[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een schriftelijk overleg inzake de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (vreemdelingen- en asielbeleid)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D40800, datum: 2026-09-03, bijgewerkt: 2026-09-03 15:34, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17879:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


32317 JBZ-Raad

Nr. Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld d.d. …

De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Asiel en Migratie over de volgende brieven:

  • Kabinetspositie over de stemming inzake het onderhandelingsakkoord voor de EU-Terugkeerverordening (Kamerstuk 22112, nr. 4363)

  • Verslag JBZ-Raad 4 en 5 juni 2026 en overige JBZ-ontwikkelingen (Kamerstuk 32317, nr. 1014)

  • Kabinetsappreciatie op verlenging van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming tot en met 4 maart 2028 (Kamerstuk 32317, nr. 1015)

  • Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (2026Z15910).

De vragen en opmerkingen zijn op 10 juli 2026 aan de minister van Asiel en Migratie voorgelegd. Bij brief van … zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie

Peter de Groot

Griffier van de commissie

Burger

Inhoud

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de VVD-fractie

  • Inbreng van de leden van de PVV_fractie

  • Inbreng van de leden van de JA21-fractie

II Reactie van de minister van Asiel en Migratie

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) op 16 en 17 juli 2026 en van de verder aangeleverde stukken. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de kabinetsreactie op het onderhandelingsresultaat voor de Terugkeerverordening ook onderdeel is van dit schriftelijk overleg. Deze leden zijn net als het kabinet optimistisch over het onderhandelingsresultaat en willen met name de onderhandelaars van het Europees Parlement bedanken voor het gevoerde tempo. Voornoemde leden zullen een snelle parlementaire behandeling van de onderdelen van de Terugkeerverordening die nationale omzetting behoeven, zoveel mogelijk bevorderen, ook omdat het dezelfde leden waren die om een zo snel mogelijke inwerkingtreding hebben gevraagd.

Vraag 1

Wanneer verwacht de minister dat er voorstellen hiertoe met de Kamer gedeeld zullen worden? Hoe is de minister van plan om de Kamer te betrekken bij beleidsvrijheid die de Terugkeerverordening op bepaalde onderdelen biedt, zoals de verhouding tussen vrijwillig en gedwongen terugkeer en de wederzijdse erkenning van terugkeerbesluiten?

Antwoord

Gelet op de kortere implementatietermijn van 1 jaar, zet het kabinet zich in om de periode die resteert tussen het moment van goedkeuring en officiële publicatie van de verordening, naast de implementatietermijn zo optimaal als mogelijk te benutten met als doel om zo snel als mogelijk een voorstel voor een uitvoeringswet in consultatie te geven. De verwachting is dat de verordening in het begin van het najaar gepubliceerd zal worden en daarmee reeds ten dele van toepassing wordt.

Het wetsvoorstel waarin onder andere ook invulling zal zijn gegeven aan de beleidsvrijheid die de verordening biedt gaat na verwerking van de consultatiereacties naar de Afdeling advisering van de Raad van State. Het wetsvoorstel, inclusief het advies van de Raad van State en het nader rapport zal vervolgens integraal ter behandeling aan uw Kamer worden aangeboden.

Vraag 2

Is de minister daarnaast voornemens om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid om gedwongen terugkeer in te zetten bij uitgeprocedeerde migranten die een gevaar vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, en bij uitgeprocedeerde migranten die niet of onvoldoende meewerken aan terugkeer? Is de minister tevens bereid om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid om materiële voorzieningen, waaronder opvang, voorwaardelijk te stellen aan de medewerking van de uitgeprocedeerde migrant aan het terugkeerproces? Is het hierbij mogelijk om ‘medewerking’ zo ruim mogelijk te interpreteren, waardoor bijvoorbeeld het niet komen opdagen bij een afspraak met de Dienst Terugkeer en Vertrek of een andere uitvoeringsinstantie al reden kan zijn om voorzieningen in te trekken?

Antwoord

Het kabinet geeft de voorkeur aan zoveel mogelijk vrijwillige terugkeer. Indien een vreemdeling echter niet vrijwillig terugkeert of dat om andere redenen niet mogelijk is, behoort terugkeer in een gedwongen kader tot de mogelijkheden, en daar zal het kabinet maximaal op inzetten. Die systematiek wordt gevolgd in de verordening. Daarnaast wordt in de verordening duidelijk uiteengezet welke verplichtingen er gelden voor vreemdelingen die moeten vertrekken Als een vreemdeling geen medewerking verleent aan de bevoegde autoriteit en/of niet meewerken aan terugkeer, kan worden overgegaan tot gedwongen vertrek. Daarnaast kan de bevoegde autoriteit op grond van de verordening bijvoorbeeld de vertrektermijn verkorten, bepaalde uitkeringen of toelagen verminderen/weigeren of andere financiële sancties treffen bij niet-naleving van de verplichting tot medewerking, niet meewerken aan terugkeer komt dus gedwongen terugkeer in beeld.

Het kabinet is voornemens om bij de implementatie van de nieuwe terugkeerverordening, in lijn met de motie Ceulemans en Boomsma 1, de in de Terugkeerverordening geboden ruimte voor aanscherping zo volledig mogelijk benutten. Hoe de nationale beleidsruimte precies wordt ingevuld zal de komende maanden in samenwerking met de uitvoeringspartners nader worden uitgewerkt in het wetsvoorstel ter uitvoering van de terugkeerverordening. Zie verder het antwoord op de vorige vraag.

De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat in Spanje ruim 1 miljoen illegale migranten zich hebben aangemeld voor een pardonregeling, waardoor hun verblijf wordt gereguleerd. Deze leden zijn van mening dat dit beleid vanwege het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie het vertrouwen in het Europees migratiebeleid en in de Europese Unie in zijn geheel ondermijnt.

Vraag 3

Hoe kijkt de minister hiernaar? Deelt de minister de mening dat het beleid van Spanje op gespannen voet staat met artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Hoe gaat de minister voorkomen dat deze groep van ruim 1 miljoen gereguleerde migranten via het vrij verkeer van personen naar Nederland zal komen? Zijn er andere lidstaten die net als de aan het woord zijnde leden kritisch zijn op het beleid van Spanje? Is de minister bereid om samen met deze landen Spanje aan te spreken en om, indien mogelijk, juridische stappen tegen Spanje te ondernemen?

