Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over RIVM-rapport ‘Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid’ (Kamerstuk 32793-912)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D46254, datum: 2026-09-25, bijgewerkt: 2026-10-15 10:19, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (nds-tk-2026D46254).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (PRO)
- Mede ondertekenaar: M. Heller, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z15023:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-25 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-09-02 10:15 ⇒ Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vastgesteld op vrijdag 25 september 2026 te 12.00 uur. (Besluit)
- 2026-09-02 10:15 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat Publieke gezondheidszorg / pandemische paraatheid (incl. PAIS) op 16 december 2026. (Besluit)
- 2026-07-01 13:30 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-07-01 13:30: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-02 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-09-25 12:00: RIVM-rapport ‘Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid’ (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-12-16 13:30: Publieke gezondheidszorg / pandemische paraatheid (incl. PAIS) (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
2026D46254 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het RIVM-rapport «Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid»1.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
| I. | Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie | |
| Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower | |
| II. | Reactie van de Minister |
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het RIVM-rapport over de Risicoscan internationale dreigingen. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat met betrekking tot risico’s rond infectieziekten antimicrobiële resistentie een steeds groter probleem wordt. Welke maatregelen worden genomen om resistente bacteriën en schimmels tijdig te signaleren en passende zorg te bieden? Ziet de Minister reden om deze aanpak te intensiveren, bijvoorbeeld op het gebied van surveillance en diagnostiek? Ziet de Minister heil in het advies van het RIVM om een speciaal gezant antimicrobiële resistentie (AMR) aan te stellen? Op welke manier gebruikt Nederland zijn positie als voorloper op het gebied van tegengaan van AMR om andere Europese Economische Ruimte (EER)-landen te helpen in de strijd tegen resistentie? Aangezien militair conflict en oorlogsslachtoffers drijvers kunnen zijn van AMR, vragen deze leden de Minister in welke mate Nederland Oekraïne (als niet EER-land) ondersteunt op dit vlak. Ziet de Minister mogelijkheden om Oekraïne ook te steunen met surveillance en diagnostische voorzieningen?
Deze leden kijken met zorg naar de recente ontwikkelingen rond het stijgend aantal infecties met het Westnijlvirus. Hoe bereidt de Minister Nederland voor op vectoroverdraagbare infectieziekten, zoals het westnijlvirus en zika, die zich door klimaatverandering vaker kunnen voordoen of endemisch kunnen worden? Welke voorzieningen op het vlak van bijvoorbeeld surveillance, diagnostiek, vectorbestrijding of publiekscommunicatie zijn noodzakelijk om Nederland voor te bereiden op deze infectieziekten? De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat het RIVM dit jaar nog een nieuw nationaal surveillanceplatform lanceert om informatie-uitwisseling op het vlak van pandemische paraatheid tussen Nederlandse laboratoria te vereenvoudigen. Daartoe vragen deze leden welke partijen daarop worden aangesloten en wanneer het volledig operationeel is.
De leden van de D66-fractie hebben daarnaast met interesse kennisgenomen van het advies om een brede maatschappelijke risicodialoog over langdurige gezondheidscrises te organiseren. Deze leden vragen zich af of de Minister voornemens is om dit advies over te nemen. Welke vorm ziet de Minister voor zich om dit te doen, en welke rol krijgen burgers, zorgprofessionals, kennisinstellingen, medeoverheden, en overige relevante participanten in deze dialoog?
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de afnemende bereidheid om deel te nemen aan vaccinatie- en bevolkingsonderzoekprogramma’s. Welke gevolgen kan verdere daling van de vaccinatiegraad hebben voor de volksgezondheid? Voor 2026 zijn er incidentele middelen beschikbaar gesteld voor de wijkgerichte aanpak, middelen die vanaf 2027 structureel worden gemaakt. Hoe worden deze middelen ingezet om de vaccinatiegraad te doen stijgen? Wanneer kan de Minister de eerste resultaten delen van deze intensivering? Welke stappen zet de Minister aanvullend om vertrouwen te herstellen, in het bijzonder voor groepen die met de huidige communicatie en uitvoering onvoldoende worden bereikt?
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van weerbare kritieke zorginfrastructuur en robuuste internationale ketens. Deze leden maken zich al langer zorgen over de algemene weerbaarheid van het Nederlandse zorgsysteem. De leden van de D66-fractie lezen dat het RIVM adviseert om strategische voorraden aan te leggen voor geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, vaccins en persoonlijke beschermingsmiddelen. Welke stappen zet de Minister om deze voorraden ook inderdaad aan te leggen en bij te houden? Welke stappen zet de Minister om te komen tot productie dicht bij huis en diversificatie van toeleveringsketens van deze producten? Op welke wijze werkt Nederland daarin samen met andere Europese Unie (EU)-lidstaten of EER-leden? Is het in deze verhouding duidelijk welke partij verantwoordelijk is voor de inkoop, het beheer en de distributie van de voorraden tijdens een crisis?
