn met Aanvullend Protocol I bij het Verdrag van Tlatelolco en het NPV draagt het Koninkrijk verantwoordelijkheid voor de gelding en uitvoering op zijn gehele grondgebied van de AWO, het model-AP en waar van toepassing gelet op de drempelwaarde het model-PKH+, gezamenlijk in het kader van de onderhavige uitvoeringswet aangeduid als de nucleaire waarborgverdragen. Pas zodra deze alle drie van kracht zijn en overal in het Caribische deel van het Koninkrijk geïmplementeerd, voldoet het Koninkrijk in zijn geheel aan de internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van non-proliferatie van kernwapens. Totstandkoming en uitvoering van deze verdragen heeft daarmee naast het doel van non-proliferatie van kernwapens ook een belangrijke diplomatiek-juridische component. Het IAEA kan immers zonder de juiste verdragen en uitvoeringswetgeving van kracht niet ten volle concluderen dat alle nucleaire toepassingen op het grondgebied van het Koninkrijk uitsluitend vreedzaam zijn. Het IAEA heeft er daarom regelmatig op aangedrongen dat het Koninkrijk de lacunes in verdragen, wet- en regelgeving in het Caribische deel dicht. Belangrijke mijlpalen zijn wat dat betreft de totstandkoming op 4 december 2025 te Wenen van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Atoomenergieagentschap inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika (hierna: AP)7 en de totstandkoming op 4 december 2025 van de Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) inzake de wijziging van Protocol I bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het IAEA inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika+ (hierna: PKH+).8

  1. Uitvoeringswetgeving

Tegen bovenstaande achtergrond regelt dit wetsvoorstel de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De autonome landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben aangegeven de voorkeur te geven aan het opstellen van eigen uitvoeringswetgeving boven het opstellen van één consensusrijkswet voor het gehele Caribische deel van het Koninkrijk. Om de uitvoeringswetten op elkaar af te stemmen, wordt wel waar mogelijk samengewerkt en is hulp aan de autonome landen beschikbaar gesteld om in lijn met de aangehaalde internationale verplichtingen de inwerkingtreding van de nucleaire waarborgverdragen in het gehele Koninkrijk binnen afzienbare tijd mogelijk te maken.

De uitvoeringswetgeving implementeert de bepalingen van de AWO die niet zijn opgeschort onder het PKH+9, alsmede het AP. In samenspraak met het IAEA zijn in het AP en PKH+ bepalingen opgenomen die recht doen aan de bijzondere structuur van ons Koninkrijk. Daardoor is het mogelijk dat beide verdragen per autonoom land binnen het Koninkrijk of voor alle Caribische delen van het Koninkrijk tezamen in werking treden. De verdragen kunnen in elk gebied in werking treden zodra beide parlementair zijn goedgekeurd en daarnaast middels uitvoeringswetgeving geïmplementeerd zijn voor het betreffende autonome land binnen het Koninkrijk of voor alle Caribische delen van het Koninkrijk tegelijk.

  1. Hoofdlijnen van het voorstel

Op hoofdlijnen regelt dit wetsvoorstel voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de volgende drie onderwerpen: het aanwijzen van een bevoegde autoriteit, het instellen van verplichtingen voor houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten (hierna aangeduid als: private onderzoekers of ontwikkelaars), en het inrichten van een stelsel van toezicht en handhaving, waaronder inspecties.

3.1 Bevoegde autoriteit

Allereerst moet een bevoegde autoriteit worden aangewezen die uitvoering geeft aan de taken die voortvloeien uit de nucleaire waarborgverdragen, zoals het verzamelen van informatie die het IAEA nodig heeft voor zijn verificatietaak. Het gaat hierbij onder meer om het bijhouden van een register met informatie uit de aangiftes van houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars. Daarnaast zijn belangrijke taken van de bevoegde autoriteit het begeleiden van eventuele IAEA-inspecties bij nucleaire installaties in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en het toezicht houden op de naleving van de verplichtingen die rusten op houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars.

Voorgesteld wordt om de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (hierna: ANVS) aan te wijzen als bevoegde autoriteit. De ANVS is in 2015 opgericht om “de expertise en kennis op het terrein van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming binnen de Rijksoverheid zoveel mogelijk te bundelen en effectiever te organiseren”.10 Dit wetsvoorstel bouwt voort op die rol met de aanwijzing van de ANVS als bevoegde autoriteit om ook in de openbare lichamen haar expertise en kennis op waarborgen in te zetten. Hoewel de taken voor de uitvoering van dit wetsvoorstel enigszins verschillen van de taken die de ANVS uitvoert in het Europese deel van Nederland – waar Euratom primair verantwoordelijk is voor de waarborgen tegen proliferatie van kernwapens –, liggen de nieuwe taken voor de ANVS wel in het verlengde van de ondersteunende taken van de ANVS voor Euratom en het IAEA in het Europese deel van Nederland. De ANVS beschikt daardoor al grotendeels over de noodzakelijke kennis voor de uitvoering van dit wetsvoorstel en heeft de ervaring en het netwerk om benodigde aanvullende kennis te verwerven. Gelet op de beperkte aard en omvang van nucleaire activiteiten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is bovendien uit de uitvoeringstoets de gebleken dat de ANVS deze taken zonder grote organisatorische veranderingen kan absorberen (zie ook paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze toelichting).

Eveneens gelet op de beperkte aard en omvang van nucleaire activiteiten in de openbare lichamen is om redenen van doelmatigheid en evenredigheid het oprichten of aanwijzen van een andere bevoegde autoriteit dan de ANVS niet opportuun. Dit zou qua tijd en middelen een veel grotere inspanning vergen dan het aanwijzen van de ANVS, en zou bovendien op gespannen voet kunnen komen te staan met de bij de oprichting van de ANVS beoogde bundeling van nucleaire expertise en kennis. Ook het beleggen van deze taken bij het lokale bestuur van de openbare lichamen is geen optie, wederom gelet op de beperkte aard en omvang van de nucleaire activiteiten aldaar afgezet tegen de tijd en middelen die het de bestuurscolleges van de openbare lichamen zou kosten om de rol van toezichthouder op het gebied van waarborgen op te bouwen en in stand te houden. Vanzelfsprekend zal de ANVS bij de uitvoering van haar taak in de openbare lichamen nauw samenwerken met de bestuurscolleges van de openbare lichamen.

Dit wetsvoorstel geeft de ANVS een verordenende bevoegdheid. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk voor de ANVS om voor zowel het inrichten en organiseren van het register als voor de aangifte die houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars moeten doen, nadere regels vast te stellen. Deze regels kennen op organisatorisch en technisch vlak een hoog detailniveau, waardoor het wenselijk is de ANVS deze bevoegdheid toe te kennen (zie ook de toelichting hierop in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting). De ANVS zal zich bij het opstellen van een verordening conformeren aan alles wat bij de Rijksoverheid gebruikelijk is bij het opstellen van algemene regels, zoals bijvoorbeeld de Aanwijzingen voor de regelgeving, het beleid met betrekking tot de zogeheten Vaste Verandermomenten en het beperken van de administratieve lasten voor houders van nucleair materiaal en ertsen.

3.2 Verplichtingen houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten

Om te voldoen aan de verplichtingen in de nucleaire waarborgverdragen, moet het IAEA het vreedzaam gebruik van nucleair materiaal en ertsen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen verifiëren. Er heeft daarom in de zomer van 2025 een inventarisatiemissie plaatsgevonden in de openbare lichamen om een eerste beeld te krijgen van de aanwezigheid van nucleair materiaal en ertsen ter plaatse. Bij deze inventarisatiemissie zijn geen nucleaire installaties met nucleair materiaal of ertsen in de openbare lichamen gevonden, noch zijn daarom houders hiervan geïdentificeerd. Ook is niet bekend geworden dat private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop worden verricht in de openbare lichamen. Wel is vastgesteld dat incidenteel materieel met nucleair materiaal voor projecten in de openbare lichamen kan worden ingevoerd. Om eventueel toekomstig nucleair materiaal dat op vaste of incidentele basis aanwezig is in de openbare lichamen alsook de houders hiervan, en eventuele toekomstige ertsen alsook de houders hiervan, te kunnen vinden en identificeren, en eventueel toekomstige private onderzoekers of ontwikkelaars te identificeren, wordt met dit wetsvoorstel een aangifteplicht gecreëerd. De houders van nucleair materiaal of ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars worden verplicht om na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en vervolgens periodiek aangifte te doen bij de ANVS van het nucleaire materiaal dat en de ertsen die zij gebruiken of voorhanden hebben. De ANVS doet daarvan op haar beurt periodiek en op verzoek incidenteel melding bij het IAEA. Als het nodig wordt geacht voor de verificatie, kunnen het IAEA en de ANVS inspecties uitvoeren (zie ook de volgende paragraaf). Op deze wijze wordt een verificatiesysteem ingericht dat in de nucleaire waarborgverdragen wordt voorgeschreven.

Bij de keuze voor deze inrichting van het verificatiesysteem is, gelet op de beperkte aard en omvang van nucleaire activiteiten in de openbare lichamen, in dit wetsvoorstel niet gekozen om een vergunningsstelsel te creëren zoals dat in het Europese deel van Nederland geldt voor het mogen gebruiken of voorhanden hebben van nucleair materiaal en ertsen. Een vergunningsstelsel zorgt voor verdergaande administratieve lasten en meer toezicht en controle op houders van nucleair materiaal en ertsen of private onderzoekers of ontwikkelaars. In het geval van Caribisch Nederland is de verwachting dat met een aangifteplicht ook voldoende inzichtelijk gemaakt kan worden waar en bij wie welk nucleair materiaal en welke ertsen zich bevinden. In hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze toelichting wordt nader op de gevolgen van deze keuze ingegaan.

Vanwege het belang dat met verificatie gemoeid is, wordt voor het verificatiesysteem voor houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars een plicht ingevoerd om over dat nucleair materiaal en die ertsen of over de verrichte onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten een administratie bij te houden die hen in staat stelt om altijd aangifte te kunnen doen en de juistheid van een door hen gedane aangifte aan te kunnen tonen. Ook op de gevolgen van deze plicht wordt in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze toelichting nader ingegaan.

3.3 Toezicht en handhaving, waaronder inspecties

Voorts regelt het wetsvoorstel dat toezicht wordt gehouden op de naleving van de hierboven beschreven verplichtingen van de houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars. Met dit toezicht zijn belast de bij besluit van de bevoegde autoriteit aangewezen ambtenaren die deel uitmaken van het personeel van de bevoegde autoriteit. Onderdeel van de taken van de ANVS als bevoegde autoriteit wordt daarmee het houden van toezicht op de naleving van de aangifteplicht van houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars, inclusief de plicht tot het voeren van de juiste administratie hierover. Hiertoe zijn aan de ANVS toezichtsbevoegdheden toegekend, op grond waarvan bijvoorbeeld inspecties van nucleaire installaties mogelijk zijn. Ook zijn aan de ANVS handhavingsbevoegdheden toegekend, zodat bijvoorbeeld een houder van nucleair materiaal in voorkomende gevallen tot het doen van een juiste en volledige aangifte gedwongen kan worden. In hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting wordt het toezichts- en handhavingsstelsel nader toegelicht.

Ten slotte wordt in het wetsvoorstel geregeld dat inspecteurs van het IAEA inspecties mogen verrichten in nucleaire installaties om het vreedzaam gebruik van nucleair materiaal in de openbare lichamen te verifiëren in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen. Hiertoe worden aan de inspecteurs van het IAEA dezelfde toezichtsbevoegdheden toegekend als aan de ambtenaren van de bevoegde autoriteit. Ook deze inspecties worden nader toegelicht in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting.

  1. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving

4.1 Hoger recht

Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan internationale verplichtingen van het Koninkrijk in verband met het NPV en Aanvullend Protocol I van het Verdrag van Tlatelolco. Als niet-kernwapenstaat onder het NPV is het Koninkrijk gehouden verificatie van vreedzaam gebruik van nucleair materiaal en nucleaire kennis toe te staan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het Euratomverdrag niet geldt voor het Caribisch deel van het Koninkrijk omdat de goedkeuring of bekrachtiging van het Euratomverdrag niet voor het Caribische deel van het Koninkrijk is gedaan, maar slechts voor het Europese deel van Nederland en het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea.

4.2 Nationaal recht

De uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt niet alleen geregeld door dit wetsvoorstel, maar ook door wetgeving die al geldt voor de BES. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan toepassing van de Wet administratieve rechtspraak BES voor de rechtsbescherming tegen bestuursrechtelijke besluiten die de ANVS op grond van dit wetsvoorstel als toezichthouder neemt, en het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering BES voor de strafrechtelijke handhaving van overtreding van de plicht van houders van nucleair materiaal en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten tot het bewaren van administratie hierover. In de volgende paragrafen wordt de juridische inbedding van (de uitvoering van) het wetsvoorstel in het bestaande nationale recht toegelicht.