Antwoord

Een bijzondere administratieve regularisatieprocedure is een nationale bevoegdheid van de lidstaten. Het gaat hier om een Spaanse verblijfsvergunning aan een groep die al is gevestigd in Spanje. De door Spanje afgegeven vergunning geeft recht op verblijf en werk in Spanje. Op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst mag de houder van een dergelijke vergunning maximaal 90 dagen in andere Schengenlanden verblijven, voor zover aan de toepasselijke voorwaarden voor binnenkomst wordt voldaan. Iemand met een dergelijke vergunning heeft geen recht om zich in Nederland te vestigen. Uiteraard houdt Nederland de situatie nauw in de gaten. Nederland en Spanje nauw in contact over dit traject om, indien dat nodig is, negatieve gevolgen te mitigeren.

De leden van de VVD-fractie hebben additioneel nog enkele vragen over de informatie die de minister heeft aangeleverd over de uitvoering van het Entry-Exit System (EES). Deze leden zien dat de uitvoering hiervan vooralsnog gepaard gaat met de nodige kinderziektes.

Vraag 4

Op welke termijn verwacht de minister dat de problemen met de uitvoering van EES, en dan met name de uitvoering hiervan op Schiphol, opgelost zullen worden?

Antwoord

Op luchthaven Schiphol verloopt de verdere invoering van de biometrische registraties minder snel dan voorzien als gevolg van technische uitdagingen bij de ontwikkeling van ICT-systemen. Er wordt op Europees en nationaal niveau hard gewerkt aan het verder verbeteren van de stabiliteit en functionaliteit van het systeem om zo snel en verantwoord mogelijk tot volledige implementatie van het Enty/Exit Systeem te komen. Samen met de Koninklijke Marechaussee, het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Schiphol werken we eraan om de verdere invoering van de biometrische registraties zo snel mogelijk, zorgvuldig en verantwoord te laten plaatsvinden. Het kabinet verwacht hier enkele maanden voor nodig te hebben.

Vraag 5

Hoe kijkt de minister aan tegen de oproep van verschillende lidstaten om de registratie van biometrische gegevens ook na 6 september optioneel te maken? Tot welke datum zou er dan mogelijk sprake zijn van vrijwillige registratie?

Antwoord

Nederland heeft zich in EU-verband aangesloten bij de oproep om ook na 6 september 2026 gebruik te kunnen blijven maken van de in de verordening opgenomen flexibiliteit voor tijdelijke gedeeltelijke opschorting van de biometrische registratie. Hierover is op dit moment nauw contact tussen de Commissie en desbetreffende lidstaten. De inzet van Nederland is erop gericht dat EES zo snel mogelijk op stabiele en verantwoordelijke wijze wordt geïmplementeerd. Volledige implementatie inclusief biometrische registratie blijft hierbij het uitgangspunt.

Vraag 6

Welke rol spelen overwegingen omtrent nationale veiligheid en het tegengaan van overstay bij het standpunt van de minister hieromtrent?

Antwoord

Het EES draagt bij aan betere grensbewaking, het tegengaan van illegale migratie en het detecteren en tegengaan van overstay. Daarmee levert het systeem een belangrijke bijdrage aan de nationale en Europese veiligheid. Deze doelstellingen blijven onverminderd van kracht. De tijdelijke mogelijkheid om de biometrische registratie gedeeltelijk op te schorten is uitsluitend bedoeld om stabiele en verantwoordelijke implementatie van het EES te waarborgen. Bovendien worden alle derdelanders biografisch geregistreerd, waardoor overstay gemonitord blijft, ook bij de tijdelijke opschorting van biometrische registratie. Ook gedurende deze tijdelijke maatregel worden derdelanders die de grens passeren gecontroleerd in de nationale en Europese datasystemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Personen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid wordt de toegang geweigerd. Het uitgangspunt blijft dat zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar volledige toepassing van de biometrische registratie.

De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er recent een intentieverklaring is ondertekend tussen Nederland en Italië om samenwerking op het gebied van migratie te versterken. Deze leden ondersteunen deze ambitie. Wel merken zij hierbij op dat het slechts gaat om een intentieverklaring en niet om harde afspraken. Dit wordt in de laatste paragraaf nog eens expliciet bevestigd.

Vraag 7

In welke mate kan de minister de garantie afgeven dat Italië de tot uitdrukking gebrachte intentie daadwerkelijk nakomt? Deelt de minister de opvatting dat Nederland, indien Italië om wat voor reden dan ook de afspraken niet nakomt, op grond van het EU Asiel- en Migratiepact alsnog verplicht is om asielzoekers die via Italië naar Nederland afreizen, aan Italië over te dragen?

Antwoord

De intentieverklaring onderstreept dat Nederland en Italië nauw samen werken om het volledige Pact uit te voeren, en waar nodig elkaar te ondersteunen. Het uitvoeren van het Pact, inclusief het terugnemen van asielzoekers waar de lidstaat voor verantwoordelijk is volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) een wettelijke verplichting voor alle EU-lidstaten. Om een overdracht te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat de lidstaat waaraan de asielzoeker wordt overgedragen hieraan meewerkt. Het is daarom van belang dat de Commissie, als hoeder van de verdragen, hierop toe ziet. Nederland blijft daar aandacht voor vragen. Daarnaast moet Nederland zelf nog juridische procedures doorlopen om overdrachten naar Italië weer mogelijk te maken.

Op 15 juli jl. heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd met daarin de beoordeling hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie van het Pact uitvoer geven aan de overdrachten onder de AMbV. De Commissie concludeerde dat beide landen significante voortgang hebben geboekt, maar dat de overdrachten moeizaam op gang komen. Het is duidelijk dat in deze beginfase nog hordes zijn. Nederland werkt nauw met Italië en Griekenland samen, en maakte hierover ook afspraken, zoals eerder aan uw Kamer gemeld. Het weer opstarten van het proces kost echter tijd. De samenwerking met Italië en ook Griekenland heeft tot nu toe nog maar zeer beperkt geleid tot daadwerkelijk overdrachten. Ook moeten er in Nederland in veel zaken nog juridische procedures worden doorlopen voordat de overdrachten kunnen worden geeffectueerd. Het kabinet zet maximaal op in op het weer hervatten van de overdrachten naar deze landen, zowel in EU verband, bilateraal en nationaal. Onderdeel hiervan is dat Nederland samen met gelijkgezinde lidstaten optrekt om dit mechanisme zo snel als mogelijk te laten werken, en roept hier ook continue de Commissie toe op. In oktober rapporteert de Commissie opnieuw over de mate van implementatie van AMbV-overdrachten.

Vraag 8

Deelt de minister daarnaast de opvatting dat er hierbij moet worden uitgegaan van naleving van mensenrechten, waaronder die voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?

