[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]
Datum 2026-09-02. Laatste update: 2026-09-08 09:42
Thorbeckezaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

EU-dimensie Koninkrijksrelaties

Opening

Verslag van een commissiedebat

De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 2 september 2026 overleg gevoerd met de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, over EU-dimensie Koninkrijksrelaties.

De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,

Biekman

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Van Meetelen

De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,

Hessing-Puts

Voorzitter: Biekman

Griffier: Hessing-Puts

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Biekman, Tijs van den Brink, Heera Dijk, Den Hollander, Nanninga en Tseggai,

en de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid.

Aanvang 14.01 uur.

EU-dimensie Koninkrijksrelaties

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 juni 2025 inzake uitvoeringsagenda’s en uitvoeringsrapportages landspakketten no.1 2025 (36600-IV, nr. 71);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 december 2025 inzake beantwoording vragen commissie over verslag van de EU-rapporteurs Koninkrijksrelaties over Europese verkiezingen en mogelijke drempels voor de CAS (Kamerstuk 35165-92) (35165, nr. 101);
  • de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 12 maart 2026 inzake antwoorden op vragen commissie over het fiche: [MFK] Landen en gebieden overzee (LGO)-besluit (Kamerstuk 22112-4187) (22112, nr. 4292);
  • de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 22 mei 2026 inzake stand van de zaken van een aantal moties en toezeggingen op het beleidsterrein van Koninkrijksrelaties (36800-IV, nr. 59);
  • de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 21 mei 2026 inzake toezending uitkomsten LGO-EU-Forum (22112, nr. 4354);
  • de brief van de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid d.d. 29 juni 2026 inzake onderzoek naar voor- en nadelen status landen en gebieden overzee (LGO) en ultraperifere gebieden (UPG) (36800-IV, nr. 68).

De voorzitter:

Goedemiddag! Welkom, commissie. Wat een gezelligheid. Goedemiddag, bon tardi en good afternoon. Hierbij open ik deze vergadering van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties. Wij voeren vandaag een commissiedebat met de staatssecretaris Koninkrijksrelaties, de heer Van den Burg. Van harte welkom! Ook een hartelijk welkom aan alle belangstellenden op de publieke tribune en degenen die thuis via de livestream meekijken.

Mijn naam is Anouschka Biekman en ik ben voorzitter van deze commissie. Ik heet ook de commissieleden van harte welkom. Goed om jullie allemaal weer hier te zien na een zomerreces. Voor de meesten geldt: gezond en wel. Ook de heer Van den Brink: van harte welkom weer hier in ons midden. Naast mij heb ik als eerste het lid Nanninga van JA21, daarnaast mevrouw Dijk van D66, mevrouw Tseggai van PRO, mevrouw Den Hollander van de VVD en de heer Tijs van den Brink van het CDA.

In de eerste termijn sta ik vijf interrupties toe, korte interrupties. We gaan kijken of dat werkt. Ik geef meteen het woord aan het lid Nanninga.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Dank, voorzitter. Ik moet dit debat helaas zo meteen verlaten voor een ander, plenair debat. Alvast mijn excuses daarvoor. Ik zal de bijdragen van de ambtsgenoten en de beantwoording natuurlijk met belangstelling terugkijken.

Voorzitter. JA21 verwelkomt de hoofdlijnen van het nieuwe LGO-besluit. Het erkent de strategische waarde van de Caribische delen van het Koninkrijk. Die positie moet worden benut voor concrete investeringen in infrastructuur en economische zelfstandigheid. Betere verbindingen tussen de eilanden zijn ook van belang voor de veiligheid en weerbaarheid in de regio. Voor de Nederlandse en Franse LGO samen wordt 125 miljoen euro voorgesteld. Dat is bijna een nominale verdubbeling en dat biedt kansen, maar Europees geld wordt uiteindelijk door de lidstaten betaald. JA21 wil daarom een transparante verdeling en meetbare resultaten. Wat is de Nederlandse inzet voor de verdeling en hoe wordt de doelmatigheid beoordeeld en getoetst? Meer geld heeft alleen waarde als de eilanden het kunnen benutten. JA21 steunt daarom eenvoudige procedures en gerichte ondersteuning bij de uitvoering. De hulp moet de blijvende lokale kennisopbouw en de zelfredzaamheid vergroten, zodat de landen en eilanden projecten uiteindelijk zelfstandig kunnen uitvoeren en verantwoorden. Ook zijn de landen hier zelf goed mee op weg. Zo verwelkomen wij het initiatief van de Arubaanse regering om een nieuw ministerie Koninkrijksrelaties en EU-aangelegenheden op te richten, waarin de eigen institutionele capaciteit wordt versterkt.

Over de voorgestelde leenfaciliteit is JA21 terughoudend. De voorwaarden zijn nog onduidelijk, terwijl het kabinet schrijft dat het Koninkrijk bij niet-nakoming verantwoordelijk wordt gehouden. Dat gebruik onwaarschijnlijk wordt geacht, is misschien waar, maar het is geen overtuigende waarborg. Kan de staatssecretaris er vooraf duidelijkheid over geven dat er met Nederland overlegd wordt voordat er zulke leningen worden aangegaan, ter bescherming van de Nederlandse belastingbetaler?

Voorzitter. JA21 wil sterke Caribische landen en eilanden met goed bestuur en goede voorzieningen, maar daarvoor is meer Europese integratie niet vanzelfsprekend de oplossing. Wij zijn ook tegen het idee van overgaan naar een UPG-status. De blijvende verplichtingen zijn aanzienlijk, terwijl onvoldoende is aangetoond dat de voordelen voor de eilanden en de landen daartegen opwegen. Een dergelijke overgang betekent dat EU-wetgeving in beginsel volledig gaat gelden. Dat brengt invoeringskosten en blijvende uitgaven aan uitvoering, toezicht en handhaving mee en het schept meer verplichtingen voor Europees Nederland. De eilanden lopen al tegen een uitvoerings- en capaciteitsgebrek aan wat betreft hervormingen uit de landspakketten. Waarom zouden we boven op die bestaande opgaven nog een omvangrijk Europees regelpakket willen leggen? Zo bestaat het risico dat er een nieuwe afhankelijkheidsrelatie ontstaat, terwijl zelfstandigheid en gelijkwaardigheid het uitgangspunt zijn voor de relatie tussen Europees Nederland en de eilanden.

Daarnaast maakt JA21 zich zorgen over verdere juridische binding aan Europa. Meer EU-recht betekent dat op meer terreinen beleid aan Europese regels kan worden getoetst. Dat beperkt de eigen beleidsruimte en brengt het risico met zich mee dat wij hier in Europees Nederland ook weer aan allerlei zaken gebonden kunnen worden.