4.2.1 Kernenergiewet

De Kernenergiewet (hierna: Kew) regelt voor het Europese deel van Nederland (het toezicht op) de nucleaire sector. De Kew is niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Na opheffing van de Nederlandse Antillen is de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot stand gekomen. Daaruit volgt dat Nederlandse wetten slechts van toepassing zijn voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald of op andere wijze onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn. Dat is niet het geval voor de Kew. De Kew staat dan ook los van dit wetsvoorstel. De ANVS krijgt op grond van dit wetsvoorstel nieuwe taken toebedeeld, naast de taken die zij heeft op grond van de Kew. Wel is in dit wetsvoorstel voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij bevoegdheden en begrippen uit de Kew.

Een verschil tussen de Kew en dit wetsvoorstel is dat de Kew ook regels stelt over stralingsbescherming. Dit onderwerp is niet in deze uitvoeringswet geregeld omdat dit onderwerp niet wordt geregeld in de nucleaire waarborgverdragen, en om daarnaast een spoedige implementatie van de nucleaire waarborgverdragen te realiseren. Regels omtrent stralingsbescherming zullen op een later moment afzonderlijk worden vastgesteld voor de openbare lichamen door het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het niet nodig wordt geacht om de verhouding tussen de Minister van Buitenlandse Zaken en de ANVS wettelijk te regelen zoals dat in de artikelen 11 tot en met 12e van de Kew is gebeurd voor de verhouding van diverse ministers en de ANVS. De samenwerkingsplicht en mogelijkheid voor het uitwisselen van informatie uit artikel 5 van dit wetsvoorstel volstaan om een goede uitvoering van dit wetsvoorstel te verzekeren.

4.2.2 Wet Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer BES

De Wet Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer BES (hierna: Wet VROM BES) bevat kaders voor de inrichting van de leefomgeving in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In de Wet VROM BES is het bevoegd gezag aangewezen voor bepaalde type inrichtingen. Sommige van deze inrichtingen zullen op grond van dit wetsvoorstel nucleair materiaal moeten melden. Het is evenwel niet nodig om in een van de twee wetten een uitsluitingsbepaling op te nemen voor hetgeen wordt geregeld in de beide wetten. Beide wetten kennen immers een ander karakter met andere verplichtingen en dienen andere belangen.

4.2.3 Wet administratieve rechtspraak BES

Tegen bestuursrechtelijke besluiten die zijn genomen op basis van dit wetsvoorstel kan volgens de voorschriften van de Wet administratieve rechtspraak BES bezwaar worden gemaakt bij de ANVS en beroep worden ingediend bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit geldt onder meer voor de last onder dwangsom ter handhaving van de aangifteplicht en de plicht tot het medewerking verlenen aan een toezichthouder van de ANVS (zie ook hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting).

4.2.4 Wetboek van Strafrecht BES en Wetboek van Strafvordering BES

De rechten en waarborgen die worden ontleend aan het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering BES zijn direct van toepassing op de strafbepalingen voor overtreding van de bewaarplicht van administratie of de plicht tot het verlenen van medewerken aan een toezichthouder van de ANVS. De handhaving van deze plichten geschiedt volgens de procedures en door de bevoegde opsporingsambtenaren uit het Wetboek van Strafvordering BES op aangeven van een toezichthouder van de ANVS, die bij de uitoefening van het toezicht een overtredingsrapport aan de bevoegde opsporingsambtenaren uit het Wetboek van Strafvordering BES kan overhandigen op grond waarvan tot vervolging zou kunnen worden overgegaan.

Wanneer een toezichthouder van de ANVS gebruik maakt van de bevoegdheid met medeneming van benodigde apparatuur een plaats te betreden zonder toestemming van de bewoner als die plaats relevant is voor verificatie, zijn de artikelen 155 tot en met 163 van het Wetboek van Strafvordering BES daarop van toepassing om de bewoner de vereiste waarborgen te bieden nu de Algemene wet op het binnentreden niet van toepassing is verklaard op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.11

4.2.5 Wet bescherming persoonsgegevens BES

In de Wet bescherming persoonsgegevens BES is in artikel 7 bepaald dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld. Verder staan in hoofdstuk 2 van die wet andere voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens. Voor de uitvoering van dit wetsvoorstel is niet de verwachting dat persoonsgegevens verzameld moeten worden, nu bij de aangifte die houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten moeten doen niet naar persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens BES wordt gevraagd. Dit is anders wanneer de gevraagde gegevens zo dicht in verband staan met een natuurlijk persoon dat deze gegevens eigenlijk kwalificeren als gegevens van een natuurlijke persoon, bijvoorbeeld wanneer een tandartspraktijk op vaste basis verarmd uranium in zijn praktijk voorhanden heeft en de eenmanszaak de naam van de eigenaar draagt. Momenteel is daar geen sprake van omdat er geen houders van nucleair materiaal en ertsen of private onderzoekers of ontwikkelaars zijn geïdentificeerd. Mocht een dergelijke situatie zich in de toekomst voordoen, zal de ANVS deze persoonsgegevens in overeenstemming met de Wet bescherming persoonsgegevens BES verzamelen.

4.2.6 Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaalt dat de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet van toepassing is op de BES. Om deze reden zijn de voor dit wetsvoorstel benodigde bevoegdheden met betrekking tot toezicht uit de Awb integraal overgenomen in dit wetsvoorstel. Dit komt de zelfstandige leesbaarheid van dit wetsvoorstel ten goede.

Voor het overnemen van de nadere regels en waarborgen die in de Awb zijn geregeld voor de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom, zijn de desbetreffende regels uit de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel dit het wetsvoorstel minder zelfstandig leesbaar maakt, is hiervoor gekozen vanwege het grote aantal bepalingen dat anders in dit wetsvoorstel overgenomen had moeten worden.

4.2.7 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen

In artikel 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn de gevallen opgenomen waarin een zelfstandig bestuursorgaan na oprichting kan worden belast met een andere taak. Hoewel deze gevallen restrictief worden geïnterpreteerd, voldoet de aanwijzing van de ANVS aan deze bepaling nu de ANVS de specifieke deskundigheid bezit om aangewezen te worden als bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen en het daarnaast niet doelmatig is om deze taak toe te kennen aan de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie voor een nadere toelichting op deze motivering paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze toelichting).

  1. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

5.1 Gevolgen voor houders van nucleair materiaal en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten

5.1.1 Verplichtingen

Voor houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars worden in dit wetsvoorstel twee verplichtingen geïntroduceerd: het incidenteel en periodiek aangifte doen van nucleair materiaal dat en ertsen die zij voorhanden hebben of gebruiken of van de onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten die zij verrichten, en het bijhouden van een administratie hierover.

Daarnaast worden houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars verplicht om mee te werken aan voorkomende inspecties van inspecteurs van de ANVS en het IAEA. Dit betekent bijvoorbeeld dat deze inspecteurs toegang verschaft moet worden tot de nucleaire installatie en dat meegewerkt moet worden aan de inspectie, zoals door het beantwoorden van vragen.

5.1.2 Regeldrukgevolgen

Deze verplichtingen brengen naar verwachting zeer beperkte regeldrukgevolgen met zich mee. Omdat uit de nulmeting van de zomer van 2025 naar voren kwam dat er in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen houders van nucleair materiaal en ertsen zijn, noch bekend is dat private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop worden verricht, brengt het wetsvoorstel momenteel feitelijk geen regeldrukgevolgen met zich mee. Voor eventuele toekomstige houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars in de openbare lichamen kan over de regeldrukgevolgen in algemene zin worden gesteld dat slechts een minimale tijdsbesteding nodig is voor de naleving van de verplichtingen uit dit wetsvoorstel. Zeker wanneer een houder van nucleair materiaal en ertsen of een private onderzoeker of ontwikkelaar doorlopend een goede administratie bijhoudt (zoals ook wordt verplicht in dit wetsvoorstel), vergen zowel de initiële aangifte (als die op die houder van nucleair materiaal of ertsen of die private onderzoeker of ontwikkelaar van toepassing is12) en vervolgens het periodiek invullen van de aangifteformulieren een minimale tijdsbesteding.

Hier komt bij dat van de meeste houders van nucleair materiaal en ertsen reeds enige kennis van de internationaal onder IAEA-toezicht gestandaardiseerde wet- en regelgeving ter zake verwacht mag worden. Het nucleair materiaal of de ertsen zullen immers van buiten de openbare lichamen moeten worden aangevoerd, nu op het grondgebied van de openbare lichamen geen natuurlijke voorraden nucleair materiaal of ertsen bekend zijn. Dat betekent dat bij de verkrijging van nucleair materiaal of ertsen en daarmee gepaard gaande uitvoer vanuit een ander land of deel van het Koninkrijk, de houders in de regel al in aanraking komen met vergelijkbare wet- en regelgeving en de bevoegde autoriteit van het uitvoerende of doorvoerende land of deel van het Koninkrijk. Het is staande praktijk dat dit nucleair materiaal of deze ertsen vervolgens in het land van invoer weer geregistreerd worden, zodat de zogeheten materiaalbalansen van beide landen en de betroffen nucleaire installaties op orde blijven. Deze wetgeving voorziet wat dat betreft dus in een logische en voor betrokkenen voorzienbare vervolgstap in het proces van vreedzame toepassing van nucleair materiaal en ertsen.

5.2 Rechtsbescherming houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten

Met dit wetsvoorstel wordt voor de rechtsbescherming volledig aangesloten bij de bestaande rechtsbescherming in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit betekent dat de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is gewaarborgd op grond van de Wet administratieve rechtspraak BES, op grond waarvan bezwaar kan worden gemaakt bij de ANVS en beroep worden ingediend bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie ook paragraaf 4.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting). In het geval van strafrechtelijke handhaving van dit wetsvoorstel zijn daarop de waarborgen uit het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering BES van toepassing (zie ook paragraaf 4.2.4 van het algemeen deel van deze toelichting).

5.3 Gevolgen voor de overheid

5.3.1 Uitvoeringslasten Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming

Gelet op de beperkte aard en omvang van nucleaire activiteiten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de verwachting dat de uitvoeringslasten voor de ANVS beperkt zullen blijven. Veel werk is al verricht in voorbereiding op de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen, en dan met name het in kaart brengen van het aldaar aanwezige nucleair materiaal, de aanwezige ertsen, de houders hiervan en private onderzoekers of ontwikkelaars. Hieruit is gebleken dat er op het moment van schrijven van deze toelichting geen nucleaire installaties in de openbare lichamen zijn, en daarom momenteel ook geen houders van nucleair materiaal of ertsen die hiervan bij de ANVS aangifte zullen doen. Er zijn evenmin plannen bekend om in de nabije toekomst wel nucleaire installaties in de openbare lichamen te vestigen of private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop te verrichten. Wel kan incidenteel nucleair materiaal aanwezig zijn of onder waarborgen worden ingevoerd, bijvoorbeeld als beschermingsmateriaal van radioactieve bronnen of voor gebruik in laboratoria.

In aanloop naar de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal de ANVS een register moeten inrichten, een verordening met regels voor de praktische uitwerking van de wettelijke plichten voor houders moeten opstellen en praktische werkafspraken moeten maken met het ministerie van Buitenlandse Zaken en de bestuurscolleges van de openbare lichamen. Hier zijn eenmalige uitvoeringslasten voor voorzien (in hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze toelichting aangehaald als ‘opstartkosten’). Na inwerkingtreding van de verdragen, dit wetsvoorstel en de verordening zal de hoofdtaak van de ANVS in de openbare lichamen bestaan uit het bijhouden van het register en het controleren van (aangiftes van) eventuele toekomstige houders. De ANVS zal daarnaast jaarlijks en desgevraagd tussendoor aan het IAEA wijzigingen rapporteren. Als het IAEA – in onder het PKH+ uitzonderlijke gevallen – inspecties ter plaatse wenst uit te voeren, zal de ANVS deze begeleiden in samenspraak met de bestuurscolleges van de openbare lichamen. De kosten van (begeleiding van) een inspectie worden in hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze toelichting aangehaald als ‘incidentele kosten’.

Alles in overweging genomen, is de verwachting dat de reguliere uitvoering van deze taken – dus buiten opstartkosten en incidentele kosten – voor de ANVS in het geval van geen tot enkele houders of private onderzoekers of ontwikkelaars beperkte kosten met zich meebrengen. Zolang het aantal houders van nucleair materiaal en ertsen of private onderzoekers of ontwikkelaars in de openbare lichamen zich binnen een marge van nul tot een enkele begeeft, zullen naar schatting niet meer dan één tot enkele ANVS-medewerkers gedurende enkele dagen per jaar zich met de reguliere taken in de openbare lichamen hoeven bezighouden. De met de reguliere taken gemoeide kosten worden in hoofdstuk 7 van deze toelichting aangehaald als ‘reguliere kosten’.

5.3.2 Betrokkenheid Minister van Buitenlandse Zaken

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de nakoming van internationale verplichtingen omtrent waarborgen tegen proliferatie van kernwapens. Het ministerie van Buitenlandse Zaken blijft daarom betrokken bij de uitvoering van het wetsvoorstel en de vertaling daarvan naar internationale gremia, zoals het IAEA en de toetsingsconferenties van het Non-Proliferatieverdrag, zij het niet in een directe rol als bevoegde autoriteit.

