De beantwoording van de feitelijke vragen over het nationaal sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D40754, datum: 2026-09-03, bijgewerkt: 2026-09-03 12:52, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Antwoorden op deze schriftelijke vragen:- Antwoord op vragen van het lid Ceder over de beantwoording van de feitelijke vragen over het nationaal sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (2026D40730)
- Eerste ondertekenaar: D.G.M. Ceder, Tweede Kamerlid (ChristenUnie)
Onderdeel van zaak 2026Z17841:
- Gericht aan: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
(ingezonden 3 september 2026)
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de beantwoording van de feitelijke vragen over het nationaal sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn advies van 19 juli 2024 Israël oproept om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan zijn onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden en alle nieuwe nederzettingsactiviteiten onmiddellijk te beëindigen, en dat Israël de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden dient te evacueren?
Klopt het dat Nederland dit IGH-advies van 19 juli 2024 en de rechtsgevolgen omarmt?
Is de grondslag van de sancties van het kabinet nog steeds zoals het kabinet dit in de nota van toelichting verwoordde: ‘Dit sanctiebesluit dient om nadere invulling te geven aan het onder paragraaf 1 besproken IGH-advies van 19 juli 2024, VNVR-resolutie 465 (1980), VNVR-resolutie 497 (1981) en AVVN-resoluties ES-10/24 en A-79/90.’?
Hoe verhoudt het IGH-advies uit 2024 en het daarin besloten rechtsgevolg om kolonisten te evacueren zich tot de antwoorden op de feitelijke vragen eerder deze week (Kamerstuk 23432, nr. 774), waarin het kabinet stelt dat het niet beoogt om tot een volledige evacuatie van Israëlische kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te komen (bijv. vraag 116)?
Kan het kabinet ondubbelzinnig aangeven of het Nederlandse standpunt is dat Israël uitvoering moet geven aan de oproep van het IGH om de kolonisten uit de bezette Palestijnse gebieden te evacueren, conform het advies IGH 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Klopt het dat de definitie van een kolonist/settler in het IGH-advies 2024 in ieder geval de Israëlische staatsburgers woonachtig in een OPT omvat? Zo nee, wat is dan wel de definitie?
Hoeveel Israëliërs vallen onder de noemer ‘kolonisten/settlers’, zoals bedoeld in het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Klopt het dat uit openbare bronnen blijkt dat het naar alle waarschijnlijkheid in ieder geval om meer dan 700.000 mensen gaat?
Indien het inderdaad om meer dan 700.000 mensen gaat; klopt het dat een praktische invulling van het IGH-advies inhoudt dat 700.000 Israëliërs woonachtig in OPT’s zo snel mogelijk verplaatst moeten worden? Zo nee, wat betekent het dan wel?
Indien vraag 9 bevestigend is beantwoord, wat was de reden dat het kabinet in de feitelijke vragen een soortgelijke vraag ontkennend beantwoordde terwijl het een kernpunt van het IGH advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 is? (vraag 116)
Het kabinet erkent in de beantwoording op feitelijke vragen dat meerdere groepen ‘kolonisten’ legitieme eigendomsrechten hebben (zie vragen 39, 40 en 42); wat moet volgens het kabinet met deze huishoudens gebeuren volgens het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24?
Zijn deze eigendomsrechten volgens het kabinet ondergeschikt aan invulling geven aan het IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24? Zo ja, waarom?
Waarom stelt het kabinet in de beantwoording van de feitelijke vragen (vraag 45) dat de status van Jeruzalem nog onderwerp van discussie is, terwijl het IGH in zijn advies uit 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24 expliciet ingaat op de Israëlische aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden inclusief Oost-Jeruzalem en de juridische gevolgen daarvan die het kabinet zegt te onderschrijven?
Klopt het, dat door de maatregel te baseren op de verplichtingen voortvloeiend uit IGH-advies 2024 en AVVN-resolutie ES-10/24, noch het bevriezen van de plannen van de E1-nederzettingen, noch het sanctioneren van extremistische kabinetsleden, noch een wisseling van Israëlische regering, noch vrede in Gaza, noch een effectieve aanpak van gewelddadige kolonisten allen individueel of gezamenlijk voldoende zijn om te voldoen aan de juridische verplichting die in het IGH-advies uit 2024?
Klopt het dat de juridische grondslag om nationale sancties te treffen na alle genoemde maatregelen in vraag 13 overeind blijft volgens de rechtsgevolgen uit het IGH 2024 advies die het kabinet onderschrijft? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de aangenomen motie Ceder/Stoffer (Kamerstuk 26 150, nr. 239) en vooral de beantwoording van het kabinet op de feitelijke vragen (vraag 45) op de verplichtingen voortvloeiend uit het IGH 2024 advies en AVVN-resolutie ES-10/24?
Geldt het sanctiebesluit ook voor goederen uit oorspronkelijke Druzendorpen op de Golanhoogvlakten, nu dit gebied is geannexeerd door Israël?
Kan het kabinet deze verduidelijkende spoedvragen voor het commissiedebat over het sanctiebesluit op donderdag 3 september beantwoorden?