De voorzitter:

Lid Nanninga, ik heb twee opmerkingen. De eerste is dat u door uw spreektermijn heen bent. De commissieleden hebben een spreektermijn van drie minuten. Dat was ik vergeten aan te geven aan het begin van de vergadering. Ik zag ook een interruptie van mevrouw Tseggai. Daaraan wil ik dus toevoegen dat het wel vijf korte interrupties moeten zijn, dus onder de 30 seconden.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Helder, voorzitter, dank. Mevrouw Nanninga had het erover dat gelijkwaardigheid belangrijk is, ook tussen de eilanden en Europees Nederland, maar zou dat niet juist voor die UPG-status pleiten? Dan heb je namelijk dezelfde regelgeving hier en daar uit Europa.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Ja, maar gelijkwaardigheid is iets anders dan gelijkheid, dan precies hetzelfde zijn. We zitten al met dat "comply or explain"-probleem. Het is dus een hele andere situatie op de eilanden, het Caribisch deel van Nederland, dan hier. Als je al die Europese wet- en regelgeving die we hier al lastig kunnen toepassen ook nog moet vertalen naar Caribisch Nederland, zadel je ze daar met een hele berg problemen op. Dat komt de gelijkwaardigheid niet ten goede. Gelijkheid is iets anders dan gelijkwaardigheid. Het is niet verstandig om dat hele pakket regels te dumpen in een omgeving, een situatie, een bestuurscultuur en een uitvoeringskracht die heel anders zijn dan hier. Dus dat moet je niet doen.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Ik deel overigens die zorgen over de uitvoering, dus dat ben ik met mevrouw Nanninga eens, maar juist vanwege dat "comply or explain"-principe — dat betekent: doe hetzelfde of leg uit waarom je niet hetzelfde doet — is het toch eigenlijk een beetje raar dat Europese regelgeving hier wel geldt maar in Caribisch Nederland niet? Maar misschien ging mevrouw Nanninga daar in de rest van haar betoog wel iets over zeggen, dus die ruimte geef ik haar ook graag.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Ik waardeer het slimmigheidje, maar de rest van mijn betoog ging daar niet over. Ik snap wel wat u zegt, maar we zien dat de uitvoering van comply or explain nu al volkomen vastloopt en tekortschiet. Je legt dan dus nog veel meer regels in Europees verband op aan Caribisch Nederland. Heel veel daarvan kunnen of willen ze niet implementeren. Dat kunnen ze ook uitleggen: het explaingedeelte. Dat kan wel, maar daar ontbreekt totaal de capaciteit voor. Je trekt echt een doos van Pandora open. De positieve effecten daarvan wegen daar ons inziens ook niet tegen op.

De voorzitter:

Dank u wel, ook voor uw inbreng. Dan nodig ik het lid Dijk uit voor haar inbreng.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Dank, voorzitter. Bon dia voor de mensen op de eilanden en goedemiddag voor de mensen hier. Fijn om iedereen na het reces weer te zien. Zoals is aangegeven, hebben we kort de tijd, dus ik ga alleen maar vragen stellen. Dat doe ik ook namens mijn collega van de ChristenUnie.

Mijn eerste vraag gaat over de landspakketten. D66 heeft de hervormingen van de landspakketten altijd gesteund. Nu moeten we wachten op de evaluatie. Ik vroeg me af wat er in de tussentijd gebeurt. Moeten de eilanden nu opnieuw nog plannen maken? Staat het stil? Er is namelijk toch nog behoorlijk veel geld beschikbaar. Ik wil dus eigenlijk wat meer horen over de status.

Dan kom ik op een zorgwekkend geluid vanuit Curaçao. Dat gaat over het lotingsysteem voor projecten over het slavernijverleden. Wij krijgen signalen dat dat niet helemaal verloopt zoals het oorspronkelijk is afgesproken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij deze signalen herkent en of het klopt dat er andere beoordelingscriteria zijn.

Dan kom ik op de EU-fondsen. Als rapporteur van LGO ben ik natuurlijk blij dat er meer middelen beschikbaar zijn bij het volgende MFK. Ik ben ook blij dat we gisteren al op de hoogte zijn gesteld door middel van een brief waarin staat wat het proces nu is. Ik heb eigenlijk gewoon een korte vraag over de EU-fondsen en de BES-eilanden: is er al zicht op van welke fondsen de BES-eilanden gebruik kunnen maken? Zo ja, om welke fondsen gaat het, en, zo nee, laten we dan misschien dingen liggen? Heeft dat dan ook te maken met de capaciteit?

Ik weet niet hoeveel tijd ik nog heb?

De voorzitter:

U heeft nog ruim anderhalve minuut.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Oké. Dan LGO en UPG, de afkortingen. We weten dat het onderzoek van de Universiteit van Curaçao is afgerond en dat de reactie eind van deze maand nog volgt, maar ik zou toch al willen weten waarom twee eilanden hebben besloten niet mee te doen aan het onderzoek. Ik kan me niet voorstellen dat de staatssecretaris nog geen visie heeft op dit onderwerp. De vraag is dus of hij dat graag zou willen delen.

Tot slot kom ik op de braindrain. D66 is natuurlijk de onderwijspartij. Ik heb in de stukken gelezen dat de motie van voorganger White is afgedaan. Daar heb ik toch een kritische kanttekening bij. Ik mis in de analyse over mbo-, hbo- en wo-studenten dat je gebruik kunt maken van een regeling met de rijksdienst, als je daar werkt, maar niet iedereen gaat daar werken. Wat mij betreft is die motie dus niet helemaal afgedaan. Ik zou toch wat meer achtergrond willen hebben over de vraag over welke studenten dit gaat en de vraag waarom dit niet kan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan het lid Tseggai, voor haar inbreng namens PRO.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Dank u wel, voorzitter. Ons Koninkrijk is lid van de Europese Unie, maar de zes Caribische eilanden niet. Dat is gezien de bijzondere ligging buiten het Europese continent historisch goed te begrijpen, maar de tijden veranderen en de uitdagingen ook. Ik denk dat het goed is dat we, nadrukkelijk samen met de eilanden, het gesprek voeren over de vraag hoe de eilanden zich in de toekomst tot de EU gaan verhouden. Ik zie dit debat vandaag dan ook een beetje als een tussenstap, want er gaan de komende tijd nog veel gesprekken met de eilanden gevoerd worden. Ook de EU komt op korte termijn met haar visie op de toekomstige status van LGO- en UPG-gebieden.

Het onderzoek van de Universiteit van Curaçao dat naar aanleiding van een motie van mijn collega's White en Paternotte is uitgevoerd, biedt, denk ik, nuttige inzichten in de voor- en nadelen van de eventuele wijziging van de status. Maar de rode draad is dat hoe het precies vormgegeven gaat worden volgens mij erg afhankelijk is van de situatie per eiland, zoals wel vaker met Koninkrijksrelaties.

Ik heb een aantal vragen aan de staatssecretaris. Hij komt later dit jaar met een kabinetsreactie op dat onderzoek. Hoe gaat hij precies tot zijn standpuntbepaling komen? De EU komt later deze maand met nieuwe voorstellen over de UPG-status. Wat verwacht de staatssecretaris hiervan en welke invloed heeft Nederland er tot nu toe op uitgeoefend om de voorstellen voor de Caribische delen van ons Koninkrijk zo interessant mogelijk te laten zijn?

Eerder heeft de Europese Commissie gesproken over een strategische verschuiving in de relatie met LGO-gebieden. Wat is hier in EU-verband sindsdien mee gebeurd en hoe ziet de staatssecretaris deze verschuiving? Welke mogelijkheden ziet hij bijvoorbeeld om meer te halen uit de LGO-status? Er wordt namelijk, terecht, gewezen op de beperkte juridische uitvoeringskracht en op de potentieel juridisch lange trajecten bij een verschuiving van de LGO- naar de UPG-status. Aan de andere kant betekent investeren in de uitvoeringskracht ook dat de toegang tot EU-fondsen mogelijk toeneemt. Daarom vindt mijn fractie het toch wel interessant. Hoe ziet de staatssecretaris dit?

Voor mijn fractie staan een aantal dingen hierin centraal. Een is dat de toekomstige verhouding in goede samenwerking met de eilanden moet worden uitgewerkt. De eilanden moeten zo goed mogelijk toegang krijgen tot EU-fondsen, en de toekomstige band met de EU moet zo goed mogelijk aansluiten bij de geopolitieke context. In de kabinetsreactie die we later dit jaar ontvangen, zou ik dat ook graag terugzien. Ik zou ook zelfs graag per eiland een afweging zien, zodat we als Kamer een goed beeld hebben van de gevolgen en mogelijkheden. In dit kader ben ik ook benieuwd, net als mijn collega Dijk, naar de gesprekken met Curaçao en Sint-Maarten, die eerder geen behoefte hadden aan het onderzoek van de Universiteit van Curaçao.