  1. Uitvoering, toezicht en handhaving

Na de eerdergenoemde inventarisatiemissie naar nucleair materiaal en ertsen en hun houders in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is een onderhands verslag opgesteld voor het IAEA. Voor het IAEA was dit een welkome stap in de goede richting van volledige nakoming van de verplichtingen onder de nucleaire waarborgverdragen. Hoewel er bij deze inventarisatiemissie geen houders van nucleair materiaal en ertsen zijn geïdentificeerd in de openbare lichamen, is voor een goede uitvoering van dit wetsvoorstel in de toekomst een aantal punten van belang.

Allereerst moet de ANVS een register inrichten waarin de gegevens van nucleair materiaal en ertsen en onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop worden ingeschreven waarvoor aangifte is gedaan. De bevoegdheid voor het stellen van nadere regels over de inrichting van de register is een technische aangelegenheid die passend is om bij de ANVS te beleggen, omdat de ANVS over specialistische kennis beschikt en daardoor weet welke gegevens relevant zijn en hoe deze gegevens het best in het register gestructureerd kunnen worden. Daarnaast biedt deze bevoegdheid de mogelijkheid om snel in te spelen op technologische of inhoudelijke ontwikkelingen wanneer deze relevant zijn voor de verificatie en dus in zowel de aangifte als in het register terugkomen.

Voorts stelt de ANVS een aangifteformulier op en publiceert zij dit op haar website. De bevoegdheid voor het stellen van nadere regels over de inhoud van de aangiftes is een organisatorische aangelegenheid die passend is om bij de ANVS te beleggen, omdat de informatie die moet worden aangeleverd op grond van artikel 2 van het AP zodanig gedetailleerd is dat die het best op een lager regelingsniveau kan worden vastgelegd dan op wetsniveau, en de ANVS over specialistische kennis beschikt en daardoor weet hoe de vereiste informatie het best in een aangifteformulier gestructureerd kan worden. Hierbij kan de ANVS bovendien aansluiting zoeken bij het door de ANVS beheerde register, om het op die manier zo eenvoudig mogelijk maken om informatie door te zetten aan het IAEA.

Vanaf het moment dat er houders van nucleair materiaal en ertsen of private onderzoekers of ontwikkelaars aanwezig zijn in de openbare lichamen, zal de ANVS erop toezien dat zij tijdig en volledig aangifte doen van het nucleair materiaal of de ertsen die zij voorhanden hebben of gebruiken of de private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten die zij verrichten. De ANVS wordt hierin ondersteund door de bestuurscolleges van de openbare lichamen, die desgevraagd en waar nodig uit eigen beweging informatie zullen doorgeven aan de ANVS die relevant is voor de taakuitoefening van de ANVS en die de bestuurscolleges in het kader van bestaande taken ter ore komt. De praktische samenwerking tussen de ANVS en de bestuurscolleges wordt op het moment van schrijven van deze toelichting nader uitgewerkt.

Voor de uitvoering van haar taak zijn in dit wetsvoorstel de gebruikelijke toezichtsbevoegdheden toegekend aan de ANVS, zoals het kunnen betreden van nucleaire installaties13 en het kunnen vorderen van inlichtingen. Als de ANVS constateert dat een houder van nucleair materiaal of ertsen of een private onderzoeker of ontwikkelaar niet voldoet aan de aangifteplicht, is zij bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom. Voor dit instrument is gekozen omdat de houder van nucleair materiaal of een private onderzoeker of ontwikkelaar de enige is die een juiste aangifte kan indienen bij de ANVS (toepassing van bestuursdwang is in dit verband dus niet relevant) en de financiële prikkel uit de last onder dwangsom naar verwachting volstaat om de houder van nucleair materiaal of een private onderzoeker of ontwikkelaar te laten voldoen aan de aangifteplicht. Bestraffende sancties worden voor de handhaving van de aangifteplicht niet passend geacht.

Op basis van de gegevens in het register bundelt de ANVS de informatie en verstrekt zij deze aan het IAEA en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Met deze jaarlijkse rapportages wordt inzichtelijk gemaakt welke wijzigingen zich hebben voorgedaan in de totale hoeveelheid nucleair materiaal en ertsen aanwezig in de openbare lichamen. Het IAEA heeft daarbij overigens aangegeven de rapportages graag zoveel mogelijk gebundeld voor het Koninkrijk als geheel te willen ontvangen. Dit correspondeert met de internationaalrechtelijke eenheid van het Koninkrijk als staat. De verdeling binnen het Koninkrijk in autonome landen en openbare lichamen en bijbehorende vijfvoudige autonome uitvoeringswetgeving is een interne aangelegenheid van het Koninkrijk, grotendeels zonder externe werking. Dit vereist na opstellen van de uitvoeringswetgeving in de autonome landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, met eigen bevoegde autoriteiten, derhalve nog enige praktische afstemming tussen alle bevoegde autoriteiten.

Het IAEA kan besluiten de rapportages te willen verifiëren door middel van een inspectie. In dit wetsvoorstel worden aan inspecteurs van het IAEA de daarvoor benodigde toezichtsbevoegdheden toegekend. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat inspecteurs van het IAEA geen inreisvisum nodig hebben op grond van de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet. Op grond van dit wetsvoorstel is voorzien dat IAEA-inspecteurs bij een inspectie in de openbare lichamen begeleid worden door de ANVS.

Voorgesteld wordt de plicht tot het bijhouden en bewaren van een administratie over het nucleair materiaal dat en ertsen die een houder de afgelopen vijf jaar voorhanden heeft gehad of heeft gebruikt, of over de private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten die zijn verricht, en waar nodig de plicht tot het medewerking verlenen aan een toezichthouder, strafrechtelijk te handhaven (zie ook paragraaf 4.2.4 van het algemeen deel van deze toelichting). Strafrechtelijke handhaving van deze plichten is passend vanwege het belang dat met verificatie is gemoeid. Ook in het Europese deel van Nederland wordt de plicht tot het bijhouden en bewaren van administratie strafrechtelijk gehandhaafd14 en kan de verplichting tot het medewerking verlenen aan een toezichthouder strafrechtelijk worden gehandhaafd15. Handelen in strijd met deze plichten is aangemerkt als een overtreding die wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste de derde categorie (voor schending van de plicht tot het bewaren van administratie) of de tweede categorie (voor schending van de plicht tot medewerking verlenen aan een toezichthouder). Hierbij is gekozen voor aansluiting bij de strafmaat die in het Europese deel van het Koninkrijk geldt. De strafrechtelijke handhaving van deze plichten geschiedt volgens de procedures en door de bevoegde opsporingsambtenaren uit het Wetboek van Strafvordering BES op aangeven van een toezichthouder van de ANVS, die bij de uitoefening van het toezicht een overtredingsrapport aan de bevoegde opsporingsambtenaren uit het Wetboek van Strafvordering BES kan overhandigen op grond waarvan tot vervolging over zou kunnen worden gegaan.

Voor de uitvoering van artikel 27 van het wetsvoorstel is het mogelijk dat een aanvullende regeling bij de nucleaire waarborgverdragen wordt vastgesteld tussen het IAEA en de ANVS. In deze aanvullende regeling kunnen afspraken worden gemaakt voor de beheerde toegang tot een nucleaire installatie. Omdat er momenteel geen nucleaire installaties zijn in de openbare lichamen, wordt momenteel geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

  1. Financiële gevolgen

De voornaamste financiële gevolgen van het wetsvoorstel komen voort uit de uitvoeringskosten van de bevoegde autoriteit. Zoals vermeld in paragraaf 5.3 van het algemeen deel van deze toelichting, kunnen deze kosten worden onderverdeeld in drie soorten: zogeheten ‘opstartkosten’, ‘reguliere kosten’ en ‘incidentele kosten’.

Onder ‘opstartkosten’ valt de inzet van mensen en middelen van de bevoegde autoriteit tijdens de aanloopfase naar inwerkingtreding van de nucleaire waarborgverdragen en dit wetsvoorstel. De initiële vaststelling dat in de openbare lichamen op dit moment geen nucleair materiaal of ertsen aanwezig zijn, moet worden geformaliseerd en binnen drie weken na inwerkingtreding van de nucleaire waarborgverdragen aan het IAEA gecommuniceerd te worden. Verder moet de bevoegde autoriteit een register opzetten, een verordening opstellen en met het ministerie van Buitenlandse Zaken, de bestuurscolleges van de openbare lichamen en het IAEA tot werkafspraken komen. Voor deze opstartkosten is eenmalig EUR 40.000 begroot. Deze opstartkosten worden gedekt door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Onder ‘reguliere kosten’ valt de inzet van mensen en middelen voor het beheren van het register en toezicht op de naleving van de wet wanneer die in werking is getreden. Voor de uitvoering van dit wetsvoorstel is jaarlijks bij de bevoegde autoriteit structureel EUR 4.300 benodigd. Deze reguliere kosten worden gedekt door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Naast de reguliere kosten zijn na inwerkingtreding in voorkomende gevallen incidentele kosten voor de bevoegde autoriteit voorzien. Het gaat hierbij met name om reis- en verblijfkosten voor eigen inspecties of de begeleiding van IAEA-inspecties. Deze kosten worden per inspectie door twee inspecteurs begroot op EUR 13.000. Deze incidentele kosten worden gedekt door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Voor houders van nucleair materiaal en ertsen of degenen die onderzoeks- of ontwikkelactiviteiten verrichten zijn geen financiële gevolgen voorzien voor de naleving van de verplichtingen uit dit wetsvoorstel.

  1. Advies en consultatie

8.1 Samenwerking met ANVS en I&W

Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is door het ministerie van Buitenlandse Zaken nauw overleg gepleegd met zowel de ANVS in de hoedanigheid van beoogde bevoegde autoriteit, als met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat als eigenaar van de ANVS en het verantwoordelijke departement voor het aanpalende onderwerp van stralingsbescherming. Omdat non-proliferatie echter volledig onder de beleidsmatige verantwoordelijkheid valt van de Minister van Buitenlandse Zaken, wordt het wetsvoorstel alleen door de Minister van Buitenlandse Zaken ondertekend.

8.2 Consultatie Aruba, Curaçao en Sint Maarten

Daarnaast is periodiek overleg gepleegd met Aruba, Curaçao en Sint Maarten om, passend bij de wensen en behoeften van de autonome landen, samenwerking en ondersteuning te bieden voor de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen in die landen. De landen namen bovendien deel aan de inventarisatiemissie, die in de zomer van 2025 naast Bonaire, Sint Eustatius en Saba ook Aruba en Sint Maarten aandeed. Een soortgelijke missie had al in 2019 op Curaçao plaatsgevonden. Curaçao is vooralsnog ook het enige land waar nucleaire installaties met nucleair materiaal en ertsen, en dientengevolge ook houders daarvan, aangetroffen zijn.

Hoewel non-proliferatie van kernwapens als onderdeel van de portefeuille Buitenlandse Zaken een Koninkrijksaangelegenheid is, behoeft de uitvoering door het specialistische karakter inbedding in beleidsterreinen die tot de autonome bevoegdheden van de landen behoren. Bovendien gaven – als vermeld onder hoofdstuk 2 van deze inleiding – de landen in een vroeg stadium aan geen consensus-Rijkswet voor dit onderwerp te wensen. Het reguleren van nucleair materiaal en ertsen alsmede hun houders en van private onderzoekers en ontwikkelaars is voor de autonome landen een nieuwe taak, die per autonoom land belegd wordt bij de delen van hun bestuurlijk apparaat die zich bezighouden met volksgezondheid en/of milieu en afvalverwerking. Aangezien de nucleaire waarborgverdragen voor het gehele Caribische deel van het Koninkrijk dezelfde verplichtingen opleggen, is het vanuit doelmatigheidsoogpunt zinnig om in de uitvoering niet teveel van elkaar af te wijken. Daarom is in een vroeg stadium de uitvoeringswetgeving van de vier landen op elkaar afgestemd. Op die manier kunnen binnen afzienbare tijd de nucleaire waarborgverdragen conform internationale verplichtingen onder Aanvullend Protocol I bij het Verdrag van Tlatelolco en het NPV voor het gehele Koninkrijk van kracht worden.

8.3 Toets handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid ANVS

De ANVS heeft een concept van dit wetsvoorstel getoetst op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid. Daarbij is de ANVS verzocht in het bijzonder aandacht te besteden aan de aanwijzing van de ANVS als bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Het verheugt de regering dat de ANVS positief heeft geoordeeld op de aanwijzing van de ANVS als bevoegde autoriteit. De aandachtspunten in (de memorie van toelichting bij) het wetsvoorstel die de ANVS heeft gesignaleerd en de randvoorwaarden voor de aanwijzing die de ANVS heeft gesteld, heeft de regering als volgt opgevolgd.

