Werken aan balans
Bestuur en bestuurlijke inrichting
Brief regering
Nummer: 2026D46363, datum: 2026-09-25, bijgewerkt: 2026-10-15 11:47, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 33047 -50 Bestuur en bestuurlijke inrichting.
Onderdeel van zaak 2026Z20081:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-10-15 14:33 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-10-08 11:30 ⇒ Agenderen voor het ongeplande commissiedebat Financiën decentrale overheden. (Besluit)
- 2026-10-08 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-10-15 14:33: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- Geen datum: Financiën decentrale overheden (Commissiedebat), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
33 047 Bestuur en bestuurlijke inrichting
29 362 Modernisering van de overheid
Nr. 50 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 september 2026
Op 9 januari jongstleden heeft mijn ambtsvoorganger de kabinetsreactie verstuurd op de ROB adviezen ‘Afrekenen met disbalans’ en ‘Meters maken met medebewind’.1 De adviezen en de kabinetsreactie behandelen de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringkracht op de taken die medeoverheden2 uitvoeren en het zicht dat Rijk en medeoverheden daar samen op hebben. De kabinetsreactie concludeerde dat het noodzakelijk is om verbetering aan te brengen in het zicht dat Rijk en medeoverheden hebben op de balans op medebewindstaken en andere wettelijke verplichtingen, zodat het gesprek hierover, onder meer met uw Kamer en de Eerste Kamer, beter kan worden gevoerd.
Hiertoe is in de afgelopen maanden een verkenning uitgevoerd, samen met vakdepartementen en de koepels VNG en IPO. Doel van de verkenning was om tot een concreet voorstel te komen, waarmee we inzicht in de balans op taken en overzicht van medebewindstaken kunnen verkrijgen, versterken en borgen. Hierbij is er aandacht voor dat het voorstel dient te passen binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, en de eigen beleidsruimte en verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben. Met de verkenning is gezamenlijk een interbestuurlijke vervolgstap gezet, op basis waarvan Rijk en medeoverheden de komende tijd verder zullen bouwen ter versterking van het inzicht en overzicht op medebewindstaken en de hierbij horende balans. Hiermee geven Rijk en medeoverheden tevens opvolging aan uitgangspunten over taken, uitvoering en financiering in de Samenwerkingsagenda. Hier wordt momenteel aan gewerkt.3
In het gesprek met uw Kamer en de Eerste Kamer hierover is mij gebleken dat er ook bij uw Kamers behoefte is om beter in positie te komen om te kunnen beoordelen, of de middelen in het gemeente- en provinciefonds toereikend zijn om de gemeentelijke dan wel provinciale taken uit te kunnen voeren. Dit aspect is meegenomen in deze verkenning naar monitoring. Ik beoog hiermee een stap te zetten richting een structurele agenda, waarbij gewerkt wordt aan het beter in beeld brengen van het takenpakket van medeoverheden, het beter voeren van het gesprek over de balans en de wijze waarop taken hierbij worden ingevuld. Vervolgens kan dit vragen om het treffen van maatregelen om de balans te herstellen of beter te borgen. Hiermee doe ik mijn toezegging van 15 juni jongstleden gestand.4 De structurele agenda is lijn met de adviezen van de ROB en vormt een uitwerking van een van de bouwstenen van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen: het streven naar congruentie tussen ambities en bekostiging, bevoegdheden en risico’s. Dit naast de inzet om te zorgen voor balans op nieuwe en gewijzigde taken, onder meer via de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO), waar het artikel 2-onderzoek5 onderdeel van uitmaakt. Genoemde stappen zijn onderdeel van een groeimodel, dat ik in gezamenlijkheid met de koepels en vakdepartementen nader wil uitwerken en waarover ik graag ook met uw Kamer nader het gesprek aan ga.
Overzicht van taken en signalering van knelpunten
Zoals geadviseerd door de ROB en reeds toegezegd, ben ik gestart met het nader in kaart brengen van het takenpakket van gemeenten en provincies. Dit is onderdeel van de verkenning om tot verbetering van het overzicht te komen. Dit overzicht moet helderheid verschaffen over de omvang van het takenpakket en de sturingsmogelijkheden en mate van beleidsvrijheid die medeoverheden hierin hebben. Hierbij gaat ook aandacht uit naar de wijze waarop de sturingsmogelijkheden en de beleidsvrijheid zich over de tijd hebben ontwikkeld en de verschillen die er tussen individuele gemeenten of provincies kunnen bestaan. Beide Kamers worden in november geïnformeerd over het overzicht van taken. Begin 2027 volgt het volledige onderzoek, met daarin ook een inventarisatie van de sturingsmogelijkheden en mate van beleidsvrijheid. Daarin zal ook worden geadviseerd, hoe het overzicht structureel kan worden bijgehouden en een rol kan spelen in het gesprek tussen overheden over de balans.
Er kan, gebruikmakend van de gegevens van de jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten en provincies (de zogenaamde Iv3-gegevens, die publiekelijk toegankelijk zijn via www.findo.nl6) en het overzicht van het takenpakket van medeoverheden, beter inzicht worden geboden in de uitgavenontwikkeling van gemeenten en provincies. Dit geldt voor zowel beleidsvrije als minder beleidsvrije taken. Dit zal in het vervolg als onderdeel van de Integraal Overzichten Financiën Gemeenten en Provincies, die uw Kamer jaarlijks in het najaar ontvangt, worden toegevoegd. Deze informatie kan een agenderende werking hebben. Zo kan een snelle of juist achterblijvende uitgavenontwikkeling een signaal zijn om met gemeenten of provincies in gesprek te gaan om te bepalen, in hoeverre er bij een taak disbalans ontstaat of dreigt te ontstaan.
Naast de omvang van de middelen is er ook aandacht voor de verdeling van de middelen. Voor de verdeling van de middelen is het uitgangspunt, zoals opgenomen in de Financiële-verhoudingswet, dat het verdeelmodel van het gemeentefonds dan wel provinciefonds tot doel heeft om iedere gemeente dan wel provincie een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, zodat gemeenten en provincies een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiseren tegen gelijke belastingdruk. Uw Kamer ontvangt daarom jaarlijks, als bijlage bij de begroting van het gemeentefonds, het Periodiek Onderhoudsrapport (POR)7. In het POR worden de veronderstelde uitgaven en inkomsten in het verdeelstelsel afgezet tegen de begrote uitgaven en inkomsten volgens de gemeentelijke begrotingen, met als doel om te analyseren of de verdeling van de middelen van het gemeentefonds het actuele uitgavenpatroon van gemeenten volgt (de aansluiting).
Het overzicht van taken, in combinatie met de Iv3-taakvelden, vormt een aanvulling op de bestaande informatie die u van de fondsbeheerders ontvangt, bijvoorbeeld het POR.8 Met deze informatie heeft uw Kamer vanaf volgend jaar jaarlijks voor de begrotingsbehandeling overzicht van het geheel van taken en een beeld van de mate van beleidsvrijheid en sturingsmogelijkheden hierop, wat bijdraagt aan het inzicht in de balans tussen ambities, taken, uitvoering, uitgaven en budgetten. Hoe de informatie gebruikt kan worden om op specifieke taken tot het gesprek te komen over de mate van beleidsvrijheid, sturingsmogelijkheden en uiteindelijk wat nodig is voor verbetering of herstel van de balans, zal ik verderop in deze brief uiteen zetten. Dit gesprek is noodzakelijk om de juiste duiding, verdieping en kleuring bij het overzicht te krijgen. Dit geldt zeker ook waar er verschillen tussen medeoverheden zichtbaar zijn.
Inzicht in balans, casussen in de praktijk
In de verkenning is nader bekeken hoe op een aantal specifieke beleidsterreinen de balans tussen ambities, taken, middelen (financiële en bevoegdheden) en uitvoeringskracht geduid kan worden, welk inzicht hiervoor beschikbaar is en hoe het gesprek hierover verloopt. Er is bewust gezamenlijk gekozen voor deze aanpak, zodat we deze op een later moment verder kunnen uitbouwen.
Jeugdzorg in relatie tot balans
Los van de casussen die zijn onderzocht, is het goed om ook stil te staan bij jeugdzorg, aangezien hier al langere tijd gesprekken over plaatsvinden omdat het stelsel nog niet in balans is. Hieruit zijn tevens lessen te trekken voor het geheel. Met de drie decentralisaties van 2015 zijn wat betreft Jeugdzorg verschillende onderdelen in medebewind neergelegd bij één bestuurslaag, met één wettelijk kader en één integraal financieringssysteem. De toenmalige beleidsambitie was dat de zorg doelmatiger en dichter bij de burger op maat georganiseerd kan worden en zou leiden tot versterking van de lokale samenhang binnen het sociaal domein.9
Tegen de verwachting ten tijde van de decentralisatie in zijn de afgelopen jaren de uitgaven aan jeugdzorg fors gestegen. Naar aanleiding hiervan zijn op verschillende momenten nadere onderzoeken uitgevoerd, financiële middelen aanvullend ter beschikking gesteld, gezamenlijk oplossingsrichtingen geformuleerd en bestuurlijke afspraken gemaakt. Een belangrijke stap hierin is het onderzoek ‘Stelsel in groei’ geweest, met de centrale vraag welk budget structureel nodig is bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet.10 Dit werd op korte termijn gevolgd door een rapport van de commissie Sint en een uitspraak van de Commissie van Wijzen, welke leidden tot een startpunt voor afspraken over aanvullende middelen en maatregelen om de jeugdzorg te verbeteren en te komen tot een houdbaar stelsel: de Hervormingsagenda Jeugd.11 Met de Hervormingsagenda zijn zowel structurele als incidentele middelen toegevoegd aan het gemeentefonds en afspraken gemaakt over een financiële doelstelling en de maatregelen die zouden worden genomen om de beoogde besparing te realiseren.12 In de Hervormingsagenda zitten ook beleidsinhoudelijke afspraken, die ook met aanbieders, professionals en cliënten zijn afgesproken.
In de Hervormingsagenda is ook een afspraak gemaakt over het instellen van een onafhankelijke Deskundigencommissie, die tweemaal advies geeft over de voortgang van de Hervormingsagenda. Inmiddels is een eerste advies opgeleverd, waarin de belangrijkste conclusie is dat om tot verbetering van het stelsel (inhoudelijk en financieel) te komen de afspraken uit de Hervormingsagenda noodzakelijk zijn, maar ook dat er meer nodig is.13 Met de VNG is gekomen tot afspraken over de opvolging van dit advies en daarnaast worden ook aanvullende maatregelen genomen, zoals een eigen bijdrage.14 Met gemeenten, aanbieders, professionals en cliënten is een aanscherping en intensivering afgesproken op de maatregelen uit de Hervormingsagenda.
Begin 2027 zal het tweede advies van de Deskundigencommissie worden opgeleverd. Naast de uitvoering van de aangescherpte en aanvullende afspraken, wordt er een groot aantal gezamenlijke onderzoeken uitgevoerd, die aanvullend inzicht dienen te geven in het functioneren van het stelsel en de oorzaken van de uitgavenontwikkeling. Hierbij gaat het onder meer om (verdiepend) uitgavenonderzoeken en een onderzoek naar de huidige sturingsmogelijkheden van gemeenten. Daarnaast is het Rijk in gesprek om de mogelijkheden te verkennen om te komen tot betere sturing op het stelsel (macrobeheersing). Het advies van de Deskundigencommissie zal als maatgevend en zwaarwegend worden beschouwd. Besluitvorming hierover loopt mee in de voorjaarsbesluitvorming 2027.
Met deze lopende trajecten (de intensivering van de Hervormingsagenda, aanvullende maatregelen en de verbetering van de inzichten in het stelsel én het traject macrobeheersing) worden op intensieve wijze en in gezamenlijkheid stappen gezet, die bijdragen aan de balans in het stelsel en toewerken naar de aanvullende stappen die we gezamenlijk daarvoor nodig achten. Daarbij is van belang dat bij de jeugdzorg sprake is van een grote verscheidenheid in de taken, die bij de gemeente zijn neergelegd met de Jeugdwet. Het is daarmee noodzakelijk om niet enkel te kijken naar de balans in taken en middelen in zijn algemeenheid, maar om op verschillende onderdelen van het stelsel te kijken naar het samenspel van taken, de invulling, middelen, ambitieniveau, uitvoeringskracht sturingsmogelijkheden en beleidsvrijheid, en de wisselwerking daartussen. Dit is van belang voor de interbestuurlijke en financiële verhoudingen binnen het jeugdstelsel.
