Bestaanszekerheid Caribisch Nederland
Opening
Verslag van een commissiedebat
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 23 april 2026 overleg gevoerd met de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en de heer Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over Bestaanszekerheid Caribisch Nederland.
De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Biekman
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Van der Lee
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Hessing-Puts
Voorzitter: Biekman
Griffier: Hessing-Puts
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: De Beer, Biekman, Tijs van den Brink, Ceder, Heera Dijk, Nanninga en Tseggai,
en de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en de heer Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Aanvang 14.30 uur.
Bestaanszekerheid Caribisch Nederland
Aan de orde is de behandeling van:
- de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 3 juli 2025 inzake voortgangsbrief bestaanszekerheid Caribisch Nederland (36600-IV, nr. 72);
- de brief van de staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 3 november 2025 inzake rapport SEO onderzoek arbeidsrecht Caribisch Nederland (29544, nr. 1305);
- de brief van de staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 21 november 2025 inzake inzet SZW in Caribisch Nederland (36800-IV, nr. 25);
- de brief van de staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 23 juni 2025 inzake onderzoek kinderbijslagvoorziening BES (30982, nr. 74);
- de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 februari 2026 inzake uitvoering van de motie van het lid Ceder over met betrokken ministeries verkennen op welke wijze de hoogte van de subsidie zodanig ingezet kan worden dat de tarieven voor inwoners van Caribisch Nederland niet explosief stijgen (Kamerstuk 36800-IV-40) (36800-IV, nr. 41);
- de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 16 april 2026 inzake invoering Wet kinderopvang BES per 1 januari 2026 (36306, nr. 13).
De voorzitter:
Goedemiddag, bon tardi en good afternoon. Hierbij open ik deze vergadering van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties. Vanwege het onderwerp, bestaanszekerheid Caribisch Nederland, zijn voor dit commissiedebat ook de leden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgenodigd. Wij voeren vandaag een commissiedebat met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Van harte welkom. Welkom aan mijn collega-Kamerleden: de heer Ceder, mevrouw Dijk, de heer De Beer, de heer Tijs van den Brink en mevrouw Nanninga. Mijn naam is Anouschka Biekman. Ik ben voorzitter van deze mooie commissie.
Het belangrijke onderwerp dat we vandaag met elkaar bespreken, kan op veel belangstelling rekenen, gelet op de hoeveelheid ingezonden commentaren van organisaties en inwoners van de eilanden. Hartelijk welkom ook aan alle belangstellenden op de publieke tribune en degenen die via de livestream meekijken.
We beginnen met de eerste termijn van de Kamer. In de eerste termijn sta ik vier interrupties toe. Ook nog welkom aan collega Tseggai. Vier interrupties zijn dus toegestaan. Ik geef nu graag het woord aan het lid Ceder. U heeft vier minuten voor uw inbreng.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Bon dia, goedendag en good day.
Voorzitter. De oorlog in het Midden-Oosten raakt de hele wereld, en dus ook de BES. Daar waar we gisteren in het plenaire debat hebben gesproken over energiemaatregelen in Europees Nederland, is het goed om nu ook in te zoomen op de specifieke context op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Ik zal maar gelijk met de deur in huis vallen: op Bonaire of Saba gaat er geen gejuich op als het kabinet straks een ov-kortingskaart voor buiten de daluren gaat toezeggen. Gezien de context zijn op de eilanden andere dingen meer nodig. Het gaat om specifieke, contextgebonden maatregelen, waarbij we de nood op de BES even serieus oppakken als in Nederland.
Voorzitter. Toen ik door de stukken bij het debat ging, viel mij op dat Nederland volgens mij nog heel weinig doet naar aanleiding van de oorlog. Mijn zorg is dat de BES helaas opnieuw vergeten dreigen te worden. De toelage die wordt toegezegd, komt volgens mij uit de middelen die al toegezegd waren aan de BES voor de inval in Iran en voordat de prijzen dreigden te stijgen. Het lijkt dus op een sigaar uit eigen doos. Klopt dit? Ook de kilometervergoeding, waar ik uiteraard dankbaar voor ben, gaat niet het verschil maken. Daarbij wordt een deel van de kosten natuurlijk ook afgewenteld op de werkgevers. Klopt het dat er geen extra middelen zijn uitgetrokken na de inval en dat het vooral uit middelen wordt gehaald die al toegezegd werden aan de BES, waardoor andere dingen dus niet betaald kunnen worden? Zo ja, dan zou ik toch willen vragen om een reflectie en of de minister het niet met mij eens is dat er meer nodig zal zijn om ook de mensen op de BES de juiste ondersteuning te geven, zoals we dat gisteren ook met z'n allen hier in het debat betoogd hebben ten aanzien van Europees Nederland.
Voorzitter. Dan de nutsvoorzieningen, want de kosten voor levensonderhoud op de BES zijn en blijven hoog. Het blijft voor de BES altijd actueel. Mensen betalen zich blauw aan energie en voedsel, zeker in verhouding tot hun inkomen. Dat wordt nu ook alleen maar erger. Ik heb hier eerder — dat was recent bij de begrotingsbehandeling — een motie en amendement over ingediend, met als doel om 2,2 miljoen extra vrij te maken om de energie betaalbaar te houden. De vraag is hoe deze middelen ingezet worden en wat de opties zijn voor het kabinet om dit te doen, naast de extra maatregelen die in ieder geval mijn fractie verwacht vanwege de oorlog in het Midden-Oosten. Voor structurele kostenverlaging is vooral het lokaal produceren van energie, voedsel en drinkwater noodzakelijk. Wordt daar vooruitgang op geboekt? Wat is er nodig om dit een extra boost te geven?
Voorzitter. Dan de commissie-Thodé. Ik ben blij met de ambities uit het coalitieakkoord om te zorgen voor een leefbaar sociaal minimum en het betaalbaar maken van de nutsvoorzieningen, en om uitvoering te geven aan de adviezen van de commissie-Thodé. Hiervoor is 30 miljoen euro per jaar vrijgemaakt. Daar ben ik blij mee, maar kan de minister een beeld schetsen van hoe dit geld precies besteed gaat worden? Welke maatregelen hebben prioriteit volgens de minister? Wordt dit geld gebruikt om extra energiemaatregelen in te stellen of blijft dit geld ook voor andere dingen beschikbaar, zoals het ooit bedoeld was? Wanneer moeten deze maatregelen resultaat opleveren? Voor de ChristenUnie is een gedegen sociaal minimum noodzakelijk. Dit is voor ons een heel belangrijk punt.
Voorzitter. Hoewel de BES onderdeel zijn van Nederland en hoewel er stappen zijn gezet, is de gelijke behandeling van burgers op de BES nog steeds niet waar die moet zijn. Er is bijvoorbeeld nog geen WW op de BES. De AOV en onderstand zijn nog niet in lijn met de Europees Nederlandse AOW en de bijstand. Mijn vraag is of het kabinet hier een visie op heeft, om hier daadwerkelijk concrete stappen in te gaan zetten. Maar ook kleinere regelingen zijn er in Nederland wel en in Caribisch Nederland niet. In Nederland is er bijvoorbeeld een tegemoetkoming voor scholieren als ze ouder zijn dan 18 jaar en op de BES niet. Dit lijkt me eenvoudig te regelen. Graag een reactie.
Voorzitter, tot slot. De consumentenbescherming op de BES kan nog wel wat comply or explain gebruiken, want op de BES is alleen het Burgerlijk Wetboek van toepassing en zijn er geen extra maatregelen rondom incassodienstverlening. Mijn vraag is of de minister dat verschil gelijk wil trekken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar lid Dijk voor haar inbreng.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Welkom aan de nieuwe voorzitter van deze mooie commissie, mevrouw Biekman. Bon dia en good morning voor de mensen op de eilanden.
Ik ben blij dat we het debat over bestaanszekerheid eindelijk kunnen voeren, want het is tweeënhalf jaar geleden dat de commissie-Thodé met duidelijke conclusies kwam over het sociaal minimum op Bonaire, Saba en Statia. We zijn tweeënhalf jaar verder en de wereld ziet er compleet anders uit. De kosten voor levensonderhoud blijven stijgen. Voor veel mensen is rondkomen een alledaagse puzzel die steeds moeilijker te leggen is. Een op de drie mensen leeft in armoede. Veel mensen hebben uit noodzaak meerdere banen. De alsmaar duurdere import werkt direct door in het dagelijks leven. Voedsel, energie, water, huur en vervoer zijn duur. We zien dat ook terug op Saba. Prijzen zijn daar met meer dan 30% gestegen. De prijzen van voedsel zijn zelfs met meer dan 50% gestegen. Dan kun je het minimumloon verhogen, maar dat betekent nog niet dat mensen ook echt rondkomen.
Daarom is het goed dat dit kabinet jaarlijks 30 miljoen euro extra uittrekt voor het sociaal minimum, maar mijn vraag is: kan het kabinet concreet maken hoe deze 30 miljoen wordt ingezet en wanneer inwoners daar daadwerkelijk iets van merken? Er is nu een noodpakket voor Europees Nederland vanwege de energiemaatregelen. Het is heel goed dat dat er komt, maar in het kader hiervan en in het kader van comply or explain is mijn vraag: is er ook gedacht aan het Caribische gedeelte? Graag een reactie.
We lezen dat de tarieven voor elektriciteit vanaf 2026 stijgen, en die voor water en telecom mogelijk vanaf 2027. Kan de staatssecretaris concreet maken wat dat betekent in de praktijk en hoe wordt geborgd dat Caribisch Nederland vanaf het begin wordt meegenomen, en niet pas achteraf?
We moeten af van de vraag wat haalbaar is en toe naar de vraag wat nodig is. Dat begint bij weten wat mensen minimaal nodig hebben om rond te komen. In de stukken valt mij op dat we nog steeds geen goed zicht hebben op de koopkrachtontwikkeling op de eilanden. Op welke manier gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat dit inzicht er alsnog komt?
Voorzitter. Dan over onze toekomst: onze kinderen. De gevolgen van bestaansonzekerheid worden al op jonge leeftijd gevoeld in Caribisch Nederland. Neem bijvoorbeeld Bonaire. Een op de vier kinderen groeit op in armoede. Ter vergelijking: in Europees Nederland is dat zo'n 3%. Dat verschil is enorm. Des te pijnlijker is het dat het kabinet onderscheid blijft maken tussen kinderen in Europees Nederland en kinderen in Caribisch Nederland. Artikel 26 van het VN-Kinderrechtenverdrag, het recht op sociale zekerheid, erkent het kabinet wel voor Europees Nederland, maar niet voor Caribisch Nederland. Hoe rechtvaardigt de staatssecretaris dit verschil binnen hetzelfde Koninkrijk? Is hij bereid om het voorbehoud voor Caribisch Nederland op te heffen?
In de voortgangsbrief bestaanszekerheid wordt vol lof gesproken over het werk van UNICEF op de eilanden op het gebied van kinderrechten en als het gaat om het meenemen van het belang van kinderen en jongeren in beleid. Tegelijkertijd wordt de subsidie van €300.000 per jaar volgende maand stopgezet. We zien het volgende gebeuren. BZK verwijst naar VWS, omdat het om preventie gaat, en VWS verwijst weer terug, terwijl dit kabinet juist zegt in te willen zetten op preventie en het tegengaan van armoede bij kinderen. Kan de staatssecretaris vandaag duidelijkheid geven aan UNICEF door te zeggen dat zij door kunnen gaan met dit goede werk?