Allereerst heeft de regering de eerste door de ANVS geformuleerde randvoorwaarde voor aanwijzing als bevoegde autoriteit, een loket op de openbare lichamen voor het signaleren van eventuele toekomstige houders van nucleair materiaal of ertsen of van private onderzoekers of ontwikkelaars in de openbare lichamen, overgenomen. Hiertoe is de in artikel 9 vervatte samenwerkingsplicht voor de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de ANVS uitgebreid met een proactieve informatieplicht voor de bestuurscolleges. De praktische inrichting van deze “loketfunctie” van de bestuurscolleges van de openbare lichamen is nader uitgewerkt met de bestuurscolleges. De ANVS heeft aangegeven deze opvolging afdoende te vinden.

Voor de tweede door de ANVS geformuleerde randvoorwaarde, een ‘oriëntatiemissie’ door de ANVS naar de openbare lichamen (in aanvulling op de ‘inventarisatiemissie’ van augustus 2025), zegt de regering de daarvoor benodigde middelen toe. Deze middelen worden opgenomen in de door het ministerie van Buitenlandse Zaken bekostigde ‘opstartkosten’ (zie hoofdstuk 7 van deze toelichting).

Verder is op verzoek van de ANVS in artikel 13 van het wetsvoorstel opgenomen dat de toezichthoudende ambtenaren van de ANVS bij besluit van de ANVS worden aangewezen.

Ten slotte zijn als gevolg van de uitvoeringstoets aanvullende toezichtsbevoegdheden opgenomen in hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel. Omdat de ANVS in het Europese deel van Nederland woningen kan betreden zonder toestemming van de bewoner en heeft aangegeven de uitoefening van deze bevoegdheid ook in de openbare lichamen mogelijk te achten, is die bevoegdheid aan de inspecteurs van de ANVS toegekend. Daarbij zijn de voor de bewoner gebruikelijke waarborgen overgenomen (zie ook paragraaf 4.2.4 van deze toelichting). Daarnaast is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat toezichthouders van de ANVS vervoermiddelen mogen onderzoeken en identificatiebewijzen mogen vorderen.

8.4 Consultatie Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Met de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is in een vroeg stadium contact geweest over dit verdragen- en uitvoeringswetgevingstraject. Hieruit is gebleken dat de taken die voortvloeien uit de verdragsverplichtingen wegens het specialistische karakter en de afwezigheid van nucleaire installaties op de eilanden het best vanuit Den Haag uitgevoerd kunnen worden.

In de advies- en consultatiefase van het wetgevingstraject van dit wetsvoorstel zijn de openbare lichamen geconsulteerd over het wetsvoorstel. Na overleg met het bestuurscollege van het openbaar lichaam van Saba is gebleken dat Saba geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om schriftelijk te reageren vanwege de minimale impact van het wetsvoorstel op Saba en de lokale overheid. Vanuit de bestuurscolleges van de openbare lichamen van Bonaire en Sint Eustatius is geen formele reactie ontvangen, maar informeel is gebleken dat ook voor Bonaire en Sint Eustatius een minimale impact van het wetsvoorstel wordt verwacht.

Evenwel is naar aanleiding van de uitvoeringstoets door de ANVS aanvullend afgestemd met de bestuurscolleges over de praktische invulling van de samenwerking van de bestuurscolleges met de ANVS en is de wijze van (strafrechtelijke) handhaving van de bewaarplicht van administratie over nucleair materiaal en ertsen of de verrichte private onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop en de plicht om mee te werken met toezichthouders nader uitgewerkt.

8.5 Adviescollege Toetsing Regeldruk

Een concept van dit wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

8.6 Internetconsultatie

Via de website www.internetconsultatie.nl16 is van 24 november 2025 tot en met 11 januari 2026 aan belangstellenden de mogelijkheid geboden om te reageren op het wetsvoorstel. Langs deze weg zijn geen reacties ontvangen.

  1. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Er is geen noodzaak tot het treffen van overgangsrecht. Het wetsvoorstel krijgt daardoor directe en volledige werking na inwerkingtreding.

Voorgesteld wordt de inwerkingtreding te regelen bij koninklijk besluit. Het streven is het wetsvoorstel in werking te laten treden met ingang van 1 juli 2027, zodat de vaste verandermomenten in acht worden genomen. Mocht een eerdere inwerkingtredingsdatum mogelijk zijn, zal daar voor een spoedige implementatie van de nucleaire waarborgverdragen voor worden gekozen. Omdat dit wetsvoorstel strekt tot naleving van een internationale verplichting, is een dergelijke uitzondering op de vaste verandermomenten toegestaan conform het beleid inzake vaste verandermomenten.

ARTIKELSGEWIJS DEEL

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 98 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO) en 18 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP). In deze artikelen zijn definities van begrippen opgenomen die worden gehanteerd in de AWO en het AP. Voor de begrippen in deze artikelen die ook worden gebruikt in dit wetsvoorstel, alsook voor andere begrippen waarvan (nadere) definiëring wenselijk is, zijn begripsomschrijvingen opgenomen in dit artikel. Deze begripsomschrijvingen werken door in de door de Autoriteit op te stellen verordening op grond van de artikelen 7, vierde lid, en 11, vierde lid, van dit wetsvoorstel.

Voor de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de terminologie die wordt gebruikt in het IAEA-Statuut17, daarmee verband houdende verdragen zoals de nucleaire waarborgverdragen en daarop gebaseerde beleidsstukken, zoals de IAEA Safeguards Glossary18. Deze terminologie is evenwel aangepast aan terminologie die in Nederland gebruikelijk(er) is in beleid over waarborgen.

Bijzondere splijtstof

Het begrip ‘bijzondere splijtstof’ staat in artikel XX, onder 1, van het IAEA-Statuut aangeduid als ‘splijtstof’. In de AWO wordt gesproken van ‘bijzondere splijtstof’. Deze laatste term is overgenomen omdat deze gebruikelijker is.

Bronmateriaal

De begripsomschrijving van ‘bronmateriaal’ volgt artikel XX, onder 3, van het IAEA-Statuut. Ertsen en ertsresidu kwalificeren niet als bronmateriaal op basis van artikel 98, onderdeel O, van de AWO omdat deze de splijtstofcyclus nog niet hebben bereikt (zie ook de toelichting op de begripsomschrijving van ‘erts’ hierna).

Erts

Voor de begripsomschrijving van ‘erts’ is geen precieze definitie gegeven in IAEA-regelgeving of daarop gebaseerde beleidsstukken. De voorgestelde begripsomschrijving van ‘erts’ sluit aan bij de terminologie in artikel 33, onder a, van de AWO. Voor de toepassing van dit wetsvoorstel is een erts een delfstof die uranium of thorium bevat en waarmee handelingen worden verricht wegens zijn splijt- of kweekeigenschappen, maar nog niet de splijtstofcyclus heeft bereikt. Een erts kwalificeert dus niet als bronmateriaal, en is daarom samen met ertsresidu (het (afval)materiaal dat overblijft na verwerking van een erts) uitgezonderd in de definitie van het begrip ‘bronmateriaal’.

Nucleair materiaal

Bronmateriaal en bijzondere splijtstoffen kwalificeren voor de toepassing van deze wet beide als ‘nucleair materiaal’. Dit volgt uit artikel 98, onder O, van de AWO en het gelijkluidende artikel 18, onderdeel 9, van het AP.

IAEA

In het wetsvoorstel wordt het Internationaal Atoomenergieagentschap afgekort tot ‘IAEA’. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat niet in alle Nederlandse vertalingen van verdragen met het IAEA deze internationale organisatie wordt aangeduid als het ‘Internationaal Atoomenergieagentschap’, maar dat in sommige verdragen de aanduiding ‘Internationale Organisatie voor Atoomenergie’ gehanteerd wordt.

Installatie

Een installatie is een reactor, kritieke installatie, conversie-, productie-, herverwerkings- of isotopenscheidingsfabriek of afzonderlijke opslaginstallatie, of een andere installatie waar nucleair materiaal in hoeveelheden groter dan één effectieve kilogram voorhanden wordt gehouden of wordt gebruikt.

Het verschil tussen het ‘voorhanden houden’ en het ‘gebruiken’ van nucleair materiaal is dat het bij ‘gebruiken’ gaat om actieve handelingen zoals het vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan van nucleair materiaal, waar het bij ‘voorhanden hebben’ gaat om het passief voorhanden hebben van nucleair materiaal. Beide kunnen voorkomen in verschillende soorten installaties. Een voorbeeld van een installatie die (in de toekomst) kan voorkomen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is een kleine modulaire reactor.

Ook andere installaties waar nucleair materiaal in hoeveelheden groter dan één effectieve kilogram voorhanden wordt gehouden of wordt gebruikt, kwalificeren als ‘installatie’.

Een effectieve kilogram is op grond van artikel 98, onderdeel G, van de AWO een speciale eenheid die wordt gebruikt in de bescherming van nucleair materiaal. De hoeveelheid nucleair materiaal in effectieve kilogrammen wordt bepaald voor:

  • plutonium, door het gewicht in kilogrammen te nemen;

  • voor uranium met een verrijkingsgraad van 0.01 (1%) en meer, door het gewicht in kilogrammen te vermenigvuldigen met het kwadraat van de verrijkingsgraad;

  • voor uranium met een verrijkingsgraad van minder dan 0.01 (1%) en meer dan 0.005 (0.5%), door het gewicht in kilogrammen te vermenigvuldigen met 0.0001; en

  • voor verarmd uranium met een verrijking van 0.005 (0.5%) en minder, alsook voor thorium, door het gewicht in kilogrammen te vermenigvuldigen met 0.00005.

Visueel kan het bepalen van de hoeveelheid nucleair materiaal in effectieve kilogrammen als volgt worden weergegeven (met E als effectieve kilogram en G als gewicht):

Plutonium

E = G (gewicht in kilogram)

Uranium (verrijkingsgraad ≥ 1%)

E = G x (verrijkingsgraad)2

Uranium (verrijkingsgraad < 1% en ≥ 0.5%)

E = G x 0.0001

Verarmd uranium (verrijkingsgraad ≤ 0.5%) en thorium

E = G x 0.00005

Locatie buiten installatie

Een locatie buiten installatie is een locatie waar doorgaans nucleair materiaal in hoeveelheden van minder dan één effectieve kilogram voorhanden wordt gehouden of wordt gebruikt en die niet een installatie is. De wijze waarop de hoeveelheid nucleair materiaal in effectieve kilogrammen wordt bepaald, staat hierboven in de toelichting op het begrip ‘installatie’ beschreven. In de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zullen voornamelijk ‘locaties buiten installatie’ gevestigd zijn, zoals ziekenhuizen die verarmd uranium gebruiken.

Nucleaire installatie

Wanneer in dit wetsvoorstel een installatie en een locatie buiten installatie gezamenlijk worden aangeduid, heet dat voor de toepassing van dit wetsvoorstel een ‘nucleaire installatie’.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de term 'installatie' ook breder wordt gebruikt, zoals in artikel 18, onderdeel b, van het AP, dat verwijst naar installaties voor de levering of het gebruik of essentiële diensten, waaronder ruimten waar veilig met radioactief materiaal kan worden gewerkt voor de verwerking van bestraalde materialen die geen nucleair materiaal bevatten; installaties voor de behandeling, opslag en verwijdering of het wassen van nucleair materiaal; en gebouwen die verband houden met specifieke activiteiten die door een staat zijn geïdentificeerd onder artikel 2, onderdeel a, onder iv, van het AP.

Private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteit over de splijtstofkringloop

Onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop zijn privaat wanneer zij niet door de Nederlandse overheid19 worden gefinancierd of in opdracht van de Nederlandse overheid worden uitgevoerd. Het onderscheid tussen private en publieke onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop wordt in dit wetsvoorstel gemaakt omdat alleen voor de private onderzoeks- ontwikkelingsactiviteiten een aangifteplicht wordt ingesteld in dit wetsvoorstel (zie ook de toelichting op artikel 10, vijfde lid).

De in dit wetsvoorstel bedoelde onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten zijn gericht op de conversie van nucleair materiaal, de verrijking van nucleair materiaal, de fabricage van splijtstof, reactoren, kritieke nucleaire installaties, de opwerking van splijtstof en de verwerking (met uitzondering van het opnieuw verpakken of conditioneren zonder de elementen te scheiden, voor opslag of opberging) van middelactief of hoogactief afval dat plutonium, hoogverrijkt uranium of uranium-233 bevat.

Uitgezonderd zijn theoretisch of fundamenteel wetenschappelijk onderzoek over de splijtstofkringloop en onderzoek en ontwikkeling van industriële toepassingen van radio-isotopen, medische, hydrologische en agrarische toepassingen, gevolgen voor de gezondheid en het milieu, of beter onderhoud. Deze uitzonderingen vloeien voort uit de nucleaire waarborgverdragen.

Artikel 2 Toepassingsbereik en doelstelling

Het wetsvoorstel geldt voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De uitvoeringswetgeving voor de nucleaire waarborgverdragen die nodig is voor uitvoering van de afspraken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, wordt door deze landen zelf vastgesteld20. Het wetsvoorstel is van toepassing op nucleair materiaal en ertsen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba om het vreedzaam gebruik hiervan te verifiëren in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen.