Casussen
In de genoemde verkenning is op basis van een selectie van taken van gemeenten en provincies geanalyseerd hoe de balans tussen ambitie, taak, middelen en uitvoeringskracht er op hoofdlijnen geduid kan worden. De geselecteerde taken zijn: re-integratie, geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA) als onderdeel van de Wet maatschappelijke ondersteuning Wmo 2015, onderwijshuisvesting, taken behorende bij de CDOKE-middelen (regeling Capaciteit Decentrale Overheden voor Klimaat- en Energiebeleid) en het organiseren van verkiezingen. De selectie is verre van uitputtend, maar geeft wel een dwarsdoorsnede van het takenpakket van medeoverheden: van taken die zij van oudsher hebben tot meer recent gedecentraliseerde taken, en van taken die vooral via exploitatie- tot via de kapitaalrekening lopen (investeringen).
De casussen zijn gezamenlijk besproken door BZK, vakdepartement en de koepels VNG en IPO. Hierbij is de balans op de casussen geanalyseerd. Hieruit zijn lessen getrokken over wat er nodig is om het gesprek over balans te verbeteren. Ik wil hierbij graag mijn erkentelijkheid uitspreken aan VNG en IPO voor de open gedachtewisseling tijdens de werksessies, waarin we de casussen bespraken. In de bijlage is weergegeven hoe de casussen zijn geanalyseerd. Hieronder neem ik u mee in de belangrijkste bevindingen en conclusies.
Gesprek
Ten eerste kan worden vastgesteld, dat bij de onderzochte taken het gesprek over balans plaatsvindt. Het Rijk en medeoverheden voeren structureel overleg over de uitvoering van de taken, aanpassingen van de taak en bijbehorende budgetten, bijvoorbeeld via het Bestuurlijk Overleg Wmo (voor geweld in afhankelijkheidsrelaties) of overleg tussen SZW, VNG en Divosa (voor re-integratie). Dit aspect van het vraagstuk is in alle gevallen goed geborgd.
Inhoud van de taak
Het meest terugkerende thema is dat verschillend kan worden aangekeken tegen wat een taak nu precies van gemeenten of provincies vraagt. Dit geldt daarmee ook voor de mate van beleidsvrijheid die medeoverheden bij de uitvoering van de taak ervaren. Dit kan zitten in onduidelijkheid over de manier waarop een taak is omschreven in het wettelijk kader, of in de mate waarin bestuurlijke en maatschappelijke verwachtingen zijn veranderd. Ook kunnen aanvullende bestuurlijke afspraken door het Rijk en medeoverheden zijn gemaakt, of is de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de taak anders dan oorspronkelijk verwacht, bijvoorbeeld via andere manieren van (regionale) samenwerking.
Zo geeft de VNG bij de taak rond het organiseren van verkiezingen aan, dat gemeenten ervaren dat hun beleidsvrijheid in bovenwettelijke taken wordt beperkt door adviezen van de Kiesraad. Bij opvolging leiden deze adviezen tot een kostenstijging. Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om de adviezen van de Kiesraad over te nemen, maar gemeentebesturen voelen de druk om de adviezen over te nemen. Vanwege het niet verplichtende karakter worden van Rijkszijde dan ook niet altijd dekkende aanvullende middelen beschikbaar gesteld om gemeenten in staat te stellen om de adviezen op te volgen.
Een ander voorbeeld: om de landelijke klimaatdoelen te halen, zou jaarlijks 3 procent van de onderwijsgebouwen moeten worden vervangen. Nu is dat 1 procent. Het is geen onderdeel van de gemeentelijke taak om dit streefgetal te halen. De wet verplicht gemeenten alleen om een onderwijshuisvestingsplan te hebben. Deze taak levert gemeenten strikt genomen dan ook geen financiële disbalans op. Het IBO Onderwijshuisvesting 2021 concludeerde dat gemeenten er ongeveer aan uitgeven, wat ze krijgen uit het (toentertijd bestaande) subcluster onderwijshuisvesting in het gemeentefonds, ondanks dat dit niet als geoormerkt budget kan worden bezien. Uit het jaarlijkse POR, dat als bijlage bij de begroting van het gemeentefonds wordt gepubliceerd, bleek bij begroting 202615 dat gemeenten in 2024 en 2023 relatief minder uitgeven aan het cluster onderwijs dan dat ze uit het verdeelmodel voor dit cluster ontvangen. Circa 6% van de inkomsten uit de algemene uitkering van het gemeentefonds betreft het cluster onderwijs, terwijl circa 4,9% van alle uitgaven van een gemeenten16 het cluster onderwijs betreffen. Maar de totale landelijke ambities worden dus ook niet gehaald. Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat de clusters van het gemeente- en provinciefonds niet normeren hoeveel aan het bewuste beleidsterrein zou moeten worden uitgegeven. Ik zal daar hieronder nader op ingaan.
Een vergelijkbare spanning doet zich voor bij de CDOKE-middelen. Het Rijk is gehouden om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Gemeenten en provincies zijn nodig om de doelstellingen te halen en de gezamenlijke ambitie wordt onderschreven door alle bestuurslagen. Met het huidige budget kunnen decentrale overheden echter onvoldoende maatregelen nemen om de landelijke doelstelling te halen. Er ligt niettemin zeer beperkt wettelijk vast, wat gemeenten en provincies hiervoor precies moeten doen. Ook zijn gemeenten en provincies niet gehouden aan de landelijke doelstelling. Er is, afgemeten aan het wettelijk kader voor gemeenten en provincies, geen sprake van disbalans, maar wel ten opzichte van de gezamenlijke landelijke ambities. Bij de re-integratie en participatie van gemeentelijke doelgroepen laat de taak expliciet ruimte voor verschillende ambitieniveaus.
Dat landelijke ambities en taken van medeoverheden uiteen zijn gaan lopen, komt niet alleen doordat aanvullende ambities worden bepaald (bijvoorbeeld naar aanleiding van aangenomen moties van uw Kamer), maar ook doordat maatschappelijke verwachtingen veranderen en daarmee wat van medeoverheden wordt verwacht. Zo zijn bij geweld in afhankelijkheidsrelaties – de gemeentelijke taak om huiselijk geweld te bestrijden en te voorkomen – bij de decentralisatie in 2015 wettelijke termijnen opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling en het uitvoeren van het onderzoek. Daarbuiten kunnen gemeenten in grote mate eigen keuzes maken bij de taakinvulling op dit beleidsterrein. De laatste jaren is er echter een grote roep om meer landelijke regie en kaders voor de aanpak, omdat voor slachtoffers de behandeling niet afhankelijk zou moeten zijn van in welke gemeente ze wonen. Dit leidde in de praktijk tot verschillende plannen van aanpak en bestuurlijke afspraken tussen Rijk, medeoverheden en andere betrokken instanties. Deze leveren voor gemeenten vervolgens weer ambiguïteit op over wat nu precies landelijk wordt gevraagd in relatie tot de wettelijke taak.
Monitoring
Bij gemeentelijke en provinciale taken wordt niet vanzelf gezamenlijk gemonitord hoe het beleid en bijbehorende beleidsaannames uitpakken en wat de bijbehorende kostenontwikkeling is. Al worden hier wel stappen in gezet. Zo zet het ministerie van OCW stappen om de vernieuwing en verduurzaming van onderwijsgebouwen beter in beeld te krijgen. In de regel is een goede inschatting te maken van de uitgaven bij een taak, met de Iv3-gegevens als startpunt. Omdat Iv3 baten en lasten op een hoger aggregatieniveau meet dan individuele taken, is vaak wel aanvullend onderzoek nodig.
Bekostiging
Dan de bekostiging. Bij een gewijzigde of nieuwe taak zal, zoals hierboven beschreven, via een UDO worden bekeken of er aanvullende kosten voor gemeenten en provincies zijn. Bij medebewind, zoals bij de Kieswet, is het Rijk verplicht om eventueel aanvullende kosten volledig te dekken. Bij niet-medebewindstaken dient de dekking van de kosten besproken te worden, maar kan dit bijvoorbeeld ook middels verhoging van lokale heffingen.
Voor alle hierboven genoemde onderzochte taken zijn in het verleden middelen aan het gemeentefonds toegevoegd, ofwel aan de algemene uitkering (AU) (verkiezingen, schoolgebouwen, re-integratie, GIA), ofwel aan de decentralisatie-uitkeringen (CDOKE-middelen, GIA), ofwel via een integratie-uitkering (Participatie). Bij re-integratie en GIA geldt dat gemeenten daarnaast nog een deel van de middelen ontvangen via een specifieke uitkering. Voor de volledigheid dient te worden opgemerkt dat gemeenten circa 54 procent van hun uitgaven financieren uit het gemeentefonds en provincies circa 48 procent uit het provinciefonds. Een meerjarig overzicht over de toevoeging van middelen aan het gemeentefonds en het provinciefonds is op 9 mei 202517 met de Eerste Kamer gedeeld.
Over de verdeling van de toegevoegde middelen over gemeenten dan wel provincies worden bij toevoeging van middelen aan de voorkant afspraken gemaakt met de betreffende medeoverheden. De ontwikkeling van de omvang van het gemeentefonds en provinciefonds volgt de ontwikkeling van het nominaal bruto binnenlands product (accres). Middelen uit het gemeentefonds en provinciefonds inclusief het accres zijn vrij besteedbaar en deze zijn dan ook niet op te delen in budgetten voor specifieke taken.
Dit neemt niet weg dat het bij de onderzochte taken wel lukte om tot een gesprek te komen over het aspect financiële middelen. Dit vroeg onderling gesprek en gedeelde aannames om tot een schatting voor het (extra benodigde) “budget” te komen, wat helpt voor het vervolg van het gesprek. Al moet hierbij worden benadrukt dat dit altijd een schatting blijft, die alleen betekenis heeft binnen het gesprek over de bewuste taak.
Conclusies
Bij de onderzochte casussen slaagden Rijk en medeoverheden erin om de verschillende aspecten van balans in kaart te brengen en in veel gevallen gevolg te geven aan de conclusies hierover. Eventuele punten waar er verschillen van opvatting bestaan, zijn hierbij benoemd. De onderzochte casussen illustreren dat Rijk en medeoverheden nauw samenwerken aan belangrijke – vaak landelijke – opgaven. Maar ook dat decentraal bestuur vereist dat het taakontwerp hierbij voortdurend onderhoud nodig heeft, dat ambitie en taak op elkaar moeten worden afgestemd en dat dit gebeurt vanuit de sturingsmogelijkheden die gemeenten en provincies hebben. Gemeenten en provincies kunnen het beste hun rol vervullen als zij werken vanuit duidelijke taken, die passen bij hun uitvoeringskracht. Het gaat er hier niet om de beleidsvrijheid per taak te verkleinen, maar om duidelijkheid te krijgen over wat de taak vraagt (en waarbij bijbehorende kosten worden vergoed), en waarbij gemeenten en provincies beleidsvrijheid hebben om zelf invulling te geven en lokaal integraal afwegingen te maken. Beleidsvrijheid blijft immers een centraal uitgangspunt van ons stelsel.
De casussen laten zien dat Rijk en medeoverheden op de bewuste terreinen onderling goed in overleg zijn. Het voornaamste discussiepunt is, zo blijkt, met elkaar af te kaderen wat de wettelijke taak precies omvat, de verwachtingen hieromtrent en de reikwijdte van bijbehorende beleidsvrijheid. Daarnaast maken de casussen duidelijk, dat een goed gesprek tussen Rijk en medeoverheden over balans vereist dat goed wordt gemonitord, hoe de taak wordt ingevuld en of het beleid en beleidsaannames uitpakten zoals beoogd. Dit kan door te toetsen of de aannames die zijn meegenomen bij het bepalen van de middelen in de praktijk ook uitpakken zoals verwacht. Dit hoeft uiteraard niet op elke taak, maar wel met name op die taken waar veel onzekerheid zit over de beleidsaannames, op een wijze passend bij ieders verantwoordelijkheid. Zo blijft de uitvoering en financiering passend bij de wettelijke taak.
Vervolgacties
In de verkenning is geconcludeerd dat het voeren van het gesprek over balans waardevol is en, mits goed gevoerd, ook tot resultaat op een gebalanceerde inrichting van de taak kan leiden. Voor nieuwe taken en wijziging van taken is dit proces afgelopen periode reeds ingezet. Met het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur dat ik uw Kamer op 3 juli jl. heb aangeboden, wordt geborgd dat nieuwe wettelijke taken en bevoegdheden worden toebedeeld aan het bestuurslichaam waar zij het beste tot hun recht komen.18 Indien uit het beleidskader blijkt dat het passend is om een taak of bevoegdheid bij medeoverheden te beleggen, dan betrekt het departement de desbetreffende medeoverheden in een zo vroeg mogelijk stadium aan de hand van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO). BZK adviseert over de bestuurlijke en financiële randvoorwaarden en het proces van de UDO.