De leden van de D66-fractie lezen met interesse het advies om de ketenregie nationaal te versterken en bijbehorend mandaat vast te leggen. Het RIVM schrijft hierin dat het belangrijk is dat er een centrale partij ketenbrede risico’s inventariseert en signaleert, met mandaat over verschillende schaalniveaus en domeinen heen. Ze zien hierin een cruciale rol voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deelt de Minister deze opvatting? Op welke wijze werkt de Minister aan het verstevigen en bestendigen van de ketenregie en het bijbehorende mandaat?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast bijzondere aandacht voor de cyberweerbaarheid van kleine zorgaanbieders. Welke ondersteuning ontvangen zij om aan geldende beveiligingsnormen te voldoen, incidenten tijdig te signaleren en bij een cyberaanval de continuïteit van zorg te waarborgen? Acht de Minister de beschikbare kennis, capaciteit en financiële middelen hiervoor toereikend, en hoe wordt de voortgang van deze maatregelen gemonitord en met de Kamer gedeeld?
De leden van de D66-fractie willen sluitend aandacht vragen voor een van de belangrijkste bevindingen van het RIVM: de aandacht die nodig is voor de weerbaarheid. Het RIVM concludeert dat er een weerbaarheidsaanpak nodig is. Het RIVM vraagt hierbij specifieke aandacht voor strategische voorraden, redundante productiecapaciteit binnen de EU, heldere opschalingsprotocollen en geoefende crisisstructuren. Op welke wijze werkt de Minister aan een dergelijke weerbaarheidsaanpak?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister en het RIVM-rapport. Zij danken de Minister voor haar brief en het rapport. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan aangeven welke dreigingen uit het rapport de Minister met spoed mee aan de gang wil. Op welke punten is Nederland volgens de Minister niet goed voorbereid en is versteviging nodig?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het risico op antimicrobiële resistentie nog steeds hoog is. Deze leden zien dit als een van de grootste directe dreigingen voor de volksgezondheid. Welke stappen ziet de Minister om dit tegen te gaan? Op welke manier kan zij internationale samenwerking op dit vlak aanjagen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennis genomen van het RIVM-rapport «Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid». Ze hebben verder geen vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het RIVM-rapport «Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid» en zien de reactie van de Minister hierop graag tegemoet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de Partij voor de Dieren (PvdD)-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het rapport «Risicoscan internationale dreigingen voor de Nederlandse volksgezondheid» en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de grootste dreigingen voor de Nederlandse gezondheid voor de komende tien jaar onder andere klimaatverandering, milieuvervuiling en desinformatie zijn. Kan de Minister per punt uitgebreid ingaan op welke manier zij haar verantwoordelijkheid voor het beschermen van gezondheid hierin oppakt?
Op welke manier betrekt de Minister haar collega’s op desbetreffende dossiers hierbij? Welke concrete vergaderingen worden hiervoor belegd? Welke concrete acties volgen hierop? Kan de Minister een volledig overzicht geven?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de belangrijkste dreiging voor de gezondheid AMR is. Dit komt voor bij mensen, planten en dieren. En de veesector is samen met de gezondheidszorg de belangrijkste oorzaak hiervan. Doordat in de veesector veel te veel middelen worden gebruikt, worden Nederlanders en de natuur steeds ongevoeliger voor antimicrobiële middelen. Kan de Minister dit verband bevestigen? Wat doet de Minister, en in het bijzonder de Minister van VWS, eraan om ervoor te zorgen dat het gebruik van antimicrobiële middelen in de veesector af zal nemen? Is zij bereid hierover met de Minister van LVVN in gesprek te gaan?
De leden van de PvdD-fractie lezen ook dat AMR ontstaat als gevolg van het gebruik van landbouwgif. Kan de Minister de bevindingen van het rapport delen met de convenanttafel van het convenant «gewasbeschermingsmiddelen»? Is de tafel bereid, in licht van dit rapport, om opnieuw met gezondheidsorganisaties en natuurorganisaties in gesprek te gaan over het convenant en hun input serieus te nemen voor het resultaat? Zo nee, waarom niet? Welke concrete garanties voor gezondheid van mensen wil de Minister zien in de vervolgstappen die worden gezet in aanpak van landbouwgif, gezien de zorgen die er zijn (onder andere geuit door vele artsen)? Is de Minister ook van mening dat stappen die worden gezet op landbouwgif ook gedragen moeten worden door natuur-, milieu- en gezondheidsorganisaties, en niet alleen door de sector? Zo nee, waarom laat ze de belangen van de sector zwaarder wegen dan de belangen van de gezondheid? Is zij bereid de vervolgacties met betrekking tot landbouwgif te laten toetsen door gezondheidsexperts, om onafhankelijk te kunnen bepalen of de stappen voldoende zijn om gezondheid van onder andere kinderen te borgen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat klimaatverandering een «grote en veelvormige impact heeft op de volksgezondheid». Voorbeelden hiervan die worden genoemd zijn «hittestress, slechte luchtkwaliteit, UV-straling, infectieziekten en allergieën». Ook staat de mentale gezondheid onder druk. Is de Minister bereid om zich in dit licht in Europees verband in te zetten voor regelgeving om klimaatverandering steviger tegen te gaan? Is de Minister bereid om te streven naar een Green Deal 2.0? Is de Minister bereid om zich internationaal in te zetten voor een nieuw internationaal Klimaatakkoord? Is de Minister bereid om de verplichtingen uit het Parijsakkoord ook te laten gelden voor Caribisch Nederland, waar de druk van klimaatverandering extra hoog is?