Tot slot is er nog een andere belangrijke EU-dimensie, namelijk de verkiezingen in 2029. Er wordt gewerkt aan het wegnemen van drempels voor kiezers op de CAS-eilanden. Hoe staat het daarmee?

De voorzitter:

Keurig binnen de tijd. U had nog acht seconden op de klok. Dank u wel voor uw inbreng. Dan nodig ik mevrouw Den Hollander uit voor haar inbreng namens de VVD.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Veel dingen zijn inmiddels al gezegd. De EU-dimensie gaat er voor ons concreet om hoe je ervoor zorgt dat de Caribische delen van ons Koninkrijk maximaal kunnen profiteren van Europese kansen, zonder dat de uitvoeringskracht van de eilanden overvraagd wordt. Daarbij zou ik allereerst willen ingaan op het nieuwe LGO-besluit. De Europese Commissie stelt voor om de middelen voor landen en gebieden overzee fors te verhogen. Dat biedt dus heel veel kansen. Maar geld alleen is geen garantie voor economische vooruitgang. De vraag is of er op de eilanden voldoende capaciteit is om projecten te ontwikkelen, aanvragen te doen, middelen te benutten en daarover ook goed verantwoording af te leggen. Daarom vraag ik de staatssecretaris hoe hij borgt dat de kleine eilanden — dan denk ik met name aan de BES-eilanden — niet buiten de boot vallen als de Europese inzet meer verschuift naar grotere en regionale projecten. Hoe wordt voorkomen dat Europese middelen in de plaats komen van noodzakelijke inzet vanuit Nederland of het Koninkrijk?

Voorzitter. Dan kom ik bij de keus tussen de LGO- en de UPG-status. Het onderzoek van de Universiteit van Curaçao laat zien dat geen van beide statussen op zichzelf beter is. Een UPG-status betekent nauwere integratie in de Europese Unie en mogelijk ruimere toegang tot fondsen en programma's. Maar daar staan veel meer Europese regels, juridische verplichtingen, uitvoeringskosten en handhaving tegenover. De huidige LGO-status biedt juist meer beleidsruimte en flexibiliteit. Voor de VVD is het daarom te vroeg om nu al een politieke voorkeur uit te spreken voor een van beide statussen. Die keuze moet wat ons betreft per eiland worden gemaakt op basis van ambitie, meerwaarde, uitvoerbaarheid en draagvlak. Ik vraag de staatssecretaris daarom, net als mijn collega, om in de kabinetsreactie per eiland inzichtelijk te maken welke wensen binnen de LGO-status kunnen worden gerealiseerd en waarvoor een UPG-status daadwerkelijk meerwaarde zou kunnen bieden. Verder ben ik benieuwd waarom Curaçao en Sint-Maarten niet meedoen, zoals collega's eerder hebben gezegd. Mij puzzelt het vooral dat Sint-Maarten niet meedoet, omdat het Franse deel van Sint-Maarten wel een UPG-status heeft. Het lijkt me dus juist daar heel logisch, ook vanwege een gezamenlijke eurozone bijvoorbeeld. Het is interessant hoe dit verder loopt.

Voorzitter. Wij willen ook nog even stilstaan bij het kiesrecht van de inwoners van Curaçao, Aruba en Sint-Maarten voor het Europees Parlement. In het coalitieakkoord staat dat we het makkelijker maken voor inwoners van de eilanden om te stemmen voor het Europees Parlement. Dat is belangrijk, want als mensen stemrecht hebben, moet het stemrecht ook praktisch toegankelijk zijn. De uitbreiding van het aantal stembureaus is een eerste stap, maar ik wil weten wat er verder wordt geregeld. Hoe staat het met het wetsvoorstel? Welke drempels rond registratie, informatievoorziening en stemproces worden vóór de Europese verkiezingen van 2029 weggenomen?

Voorzitter. Europese samenwerking kan kansen bieden voor economische ontwikkeling, innovatie en weerbaarheid van de eilanden. Maar de kern blijft: maatwerk per eiland, realistische uitvoeringskracht en een duidelijke verantwoordelijkheid.

Tot slot zou ik nog een vraag willen stellen over het preclearancesysteem tussen Aruba en Nederland of de Europese Unie. Mijn collega Van den Brink heeft hier in mei van dit jaar ook een vraag over gesteld. Aangezien de staatssecretaris een coördinerende rol heeft in alle zaken die het Caribisch gebied aangaan en er sprake is van economisch voordeel voor Aruba zou ik willen vragen of er al voortgang is op dit verzoek van Aruba. Staat de staatssecretaris positief tegenover reizen richting Europa, en, zo ja, welke stappen is hij van plan hierop te nemen?

Zo, ik heb nog één seconde!

De voorzitter:

Ja, heel goed! Ook keurig binnen de tijd. Tot slot is het woord aan de heer Van den Brink namens het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u, voorzitter. Ik had de oekaze van drie minuten niet meegekregen, dus ik ga dat niet redden. Maar ik stop gewoon als u zegt dat ik moet stoppen met praten.

Dag, voorzitter. Bon dia. Hartelijk welkom aan iedereen die dit debat volgt. Mooi dat u kijkt. Vandaag gaat het over de relatie van het Nederlands Caribisch deel van het Koninkrijk met de Europese Unie. Een van de onderwerpen op de agenda is het onderzoek van de universiteit van Curaçao naar de voor- en nadelen van verschillende EU-statussen voor de eilanden, LGO en UPG. Het is eigenlijk iets te vroeg, want we hebben nog geen kabinetsreactie. Maar goed, we hebben al wel een aantal vragen bedacht voor de staatssecretaris.

Voor ons is goed contact met de eilanden zelf van belang. Hebben zij zelf een voorkeur voor een van de statussen? We vertrouwen erop dat de staatssecretaris daarover goed in contact is met de eilanden. Klopt dat? De volgende vraag is of we op dit moment voldoende uit de huidige LGO weten te halen. Deze commissie heeft daar al eerder aandacht voor gehad. Toen bleek dat de eilanden tegen belemmeringen aanlopen bij bijvoorbeeld het binnenhalen van fondsen. Dat zijn belemmeringen die niet direct zullen verdwijnen als de eilanden een andere status krijgen. Denk aan een tekort aan ambtelijke capaciteit en het niet kunnen bieden van cofinanciering. Dan kan je je dus afvragen: als het nu al niet lukt om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden, waarom zou dat dan wel lukken met een andere status? Mijn vraag aan de staatssecretaris is wat de regering doet om de eilanden te helpen om Europese financiering aan te trekken. Is de regering bereid om slim te kijken waar Nederlandse gelden maximaal efficiënt ingezet kunnen worden door ze te combineren met Europese gelden, die cofinanciering vereisen? Denk aan de milieuproblematiek rondom Selibon, waar we morgen over praten.

In de meest recente brief lazen we dat we sinds 2023 een speciaal gezantschap hebben voor de BES-eilanden dat ondersteuning biedt bij het aantrekken van de EU-subsidies. Heeft dat zijn vruchten afgeworpen, zou mijn vraag zijn. Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken of een nieuwe status haalbaar is qua uitvoeringscapaciteit. Er zal nog meer Europees beleid geïmplementeerd moeten worden. We vertrouwen erop dat dat aspect meegenomen wordt in de kabinetsreactie.

Dan het Meerjarig Financieel Kader van de EU, waarin ook een nieuw LGO-besluit gaat vallen. Dat is een belangrijk onderwerp. Er kunnen veel investeringen loskomen. In het huidige MFK is 80 miljoen beschikbaar voor de eilanden van het Koninkrijk. Wat verwacht de staatssecretaris van het nieuwe MFK?