Antwoord

EU-lidstaten zijn gebonden aan de mensenrechten die voortvloeien uit het EVRM, die ook zijn opgenomen in het EU Handvest. Er mag daarom vanuit worden gegaan dat lidstaten hun verplichtingen nakomen die hieruit voortkomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is geen gegeven, maar juridisch weerlegbaar. Indien blijkt dat er in de praktijk blijkt dat er een reëel risico bestaat dat de grondrechten van asielzoekers worden geschonden kan niet langer een beroep worden gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals o.a. blijkt uit de Chișinău-verklaring moet hierbij spraken zijn van een minimumniveau van ernst.

Vraag 9

Op welke manier is de minister voorts van plan om de inzet op Assisted Voluntary Return and Reintegration programmes te vergroten? Wanneer verwacht de minister de eerste resultaten van deze inzet?

Antwoord

Terugkeer is een prioriteit van het kabinet. Om dit te stimuleren wordt ook ingezet op het bieden van ondersteuning bij vrijwillige terugkeer en herintegratie in het land van herkomst. Het kabinet biedt ook gerichte steun aan projecten die bijdragen aan reintegratie en vrijwillige terugkeer binnen de EU. Daarnaast heb ik in mijn brief van 22 juni jl.2 ik uw Kamer laten weten dat ik het Europees Migratie Netwerk heb gevraagd om onderzoek te doen naar de terugkeer- en herintegratieprogramma’s in Nederland en andere Europese lidstaten. Doel van dit onderzoek is om lessen te trekken voor Nederland. De resultaten van dit onderzoeken worden in de loop van 2027 verwacht. De resultaten van het onderzoek zal ik gebruiken om het beleid ten aanzien van vrijwillige terugkeer en herintegratie te verbeteren.

De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van het verslag van de vorige JBZ-Raad die plaatvond op 4 en 5 juni 2026 hoe de minister aankijkt tegen de wens van Cyprus om zo snel mogelijk toe te treden tot het Schengengebied.

Vraag 10

Meent de minister dat Cyprus hier op basis van objectieve maatstaven inderdaad op korte termijn klaar voor is?

Antwoord

Cyprus heeft in de afgelopen periode significante stappen gezet om te voldoen aan de criteria voor Schengentoetreding en de volledige implementatie van het Schengen acquis. Dit blijkt uit het rapport over de implementatie van het Schengen acquis door Cyprus door experts dat de Commissie recent via comitologie aangenomen heeft. Het rapport is niet publiekelijk te raadplegen. Uit het rapport blijkt dat een groot deel van de aanbevelingen ten aanzien van de implementatie van het Schengen acquis door Cyprus zijn geïmplementeerd. Daarnaast zijn er op dit moment ook nog enkele openstaande aanbevelingen die Cyprus moet implementeren om volledig te voldoen aan het Schengen acquis.

Voor toetreding van Cyprus daadwerkelijk aan de orde is moeten daarnaast nog verscheidene stappen worden gezet. Indien het Schengen acquis voldoende geïmplementeerd is kan de Raad middels een Uitvoeringsbesluit van de Raad beslissen tot het sluiten van de actieplannen op de verscheidene onderdelen van het Schengen acquis. Na het sluiten van de actieplannen moet door de Raad de technische gereedheid van Cyprus worden vastgesteld middels Raadsconclusies. Vervolgens moet de Raad met unanimiteit besluiten over definitieve toetreding van Cyprus tot de Schengenzone en de bijbehorende opheffing van controles aan de grenzen. Het kabinet zal elke stap in dit proces op merites beoordelen en daarbij rekening houden met alle elementen die raken aan de integriteit van het Schengengebied. Alvorens een volgende stap in dit proces wordt gezet zal uw kamer hierover worden geïnformeerd.

Vraag 11

Hoe kijkt de minister aan tegen de oproep van de Commissie om toetreding tot Schengen een systematisch onderdeel uit te laten maken van het EU-uitbreidingsproces?

Antwoord

Schengentoetreding is een wettelijke verplichting voor alle EU-lidstaten onder het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met uitzondering van Ierland. Als onderdeel van het EU-uitbreidingsproces moeten kandidaat-lidstaten hun nationale kader in overeenstemming brengen met alle Schengenregels en capaciteit opbouwen om deze regels uit te voeren. De voortgang hiervan wordt getoetst via het Schengen evaluatie en monitoringmechanisme. Lidstaten besluiten vervolgens met unanimiteit over de volwaardige toetreding tot het Schengengebied, met de afschaffing van controles aan de binnengrenzen als laatste mijlpaal. Het kabinet beoordeelt deze Schengentoetreding op basis van merites waarbij recente evaluatierapportages leidend zijn.

Vraag 12

In hoeverre past deze oproep binnen de ambitie van het kabinet voortvloeiend uit de aangenomen motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 23987, nr. 399) om in te zetten op graduele toetreding?

Antwoord

Voor volledige EU-toetreding geldt dat kandidaat-lidstaten moeten voldoen aan de Kopenhagencriteria. Voor volledige toepassing van alle Schengenregels gelden aanvullende eisen. Daarom is dat in de regel een latere stap, die afhankelijk is van de mate van implementatie van het Schengen acquis. Wel steunt het kabinet de inzet van de Europese Commissie om Schengen-vereisten vroegtijdig en gestructureerd aan de orde te laten komen in het toetredingstraject. Volwaardige deelname aan het Schengengebied blijft, zoals hierboven omschreven, onderworpen aan separate besluitvorming door de lidstaten.

De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de vorige JBZ-Raad ook is gesproken over migratiesamenwerking met Somalië. Deze leden lezen verheugd dat er op bilateraal verband (beperkte) vooruitgang is geboekt op het gebied van terugkeerafspraken.

Vraag 13

Welk percentage van door Nederland afgewezen en uitgeprocedeerde Somaliërs keert op dit moment daadwerkelijk terug?

Antwoord

In het algemeen ten aanzien van de terugkeersamenwerking met Somalië kan het volgende worden aangegeven. In de terugkeersamenwerking tussen Nederland en Somalië is het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling waar te nemen naar aanleiding van de investeringen in de relatie door het kabinet.

Zo is er sinds eind 2025 tot heden viermaal gedwongen terugkeer gerealiseerd naar Somalië. Dit is het gevolg in investeringen in de brede relatie met Somalië. Het kabinet blijft erop inzetten deze samenwerking de aankomende tijd verder te versterken ook met het oog op vrijwillige terugkeer. De positieve ontwikkeling in de terugkeersamenwerking geldt echter niet voor alle EU-lidstaten.

Vanwege de gebrekkige terugkeersamenwerking de afgelopen jaren tussen andere EU-lidstaten en Somalië heeft de Raad van de EU in juni 2026 negatieve visummaatregelen onder artikel 25bis genomen tegen Somalië. Deze maatregelen moeten Somalië stimuleren om de terugkeersamenwerking met EU-lidstaten te verbeteren. Nederland blijft zich onverminderd inzetten om de terugkeersamenwerking met Somalië te verbeteren.