De leden van de PvdD-fractie lezen de verschillende handelingsopties die worden voorgesteld: a) gezondheid meer centraal zetten bij nationaal en internationaal klimaatbeleid; b) investeren in betere signalering en suvereillance van gezondheidseffecten van klimaatverandering; c) nationaal regie nemen en beleidskaders bieden op het gebied van klimaatadaptatie; d) versterken van de samenwerking met andere ministeries; e) aansluiten bij bestaande nationale samenwerkingsverbanden die al bezig zijn met klimaatverandering en gezondheid; f) zorgprofessionals, gemeenten en burgers beter voorberiden op de gezondheidsimpact van klimaatverandering en weersextremen; g) ontwikkelen van publiekscampagnes om mensen te informeren; h) samenwerken met lokale overheden en maatschappelijke organisaties. Kan de Minister voor elk van deze aanbevelingen individueel aangeven en onderbouwen hoe zij hier invulling aan gaat geven de komende jaren en welke extra maatregelen ze per aanbeveling gaat treffen?
De leden van de PvdD-fractie lezen ook de verschillende handelingsopties omtrent het tegengaan van desinformatie. Kan de Minister ook hier per optie aangeven hoe zij hier invulling aan gaat geven de komende jaren en welke extra maatregelen ze per aanbeveling gaat treffen?
De leden van de PvdD-fractie wijzen op de waarschuwing in het rapport dat «Nederland nog als betrouwbare partner wordt gezien», maar dat dit «snel kan veranderen als het beleid niet congruent is». Is de Minister het eens dat Nederland zich aan alle Europees gemaakte afspraken en gestelde doelen moet houden en dat ze daarom niet rustiger aan kan doen met het aanpakken van klimaatverandering? Ziet de Minister dat dit de statuur van Nederland als betrouwbare partner onder druk zet?
De leden van de PvdD-fractie zien dat de rijksbrede beleidsagenda «gezondheid in alle beleidsterreinen» (GiaB) wordt aangehaald. Is de Minister bereid deze agenda te actualiseren? Is de Minister bereid deze agenda op de agenda van de ministerraad te zetten ter bespreking en gezamenlijke afstemming? Is de Minister bereid om de extra gemaakte afspraken op basis hiervan te delen met de Kamer?
De leden van de PvdD-fractie lezen ook dat het kan helpen voor beleidscoherentie om departementoverstijgende verbindingen te faciliteren. Is de Minister bereid om een regeringscommissaris Bescherming Nederlandse Volksgezondheid aan te stellen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat er ook betere afstemming nodig is tussen de Ministeries van Defensie en VWS, zeker nu oefeningen toenemen. Heeft de Minister hiervoor al een overlegstructuur georganiseerd? Welke specifieke maatregelen treft de regering om de verspreiding van AMR nabij defensieoefenterreinen tegen te gaan? In welke mate wordt dit geborgd, indachtig dat de Minister van Defensie net een Wet op de Defensiegereedheid heeft gepresenteerd waardoor Defensie allerlei uitzonderingen krijgt op milieuwetgeving?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de bijbehorende beslisnota dat het voorgaande rapport uit 2019 aan de basis stond van de Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie. Deze strategie wordt ook genoemd in het coalitieakkoord. Gaat de Minister aan de hand van dit rapport haar mondiale gezondheidsstrategie actualiseren? Kan de Minister laten weten aan de Kamer op welke wijze deze mondiale gezondheidsstrategie wordt aangescherpt en welk tijdspad daarbij hoort?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of zij ook nog in wil gaan op alle aanbevelingen van het rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) «Pan-European Commission on Climate and Health: recommendations for accelerating climate action for health». Kan zij per aanbeveling aangeven of en hoe zij deze integreert in haar beleid en welke beleidswijzigingen of extra maatregelen hiermee gepaard zullen gaan? Kan zij, indien ze een aanbeveling niet overneemt, dit onderbouwen met wetenschappelijke bronnen waarom zij dit niet doet?
De leden van de PvdD-fractie zien de beantwoording met interesse tegemoet en zouden graag zien dat elke vraag daarin wordt beantwoord.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van stukken. Zij wachten de beantwoording met belangstelling af.
II. Reactie van de Minister
Kamerstuk 32 793, nr. 912↩︎