De leenfaciliteit lijkt op zich wenselijk en goed, maar staat of valt natuurlijk met de kleine lettertjes. Zet Nederland erop in dat een LGO alleen met voorafgaande instemming van de betrokken lidstaat gebruik kan maken van de Europese leenfaciliteit of is dit naar het oordeel van de staatssecretaris niet nodig? Eigenlijk is de achterliggende vraag hierbij ook hoe het staat met de garantstelling. Wordt Nederland verantwoordelijk voor wat de andere landen in het Koninkrijk doen? Ik kan me voorstellen dat als dat niet zo is, Nederlandse toestemming minder relevant wordt. Het belangrijkste voor het CDA hierin is dat we er met z'n allen in weten te slagen om middelen binnen te halen om de kwaliteit van leven op de eilanden te bevorderen.

Ik heb nog een aantal vragen aan de staatssecretaris over wat daarvoor nodig is. Is aanvullende ondersteuning nodig voor met name de kleinere eilanden om projecten te ontwikkelen die in aanmerking komen voor financiering uit het LGO-besluit, de Global Gateway of andere EU-instrumenten? Hoe wordt voorkomen dat de nadruk op financierbare en relatief grote projecten ertoe leidt dat kleine ngo's, waaronder die op Saba en Sint-Eustatius, minder goed toegang krijgen tot Europese investeringsmogelijkheden?

De landspakketten staan vandaag ook op de agenda …

De voorzitter:

Lid Van den Brink, ik moet u onderbreken. U bent door uw tijd heen. Helaas.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Yappa yappa yappa. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn. Ik kijk even rechts van mij. Hoelang heeft u nodig, staatssecretaris?

Staatssecretaris Van der Burg:

De ambtenaren moeten nog even naar beneden kunnen lopen. Zij zitten namelijk op de derde etage. Als ik om 14.30 uur verder mag gaan, dan … O, ik krijg de vraag of het ook 14.35 uur mag worden. Om 14.35 uur kan ik verder.

De voorzitter:

14.35 uur is goed. Dan zien we elkaar hier terug voor de eerste termijn van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Hierbij hervat ik de vergadering. Welkom terug. We gaan verder met het commissiedebat. Van tevoren wil ik aangeven dat het lid Nanninga van JA21 zich laat excuseren vanwege een gelijktijdig debat. In de eerste termijn van de regering sta ik wederom vijf korte interrupties van minder dan 30 seconden toe. Ik geef het woord graag aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de beantwoording.

Staatssecretaris Van der Burg:

Voorzitter. Gemakshalve heb ik drie mapjes. Het eerste is LGO/UPG, het tweede is de Nederlandse inzet in Europa en het derde is overig. "Overig" is overigens het dikste mapje, maar u ziet dat we 16.00 uur gaan halen.

Voorzitter. Dat gezegd hebbende begin ik met een vraag van mevrouw Den Hollander. Twee van de drie landen wilden niet meewerken aan het onderzoek dat is gedaan. Curaçao gaf aan dat er voldoende is onderzocht en dat er geen extra onderzoek nodig is. Van Sint-Maarten hebben we geen reden ontvangen om niet mee te doen aan het onderzoek.

Voor de helderheid: bij UPG of LGO hebben we het feitelijk natuurlijk alleen over Bonaire, Statia en Saba als het gaat om uw rol en mijn rol daarin, want voor de overgang van LGO naar UPG van Sint-Maarten, Aruba of Curaçao zijn zij aan zet. Het zijn onafhankelijke landen en wij kunnen niet voor hen bepalen of zij wel of niet over moeten stappen. Als we het al doen — ik kom later dit jaar natuurlijk nog met een uitgebreide reactie op het rapport — hebben we het dus heel nadrukkelijk over Bonaire, Statia en Saba en niet over de andere drie. Van de andere drie heeft Aruba natuurlijk wel meegewerkt; de andere twee hebben niet meegewerkt. Daarmee heeft u de eerste indicatie binnen.

Mevrouw Den Hollander vroeg naar de meerwaarde van de UPG-status. Die meerwaarde is natuurlijk inderdaad dat het daardoor echt Europa wordt. Natuurlijk niet helemaal, want het ligt geografisch een beetje ver weg, maar het wordt vergelijkbaar met bijvoorbeeld Saint-Martin. Dat levert voordelen op. Mevrouw Nanninga en ook mevrouw Den Hollander hebben goed geschetst dat het ook een andere kant oplevert, namelijk dat het daardoor aan álle Europese regels moet voldoen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen — hiermee loop ik eigenlijk al vooruit op de reactie die ik aan het eind van het jaar ga geven — dat we op een hele hoop andere vlakken nog wel wat stappen te zetten hebben. Gaan we onze capaciteit inzetten op de overgang van LGO naar UPG of op andere dingen? Ik kijk nu toevallig meneer Van den Brink aan; je zou kunnen zeggen: ja, maar meneer Van der Burg, die overgang levert ook voordelen op, want dan komt er ook meer geld vrij. Dat is natuurlijk waar, maar je kunt je capaciteit natuurlijk wel maar op één moment en op één manier inzetten.

Meerderen van u hebben over die capaciteit vragen gesteld. Daarvan is duidelijk dat de drie LGO waar wij mee te maken hebben, namelijk Bonaire, Statia en Saba, niet uitblinken in overdreven veel uitvoeringscapaciteit. Enerzijds hebben we daar een gezant voor die ze kan helpen met het geld binnenharken. Daar kom ik zo nog op terug. Wij kunnen daar natuurlijk ook een bijdrage aan leveren. Anderzijds liggen er bij ons heel veel vragen om ondersteuning op het gebied van wetgevingsjuristen en andere experts, omdat men zelf die capaciteit niet heeft. Die vragen liggen er overigens niet alleen vanuit de drie openbare lichamen, maar ook vanuit de drie landen. Ook wij hebben niet nog ergens een paar blikken wetgevingsjuristen die we open kunnen trekken. En zo wel, dan zal bijvoorbeeld mijn collega van stikstof ook gewoon roepen: geef ze maar aan mij. Of mijn collega van Asiel en Migratie roept: geef ze maar aan mij. Het is voor een deel dus wel woekeren met de expertise die we hebben. Maar ik zeg nogmaals als kort antwoord op de vraag van mevrouw Den Hollander dat ik natuurlijk aan het einde van dit jaar uitgebreid terugkom op de voor- en nadelen.

De heer Van den Brink vroeg of we nu voldoende halen uit de huidige LGO-status, …

De voorzitter:

Staatssecretaris, er is een interruptie van mevrouw Den Hollander.

Staatssecretaris Van der Burg:

… maar dat gaat u later horen.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik wil mijn vraag even helder bij de staatssecretaris neerleggen. Ik zou het echt per eiland willen zien. Ik hoor het mijn collega Tseggai ook zeggen. Afhankelijk van de juridische, economische en maatschappelijke mogelijkheden kan dat immers voor het ene eiland heel anders uitpakken dan voor het andere. Wij zouden heel graag — dat geldt misschien breder in de commissie — per eiland willen zien of UPG een meerwaarde heeft. Hoe schat de staatssecretaris dat in in zijn advies of in zijn gesprek met de eilanden?

Staatssecretaris Van der Burg:

Even voor de helderheid. U spreekt over dé eilanden. Dat zijn er zes. Aangezien wij er bij drie niet over gaan en bij drie wel, ben ik geneigd om "ja" te zeggen als het gaat om Bonaire, Statia en Saba. Ook daar moet ik natuurlijk aan het eind van het jaar op terugkomen. Ik zeg daar wel bij dat het wel heel ingewikkeld wordt als wij, u en ik, dus Kamer en kabinet, bijvoorbeeld bij de bovenwindse tot de conclusie komen "Saba wel en Statia niet" of "Statia wel en Saba niet". Dat wordt natuurlijk wel buitengewoon ingewikkeld, want ook daar krijg je dan, letterlijk in dit geval, met allerlei grensconflicten te maken. Ik sluit dus niet uit dat ik aan het eind van het jaar wel ga zeggen "alle drie niet" of "alle drie wel" in plaats van "laten we daar eens een gezellige, leuke mix in doen". Het antwoord aan mevrouw Den Hollander is wel: ja.