Tot slot, voorzitter, wil ik me nog even richten tot de staatssecretaris, de heer Eric van der Burg. Ik zag u vanochtend bij een evenement. Dat ging over gelijkwaardigheid. Ik wil u een compliment geven, want volgens mij begint gelijkwaardigheid bij zichtbaar zijn. Het is gewoon heel mooi dat u al zo snel naar de zes eilanden bent gegaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie een interruptie van het lid Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Bij dat laatste punt sluit ik mij aan. Ik hoop dat de heer Van der Burg uitgebreid kan vertellen over zijn bevindingen en misschien ook over wat het hoogtepunt is geweest. Mijn vraag aan mevrouw Dijk is of zij mijn zorg deelt dat de energiemaatregelen die nu in ieder geval voorgesteld zijn, niet alleen onvoldoende zijn, maar volgens mij ook nog uit middelen gehaald worden die sowieso toegezegd waren aan Caribisch Nederland, waardoor het een sigaar uit eigen doos is. Het gaat ten koste van andere maatregelen die we zouden nemen, terwijl we gisteren juist gezegd hebben dat de overheid een extra stap zou moeten zetten boven op de plannen die we natuurlijk al met elkaar hebben. Mijn vraag is of u dat deelt, en zo ja, of u het met mij eens bent dat het natuurlijk geen sigaar uit eigen doos mag zijn als we extra stappen zetten om de energiecrisis het hoofd te bieden.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Daar kan ik eigenlijk kort over zijn. Ik deel dezelfde zorgen en ben benieuwd naar de reactie van de minister over hoe dat dan wordt bekostigd. Ook weer in het kader van het "comply or explain"-principe zou daar gewoon duidelijkheid over moeten zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De VVD ziet de relatie met het Caribisch deel van het Koninkrijk als waardevol. Juist daarom willen we investeren in een duurzame toekomst voor de eilanden. Er zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet, onder andere op het gebied van bestaanszekerheid, economische ontwikkeling en energievoorziening; dat onderwerp werd net ook al genoemd. Tegelijkertijd blijft het essentieel om te blijven investeren in de economie, want werkgelegenheid is uiteindelijk de sleutel tot meer bestaanszekerheid. Daarom is mijn eerste vraag aan de staatssecretaris: wat is hij concreet voornemens te doen om de economische ontwikkeling op de BES-eilanden verder te versterken?
Voorzitter. Het is goed dat er wordt voortgebouwd op de adviezen van de commissie-Thodé, maar voor de VVD staat één doel centraal: meer zelfredzaamheid in Caribisch Nederland. Hoe gaat de staatssecretaris dat bevorderen? Welke concrete stappen worden gezet om het ondernemersklimaat te verbeteren, zodat mensen minder afhankelijk worden van overheidssteun? Ondernemers hebben het immers niet makkelijk, zeker niet op die eilanden, met kleine markten en hoge importkosten. Dat vraagt om gerichte ondersteuning.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
De VVD begon haar inbreng met de opmerking dat zij de relatie met de eilanden als waardevol ziet. Daar ben ik blij om, maar vervolgens wordt gezegd dat het belangrijk is dat we iets gaan doen met zelfredzaamheid van de eilanden. Wat bedoelt de VVD daarmee?
De heer De Beer (VVD):
Dat mensen zelf natuurlijk zo veel mogelijk in hun bestaanszekerheid kunnen voorzien en dat de overheid daar waar nodig ondersteuning biedt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat ik het dan iets beter begrijp. Het relateert dus aan uw verhaal over werkgelegenheid, begrijp ik?
De heer De Beer (VVD):
Ja, zeker.
De voorzitter:
Via de voorzitter.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Excuses.
De heer De Beer (VVD):
De vraag was dus hoe de staatssecretaris dat gaat bevorderen, ook als het gaat over het ondernemersklimaat, omdat de ondernemers het moeilijker hebben vanwege het feit dat het een kleinere markt is met hogere importkosten. Dat vraagt om gerichte ondersteuning. Hoe wordt ervoor gezorgd dat lokale bedrijven onder deze omstandigheden kunnen groeien?
Voorzitter. De inwoners van Caribisch Nederland verdienen dezelfde aandacht als die van Den Haag, Nijmegen of Maastricht. Tegelijkertijd zien we dat stijgende energiekosten en noodzakelijke investeringen grote druk leggen op de huishoudens. Het huidige subsidiekader lijkt onvoldoende om de tarieven richting die van Europees Nederland te brengen. Daarom is mijn vraag hoe de staatssecretaris kijkt naar de ontwikkeling van de tarieven voor nutsvoorzieningen, mede in het licht van de motie-Ceder cum suis. Hoe wordt de 30 miljoen uit het coalitieakkoord ingezet om de koopkracht structureel te verbeteren?
Voorzitter. Ook het intereilandelijk vervoer is van groot belang voor de economische ontwikkeling. De vorige staatssecretaris heeft toegezegd te kijken naar financieringsmogelijkheden. Kan de nieuwe staatssecretaris een update geven van de stand van zaken?
Voorzitter, tot slot. Het vorige kabinet heeft ingezet op meer structureel beleid en minder incidentele maatregelen, met als doel de zelfredzaamheid te vergroten. Die lijn steunen wij nog steeds. Mijn vraag is hoe de nieuwe staatssecretaris hiernaar kijkt. Welke structurele hervormingen acht hij nodig om de economie minder kwetsbaar te maken? Hoe wordt ingezet op de economische sectoren naast toerisme?
Voorzitter. We horen graag hoe het nieuwe kabinet voortbouwt op de ingezette koers en welke aanvullende stappen het wil zetten voor een sterker en zelfstandiger Caribisch Nederland.
Dank u wel.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat zijn mooie woorden van de heer De Beer, die ik ook kan onderschrijven. Ook aan de VVD zou ik willen vragen of de fractie het ermee eens is dat het geld voor de extra maatregelen als gevolg van de energiestijgingen in ieder geval niet mag komen uit de 30 miljoen die toegezegd was voordat er een energiecrisis was of uit de 4 miljoen die vorig jaar in november al is vrijgegeven na mijn amendement, dat ik heb ingediend voordat er een energiecrisis was. Dat geld is voor andere dingen bedoeld. Ik vroeg mij af of de fractie van de VVD het daar in ieder geval mee eens is, even los van de vraag welke maatregelen er dan genomen zouden moeten worden.
De heer De Beer (VVD):
Niet per definitie. Daar waar het gaat over het versterken van de bestaanszekerheid, heeft het kabinet of de coalitie geld vrijgemaakt. Natuurlijk heb je altijd weer veranderende omstandigheden, waardoor je er bij nader inzien voor kiest om het in een specifieke maatregel te gaan investeren of te gaan stoppen. We zien gewoon dat de energieprijzen een heel urgent probleem zijn, dus waarom zou je daar niet ook een deel van de middelen voor kunnen alloceren die gereserveerd zijn ter versterking van bestaanszekerheid? Ontwikkelingen in de energievoorziening hebben natuurlijk ook gewoon een relatie met bestaanszekerheid.
De voorzitter:
De heer Ceder. Ik wil u erop wijzen dat dit uw derde interruptie is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dat weet ik, maar ik vind het wel belangrijk om 'm te maken. We hebben gisteren een debat gehad. Daarin hebben we aangegeven dat de extra maatregelen die we gaan treffen en waar we ook een kostenplaatje bij neer hebben gelegd, pijn gaan doen, want die kosten moeten ergens vandaan komen. Dus los van de plannen die we al hadden, gaan we extra geld bijeenhalen omdat we zien dat de nood aan de man is. Volgens de redenering van de heer De Beer gelden er andere regels op de BES, want daar zegt de heer De Beer: we gaan niet op andere plekken geld halen, maar we gaan het uit het potje doen waarvan we van tevoren al dachten "dit is nodig om een aantal basisvoorzieningen op orde te krijgen". Nu er een crisis is, gaat u dat geld gebruiken om te alloceren. Mijn vraag is of de heer De Beer als ik het zo schets de logica daarvan begrijpt en of hij het niet met me eens is dat een bewoner op de BES daarmee niet alleen anders behandeld wordt, maar ook minder aan het kabinet heeft dan een inwoner van Texel.
De heer De Beer (VVD):
Ik snap de redenering. Wat ik net heb gezegd, is dat je dit niet per se zwart-wit moet zien. Als we het hebben over de versterking van de bestaanszekerheid en je weet dat de energie- en de nutsvoorzieningen op de eilanden gewoon een belangrijkere factor zijn als het gaat over bestaanszekerheid, waarom zou je dan niet ook kijken naar de inzet van de middelen die op dat gebied beschikbaar zijn gekomen? Ik zeg daarmee niet dat dat alleen maar uit dat potje moet komen, maar ik vind het een beetje te zwart-wit om er helemaal niet naar te kijken, want het is natuurlijk wel ook gealloceerd voor het thema bestaanszekerheid. Als we energie daar een belangrijk onderdeel van vinden, dan vind ik dat je er op zijn minst naar moet kunnen kijken. Maar laten we even de beantwoording door het kabinet afwachten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan nodig ik de heer Van den Brink uit voor zijn inbreng.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Bon dia, goedemiddag, zeker ook aan de inwoners van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba die vandaag meekijken of meeluisteren naar dit debat.
Bestaanszekerheid in Caribisch Nederland gaat over iets heel fundamenteels: de vraag of inwoners van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba daadwerkelijk rond kunnen komen van hun inkomen. Mijn fractie ziet dat er de afgelopen jaren belangrijke stappen zijn gezet. Het minimumloon is verhoogd, uitkeringen zijn verhoogd en er zijn maatregelen genomen om bepaalde kosten te verlagen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de opgave nog groot is. De armoede op Bonaire ligt altijd vele malen hoger dan in Europees Nederland en een aanzienlijk deel van inwoners behoort tot de groep werkende armen.
Voorzitter. Mijn eerste punt betreft het sociaal minimum. Het kabinet heeft aangegeven dat wordt toegewerkt naar een leefbaar sociaal minimum op basis van de adviezen van de commissie-Thodé. Dat is een belangrijke stap wat mijn fractie betreft. Tegelijkertijd zien we dat het minimumloon en de onderstand wel zijn verhoogd, maar dat veel huishoudens nog steeds moeite hebben om rond te komen. De kosten van levensonderhoud zijn immers hoog en stijgen soms sneller dan de inkomens. Daarom de vraag aan de staatssecretaris hoe hij op dit moment de afstand beoordeelt tussen het huidige inkomensniveau en het sociaal minimum dat volgens de voorbeeldbegrotingen nodig is om daadwerkelijk rond te komen. Kan hij aangeven welke stappen de komende jaren nog nodig zijn om dat sociaal minimum daadwerkelijk te bereiken?
Voorzitter. Mijn tweede punt betreft de kosten van levensonderhoud. Veel inwoners geven aan dat niet alleen het inkomen, maar juist de kosten het verschil maken. Dat geldt voor wonen, maar zeker ook voor de nutsvoorzieningen. In de stukken lezen we dat subsidies op energie, water en telecom een belangrijke rol spelen om deze basisvoorzieningen betaalbaar te houden. Tegelijkertijd zien we dat sommige van deze subsidies tijdelijk zijn en mogelijk aflopen. Daarnaast heeft het kabinet een brede koopkrachtenvelop vrijgemaakt voor Caribisch Nederland, ongeveer 30 miljoen in 2024 en 32 miljoen structureel vanaf 2025, terwijl in verschillende Kamerbrieven ook afzonderlijke bedragen voor maatregelen worden genoemd. Daarom vraag ik de staatssecretaris of hij inzichtelijk kan maken welke maatregelen uit deze koopkrachtenvelop worden gefinancierd en welke uit andere begrotingen en hoe wordt voorkomen dat inwoners worden geconfronteerd met hogere vaste lasten als tijdelijke subsidies aflopen. Kan hij bovendien toezeggen dat Caribisch Nederland structureel wordt meegenomen bij toekomstige koopkrachtmaatregelen?