De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er tijdens de vorige JBZ-Raad is stilgestaan bij de migratiesituatie in het Kanaalgebied. De afgelopen jaren proberen illegale migranten de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk vanaf steeds noordelijker gelegen stranden te maken, waardoor het een kwestie van tijd lijkt voordat er ook vanuit Nederland illegale migranten een poging zullen wagen.

Vraag 14

Welke stappen is de minister bereid om te nemen om deze oversteken zoveel mogelijk te voorkomen? In hoeverre wordt er om dit te bereiken samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België?

Antwoord

Op 16 juni jl. heeft de Europese Commissie het Kanaalactieplan gepubliceerd. Het Kanaalactieplan zet in op drie sporen: 1) het versterken van migratiediplomatie langs de routes om vertrek uit het land van herkomst te vermijden en om terugkeer te bevorderen; 2) het ontmantelen van smokkelnetwerken; en 3) het versterken van grensmanagement. Het kabinet onderschrijft het belang van het Kanaalactieplan en zal zich hier actief voor inzetten.

Op zowel operationeel als politiek niveau wordt in Calais-groep verband – bestaande uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Duitsland en Nederland – samengewerkt om de problematiek op het Kanaal aan te pakken. Sinds begin 2026 hebben enkele groepen migranten vanaf de Belgische kust de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt. Vanaf april is dit aantal weer afgenomen. Op dit moment is er geen sprake van een toename van het aantal oversteken met ‘small boats’ van Nederland naar het VK. Uiteraard blijft het kabinet dit nauw monitoren.

Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026. Zij stellen nog enkele vragen.

Vraag 15

De leden van de PVV-fractie lezen in het verslag van de vorige JBZ-Raad dat verschillende lidstaten nog kampen met uitdagingen, waaronder het tegengaan van ontduiking. Kan de minister dit verder duiden en aangeven welke lidstaten dit betreft?

Antwoord

Onderdeel van de verplichtingen van lidstaten bij het realiseren van de adequate capaciteit voor screening en grensprocedures zijn het nemen van maatregelen om onttrekken aan het toezicht en secundaire bewegingen tegen te gaan. De implementatie van het Pact op 12 juni jl. was een belangrijk moment en de formele start van de uitvoering van het Pact. Het gaat hier om een enorm en ingrijpend wetgevingspakket, dit heeft tijd nodig om goed te functioneren. Het is daarom noodzakelijk dat de lidstaten blijven investeren in de goede implementatie van het Pact. De Commissie monitort dit en ondersteunt de lidstaten waar nodig, mede op aandringen van Nederland.

Over de laatste stand van zaken ten aanzien van de implementatie van het Pact heeft de Commissie op 8 mei jl. een voortgangsrapport gepubliceerd. Hierin wordt ook verwezen naar de uitdagingen per lidstaat. Uw Kamer heeft de kabinetsappreciatie over deze voortgangsrapportage op 19 mei jl. ontvangen.3 In oktober publiceert de Commissie het jaarverslag over de migratiesituatie in de EU, waarin ook de volgende voortgangsrapportage ten aanzien van de implementatie van het Pact op wordt genomen. Een appreciatie van dit jaarverslag zal ik met t.z.t. met de Kamer delen. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat het Pact volledig en effectief geïmplementeerd wordt en de Commissie ertoe oproepen te garanderen dat openstaande uitdagingen worden aangepakt.

Vraag 16

Daarnaast vragen deze leden de minister om een uitgebreid overzicht van de stand van zaken in alle lidstaten ten aanzien van de implementatie en uitvoering van de gemaakte afspraken, met bijzondere aandacht voor de lidstaten aan de buitengrenzen van de Europese Unie. Kan de minister daarbij tevens ingaan op de mate waarin deze lidstaten voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van grensbewaking, registratie, terugkeer en het tegengaan van secundaire migratie?

Antwoord

Zoals in de beantwoording op vraag 22 reeds beschreven heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van implementatie op basis van de voortgangsrapportage van de Commissie die op 8 mei jl. is gepubliceerd. In oktober publiceert de Commissie het jaarverslag over de migratiesituatie in de EU en zal hierin opnieuw rapporteren over de voortgang t.a.v. de implementatie van het Pact. Hier zijn ook de verplichtingen ten aanzien van screening, Eurodac en de grensprocedure onderdeel van. Een appreciatie van dit jaarverslag zal het kabinet t.z.t. met de Kamer delen.

De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat vliegvelden moeten gaan vrezen voor forse vertragingen vanwege operationele problemen met het EES.

Vraag 17

Kan de minister duiden waar deze problemen zich voordoen en welke lidstaten inmiddels de stekker eruit hebben getrokken vanwege deze problemen? Klopt het dat de biometrische registratie momenteel wordt overgeslagen? Zo nee, welke gegevens worden wel opgeslagen? Zo ja, is de minister het met de leden van de PVV-fractie eens dat wanneer niet alle lidstaten uitvoering geven aan het grensproces en niet alle gegevens in het systeem geregistreerd worden, het systeem enkel en alleen zorgt voor onnodige stress en ellenlange rijen voor Nederlandse vakantiegangers?

Antwoord

Uit informatie van de Europese Commissie blijkt dat de implementatie van het EES over het algemeen goed verloopt. Wel ervaren verschillende lidstaten, met name bij drukke grensdoorlaatposten en tijdens piekmomenten, uitdagingen bij de biometrische registratie van derdelanders, wat kan leiden tot langere wachttijden. Dit geldt ook voor Nederland Het kabinet beschikt niet over informatie dat lidstaten de implementatie van het EES hebben stopgezet.

Op grond van de EES-verordening kunnen lidstaten tijdelijk gebruikmaken van flexibiliteit om excessieve wachtrijen te voorkomen. De registratie van biometrische gegevens (gezichtsopname en vingerafdrukken) kan tijdelijk gedeeltelijk worden opgeschort. Ook in dat geval worden de paspoortgegevens van de reiziger altijd in het EES geregistreerd.

Het EES is uitsluitend van toepassing op derdelanders. EU-burgers worden niet in het EES geregistreerd en ondervinden daarom geen directe gevolgen van de registratie in het EES. Eventuele gevolgen voor EU-burgers zijn hooguit indirect, bijvoorbeeld als gevolg van de algemene doorstroming aan de grens.

De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er weer vluchten vanaf Schiphol naar Damascus gaan.