De voorzitter:

Mevrouw Den Hollander, uw tweede interruptie.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik snap dat wij alleen gaan over de BES-eilanden, maar in de stukken die we hebben gekregen, staat dat de staatssecretaris met alle zes de eilanden in gesprek gaat. Er wordt dus vast in het kabinet nagedacht over wat wij dan met die zes eilanden gaan bespreken. Die overwegingen zal de Kamer graag willen ontvangen, denk ik, mits dat in dezen is toegestaan natuurlijk.

Staatssecretaris Van der Burg:

Yes.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een "ja" van de staatssecretaris, mevrouw Den Hollander. De staatssecretaris kan doorgaan met de beantwoording.

Staatssecretaris Van der Burg:

Dan ga ik dat ook doen, voorzitter.

De heer Van den Brink vroeg of we er op het moment voldoende uit halen. Het antwoord is: nee. Ik denk dat er nog voldoende onbenutte kansen liggen. Ik kom straks nog op de inzet terug. Het kabinet vindt dat er in de nieuwe begroting, in het MFK, te veel geld staat voor de komende jaren, maar als het MFK uiteindelijk is vastgesteld, moeten wij er naar mijn mening alles aan doen om zo veel mogelijk van dat geld ten goede te laten komen aan onszelf. Het is immers ook gewoon ons belastinggeld, zoals mevrouw Nanninga zei. En "onszelf" is in dit geval het Koninkrijk, dus de drie of de zes. Daar kunnen we dus echt dingen in doen. Daarom ga ik eind deze maand — 21 en 22 september of 22 en 23 september; daar wil ik even vanaf — naar Brussel zelf toe. Dat zal ik ook de komende tijd doen, want nu zitten we nog in de MFK-discussie, maar in de uiteindelijke verdeling zie ik graag de nodige rood-wit-blauwe vlaggetjes staan, en wel die van het Koninkrijk, dus daarin moeten ook de andere kleuren staan, die van de andere drie landen.

De voorzitter:

Dank u wel. Het lid Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat laatste deel ik natuurlijk met u. Waarom lukt het nu niet om eruit te halen wat erin zit?

Staatssecretaris Van der Burg:

Omdat het inderdaad ingewikkelde procedures zijn; dat zie je ook. Europa is gewoon ingewikkeld. Ik ben een tijdje wethouder geweest in Amsterdam en mocht mij toen bezighouden met de ESF- en EFRO-subsidies. Ik denk dat daardoor mensen de afgelopen tijd nog steeds aan de zuurstof liggen. Europa is ingewikkeld, en dan helpt de beperkte capaciteit van de eilanden waar je het over hebt niet. Vandaar ook de benoeming van de gezant. Dat is één. Twee. Wij kunnen daar meer in helpen. En drie: wij moeten daar voller bovenop gaan zitten en meer aandacht aan besteden.

Voorzitter, ik ga door. De uitvoeringscapaciteit is echt een punt. Ik zei het al tegen de heer Van den Brink. Daarbij moeten we de gezant dus inzetten en daarbij zullen wij moeten helpen, want daarin moet echt meer gebeuren.

"Hoe moeten we voorkomen dat Europese middelen in de plaats komen van noodzakelijke inzet vanuit Nederland of het Koninkrijk?". Ik snapte deze vraag van mevrouw Den Hollander niet helemaal. Ik ga dus even kijken of ik die juist geïnterpreteerd heb. Ik snapte niet hoe ik die moest lezen. Kijk, als wij geld uitgeven voor iets wat wij door een ander kunnen laten betalen, dan denk ik dat mevrouw Den Hollander en ik elkaar vinden, want het is mooi als een ander dan de rekening betaalt. Als het erom gaat dat we moeten voorkomen dat we daardoor geen inzet op andere vlakken kunnen plegen terwijl die wel noodzakelijk is, dan moeten we daar goed naar kijken, want die capaciteit moet uiteindelijk wel een meerwaarde opleveren, en niet alleen voor die zes, maar ook voor Nederland. Ten slotte moeten we ook duidelijk zijn: als wij de kosten door Europa kunnen laten betalen, hoeven wij ze niet te maken en kunnen wij het geld dat wij hebben weer voor andere dingen inzetten, binnen de begroting van het Koninkrijk, dan wel binnen de begroting van Bonaire, Statia en Saba. Daar zit ik dus wel vol bovenop.

Voorzitter. Dan de begroting. Ik blijf even weg bij de hele discussie over de vraag hoe het MFK er in totaal uit moet zien. Daarom ben ik ook bij die inzet gekomen. U kent het standpunt dat is verkondigd door de minister-president en de minister van Financiën, die namens Nederland de onderhandelingen voeren voor het MFK. De begroting van 2.200 miljard waarover gesproken wordt: no way. Dat is een iets ongenuanceerde samenvatting van mij. Nou ja, ongenuanceerd … Als ik naar Eelco Heinen kijk, dan denk ik dat het niet ongenuanceerd is. Dat moet echt krapper. Dus ik blijf daarbij weg.

Uiteindelijk komt er een bedrag uit — hopelijk veel lager dan die 2.200 — en dan komt er een getal uit voor dit specifieke doel. Dit specifieke doel is dan voor drie landen: Frankrijk, Denemarken en Nederland. Ik zeg in dit geval even "drie landen". Ik weet dat u het weet, maar dat geldt niet voor iedereen die thuis meekijkt. Europa beschouwt de zes eilanden allemaal als gelijk en maakt geen onderscheid tussen de drie openbare lichamen en de drie landen. Voor Europa heeft Nederland in dit specifieke geval dus gewoon zes eilanden en heeft Denemarken Groenland. Zij krijgen het meest. Dat heeft te maken met de geopolitieke situatie. Dan houd je de andere helft, zeg ik even gemakshalve, over voor Frankrijk en Nederland. Onze eilanden liggen allemaal in het Caribisch gebied, maar dat geldt niet voor Frankrijk. Dat heeft eilanden in het Caribisch gebied, maar ook nog in de Stille Oceaan. Ik richt mij dus heel nadrukkelijk op de uitkomsten van de onderhandelingen en daar de helft van, en dan zo veel mogelijk binnenhalen voor Nederland.

In het huidige MFK is 80 miljoen beschikbaar voor de eilanden, zoals de heer Van den Brink aangaf. We weten nog niet hoe dit straks gaat uitpakken, maar mijn redenering zal wel zijn: zo veel mogelijk, en dan ook wel op belangrijke thema's. Die thema's hebben we besproken op Aruba. Ik kijk even opzij: was dat mei of april? Nu ga je toch niet "juni" tegen mij zeggen? Ik dacht mei. "Ja, ik denk het ook", hoor ik. Die thema's hebben we besproken op Aruba toen we daar een LGO-conferentie hadden met de Europese Commissie, Frankrijk, Denemarken en alle LGO's. Dan moet je inderdaad denken aan de zeekabel. Eigenlijk is het beter om te zeggen: connectiviteit. Connectiviteit vertaalt zich in de zeekabel; connectiviteit vertaalt zich in bereikbaarheid als het gaat om de eilanden in zijn algemeenheid. Dan heb je het bijvoorbeeld ook over waste management. Op nagenoeg al onze eilanden komt dat terug. En met "onze eilanden" bedoel ik in dit geval de zes. Het gaat dan bijvoorbeeld ook over de havencapaciteit die daarbij aan de orde wordt gesteld. Dat zijn de thema's waar nadrukkelijk over wordt gesproken. Ik weet niet of dat zo blijft, maar voor de Europese Commissie was sargassum ook nog een belangrijk punt. Tot slot was het vijfde thema, energie, belangrijk. Dat waren de vijf thema's die in ieder geval in mei aan de orde kwamen. We gaan proberen om aan te sluiten bij wat de eilanden willen en bij de prioriteiten van Europa. Die twee proberen we aan elkaar te koppelen.