Voorzitter. Mijn derde punt betreft het socialezekerheidsstelsel. Het stelsel op de BES-eilanden is in ontwikkeling, maar verschilt nog duidelijk van dat in Europees Nederland. Zo ontbreekt nog altijd een werkloosheidsuitkering. Mensen die hun baan verliezen, vallen daardoor sneller terug op onderstand of hebben nauwelijks een vangnet. Daarom de volgende vragen aan de staatssecretaris: wat is de stand van zaken van de aangekondigde werkloosheidsregeling voor Caribisch Nederland en hoe wordt voorkomen dat deze regeling zo beperkt wordt dat ze in de praktijk weinig zekerheid biedt?
Voorzitter, tot slot. De inwoners van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba zijn inwoners van Nederland. Ze mogen verwachten dat de overheid zich inzet voor een fatsoenlijk bestaansminimum en voor basisvoorzieningen die betaalbaar blijven. Mijn fractie vindt het daarom belangrijk dat de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet, worden voortgezet en waar nodig worden versneld.
Ik zie uit naar de beantwoording van de staatssecretaris en de minister.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga vandaag een beetje voorspelbaar zijn. Ik zou ook de heer Van den Brink graag deze vraag willen stellen. De 4 miljoen die vorig jaar is toegezegd, wordt ingezet voor de energietoelage. Ik vind het heel goed dat de energietoelage er komt — begrijp me niet verkeerd — maar die middelen zouden natuurlijk anders elders aangewend worden. Ik ben een beetje bang dat die 30 miljoen structureel, waarvan we van tevoren wisten dat die nodig was om de boel op orde te krijgen, nu ook wordt aangewend voor een crisis, zonder dat er ook naar extra aanvullende dekking gekeken wordt. Als je dat zo met elkaar doet, blijven de gaten die we aanvankelijk al zagen open doordat je nu een crisis aan het dichten bent met hetzelfde geld. Mijn vraag is of de heer Van den Brink die zorgen deelt en ook vindt dat het niet zo kan zijn dat de middelen die het coalitieakkoord nodig vond voordat deze crisis kwam te weinig blijken te zijn voor de opgave die de komende jaren nog voor ons ligt. Zou het kabinet daar ook niet een extra inzet moeten doen, zoals het ook gisteren gedaan heeft, buiten de budgettaire kaders die al afgesproken waren bij de onderhandelingen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik vind dat u goede vragen stelt op dit punt. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van het kabinet daarop. Tegelijkertijd deel ik wel met de heer De Beer dat ik niet op voorhand ga zeggen dat er extra geld bij moet komen. Ik ben heel benieuwd hoe het kabinet die middelen gaat inzetten. Als zou blijken dat het onvoldoende is, dan spreken we elkaar weer. Het geld moet ergens vandaan komen. Dus ik kan hier wel toezeggen dat we er nog veel meer geld in gaan stoppen, maar dan zou ik ook van u willen horen waar u dat vandaan wilt halen.
De voorzitter:
Ik wil u erop wijzen dat we via de voorzitter praten in de commissiezaal. Ik geef de heer Ceder wel nog even het woord, want het was een beetje uitlokking.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik stelde een vraag, ja.
De voorzitter:
Ja, u stelde een vraag. Dus vandaar.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Laat ik kijken naar de cijfers waar we vandaag over praten. We praten over 30 miljoen. Dat is heel veel geld, maar vergeleken met de bedragen die gisteren genoemd werden, is het echt een druppel op de budgettaire begroting. Dus als wij een paar miljoen ergens anders vandaan kunnen halen, dan valt het echt wel te regelen met elkaar.
De voorzitter:
Dank u wel. Ja, meneer Van den Brink, heeft u nog een vraag?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
U heeft iets uitgelokt.
De voorzitter:
Ja, precies. Ik moet er even inkomen. Ik hoorde net nog dat het wel een beetje gevaarlijk is.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik vind het niet helemaal een antwoord op mijn vraag. Ik vroeg waar het vandaan moet komen en toen zei meneer Ceder: we vinden wel ergens een paar miljoen. Ik ben benieuwd waar, maar goed.
De voorzitter:
Dat doen we dan buiten deze commissie om of in de tweede termijn. Mevrouw Nanninga, ik nodig u uit voor uw inbreng.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Fijn dat er een brede afvaardiging aan bewindspersonen hier aanwezig is. Twee huishoudelijke mededelingen: ik moet helaas rond 16.00 uur het debat verlaten wegens andere verplichtingen en ik doe deze bijdrage mede namens Shanna Schilder van de Groep Markuszower.
Voorzitter. De laatste jaren is er op het gebied van bestaanszekerheid op de eilanden voldoende gebeurd: minimumloon omhoog, uitkeringen omhoog, subsidies op energie, water en telecom. De geldkraan heeft niet dichtgezeten. Enerzijds was dit noodzakelijk. Anderzijds moet wat JA21 betreft de focus meer komen te liggen op zelfredzaamheid en economische ontwikkeling. Dus: hoe zorgen we dat mensen daar hun eigen inkomen kunnen verdienen in plaats van afhankelijk te blijven van tijdelijke regelingen en subsidies? We zien ook dat het kabinet zelf zegt dat uitvoeringskracht en het absorptievermogen een probleem zijn. Met andere woorden: er kan niet altijd goed worden uitgevoerd wat er hier wordt bedacht. Ook het SEO-rapport laat zien dat het niet zozeer zit in regels, maar in naleving, uitvoering en kennis. Dan moet je daar dus beginnen. Niet meteen weer sleutelen aan systemen of extra geld sturen, maar zorgen dat de basis werkt: handhaving, arbeidsmarkt, ondernemerschap.
Voorzitter. Dan de kosten van levensonderhoud. Die zijn en blijven hoog. Dat komt natuurlijk ook door structurele factoren: kleine schaal, importafhankelijkheid en beperkte concurrentie. Het hoort ook een beetje bij het karakter van eilanden. Op Terschelling kost een pak melk ook meer dan in Harlingen. Dat is nooit volledig op te lossen. Anderzijds — wat dat betreft deel ik de analyse van ambtgenoot Ceder — zien we dat de Iranoorlog deze effecten wel flink versterkt. Vandaar ook de oproep van Bonaire om extra maatregelen te treffen. De heer Ceder heeft geen interrupties meer, maar als hij dezelfde vraag aan mij zou willen stellen, wat ik vermoed, dan wil ik die wel beantwoorden. We moeten allemaal een beetje inschikken, ook hier in Europees Nederland. Dat die middelen daar toch voor worden aangewend, is wat JA21 betreft niet onlogisch.
Daarop aansluitend kijken we ook naar de inzet op voedselzekerheid via de stichting CariFoodFund. Het versterken van de lokale voedselproductie en het ondernemerschap is logisch en goed om de afhankelijkheid van import te verkleinen en de zelfredzaamheid te vergroten. Het past ook bij de lijn die JA21 bepleit. Maar ook hiervoor geldt: het valt of staat met de uitvoering. Er wordt gekozen voor een constructie met een stichting met een revolverend fonds dat leningen verstrekt aan ondernemers en samenwerkt met private financiers. Dat kan zeker werken, maar dit soort constructies vragen wel om strakke sturing en toezicht, zeker in een omgeving waar toegang tot kapitaal lastig is en de risico's relatief groot zijn.
Onze vragen aan het kabinet zijn dus: hoe wordt hier concreet op gestuurd, hoe wordt bepaald welke projecten financiering krijgen, hoe worden risico's gewogen en wat gebeurt er als leningen niet worden terugbetaald? En minstens zo belangrijk is: hoe wordt gemeten of dit daadwerkelijk leidt tot meer lokale productie en minder afhankelijkheid van import? We zijn hier dus niet op tegen, maar we willen wel voorkomen dat dit een goed bedoeld fonds wordt waar geld in verdwijnt zonder dat er structureel iets verandert. Als dit werkt, is het een hele mooie stap richting meer zelfredzaamheid, maar dan moet de uitvoering echt op orde zijn en dan moet er continu zicht zijn op de effectiviteit.
Voorzitter, dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. Goedemiddag, en bon dia en good day voor de mensen die vanaf de BES-eilanden meekijken. Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: de bestaanszekerheid van de mensen op de BES-eilanden is niet op orde en staat, denk ik, al te lang fors onder druk. Ook de NCDR benadrukte dat vandaag weer. Er wordt te veel onderscheid gemaakt in voorzieningen en rechten tussen mensen in Europees Nederland en Caribisch Nederland. GroenLinks-PvdA maakt zich daar grote zorgen over, ook omdat de kosten voor het levensonderhoud, zoals al vaak benadrukt is, daar zo ontzettend hoog zijn.
We zien ook dat er de laatste jaren positieve stappen zijn gezet. Armoedebestrijding is eindelijk een belangrijker onderdeel geworden van het beleid. Natuurlijk snappen we dat de omstandigheden op de eilanden anders zijn dan hier in Europees Nederland en dat niet elke regeling exact hetzelfde kan zijn, maar ik zou het toch fijn vinden als we zouden kijken hoe we de regelingen meer gelijk zouden kunnen trekken. Ik denk namelijk dat het ook deels politieke onwil tijdens de vorige kabinetsperiode is geweest waardoor er zo veel schrijnende situaties zo lang blijven voortbestaan op de eilanden, bij al die gezinnen die mevrouw Dijk net al noemde.
Ook nu maak ik me soms nog een beetje zorgen over onnodige vertraging, bijvoorbeeld als het gaat over de commissie-Thodé. Die heeft 2,5 jaar geleden een glashelder rapport opgeleverd en aanbevelingen gedaan, maar ik vind dat de implementatie daarvan lang duurt. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de implementatie of de uitrol van de werkloosheidsuitkering. Het is toch een beetje gek dat er zestien jaar naar 10-10-10 nog steeds geen werkende regeling is voor werkloosheid op de BES-eilanden. Zijn beide bewindspersonen het hiermee eens en kunnen zij aangeven hoe dit nieuwe kabinet ervoor gaat zorgen dat deze maatregelen van de commissie-Thodé met urgentie worden opgepakt?
In het regeerakkoord lezen we verder dat het kabinet wil bouwen aan een leefbaar sociaal minimum, met de 30 miljoen waar de heer Ceder al een tijdje naar verwijst. Dat geld is uitgetrokken voor de implementatie van de aanbevelingen van Thodé. Ik vroeg me af of de bewindspersonen kunnen toelichten of met dat geld alle aanbevelingen kunnen worden opgevolgd en wat het tijdpad hierbij precies is.
Voorzitter. Dan ga ik naar de kostenkant van het levensonderhoud. Eerder is de bedoeling uitgesproken dat de kosten van het levensonderhoud en de kosten voor bedrijven en ondernemers in Caribisch Nederland zouden dalen, maar de signalen die wij krijgen van de eilanden zijn juist dat de kosten stijgen. Dat geldt niet alleen voor energie en drinkwater, maar ook voor openbaar vervoer. De transportkosten van mensen zouden ook omlaag moeten gaan. We hebben het dan nog niet gehad over de kosten van voedsel in de supermarkt. Graag een reflectie van het kabinet, met daarin ook meegenomen wat de heer Ceder zei: de crisis in het Midden-Oosten, die ook de eilanden raakt. Hoe kijkt het kabinet naar de veranderingen die er moeten worden doorgevoerd om de kosten voor levensonderhoud te kunnen laten dalen?
Voorzitter. Vorige week is ons amendement aangenomen om de hernieuwbare energie op de eilanden te vergroten, om zo hopelijk de energiekosten voor inwoners op de eilanden te verminderen. Ik vroeg me af of het kabinet naar aanleiding van het amendement en alles wat er in de tussentijd is gebeurd wat betreft de crisis in het Midden-Oosten al voornemens heeft om de energietransitie op de eilanden verder te versnellen.
Voorzitter. Dan ga ik weer even terug naar de inkomenskant. Het minimumloon en het sociaal minimum zijn nog steeds lager dan in …
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, ik wil vragen of u aan het einde van uw betoog bent.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een paar zinnen.