Vraag 18

Deze leden vragen de minister hoeveel passagiers inmiddels al gebruik hebben gemaakt van deze route en welke nationaliteiten deze passagiers hebben? Deze leden vragen ook waarom de minister nog niet begonnen is om alle tijdelijke vergunningen van Syriërs in Nederland in te trekken om vervolgens al die Syriërs op het vliegtuig naar Damascus te zetten? Is de minister het met deze leden eens dat nu er een directe vlucht naar Damascus vanuit Nederland mogelijk is en Syrië weer veilig is, er geen enkel excuus meer is om al die Syriërs terug te sturen?

Antwoord

Het beschikbaar zijn van een directe vlucht naar Damascus vormt op zichzelf geen grond om verblijfsvergunningen in te trekken of tot terugkeer over te gaan. Besluiten over verblijfsrecht en terugkeer worden genomen op basis van de geldende wet- en regelgeving, een individuele beoordeling en de actuele situatie in Syrië.

Om tot herbeoordelingen over te gaan moeten de omstandigheden in het land van herkomst van 'voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter' zijn. Op basis van de huidige beschikbare informatie kan dit nog niet worden geconcludeerd. Na het verschijnen van het nieuwe ambtsbericht zal ik uw kamer informeren over het nieuwe landenbeleid alsmede over de vraag of herbeoordeling aan de orde zou kunnen zijn. Het hervatten van directe vluchten naar Damascus heeft geen directe invloed op dit proces. Informatie over de aantallen passagiers en de nationaliteiten van deze personen is overigens niet voorhanden.

De leden van de PVV-fractie lezen dat het Spaanse Openbaar Ministerie heeft bewezen dat 70% van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, die op hun leeftijd zijn getest, in werkelijkheid ouder dan 18 jaar zijn. Nederland behoort tot de Europese landen die de meeste alleenstaande minderjarige vreemdelingen opvangen.

Vraag 19

Kan de minister aangeven hoeveel amv’ers de afgelopen 5 jaar na hun leeftijdstest in werkelijkheid ouder dan 18 bleken te zijn?

Antwoord

Het aantal personen dat zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft aangemeld, maar achteraf meerderjarig bleek te zijn, is niet precies uit systemen te herleiden omdat dit op verschillende momenten in het proces kan plaatsvinden. Naar schatting werd in de afgelopen jaren ongeveer vijf procent van de vreemdelingen die een leeftijdsschouw kreeg, meerderjarig verklaard. Ook onderzoek n.a.v. een registratie in een andere EU-lidstaat kon leiden tot meerderjarigverklaring. Hierover zijn echter geen cijfers beschikbaar.

Het Europese Unierecht bepaalt dat, voor toepassing van het medisch leeftijdsonderzoek, eerst minder-invasieve methodes moeten worden toegepast. Enkel in die gevallen waarbij, na het doorlopen van de eerdere stappen in het proces leeftijdsbepaling, de twijfel over de leeftijd aanhoudt, kan het medisch leeftijdsonderzoek als sluitstuk worden ingezet. Dat brengt met zich mee dat slechts een beperkt aantal vreemdelingen in aanmerking komt voor het medisch leeftijdsonderzoek. Naar schatting werd ongeveer tien procent van de vreemdelingen die uiteindelijk een medisch leeftijdsonderzoek heeft ondergaan, meerderjarig verklaard.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 in Dublin en hebben de recente ontwikkelingen in de EU en de lidstaten aandachtig gevolgd. Het Europees asielstelsel moet naar het oordeel van deze leden fundamenteel worden hervormd, waarbij asiel een gunst wordt die regeringen kunnen verstrekken en geen afdwingbaar recht, en met hulp, opvang en procedures buiten Europa. Zij hebben over de inzet van het kabinet in de Raad, alsmede over enkele recente Europese ontwikkelingen, de volgende vragen en opmerkingen.

Nu het Europese visum- en screeningsinstrumentarium nadrukkelijk in het teken van veiligheid staat, dringt zich ook de vraag op naar de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Boomsma c.s. over het voortzetten van het uitlezen van gegevensdragers zoals mobiele telefoons (Kamerstuk 19637, nr. 3590).

Vraag 20

De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat de praktijk van ‘Quick Checks’ en het controleren van de telefoons conform de wens van de meerderheid van de Kamer inderdaad is hervat. Wat is de planning? En wanneer komt de regering met het aangekondigde wetsvoorstel om de juridische grondslag te verstevigen?

Antwoord

Op 2 juli 2026 heb ik bij brief (7635511) aan uw Kamer laten weten dat ik voeg mij naar het oordeel van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat voor de voortzetting van de quickcheck, ook in deze aangepaste vorm, op dit moment een wettelijke grondslag ontbreekt. Daarnaast heb ik in dezelfde brief laten weten uw Kamer kort na het zomerreces te informeren over de uitwerking van de motie-Boomsma c.s. en dat het streven is om na de zomer een wetsvoorstel in consultatie te brengen.

In het verslag van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 meldt het kabinet voorts dat wordt “verkend” of de mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van mensensmokkel kunnen worden verruimd.

Vraag 21

Wat is de stand van zaken van deze verkenning en wordt deze meegenomen in de juridische grondslag voor het uitlezen van mobieltjes waaraan wordt gewerkt, zo vragen de leden van de JA21-fractie.

Antwoord

De mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van mensensmokkel zullen in het lopende traject zoals hierboven geschetst nader worden onderzocht.

Aangaande de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact constateren de leden van de JA21-fractie dat de implementatie in een aanzienlijk aantal lidstaten nog onvolledig is, met name wat betreft de grensprocedures, de opvang- en detentiecapaciteit en de nationale asielprocedures.

Vraag 22

Herkent de minister dit beeld en welke gevolgen heeft dit naar zijn oordeel voor de werking van het nieuwe stelsel in de eerste maanden? Kan de minister toezeggen deze beoordeling met de Kamer te delen?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op een gelijksoortige vraag van de leden van de PVV, is de implementatie van het Pact op 12 juni jl. een belangrijk moment en de formele start van de uitvoering van het Pact. Het gaat hier om een enorm en ingrijpend wetgevingspakket, dit heeft tijd nodig om goed te functioneren. Het is daarom noodzakelijk dat de lidstaten blijven investeren in de goede implementatie van het Pact. De Commissie monitort dit en ondersteunt de lidstaten waar nodig. In oktober publiceert de Commissie het jaarverslag over de migratiesituatie in de EU en zal daarbij ook rapporteren over de voortgang van implementatie van het Pact. Een appreciatie van dit jaarverslag zal ik t.z.t. delen met de Kamer.

Daarnaast heeft de Commissie op 15 juni jl. een mededeling gepubliceerd met daarin de beoordeling hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie van het Pact uitvoer geven aan de overdrachten onder de AMbV. Uw Kamer ontvangt hiervan een appreciatie.

De Europese Commissie komt op 12 juli met een beoordeling van de mate waarin lidstaten hun grensprocedures op orde hebben, als input voor de solidariteitscyclus in het najaar.