In het ambtelijke gesprek in het kader van de UDO tussen departement en koepel worden, in lijn met artikel 2 van de Financiële verhoudingswet, tevens de financiële gevolgen en de bekostigingswijze in kaart gebracht. De uitvoerbaarheid van de taak en bevoegdheden, inclusief toepassing van wettelijke bepalingen daarover, staan bij de UDO centraal. Een uitvoeringstoets maakt hier ook onderdeel van uit. Als minister van BZK voel ik mij in het bijzonder verantwoordelijk om binnen het gehele takenpakket van medeoverheden te komen tot een goede balans. Ten aanzien van de inzet voor de waterschappen is de minister van Infrastructuur en Waterstaat betrokken. Ten aanzien van de inzet voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de staatssecretaris van BZK betrokken.19
Met bovenstaande inzet kan voor nieuwe taken een gedegen gesprek over balans aan de voorkant worden geborgd. Tegelijk zie ik dat een dergelijke systematische aanpak voor bestaande taken nog ontbreekt, zoals de ROB terecht vaststelde in het advies “Afrekenen met Disbalans”. Dit heeft ook als risico, zoals de ROB constateerde, dat wanneer op via het gemeente- en provinciefonds gefinancierde taken disbalans ontstaat, dit ten koste gaat van de autonome ruimte die medeoverheden hebben. Zeker wanneer de medebewindstaken een grote omvang hebben of er een groot aantal taken is waarop balansdiscussies spelen.
In het gesprek met uw Kamers over de toereikendheid van het fonds zie ik dan ook de worsteling dat er beperkt inzicht is wat betreft de vraag of de totale omvang voldoende is. Ook zie ik een wens tot betere betrokkenheid en informatie over de voortgang van de gesprekken over medebewindstaken. Ik ben daarom voornemens om hier, samen met mijn collega-bewindslieden, stappen in te zetten en meer structuur aan te brengen en regie te nemen.
Balansscans
Dit najaar zal ik in overleg met mijn collega-bewindslieden en de koepels komen tot een nieuw instrument: de balansscan. In een balansscan staat, net als in de geselecteerde casussen in de verkenning, de vraag centraal of er op een (bestaand) beleidsterrein sprake is van balans tussen ambities, taak, middelen en uitvoeringskracht. Er is daarbij, net als in de sjablonen die bij de casussen gebruikt zijn, aandacht voor de wettelijke taak, de beleidsvrijheid die daaruit volgt, de overige kaders waarbinnen de taakuitoefening plaatsvindt en invulling van de taakuitoefening zelf. Een balansscan biedt hiermee een gestructureerd kader, waarbinnen het gesprek over balans tussen Rijk en medeoverheden kan plaatsvinden.
Onderdeel van de balansscan is ook het gesprek over beschikbare middelen en het in beeld brengen daarvan. Dit vraagt tevens inzicht in hoe destijds bij een taak gesproken is over de benodigde middelen, hoe beleidsaannames in de praktijk zijn uitgekomen en welke invulling en sturingsmogelijkheden er nu zijn om de balans te houden en/of te herstellen. Soms is verlichting of verzwaring van de taak opgetreden, zonder dat hier een wetswijziging aan ten grondslag lag. Dit kan zijn omdat er aanvullende wensen en ambities zijn geformuleerd, of omdat de uitvoering zich anders heeft ontwikkeld. De ROB wijst hierop in haar recente publicatie.20
Er kunnen meerdere aanleidingen zijn om op taken een balansscan uit te voeren. Zo kan dit voortkomen uit het onderzoek naar beleidsvrijheid van het takenpakket, bijvoorbeeld als blijkt dat een taakveld met weinig beleidsvrijheid een sterke lastengroei laat zien en/of de (ervaren) beleidsvrijheid in de loop van de tijd is afgenomen. Ook kunnen gemeenten en provincies een ervaren disbalans adresseren, of kan het Rijk op basis van ervaringen en signalen een balansscan initiëren om te onderzoeken hoe verbetering in effectieve en doelmatige uitvoering kan worden bevorderd. In al deze gevallen laten de casussen, die in het kader van de verkenning onder de loep zijn genomen, zien dat het voor het werkelijk vaststellen van de balans nodig is om op taakniveau een spade dieper te steken. Juist in de vormgeving, uitwerking en lokale inrichting van de taak zit immers de spanning.
Ik beoog dat de balansscan uiteindelijk leidt tot een analyse van aanwezige knelpunten, oorzaken en eventuele verschillen van inzicht tussen Rijk en medeoverheden. Dit vormt de basis voor het verdere gesprek tussen Rijk en medeoverheden, dat moet leiden tot het verbeteren van de balans. Hierbij kan het ook relevant zijn om de balans op een specifieke taak te bezien vanuit het geheel van (samenhangende) taken. Onderdeel van dit gesprek is ook of nog extra informatie of onderzoek nodig is om beter inzicht te krijgen en om vervolgens te kunnen bepalen, wat noodzakelijk is om tot betere balans te komen. Dit kan leiden tot aanpassing van de taken en ambities, omdat wordt geconcludeerd dat deze met het huidige beschikbare budget onvoldoende kunnen worden waargemaakt. Anderzijds kan geconcludeerd worden dat de beschikbaar gestelde middelen ontoereikend zijn om het wettelijke deel van de taak te kunnen uitvoeren, of de gezamenlijk overeengekomen ambitie te behalen en dus moeten worden opgehoogd. Ook is het bijvoorbeeld mogelijk dat geconcludeerd wordt dat de beschikbaar gestelde middelen meer zijn dan wat nodig is om de wettelijke taak uit te voeren of de afgesproken ambities te behalen, of dat het benutten van de mogelijkheden voor een meer doelmatige sturing of uitvoering tot een verbetering van de balans kan leiden.
In de rolverdeling is het aan medeoverheden en betreffende departementen, in samenwerking met de fondsbeheerders, om dit gesprek te voeren en hier opvolging te geven. Het herstellen van de balans is niet altijd een gemakkelijke opgave. Dit vraagt tevens politieke keuzes, waarover ook het gesprek met uw Kamer zal moeten worden gevoerd. Ik zal uw Kamer jaarlijks bij het Integraal Overzicht Gemeenten en Provincies informeren over de balansscans die uitgevoerd gaan worden en uw Kamer op hoofdlijn terugkoppelen wat de voortgang en uitkomsten van de balansscans zijn. De balansscan, die voortbouwt op vergelijkbare onderzoeken die in de praktijk al plaatsvinden, zal ik in nauwe samenwerking met de koepels IPO en VNG en betrokken beleidsverantwoordelijke departementen vormgeven.
Bekostiging van taken via de BFU
Op basis van de analyse van de casussen concludeer ik dat het in sommige gevallen wenselijk is om de beschikbare budgetten voor een taak separaat in beeld te brengen, in lijn met het ROB-advies “Rust-Reinheid-Regelmaat”, waarin de ROB de bekostiging van autonome en medebewindstaken via separate fondsen aanbeveelt.21 Zo kan er nog onduidelijkheid zijn over de taak, omdat deze pas recentelijk gedecentraliseerd is en nog niet helder in beeld is hoe deze in de praktijk uitpakt. Ook kan er een gezamenlijke behoefte zijn tot monitoring van de voortgang.
De in het wetsvoorstel Wijziging Financiële-verhoudingswet opgenomen nieuwe uitkeringsvorm Bijzonder Fondsuitkering (BFU) biedt hiervoor mogelijkheden. Door middelen via een BFU te verstrekken, ontstaat de mogelijkheid om middelen beleids- en bestedingsvrij te verstrekken voor bepaalde taken en tegelijk budgetten meerjarig in beeld te brengen en hierop te monitoren. De uitkeringsvorm sluit beter aan bij de wijze waarop maatschappelijke opgaven van Rijk en medeoverheden gezamenlijk opgepakt kunnen worden en helpt tegelijk het aantal specifieke uitkeringen te verminderen. De benodigde informatie kan gebruikt worden voor beleidsevaluatie, aanpassing van het budget en aanpassing van de verdeling. Deze informatie kan dus ook worden gebruikt voor het bestuurlijk gesprek tussen Rijk en medeoverheden over de uitvoering, voortgang van het bereiken van de doelen en toereikendheid van budgetten. Hiermee zet ik als fondsbeheerder een stap om een betere balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te borgen. Op 6 juli jongstleden heb ik de Wet Herziening uitkeringsstelsel financiële verhoudingen aan uw Kamer gezonden.22
Naar aanleiding van de overheveling van specifieke uitkeringen (SPUKS) in 2024 en 2025 is voor een deel van de uitkeringen afgesproken dat deze op termijn via een BFU bekostigd worden, of is evaluatie van de SPUK met het uitgangspunt tot omzetting naar een BFU afgesproken. Ik ben daarnaast voornemens om de bekostigingswijze als expliciete afweging op te nemen in van de voorgenomen balansscans. Balansscans kunnen er dus toe leiden dat middelen vanuit de AU naar de BFU worden overgeheveld, omdat dit met de kennis en mogelijkheden van nu passend wordt geacht.
Er zit wel een risico in het op deze manier bekostigen en gezamenlijk volgen van taken. Hoewel de middelen die via een BFU verstrekt worden vrij besteedbaar zijn, kan een veelheid aan losse taken met losse bekostiging tot gevolg hebben dat deze ook bij medeoverheden als losse budgetten zullen worden bezien en behandeld in de begroting. Zij kunnen een impliciete sturing op budgetten ervaren. Dit kan integrale beleidsvorming in de weg staan en kan het gesprek tussen college en raad over bekostiging van ambities verstoren. Het is daarom van belang dat de taken, die in het kader van het gesprek over disbalans via een BFU bekostigd worden, enige mate van aggregatie kennen en een breder takenpakket bekostigen. Op deze wijze behouden medeoverheden de vrijheid om hun begroting integraal op te stellen.
In de voorkeursvolgorde in de Financiële-verhoudingswet blijft de AU de geprefereerde bekostigingsvorm, na de eigen middelen, en dus de meest aangewezen bekostiging voor taken die vanuit het Rijk bij medeoverheden worden belegd. Middelen die via de beleids- en bestedingsvrije AU worden verstrekt, stellen gemeenten en provincies het meest in staat integraal beleid te maken en uit te werken tegen lage administratieve kosten. Dit past het beste bij het stelsel, waarin autonomie en beleidsvrijheid van gemeenten en provincies wordt bevorderd. Het ligt dus ook voor de hand om te blijven kijken, of het passend is om BFU’s over te hevelen naar de AU, omdat verstrekking via een BFU niet langer nodig is. Bekostiging via een BFU kan dus ook een tijdelijk karakter hebben. De vraag welke bekostigingsvorm in welke situatie preferent is, vraagt een nader gesprek met medeoverheden.
Breder perspectief
De interbestuurlijke en financiële verhoudingen vragen doorlopend onderhoud. Daartoe bestaan al verschillende wettelijke waarborgen en instrumenten, in het bijzonder de UDO, artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur. Hiermee zijn de afgelopen jaren al stappen gezet om de taaktoedeling en de uitvoerbaarheid voor decentrale overheden bij nieuwe of gewijzigde taken te verbeteren.
Met de in deze verkenning genoemde stappen streef ik ernaar om ook een verbeterslag te maken wat betreft de taken die al bij medeoverheden liggen, zowel op het vlak van het inzicht en overzicht hierop als in het beter voeren van het gesprek over de balans op deze taken. Via het in kaart brengen van de taken en de stappen die gezet worden om middels monitoring te signaleren of er op taken mogelijk disbalans ontstaat, kan eerder en adequater gesignaleerd worden dat een nadere analyse nodig is. Met de uitkomsten van de balansscans kan vervolgens gezamenlijk het goede gesprek gevoerd worden over wat nodig is om tot verbetering van balans te komen.
Dit is een gesprek tussen het departementen en medeoverheden, waarbij ik als minister van BZK als mijn rol zie om het gesprek te structureren en waar nodig te faciliteren. De balansscan moet leiden tot inzicht hoe tot een verbetering van de balans kan worden gekomen. Het gesprek daarover kan vervolgens door de verantwoordelijke minister ook met uw Kamer worden gevoerd, waarbij ook het bredere perspectief van het geheel van taken kan worden betrokken. Vervolgens kan ook besloten worden de ontwikkeling van de (uitvoering van) taken intensiever te monitoren en taken voortaan via een BFU te bekostigen.