De heer Van den Brink vroeg ook nog hoe we die koppeling dan gaan maken. Eén: de gezant. Twee. Aruba heeft bijvoorbeeld een eigen bureau opgezet om de banden met Europa aan te halen, waarvoor een eigen minister verantwoordelijk is. Dat benoemde het lid Nanninga ook nog. Drie. Niet zozeer tegen de drie openbare lichamen als wel tegen de drie landen heb ik gezegd: als ik naar Brussel ga, ben ik degene die dat doet namens de zes. Uiteraard mogen de drie landen ook zelfstandig die kant op gaan, maar ik zeg altijd gekscherend tegen mijn drie gevolmachtigde collega-ministers: als jullie niet in de buurt zijn, beschouw ik mij als een gevolmachtigde minister in die zin dat ik ook opkom voor de drie landen en niet alleen voor de drie openbare lichamen. Het zijn dus de gezant, de landen zelfstandig en Van der Burg die zich daarvoor inzetten.

Mevrouw Dijk vroeg om welke fondsen het gaat. Dat weten we nu nog niet. Het hangt af van hoe het beleid straks is. Afgelopen tijd waren het in ieder geval Erasmus, BESTLIFE2030 en Connecting Europe Facility. Voor de nieuwe fondsen moeten we nog kijken hoe het gaat. Het lijkt er in ieder geval op dat de verbreding niet alleen zal gelden voor de regionale projecten; er zullen ook transregionale projecten kunnen worden ingezet. We moeten nog gaan bekijken hoe dat gaat. Gaat u er maar van uit dat als er een potje is, ik me daarvoor wil inzetten.

Het was april en niet mei, zo krijg ik net toegeschoven. Ik heb de Kamer zojuist dus verkeerd geïnformeerd. Ik zie de motie van wantrouwen tegemoet. Pfiew, ik heb het gelukkig in dezelfde vergadering gecorrigeerd. Dan valt het toch wel weer mee. Ik zie mevrouw Tseggai typen. Ja, zo zijn ze bij PRO: meteen typen. Jammer dit. Mevrouw Tseggai, u krijgt geen toezeggingen meer.

Is er aanvullende ondersteuning nodig voor met name de kleinere eilanden? Ja, en tegelijkertijd zijn ze alle zes natuurlijk niet overdreven groot. Saba en Statia springen er wel echt uit, maar we gaan gewoon kijken. Het is echt één voor allen, allen voor één, wat mij betreft. We zetten ons in voor alle zes de eilanden. We kijken of we dat met het gezantschap of zelf kunnen doen, want het zal echt nodig zijn. Daarbinnen zullen Saba en Statia net wat meer ondersteuning nodig hebben dan Curaçao, om maar even de grootste te noemen.

Hoe borgt de staatssecretaris dat de kleinere eilanden niet buiten de boot vallen? Nogmaals, ik ben zelf hun ambassadeur. We hebben ook de gezant. We kijken of er extra ondersteuning nodig is. Ik kijk even of mevrouw Den Hollander hier tevreden mee is.

De voorzitter:

Mevrouw Den Hollander, dit wordt uw derde interruptie.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik was nog niet helemaal tevreden, dus ik dacht: ik zeg het toch gelijk eventjes. Het gaat er vooral om dat ze die budgetten willen verleggen naar flexibele budgetten, waarbij ze vooral naar grotere en regionale projecten willen kijken. Dan maak ik mij zorgen over de slagkracht van de openbare lichamen. Als voormalig wethouder van een kleine gemeente weet ik dat het voor ons veel moeilijker was om bepaalde fondsen binnen te halen, omdat we gewoon niet voldoende ambtenaren hadden. Laat ik het zo zeggen: gaat de gezant zich dan ook specifiek focussen op deze uitdaging?

Staatssecretaris Van der Burg:

Hij en wij. Ik snap uw punt. Dat is sowieso een risico bij de Europese Commissie. De discussie in Europa gaat over de vraag of we het met 2.200 miljard, 2.000 miljard of 1.800 miljard doen. Als het hier gaat over 80 miljoen en je dat verdeelt over verschillende projecten, dan kan het in sommige gevallen letterlijk gaan over €200.000. Het verschil tussen een paar honderd miljard en €200.000 is zo groot dat het risico bestaat dat — ik zeg het nu even iets te oneerbiedig — niemand in Brussel daar nog in geïnteresseerd is. Maar voor een klein eiland als Saba kan €200.000 ontzettend veel geld zijn. Daar moeten wij echt een rol in spelen. Ik herken dit helemaal.

De leencapaciteit kwam ook even aan de orde. Curaçao en Sint-Maarten hebben nadrukkelijk al een leencapaciteit. Die zijn we nu met de conceptwet HOFA ook mogelijk aan het maken voor Aruba. Daar speelt wel een dingetje, want aan de HOFA is de landsverordening gekoppeld. Daar komt nog een reactie op van ons. Nu ligt er een reactie van de Raad van State en van de adviescommissie op Aruba wat betreft de landsverordening. We gaan daar gezamenlijk op reageren. En dan moet de landsverordening ook nog door het parlement van Aruba komen. Dat is als je gewoon kijkt naar de politieke situatie en de verdeeldheid over HOFA op Aruba best nog wel spannend. Komt die niet door het parlement op Aruba, dan komt u niet in de positie om de HOFA te doen, want zonder landsverordening geen HOFA. Dat is dus eventjes nadrukkelijk afwachten.

Dan een vraag die zich iets minder richt op het debat van vandaag. Maar, mevrouw Dijk, ook al past die misschien niet helemaal in de agenda van vandaag, u kent mij: ik ga 'm toch gewoon richting u beantwoorden. Die gaat over de motie-White inzake de studieschuld. Kijk, het is buitengewoon belangrijk dat eilanders die naar Nederland komen en die hier een studie doen en dus ook een studieschuld opbouwen, terug kunnen keren naar de eilanden om daar gewoon hun kennis en kwaliteit in te zetten. We zien inderdaad dat dit een groot probleem is — dat merkte ik in mijn gesprekken met de universiteiten daar en ook met de ministers daar — omdat de studieschuld daar terugbetalen een stuk ingewikkelder is dan als je gewoon hier gaat werken, laat staan dan als je hier op de Zuidas je inkomen naar binnen tikt. Daarom biedt de Rijksdienst Caribisch Nederland de regeling voor overname van de studieschuld aan. Dat is één. De openbaar lichamen zijn ook aan het kijken wat ze daarin kunnen doen, evenals de landen. En ook in de private sector kan er nog naar gekeken worden. Dan moeten werkgevers het wel zelf bekostigen. DUO biedt ook nog specifieke terugkeerregelingen aan, gebaseerd op draagkracht en terugbetaalcapaciteit. Verder is dit ook iets wat u natuurlijk eigenlijk — maar de voorzitter deed niet moeilijk en dan doe ik het al helemaal niet — hoort te bespreken met mijn collega van Onderwijs en dat is dan specifiek, uiteraard, gerelateerd aan Bonaire, Statia en Saba, want dan is zij in positie.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Ik had dit onderwerp erbij gepakt omdat ik het gewoon bij de stukken zag staan en dacht: o, nou, daar heb ik natuurlijk een mening over. Ik ben sowieso blij dat u de moeite heeft genomen om de vragen te beantwoorden. Ik ben het er ook helemaal mee eens dat dit met de collega's moet worden besproken. Nou, ik vind het een goede tip. Gaan we doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u door, staatssecretaris.