Vraag 23

Welke inzet en consequenties verbindt hij aan het uitblijven van adequate implementatie door andere lidstaten? Kan hij daarbij bevestigen dat Nederland geen solidariteitsbijdrage zal leveren ten aanzien van lidstaten waarvan de Commissie vaststelt dat sprake is van systemische tekortkomingen in de naleving van het Dublin-/AMbV-acquis, zoals eerder aan de Kamer is gemeld?

Antwoord

Het is de taak van de Europese Commissie om toe te zien op een goede uitvoering van de afgesproken regels door de lidstaten. Het is voor de Commissie mogelijk om in uiterste gevallen een inbreukprocedure te starten tegen lidstaten die zich niet aan de wet houden. Nederland blijft continu aandringen op een nauwe monitoring door de Commissie, en als de wetgeving niet adequaat wordt geïmplementeerd dat de Commissie hierop acteert. Indien de Commissie systemische tekortkomingen vaststelt zal Nederland geen solidariteit aan deze lidstaten leveren. De Commissie publiceerde op 15 juli jl. een mededeling met daarin de beoordeling hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie van het Pact uitvoer geven aan de overdrachten onder de AMbV. Over dit rapport ontvangt uw Kamer een kabinetsappreciatie. Uit het rapport blijkt dat Italië en Griekenland significante stappen hebben gezet richting de uitvoering van de AMbV. Het is nog te vroeg om hier conclusies aan te verbinden. Dat geeft de Commissie ook aan in haar rapport. In oktober rapporteert de Commissie opnieuw over de implementatie van de AMvb-overdrachten.

De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat Dublinclaimanten in ieder geval vanaf de datum van inwerkingtreding van het Pact weer worden teruggestuurd naar Italië en Griekenland.

Vraag 24

Kan de minister de Kamer op de hoogte houden van het verloop van deze terugkeer en ook specifiek van eventuele rechtszaken waarin deze terugkeer wordt aangevochten en de uitkomsten daarvan?

Antwoord

Nederland heeft met ingang van het Pact het proces van overdrachten onder de AMbV voor Griekenland en Italië hervat. Er moeten verschillende stappen doorlopen worden voordat een overdracht geeffectueerd kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase tijd. Nederland heeft intussen de eerste stappen gezet om Dublinoverdrachten weer in gang te zetten. Om dit te doen slagen staat Nederland in nauw contact met Griekenland en Italië.

De rechtbank Den Haag heeft in twee zaken met betrekking op de AMbV overdrachten naar Italië geoordeeld dat Nederland deze personen niet mag overdragen aan Italië. Tegen deze uitspraken wordt hoger beroep ingesteld. Uw Kamer wordt geïnformeerd over relevante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die gevolgen hebben voor het verdere proces.

De leden van de JA21-fractie verwelkomen zoals gezegd de hervatting van de overdrachten van Dublin-/AMbV-claimanten aan Italië, maar constateren dat de precieze grondslag en reikwijdte daarvan onduidelijk blijven.

Vraag 25

Kan de minister nauwkeurig uiteenzetten welke afspraken op dit moment precies gelden ten aanzien van het overdragen van claimanten aan Italië én aan Griekenland, wanneer die precies zijn gemaakt en welke afspraken precies zijn gemaakt over eerdere Dublinclaimanten? Gelden deze afspraken voor alle categorieën claimanten, dus ook voor bijvoorbeeld gezinnen, en zowel voor overname- als terugnamezaken of zijn bepaalde groepen daarvan uitgezonderd? Zijn er afspraken gemaakt over aantallen, quota of het tempo van overdrachten en, zo ja, welke?

Antwoord

Nederland heeft met het van toepassing worden van het Pact de eerste stappen van het proces van overdrachten onder de AMbV voor Griekenland en Italië hervat. Dit geldt voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is. De regels als vastgelegd in het AMbV zijn hiervoor leidend.

Het kabinet baseert de hervatting op de mondelinge bevestiging van de Italiaanse minister tijdens het gesprek van 3 juni 2026 dat Italië adequate opvang zal bieden.

Vraag 26

Beschikt de minister over een schriftelijke toezegging op dit punt en, zo nee, acht hij een mondelinge bevestiging een voldoende robuuste grondslag? Bevat de op 3 juni 2026 ondertekende Declaration of Intent tussen Nederland en Italië een concrete, afdwingbare garantie over adequate opvang van overgedragen claimanten of ziet die verklaring uitsluitend op bredere samenwerking? Kan de minister de relevante passages met de Kamer delen? Wat gebeurt er indien Italië, ondanks de mondelinge toezegging, in de praktijk opnieuw geen adequate opvang blijkt te bieden? Op welke wijze monitort de minister dit en welke gevolgen verbindt hij daaraan voor lopende en toekomstige overdrachten?

Antwoord

Tijdens het gesprek tussen de Minister van Asiel en Migratie van Nederland en de Minister van Binnenlandse Zaken van Italië op 3 juni jl., heeft de Italiaanse minister bevestigd richting Nederland dat Italië het pact per ingang van 12 juni jl., waaronder ook de AMbV, volledig zal implementeren. De Italiaanse inzet is net zoals de Nederlandse inzet gericht op het goed laten werken van het pact. In dat kader benoemde de Italiaanse minister expliciet dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden. Deze informatie van de verantwoordelijke Italiaanse minister is voor het kabinet aanleiding om overdrachten van asielzoekers op grond van de AMbV te hervatten.4 In het rapport van de Commissie over de uitvoering van de AMbV overdrachten daterend van 15 juli jl. schrijft de Commissie ook dat de opvangsituatie in Italië toereikend is voor de opvang van AMbV-zaken.

Het uitvoeren van het Pact, inclusief het terugnemen van asielzoekers waar de lidstaat voor verantwoordelijk is volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening en het bieden van adequate opvang cf. de Opvangrichtlijn, is tevens ook een wettelijke verplichting voor alle EU-lidstaten. Om een overdracht te kunnen realiseren moet de lidstaat waaraan de asielzoeker wordt overgedragen hieraan meewerken. Het is daarom van belang dat de Commissie, als hoeder van de verdragen, hierop toe ziet. Nederland blijft daar aandacht voor vragen.

Ten aanzien van Griekenland achten de leden van de JA21-fractie het een zeer goede zaak dat overdrachten naar Griekenland inmiddels daadwerkelijk zijn hervat.