Vervolg en moties
De hiervoor geschetste acties zijn eerste stappen richting een gestructureerd onderhoud op de balans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht, in lijn met de eerdere adviezen van de ROB de bouwstenen van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen. In november ontvangt uw Kamer een overzicht van taken van gemeenten en provincies, en in januari 2027 een overzicht van de beleidsvrijheid en sturingsmogelijkheden die gemeenten en provincies op al hun taakvelden hebben en hoe deze zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. In de brief van begin volgend jaar zal ik ook met een uitgewerkt plan komen, hoe balansscans in de praktijk vorm te geven. Dit zal door het kabinet in samenwerking met de koepels worden uitgewerkt.
De Integraal Overzichten Financiën Gemeenten en Provincies 2027 – dus van volgend jaar – zullen vervolgens voor het eerst, op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar het overzicht van taken, inzicht geven van de ontwikkeling van beleidsvrijheid en sturingsmogelijkheden en lasten en de relatie daartussen. Dat geldt ook voor de vraag, op welke taken mogelijk sprake is van disbalans. Ook leidt het tot een eerste inzicht in de omvang van middelen voor autonome taken. Daarnaast wordt hiermee een proces geïnitieerd, waarmee de komende jaren de balans op taken, die vanuit de fondsen worden bekostigd, kan worden verbeterd. Hiermee ontstaat ook een steeds scherper beeld van de omvang van de autonome ruimte in de fondsen. Deze inzichten kunnen door uw Kamer betrokken worden in de begrotingsbehandeling van het gemeente- en provinciefonds.
Met dit onderzoek naar taken en beleidsvrijheid, de balansscans en het gebruik maken van de mogelijkheden die de BFU biedt, wil ik ook gevolg geven aan de in de Eerste Kamer aangenomen motie van het lid Fiers,23 die opriep bij de aanbieding van de begroting gemeentefonds te onderbouwen hoe de diverse te onderscheiden medebewindstaken adequaat gefinancierd zijn. Samen met de koepels is hiermee gekozen voor een eerste stap richting een continu onderhoud aan de balans van medebewindstaken. Hierdoor kunnen kabinet, medeoverheden en Kamer gezamenlijk tevens een beter beeld krijgen van ruimte die medeoverheden hebben voor autonome taken. Dit naast de inzet die reeds wordt gedaan om de balans aan de voorkant te borgen, via het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur en de UDO.
Het lid Vermeer vroeg in zijn motie24 aandacht voor de omvang van de middelen in relatie tot de verdeling van de middelen. Het parlement ontvangt jaarlijks de begrotingen van het gemeentefonds en provinciefonds. Deze begrotingen bevatten allereerst informatie over de omvang van het gemeentefonds dan wel provinciefonds en de mutaties daarin. Zoals eerder aangegeven is er naast de omvang van de middelen op gemeentelijk en provinciaal niveau ook aandacht voor de verdeling van de middelen. Voor de verdeling van de middelen is het uitgangspunt, zoals opgenomen in de Financiële-verhoudingswet, dat het verdeelmodel van het gemeentefonds dan wel provinciefonds tot doel heeft om iedere gemeente dan wel provincie een gelijkwaardige financiële uitgangspositie te geven, zodat gemeenten een gelijkwaardig voorzieningenniveau kunnen realiseren tegen gelijke belastingdruk.
Jaarlijks ontvangt uw Kamer, als bijlage bij de begroting van het gemeentefonds, het POR. De achtergrond van de POR ligt in de parlementaire behandeling van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) in 1996/1997. Toen werd geconstateerd dat het nodig is om het verdeelstelsel van het gemeentefonds voortdurend op zijn werking te bezien en indien nodig bij te stellen. In het POR worden de veronderstelde uitgaven en inkomsten in het verdeelstelsel afgezet tegen de begrote uitgaven en inkomsten volgens de gemeentelijke begrotingen. Dit met als doel om te analyseren, of de verdeling van de middelen van het gemeentefonds het actuele uitgavenpatroon van gemeenten volgt (de aansluiting). Ik beoog met de instrumenten die ik in deze brief aankondig - het overzicht van taken en beleidsvrijheid, de balansscan en inzet van de BFU - stappen te zetten om het inzicht te verhogen in de omvang in relatie tot het gemeentelijk takenpakket en de uitvoering daarvan. Ik ben er van overtuigd dat deze instrumenten ook helpend zijn om het gesprek tussen Rijk en gemeente goed te voeren.
In reactie op de indiening van de motie-Vermeer25 heb ik toegezegd een nadere uitleg te geven van de interpretatie van artikel 108, derde lid, Gemeentewet, artikel 105, derde lid, Provinciewet en artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. De motie is op 23 september jl. aangenomen en ik wil benadrukken dat er naar mijn overtuiging geen sprake is van een verschil van inzicht tussen uw Kamer en mijzelf. Zoals mijn ambtsvoorganger in de bijlage bij de kabinetsreactie op de adviezen van de ROB uiteenzette, volgt uit ons constitutioneel bestel dat gemeente- en provinciebesturen in financieel opzicht in staat moeten worden gesteld om zowel hun medebewindstaken als hun autonome taken uit te kunnen voeren. Van oudsher zijn de gemeentelijke belastingen niet bedoeld om medebewindstaken te bekostigen. Artikel 108, derde lid, Gemeentewet en artikel 105, derde lid, Provinciewet betreffen in die zin een explicitering van een regel die ook had gegolden als deze niet zo expliciet in de Gemeentewet en Provinciewet was opgenomen. Medebewind dient door het Rijk bekostigd te worden. Die verplichting tot bekostiging geldt ook voor wettelijke taken die niet direct in beeld komen wanneer men over de medebewindstaken van gemeenten spreekt. Denk aan wetten als de Algemene wet bestuursrecht of de Wet open overheid. De kosten voor decentrale overheden van beleidsvoornemens en wetsvoorstellen van het Rijk dienen altijd onderzocht en beschreven te worden, zoals in artikel 2 Financiële-verhoudingswet is vastgelegd. Er kunnen redenen zijn voor de wetgever om ervoor te kiezen de gevolgen voor rekening van gemeenten of provincies te laten, wanneer deze kosten redelijkerwijs uit lokale belastingen bekostigd kunnen worden. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om kosten die samenhangen met het lokaal bestuur zelf of het reilen en zeilen op het gemeente- of provinciehuis.
Ik heb tijdens het Tweeminutendebat Financiën decentrale overheden van 10 juni 2026 aangegeven dat de motie naar mijn mening overbodig was, omdat deze de regering oproept de wet te interpreteren op een wijze die overeenkomt met de interpretatie zoals die reeds wordt gehanteerd. Over de vraag wanneer er ook daadwerkelijk voldoende middelen worden verstrekt, kan worden getwist, maar dat is op zichzelf geen gevolg van een andere interpretatie van artikel 108, derde lid, Gemeentewet of artikel 105, derde lid, Provinciewet. Die discussie volgt uit een verschil van inzicht over de hoeveelheid middelen die toereikend zijn om een bepaalde wettelijke taak uit te voeren, of de mate waarin er ruimte is om doelmatigheidswinst te behalen in de uitvoering. Ook volgt uit art. 108, derde lid, Gemeentewet niet automatisch dat een bepaald minimumbedrag voor autonome taken beschikbaar moet worden gesteld. Hoe groot het gemeentefonds is, bepaalt de wetgever en die beschikt daarbij over een aanzienlijke vrijheid. Hetzelfde geldt voor art. 105, derde lid, Provinciewet en het provinciefonds. Artikel 9 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie expliciteert eveneens dat provincies en gemeenten over voldoende vrij besteedbare middelen moeten kunnen beschikken om zowel hun wettelijke als niet-wettelijke taken te kunnen uitvoeren. Mijn inzet is er op gericht de wetgever beter inzicht te verschaffen in de balans tussen ambities, taken en middelen en uitvoeringskracht. Dat maakt ook duidelijker, hoeveel middelen in beginsel beschikbaar zijn voor autonome taken.
Met de instrumenten die ik in deze brief aankondig zet ik, in goede afstemming met medeoverheden en de andere ministers, een volgende stap in de richting van beter inzicht en overzicht op medebewindstaken en een beter gesprek over de balans en een scherper beeld van de beschikbare middelen voor autonome taken. Dit zal een lerend proces zijn, maar is nodig om ons stelsel, waarin een belangrijk deel van de taken decentraal is belegd en de samenwerking met medeoverheden steeds belangrijker wordt, goed te laten functioneren.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Bijlage 1. Instrumenten en activiteiten fondsbeheerders
In de Memorie van Toelichting bij de vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds dan wel provinciefonds worden in de beleidsagenda van de bijbehorende begrotingen de belangrijkste beleidsprioriteiten beschreven met betrekking tot de financiën van gemeenten en provincies. Zoals bijvoorbeeld aangaande de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO), een belangrijk instrument is om de uitvoerbaarheid van rijksbeleid te vergroten. De UDO wordt toegepast bij nieuwe of gewijzigde taken of beleid, die gevolgen hebben voor medeoverheden, vanaf de start van de beleidsvorming. Of het feit dat de Financiële-verhoudingswet wordt aangepast om zo tot een aangepast, toekomstbestendig uitkeringsstelsel te komen. Of informatie over aanpassingen en/of onderzoeken met betrekking tot het verdeelmodel.
Daarnaast wordt in deze toelichting jaarlijks stil gestaan bij de rol en verantwoordelijkheid van de fondsbeheerders en de bijbehorende instrumenten en activiteiten direct gerelateerd aan deze wettelijke taak.
Relevant in het kader van het inzicht en overzicht van medebewindstaken zijn:
Normeringssystematiek: deze houdt in dat de ontwikkeling van de fondsen de ontwikkeling van het nominaal binnenlands product volgt.
Artikel 2 van de Financiële verhoudingswet: dit artikel geeft aan dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door gemeenten of provincies, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen wordt omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd, wat de financiële gevolgen van deze wijziging voor de gemeenten zijn. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.
Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen: onderwerpen met betrekking tot financiële verhoudingen worden besproken in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv), welke twee keer per jaar wordt gehouden met de fondsbeheerders, de voorzitters van IPO en VNG en de portefeuillehouder financiën van het bestuur van UvW.
Benchmark woonlasten: de OZB-opbrengsten van gemeenten werd tot en met 2019 op macroniveau gemaximeerd door jaarlijks een percentage vast te stellen waarmee de som van de OZB-opbrengsten van alle gemeenten mocht groeien. Met ingang van 2020 is een benchmark woonlasten geïntroduceerd ter vervanging van de macronorm OZB.
Artikel 12 gemeenten: indien een gemeente grote financiële tekorten op de begroting heeft over langere tijd, dan kan de gemeente om een extra uitkering uit het gemeentefonds vragen. De gemeente krijgt dan een artikel 12-status en komt onder preventief toezicht te staan van de provincie en er wordt artikel 12-toezicht uitgevoerd door het ministerie van BZK.