De voorzitter:
U bent door uw tijd heen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
O, oké. Ik ga één laatste punt kiezen. Mag ik dat in één zin nog doen?
De voorzitter:
Heel kort.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mijn laatste vraag gaat over de rijksbrede taakstelling. Die raakt ook de Rijkdienst Caribisch Nederland. Ik vroeg me af wat dat doet met de werkgelegenheid op de eilanden en de subsidiemiddelen die daarvoor beschikbaar zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik was benieuwd naar het punt dat mevrouw Tseggai niet kon maken.
De voorzitter:
Dat is fijn. Dat is heel collegiaal. Wilt u hier antwoord op geven, mevrouw Tseggai?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Nou, ik wilde een mini-uitstapje maken naar onderwijs. Ik wilde namelijk zeggen dat er te veel jongeren zijn die zonder startkwalificatie van school gaan, waardoor zij voor de rest van hun leven in lagelonenbanen blijven hangen en dus langdurig onder het sociaal minimum zakken. Ik vroeg me af hoe het kabinet daarnaar kijkt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was heel collegiaal. Ik kijk even naar de bewindspersonen om te kijken hoeveel tijd ze nodig hebben. Twintig minuten, hoor ik. Ik schors de eerste termijn van de Kamer. We komen straks terug met de beantwoording van het kabinet. De vergadering wordt dus voor twintig minuten geschorst.
De voorzitter:
Hierbij hervat ik de vergadering. Welkom terug. We gaan verder met dit commissiedebat. In de eerste termijn van de beantwoording van het kabinet sta ik de commissieleden weer vier interrupties toe. Ik geef nu graag het woord aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Minister Vijlbrief:
Dank u, voorzitter. Het is een genoegen om in deze commissie te mogen zijn. Ik denk dat we ons allemaal — ik zag net berichten in de kranten over discriminatie — zorgen maken over de vraag of mensen in Caribisch Nederland, dus Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, kunnen rondkomen. De Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland heeft ook haarscherp laten zien dat veel mensen maar moeilijk kunnen rondkomen. De kosten zijn hoog en zelfs hoger dan in Europees Nederland, terwijl de inkomens lager zijn. Er zijn onder het vorige kabinet concrete stappen gezet in lijn met de adviezen van die commissie. In 2024 is het minimumloon fors verhoogd, net als de kinderbijslag. De minimumuitkeringen zijn nagenoeg op het niveau gebracht van een fatsoenlijk sociaal minimum. Dat is op zich goed nieuws, maar we zijn er nog lang niet.
Ik lees de recente nieuwsberichten ook. Ik volg natuurlijk ook het nationale en internationale nieuws. We hebben gisteren een hele dag doorgebracht die in het teken stond van de gevolgen van de energieprijsschok die ons overkomt. De kosten voor levensonderhoud, de prijzen in de supermarkt, de huur en de energietarieven stijgen allemaal door. Het verhogen van het minimumloon terwijl de prijzen van noodzakelijke uitgaven tegelijkertijd even hard stijgen, heeft natuurlijk allemaal niet zo veel zin. Dan is bestaanszekerheid eigenlijk een beetje een papieren werkelijkheid. De kosten van elektriciteit stijgen onverwachts, zoals dit jaar is gebeurd. Kortom, het kabinet probeert in het regeerakkoord — ik kom zo terug op de envelop van 30 miljoen — juist meer zekerheid, meer voorspelbaarheid en meer stabiliteit in de portemonnee te brengen, ook in Caribisch Nederland. Daar werken we dus hard aan. We houden natuurlijk ook de adviezen van de commissie voor ogen wat betreft het minimumloon. We verhogen op lange termijn het minimumloon stapsgewijs, maar ik ben het ermee eens dat dat allemaal nog moet gebeuren en ingevuld moet worden. Daar wilde ik nu een aantal vragen over beantwoorden.
Laat ik beginnen met het ding van de dag, om het zo maar even te zeggen. In de financiële bijlage bij de brief van het kabinet over de maatregelen in het kader van de energiecrisis kunt u op regel 1 van pagina 1 van bijlage 1 een reservering voor het Tijdelijk Noodfonds Energie van 40 miljoen in 2026 en 155 miljoen in 2027 zien. Bij de toelichting staat: "Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor zodat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening komende winter ondersteund kunnen worden." Voor dit debat specifiek zeg ik dat in deze maatregel ook middelen voor de uitbreiding van de energietoelage voor Caribisch Nederland zitten verwerkt. Ik zeg dus tegen de heer Ceder: nee, wat u denkt, klopt niet. De 2 miljoen voor de energietoelage komt uit de envelop Tijdelijk Noodfonds Energie. Dat staak ook heel helder in de brief. Daarmee is dat punt de wereld uit. Dat wil niet zeggen dat daarmee de energiearmoede de wereld uit is, maar er is in ieder geval wel geld. Dat komt niet uit de envelop van de 30 miljoen.
Mevrouw Dijk van D66 vroeg hoe die 30 miljoen besteed wordt. Dat is precies wat de staatssecretaris en ik op dit moment aan het doen zijn: we zijn aan het nadenken over de vraag hoe je dat geld het beste kunt besteden. Ik denk dat een van de dingen daarvoor is dat we met de eilanden zelf in overleg zullen gaan. We zullen daarnaartoe gaan. Ik heb daar zelf goede ervaringen mee uit mijn tijd in Groningen. Dat zullen we de komende maanden richting augustus dus gaan doen. Wij kijken wat er op korte termijn, voor 2027, met die 30 miljoen gedaan kan worden en hoe je een meer structureel samenhangend pakket voor de jaren daarna kunt maken.
De onderdelen voor dat pakket liggen erg voor de hand. Laat ik er een paar noemen. Een aantal leden van uw Kamer noemde de hoge kosten die er zijn voor allerlei noodzakelijke dingen, zoals levensonderhoud, energie et cetera. Overigens zijn die kosten op eilanden altijd hoger. Dat klopt. Dat is een fact of life. Dat hebben wij zelf ook, maar dat wil niet zeggen daar je er niets aan kunt doen. Daar kunnen we naar kijken. We kunnen stappen nemen aan de inkomenskant. We kunnen subsidies structureel maken. Eigenlijk had ik ook gehoopt — dat gebeurde ook in dit debat — dat uw Kamer daarvoor een aantal ideeën zou brengen, zodat we die alvast kunnen meenemen in de vormgeving van de besteding van de 30 miljoen. We kunnen het later dan met enig draagvlak terugbrengen naar de Kamer. Dat even over de 30 miljoen.
Op de inkomenskant moeten er nog grote stappen worden gezet; dat zei ik al. Het minimumloon en sociaal minimum zijn in Caribisch Nederland nog steeds lager dan in Europees Nederland. Mevrouw Tseggai vroeg: wat voor ambities zijn er eigenlijk? Dat zat eigenlijk ook een beetje in de vraag van de heer Van den Brink. Het klopt dat die nog niet op niveau zijn. Dat is een van de redenen waarom we de commissie-Thodé aan het werk hebben gehad en waarom we nu een envelop hebben. Zoals ik al zei, gaan we ons daarop beraden, maar dat zullen we doen met de eilanden en de sociale partners op de eilanden.
De heer Van den Brink vroeg: hoe beoordeelt de minister de afstand tussen het huidige inkomensniveau en het sociaal minimum dat volgens voorbeeldbegrotingen nodig is om rond te komen? In de afgelopen periode is, met het verhogen van het minimumloon, de minimum uitkering en de kinderbijslag, een stap gezet om de bestaanszekerheid in Caribisch Nederland te versterken. Echter, dat is nog niet toereikend. Daar ben ik het ook mee eens. Dat zat ook een beetje besloten in de vragen van de heer Van den Brink en mevrouw Tseggai. Er ligt nog een opgave om de komende jaren het minimumloon stapsgewijs verder te verhogen. Ook voor de uitkeringen is nog een kleine stap nodig. Dat is dus een onderdeel — dat zei ik al — van het pakket van 30 miljoen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Mijn vraag over de aanbevelingen van de commissie-Thodé was vooral: wanneer gaan we die opvolgen? Ik hoor de minister zeggen: we gaan ons daarop beraden. Zou hij kunnen zeggen wanneer hij daar dan op terugkomt?
Minister Vijlbrief:
Ik denk dat wij een pakket gaan maken richting de begroting van komend jaar. Ik denk dat wij — ik kijk even naar de staatssecretaris — de ambitie hebben om in augustus een pakket te maken voor de invulling van die 30 miljoen. Daarin zal ook duidelijk moeten worden in welk tempo we dingen kunnen doen. Je kunt je geld maar één keer uitgeven. Het is dus even de vraag waar je het meeste aan uitgeeft: doe je dat vooral aan de inkomenskant of aan de kostenkant? Als ik het beeld goed begrijp, na inlezing in het dossier, lijkt het zo dat er vooral aan de kostenkant nog veel te bereiken valt nu. Dat zullen we dus moeten doen. In augustus zullen we daar in ieder geval een eerste ontwerp van hebben, denk ik.
De voorzitter:
U kunt verder met uw beantwoording.
Minister Vijlbrief:
Ik hoef niet te benadrukken dat we comply or explain toepassen. Dat hebben we in de besluitvorming rondom het energiepakket — het is goed om dat nog een keer te zeggen — echt nadrukkelijk gedaan. Er staat ook een hele passage in de brief over wat we allemaal zullen toepassen in Caribisch Nederland. Maar ook in die envelop van 195 miljoen voor de compensatie van de energieprijzen, voor het Noodfonds, zit dus 2 miljoen voor de Cariben. Dat zullen we daar overigens anders vormgeven, namelijk in de vorm van een energietoeslag.
Er waren ook wat vragen over de werkloosheidsregeling. Volgens mij waren die van de heer Van den Brink van het CDA, maar ook van anderen. De conceptregeling is medio februari van dit jaar voor consultatie uitgezet. De beoogde inwerkingtredingdatum is 1 januari 2027. In die conceptregeling is de duur van de werkloosheidsuitkering drie maanden. Die sluit dus aan bij de arbeidsmarkt in Caribisch Nederland, waarin er vooral sprake is van wat we "frictiewerkloosheid" noemen, dus korte werkloosheid. We starten met een tijdelijke regeling om ervaring op te doen in de lokale context en we werken toe naar een wettelijke regeling in 2032, een echte werkloosheidswet voor Caribisch Nederland. Dat is de gedachte daarachter.
De voorzitter:
De heer Van den Brink heeft een interruptie.
Minister Vijlbrief:
Ja, ik wacht heel even.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Waarom zit daar vijf jaar tussen? Waarom zo'n lang traject?
Minister Vijlbrief:
Ik moet even naar de mensen naast mij kijken.
Ik begrijp van mijn ambtelijke hulp — sorry dat ik die even moet inroepen, maar ik ben nieuw in dit dossier — dat we echt tijd nodig hebben om dit daar in te kunnen regelen. In 1 januari 2027 beginnen is snel. Mijn intuïtie is ook dat vijf jaar wel erg lang is. Ik zal deze vraag van de heer Van den Brink dus even mee terug nemen naar kantoor, om te kijken of het sneller kan, want ik begrijp de vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik merk dat de minister inmiddels verder is en al de beantwoording op de vragen over de noodmaatregelen gedaan heeft. Ik ben allereerst blij dat de minister de opheldering geeft dat de extra maatregelen niet komen uit de al toegezegde middelen; dat vind ik fijn. Mijn punt, dat daaronder lag, ging ook over het verschil tussen Europees Nederland en de BES-eilanden. We zetten bijvoorbeeld in op maatregelen om energie-armoede tegen te gaan. Daar maken we extra middelen voor vrij. Denk bijvoorbeeld aan geld lenen om te verduurzamen. Tuurlijk, gezien het klimaat is de context anders en zou je kunnen nadenken over meer zonne-energie, in plaats van over isoleren voor verwarming. Maar ook de subsidies om een benzine- of dieselauto in te kunnen ruilen ... Dat zijn allemaal maatregelen die wel getroffen kunnen worden, maar die voor zover ik kan zien, ook naar aanleiding van het debat van gisteren, niet van toepassing zijn op de BES. Mijn vraag is of de minister van mening is dat met de maatregelen ... Ik heb het dus over de energietoelage, waar ik heel blij mee ben, maar ook over de kilometervergoeding. Is de minister van mening dat er, als puntje bij paaltje komt, toch wel minder mitigerende maatregelen worden genomen op de BES dan in Europees Nederland?