Vraag 27

Kan de minister dit bevestigen en kan hij de precieze ingangsdatum van deze hervatting noemen? Klopt het dat dit per vrijdag 12 juni 2026 is ingegaan? Ziet deze hervatting alleen op nieuwe Dublin-/AMbV-claims en is de reeds bestaande voorraad aan Griekenland- en Italië-claimanten hiervan uitgezonderd? Wanneer is deze afspraak gemaakt en welke inzet had het Nederlandse kabinet daarbij? Heeft het Nederlandse kabinet überhaupt geprobeerd om in ieder geval Dublinclaimanten waarvan de termijn nog niet was verstreken per inwerkingtreding van het Pact ook te betrekken bij de overeenkomst? Waarom is dat niet geprobeerd of waarom is dat niet gelukt?

Antwoord

Nederland heeft met ingang van het Pact het proces van overdrachten onder de AMbV voor Griekenland en Italië hervat. Er moeten verschillende stappen doorlopen worden voordat een overdracht geeffectueerd kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase tijd. Om dit te doen slagen staan we met Griekenland en Italië in nauw contact.

Deze hervatting geldt voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is. Reeds bestaande zaken maken hier geen onderdeel van uit. Dit gesprek is wel gevoerd met zowel Italië als Griekenland maar heeft niet geleid tot een overeenkomst op dit punt. Het is prioriteit van Nederland is nu dat het Pact gaat werken, de focus ligt daarom bij deze zaken vanaf 12 juni jl.

De leden van de JA21-fractie wijzen in dit verband ook op de recent gemelde groep van naar verluid ongeveer 600 Palestijnse asielzoekers die als Griekse statushouder naar Nederland zijn gekomen.

Vraag 28

Worden zij, ondanks hun recente aankomst, tot de uitgezonderde bestaande voorraad gerekend of tellen zij al mee als nieuwe instroom en worden zij dus wél overgedragen?

Antwoord

Personen die al internationale bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat (statushouders) vallen buiten de reikwijdte van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op hen zijn dan ook niet de procedurele regels van die verordening van toepassing. Zoals aan uw Kamer gemeld tijdens het Commissiedebat JBZ-Raad (4-5 juni 2026) van 27 mei jl. ter uitvoering van de motie van het lid Ellian5 worden de asielverzoeken van personen die al internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland (en die niet zelfredzaam zijn of niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst) op dit moment aangehouden tot er samen met Griekenland goede afspraken zijn gemaakt over de terugkeer van deze doelgroep.

Vraag 29

De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre het continueren van de hervatting van Dublinoverdrachten afhankelijk is van Nederlandse financiële en andere inzet ter plekke.

Antwoord

Zoals aangegeven in voorgaande vragen, is het hervatten van de overdrachten onder de AMbV wettelijk verplicht. Dat is niet afhankelijk van de Nederlandse bilaterale inzet.

Nederland heeft veel baat bij een goed functionerend EU-asiel en migratiesysteem, en daarom investeert het kabinet in de brede migratierelatie met belangrijke partners zoals Griekenland en Italië. Een belangrijk element daarin is het samenwerken op de volledige en goede implementatie van het Pact, inclusief de uitvoering van de asielgrensprocedure en het bieden van adequate opvang aan asielzoekers. Als dat gewenst is, kan Nederland ook ondersteuning bieden. Dat doet Nederland onder andere in projecten in Griekenland om de situatie van amv’s te verbeteren. Een ander element is dat Nederland met deze lidstaten ook nauw samenwerkt op het bevorderen van de samenwerking met landen buiten de Europese Unie. Hierbij wordt het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer, het verminderen van irreguliere migratie richting de EU en de bescherming van vluchtelingen en migranten nagestreefd. De gesprekken over deze bredere samenwerking worden ook, indien nodig, gebruikt om het operationaliseren van de overdrachten onder AMbV te bespreken.

Vraag 30

De leden van de JA21-fractie vragen om hoeveel Dublin-/AMbV-claimanten uit Griekenland en Italië het thans in totaal gaat van wie de overdrachtstermijn nog niet is verstreken en hoeveel daadwerkelijke overdrachten sinds 12 juni 2026 hebben plaatsgevonden.

Antwoord

Zoals hierboven aangegeven ligt de focus voor Nederland op zaken vanaf 12 juni jl.. Er moeten verschillende stappen doorlopen worden voordat een overdracht geeffectueerd kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase tijd. Om dit te doen slagen staan we met Griekenland en Italië in nauw contact. Dit heeft tot nu toe zeer beperkt geleid tot overdrachten.

Vraag 31

Welke inzet pleegt de minister om te voorkomen dat lopende termijnen van juist deze recent gearriveerde groepen ongebruikt verstrijken, waardoor Nederland alsnog van rechtswege zelf verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling?

Antwoord

Deze hervatting geldt voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is, met andere woorden zaken vanaf 12 juni jl.. Reeds bestaande zaken maken hier geen onderdeel van uit. Dit gesprek is wel gevoerd met zowel Italië als Griekenland maar heeft niet geleid tot een overeenkomst op dit punt. Het is prioriteit van Nederland is nu dat het Pact gaat werken, de focus ligt daarom bij deze zaken vanaf 12 juni jl.

De leden van de JA21-fractie beschouwen de Terugkeerverordening als noodzakelijk onderdeel van het EU Asiel- en Migratiepact en hechten aan een voortvarende toepassing.

Vraag 32

Kan de minister nauwkeurig aangeven welke bepalingen bij inwerkingtreding van toepassing worden en welke pas (twaalf maanden) later? Klopt het dat onder meer de grondslagen voor het realiseren en operationeel maken van terugkeer- of transithubs, de bepalingen inzake terugkeer van minderjarigen en de externe dimensie direct van toepassing zijn?

Antwoord

Op moment van schrijven is de eindversie van de verordening nog niet bekend. De verwachting is dat de verordening in het najaar wordt gepubliceerd. Op basis van het onderhandelingsresultaat gaat het kabinet ervan uit dat bepaalde artikelen, die geen tot weinig wijziging van regelgeving of beleid behoeven, direct van toepassing worden op moment dat de verordening in werking treedt. Het gaat dan onder andere om bepalingen inzake de definitie van terugkeer, de juridische grondslag voor de terugkeer- of transithub, het waarborgen van fundamentele rechten en de externe dimensie. De overige artikelen worden één jaar na inwerkingtreding van toepassing.

De verordening maakt ook de overdracht van gezinnen met minderjarigen naar een terugkeer- of transithub mogelijk, terwijl dit in het oorspronkelijke Commissievoorstel uitdrukkelijk was uitgesloten.

Vraag 33

Kan de minister bevestigen dat Nederland van deze mogelijkheid gebruik wil maken? Op welke manier wordt daarbij toegezien op voorzieningen voor gezinnen?