Bijlage 2. Overzicht sjablonen uitwerking casussen werksessies
Inhoud
Bijlage: Overzicht sjablonen uitwerking casussen werksessies
Sjabloon voor uitwerking casus verkiezingen
Sjabloon voor uitwerking casussen onderwijshuisvesting
Sjabloon voor uitwerking casus geweld in afhankelijkheidsrelaties
Sjabloon voor uitwerking casus re-integratie
Ingevuld sjabloon voor uitwerking casus CDOKE middelen Gemeenten
Ingevuld sjabloon voor uitwerking casus CDOKE middelen provincies
Sjabloon voor uitwerking casus verkiezingen
| Onderdeel | Uitwerking |
|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, sinds wanneer, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft en waar ligt de uitvoering van de taak? |
Gemeenten hebben op grond van de Kieswet de wettelijke taak verkiezingen te organiseren. |
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
De organisatie van een verkiezing dient te voldoen aan de kaders van de Kieswet en de waarborgen van het verkiezingsproces. In de gezamenlijk door BZK, VNG, Kiesraad en NVVB opgestelde verkiezingsagenda 2030 zijn de maatregelen en gewenste wettelijke aanpassingen gepresenteerd die deze organisaties nodig achten voor onderhoud en vernieuwing. |
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten? Welke onderwerpen worden besproken? |
Een Bestuurlijk Overleg Verkiezingen tussen BZK, Kiesraad, VNG, UvW en NVVB. In dit overleg kunnen in beginsel alle onderwerpen worden besproken inzake de uitvoering, betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en transparantie van verkiezingen. |
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering van de taak? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen), bijv. door gemeenten en provincies? [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Gemeenten hebben de taak om verkiezingen te organiseren binnen de door de Kieswet gestelde kaders. Beleidsvrijheid zit in hoe gemeenten uitvoering geven aan de wettelijke taak. Denk hierbij aan het inzetten van ICT-middelen bij het stembureau of het verstrekken van vergoedingen aan medewerkers van het stembureau. Ook geeft de Kiesraad adviezen en soms instructies aan gemeenten over de uitvoering van de taak, bijvoorbeeld de aanbeveling om centraal te tellen te overwegen. Dit geeft gemeenten richting bij de invulling van hun wettelijke taken. Doordat gemeenten beleidsvrijheid hebben in hoe ze specifieke uitvoeringaspecten willen vormgeven. zijn er verschillen in hoe gemeenten uitvoering geven aan deze taken binnen de Kieswet. Ook zijn er verschillen in de doorberekening van de gemaakte kosten voor de uitvoering van de taak, bijvoorbeeld bij het inzetten van gemeentelijke ambtenaren. |
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? Denk bijvoorbeeld aan het stellen van de hoogte van heffingen, opstellen van eigen beleid en zo verder. |
Gemeenten maken een aantal keuzen in het organiseren van verkiezingen die resulteren in hogere of lagere kosten. Zoals de wijze en hoogte van vergoeding van vrijwilligers en eigen ambtenaren, de keuze voor bepaalde leveranciers en in hoeverre ze de inrichting van stembureaus uitbesteden, huren van locaties, de mate van inzet van ICT-middelen en de keuze voor een DSO of CSO. Maar de bewegingsvrijheid volgens de VNG is daarin beperkt. De wijze van uitvoering van de wettelijke taken in de Kieswet is verbonden aan strikte voorwaarden waaraan voldaan moet worden. En de situatie alsook de grootte van de gemeente heeft invloed op hoe de organisatie van een verkiezing wordt vormgegeven. |
Bekostigingswijze Via welke uitkering wordt de taak bekostigd? Hoe is de hoogte (ooit) vastgesteld? Hebben hiervan naderhand bijstellingen plaatsgevonden? |
Gemeenten ontvangen vanuit de Algemene Uitkering van het gemeentefonds een vast bedrag voor het cluster “Bestuur en Algemene Ondersteuning”. Uit dit bedrag kunnen ook de kosten voor een verkiezing betaald worden. Bij nieuwe wet- en regelgeving wordt deze vergoeding voor gemeenten aangepast. Bijvoorbeeld de invoering van het wetsvoorstel Hulp in het stemhokje heeft geleid tot het voorstel om 3 miljoen per jaar aan het gemeentefonds toe te voegen. Dit omdat het leidt tot een lastenverzwaring van de taken van gemeenten. |
Omvang budgetten Welke omvang hebben de huidige budgetten voor deze taak, voor zover na te gaan, en wat kan gezegd worden over de historische ontwikkeling hiervan? |
Het budget voor de verkiezingen maakt al lange tijd deel uit van de algemene uitkering. Door de ontwikkeling hiervan in de loop der jaren valt niet meer na te gaan wat de omvang van het specifieke budget voor verkiezingen is. Wel zijn in 2014 en 2025 onderzoeken uitgevoerd naar de kosten van verkiezingen. Een vergelijking van deze twee kostenonderzoeken concludeert dat de kosten in de tussenliggende 11 jaar zijn gestegen met ongeveer 79%, na inflatiecorrectie. Dit heeft tot nu toe niet geleid in de toevoeging van structurele middelen voor verkiezingen aan de algemene uitkering. Het organiseren van verkiezingen is een taak met relatief beperkte beleidsvrijheid, die via het gemeentefonds bekostigd wordt. Alle betrokkenen zijn hier tevreden mee. Er zijn nooit gesprekken gevoerd over het overhevelen van middelen naar een andere uitkeringsvorm, om bijvoorbeeld financiële risico’s voor gemeenten af te dekken of budgetten separaat inzichtelijk te maken. |
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten van gemeenten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Het meest recente onderzoek in dezen is een onderzoek van Sira Consulting naar de kosten voor gemeenten van de Tweede Kamerverkiezing 2023 en de verkiezing voor de leden van het Europees Parlement 2024. De VNG benadrukt dat de kostenstijging, zoals blijkt uit een vergelijking tussen de onderzoeken uit 2014 en 2025 en de ontwikkeling van het accres op het GF, een gat laat zien. VNG en het Rijk verschillen erover van inzicht door welk deel van de taakuitvoering dit komt. Zo geeft de VNG hier aan dat gemeenten voelen dat hun beleidsvrijheid in bovenwettelijke taken wordt beperkt adviezen van de Kiesraad, zoals de keuze tussen CSO en DSO. BZK plaatst hierbij de kanttekening dat het onderzoek concludeert dat de kostenstijging mede methodologisch is. Gemeenten zijn de kosten namelijk anders intern gaan doorbelasten, bijvoorbeeld bij het inzetten van eigen ambtenaren. |
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Hoe kunnen deze worden beheerst? Zijn hier afspraken over gemaakt? Waren alle risico’s bij taaktoedeling voorzien? Hoe is hiermee omgegaan? |
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van verkiezingen en dragen de hiermee samenhangende financiële risico’s. Verkiezingen zijn cyclisch, waardoor duidelijk is wanneer de kosten vallen, dit beperkt de risico’s. De uitzondering hierop zijn vervroegde verkiezingen voor de Tweede Kamer. Bij de afgelopen vervroegde Tweede Kamerverkiezing is het kabinet gemeenten tegemoetgekomen met een extra eenmalige vergoeding van €60 miljoen. |
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
In de gemeenteraden en de Tweede Kamer. |
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Elke verkiezing wordt na afloop geëvalueerd. |
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
Het meest recente onderzoek naar de kosten die gemeenten hebben gemaakt voor de organisatie van een verkiezing heeft betrekking op de Tweede Kamerverkiezing 2023 en de verkiezing voor de leden van het Europees Parlement 2024. |
Sjabloon voor uitwerking casus onderwijshuisvesting
| Onderdeel | Uitwerking |
|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, sinds wanneer, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft en waar ligt de uitvoering van de taak? |
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en eerste inrichting van schoolgebouwen. Per 1 januari 2027 treedt de wetswijziging Planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting in werking, waarmee renovatie ook een taak van de gemeente wordt. De wet beoogt een betere samenwerking tussen schoolbesturen en gemeente voor scholenbouw. Gemeenten hebben deze taak sinds 1997. De taak is beschreven in de onderwijswetten:
Het onderhoud van schoolgebouwen loopt niet via het gemeentefonds maar via de bekostiging van scholen. |
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
Het betreft een decentralisatie van de zorg van onderwijshuisvesting in het PO en VO, die in 1997 heeft plaatsgevonden. Doel hiervan was een betere aansluiting op lokale behoeften door maatwerk en de mogelijkheid van multifunctioneel en dus doelmatiger gebruik van schoolgebouwen. |
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten? Welke onderwerpen worden besproken? |
Er vindt drie keer per jaar een bestuurlijk overleg plaats tussen OCW, de PO-Raad, VO-raad en de Vereniging Nederlandse gemeenten. Naast de reguliere taken van gemeenten en schoolbesturen ten aanzien van onderwijshuisvesting wordt hier gesproken over het Programma Onderwijshuisvesting (POHV) en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV). |
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering van de taak? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen), bijv. door gemeenten en provincies? [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Het gemeentefonds is bestedingsvrij. Verder beschrijven de onderwijswetten welke taken de gemeente moet uitvoeren en wat zij in een verordening moet vastleggen. De wet schrijft niet voor hoe zij deze taken moet uitvoeren. Bij het in werking treden van de wet planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting wordt het hebben van een Integraal Huisvestingsplan voor gemeenten verplicht. Die wetswijziging beschrijft wat er in het plan benoemd moet worden en dat deze elke vier jaar opgesteld moet worden. |
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? Denk bijvoorbeeld aan het stellen van de hoogte van heffingen, opstellen van eigen beleid en zo verder. |
Gemeenten zijn verplicht een verordening op te stellen waarin zij regelen hoe zij omgaan met (aanvragen t.a.v.) onderwijshuisvesting. 95% van de gemeenten neemt de VNG modelverordening over. Daarnaast stelt het college van B&W jaarlijks het bekostigingsplafond vast. Tevens hebben gemeenten de bevoegdheid om leegstaande (stukken van) schoolgebouwen te vorderen om hier andere scholen of maatschappelijke voorzieningen in te huisvesten. |
Bekostigingswijze Via welke uitkering wordt de taak bekostigd? Hoe is de hoogte (ooit) vastgesteld? Hebben hiervan naderhand bijstellingen plaatsgevonden? |
Gemeentefonds. Voor 1997 was onderwijshuisvesting een taak die bij het ministerie van OCW was belegd. Het budget dat OCW hiervoor beschikbaar had, is verdeeld over de gemeenten via het gemeentefonds. In 1997 was dit een budget van ruim 770 miljoen euro per jaar. In 2004 was dit ongeveer 1,3 miljard euro per jaar. In 2015 is er een uitname van het gemeentefonds geweest van 414 miljoen euro. Dit bedrag is overgeheveld naar scholen. Dit had te maken met de overheveling van het buitenonderhoud van gemeenten naar schoolbesturen. |
Omvang budgetten Welke omvang hebben de huidige budgetten voor deze taak, voor zover na te gaan, en wat kan gezegd worden over de historische ontwikkeling hiervan? |
In het IBO Onderwijshuisvesting ‘een vak apart’ 2021 staat benoemd dat in 2019 ongeveer 1,3 miljard is opgenomen in het gemeentefonds. |
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten van gemeenten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Er zijn twee ontwikkelingen die leiden tot meerkosten voor gemeenten voor scholenbouw. De eerste ontwikkeling is de verduurzaming van schoolgebouwen. Nieuwbouwscholen moeten volgens bouwregelgeving Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) zijn. In de sectorale routekaart verduurzaming onderwijs is becijferd dat er 730 miljoen per jaar (prijspeil 2019) nodig is om alle gebouwen tot aan 2050 te verduurzamen. De sectorale routekaart wordt op dit moment geactualiseerd. Daarnaast zijn de bouwkosten afgelopen jaren fors gestegen. Het huidige tekort op basis van indexatie komt uit op 930 mln. per jaar (prijspeil 2025). |
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Hoe kunnen deze worden beheerst? Zijn hier afspraken over gemaakt? Waren alle risico’s bij taaktoedeling voorzien? Hoe is hiermee omgegaan? |
Aangezien het een gedecentraliseerde taak betreft, ligt het financiële risico bij gemeenten. |
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
Op lokaal niveau vindt verantwoording plaats volgens de reguliere verantwoordingsmechanismen, aan de gemeenteraad. |