Minister Vijlbrief:
Ik zit even in mijn stukken te zoeken. Ik had, dacht ik, de hele tekst uit de brief van wat er allemaal op de eilanden werd toegepast, maar ik pakte net alleen de tabel. Misschien kan iemand die tekst even opzoeken? Er staat een uitgebreide tekst in de brief over wat er allemaal van toepassing is op Nederland. Ik weet in ieder geval zeker: de energietoelage — dat is helder, 2 miljoen — en de reiskostenvergoeding. Maar ik moet even kijken naar de andere dingen. Ook dezelfde halvering van de tarieven in de motorrijtuigenbelasting wordt toegepast. Ik denk overigens dat in principe de maatregelen die ook toepasbaar zijn op Caribisch Nederland ... De heer Ceder heeft opgemerkt dat warmte daar niet het grootste probleem is, maar dat je wel andere dingen kunt doen met zonne-energie. Ik neem aan dat die daar toepasbaar zijn, voor zover die van toepassing zijn via comply or explain. Dat is dus alles wat te maken heeft met energiefixers et cetera. Ik zal even ... De ambtenaren luisteren mee. We moeten even checken wat er precies wel en niet van toepassing is op Caribisch Nederland. Dus in ieder geval wel: de onbelaste reiskostenvergoeding, de motorrijtuigenbelasting en de energietoelage. Dat is het antwoord hierop. In de tweede termijn kom ik nog even terug op precies wat nog meer.
De voorzitter:
Ja. Dat zou ook mijn voorstel zijn geweest.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn dat we daar helderheid over krijgen. Eén punt waar ik volgens mij geen helderheid over krijg, gaat over het verminderen van kunstmest in land- en tuinbouw, omdat het kabinet aangeeft zelf nog te stoeien met hoe die regeling eruitziet. Volgens mij is nog niet bekend wat dat betekent voor de BES. Zou de minister kunnen toezeggen om in ieder geval ook het perspectief van de BES in de uitwerking daarvan mee te nemen?
Minister Vijlbrief:
Het is een beetje flauw om dat steeds weer te zeggen, maar dat is in het kader van comply or explain precies wat we moeten doen. Voor zover we dat kunnen meenemen, nemen we dat mee.
Voorzitter, tenzij er andere interrupties zijn, ben ik aangekomen bij het laatste deel van mijn beantwoording. De heer Ceder vroeg om een visie op gelijkwaardigheid in het stelsel. De opgave is groot; daar hebben we het over gehad. Er zijn mensen die twee tot drie banen hebben en nog steeds moeilijk rondkomen. Dat is een belangrijke stap. Daar werken we aan. Ik heb een aantal stappen genoemd die er moeten komen, zoals de eigen WW-regeling. In het licht van het antwoord dat ik net gaf op de vraag over 30 miljoen ... Ik denk dat het ongelofelijk belangrijk is dat we proberen om zo veel mogelijk een gelijkwaardige situatie te creëren. Ik schrik dus van berichten als het bericht in de krant van vanmorgen. Daarvoor zal het pakket dat de staatssecretaris en ik gaan bouwen, belangrijk zijn.
Ten slotte heb ik nog één antwoord. Ik zie nu dat ik die vraag vergeten was. Er wordt gewerkt om de koopkracht op de eilanden in beeld te brengen. Dat gebeurt in de monitor van het CBS. Of dat ooit zo fijnzinnig zal kunnen als we voor Nederland doen, daar heb ik mijn twijfels over. Dat weet ik gewoon niet. Echter, we zijn daar dus wel mee bezig. Die monitor is nu min of meer in oprichting, begrijp ik; die wordt nog verder ontwikkeld.
Daarmee zou ik mijn beantwoording willen beëindigen, voorzitter. In de tweede termijn kom ik nog terug op de vraag van de heer Ceder.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank voor de beantwoording. Die was helder. Nog even over de CBS-monitor. Is daar een tijdpad voor? Daar was ik nieuwsgierig naar.
Minister Vijlbrief:
Ik begrijp de vraag. Daar kom ik in de tweede termijn op terug, want ik weet dat niet uit mijn hoofd. Die twee dingen zal ik in de tweede termijn even doen. Dank u wel.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is meer een dubbelcheck. Ik wil even vragen of mijn punt over incassodienstverlening hieronder valt of dat de heer Van der Burg daar nog op terugkomt.
Minister Vijlbrief:
De incassodienstverlening is de specialiteit van de heer Van der Burg, hè? Dat doe jij toch? Ik heb geen idee — geen idee! Ik weet ook niet of het bij mij hoort of bij de staatssecretaris. Maakt ook niet uit. Ook die vraag schuiven we even door naar de tweede termijn, als de heer Ceder dat goed vindt. Excuus.
De voorzitter:
Ook de bewindspersonen wil ik eraan herinneren dat we in deze zaal via de voorzitter praten. Staatssecretaris, u wordt uitgenodigd voor de beantwoording.
Staatssecretaris Van der Burg:
Graag, voorzitter. De afgelopen twee weken was ik op alle zes de eilanden, of beter gezegd: drie plus drie, de drie landen en de drie openbare lichamen. Daarnaast was ik ook nog op een conferentie op Aruba, met de Europese Unie, over de landen en gebieden van Europa. Daar was ik samen met Denemarken, vanwege Groenland, en met Frankrijk en Nederland, vanwege zowel het Caribisch gebied als Polynesië, dat natuurlijk in de Pacific ligt. Dat was een belangrijke conferentie. Die ging namelijk ook over de vraag hoe we vanuit Europa ondersteuning kunnen krijgen voor de zes.
Waarom zeg ik het zo? Omdat wij gewoon een nadrukkelijk onderscheid maken tussen de drie landen en de drie openbare lichamen. In Europa wordt het onderscheid niet gemaakt. Dan gaat het gewoon om financiering voor de zes, en niet voor drie plus drie. Dus als ik spreek over Europa, spreek ik over de zes; als ik spreek vanuit het Nederlandse perspectief, dan bedoel ik natuurlijk de drie andere landen in het Koninkrijk plus de drie openbare lichamen.
Voor nu hou ik het nadrukkelijk even bij de openbare lichamen, want daar is de bestaanszekerheid ook onze eerste verantwoordelijkheid. Ik zie daar een aantal lagen in; die zijn ook door u op verschillende manieren genoemd. De eerste is natuurlijk de versterking van de economie. De tweede is de voedselzekerheid. De derde is wat ik even "connectiviteit" noem. Connectiviteit kan gaan over lucht en water, maar ook over internet, energie en alles wat daaromheen speelt. Ik wil graag uw vragen, zeg ik via de voorzitter, beantwoorden in de blokjes economie, nut, sociaal en, zoals het hoort, overig.
Ik begin met het blokje economie. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar versterken, verdiepen en verbreden, en dan specifiek naar zowel de werkgelegenheidscomponent als het versterken van ondernemerschap. Dat speelt het sterkst als ik het heb ... Ik beperk me in dit gesprek verder alleen maar tot de drie openbare lichamen.
Bonaire is het sterkst afhankelijk van toerisme. Uiteraard is er ook toerisme op Saba en Statia, maar zeer beperkt. Dat heeft niet alleen te maken met de grootte van het eiland, maar ook met de connectiviteit. Vanochtend waren mevrouw Dijk en ik bij de bijeenkomst van de Nationaal Coördinator Discriminatie en Racismebestrijding. Die gaf bijvoorbeeld aan: ik vlieg daar niet heen, want ik vind die hele kleine vliegtuigjes eng. Je gaat niet naar Saba en Statia met een 737, laat staan een 777. Daar ga je naartoe met een vliegtuigjes voor zes, acht, veertien of maximaal vijftien personen. Dat beperkt de mogelijkheden voor toerisme enorm.
Als voorbeeld: op Statia gaat het over ... Sorry, wij noemen het hier steeds "Sint-Eustatius", maar dat doet op Sint-Eustatius niemand, want daar gaat het over "Statia". Dat zal ik dus nog ook weleens zeggen. Op Statia gaat het om 5.800 overnachtingen per jaar. Dat is het totale toerisme. Van die 5.800 overnachtingen kan je de overnachtingen voor werk nog aftrekken. Toen ik er afgelopen week zelf was met mijn ambtenaren, was ik daar namelijk echt niet als toerist, en dat geldt ook voor anderen. Dan heb je het echt over een kleine 2.000 tot 2.500 toeristenovernachtingen per jaar. Deel dat maar eens door 365. Dan blijkt het toerisme op met name Saba en Statia buitengewoon klein te zijn. Op Bonaire is het ook niet de allerbelangrijkste werkgever; dat is nog net de overheid. Dat scheelt, om heel precies te zijn, 100 banen: 1.700 om 1.600.
Je ziet dat het daarmee ook wel heel erg risicovol is. Het gaat nu buitengewoon goed op Bonaire met het toerisme. Frank genoeg, zeg ik erbij, zien we mede door de oorlog in het Midden-Oosten dat mensen nu minder naar Bali vliegen, al dan niet met een tussenstop in het Midden-Oosten, of op vakantie gaan naar Qatar of Doha, maar veel meer de beweging maken richting het Caribisch gebied. Daar profiteert Bonaire dus enorm van. Er zijn bijvoorbeeld hoge inkomsten uit de toeristenbelasting. Tegelijkertijd hoeft er maar iets te gebeuren en dan heb je meteen een probleem. Denk even aan 3 januari. Het luchtruim ging dicht; wat gaat er daar gebeuren? Op het moment dat dat aan de hand is, kan dat meteen enorme economische effecten hebben op een eiland als Bonaire.
We moeten dus echt investeren in verdiepen en verbreden. Ik heb zowel met Bonaire als met de landen Aruba en Curaçao besproken dat die alle drie natuurlijk heel erg dicht bij Venezuela en Colombia liggen. Ze maken daar bijvoorbeeld in het kader van medische vluchten gebruik van Colombia, zoals vanochtend nog aan de orde kwam bij de bijeenkomst waar mevrouw Dijk en ik waren. Tegelijkertijd kunnen Nederlandse bedrijven die het nog "te eng" vinden om te investeren in Venezuela — je weet namelijk niet wat daar gaat gebeuren; dat is nog allemaal wat onzeker — wel Bonaire, en uiteraard ook Aruba en Curaçao, als een soort hub gebruiken richting Colombia en Venezuela. Maar denk ook aan Mercosur. Even los van de vraag of je daar voor of tegen bent, is het inmiddels wel gewoon bekrachtigd, in ieder geval in ons parlement. Als Mercosur van de grond komt, dan is daarmee ook weer een nadrukkelijke opening gecreëerd richting een aantal landen in Zuid-Amerika. Welk deel van ons Koninkrijk ligt het dichtste bij Zuid-Amerika? Dat zijn die twee landen en in dit geval Bonaire. Dat is een vorm van verdieping en verbreding.