Antwoord

Door de nieuwe terugkeerverordening worden de terugkeermogelijkheden uitgebreid en wordt een solide juridische basis gecreëerd voor de ontwikkeling van terugkeer- en transithubs. Dit sluit aan bij de inzet van het kabinet op meer innovatieve oplossingen om meer grip te krijgen op migratie. De verordening biedt de mogelijkheid om ook gezinnen met minderjarigen terug te sturen naar een transit- en terugkeerhub. Dit acht het kabinet van belang om te voorkomen dat de kwetsbare positie van minderjarigen wordt misbruikt om de terugkeerprocedure te frustreren. De concrete invulling van het concept moet nog nader worden uitgewerkt, ook in samenwerking met andere lidstaten. Het is van belang te benadrukken dat teugkeer- en transithubs aan Europese wetgeveing, internationale mensenrechten standaarden en aan principes van het internationaal recht moeten voldoen, zoals ook in de verordening is vastgelegd.

Ten aanzien van terugkeerhubs vragen deze leden de minister de actuele stand van zaken te schetsen van de Nederlandse inzet op terugkeerhubs en het veilig-derde-landconcept, sinds zijn brief aan de Kamer van mei 2026.

Vraag 34

Welke rol vervult Nederland binnen de kopgroep (Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Griekenland) en welke concrete toezeggingen of inzet heeft Nederland tot nu toe gepleegd? Is binnen de kopgroep reeds sprake van afspraken over financiën, locaties en andere aanverwante zaken en, zo ja, hoe luiden deze en welke verplichtingen brengt dat voor Nederland met zich? Indien nog niet overeengekomen en/of nog vertrouwelijk: op basis van welke criteria wordt deze naar verwachting vormgegeven en kan dit worden betrokken bij de technische briefing op 10 september 2026?

Antwoord

Nederland werkt in de kopgroep samen met de andere lidstaten om een terugkeerhub te operationaliseren. In de kopgroep wordt gesproken over mogelijke partnerlanden, wordt besproken op welke manier een terugkeerhub onderdeel kan zijn van een brede, wederkerige samenwerking, en wordt overlegd over de mogelijke modaliteiten voor de inrichting van een hub. Ook is de kopgroep in verkennende gesprekken met mogelijke partnerlanden. De precieze invulling van een terugkeerhub is mede-afhankelijk van partnerlanden. Het is belangrijk dat dit proces zorgvuldig, en vertrouwelijk wordt vormgegeven. Uw Kamer wordt over de voortgang verder geïnformeerd tijdens de vertrouwelijke technische briefing van 10 september as..

De Deense en Oostenrijkse bewindspersonen spreken van principeovereenkomsten vóór het einde van het jaar en de Duitse minister wil uiterlijk eind 2026 afspraken met derde landen, met het oog op operationele hubs in 2027.

Vraag 35

Hanteert Nederland eenzelfde concrete einddatum en acht de minister 2027 haalbaar? Zijn naar het oordeel van de minister verdere aanpassingen van de Vreemdelingenwet 2000 of andere nationale wetten nodig om terugkeerhubs operationeel en juridisch houdbaar te laten zijn? En, zo ja, wanneer verwacht hij deze wetswijziging in consultatie te brengen?

Antwoord

De Europese kopgroep die momenteel de mogelijkheden verkend voor het operationaliseren van een terugkeerhub is voornemens om voor het einde van het jaar een concreet resultaat te kunnen laten zien met een derde land. Er is geen aanpassing in de nationale wetgeving noodzakelijk voor het juridisch houdbaar inrichten en operationaliseren van een terugkeerhub.

In het kader van het Britse Rwanda-plan zijn verschillende centra gebouwd, waarbij het Verenigd Koninkrijk al honderden miljoenen euro’s zou hebben uitgegeven, zo merken de leden van de JA21-fractie op.

Vraag 36

Ziet de minister mogelijkheden om gebruik te maken van het ‘voorwerk’ en/of de voorzieningen die daaraan al zijn uitgegeven, om vergelijkbare afspraken te maken dan wel deze faciliteiten te benutten voor het inrichten van een terugkeerhub? Welke lessen heeft de minister getrokken uit het verloop van deze plannen en ook de plannen die Italië heeft met centra in Albanië?

Antwoord

De ontwikkeling en operationalisering van een terugkeerhub gebeurt niet in een vacuüm. Vanzelfsprekend kijkt het kabinet naar bruikbare voorbeelden voor de Nederlandse positiebepaling. De precieze invulling van een terugkeerhub is mede-afhankelijk van partnerlanden. Het kabinet kan niet vooruitlopen op dit diplomatieke traject.

Vraag 37

Hoeveel van de vier maal 10 miljoen euro per jaar (voor de jaren 2025-2028) voor migratiepartnerschappen is beschikbaar voor terugkeer en terugkeerhubs? Kan de minister bevestigen dat hij, indien sprake is van meerkosten, hiertoe een voorstel zal doen aan de Kamer?

Antwoord

Tot en met 2028 is er op begroting van JenV voldoende dekking voor de operationalisering van een eerste pilot voor innovatieve oplossingen.

Voornoemde leden merken op dat de minister meldde dat er tevens geld zou worden vrijgemaakt in de BHO-begroting voor het realiseren van terugkeerhubs en dat BHO-programmering wordt ingezet om tegemoet te komen aan de ontwikkelbelangen van (beoogde) partnerlanden.

Vraag 38

Kan de minister ondanks de voorbereidende fase een indicatieve bandbreedte geven van de omvang van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid zullen zijn? Welke vormen van deze eventuele extra fondsen kwalificeren volgens de OESO-DAC-richtlijnen als ODA en op welke grondslag?

Antwoord

De ontwikkeling van terugkeerhubs zal worden ingebed in de brede relatie met de betreffende landen. Om aan gebalanceerde partnerschappen te werken waarin ook oog is voor de belangen van de partner, zal ook BHOS-programmering worden ingezet om in de ontwikkelbelangen van de beoogde partners tegemoet te kunnen komen, waar mogelijk aansluitend op EU-inzet. Die behoeftestelling moet nog plaatsvinden en een indicatieve bandbreedte van de omvang van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid zullen zijn kan dan ook nog niet gegeven worden. De middeleninzet zal vanaf 2027 plaatsvinden en hangt met name af van de behoeften van potentiële partnerlanden. Dit kan dus ook andere thema’s dan migratie beslaan. Daarbij blijft het uitgangspunt dat ODA-financiering voldoet aan de OESO-DAC criteria voor ontwikkelingssamenwerking.


  1. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 19 637, nr. 3533.↩︎

  2. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 36 871 nr. 69↩︎

  3. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025 – 2026, 19673, nr. 3557.↩︎

  4. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025 – 2026, 32 317, nr. 1014↩︎

  5. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 20 043, nr. 165.↩︎