Artikel 3 Uitgesloten van toepassingsbereik

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 32, 34, 35, 36 en 37 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt dat het wetsvoorstel niet van toepassing is op het in de onderdelen a tot en met c beschreven nucleair materiaal. Doordat op dit nucleair materiaal geen toezicht gehouden hoeft te worden, wordt een onevenredige inspectielast voor de bevoegde autoriteit en het IAEA voorkomen zonder daarbij afbreuk te doen aan het gewenste niveau van de verificatie op grond van de nucleaire waarborgverdragen.

Onderdeel a

De eerste categorie nucleair materiaal waarop deze wet niet van toepassing is, is nucleair materiaal waarvan het IAEA heeft vastgesteld dat dit nucleair materiaal zodanig verbruikt of verdund is dat het niet langer bruikbaar is voor nucleaire activiteiten die relevant zijn vanuit het oogpunt van verificatie, of praktisch niet meer terug te winnen is. Met deze bepaling wordt de eerste zin van artikel 34, onderdeel a, van de AWO geïmplementeerd, welke in samenhang moet worden gelezen met artikel 11 van de AWO.

Onderdeel b

De tweede categorie nucleair materiaal waarop deze wet niet van toepassing is, is nucleair materiaal waarvan na de aangifte, bedoeld in artikel 10, tweede lid, het IAEA in overeenstemming met de Autoriteit heeft vastgesteld dat dit nucleair materiaal praktisch niet meer terug te winnen is. Met deze bepaling wordt artikel 34, onderdeel b, van de AWO geïmplementeerd. Het gaat hierbij om nucleair materiaal dat wordt gebruikt in non-nucleaire activiteiten, zoals het produceren van keramiek, een legering (zoals staalproductie) of verduisterd glas. Het uitgangspunt is dat de waarborgen van toepassing zijn op dit nucleair materiaal en dat daarvan dus aangifte moet worden gedaan. Op basis van de informatie in de aangifte kan de Autoriteit beoordelen of deze wet van toepassing moet blijven op dit nucleair materiaal, waarmee de aangifteplicht en de plicht tot het bijhouden van een administratie voor deze houder van dit nucleair materiaal blijven bestaan, of dat het nucleair materiaal praktisch niet meer terug te winnen is en de wet daarom niet meer van toepassing hoeft te zijn op dit nucleair materiaal. Als dat laatste het geval is, zal de Autoriteit deze vaststelling in overeenstemming met het IAEA kenbaar maken aan de houder van dit nucleair materiaal.

Onderdeel c

Tot slot bieden de artikelen 35 en 36 van de AWO beide een mogelijkheid om bepaald nucleair materiaal uit te sluiten van het toepassingsbereik van deze wet. In beide gevallen moet de Autoriteit een verzoek voor een vrijstelling indienen bij het IAEA. Hiertoe kan een houder van dit nucleair materiaal en verzoek indienen bij de Autoriteit wanneer hij aangifte doet van nucleair materiaal.

Op grond van artikel 35 van de AWO kan het IAEA het volgende nucleair materiaal uitsluiten van het toepassingsbereik van deze wet:

  • bijzondere splijtstof, als dat wordt gebruikt als detectiecomponent in instrumenten in de hoeveelheid van een gram of minder;

  • nucleair materiaal dat wordt gebruikt in non-nucleaire activiteiten en weliswaar terug te winnen is, maar wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 10, tweede lid;

  • plutonium met een isotopenconcentratie van meer dan 80% plutonium-238.

Voorts kan het IAEA op grond van artikel 36 van de AWO bepaald nucleair materiaal uitsluiten van het toepassingsbereik van deze wet, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid van het nucleair materiaal dat is uitgesloten van het toepassingsbereik van de wet nooit de volgende waarden overschrijdt:

  • een kilogram bijzondere splijtstof, die mag bestaan uit een of meer van de volgende:

    • plutonium;

    • uranium met een verrijkingsgraad van 0.2 (20%) en meer, berekend door het gewicht te vermenigvuldigen met de verrijkingsgraad;

    • uranium met een verrijkingsgraad van minder dan 0.2 (20%) en hoger dan die van natuurlijk uranium, berekend door het gewicht te vermenigvuldigen met vijfmaal het kwadraat van de verrijkingsgraad;

  • tien metrische tonnen in totaal van natuurlijk uranium en verarmd uranium met een verrijkingsgraad van meer dan 0.005 (0.5%);

  • twintig metrische tonnen van verarmd uranium met een verrijkingsgraad van minder dan 0.005 (0.5%);

  • twintig metrische tonnen van thorium;

  • of meer dan bovenstaande waarden, wanneer deze door de Raad van Bestuur van het IAEA zijn gespecificeerd voor uniforme toepassing.

Tweede lid

Als niet aan de voorwaarden van artikel 11 van de AWO is voldaan en het IAEA dat nucleair materiaal niet kan uitsluiten van het toepassingsbereik van de nucleaire waarborgverdragen, maar de Autoriteit oordeelt dat het terugwinnen van dat nucleair materiaal niet haalbaar of wenselijk is, komt de Autoriteit aparte waarborgen voor dat nucleair materiaal overeen met het IAEA. Deze aparte waarborgen houden tenminste in dat de aangifteplicht uit artikel 11, derde lid, van toepassing is op de houder van dat nucleair materiaal, omdat van dit nucleair materiaal aangifte moet worden gedaan voordat het nucleair materiaal verder wordt verwerkt door de houder van dit nucleair materiaal (zie hiertoe ook de toelichting op artikel 11, derde lid). Daarnaast kunnen deze aparte waarborgen bijvoorbeeld zien op het regelen van cameratoezicht op dit nucleair materiaal wanneer het gaat om opgeslagen nucleair afval21. Het IAEA heeft aangegeven dat deze bepaling in de nucleaire waarborgverdragen dient om opgeslagen nucleair afval te kunnen reguleren. Op het moment van schrijven van deze toelichting zijn er geen nucleaire afvalwerkingsinstallaties in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; deze bepaling is slechts uit het oogpunt van volledigheid en toekomstbestendigheid in het wetsvoorstel opgenomen.

Derde lid

In navolging van artikel 37 van de AWO geldt de vrijstelling op basis van de artikelen 35 en 36 van de AWO (verleend op grond van het eerste lid, onder c) niet langer wanneer het vrijgestelde nucleair materiaal wordt verwerkt met of opgeslagen bij nucleair materiaal waarvoor geen vrijstelling is verleend. Hierdoor wordt het wetsvoorstel dus (weer) op dat nucleair materiaal van toepassing is en daarmee ook het toezicht.

Vierde lid

Ter implementatie van artikel 32 van de AWO is het wetsvoorstel niet van toepassing op materiaal uit mijnbouw en op ertsverwerkingsactiviteiten.

Ondanks dat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen mijnbouw plaatsvindt, is volledigheidshalve opgenomen dat het wetsvoorstel niet van toepassing is op materiaal uit mijnbouw. Op grond van artikel 2, onderdeel a, onder v, van het AP is het Koninkrijk der Nederlanden verplicht om informatie aan het IAEA te verstrekken over uraniummijnen en uranium- en thoriumconcentratie-installaties. Aan het IAEA wordt doorgegeven dat in de openbare lichamen geen uraniummijnen en uranium- en thoriumconcentratie-installaties zijn, waarmee aan deze verplichting uit het Aanvullend Protocol is voldaan.

Voor ertsen geldt dat de wet wel van toepassing is op de import en export van ertsen (zie artikel 10, vierde lid), maar niet van toepassing is op de verdere verwerkingsactiviteiten van die ertsen.

Vijfde lid

Ook defensiegerelateerde nucleaire toepassingen vallen onder het toepassingsbereik van de nucleaire waarborgverdragen. Vanwege het (potentiële) operationele belang van de Nederlandse krijgsmacht bij deze toepassingen is echter in Europees Nederland ervoor gekozen om het toezicht op deze toepassingen anders in te regelen dan het toezicht op niet-defensiegerelateerde nucleaire toepassingen. De Nederlandse krijgsmacht draagt onder de Kernenergiewet en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet zelf zorg voor de nakoming van zijn verplichtingen uit internationale verdragen. Bij deze praktijk wordt in dit wetsvoorstel zoveel mogelijk aangesloten door nucleair materiaal en ertsen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in gebruik zijn of bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of een bondgenootschappelijke mogendheid uit te zonderen van het toepassingsbereik van de wet. Ook in dit deel van het Koninkrijk draagt de Nederlandse krijgsmacht daarmee zelf zorg voor de nakoming van de verplichtingen uit de nucleaire waarborgverdragen.

Hoofdstuk 2 Bevoegde autoriteit

Artikel 4 Aanwijzing

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst.

In dit artikel wordt de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming aangewezen als bevoegde autoriteit ter uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen. Deze keuze wordt in paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de toelichting toegelicht.

Artikel 5 Algemene taken

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 68 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Voor de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen zijn de volgende taken toegekend aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (hierna: ANVS).

Onderdeel a

De eerste taak betreft de uitvoering van de taken die haar bij of krachtens de uitvoeringswet zijn toegekend, waaronder de taken die in de artikelen 6 tot en met 9 zijn genoemd (zie voor een toelichting op deze taken de toelichting op die artikelen hieronder).

Onderdeel b

Daarnaast wordt de ANVS belast met het toezicht op de naleving en de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Specifiek wordt hiermee gedoeld op het toezicht op de naleving van de aangifteplicht die rust op houders van nucleair materiaal en ertsen (zie ook hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting).

Onderdeel c

De ANVS wordt verplicht samen te werken met het IAEA voor de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Onder deze samenwerkingsplicht valt voornamelijk het uitwisselen van informatie die relevant is voor verificatie.

Onderdeel d

Ook zal de ANVS samenwerken met de Minister van Buitenlandse Zaken door het uitwisselen en delen van informatie zoals de informatie verkregen uit de aangiftes van houders van nucleair materiaal die gebruikt wordt voor de periodieke en bijzondere rapportages bestemd voor het IAEA. Ter uitvoering van artikel 68 van de AWO valt hieronder ook het aanvullen of verduidelijken van informatie in deze rapportages, voor zover deze aanvullingen of verduidelijkingen relevant zijn voor de verificatie.

Onderdeel d

Tot slot zal de ANVS samenwerken met de bevoegde autoriteiten van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten inzake de uitvoering van de nucleaire waarborgverdragen. Het gaat hierbij onder meer om het uitwisselen van informatie die relevant is voor verificatie, zodat vanuit de Caribische delen van het Koninkrijk gecoördineerd input geleverd kan worden voor de periodieke en bijzondere rapportages aan het IAEA. Het IAEA heeft aangegeven het liefst een geconsolideerde rapportage van het gehele Caribische deel van het Koninkrijk te willen ontvangen. Dit correspondeert met de internationaalrechtelijke eenheid van het Koninkrijk als staat. De verdeling binnen het Koninkrijk in autonome landen en openbare lichamen en als gevolg daarvan viervoudige autonome uitvoeringswetgeving is een interne aangelegenheid van het Koninkrijk, grotendeels zonder externe werking, waardoor onderlinge afstemming en samenwerking tussen de relevante bevoegde autoriteiten binnen het Koninkrijk van belang is.

Artikel 6 Toestaan vervulling taak inspecteurs Internationaal Atoomenergieagentschap

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 9, onder a, 70, 72 tot en met 76, en 84 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en de artikelen 4, 5, 6, 9 en 11 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Eerste lid

De artikelen 9 en 84 van de AWO en artikel 11 van het AP schrijven voor dat het Koninkrijk der Nederlanden moet instemmen met de aanwijzing van inspecteurs van het IAEA, en geven procedurele regels voor de wijze waarop die instemming verzocht wordt door het IAEA en geaccepteerd of geweigerd kan worden door het Koninkrijk der Nederlanden. Deze procedurele regels hoeven niet te worden geïmplementeerd omdat deze zien op feitelijk handelen tussen het IAEA en het Koninkrijk der Nederlanden, zoals de procedure die zal worden gevolgd wanneer het Koninkrijk der Nederlanden niet instemt met de aanwijzing van een inspecteur van het IAEA.

De bevoegdheid tot instemming met de aanwijzing van inspecteurs van het IAEA wordt bij de Autoriteit belegd. Als de Autoriteit tot een aanwijzingsbesluit komt, wordt het inspecteurs van het IAEA daarmee toegestaan om hun taken te vervullen. De taken van inspecteurs van het IAEA volgen uit de artikelen 70 en 72 tot en met 76 van de AWO en de artikelen 4, 5, 6, 9 en 11 van het AP en zien op eventuele inspecties die worden uitgevoerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zoals ook toegelicht in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting.

Tweede lid

In overeenstemming met artikel 5, onderdeel f, van de Bekendmakingswet vindt publicatie van een besluit tot toelating van inspecteurs van het IAEA als bedoeld in het eerste lid plaats in de Staatscourant.

Artikel 7 Register

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 8, onder a, en 12, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In deze artikelen wordt voorgeschreven dat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verificatiesysteem moet worden ingericht op grond waarvan het Koninkrijk der Nederlanden aan het IAEA informatie kan verstrekken die nodig is om het vreedzaam gebruik van het nucleair materiaal en deze ertsen in de openbare lichamen te verifiëren in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen.

