Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over de wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D41063, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 16:39, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
- Mede namens: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z16055:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2936
Antwoord van minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 4 september 2026)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel “Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij” in NRC van 9 juli 2026?
Antwoord 1
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Vraag 3
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Vraag 4
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Vraag 6
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een “fishing expedition”, waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde “winner’s curse”?
Vraag 8
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Antwoord vragen 2 t/m 8
Het is niet aan het kabinet om deze individuele punten van kritiek op het VGO-onderzoek technisch-inhoudelijk te beoordelen en te wegen. De toenmalige ministers van VWS en LVVN hebben de Gezondheidsraad gevraagd na te gaan hoe sterk de bewijskracht is voor het bestaan van een oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen.1 Daartoe evalueerde de raad beschikbare relevante wetenschappelijke kennis (waaronder alle VGO-rapporten en beschikbare publicaties, alsook de studies van Inge Roof) op basis van de criteria consistentie, biologische plausibiliteit, coherentie en onzekerheid.2 De raad constateert dat het VGO-III-onderzoek bevindingen heeft opgeleverd die de consistentie van de eerder gevonden associatie versterken, en concludeert op basis daarvan dat er voldoende bewijs is voor een verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen.
De uitgevoerde externe reviews, waar in vraag 3 aan wordt gerefereerd, gaven de VGO-III-stuurgroep bovendien geen aanleiding om het onderzoek anders op te zetten. Professor Zielhuis maakte in zijn review de opmerking over de huisartsendata als antwoord op een vraag naar specifieke adviezen voor vervolgonderzoek. Op de vraag of de conclusies in de (destijds twee) voorliggende VGO-rapporten voldoende gedekt werden door de gevolgde analyses, was zijn oordeel dat dit het geval was. Ook was hij positief over de toegepaste methoden in het onderzoek, en de wijze waarop deze zijn toegepast.3
De Gezondheidsraad heeft de wettelijke taak regering en parlement van advies te voorzien over de stand van de wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het gebied van volksgezondheid en gezondheids(zorg)onderzoek en is het hoogste wetenschappelijke adviesorgaan voor dat terrein. De Gezondheidsraad hanteert daarbij een multidisciplinaire aanpak door verschillende disciplines, visies en stromingen in de adviescommissies op te nemen. Het kabinet volgt het Gezondheidsraadadvies dat er voldoende aanleiding is voor overheden om, op grond van het voorzorgsbeginsel, maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken.
Vraag 9
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Vraag 10
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Vraag 11
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Antwoord vragen 9 t/m 11
Het kabinet onderschrijft het belang van peer-review en wetenschappers die onderzoek van andere onderzoekers beoordelen. Data die worden verzameld in onderzoek gefinancierd door de Rijksoverheid worden zoveel mogelijk openbaar gemaakt. Het delen van de data van het VGO-onderzoek, en bepalen in welke vorm, kan echter alleen door de VGO-onderzoekers worden gedaan. De VGO-onderzoekers hebben aangegeven dat zij natuurlijk bereid zijn toegang te verlenen tot data uit het VGO-onderzoek voor onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekers. De procedure hiervoor is, zoals gebruikelijk bij het RIVM, dat een verzoek tot datalevering ingediend kan worden met uitleg over de aard en het doel van het onderzoek. Dit wordt vervolgens beoordeeld door de (voormalige) stuurgroepleden van het VGO-consortium. In geval van specifieke datasets ligt de beoordeling en bevoegdheid tot datalevering echter bij de eigenaar van de data (bijvoorbeeld bij Nivel als het gaat om data uit de vragenlijsten). Indien het verzoek passend en haalbaar is, uiteraard rekening houdend met de privacy van de deelnemers aan het onderzoek, kunnen onderzoekers toegang krijgen tot data uit het VGO-onderzoek. Dat onderzoekers op deze manier, binnen de geldende voorwaarden, toegang kunnen krijgen tot data is in lijn met de motie-Den Hollander/Grinwis (Kamerstuk 28 973, nr. 303).
In de brief van 27 maart 20254 heeft de toenmalige minister van VWS toegelicht dat bij het verzamelen van de data van de VGO-III-patiëntenstudie aan deelnemende patiënten en huisartsen toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot privacy en afspraken zijn gemaakt dat de data alleen voor wetenschappelijk onderzoek mogen worden gebruikt. Gelet op deze voorwaarden konden de data alleen op vertrouwelijke wijze, in print en niet herleidbaar tot personen, aan de Tweede Kamerleden ter inzage worden gelegd. Daarom is de motie-Van der Plas (Kamerstuk 29 683, nr. 306), waarin werd verzocht om verstrekking aan de Tweede Kamer in een digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar formaat, destijds ontraden. Dit is ook in de appreciatie van de motie toegelicht. Na de terinzagelegging aan de Kamer is bij het ministerie van VWS een verzoek tot openbaarmaking van de geanonimiseerde patiëntengegevens ingediend. Het bezwaar dat de verzoeker maakte naar aanleiding van een afwijzende beslissing op het Woo-verzoek is op 21 juli 2026 gegrond verklaard. Vervolgens zijn de geanonimiseerde patiëntengegevens op 2 september 2026 online gepubliceerd.5
Vraag 12
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Antwoord 12
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Antwoord 13
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Vraag 14
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Vraag 15
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Antwoord vragen 14 en 15
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Vraag 16
Waarom heeft het ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Antwoord 16
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Vraag 17
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Vraag 18
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1000 meter niet meer statistisch significant is?
Antwoord vragen 17 en 18
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Vraag 19
Kan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Antwoord 19
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Vraag 20
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Antwoord vragen 20 en 21
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Vraag 22
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Antwoord 22
Ja.
Adviesaanvraag VWS over gezondheidsrisico's omwonenden veehouderijen, in het bijzonder geitenhouderijen (4 februari 2025). https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2025/02/04/adviesaanvraag-vws-gezondheidsrisicos-omwonenden-veehouderijen-i.h.b.-geitenhouderijen↩︎
Gezondheidsraad (3 juli 2025). Advies Gezondheidsrisico's rond veehouderijen 2025: deel I. https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2025/07/03/advies-gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-i↩︎
Openbaargemaakte documenten bij herziene beslissing op bezwaar Woo-verzoek over VGO (8 april 2025). https://open.overheid.nl/details/bd6a976b-7793-420f-b561-90c17fe6b79a↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 28 973, nr. 262.↩︎
Patiëntendata VGO-III. https://open.minvws.nl/dossier/VWS-WOO/4319847-1092435-doo↩︎
Aanhangsel Handelingen II 2024/2025, nr. 1957.↩︎
Openbaargemaakte documenten bij herziene beslissing op bezwaar Woo-verzoek over VGO (8 april 2025). https://open.overheid.nl/details/bd6a976b-7793-420f-b561-90c17fe6b79a↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 XIV, nr. 87.↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