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Het laatste evaluatiemoment was het IBO onderwijshuisvesting ‘Een vak apart’, dat in 2021 is uitgekomen. In het IBO wordt beschreven dat de schoolgebouwenvoorraad in Nederland verouderd is. Gemiddeld wordt een schoolgebouw vervangen na 69 jaar. Daarnaast is het vervangingstempo van de schoolgebouwen in Nederland te laag. Jaarlijks wordt ongeveer 1% van de schoolgebouwen vervangen. Dit heeft negatieve effecten op de leerprestaties, arbeidsomstandigheden en zorgt ervoor dat de klimaatdoelen niet worden gehaald. Om de klimaatdoelen in 2050 te kunnen halen, moet het vervangingstempo naar 3% per jaar. Daarnaast worden er in genoemd IBO aanbevelingen gedaan op het gebied van wetgeving en standaardisatie. Deze ontwikkelingen worden momenteel opgepakt binnen het Programma Onderwijshuisvesting (POHV), het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV) en geregeld in de wetswijziging planmatige aanpak onderwijshuisvesting. Het POHV en IPOHV programma’s zijn programma’s die door OCW, PO-Raad, VO-raad en VNG gezamenlijk worden aangestuurd Deze programma’s worden in 2026 en 2027 geëvalueerd. De wetswijziging planmatige aanpak onderwijshuisvesting bevat een evaluatiebepaling, waarbij na 5 en na 10 jaar de wetswijziging geëvalueerd wordt. Daarnaast wordt gewerkt aan het inrichten van een doorlopende monitor, om de staat van onderwijshuisvesting in beeld te brengen. |
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
Ja, het IBO is het vertrekpunt geweest. In de tussentijd zijn er vervolgonderzoeken gedaan en is de gezamenlijke aanpak met de sectorraden en VNG ontwikkeld. |
Sjabloon voor uitwerking casus geweld in afhankelijkheidsrelaties
| Onderdeel | Uitwerking | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, sinds wanneer, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft en waar ligt de uitvoering van de taak? |
Het betreft de uitvoering van de aanpak geweld in afhankelijkheidsrelaties. Uitvoering van de taak ligt bij gemeenten op grond van de Wmo2015. In de Wmo2015 is opgenomen dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Ook is in de Wmo2015 expliciet opgenomen dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor opvang van mensen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid, al dan niet als gevolg van huiselijk geweld (in de MvT is ook opvang in geval van slachtofferschap mensenhandel geëxpliciteerd). Daarnaast is in de Wmo2015 opgenomen dat het college zorgdraagt voor de inrichting van een Veilig Thuis-organisatie. Ten aanzien van Veilig Thuis zijn taken nader gespecificeerd in hoofdstuk 4 van de Wmo. Bovenliggend zijn Europese regelgeving en verdragen die Nederland heeft geratificeerd en waar Nederland zich aan dient te houden. Denk aan het Verdrag van Istanbul voor de aanpak geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, de EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en de EU-richtlijn Mensenhandel. |
|||||
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
Het voorkomen en bestrijden van geweld in afhankelijkheidsrelaties. De ambitie is dat geweld in afhankelijkheidsrelaties zoveel als mogelijk wordt voorkomen, dat door professionals en betrokkenen advies kan worden gevraagd of melding kan worden gedaan bij Veilig Thuis of andere expertisecentra, er tijdig wordt geacteerd o.b.v. signalen, adviesvragen en meldingen, en dat slachtoffers passende en kwalitatief goede hulp en ondersteuning ontvangen (cultuur- en gendersensitief). Nauwe samenwerking tussen zorg-, straf- en sociaal domein (vrijwillig en gedwongen kader) is daarvoor essentieel. Er zijn diverse plannen van aanpak en verandertrajecten waarin ambities t.a.v. het stelsel of specifieke geweldsvormen zijn opgenomen en waar de ministeries en de gemeenten gezamenlijk aan werken. Denk aan het Plan van Aanpak Femicide en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Daarnaast is er een aantal concrete afspraken, zoals de Bestuurlijke Afspraken Vrouwenopvang waarmee de capaciteitsuitbreiding van opvangplekken is vastgelegd. | |||||
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten? Welke onderwerpen worden besproken? |
In het BO Wmo kunnen ontwikkelingen en knelpunten t.a.v. lokale en regionale aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties worden geagendeerd. Daarnaast kent het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming een bestuurlijke structuur, waarbinnen besluiten worden genomen over de toekomstige inrichting van het landschap en de voorgenomen stelselwijziging. Dit gaat over een deel van de taken die gemeenten hebben in het domein geweld in afhankelijkheidsrelaties op grond van de Wmo2015, maar omvat niet het gehele takenpakket en raakt ook aan aanpalende domeinen, zoals de Jeugdbescherming. Daarnaast zijn er diverse ambtelijke overleggen met de VNG en/of uitvoeringsorganisaties over ontwikkelingen en knelpunten in de uitvoering van deze aanpak. |
|||||
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering van de taak? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen), bijv. door gemeenten en provincies? [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Er is geen weging van de mate van beleidsvrijheid. Ten aanzien van een aantal taken, zoals het bieden van opvang en de inrichting van een Veilig Thuis-organisatie, bestaat beperktere beleidsvrijheid op basis van de wettelijke kaders in de Wmo2015, maar ook hiervoor bestaat enige mate van beleidsvrijheid. Veilig Thuis is het meest uitgebreid en specifiek vastgelegd in H4 van de Wmo. Andere onderdelen van de aanpak zijn niet explicieter of met ruimte voor eigen beleidsinvulling geformuleerd in de Wmo. | |||||
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? Denk bijvoorbeeld aan het stellen van de hoogte van heffingen, opstellen van eigen beleid en zo verder. |
Er is geen concrete inventarisatie/weging van sturingsmogelijkheden beschikbaar. De wettelijke taken binnen de Wmo2015 geven ruimte voor beleidsvrijheid en dus eigen inhoudelijke en financiële invulling. Wel is op sommige onderdelen de keuzevrijheid in de praktijk beperkter, omdat slachtoffers die zich melden geholpen dienen te worden en meldingen en adviesvragen van betrokkenen en professionals goed behandeld dienen te worden. Gemeenten hebben wel de mogelijkheid tot het opstellen van eigen beleid wat betreft de manier waarop zij ondersteuning voor slachtoffers en plegers inrichten. | |||||
Bekostigingswijze Via welke uitkering wordt de taak bekostigd? Hoe is de hoogte (ooit) vastgesteld? Hebben hiervan naderhand bijstellingen plaatsgevonden? |
Taken worden bekostigd vanuit het gemeentefonds. Dit betreft een combinatie van de Algemene Uitkering en de Decentralisatie-Uitkering Vrouwenopvang (DUVO). Daarnaast is er voor enkele specifieke voorzieningen de SPUK specialistische functies huiselijk geweld en kindermishandeling. | |||||
Omvang budgetten Welke omvang hebben de huidige budgetten voor deze taak, voor zover na te gaan, en wat kan gezegd worden over de historische ontwikkeling hiervan? |
|
|||||
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten van gemeenten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Geen zicht op ontwikkeling kosten voor gemeenten. | |||||
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Hoe kunnen deze worden beheerst? Zijn hier afspraken over gemaakt? Waren alle risico’s bij taaktoedeling voorzien? Hoe is hiermee omgegaan? |
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties en dragen de hiermee samenhangende financiële risico’s. | |||||
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
Er wordt op lokaal niveau verantwoording afgelegd over de besteding van de middelen. In sommige regio’s is er sprake van een gemeenschappelijke regeling, waarbinnen taken gedeeltelijk worden uitgevoerd. | |||||
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Er is geen recente evaluatie van beleid en uitvoering beschikbaar. Wel zijn er onderzoeken over een deel van de aanpak of een specifieke maatregel en een cohortstudie waarbij wordt getracht zicht te krijgen op de effectiviteit van inzet van hulpverlening en de mate waarin het lukt geweld duurzaam te stoppen. | |||||
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
Er is onvoldoende informatie beschikbaar om deze balans goed in beeld te brengen. Er zijn data beschikbaar die inzicht geeft in een deel van de ontwikkeling van casuïstiek en het beroep op voorzieningen. Data over uitgaven/kosten ten aanzien hiervan ontbreken. Zo is er bijvoorbeeld zicht op het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis en het aantal opvangplekken en de bezetting daarvan. In jaarrapportages staan gegevens over het aantal casussen bij partijen zoals het Centrum Seksueel Geweld en het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating. Data over kosten c.q. uitgaven binnen de aanpak, begrotingen en inkoop van voorzieningen en de effectiviteit van regionaal en lokaal beleid ontbreken. Meer zicht op regionale/ lokale beleidskeuzes in relatie tot het financieel kader (uitgaven/kosten) kan helpend zijn bij de prioritering in de aanpak en een beeld van de balans tussen taken en middelen. |
|||||
Sjabloon voor uitwerking casus re-integratie
| Onderdeel | Uitwerking |
|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft? |
De taak betreft re-integratie naar werk. De belangrijkste wettelijke grondslag staat in de Participatiewet. Artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet bepaalt dat de gemeente verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling (re-integratie) van bepaalde groepen inwoners. Daaronder vallen onder meer:
Artikel 10 bepaalt dat personen uit die doelgroepen aanspraak hebben op ondersteuning naar of werk of maatschappelijke participatie, en op een door het college noodzakelijk geachte voorziening. Dit betekent niet dat iemand recht heeft op een specifieke voorziening, maar wel op een individuele beoordeling en passende ondersteuning. De discussie kan ontstaan over wat er wordt verstaan onder ‘passende ondersteuning’ die gemeenten moeten bieden. Artikel 8a verplicht de gemeente een re-integratieverordening vast te stellen. De gemeente moet dus beleid en regels hebben over welke voorzieningen beschikbaar zijn en hoe die worden ingezet. |
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
De beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleid van SZW:
Deze beleidsuitgangspunten worden door gemeenten grotendeels onderschreven. |
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten. Welke onderwerpen worden besproken? |
Er vindt regelmatig bestuurlijk overleg tussen de minister(s) en de VNG en Divosa plaats. Daarin kan ook re-integratie aan de orde komen. Ook zijn gemeenten op verschillende niveaus betrokken bij beleidsmatige ontwikkelingen. |
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen) [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Sinds 2015 voeren gemeenten de Participatiewet uit. Gemeenten zijn sinds 1965 verantwoordelijk voor de bijstand, sinds 2004 voor re-integratie, sinds 2015 voor doelgroepen met een gedeeltelijke arbeidsbeperking, en sinds 2026 voor (onderwijsvolgende) jongeren met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Eén van de doelen van de Participatiewet is om te borgen dat mensen zoveel mogelijk en naar vermogen kunnen werken. Gemeenten hebben de ruimte om zelf invulling te geven aan beleid en uitvoering, binnen de kaders van de Participatiewet en in samenhang met het bredere sociaal domein. De wet verplicht gemeenten dus om ondersteuning bij arbeidsinschakeling aan te bieden, maar heeft daarbij wel beleidsvrijheid in hoe zij die ondersteuning vormgeeft, bijv. via begeleiding naar werk, scholing of trainingen, jobcoaching, proefplaatsingen, loonkostensubsidies of andere re-integratievoorzieningen. Op het terrein van re-integratie hebben gemeenten (veel) meer beleidsvrijheid dan op het terrein van inkomensondersteuning (bijstandsverstrekking). Zowel in het vormgeven van het beleid (in verordeningen, beleidsregels, beleidsplannen) als in het beoordelen in individuele gevallen welke ondersteuning passend is. |
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? |
Gemeenten hebben beleidsvrijheid om zelf inhoudelijk en financieel te sturen op de ondersteuning van bijstandsgerechtigden, passend bij de lokale omstandigheden, behoefte van de inwoners en politieke voorkeuren van het college. Dit betreft bijvoorbeeld de doelgroepen waar zij zich op richten en de keuze van instrumenten die gemeenten inzetten. Gemeenten geven aan dat hun beschikbare budgetten voor re-integratie niet toereikend zijn om alle mensen passend te helpen. Zij kunnen ervoor kiezen om een deel van de inwoners anders of niet te ondersteunen. |
Bekostigingswijze Hoe wordt de taak bekostigd? |
Gemeenten worden bekostigd voor via verschillende uitkeringen. Het grootste deel van de bekostiging verloopt via de algemene uitkering van het Gemeentefonds. Loonkostensubsidies vallen ook onder de re-integratie-instrumenten; het budget hiervoor wordt verstrekt via de specifieke uitkering Participatiewetuitkeringen (voorheen: BUIG). Dit budget wordt gebaseerd op gerealiseerde uitgaven. |
Omvang budgetten Kan iets gezegd worden over de omvang van huidige om historische budgetten. |