Eerste lid

Om aan bovenstaande verplichting te kunnen voldoen, is het nodig om te beschikken over de informatie die het IAEA nodig heeft. Hiertoe wordt voorgesteld een register op te richten waarin gegevens kunnen worden ingeschreven van de aangiftes die worden gedaan door houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten op grond van de artikelen 10 en 11 van dit wetsvoorstel.

Tweede lid

Het beheer van het register wordt belegd bij de ANVS, zodat de ANVS jaarlijks en in voorkomende tussentijdse gevallen tijdig de informatie uit het register die het IAEA nodig heeft, aan het IAEA kan verstrekken.

Derde lid

Voor een effectieve taakuitoefening is van belang dat het register zo wordt ingericht, dat daaruit op eenvoudige wijze kan worden afgeleid hoeveel en waar nucleair materiaal en ertsen waarover aangifte is gedaan voorhanden wordt gehouden of wordt gebruikt op het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, welk nucleair materiaal en welke ertsen waarover aangifte is gedaan binnen of buiten het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden gebracht en welke private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop worden verricht in de openbare lichamen.

Vierde lid

In dit lid is een grondslag gecreëerd voor de ANVS om bij verordening nadere regels te stellen over de inrichting van het register. In hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting wordt deze bevoegdheid toegelicht.

Artikel 8 Verstrekken van inlichtingen uit register

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 8, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en artikel 2 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Zoals eerder genoemd, wordt in artikel 7, onder a, van de AWO voorgeschreven dat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verificatiesysteem moet worden ingericht op grond waarvan het Koninkrijk der Nederlanden aan het IAEA informatie kan verstrekken die nodig is om het vreedzaam gebruik van het nucleair materiaal en deze ertsen in de openbare lichamen te verifiëren in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen. In artikel 2 van het AP wordt vervolgens gespecificeerd welke informatie aan het IAEA verstrekt moet worden.

Eerste lid

Omdat de gegevens in het register zijn bedoeld voor de verificatie door het IAEA, kan de ANVS op grond van dit lid inlichtingen uit het register verstrekken aan inspecteurs of andere medewerkers van het IAEA wanneer zij daarom verzoeken voor het vervullen van hun taak.

Tweede lid

Dit lid bepaalt dat de ANVS ook aan Nederlandse bestuursorganen op hun verzoek de voor het vervullen van hun taak benodigde inlichtingen kan verstrekken. In beginsel wordt hiermee gedoeld op informatieverzoeken van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 9 Ontvangen van inlichtingen van bestuurscollege

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 8, onder a, en 67 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO) en artikel 2 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Zoals eerder genoemd, wordt in artikel 8, onder a, van de AWO voorgeschreven dat het Koninkrijk aan het IAEA informatie moet verstrekken die nodig is om het vreedzaam gebruik van het nucleair materiaal en deze ertsen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verifiëren in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen. In artikel 2 van het AP wordt vervolgens gespecificeerd welke informatie aan het IAEA verstrekt moet worden. Denkbaar is dat er voorvallen of omstandigheden zijn waarin de bevoegde autoriteit, om aan haar verplichting te kunnen voldoen, informatie nodig heeft van het bestuurscollege van (een van) de openbare lichamen. Om zeker te stellen dat de Autoriteit aan de benodigde informatie kan komen, regelt artikel 9 van dit wetsvoorstel dat aan informatieverzoeken van de Autoriteit bij het desbetreffende bestuurscollege van (een van) de openbare lichamen opvolging wordt gegeven en dat het bestuurscollege waar nodig ook uit eigen beweging informatie verstrekt aan de Autoriteit. De proactieve inlichtingenplicht geldt voor informatie die de bestuurscolleges op grond van bestaande taken al ter ore komt. Een voorbeeld van een situatie waarin een bestuurscollege proactief de Autoriteit informeert, is wanneer een bedrijf in het kader van een bouwproject een vergunning aanvraagt bij het bestuurscollege en daarbij aangeeft met nucleair materiaal te gaan werken en dat (al dan niet tijdelijk) in te zullen voeren. In dit geval kan het bestuurscollege de Autoriteit informeren dat de Autoriteit aan het einde van dat kwartaal een aangifte van dat bedrijf zou moeten ontvangen. Zie voor een nadere toelichting op de samenwerking tussen de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de Autoriteit ook hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Hoofdstuk 3 Verplichtingen houders van nucleair materiaal en ertsen en private onderzoekers of ontwikkelaars

Artikel 10 Aangifteplicht

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 8, onder a, 12, 13, 33 en 48 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO) en artikel 2 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP). Deze artikelen schrijven voor welke informatie bij het Internationaal Atoomenergieagentschap (hierna: IAEA) moet worden aangeleverd voor de verificatie in overeenstemming met de nucleaire waarborgverdragen. Om deze informatie aan te kunnen leveren, wordt voorgesteld een aangifteplicht te creëren voor houders van nucleair materiaal en ertsen. Dit artikel bepaalt in welke gevallen houders van nucleair materiaal en ertsen verplicht zijn om aangifte te doen.

Eerste lid

Met de uitdrukkingen ‘vervoeren’, ‘voorhanden hebben’, ‘gebruiken’, ‘binnen of buiten het grondgebied van de openbare lichamen te (doen) brengen’ en ‘onder zich hebben’ wordt in feite iedere handeling die met nucleair materiaal mogelijk is, onder de aangifteplicht gebracht22. Dit is passend bij de brede opzet van de artikelen 7, onder a, 12, 33 en 48 van de AWO en artikel 2 van het AP.

Bij de term ‘binnen of buiten het grondgebied van de openbare lichamen doen brengen’ wordt bijvoorbeeld gedacht aan de exploitant van een nucleaire installatie, in wiens opdracht nucleair materiaal binnen of buiten het grondgebied van de openbare lichamen worden gebracht; de feitelijke handeling wordt in dit geval niet door de exploitant zelf verricht.

Tweede lid

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat hoewel nucleair materiaal dat wordt gebruikt in non-nucleaire activiteiten onder de brede opzet van de aangifteplicht uit het eerste lid valt (zoals onder de situatie omschreven in onderdeel c van het eerste lid), ervoor is gekozen om voor dit nucleair materiaal een specifieke bepaling te maken. Dit nucleair materiaal kan namelijk op basis van artikel 3, onderdeel b, van dit wetsvoorstel worden uitgesloten van het toepassingsbereik van deze wet nadat hiervan aangifte is gedaan. Dit kan wetstechnisch duidelijker worden gemaakt wanneer hiervoor een specifieke bepaling in de wet is opgenomen, dan wanneer verwezen moet worden naar een algemene bepaling die vervolgens verbijzonderd moet worden. Het gaat hierbij om nucleair materiaal dat wordt gebruikt in non-nucleaire activiteiten, zoals het produceren van keramiek, een legering (zoals staalproductie) of verduisterd glas.

Derde lid

Deze aangifteplicht volgt niet expliciet uit de AWO of het AP, maar is voor aangiftes van nucleair materiaal bedoeld als vangnetbepaling om er zeker van te zijn dat al het nucleair materiaal waarvan informatie moet worden aangeleverd bij het IAEA ook daadwerkelijk bekend is bij de Autoriteit.

Vierde lid

Deze aangifteplicht is ter uitvoering van artikel 33 van de AWO en geldt alleen voor (i) het binnen het grondgebied van de openbare lichamen brengen of doen brengen van ertsen of (ii) het buiten het grondgebied van de openbare lichamen brengen of doen brengen van ertsen naar een niet-kernwapenstaat. Voor export van ertsen naar een kernwapenstaat23 geldt een ander regime dan de nucleaire waarborgverdragen, dus die export valt buiten de reikwijdte van deze aangifteplicht. De aangifteplicht geldt niet in geval ertsen naar een niet-kernwapenstaat worden uitgevoerd voor specifiek non-nucleaire activiteiten, of wanneer ertsen worden ingevoerd voor specifiek non-nucleaire activiteiten. Een voorbeeld van non-nucleair gebruik van ertsen is bijvoorbeeld het gebruik van ertsen in de keramische sector.

Vijfde lid

Deze aangifteplicht is ter uitvoering van artikel 2, onderdeel b, onder I, van het AP en geldt voor iedere (rechts)persoon die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verricht in de openbare lichamen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat op grond van het AP ook informatie bij het IAEA moet worden aangeleverd over publieke onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop in de openbare lichamen (artikel 2, onderdeel a, onder I, van het AP). Door het publieke karakter van deze activiteiten zijn degenen die dergelijke activiteiten verrichten echter niet aangifteplichtig, omdat de Nederlandse overheid door haar rol als financierder of opdrachtgever al bekend is met deze activiteiten en informatie daarover dus kan aanleveren bij het IAEA. Door informatie bij het IAEA aan te leveren over alle (publieke en private) onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop die worden verricht in de openbare lichamen (naast de activiteiten die worden verricht in het Europese deel van Nederland), houdt het IAEA zicht op het nucleaire onderzoeksprogramma in Nederland.

Artikel 11 Inhoud en wijze aangifte

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 8, onder a, en 34, onder a, tweede volzin, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en de artikelen 2 en 3 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Eerste lid

Voor de verificatie van nucleair materiaal en ertsen is het van belang om het IAEA te voorzien van informatie over de hoeveelheid en de scheikundige samenstelling van het nucleair materiaal of de ertsen, de geografische locatie waar het nucleair materiaal voorhanden wordt gehouden, de doeleinden voor het gebruik of verwerken van het nucleair materiaal of de ertsen (daaronder begrepen de voorgenomen bestemming in geval van export), en de omstandigheden van het gebruik van het nucleair materiaal. Met deze formulering in de wet, waarin nadere uitwerking wordt gegeven in de verordening van de Autoriteit, is beoogd om aan het wetsvoorstel een zo bestendig mogelijk karakter te geven. Gelet op de mate van detail van informatie die moet worden aangeleverd op grond van artikel 2 van het AP, wordt voorgesteld om alleen de hoofdelementen van de aan te leveren informatie op te nemen in de wet en de nadere invulling daarvan vast te stellen bij verordening van de Autoriteit.

De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ in de aanhef maakt duidelijk dat niet alle voorgeschreven elementen in de onderdelen a tot en met e voor elke aangifte vereist zullen zijn. Dit geldt in het bijzonder voor aangiftes over private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop, waarvoor alleen de informatie uit onderdeel e vereist zal zijn.

Tweede lid

De artikelen 61 van de AWO en 3 van het AP bepalen wanneer informatie moet worden aangeleverd bij het IAEA. Van de informatie waarvan de Autoriteit afhankelijk is van aangiftes van houders van nucleair materiaal en ertsen of degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten verrichten, geldt hetzelfde aanlevermoment voor alle aangifteplichten24 (met uitzondering van de aangifteplicht voor de voorgenomen export van nucleair materiaal). In deze gevallen moet de informatie binnen 30 dagen na gelding van artikel 61 van de AWO25 en binnen 180 dagen na inwerkingtreding van het AP worden aangeleverd bij het IAEA, wat betekent dat de informatie binnen 21 dagen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel door de houder van het nucleair materiaal of de ertsen moet worden aangeleverd bij de Autoriteit zodat de Autoriteit alle aangiftes op juistheid kan controleren en de informatie kan rapporteren aan het IAEA. Om de tijdigheid hiervan te garanderen zal met de uitvraag van deze informatie al vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden gestart (net zoals in de zomer van 2025 al een inventarisatiemissie heeft plaatsgevonden). Vervolgens moet deze informatie jaarlijks vóór 15 mei worden bijgewerkt bij het IAEA, wat betekent dat de informatie over het voorafgaande kalender jaarlijks uiterlijk 12 maart door de houder van het nucleair materiaal of de ertsen moet worden aangeleverd bij de Autoriteit. De tussenliggende tijd is nodig voor de Autoriteit om de informatie te verwerken en op juistheid te controleren.

Een ander aanlevermoment geldt voor de voorgenomen export van nucleair materiaal (aangifteplichtig op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel d). Op grond van artikel 3, onderdeel d, van het AP moet deze informatie binnen 60 dagen na het eind van elk kwartaal worden aangeleverd bij het IAEA, wat betekent dat de informatie uiterlijk aan het eind van het kwartaal waarin de (voorgenomen) export plaatsvindt moet worden aangeleverd bij de Autoriteit.

Visueel kunnen de verschillende aanlevermomenten als volgt worden weergegeven:

Derde lid

Voor nucleair materiaal waarvoor op grond van artikel 3, tweede lid, van dit wetsvoorstel aparte waarborgen worden afgesproken, geldt dat die aparte waarborgen tenminste inhouden dat de in dit lid bedoelde aangifteplicht van toepassing is op de houder van dat nucleair materiaal. Op grond van artikel 3, onderdeel e, van het AP moet namelijk over dit nucleair materiaal jaarlijks informatie worden aangeleverd bij het IAEA. Deze informatie moet worden aangeleverd 180 dagen voordat het nucleair materiaal verder wordt verwerkt26, wat betekent dat de informatie 120 dagen voor de verdere verwerking van het nucleair materiaal moet worden aangeleverd bij de Autoriteit. Vervolgens moet informatie over (eventuele) veranderingen in de locatie in het afgelopen kalenderjaar jaarlijks vóór 15 mei worden geactualiseerd bij het IAEA, wat betekent dat de informatie jaarlijks uiterlijk 12 maart door de houder van het nucleair materiaal moet worden aangeleverd bij de Autoriteit.