Maar denk ook aan het probleem van de voedselzekerheid. Je ziet dat er op de verschillende eilanden enorm veel geïmporteerd moet worden. Voor degenen die niet op Saba geweest zijn: het is 13 vierkante kilometer groot en het grootste deel bestaat uit berg en bos. Daar kun je dus gewoon niet ontwikkelen. Dat betekent dat bijna al het voedsel van buiten moet komen. Wij zijn nu op Bonaire, Saba en Statia aan het kijken hoe wij de voedselproductie daar toch enigszins kunnen verhogen. Daarvoor hebben we in de begroting 24 miljoen opgenomen. Die 24 miljoen splitst zich in 6 miljoen voor de zes — dat is bedoeld om eens te kijken hoe je het bestuur daarvan in positie kunt brengen — en 18 miljoen die in een revolverend fonds terecht moet komen waarmee je ondernemers kunt stimuleren om een doorstart te maken. Ik heb zelf de afgelopen twee weken op diverse eilanden initiatieven bezocht. Saba is echt nog heel erg klein, maar Statia heeft een wat gunstigere structuur. Er is namelijk ook een laagvlakte tussen de bergen c.q. heuvels. We zien dat Statia al bepaalde producten kan exporteren naar bijvoorbeeld Sint-Maarten. Als we dat weten te bevorderen, doen we aan de ene kant wat aan voedselzekerheid en doen we aan de andere kant wat aan werkgelegenheid en ondernemerschap. Daarmee helpen we de zelfredzaamheid, die ook door verschillende overburen in hun bijdrage is genoemd.
Denk ook aan de investeringen die we doen in de havens. Een van de punten die daarbij nadrukkelijk speelt, is dat we nu op Saba een tweede haven aanleggen. Door die tweede haven aan te leggen bereiken we een aantal zaken. Eén: het wordt interessanter voor toerisme. Nu kun je de ferry of het vliegtuig nemen. Dan kun je er bijvoorbeeld ook veel makkelijker met privéschepen komen. We zien dat op het nabijgelegen Saint-Barth heel veel toerisme met een eigen boot komt. Je ziet dat we door daar die tweede haven aan te leggen, waar we als Nederland 80 miljoen in steken, waarvan 40 miljoen vanuit BZK, een bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling.
Maar het betekent bijvoorbeeld ook dat we dan kunnen kijken of we in die haven ook iets kunnen doen in de zin van koelterminals. Als we die koelterminal neerzetten, heeft dat weer het voordeel dat je wat doet aan de voedselkwaliteit, want nu komt de boot één keer per week met vers voedsel. Even los van de temperaturen die daar wat hoger zijn, hoef ik u niet uit te leggen dat een krop sla op dag één een stuk lekkerder is dan op dag zeven. Hetzelfde geldt voor een product als een banaan. Die is toch ook lekkerder op dag één dan op dag zeven. De heer Van den Brink is wat meer van andersoortige bananen en je kunt ze natuurlijk bakken — dat is waar — maar u begrijpt mijn punt. Je doet dan wat aan de economie en het ondernemerschap, en je helpt om een bijdrage te leveren aan de voedselzekerheid.
Voor Bonaire kijken we heel nadrukkelijk of we ook de containercomponent in de haven kunnen versterken. Dat is ook besproken met de Europese Commissie. Alle drie de Benedenwindse Eilanden en het Bovenwindse Sint-Maarten hebben te maken met cruiseschepen. Die dragen natuurlijk ook bij aan de economie. Als we erin slagen om de terminalfunctie voor containers niet alleen op Aruba en Curaçao goed geregeld te hebben maar ook op Bonaire, dan wordt de routering voor containerschepen interessanter, neemt de concurrentie toe en kunnen de kosten dalen. Dat is een belangrijk punt, dat mevrouw Tseggai ook noemde. Tegelijkertijd lever je een bijdrage aan ondernemerschap, voedselzekerheid en kostenbeheersing. Ik denk overigens dat dat realistischer is dan kostendaling, wat mevrouw Tseggai zei. Daarmee ben ik al enigszins ingegaan op de vraag van mevrouw Tseggai.
Ze gaf ook aan: waar komen die hogere kosten vandaan? Daar zitten een aantal componenten aan vast. De eerste is natuurlijk de wereld. De inflatie, waar u en ik ook mee te maken hebben als gevolg van de crisis in het Midden-Oosten, zorgt ervoor dat de energieprijzen stijgen. Op de eilanden zijn ze afhankelijk van import via lucht en water. Dat draagt daar enorm aan bij.
Ik kijk naar uw vinger, voorzitter, en ik denk: ik moet mijn mond houden.
De voorzitter:
Ja, ik zat te wachten op een punt, want mevrouw Nanninga heeft een interruptie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is in een heel enthousiast betoog altijd lastig om een punt te vinden. Het siert de heer Van der Burg dat het zo'n gepassioneerd verhaal is. Misschien komen de antwoorden op mijn vragen straks en ben ik te vroeg. Ik zoek nog even naar de structuur in het betoog. Het blokje over voedselzekerheid … Dat komt nog? Dan heb ik helemaal niks gezegd. Dan ben ik bij dezen klaar.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik heb in feite mijn inleiding afgerond en ik kom nu op de verschillende vragen in het blokje economie.
Ik begon met de vraag van mevrouw Tseggai: hoe komt het dat de prijzen daar zo hoog zijn? Er zijn een aantal componenten. De eerste is datgene wat er speelt in de wereld. Ik noem de crisis in het Midden-Oosten, die leidt tot problemen rondom energie en dat soort zaken. Dat speelt natuurlijk versterkt op eilanden, waar je alles moet importeren. Twee: het toerisme. Ik zag meneer Van den Brink net al bedenkelijk kijken toen ik het had over de cruiseschepen. Ze zijn aan de ene kant een zegen, want ze zorgen voor werkgelegenheid. Maar ze zijn aan de andere kant een last, want toeristen zorgen ook voor een prijsstijging omdat ze over het algemeen net een andere kleur creditcard hebben, voor zover de bewoners op het eiland al een creditcard hebben. Dat leidt dus tot prijsopdrijving. Drie: specifiek op Bonaire zien we een enorme groei van het aantal inwoners. Die groei op het eiland leidt tot allerlei prijsstijgingen. Vier: u en ik. Ik bedoel niet letterlijk u en ik, maar we zien dat veel Nederlanders ervoor kiezen om daar niet alleen veelvuldig op vakantie te gaan maar om daar ook een huis te kopen. Huizenkopende Nederlanders, zeker met de overwaarde die u en ik kunnen creëren, leiden tot een prijsstijging van woningen. Tot slot, vijf: de markt. De markt heeft simpelweg zijn effect.
Wat moeten we doen om de prijzen onder controle te krijgen? Eén: concurrentiebevordering. Denk aan de terminal, waar ik het net over had, of aan een extra haven, waardoor er meer kan gebeuren. Twee: in het kader van de voedselzekerheid moeten we ervoor zorgen dat er meer geproduceerd wordt, waardoor er minder ingekocht moet worden. Dat is iets wat speelt. Drie: we moeten specifiek op Bonaire kijken naar groeibeperking. Dat was het woord dat ik het meest hoorde op Bonaire. Of het nu gaat om scholen, waar ik straks nog op terugkom, om het ziekenhuis of om huisvesting: je ziet op alle punten dat men de groei van de bevolking op het eiland niet aankan. Dat zijn allemaal zaken waar we naar moeten kijken.
Een van de dingen die ik in dat kader noemde, betrof de voedselzekerheid. Daarmee kom ik meteen op de vraag van mevrouw Nanninga. We gaan een fund oprichten. Dat doen we door middel van een stichting. Daarin wordt die 18 miljoen revolverend opgebracht. U kunt het niet helemaal vergelijken met Qredits, een organisatie die daar actief is en die dit jaar zijn 500ste starterslening geeft. Maar vergist u zich niet: Qredits heeft daar al 500 startersleningen aan ondernemers gegeven. Ik heb daar met vijf of zes — ik weet het nu even niet meer zeker — ondernemers gesproken die gebruik hebben gemaakt van die leningen. Ze hebben die voor een deel al terugbetaald of zitten in de laatste fase. Het gaat soms om kleine bedragen. Het gaat letterlijk om €12.500 voor een ondernemer die aan zandstralen doet. Dat is daar erg noodzakelijk, want zeelucht is niet automatisch goed voor alles wat daar gebouwd wordt. Het gaat om iemand die water levert. Water leveren? Ja. Bij u komt het gewoon uit de kraan, maar daar moet het, zeker voor de boeren, echt worden toegevoegd met grote watertanks. Dat soort ondernemerschap wordt dus al enorm bevorderd. Dat heeft Qredits nu voor de 500ste keer gedaan. Wij gaan daar, specifiek als het gaat om voedsel, die 18 miljoen voor uittrekken. Daar zullen wij een stichting voor oprichten. Daar komen uiteraard subsidies en voorwaarden voor. Daar zit natuurlijk raad van toezicht op. Daarover gaan we natuurlijk ook een convenant sluiten. We evalueren het iedere drie jaar. Ik kom voor de zomer nog terug op hoe we dat verder gaan invullen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank voor dit antwoord. Dat is een goed verhaal. Wordt er ook gemeten, als dat meetbaar is, of onderzocht of de importafhankelijk dan ook daadwerkelijk daalt? We zijn als JA21, zoals gezegd, helemaal niet tegen dit plan. Echter, we willen wel dat de resultaatmeting echt goed in orde is, dat je kunt zien dat die afhankelijkheid van import hierdoor afneemt, en dat de koers wordt bijgesteld als dat niet het geval is.
Staatssecretaris Van der Burg:
Daarmee corrigeert mevrouw Nanninga mij. Ik was namelijk nog een punt vergeten. We zijn begonnen met een nulmeting om vast te stellen wat nu de voedselafhankelijkheid is, en dan niet alleen op macroniveau, maar ook op mesoniveau, met betrekking tot specifieke producten. Dat doen we inderdaad zodat we kunnen zien — ik noemde net het voorbeeld van de sla; ik zal de bananen van meneer Van den Brink niet meer noemen — of het leidt tot minder import van verse producten. Daarvoor hebben we dus een nulmeting gedaan.
De heer De Beer had het nadrukkelijk over de voornemens met betrekking tot het investeren in de economie. We hebben het volgende gedaan. Op verzoek van Saba en Sint-Eustatius hebben we een economische ontwikkelstrategie opgesteld, samen met de eilanden. Bonaire heeft ervoor gekozen om wat anders te doen. Zij hebben de Commissie Vishon 2050 opgericht. Die gaat ook over die verbreding. Wij gaan daar samen met de eilandbesturen naar kijken. Ik noem nu in ieder geval drie dingen in dit kader. Eén: zoals ik net al zei, gaat het food fund daarin helpen. Twee: het Economisch Groeiplatform — dat staat ook in het coalitieakkoord — dat we hiermee gaan vormgeven is ook gericht op de ondersteuning van het mkb. Drie: de toegang van Invest-NL die we gaan realiseren.