Aangezien de re-integratiemiddelen voornamelijk uit de algemene uitkering komen, is het lastig om te zeggen welk budget gemeenten ontvangen voor deze taak. De Algemene Uitkering is een verdeelmodel en geen bekostigingsmodel De budgettool Participatiewet van Divosa en Cedris maakt op basis van het verdeelmodel wel een inschatting van de middelen die vanuit het Rijk beschikbaar worden gesteld. In 2025 is dit € 734 miljoen voor re-integratie en € 251 miljoen voor begeleiding.26 Daarnaast zijn er budgetten voor o.a. uitvoeringskosten die ook voor re-integratie kunnen worden ingezet. Het deelbudget Loonkostensubsidies in de specifieke uitkering Participatiewetuitkeringen bedroeg in 2025 in € 600 miljoen (definitief macrobudget). |
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Gemeenten hebben in 2024 ongeveer € 1,3 miljard uitgegeven aan re-integratiedienstverlening (o.b.v. taakveld 6.5 “Arbeidsparticipatie” in Informatie voor Derden, Iv3).27 Dit betreft zowel uitgaven aan re-integratie in enge zin (gericht op betaald werk) als re-integratie in brede zin (gericht op onbetaald werk en/of maatschappelijke participatie). Het grootste deel van de uitgaven aan re-integratie wordt gerapporteerd onder taakveld 6.5. Er zijn echter ook andere taakvelden in Iv3 waar re-integratieactiviteiten onder kunnen vallen. Het is dus lastig om vast te stellen hoeveel gemeenten exact uitgeven aan re-integratie en zeker hoe dat zich verhoudt tot het budget dat vanuit het Rijk beschikbaar wordt gesteld. De netto uitgaven aan loonkostensubsidies bedroegen in 2025 € 578 miljoen. De totale geregistreerde uitgaven aan re-integratie in Iv3 zijn sinds 2020 gestegen met ruim 40%.28 Gecorrigeerd voor prijsstijgingen is dat bijna 20%. Ter vergelijking: het aantal bijstandsontvangers bleef gedurende die periode ongeveer gelijk. De kostenstijging in het algemeen is voornamelijk toe te wijzen aan de ingroei van de nieuwe doelgroepen en de veranderende samenstelling van de doelgroep (de gemiddelde ondersteuningsbehoefte neemt toe en er is vaker langdurige ondersteuning voor het behoud van werk). |
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Zijn hier afspraken over gemaakt? |
De financiële risico’s van het re-integratiebeleid liggen bij gemeenten. Deze risico’s zijn echter beperkt. Gemeenten kunnen zelf de afweging maken hoeveel mensen zij willen ondersteunen, hoe intensief zij dit doen en welke instrumenten zij daarbij willen inzetten. Gemeenten kunnen dus sturen op de hoogte van de uitgaven aan re-integratie. De re-integratiedienstverlening is er (deels) op gericht mensen vanuit de bijstand te laten uitstromen naar werk. Er ligt dus een relatie met het verstrekken van bijstandsuitkeringen. De financiële risico’s daarvan zijn groter. Gemeenten zijn sinds de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) in 2004 zelf financieel verantwoordelijk voor het verstrekken van bijstand. Als gemeenten meer geld uitgeven aan bijstandsuitkeringen dan zij van het Rijk ontvangen, moeten zij het tekort zelf opvangen en als ze minder geld uitgeven mogen zij het overschot houden. Dit is vastgelegd in wet- en regelgeving. Voor 2004 was sprake van gedetailleerde regelgeving waar gemeenten aan moesten voldoen, meer verantwoording en toezicht op de uitvoering door de Inspectie. Er is toen gekozen voor deregulering waarbij de sturing niet langer plaatsvindt via regelgeving maar via de financieringssystematiek. |
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
Verantwoording vindt primair plaats aan de gemeenteraad. Verantwoording over de besteding van middelen uit specifieke uitkeringen wordt afgelegd aan het Rijk. Op landelijk niveau leggen de Minister van SZW en BZK verantwoording af aan de Tweede Kamer via het jaarverslag van SZW en het gemeentefonds. |
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Het beleid wordt op stelselniveau geëvalueerd via de periodieke rapportages (voorheen beleidsdoorlichting) over de SZW-begroting. De eerstvolgende rapportage is voorzien voor 2027. Daarnaast evalueren instanties en onderzoeksbureau regelmatig onderdelen van het beleid op eigen initiatief of in opdracht van SZW. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de evaluatie van het eigen re-integratiebeleid, bijvoorbeeld via de lokale rekenkamer. Het SCP heeft in 2019 een evaluatie uitgevoerd van de Participatiewet. Enkele belangrijke bevindingen:
In 2022 verscheen een rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie over de werking van het stelsel van werk en inkomen, waarin ook gekeken is naar de gemeentelijke re-integratie op basis van de Participatiewet.29 De Arbeidsinspectie concludeert dat de uitvoering van de re-integratiedienstverlening veel sterke kanten heeft, maar dat er structurele knelpunten zijn die de doeltreffendheid beperken:
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in 2024 de re-integratieondersteuning binnen de Participatiewet onderzocht op basis van de ervaringen van gemeentelijke klantmanagers.30 Klantmanagers zijn doorgaans positief over het nut van hun werk, maar in de dagelijkse uitvoering van hun taken ervaren zij ook knelpunten. De Arbeidsinspectie ziet op basis van deze ervaringen een aantal risico’s voor de doeltreffendheid van de re-integratiedienstverlening, vooral op de onderstaande punten:
|
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
Er is beperkt inzicht in de budgetten voor re-integratiebeleid. De budgetten zijn niet apart zichtbaar en moeten worden afgeleid. Er is meer inzicht in de uitgaven (zie Iv3 en het onderzoek van Significant), al is dit ook niet volledig inzichtelijk vanwege verschillen in registratie door gemeenten. Een gesprek over balans tussen taken en middelen is hierdoor niet goed mogelijk. Het eerdergenoemde onderzoek van Significant was erop gericht een feitelijk en actueel beeld te geven van de gemeentelijke re-integratiedienstverlening, die valt onder de Participatiewet. |
Ingevuld sjabloon voor uitwerking casus CDOKE-middelen Gemeenten
| Onderdeel | Uitwerking voor CDOKE-middelen |
|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, sinds wanneer, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft en waar ligt de uitvoering van de taak? |
Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE). Het Rijk reserveert middelen voor de kosten die gemeenten, provincies en waterschappen maken voor het uitvoeren van klimaat- en energietaken die voortvloeien uit het Klimaatakkoord (2019). Ambitie hieruit is het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen tot klimaatneutraliteit in 2050. Afspraken uit Klimaatakkoord naar wettelijke doelstellingen (Klimaatwet/Energiewet) tot specifieke wetgeving op deelterreinen (bijvoorbeeld gebouwde omgeving, energie): daarin zijn taken voor gemeenten opgenomen, die moeten worden uitgevoerd. Hieronder een overzicht van de taken voor gemeenten uit het meest recente rapport van de ROB. In het laatste artikel 2-onderzoek is een aantal taken niet meegenomen omdat deze via het transitiefonds bekostigd zouden worden. Vanwege het wegvallen van dit transitiefonds is de bekostiging ook komen te vervallen, dit betreft de taken op landbouw en landgebruik, zie hieronder. Overzichten komen uit: Van Parijs naar Praktijk, ROB, januari 2021 en Koersen op Klimaatneutraal 2024. |
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
Het realiseren de doelstellingen uit het Klimaatakkoord (+klimaatwet), waarvan 49%(>55%) minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 de belangrijkste doelstelling is. Door het Klimaatakkoord krijgen decentrale overheden nieuwe taken of worden ze geacht bestaande taken te intensiveren. Voor het Rijk zijn de doelstellingen niet vrijblijvend. Er bestaat geen broeikasgasreductieplicht voor individuele gemeenten en dus wordt de lokale inzet bepaald door lokale politieke ambities. Het Rijk is deels afhankelijk van gemeenten om de landelijke doelstellingen te halen. |
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten? Welke onderwerpen worden besproken? |
Vanwege de gewenste doorontwikkeling van de interbestuurlijke governance ligt een voorstel voor voor onderstaande governance:
|
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering van de taak? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen), bijv. door gemeenten en provincies? [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Er geldt geen wettelijke reductieverplichting voor individuele gemeenten. De doelstellingen uit het klimaatakkoord zijn landelijk. Binnen de landelijke kaders van wet- en regelgeving, normen en robuustheidscriteria hebben gemeenten een eigen mate van beleidsvrijheid en wordt de ambitie bepaald door de lokale politiek en de beschikbare middelen voor klimaatbeleid. De beleidsvrijheid is dus relatief groot. Gemeenten hebben wel een aantal wettelijke taken die nauw verbonden zijn aan de uitvoering van klimaatbeleid in bijvoorbeeld de gebouwde omgeving. Om landelijke klimaatambities waar te maken zijn gemeenten daarom onmisbaar. Daarnaast voeren gemeenten veel taken uit die nodig worden geacht om de doelstellingen uit het Klimaatakkoord te halen. Gemeenten zullen hierbinnen net als provincies hun eigen accenten aanbrengen, aangezien de lokale omstandigheden (bijvoorbeeld onderscheid stedelijk/landelijk, aantal inwoners, taakstelling wind op land) per gemeente anders zijn. |
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? Denk bijvoorbeeld aan het stellen van de hoogte van heffingen, opstellen van eigen beleid en zo verder. |
Het financieel instrumentarium van gemeenten is beperkt en veelal niet meer dan kostendekkend voor de specifieke taak. Het is onvoldoende om ook effectief mee te sturen op de doelstellingen. Gemeenten hanteren eigen beleid binnen de door het Rijk gestelde kaders, bijvoorbeeld met behulp van eigen verordeningen (afvalstoffen, riool, OZB) en/of het heffen van leges. Aanvullend kan er gebruik worden gemaakt van lokale subsidie instrumenten (mits financiële ruimte voldoende is). |
Bekostigingswijze Via welke uitkering wordt de taak bekostigd? Hoe is de hoogte (ooit) vastgesteld? Hebben hiervan naderhand bijstellingen plaatsgevonden? |
De middelen zijn in 2023 tot en met 2025 uitgekeerd via de Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (de zgn. CDOKE-middelen). Voor 2026 en verder is afgesproken om de middelen uit te keren via het Gemeentefonds/Provinciefonds via de DU. In 2026 vindt uitkering plaats via de decentralisatie-uitkering (DU) en vanaf 2028 is de inzet om dit om te zetten naar een Bijzondere Fondsuitkering (BFU),als dit wettelijk mogelijk is en middelen overgeheveld worden. Daarnaast zijn SPUKS verstrekt voor bijvoorbeeld isolatie, energiearmoede, en verduurzaming maatschappelijk vastgoed. |
Omvang budgetten Welke omvang hebben de huidige budgetten voor deze taak, voor zover na te gaan, en wat kan gezegd worden over de historische ontwikkeling hiervan? |
De taken voor gemeenten en provincies op het gebied van klimaat en energie zijn in de jaren volgend op 2021 fors toegenomen. In een evaluatie in 2024 berekende de ROB een toename aan benodigde capaciteit van 45%. Met name bij provincies zijn relatief veel nieuwe taken ontstaan op het gebied van het aanpakken van netcongestie, het opstellen van energievisies, het afstemmen vraag en aanbod van energie, het integraal programmeren en het opstellen van warmteprogramma's. Op de huidige begroting van KGG zijn jaarlijks meer middelen beschikbaar dan de afgelopen jaren jaarlijks beschikbaar is gesteld aan gemeenten en provincies. Voor individuele gemeenten en provincies is daarmee in de huidige KGG begroting voor de komende jaren ten minste het bedrag beschikbaar dat zij voor 2025 ontvingen aan basisfinanciering (brief MKGG dd 16 juli 2025, kenmerk: DGKE-K / 97927695). Ook voor de klimaatmiddelen is sprake van een generieke 10% korting op de specifieke uitkeringen. Volgens de ROB is deze besparing onrealistisch, zo stelde zij in haar briefadvies. |
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten van gemeenten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Sinds de uitvoering van het rapport ‘Van Parijs naar praktijk’-rapport zijn de kosten toegenomen omdat de uitvoeringstaken zijn toegenomen, er sprake is van hogere kosten als gevolg van de technologische ontwikkeling en/of door de inflatie. In het ROB-rapport “Koersen op klimaatneutraal” is de kostenraming geactualiseerd: De financiele consequenties van deze ontwikkelingen zijn niet gecompenseerd. Voor gemeenten betekent dit een financieel nadeel van zo'n 400 tot 500 mln per jaar. |
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Hoe kunnen deze worden beheerst? Zijn hier afspraken over gemaakt? Waren alle risico’s bij taaktoedeling voorzien? Hoe is hiermee omgegaan? |
Gemeenten dragen de financiële risico’s bij de uitvoering van het Klimaatakkoord binnen de bekostiging die het rijk verzorgt. Er is tot nu toe geen sprake van structurele financiering, ondanks dat de taakuitvoering wel structureel van aard is. Er bestaat nog altijd onzekerheid over de financiering vanuit het Rijk. Dit heeft mede te maken met de wisselingen van kabinetten en korting op SPUKS van 10%. Aanvullend is er ook nog geen duidelijkheid over de financiering na 2030. Er staan middelen op de aanvullende post tot 2040, maar dit dient nog geborgd te worden in de departementale begrotingen alvorens dit kan worden overgeheveld naar het GF/PF. Naast het gebrek aan uitvoeringsmiddelen ontbreekt nog het zicht op de benodigde investeringskosten. Afgezien van subsidies en waarborgregelingen ligt het zwaartepunt van de financiële risico's momenteel bij gemeenten. |