Vierde lid

In dit lid is een grondslag gecreëerd voor de ANVS om bij verordening nadere regels te stellen over inhoud van de aangiftes en de wijze waarop de aangiftes geschieden. In hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting wordt deze bevoegdheid toegelicht.

Artikel 12 Administratie

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 8, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Eerste lid

In de nucleaire waarborgverdragen wordt niet expliciet voorgeschreven dat houders van nucleair materiaal en ertsen of degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten een administratie moeten bijhouden over dat nucleair materiaal en die ertsen of de verrichte activiteiten, maar voor een goede werking van het verificatiesysteem dat op grond van artikel 7, onder a, van de AWO moet worden ingesteld, wordt voor houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten een plicht ingevoerd om hierover een administratie bij te houden die hen in staat stelt om altijd een aangifte te kunnen doen en de juistheid van een door hen gedane aangifte aan te kunnen tonen wanneer de Autoriteit een aangifte wil controleren.

Tweede lid

In navolging van de bewaartermijn die in het Europese deel van Nederland geldt voor de administratie over bijzondere splijtstof en ertsen waarvan aangifte moet worden gedaan27, wordt voorgesteld ook een bewaartermijn van 5 jaar te hanteren voor de administratie over aangifteplichtig nucleair materiaal en ertsen of private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze bewaartermijn biedt een evenwicht tussen een goede werking van het verificatiesysteem op grond van de nucleaire waarborgverdragen en het beperken van de administratieve lasten voor houders van nucleair materiaal en ertsen.

Hoofdstuk 4 Toezicht, handhaving en strafbepalingen

Artikel 13 Aanwijzing toezichthouder

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In dit artikel worden de bij besluit van de Autoriteit aangewezen ambtenaren aangewezen als toezichthouder. Deze ambtenaren van de Autoriteit gaan toezicht houden op de naleving van bij of krachtens deze wet gestelde regels. Het gaat hierbij om toezicht op de naleving van de verplichtingen van houders van nucleair materiaal en ertsen en degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten om aangifte te doen en een juiste administratie bij te houden zoals voorgeschreven in de artikelen 10 tot en met 12 van deze wet, alsook om toezicht op de naleving van eventuele nadere verplichtingen die zijn vastgelegd in de door de Autoriteit op te stellen verordening over de inhoud van de aangifte en de wijze waarop de aangifte geschiedt.

Artikelen 14 tot en met 21 Toezichtsbevoegdheden

In de artikelen 14 tot en met 20 zijn de toezichtsbevoegdheden voor de ambtenaren van de Autoriteit vastgelegd. Deze toezichtbevoegdheden zijn toegekend aan de ambtenaren van de Autoriteit zodat zij – als dat nodig is – de juiste inhoud en wijze van aangifte van houders van nucleair materiaal en ertsen of degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten kunnen verzekeren, bijvoorbeeld door informatie bij deze houders of onderzoekers op te vragen of door documenten in te zien die de juistheid van de aangifte aan kan tonen.

De aan de ambtenaren van de Autoriteit toegekende toezichtsbevoegdheden corresponderen met de toezichtsbevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Awb is niet van toepassing op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius, maar de toezichtsbevoegdheden worden in dit wetsvoorstel wel overgenomen uit de Awb en (voor zover relevant) op dezelfde manier uitgelegd als de bevoegdheden uit de Awb.28 Daarbij is er voor de zelfstandige leesbaarheid van het wetsvoorstel voor gekozen om de artikelen uit de Awb integraal over te nemen in dit wetsvoorstel, waar nodig aangepast aan de toepassing van dit wetsvoorstel in de praktijk.

Artikel 14 Legitimatiebewijs

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). Dit artikel correspondeert met artikel 5:12 van de Awb. Aangezien de toezichthouder bevoegdheden heeft zoals het betreden van een nucleaire installatie, moet het voor de houders van nucleair materiaal en ertsen of degenen die private onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten over de splijtstofkringloop verrichten direct duidelijk zijn dat de toezichthouder zegt wie hij is en dat ook kan bewijzen. Het legitimatiebewijs van de toezichthouder voldoet aan de bij en krachtens artikel 5:12, derde lid, van de Awb gestelde regels. Hiermee wordt gedoeld op de eisen uit de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb, die op grond van voornoemd artikel uit de Awb is vastgesteld.

Artikel 15 Evenredige uitoefening bevoegdheden

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). Met dit artikel is artikel 5:13 van de Awb overgenomen door het evenredigheidsbeginsel vast te leggen voor toezichtshandelingen. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de toezichthouder zijn bevoegdheden slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Dit betekent dat de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de houder van nucleair materiaal en ertsen minst belastende wijze moet uitoefenen.

Artikel 16 Betreden van nucleaire installatie

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 70, 72, 75 en 76 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en de artikelen 4, 5, 7 en 8 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Eerste lid

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:15 van de Awb, maar dan toegespitst op toegang tot nucleaire installaties en elke andere plaats die relevant is voor verificatie. Met een inspectie ter plekke kan bijvoorbeeld de juistheid van een aangifte worden gecontroleerd. Bij andere plaatsen dan een nucleaire installatie die relevant kunnen zijn voor verificatie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan plaatsen waar nucleair materiaal of ertsen in de bodem zijn vastgesteld wanneer daar aangifte van is gedaan in overeenstemming met artikel 10, eerste lid, onderdeel f, en die niet kwalificeren als ‘locatie buiten installatie’.

Mocht dat nodig zijn voor het onderzoeken van zaken of het nemen van monsters, is zeker gesteld dat daarvoor benodigde apparatuur meegenomen mag worden.

Tweede lid

Als een dergelijke andere plaats die relevant is voor verificatie een woning betreft, wat niet uit te sluiten is omdat in het Europese deel van Nederland binnentreden van een woning is voorgekomen bij bijvoorbeeld verzamelaars van (vliegtuig)meetinstrumenten, is een toezichthouder bevoegd om met medeneming van de benodigde apparatuur deze plaats te betreden. Dat dit alleen mag wanneer dat relevant is voor verificatie volgt uit het evenredigheidsbeginsel van artikel 15. Gelet op het belang dat met verificatie is gemoeid, is de toezichthouder hier ook toe bevoegd wanneer de bewoner geen toestemming geeft voor het binnentreden. In dat geval zijn wel de artikelen 155 tot en met 163 van het Wetboek van Strafvordering BES van toepassing. Op grond van deze artikelen is, kort gezegd, een bijzondere schriftelijke machtiging vereist voor de uitoefening van deze bevoegdheid.

Derde lid

In navolging van artikel 5:15, tweede lid, van de Awb, is in dit tweede lid bepaald dat de toezichthouder zich zo nodig toegang kan verschaffen “met behulp van de sterke arm”. Het gaat hier om assistentie door de politie.

Vierde lid

Het derde lid voorziet, net als het derde lid van artikel 5:15, van de Awb, in de mogelijkheid dat de toezichthouder zich bij het betreden van nucleaire installaties door anderen laat vergezellen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (technisch) deskundigen van de openbare lichamen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat inspecteurs van het IAEA ook de bevoegdheid hebben om nucleaire installaties te betreden, mits zij daarbij worden vergezeld door een toezichthouder van de Autoriteit (artikel 25, eerste lid).

Artikel 17 Vorderen van inlichtingen

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 73 en 74 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In dit artikel is artikel 5:16 van de Awb overgenomen, dat een toezichthouder de bevoegdheid geeft om bij iedereen inlichtingen te vorderen die nodig zijn voor de vervulling van zijn taak.

Artikel 18 Vorderen van identiteitsbewijs

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In dit artikel is artikel 5:16a van de Awb overgenomen, dat een toezichthouder de bevoegdheid geeft om bij iedereen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs.

Artikel 19 Inzage van gegevens en bescheiden

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 73 en 74 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en artikel 6 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP). In dit artikel is artikel 5:17 van de Awb overgenomen.

Eerste lid

Aan de algemene formulering “zakelijke gegevens en bescheiden” moet een ruime interpretatie worden gegeven. De term omvat niet alleen boeken en andere documenten, maar ook gegevens die langs elektronische weg zijn vastgelegd. Voor de toepassing van deze wet omvat deze formulering in ieder geval alles waaruit de administratie blijkt die een houder van nucleair materiaal of ertsen op grond van dit wetsvoorstel verplicht is om bij te houden.

Tweede lid

Dit lid biedt de mogelijkheid tot het maken van kopieën.

Derde lid

Het in artikel 15 vastgelegde evenredigheidsbeginsel brengt met zich mee dat de korte termijn om gegevens en bescheiden mee te nemen met het oog op het maken van kopieën daarvan, zo kort mogelijk moet zijn.

Artikel 20 Onderzoek, opneming en monsterneming van zaken

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 73 en 74 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO), en de artikelen 6 en 9 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP). In dit artikel is artikel 5:18 van de Awb overgenomen.

Eerste, tweede en derde lid

Het eerste lid verschaft aan toezichthouders de bevoegdheid tot onderzoek, opnemen29 en monsterneming van zaken. Ook geeft het tweede lid de bevoegdheid om met het oog daarop verpakkingen te openen. Zo nodig mogen de zaken voor korte tijd worden meegenomen voor onderzoek elders. In het artikel zelf zijn geen beperkingen aangebracht van de zaken die kunnen worden onderzocht of van de gevallen waarin dit kan, maar het in artikel 15 vastgelegde evenredigheidsbeginsel brengt met zich mee dat de bevoegdheid niet voor iedere willekeurige zaak kan worden toegepast.

Vierde lid

Teruggave van een monster is vanzelfsprekend alleen aan de orde indien dit technisch mogelijk is. Daarnaast dient gezien de fysieke afstand tussen plaats van monsterneming en onderzoek in een door het IAEA erkend laboratorium per geval te worden bepaald of teruggave uit kostenoverwegingen redelijk en doelmatig is. Hierbij weegt ook de bezwaarlijkheid van niet-teruggave voor de houder mee.

De teruggave van andere zaken dan monsters, voor zover mogelijk, moet geschieden zonder dat de betrokkene daarom uitdrukkelijk behoeft te vragen.

Artikel 21 Vervoermiddelen onderzoeken

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In dit artikel is artikel 5:19 van de Awb opgenomen.

Eerste en tweede lid

Het eerste respectievelijk tweede lid bevatten de be­voegd­heid tot onderzoek van vervoermiddelen respectievelijk de lading daarvan. Als zodanig gaat het om een specifieke bevoegdheid ten opzichte van de in artikel 20 vermelde bevoegdheid tot het onderzoeken van zaken. Een specifieke regeling is noodzakelijk, omdat deze relatief vergaande be­voegd­heid met meer uitdrukkelijke waarborgen dient te worden omkleed. Uitdrukke­lijk is bepaald dat slechts vervoer­middelen met betrekking waartoe de toe­zichthouder een toezichthoudende taak heeft object van onderzoek kunnen zijn. De lading mag slechts worden onderzocht als met het vervoermiddel naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe de toezichthouder een toezichthoudende taak heeft. Op deze wijze is een expliciete uitwerking gegeven aan het in artikel 15 neergelegde evenre­digheidsbeginsel.

Derde lid

Als het toezicht op een andere wijze dan door stilhouding en/of over­brenging even doelmatig kan worden uitgeoefend, vloeit uit het beginsel van subsidiariteit, dat ook besloten ligt in artikel 15, voort dat de relatief vergaande be­voegdheden opgenomen in dit lid, niet worden uitgeoe­fend.

Vierde lid

Een vordering tot stilhouden voldoet aan de bij en krachtens artikel 5:19, vijfde lid, van de Awb gestelde regels. Hiermee wordt gedoeld op de eisen uit de Regeling stilhoudingsvordering toezichthouders, die op grond van voornoemd artikel uit de Awb is vastgesteld.

Artikel 22 Medewerkingsplicht

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO). In dit artikel is artikel 5:20 van de Awb opgenomen.

Eerste lid

De medewerkingsplicht maakt het mogelijk dat toezichthouders de hun toekomende bevoegdheden daadwerkelijk kunnen effectueren. Aan een verzoek tot medewerking moet op eerste vordering worden voldaan.

Tweede lid

Het verschoningsrecht ontheft in het bijzonder artsen, advocaten, notarissen en geestelijken van de medewerkingsplicht, voor zover het toezichtsbevoegdheden betreft die op houders van nucleair materiaal en ertsen betrekking hebben.

Derde lid

Dit lid geeft een bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom bij overtreding van de medewerkingsplicht. Deze bevoegdheid komt toe aan de Autoriteit, het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, en niet aan de toezichthouder zelf, om een zekere scheiding aan te brengen tussen de toezichthouders en degene die een herstelsanctie kunnen opleggen naar aanleiding van een jegens een toezichthouder gepleegde overtreding van de medewerkingsplicht.

De artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht waarin voorschriften worden gegeven over het opleggen van bestuursrechtelijke sancties (de artikelen 5:5 tot en met 5:10) en over de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en de last onder dwangsom (de artikelen 5:31d tot en met 5:34, 5:37 en 5:37), zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23 Handhaving aangifteplicht

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 8, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Eerste lid

Dit lid geeft een bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom bij overtreding van de aangifteplicht.

Tweede lid

De artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht waarin voorschriften worden gegeven over de bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom (de artikelen 5:5 tot en met 5:10, en de artikelen 5:31d tot en met 5:34, 5:37 en 5:38, van de Algemene wet bestuursrecht) zijn van overeenkomstige toepassing. Hierdoor is bijvoorbeeld het matigingsrecht uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, op grond waarvan verzoeken om kwijtschelding en verlaging van de dwangsom kunnen worden ingediend bij de ANVS.

Artikel 24 Strafbepaling bewaarplicht administratie

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, en 8, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Eerste lid

Bij de strafbepaling van de bewaarplicht van de administratie wordt voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de soortgelijke strafbaarstelling die in het Europese deel van Nederland geldt en volgt uit artikel 11 van het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen. Hoewel de strafmaat in deze bepaling niet gespecificeerd wordt, volgt uit het vijfde lid van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht dat ten hoogste een boete van de derde categorie opgelegd kan worden. Door gebruikmaking van het derde lid van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt de strafbaarstelling in dit lid gelijk getrokken aan die in het Europese deel van Nederland. De maximale boete bedraagt daarmee op het moment van schrijven van deze toelichting USD 5.600.

Tweede lid

Ongeacht of overtreding van de bewaarplicht van de administratie opzettelijk of niet-opzettelijk is begaan, geldt dit als een overtreding en niet als een misdrijf.

Artikel 25 Strafbepaling medewerkingsplicht

Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 7, onder a, van de Alomvattende Waarborgovereenkomst (hierna: AWO).

Eerste lid

Bij de strafbepaling van de medewerkingsplicht is aansluiting gezocht bij de soortgelijke strafbaarstelling die in het Europese deel van Nederland geldt en volgt uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. In deze bepaling wordt voorgeschreven dat een boete van ten hoogste de tweede categorie van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd. Door gebruikmaking van het derde lid van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt de strafbaarstelling in dit lid gelijk getrokken aan die in het Europese deel van Nederland. De maximale boete bedraagt daarmee op het moment van schrijven van deze toelichting USD 2.800.

Tweede lid

Ongeacht of overtreding van de medewerkingsplicht opzettelijk of niet-opzettelijk is begaan, geldt dit als een overtreding en niet als een misdrijf.

Hoofdstuk 5 Inspecties Internationaal Atoomenergieagentschap

Artikel 26 Doel inspecties

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 9, onder b en c, 70, en 72 tot en met 76 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst, en de artikelen 4 tot en met 9 van het Aanvullend Protocol. In deze artikelen wordt, kort gezegd, voorgeschreven dat het IAEA in voorkomende gevallen inspecties moet kunnen uitvoeren als dat relevant is uit het oogpunt van verificatie.

Artikel 27 Bevoegdheden inspecteurs Internationaal Atoomenergieagentschap

Dit artikel strekt tot implementatie van de artikelen 7, onder a, 9, onder b en c, 70, en 72 tot en met 76 van de Alomvattende Waarborgovereenkomst, en de artikelen 4 tot en met 9 van het Aanvullend Protocol (hierna: AP).

Eerste lid

Op grond van dit lid beschikken inspecteurs van het IAEA over de benodigde toezichtsbevoegdheden voor voorkomende inspecties. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden worden inspecteurs van het IAEA altijd vergezeld door een toezichthouder van de Autoriteit.

Tweede lid

Dit lid strekt tot implementatie van artikel 7 van het AP. Op grond van dit artikel kan toegang tot nucleaire installaties worden beperkt als daar een goede reden voor is. Dat kan gaan om het voorkomen van verspreiding van proliferatiegevoelige technologie (bijvoorbeeld de ultracentrifugetechnologie), veiligheid (bijvoorbeeld geen blootstelling aan onnodig hoge stralingsdoses), fysieke beveiliging (geen inzicht in beveiligingsmaatregelen) of bescherming van intellectueel eigendom (te rechtvaardigen commerciële belangen).

Op het moment van schrijven van deze toelichting zijn er geen nucleaire installaties in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba waarvoor een dergelijke aanvullende regeling bij de nucleaire waarborgverdragen moet worden overeengekomen met het IAEA, dus deze bepaling is slechts uit het oogpunt van volledigheid en toekomstbestendigheid in het wetsvoorstel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 28 Inwerkingtreding

Een toelichting op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is gegeven in hoofdstuk 9 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 29 Citeertitel

Met de voorgestelde citeertitel is gekozen voor een citeertitel die aansluit bij de doelstelling en inhoud van het wetsvoorstel.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

T.B.W. Berendsen


Bijlage: transponeringstabel

Deel A. Alomvattende Waarborgovereenkomst (Trb. 1973, 99), hierna: AWO)

Artikel, -lid of -onderdeel AWO Geïmplementeerd in Uitvoeringswet nucleaire waarborgverdragen BES Toelichting op implementatiewijze
Deel I
Artikelen 1 tot en met 6 Behoeven geen implementatie
Artikel 7 Artikelen 4, 5, 7, 8, 10 tot en met 27
Artikel 8 Artikelen 7, 8, 90, 10, 11, 12, 23 en 24
Artikel 9 Artikelen 6, 26 en 27
Artikel 10 Behoeft geen implementatie
Artikel 11 Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid De bepaling is verwerkt in de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheid van artikel 34 van de AWO om bepaald nucleair materiaal uit te sluiten van het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel
Artikel 12 Artikelen 7 en 10
Artikel 13 Artikel 10
Artikelen 14 tot en met 25 Behoeven geen implementatie

Deel II

Op grond van het PKH(+) zijn alleen bepaalde artikelen uit deel II van de AWO van toepassing, de overige bepalingen van deel II van de AWO zijn niet van toepassing en worden ook niet in deze transponeringstabel genoemd.

Artikel 32 Artikel 3, vierde lid
Artikel 33 Artikel 10
Artikel 34 Artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, artikel 12, derde lid
Artikelen 35 en 36 Artikel 3, eerste lid, onderdeel c
Artikel 37 Artikel 3, derde lid
Artikelen 38 tot en met 40 Behoeven geen implementatie
Artikel 48 Artikel 10
Artikel 49 Behoeft geen implementatie
Artikel 59 Behoeft geen implementatie
Artikel 61 Behoeft geen implementatie, maar zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 11
Artikel 67 Hoewel artikel 67 van de AWO niet is opgeschort onder het PKH+, is dit artikel niet in de uitvoeringswet geïmplementeerd omdat het IAEA heeft aangegeven geen aanvullende regeling bij de nucleaire waarborgverdragen overeen te komen met lidstaten waarmee een PKH+ tot stand is gebracht en artikel 67 van de AWO daarom materieel geen toepassing vindt. De in dat artikel voorgeschreven drempelwaarden zijn immers niet vastgesteld.
Artikel 68 Artikel 5, onderdelen c en d
Artikelen 70, 72, 75 en 76 Artikelen 16, 26 en 27
Artikelen 73 en 74 Artikelen 17 tot en met 21, 26 en 27
Artikel 82 Behoeft geen implementatie
Artikel 84 Behoeft geen implementatie
Artikel 85 Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet voor de vrijstelling van de plicht voor het inreisvisum Zie ook hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting
Artikelen 86 tot en met 89 Behoeven geen implementatie
Artikel 90 Behoeft geen implementatie
Artikelen 94 en 95 Behoeven geen implementatie
Artikel 98 Artikel 1

Deel B. Aanvullend Protocol (Trb. 2026, 20)

Artikel, -lid of -onderdeel AP Te implementeren in Uitvoeringswet nucleaire waarborgverdragen BES Toelichting op implementatiewijze
Artikel 1 Behoeft geen implementatie
Artikel 2 Artikelen 8, 9 , 10 en 11
Artikel 3 Artikel 11
Artikel 4

Artikelen 6, 16, 26 en 27

Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet

Artikel 5 Artikelen 6, 16, 26 en 27
Artikel 6 Artikelen 6, 18, 19, 26 en 27
Artikel 7 Artikelen 6, 16, 26 en 27, tweede lid
Artikel 8 Artikelen 6, 16, tweede lid, 26 en 27
Artikel 9 Artikelen 6, 26 en 27
Artikel 10 Behoeft geen implementatie
Artikel 11 Artikel 6
Artikel 12 Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet
Artikel 13 Behoeft geen implementatie
Artikel 14 Behoeft geen implementatie
Artikelen 15 tot en met 17 Behoeven geen implementatie
Artikel 18 Artikel 1

  1. In de zin van artikel 1 van het wetsvoorstel.↩︎

  2. Idem.↩︎

  3. Trb. 1968, 145.↩︎

  4. Trb. 1968, 126.↩︎

  5. Trb. 1973, 99↩︎

  6. Trb. 1999, 147.↩︎

  7. Trb. 2026, 20.↩︎

  8. Trb. 2026, 20.↩︎

  9. De artikelen 32 tot en met 38, 40, 48, 49, 59, 61, 68, 70, 72 tot en met 76, 82, 84 tot en met 90, 94 en 95. Hoewel artikel 67 van de AWO niet is opgeschort onder het PKH+, is dit artikel niet in de uitvoeringswet geïmplementeerd omdat het IAEA heeft aangegeven geen aanvullende regeling bij de nucleaire waarborgverdragen overeen te komen met lidstaten waarmee een PKH+ tot stand is gebracht. Artikel 67 van de AWO vindt daarom materieel geen toepassing.↩︎

  10. Kamerstukken II, 2014-2015, 34 219, nr. 3, Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, p. 1.↩︎

  11. Kamerstukken II, 2008-2009, 31 959, nr. 3, Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, p. 1.↩︎

  12. Wanneer er na de nulmeting in de zomer van 2025 tot inwerkingtreding van dit wetsvoorstel houders van nucleair materiaal zijn gekomen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba.↩︎

  13. Eventueel op vordering van een toezichthouder en desnoods met gebruikmaking van een last onder bestuursdwang op te leggen door de Autoriteit (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22).↩︎

  14. Zie artikel 11 van het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen.↩︎

  15. Zie artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.↩︎

  16. https://www.internetconsultatie.nl/uitvoeringswetnwbes/b1.↩︎

  17. Het op 26 oktober 1956 te New York tot stand gekomen Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (Trb. 1957, 50).↩︎

  18. IAEA Safeguards Glossary 2022 Edition, https://www-pub.iaea.org/MTCD/Publications/PDF/PUB2003_web.pdf↩︎

  19. Zowel de Rijksoverheid als het bestuurs van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.↩︎

  20. Zie ook hoofdstuk 2 en hoofdstuk 8, paragraaf 2, van het algemeen deel van de memorie van toelichting.↩︎

  21. In artikel 98, onderdeel J, onder b, onder v, van de AWO gedefinieerd als: “opgeslagen afval: kernmateriaal, gevormd bij het verwerken of bij een bedrijfsongeval, dat voorlopig niet-terugwinbaar wordt geacht maar wordt opgeslagen”.↩︎

  22. Zoals toegelicht in de artikelsgewijze toelichting op de begripsomschrijving van ‘installatie’ in artikel 2, is het verschil tussen ‘het voorhanden houden’ en ‘het gebruiken’ van nucleair materiaal dat het bij ‘gebruiken’ gaat om actieve handelingen zoals het vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan van nucleair materiaal, waar het bij ‘voorhanden hebben’ gaat om het passief voorhanden hebben van nucleair materiaal.↩︎

  23. Op grond van artikel IX, derde lid, van het NPV is een kernwapenstaat een staat die een nucleair wapen of een ander nucleair explosiemiddel vóór 1 januari 1967 heeft vervaardigd of tot ontploffing heeft gebracht, te weten: de Verenigde Staten van Amerika, de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Volksrepubliek China en de Franse Republiek.↩︎

  24. Met andere woorden: voor de aangifteplichten van artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e en f, en tweede tot en met vierde lid.↩︎

  25. De AWO is al in werking getreden, maar de werking van artikel 61 was opgeschort door Protocol I bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot Verbod van kernwapens in Latijns-Amerika. Met de vaststelling van PKH+ gaat artikel 61 van de AWO gelden en moet binnen 30 dagen na gelding informatie worden aangeleverd bij het IAEA.↩︎

  26. Op grond van artikel 2, onder a, onder viii, van het AP wordt onder ‘verder verwerken’ niet verstaan “herverpakking van het afval of verdere conditionering zonder scheiding van elementen, met het oog op opslag of verwijdering”.↩︎

  27. Zie artikel 4 van het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen.↩︎

  28. Zie hiertoe onder meer de memorie van toelichting bij de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 128 – 147.↩︎

  29. Bijvoorbeeld het (op)meten van zaken, het wegen daarvan of het maken van foto’s.↩︎