Dat sluit trouwens ook mooi aan bij de veelgehoorde boodschap van Kamerleden over comply or explain. Je moet er dan ook echt voor zorgen dat we steeds meer ... Het uiteindelijke doel is dat we mijn functie opheffen en uw commissie opheffen, omdat er gewoon geen aparte commissie KR of een aparte staatssecretaris KR nodig is, maar we in plaats van naar 342 naar 345 kijken. Dat is wat er aan de hand is. In dat kader stelde u mij allemaal vragen. Ik snap dat u die aan mij stelt. Dat is niet om ze weg te ... Sorry, ik doe alsof het om deze twee harde schijven buiten mijn hoofd gaat, maar nee. Uiteindelijk moet u straks gewoon vragen gaan stellen aan de minister van Onderwijs, de minister van Zorg en de minister van Sociale Zaken, die hier toevallig al zit. U moet straks dus eigenlijk vragen stellen aan de vakministers. Als het om Heerlen, Kerkrade of Delfzijl gaat, stelt u de vragen namelijk ook niet aan een aparte bewindspersoon; dan stelt u die gewoon aan de desbetreffende bewindspersonen. Dat moet gewoon het streven zijn. Voor een deel is dat ook zo. Een voorbeeld is als het gaat om de budgetten. Ik ben niet de budgethouder voor Onderwijs, Zorg of Sociale Zaken. Dat zijn de vakministers gewoon. Daardoor zult u ook zien dat ik hier heel vaak in een duo zit. Nu zit ik hier met de heer Vijlbrief, maar als het over onderwijs gaat, zit ik hier samen met de minister van Onderwijs. Zo kunnen we dat gaan doen. Ik ga ook samen met de diverse bewindspersonen naar de eilanden toe om daar bij specifieke dingen stil te staan. Als ik hier ben, voel mijzelf namelijk wel, enerzijds, de ambassadeur. Ik heb ook wel gezegd: ik ben de niet-gevolmachtigde minister die toch gevolmachtigd is om dingen in gang te zetten als de gevolmachtigde ministers er niet zijn als het gaat om Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Hetzelfde geldt natuurlijk voor Bonaire, Statia en Saba.
Mevrouw Nanninga stond ook nog stil bij de vraag: hoe zorgen we ervoor dat mensen meer hun eigen inkomen kunnen verdienen? Ik heb net volgens mij al wat punten genoemd. Een van de belangrijke punten ... Ik leg ook meteen een link met andere vragen die gesteld zijn over onderwijs, want dat is een zeer belangrijk aandachtspunt. Op startkwalificaties — het werd net al genoemd — scoren we echt veel lager, 48% versus meer dan 70% in de rest van Nederland. We moeten, volgens mij, ook met elkaar afspreken dat u het niet meer heeft over Bonaire, Statia en Saba "ten opzichte van Nederland" maar "ten opzichte van de rest van Nederland". Ze zijn namelijk gewoon Nederland. Anders maken wij diezelfde fout met elkaar. Dat gezegd hebbende, moeten we echt aan die startkwalificaties werken.
Daarin zien we wel een aantal problemen. Eén: niet alle onderwijsvoorzieningen worden op de eilanden aangeboden. Dat is niet alleen kenmerkend voor Saba en Statia; dat zie je ook deels op de Waddeneilanden, maar dan ligt alles een stukje dichterbij. Dat betekent dat je van het eiland af moet als je op Saba woont en een onderwijsvorm wilt of nodig hebt die niet op Saba wordt gegeven. Dan kom je weer op die connectiviteit. Feitelijk betekent dat heel vaak: van het eiland af verhuizen. Dat kennen we ook van de Waddeneilanden, maar Leeuwarden of Harlingen is toch van een andere orde dan dat je van Saba of Statia naar Bonaire gaat, dat gewoon 900 kilometer verderop ligt. Voorzieningen zijn daarin dus een probleem. Tegelijkertijd moeten we ook beseffen dat je een roc niet op dezelfde manier kunt aanbieden op Saba, met 2.000 inwoners, als in Rotterdam, met 700.000 inwoners. Daar zit dus wel een spanning in.
Een van de specifieke punten waar we in dat kader naar moeten kijken, is de braindrain. Die is enorm groot. Dat kwam vanochtend ook aan de orde in de bijeenkomst waar mevrouw Dijk en ik waren. Je ziet dat studenten de eilanden verlaten voor hbo-opleidingen of academische opleidingen. Zij gaan dan naar Nederland of naar Amerika. Laten we Amerika even niet als voorbeeld nemen, want daar worden de studieschulden al helemaal vrij snel vrij pittig. Maar ook als ze naar Nederland komen en aan het einde van hun studie terug moeten of willen naar Bonaire, Saba of Statia, krijg je de huisvestingscomponent. In Nederland is het moeilijk om een huis te vinden, maar daar is het nog net wat moeilijker. De inkomens zijn daar lager. De studieschuld is een Nederlandse studieschuld, met de daarbij behorende bedragen. De ontwikkelmogelijkheden zijn kleiner. Kortom: weet je wat, ik blijf met mijn academische opleiding in Nederland. Wij profiteren daarvan. Soms kunnen we dat in Nederland ook wel goed gebruiken. Echter, daar zie je dus een enorme braindrain. Bizar genoeg vliegen we dan in Nederland geboren mensen daarheen voor een paar maanden of een paar jaar, om daar in een ziekenhuis te gaan helpen, maar dan onder de arbeidsvoorwaarden die we in Nederland hebben afgesproken, al dan niet met expattoeslagen. Daar moeten we nadrukkelijk naar kijken, want op die manier creëer je een hele ongewenste situatie. Onderwijs is dus een hele belangrijke factor om voor die zelfredzaamheid te zorgen, naast die economische component. Dat gaan we dus samen met de eilanden oppakken.
Qredits heb ik al bij u genoemd. Volgens mij hoef ik die vraag van de heer De Beer niet opnieuw te beantwoorden. We gaan ook kijken naar de professionalisering van de dienstverlening van bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel, om daarin te ondersteunen. Ook vanuit het Centrum voor Ondernemerschap wordt een ondersteuningsprogramma aangeboden. Dat soort zaken moeten ook helpen in het kader van het ondernemerschap.
De heer De Beer vroeg: hoe gaan we ervoor zorgen dat ze minder kwetsbaar worden in het kader van die externe schokken? Daarvoor geldt dus enerzijds, zoals ik al zei, de verbreding en de verdieping, investeren in ondernemerschap, trainingen geven daarin, en dus het Economisch Groeiplatform dat we gaan creëren. Dat doen we overigens in den brede. Dat doen we niet alleen voor Bonaire, Statia en Saba, maar ook voor de drie landen.
Er ligt natuurlijk wel een koppeling, ook in het kader van ondernemerschap, met het volgende punt, namelijk elektriciteit en connectiviteit, en niet alleen in het kader van de haven, die ik net al noemde. Een van de punten die straks aan de orde zal komen, als de heer Vijlbrief en ik na de zomer komen met ons voorstel voor die 30 miljoen, is: wat gaan we doen aan prijzen? Dan denk ik met name: bestaanszekerheid gaat om inkomen, maar ook om uitgaven. Bij de uitgaven springen er een paar uit: de ferry — dan heb ik het met name over de Bovenwindse Eilanden — en de vluchten. 12 minuten vliegen naar Sint-Maarten vanaf Saba kost 400 dollar. Dat is best veel geld. Tegelijkertijd: op het moment dat je daarin forser gaat investeren vanuit die 30 miljoen, moet je ook weer bedenken dat het verlagen van de prijzen leidt tot verhoging van de vraag. Dan krijg je een spanningsveld: wanneer leidt een verhoging van de vraag tot een vraag die niet geconsumeerd kan worden? Saba is namelijk geen vliegveld waar je grotere vliegtuigen op kan laten landen. Je kunt er ook maar een beperkte hoeveelheid vliegtuigen op laten landen. Als het gaat om kostenreductie, moet je dus denken aan de ferry en de vluchten. Daarvoor hebben we ook IenW nodig, want daar moet ook de PSO in wetgeving worden vastgelegd. We denken ook aan connectiviteit als het gaat om internet en elektriciteit. Er is letterlijk vandaag een overleg over de zeekabel. Daar hebben we het ook over gehad. Ik zie dat er iemand een vraag heeft, voorzitter, maar ik maak dit even af. We hebben vorige week gesproken met de Europese Commissie om te bekijken of je bijvoorbeeld een zeekabel kunt financieren waarmee de afhankelijkheid van een eiland als Curaçao minder wordt. Want ja, er liggen wel kabels naar Amerika, maar het kan geen kwaad om de connectiviteit richting bijvoorbeeld Europa te vergroten, ook in het kader van de huidige geopolitieke situatie. Punt.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Ceder heeft een vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat laatste onderschrijf ik van harte. Ik hoop dat de minister kan aangeven wanneer daarover een knoop wordt doorgehakt. Ik wil even terugkomen op het punt van connectiviteit. De minister gaat bezien welke keuzes er gemaakt worden, maar ik wil toch ook nog een invalshoek neerleggen: dit is ook vanuit VWS een vraagstuk. Ik weet niet of de staatssecretaris dat heeft meegekregen, maar er zijn mensen die wekelijks of een aantal keer per week het vliegtuig pakken om naar Sint-Maarten te vliegen. Denk bijvoorbeeld aan dialysepatiënten, zij vliegen drie keer per week naar Sint-Maarten om daar urenlang te dialyseren en vervolgens in de avond weer terug te vliegen. Dat doen ze totdat er een nier beschikbaar is, zo niet hun hele leven lang. Ik zou het jammer vinden als alleen vanuit de potjes van VWS en IenW gekeken wordt naar hoe je dat zou kunnen oplossen. Mijn vraag is of de minister ook in gesprek kan gaan met de minister van VWS, om te bekijken hoe je voor deze specifieke doelgroep ... Ik heb niet over het verlagen van alle ticketprijzen, want ik snap het dilemma van de staatssecretaris. Ik stel wel voor dat we ons richten op de mensen die afhankelijk zijn van ziekenvervoer, die we ook in Nederland kennen, en dat we kijken of VWS en de budgettaire kaders van VWS daarbij betrokken kunnen worden. Kan de staatssecretaris dat toezeggen?
Staatssecretaris Van der Burg:
Als ik het heb over connectiviteit, heb ik het over collectieve connectiviteit. Medische vluchten vind ik een ander verhaal. Dat geldt overigens niet alleen voor Saba en Statia, maar ook voor Bonaire, waarvandaan veel medische vluchten naar bijvoorbeeld Colombia gaan. Ik vind dat je daar apart naar moet kijken. Het kan niet zo zijn dat iemand die een nierdialyse of een andere medische behandeling nodig heeft ... Daar moeten we iets mee. Dat moeten we met elkaar bespreken. Dat zal onder andere worden opgepakt met het ministerie van VWS. Dat kan ik sowieso tegen de heer Ceder zeggen. Dat vind ik een verhaal apart en van een andere orde dan of meneer Ceder of de heer Van der Burg goedkoper kan vliegen. U kunt ook nog kijken — dat zal een van de punten van discussie worden — of je een collectieve prijsverlaging doet of een eilandgebonden prijsverlaging. In dat laatste geval hanteer je voor eilandbewoners een ander tarief dan voor de heer Ceder of de heer Van der Burg. Dat moeten we allemaal gaan oppakken met elkaar.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Van den Brink, maar ik geef eerst het woord aan de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit zijn goede teksten, alleen hoor ik die al sinds ik in de Kamer zit. Dat is inmiddels vijf jaar. Mijn vraag gaat over de medische vluchten. Deze mensen zitten in hetzelfde vliegtuig. Ze zitten daar wel met andere redenen, maar het is dezelfde vlucht. Kan de staatssecretaris toezeggen wanneer hij daarop kan terugkomen? Ik voel de discussie namelijk goed. Ik snap ook de overwegingen van de staatssecretaris. Ik zou alleen graag willen weten wanneer er dan knopen worden doorgehakt in het kabinet, zodat we er als Kamer ook iets van kunnen vinden. Ik probeer die toezegging dus wat te concretiseren. Ik hoop dat het deze staatssecretaris lukt om eindelijk een paar eieren te leggen.
Staatssecretaris Van der Burg:
Of eieren leggen mijn specialiteit is ... Ik ben geen paashaas. Los daarvan: ik weet nu even geen datum. Ik kom dus nog terug op wanneer dat aan de orde is. Op z'n laatst natuurlijk op het moment dat we over die 30 miljoen spreken, omdat daar ongetwijfeld de connectiviteitscomponent in zal zitten, nog los van de verdeling. Ik kom apart bij u terug — ik zal er een briefje over sturen — op wanneer we daar iets zinnigs over kunnen zeggen. Maar laat het duidelijk zijn dat ik de medische vluchten van een andere orde vindt. Toevalligerwijs ben ik, toen ik op Saba was, teruggevlogen met een medische vlucht die daar op dat moment moest zijn vanwege twee patiënten die naar Saba toe moesten.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Een van de dingen die ik heb gevraagd, is of u inzichtelijk kunt maken wat er uit die koopkrachtenvelop wordt betaald en wat er uit de andere begroting wordt betaald. Hoorde ik u nou net zeggen dat die PSO-verbindingen vanuit de koopkrachtenvelop betaald gaan worden?