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
Gemeenten legden over de inzet en besteding van de CDOKE-middelen in de jaren 2023 tot 2025 verantwoording af via de SISA-systematiek, omdat de middelen afkomstig waren uit een specifieke uitkering. Voor de jaren 2026 en 2027 is besloten om de middelen beschikbaar te stellen via uitkering uit het GF. Over de uitvoering en besteding van middelen wordt verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad in de gemeentelijke begroting in lijn met adviezen daarover vanuit de toezichthouders. |
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Behalve de jaarlijkse cyclus op de voortgang via de klimaat en energieverkenningen en de RES-foto's en NPLW-monitors zijn er geen specifieke evaluaties voor de uitvoeringsmiddelen en de daaraan gekoppelde taakuitvoering. Gesprekken worden hier wel over gevoerd via de verschillende overlegtafels en ambtelijke voorportalen zoals de werkgroep interbestuurlijke verhoudingen (WIS – wekelijks overleg ambtelijk koepels en EZK/BZK). De ROB heeft een herijking van de uitvoeringsmiddelen in 2024 uitgevoerd, zoals hierboven aangegeven. De opvolging hiervan door het Rijk is tot dusverre nog niet geëffectueerd. In een recent briefadvies wordt de aanbevelingen vanuit dit advies nogmaals onderstreept: Briefadvies Kosten decentraal klimaat- en energiebeleid 2025 | Raad voor het Openbaar Bestuur. Voornemen is wel om in 2027 opnieuw de ROB advies uit te laten brengen over de uitvoeringsmiddelen en investeringskosten, dit kan worden gezien als een nieuw ijkpunt en/of vorm van evaluatie. |
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
De volgende publicaties zijn relevant:
|
Ingevuld sjabloon voor uitwerking casus CDOKE-middelen provincies
| Onderdeel | Uitwerking voor CDOKE-middelen |
|---|---|
Beschrijving van de taak Welke taak betreft dit, sinds wanneer, wat is relevante wetgeving die de taak omschrijft en waar ligt de uitvoering van de taak? |
Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE). Het Rijk reserveert middelen voor de kosten die gemeenten, provincies en waterschappen maken voor het uitvoeren van klimaat- en energietaken die voortvloeien uit het Klimaatakkoord (2019). |
Ambities/ beleidsuitgangspunten Wat zijn beleidsuitgangspunten/ -theorie die ten grondslag liggen aan het beleid? Welke ambities zijn (gezamenlijk) geformuleerd? |
Het realiseren de doelstellingen uit het Klimaatakkoord, waarvan 49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 de belangrijkste doelstelling is. Door het Klimaatakkoord krijgen decentrale overheden nieuwe taken of worden ze geacht bestaande taken te intensiveren. Wat hier voor nodig is en welke taken daarbij horen zijn min of meer helder en is overeenstemming over. Deze zijn echter niet wettelijk geborgd. Hieronder een overzicht van de taken voor provincies: Uit: Van Parijs naar Praktijk, ROB, januari 2021 Het IPO geeft aan dat zij onder andere de rol van ‘verbinder’ hebben om diverse belanghebbenden bij elkaar te brengen en dat deze taak zich niet makkelijk laat vangen in wetgeving. Provincies zijn bijvoorbeeld bezig met het opzetten van governance-structuren en het organiseren van bestuurlijke tafels zoals het Energy Board. Provincies hebben verder een belangrijke rol in het doorvertalen van landelijke doelstellingen naar regionale doelstellingen passend bij de behoefte van de provincie. |
Hoe is het bestuurlijk gesprek georganiseerd? Zijn er reguliere overleggen, welke partijen zijn aangesloten? Welke onderwerpen worden besproken? |
Vanwege de gewenste doorontwikkeling van de interbestuurlijke governance ligt een voorstel voor voor onderstaande governance: |
Mate van beleidsvrijheid Hoeveel vrijheid hebben medeoverheden in de uitvoering van de taak? Is dit veranderd over de tijd? Zijn er verschillen in hoe beleidsvrijheid wordt ervaren (maatschappelijke verwachtingen), bijv. door gemeenten en provincies? [Bestaan hierover verschillen van inzicht?] |
Binnen de landelijke kaders, normen en robuustheidscriteria hebben provincies een eigen mate van beleidsvrijheid. Daar de wettelijke kaders hier relatief beperkt zijn, is de mate van beleidsvrijheid relatief groot. Wel is er tussen provincies en KGG een redelijke overeenstemming over een groot deel van de taken die provincies op zich nemen vanuit de CDOKE-middelen die bijdragen aan de doelstelling uit het klimaatakkoord. Provincies brengen hierbij hun eigen accenten aan, aangezien de lokale omstandigheden (bijv. onderscheid stedelijk/landelijk, aantal inwoners, taakstelling wind op land) per provincie anders zijn. |
Sturingsmechanismen Welke mechanismen hebben medeoverheden om inhoudelijk en financieel te sturen? Denk bijvoorbeeld aan het stellen van de hoogte van heffingen, opstellen van eigen beleid en zo verder. |
Provincies hanteren eigen beleid binnen de door het Rijk gestelde kaders, bijvoorbeeld met behulp van eigen verordeningen, het subsidie-instrument en/of het heffen van leges. |
Bekostigingswijze Via welke uitkering wordt de taak bekostigd? Hoe is de hoogte (ooit) vastgesteld? Hebben hiervan naderhand bijstellingen plaatsgevonden? |
De middelen zijn in 2023 tot en met 2025 uitgekeerd via de Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (de zgn. CDOKE-middelen). Voor 2026 en 2027 is afgesproken om de middelen uit te keren via het Gemeentefonds/Provinciefonds. Daarnaast zijn SPUKS verstrekt voor bv Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed en Energyhubs, als aparte bekostiging naast CDOKE. |
Omvang budgetten Welke omvang hebben de huidige budgetten voor deze taak, voor zover na te gaan, en wat kan gezegd worden over de historische ontwikkeling hiervan? |
De taken voor gemeenten en provincies op het gebied van klimaat en energie zijn in de jaren volgend op 2021 fors toegenomen. In een evaluatie in 2024 berekende de ROB een toename aan benodigde capaciteit van 45%. Met name bij provincies zijn relatief veel nieuwe taken ontstaan op het gebied van het aanpakken van netcongestie, het opstellen van energievisies, het afstemmen vraag en aanbod van energie, het integraal programmeren en het opstellen van provinciale Meerjaren Investeringsprogramma’s Energie en Klimaat. Om die reden verhoogt het kabinet de beschikbare uitvoeringsmiddelen voor provincies voor de jaren 2026 t/m 2030 met € 10 miljoen per jaar. Op de huidige begroting van KGG zijn jaarlijks meer middelen beschikbaar dan de afgelopen jaren jaarlijks beschikbaar is gesteld aan gemeenten en provincies. Voor individuele gemeenten en provincies is daarmee in de huidige KGG-begroting voor de komende jaren ten minste het bedrag beschikbaar dat zij voor 2025 ontvingen aan basisfinanciering (brief MKGG dd 16 juli 2025, kenmerk: DGKE-K / 97927695). IPO geeft aan dat de omvang van de middelen te klein is voor het behalen van alle doelstellingen uit het klimaatakkoord. Dit volgt ook uit het onderzoek van de ROB in 2024. Ook voor de klimaatmiddelen is een generieke 10% korting doorgevoerd als gevolg van de SPUK-operatie van het kabinet Schoof, gericht op het terugdringen van het aantal SPUKS en het vergroten van de beleids- en bestedingsvrijheid. |
Kostenontwikkeling Hoe hebben de kosten van gemeenten zich ontwikkeld? Wat zijn hier de belangrijkste oorzaken van [Welke onderzoeken zijn gedaan om deze in kaart te brengen?] |
Sinds de uitvoering van het rapport ‘Van Parijs naar praktijk’-rapport zijn de kosten toegenomen omdat de uitvoeringstaken zijntoegenomen, er sprake is van hogere kosten als gevolg van de technologische ontwikkeling en/of door de inflatie. In het ROB-rapport “Koersen op klimaatneutraal” is de kostenraming geactualiseerd: De financiele consequenties van deze ontwikkelingen zijn niet gecompenseerd, afgezien van een – overigens niet onderbouwde - € 10 miljoen voor de bekostiging van netcongestie. |
(Financiële) risico’s Wie draagt de financiële risico’s? Hoe kunnen deze worden beheerst? Zijn hier afspraken over gemaakt? Waren alle risico’s bij taaktoedeling voorzien? Hoe is hiermee omgegaan? |
Provincies dragen de financiële risico’s bij de uitvoering van het Klimaatakkoord binnen de bekostiging die het Rijk verzorgt. Er is tot nu toe geen sprake van structurele financiering, doordat de mogelijkheid bestaat dat de financiering van het Rijk onzeker is. Daarbij zijn vooralsnog geen afspraken gemaakt over de financiering na 2030, terwijl de inspanningen van de provincies wel doorgaan. Er staan middelen gereserveerd op de Aanvullende Post. |
(Democratische) verantwoording Hoe wordt verantwoord over de uitvoering, besteding op lokaal en landelijk niveau? |
Zowel provincies als Rijk verantwoorden via de P&C-cyclus (begroting en jaarrekening) door Gedeputeerde Staten aan de Provinciale Staten. De minister doet dit aan de Staten-Generaal. Over eventuele SPUKS werd via de SISA-verantwoording bij de jaarrekening verantwoording afgelegd. |
Evaluatie Hoe is evaluatie van beleid en uitvoering geborgd? [Wat was het resultaat van (recente) evaluaties? Zijn hierbij verschillen van inzicht aan het licht gekomen?] |
Op dit moment vinden er geen evaluaties plaats. De ROB heeft een herijking van de uitvoeringsmiddelen in 2024 uitgevoerd, zoals hierboven aangegeven. Op basis van deze evaluatie heeft een ophoging van 10 miljoen plaatsgevonden. |
Informatie beschikbaarheid Is voldoende informatie beschikbaar om het gesprek over balans, de verantwoording en evaluatie- en doorontwikkeling van beleid te faciliteren? Wat mist er? [Welke trajecten zijn er (geweest) om de balans te onderzoeken? Zijn hieruit verschillen van inzicht gekomen?] |
De volgende publicaties zijn relevant:
Integrale monitoring van het behalen van beleidsdoelstellingen ontbreekt. De BFU biedt hier in de toekomst wellicht aanknopingspunten voor. |
Kamerstukken II, 2025-2026, 33 047, nr. 43↩︎
Daar waar in deze brief over medeoverheden wordt gesproken wordt gemeenten en provincies bedoeld. De waterschappen en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba worden buiten beschouwing gelaten.↩︎
Tweede Kamerstukken 29362, nr. 409↩︎
Eerste Kamerstukken 2025-2026, Toezegging T04224↩︎
Dit betreft een artikel 2 onderzoek volgend uit de Financiële verhoudingswet↩︎
Informatie voor Derden (Iv3) is een informatiesysteem. Hierin staat welke financiële informatie de gemeente, provincie en gemeenschappelijke regeling moet verstrekken. Iv3 bevat onder andere de gegevens van de jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten en provincies. En op welke manier. De afnemers van deze financiële informatie zijn onder meer de financiële toezichthouder, de Europese Unie, het ministerie van BZK en het CBS.↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2026-2027, 37020-B↩︎
Zie de bijlage voor een toelichting op de instrumenten en activiteiten van fondsbeheerders rondom het gemeente- en provinciefonds.↩︎
Kamerstukken II, 2011-2012, 31 839, nr. 142↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II, 2020-2021, 31839, nr. 760 en Voorjaarsnota 2019 Kamerstukken II, 2018-2019, 35210, nr. 2↩︎
Kamerstukken II, 2020-2021, 31 839, nr. 779↩︎
Kamerstukken II, 2022-2023, 31 839, nr.964↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, 31 839, nr.1063↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, 36725, nr. 1↩︎
https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2026/OWB/B#9618659↩︎
Dit betreft uitgaven gemeenten exclusief decentralisatie-uitkeringen, immers de decentralisatie-uitkeringen zijn geen onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds.↩︎
Kamerstukken I 2024–2025, 36 000 B, K↩︎
Kamersstuk 2025/26, 33047, nr. 45.↩︎
Deze verantwoordelijkheid is in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba belegd bij ‘Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties’. In de huidige portefeuilleverdeling is deze bevoegdheid echter belegd bij de staatssecretaris van BZK.↩︎
Duidelijkheid in de (dis)balans | Raad voor het Openbaar Bestuur↩︎
Adviesrapport Rust-Reinheid-Regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen | Raad voor het Openbaar Bestuur↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 36 988, nr. 2↩︎
Eerste Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 B, E↩︎
Tweede Kamerstukken 2025-2026, 36800-B, nr. 30↩︎
Tweede Kamerstukken 2025-2026, 36800-B, nr. 31↩︎
Re-integratiedienstverlening door gemeenten. Budgetten, instrumenten, doelgroepen en kosten, Significant APE, 2025↩︎
Re-integratiedienstverlening door gemeenten. Budgetten, instrumenten, doelgroepen en kosten, Significant APE, 2025↩︎
Re-integratiedienstverlening door gemeenten. Budgetten, instrumenten, doelgroepen en kosten, Significant APE, 2025↩︎
Spiegel Bestaanszekerheid 2022, Nederlandse Arbeidsinspectie, 2022↩︎
Re-integratie dienstverlening in het kader van de Participatiewet. Een onderzoek onder gemeentelijke klantmanagers naar de risico’s voor de doeltreffendheid van de dienstverlening, Nederlandse Arbeidsinspectie, 2024↩︎