Staatssecretaris Van der Burg:

Voorzitter, dan ga ik even door naar mevrouw Den Hollander, als u het goedvindt, want die had nog een vraag over het wetsvoorstel over de Europese verkiezingen, de opkomst. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State. Het advies wordt dit najaar verwacht. We zijn op dit moment aan het onderzoeken hoe het zit met die drempels, want mevrouw Den Hollander heeft gelijk. Ik zag mevrouw Tseggai ook ernstig knikken. Er ontstaat iets moois tussen u twee en daar ben ik sowieso blij om. De opkomst is erg laag: de laatste keer geloof ik 3.000 mensen, zeg ik even uit mijn hoofd. Daar mogen we natuurlijk niet tevreden mee zijn. Als we dus inderdaad het wetsvoorstel hebben en het onderzoek, kijken wij naar hoe wij die drempels weg kunnen nemen voor de EP-verkiezingen van 2029.

Mevrouw Den Hollander had ook een vraag over het preclearancemodel, maar daar kom ik straks pas op.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Ik val mijn nieuwe vriendin, mevrouw Den Hollander, even bij. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat hij dit ook belangrijk vindt en dat hij de opkomst de laatste keer echt te laag vond, maar wanneer horen we hier dan weer iets over? Naar die drempels kunnen we nu bijvoorbeeld al kijken in afwachting van het advies van de Raad van State, om maar iets te noemen. Kan de staatssecretaris hier een tijdspad aan verbinden?

Staatssecretaris Van der Burg:

Ik neem de Raad van State wel buitengewoon serieus. Niet dat mevrouw Tseggai dat niet doet, zeker niet, maar het lijkt mij niet hoffelijk van mij richting de Raad van State als ik vooruitlopend op zijn advies al dingen met, in dit geval, u, de Kamer, daarover ga communiceren. Wij brengen dit nu in beeld. Wij combineren dat straks met het Raad van Stateadvies aangaande het wetsvoorstel. Dat komt in het najaar. Ik kan de Raad van State, en gelukkig maar, niet verplichten om een datum te noemen. Zodra ik het advies van de Raad van State heb, zal ik aan u melden wanneer ik met een advies kom. Ik krijg het in het najaar. Zo snel mogelijk daarna kom ik naar u toe. Aan de ene kant is 2029 ver weg, maar we hebben nog even tijd nodig. Eerst moet ik weten waar de Raad van State mee komt. Komen ze met een a'tje — "top gedaan, Van der Burg; dat kan gehamerd worden en dat kan door" — dan ben ik sneller bij u dan wanneer ik een D'tje krijg. Op zich vind ik het een goed uitgangspunt van het parlement als het zegt "kom niet met een d'tje". Dat was in het verleden weleens anders, kan ik mij herinneren. Maar goed, laat ik die discussie maar niet aangaan.

De voorzitter:

Gaat u door; u kunt doorgaan met uw beantwoording.

Staatssecretaris Van der Burg:

Dan de preclearance van Aruba. Aruba is daar een buitengewoon groot voorstander van. Mevrouw Den Hollander somde ook al de voordelen op. Er is natuurlijk ook al een preclearance van Aruba met bijvoorbeeld Amerika. Het voordeel daarvan is dat, hoewel het land de "Verenigde Staten" heet, het wel één land is. Dat maakt het iets makkelijker dan bij ons, want als je Nederland binnenkomt, kom je ook meteen Schengen binnen. Daarom is het ook aan mijn collega van Asiel en Migratie, die over het Schengenverhaal gaat, om dat verder te bekijken en om dat te doen. Ik ga in ieder geval het gesprek daarover met hem aan, maar dit moet dus wel binnen Schengen geregeld worden. Je kunt niet alleen Nederland binnenkomen, omdat je daarmee meteen ook heel Schengen binnenkomt. Ik ga daarover in gesprek met de heer Van den Brink en dan koppelt hij, of ik, dat aan u terug.

Ook een licht wezensvreemd onderdeel voor vandaag — zei hij, heel kritisch kijkend naar mevrouw Dijk — is het verhaal rondom het slavernijverleden of, beter gezegd, de aanvragen. Maar ik ga er toch op in. Het klopt; ik denk dat u in de media dezelfde stukken heeft gelezen als ik heb gelezen: de subsidieregelingen voor het slavernijverleden bevatten inderdaad een lotingssysteem. Ik zeg daar overigens bij dat dit niet alleen voor het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt, maar ook voor het Europese deel van het Koninkrijk. Die loting bepaalt de volgorde waarin de aanvragen worden behandeld. Waarom is daarvoor gekozen? Om alle aanvragers een gelijke kans te geven. Als je zegt "wie het eerst komt, wie het eerst maalt" — volgens mij doen we dat bijvoorbeeld bij bepaalde regelingen op het punt van erfgoed — loop je immers het risico dat de professionele subsidieaanvraagorganisaties even "tik, tik, tik, boem, klaar" doen. Het is misschien heel ouderwets dat ik nu nog van een typemachine uitga, maar zij leggen de aanvraag in ieder geval heel snel neer. Juist op het punt van het slavernijverleden en de herdenking daarvan moet je niet alleen bij de professionele organisaties gaan kijken, maar moet je ook de grassrootsorganisaties meenemen. Om die gelijke kans te bevorderen, is er gekozen voor die loting. Ja, ik zat op deze interruptie te wachten.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Dank voor de reactie op deze blijkbaar vreemde eend in de bijt, maar ik vraag me alsnog af of het nu eerlijk gaat. Ik heb immers begrepen dat je random nummers krijgt toegewezen en dat je doorgaat totdat de pot op is. Dat klinkt ook niet helemaal eerlijk tegenover de professionele organisaties. Dat vraag ik me dus nog af.

Staatssecretaris Van der Burg:

Nogmaals, het is iets wat we buiten de portefeuille Koninkrijksrelaties vaker doen. Dit valt formeel niet onder de portefeuille Koninkrijksrelaties, want het slavernijverleden is natuurlijk breed en geldt zowel in Europees Nederland als in het Caribisch deel van het Koninkrijk. In die zin is het eerlijk dat iedereen evenveel kans maakt doordat er geloot wordt. Als er twintig aanvragen zijn, maakt iedereen dus 5% kans om de nummer 1 te zijn en 5% kans om … Nee, dat is niet waar. Iedereen heeft een kans van een negentiende om de nummer 2 te zijn en een kans van een achttiende om de nummer 3 te zijn. In die zin maak je allemaal dus evenveel kans. Het is dus niet zo dat een grassrootsorganisatie die het net wat ingewikkelder vindt om door die bureaucratie van de aanvraag te komen, minder kans maakt dan een professionele organisatie die gewoon standaard mensen heeft vrijgemaakt om subsidies aan te vragen. Het is een keuze die in het verleden is gemaakt. Ik snap hem. In beginsel zegt de mens Eric altijd: je moet alle aanvragen maar op één ding beoordelen, namelijk op basis van kwaliteit. Maar ik snap ook wel dat je ook moet zorgen dat je een spreiding hebt. Je wil mensen die het niet helemaal gewend zijn bij dit gevoelige onderwerp namelijk ook een kans geven.

Diverse mensen, namelijk de heer Van den Brink en mevrouw Nanninga, hebben ook vragen gesteld over de landspakketten. De vraag is niet zo ingewikkeld, maar het antwoord geven is dat wel. Of de landspakketten doorgaan, krijgt u namelijk pas te horen op 15 september, als u weer de hoedjes uit de kast heeft gehaald en in de Ridderzaal naar de koning heeft geluisterd. Daar mag ik in mijn beantwoording dus niet op vooruitlopen. Of de landspakketten doorgaan kan ik nu dus niet zeggen. Dan zou ik namelijk iets zeggen over de begroting voor 2027.

In ieder geval … Ik hoorde niet wat u nu net buiten de microfoon zei, mevrouw Den Hollander, dus ik reageer er ook maar even niet op. Maar ik ben er wel door van mijn à propos gebracht. Ik moet even herstellen. In ieder geval hebben wij gewoon gesprekken gehad met de drie landen over de landspakketten. De evaluatie die u op 1 april heeft ontvangen, ligt er namelijk natuurlijk wel. We hebben gezegd dat we wachten met reageren op de evaluatie tot we weten of we doorgaan met de landspakketten. Als we niet doorgaan met de landspakketten, heeft de evaluatie namelijk een andere status dan wanneer we wel doorgaan. Dan gebruik je de evaluatie namelijk ook als input voor de nieuwe landspakketten. Ik heb hier dus ook nog in mijn vergadering op 10 juli, zeg ik even uit mijn hoofd, met bijvoorbeeld premier Pisas gewoon gesprekken over gehad. Wij zijn gewoon doorgegaan in het proces, om in ieder geval klaar te zijn als de landspakketten doorgaan. Zo verliezen we geen tijd, mochten de landspakketten doorgaan. Meer dan dat kan ik er op dit moment echter niet over zeggen. Want reken maar dat ik dan binnen tien minuten bij de heer Jetten zit, die mij dan alle hoeken van zijn virtuele Torentje laat zien.

Dat was 'm, voorzitter.

De voorzitter:

O, dat was 'm? Nou, dat is heel snel. Dank u wel voor uw beantwoording, staatssecretaris.

Ik kijk even naar de commissieleden met de vraag of er behoefte is aan een tweede termijn. Ik zie van wel. Dan geef ik het woord aan het lid Dijk. Ik heb met de griffier overlegd. Voor de tweede termijn heeft u anderhalve minuut.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Dank, voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor de beantwoording, ook over de onderwerpen die misschien niet helemaal bij deze commissie hoorden. Ik neem graag de gelegenheid te baat om toch een tweeminutendebat aan te vragen, misschien toch nog voor die landspakketten. Ik hou graag die ruimte open.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik hoor de staatssecretaris iets zeggen over de tweede termijn. Heel goed. Lid Tseggai.

Mevrouw Tseggai (PRO):

Voorzitter. Ik heb eigenlijk maar één vraag. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om ons goed van de ontwikkelingen op de hoogte te houden, want we zijn erg benieuwd naar de komende gesprekken tussen het kabinet en de eilanden en naar wat er in Brussel gaande is. Daarnaast lijkt het mij goed — maar dat is meer een voorstel aan de commissie — dat we eind dit jaar of begin volgend jaar opnieuw over dit onderwerp met het kabinet in debat gaan naar aanleiding van de kabinetsreactie die nog moet komen. Maar dat moet in de procedurevergadering, gaat de voorzitter tegen mij zeggen.

Dat was het.

De voorzitter:

Dat heeft u heel goed gezien, lid Tseggai. Dat moet inderdaad in de procedurevergadering. Het staat in ieder geval genoteerd. Lid Den Hollander.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal het kort houden. Eventjes over de verkiezingen voor Europa. Ik schrik best wel van het getal van 3.000 mensen opkomst. Dat is dus voor alle drie de CAS-landen gezamenlijk, begrijp ik. Dat is natuurlijk echt heel weinig. Mijn vraag was ook iets breder dan alleen maar hoe het zat met het wetsvoorstel. Mijn vraag was ook welke andere drempels, bijvoorbeeld rondom registratie, informatievoorziening en het stemproces zelf, worden weggenomen. Misschien zou de staatssecretaris daar in zijn tweede termijn nog iets nader op in kunnen gaan.

Dan nog eventjes over die preclearance van Aruba. De VVD is natuurlijk altijd een groot voorstander van vrij handelsverkeer. Wij zien ook grote voordelen van de positie van de eilanden tussen Zuid-Amerika en Europa. Wij zouden de staatssecretaris daarom willen vragen om toch, met al zijn kenmerkende enthousiasme, het gesprek met het ministerie van Asiel en Migratie te voeren en er echt op te drukken dat daar beweging in komt, want dat kan helpen.

De voorzitter:

Dank u wel, lid Den Hollander. Aan het einde van deze commissievergadering zal ik ook even de toezeggingen oplezen, maar volgens mij heeft u een toezegging van de staatssecretaris hierover binnen. Die zal ik straks nog even concreet voorlezen. Dan tot slot de heer Van den Brink voor zijn tweede termijn.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb geen aanvullende vragen, voorzitter. Veel dank voor de altijd vrolijke beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan vraag ik aan de staatssecretaris of hij meteen door kan gaan met de beantwoording. Ja? Dan bent u toegekomen aan de beantwoording in tweede termijn.

Staatssecretaris Van der Burg:

Voorzitter. Het is uiteraard aan u — de Tweede Kamer bedoel ik dan — om een tweeminutendebat te plannen. Als mevrouw Dijk dat onder andere doet in het kader van de landspakketten, zou ik in ieder geval dus wachten met het inplannen — maar dat is slechts een advies van mijn kant voor u — tot na het verschijnen van de begroting, want dan weet u of het überhaupt zin heeft. Als ze er niet in staan, dan kan ik me voorstellen dat u een tweeminutendebat wil hebben. Als ze er wel in staan, dan komt dit namelijk gewoon bij de begrotingsbehandeling aan de orde. Dat geef ik gewoon slechts mee als mening. Verder ga ik er niet over. Het is aan u.

Richting mevrouw Tseggai zeg ik uiteraard toe dat ik u niet alleen goed op de hoogte hou van mijn gesprekken met de zes, maar ook met de zeven, zou ik in ieder geval zeggen, dus ook van wat ik in Europa aan het uitspoken ben.

Los van het feit dat de voorzitter het al dreigde te concluderen, zeg ik heel expliciet tegen mevrouw Den Hollander: ja, de preclearance was een toezegging. Nou, dat moet nu lukken zo met de voorzitter, denk ik.

Dan de vraag van mevrouw Den Hollander. U mag verwachten … Want het is wel zo dat het over de drie landen gaat. Dan gaat het over zo'n 300.000 mensen die daar wonen. Maar het aantal stemgerechtigden is natuurlijk veel lager, want je moet kinderen of mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben daarvan aftrekken. Dan kom je ergens tussen de 100.000 en 200.000 mensen uit, maar dan nog is 3.000 wel extreem laag. Ik zal er dus alles aan doen om te kijken of drempels weggenomen kunnen worden. Daar kom ik in ieder geval voor het einde van het jaar op terug.

De voorzitter:

Nog een toezegging.

Staatssecretaris Van der Burg:

Ja. Een toezegging!

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit commissiedebat. Ik zal nog even de toezeggingen oplezen. Er wordt te zijner tijd een tweeminutendebat ingepland.

De toezeggingen.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de preclearance na overleg tussen de staatssecretaris van BZK en de minister van Asiel en Migratie.
  • Er is toegezegd dat er voor het einde van het jaar een overzicht komt van welke andere drempels worden weggenomen, ook met betrekking tot de preclearance.

Staatssecretaris Van der Burg:

Nee! Verkiezingen.

De voorzitter:

O, verkiezingen. Sorry. Ja, verkiezingen. Dank u wel.

Staatssecretaris Van der Burg:

Even formeel, voorzitter: Europese verkiezingen. Ik ga namelijk niet over de verkiezingen voor parlementen op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het gaat om de Europese verkiezingen.

De voorzitter:

Dan lees ik hem nog één keer voor.

  • De toezegging gaat over welke drempels kunnen worden weggenomen voor de Europese verkiezingen. De staatssecretaris komt voor het einde van het jaar met een reactie daarop.

Ik zie geknik.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Eén aanvulling: voor de Europese verkiezingen van 2029. Dus niet 2033, maar 2029.

De voorzitter:

2029.

Staatssecretaris Van der Burg:

Er zijn geen verkiezingen in 2033, maar los daarvan heeft u gelijk.

De voorzitter:

Dank u wel. Voor het tweeminutendebat is de eerste spreker mevrouw Dijk. Dan dank ik de staatssecretaris, de commissieleden en de belangstellenden op de publieke tribune en online, en dan wens ik u nog een fijne dag. Hierbij sluit ik de vergadering.

Sluiting