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat zou kunnen. Kijk, we hebben 30 miljoen. Dat gaat voor een deel over de inkomstenkant, maar voor een deel ook over de uitgavenkant. Dus je kunt een deel van die 30 miljoen … Het probleem is alleen dat u en ik wel voor 90 miljoen wensen neer kunnen leggen, maar dat we die uit 30 miljoen moeten financieren. Dat is een beetje ingewikkeld, maar we kunnen ervoor kiezen om geld te besteden aan tarieven. Of het nu gaat om vliegtuig, ferry, elektriciteit of internet, dat is uiteindelijk aan u en aan ons, of beter gezegd: dat is aan ons en aan u. Wij zullen daarover namelijk na de zomer een voorstel bij u neerleggen, maar u heeft uiteraard, samen met de andere kant, het laatste woord daarin.
De voorzitter:
Gaat u door met uw beantwoording. U zit bij het blokje sociaal of nuts.
Staatssecretaris Van der Burg:
Nee, ik zit bij het blokje energie, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, bij het blokje nuts.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dus ik kom nog terug op tarieven en vragen van de heer Ceder en mevrouw Dijk.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb toch een vraag over dit punt …
De voorzitter:
Sorry, meneer Ceder, u heeft geen interrupties meer.
De heer Ceder (ChristenUnie):
O, nou, dan houdt het op.
De voorzitter:
In de tweede termijn weer. Ik zou …
Staatssecretaris Van der Burg:
Mevrouw Nanninga kan ook niet meer vragen wat de heer Ceder zou willen zeggen.
De voorzitter:
Ja, sorry, maar u heeft wel nog een tweede termijn. Staatssecretaris, gaat u door met de beantwoording.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, voorzitter. Ik richt me nog even specifiek tot de heer Ceder, want hij had nog een vraag over die 2,2 miljoen voor de betaalbaarheid van elektriciteit in Caribisch Nederland. Ik zou bijna zeggen: het amendement-Ceder. Daarvan hebben de elektriciteitsdistributeurs op alle drie de eilanden aangegeven dat ze dat uiterlijk voor 1 juni — dat kan dus in april of in mei — in de maandrekening meenemen op een zodanige wijze dat het over heel '26 kloppend is. Uw amendement kwam natuurlijk te laat om het vóór 1 januari in te voeren. Daarmee is het voor '26 geregeld.
Mevrouw Dijk stelde vervolgens een aanvullende vraag, zou ik bijna zeggen, over wat er dan gebeurt vanaf '27. Daarvoor geldt dat het nu incidenteel is opgelost via het amendement-Ceder, "cum suis" was het volgens mij. Structureel moeten we dat dus eventueel meenemen in de discussie over de 30 miljoen. Daar komen we dus na de zomer op terug, tenzij u natuurlijk bij de begroting 2027 andere keuzes maakt.
Dan wilde ik naar het blokje sociaal gaan, voorzitter. Dan begin ik met mevrouw Tseggai, dus GroenLinks-PvdA. Voor een deel heb ik het al gezegd: als het gaat om de scholen, spelen er een aantal zaken. Het wetsvoorstel Modernisering regels voor beroepsonderwijs, volwasseneducatie en vroegtijdig schoolverlaten Caribisch Nederland ligt er nu, uiteraard bij de collega van Onderwijs. We moeten daarbij wel naar een aantal zaken gaan kijken die hier los van staan. Ik heb zelf vorige week twee basisscholen bezocht, eentje algemeen, eentje speciaal. Het grootste probleem waar we op dit moment tegenaan lopen, los van de groei die ik net al in relatie tot Bonaire noemde, is dat inmiddels 52% van de kinderen die daar op school erbij komen, anderstalig is. Daarmee bedoel ik: anders dan Papiaments of Nederlands. Dat is veelal Engels en Spaans. Dat is natuurlijk wel weer een extra handicap voor de scholen. Dat staat even los van het feit dat men daar te maken heeft met een enorme groei, die men personeeltechnisch ook gewoon niet aankan. Je hebt dus ook nog eens te maken met wat ik even "zwaardere leerlingen" noem, omdat je ze of vanuit het Spaans of vanuit het Engels naar het Nederlands moet helpen, want dat is de voertaal op Bonaire. Dat is dus heel specifiek.
Ik heb ook gesproken met een aantal studenten en ook een docent op de universiteit. Ook daar komt niet alleen die braindrain/braingain aan de orde, maar ook stage, want ook dat is een risico voor het verlaten van het eiland en niet of in andere vormen terugkeren. Ook daarbij moeten we dus kijken hoe we daar een bijdrage aan kunnen gaan leveren. Ik ga ook met de collega van Onderwijs — datum nog niet bekend — daarnaartoe om te kijken hoe we dat kunnen versterken.
Mevrouw Dijk had nog een vraag over UNICEF. Het programma als zodanig is gestopt. Er is nu een afspraak met UNICEF in de maak. Dat zeg ik even zo. Misschien is die al gemaakt, maar ik probeer alleen mijn agenda voor de volgende dag uit mijn hoofd te leren, want die verandert toch de hele tijd. In ieder geval is UNICEF uitgenodigd om daar met mij over in gesprek te gaan, om te kijken welke component we op welke manier eventueel zouden kunnen voortzetten. Zodra ik dat gesprek heb gehad, kunt u — "u" is uiteraard de commissie — van mij een schriftelijke update verwachten.
Als het gaat om de vraag hoe rechtvaardig de staatssecretaris de verschillen in erkenning van sociale zekerheid in het VN-Kinderverdrag vindt, ben ik geneigd om te zeggen dat ik daarover in overleg moet treden met de minister van Sociale Zaken. Ik weet het antwoord daarop even niet. Het zat in mijn mapje, maar ik kan daar even niks zinnigs over zeggen, dus misschien dat we er samen in de tweede termijn op terug kunnen komen.
Wanneer gaat de bus op Bonaire nu eindelijk rijden? Dat was een vraag van GroenLinks-PvdA. Even los van het feit dat dat formeel natuurlijk geen vraag aan mij is, maar eigenlijk van de eilandsraadsleden aan de bestuurders daar, heb ik het daar wel over gehad. Je ziet namelijk dat er op dit moment wel mooie plannen liggen, maar er nog niet gereden wordt. Daaraan zie je ook wel dat de uitvoeringscapaciteit echt een probleem is. Dat is sowieso op alle drie de eilanden een groot probleem, natuurlijk. Neem Saba. Dat heeft 2.000 inwoners. Statia heeft er 3.000. Ik rond af, hoor, voorzitter. Je hebt het natuurlijk wel over eilanden waarop je met die 2.000 inwoners alles met elkaar moet regelen. Bonaire is dan iets groter, maar behoort ook niet tot de grootste Nederlandse gemeentes, als je ze gemeentes zou mogen noemen. Ik heb dus wel gevraagd aan het nieuwe bestuur, dat op 2 april is aangetreden en er vandaag dus letterlijk net drie weken zit, om prioriteit te geven aan het openbaar vervoer. Dat past namelijk ook weer in het kader van bestaanszekerheid. Nu moet je het met de auto doen. Die auto rijdt op benzine, die benzine is duur en het alternatief van de fiets zou ik je op Bonaire niet automatisch aan willen doen als je daar werkt. Ik kom er verder nog op terug zodra we er meer informatie over hebben van de bestuurscommissie daar.
Dan richt ik mij tot de heer Van den Brink, die nog een specifieke vraag had over de stappen die nu verder worden gezet. We gaan uiteraard ook op basis van het coalitieakkoord, van de heer Van den Brink, zou ik bijna zeggen, door met de aanbevelingen van de commissie-Thodé op dit specifieke punt. Mevrouw Dijk en ik mochten vanochtend ook genieten van een zeer bijzondere bijdrage van de heer Thodé in de bijeenkomst waarbij wij aanwezigen waren. Maar we gaan ook door met de uitvoering van het rapport-Thodé op dit punt.
Voorzitter, tot slot heb ik nog één vraag liggen, wederom van mevrouw Tseggai. Zij vroeg of de taakstelling ook RCN raakt. Het antwoord is ja. Die taakstelling raakt alle onderdelen van de overheid, dus ook RCN. We hebben het nog niet zodanig ingevuld dat ik nu kan zeggen wat exact de gevolgen zijn, maar de overheid moet bezuinigen en de RCN is een onderdeel van de Nederlandse overheid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Oké. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Dit is het begin van een antwoord op mijn vraag. Ik vroeg me namelijk af om hoeveel banen het zou gaan. Zou de staatssecretaris dat later kunnen specificeren? Met name op Saba en Statia is de overheid namelijk ook gewoon een van de grootste werkgevers, dus ik denk dat het wel goed is om te weten om hoeveel banen het dan precies gaat op de BES-eilanden.
Staatssecretaris Van der Burg:
We zijn op alle drie de grootste werkgever, ook op Bonaire. Daar zijn het er 100 meer dan in het toerisme, dat op nummer twee staat met 1.600. De overheid is dus 1.700. Dat moet ik dus aan u terugkoppelen. Als ik zeg "dat weet ik niet", is dat dus niet omdat ik het niet weet en mijn ambtenaren wel. We weten het gewoon nog niet. Er moet nog gekeken worden hoe we die bezuiniging over de verschillende onderdelen verdelen. Die ligt er dus nog niet. Zodra die er ligt, hoort u dat uiteraard ook. En "u" is de commissie, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor deze beantwoording. Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van de beantwoording in de eerste termijn van het kabinet. Ik wil even inventariseren of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat is het geval. Ik zie in ieder geval de heer Ceder, de heer Van den Brink en de heer De Beer. Oké, dan gaan we gewoon het rijtje af. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb wel even kort een ordevoorstel. Ik zou een aantal antwoorden in de tweede termijn krijgen. Ik weet niet of die al binnen zijn, maar zou ik die in dat geval eerst kunnen horen, alvorens ik mijn tweede termijn doe?
De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister.
Minister Vijlbrief:
Er is er eentje die we nog niet hebben, over dat Kinderverdrag, maar de andere heb ik wel. Ik wilde dat al voorstellen, maar ik dacht: ik ga de orde niet bepalen. Maar ik doe dat graag even. Zal ik ze even beantwoorden?
Dus de heer Ceder had een vraag over ... Nee, ik doe eerst maar even de vraag van mevrouw Dijk over die monitor van die macro-economische contexten. In december '24 heeft het CBS dus een nulmeting uitgebracht met allerlei statistieken. Vanwege het belang van een beter duurzaam macro-economisch beleid voor Caribisch Nederland is het CBS verzocht om op basis van die statistieken en cijfers een digitaal dashboard te ontwikkelen. Dat is medio januari 2026 gepubliceerd. De intentie is om dit dashboard in de toekomst aan te vullen met actuele cijfers en nieuwe statistieken. Daarin is er eentje heel belangrijk in het kader van dit debat en dat is de armoedestatistiek. Die wordt zo veel als mogelijk aangesloten op de nieuwe armoededefinitie, die recent ook in Europees Nederland wordt gebruikt. De resultaten van die haalbaarheidsstudie, of we dat kunnen toepassen op de Caraïben, worden naar verwachting in de tweede helft van 2026 opgeleverd. Dat is dus het uitgebreide antwoord op die vraag.
Dan heb ik een iets korter antwoord op de vraag over de incassodienstverlening. Het antwoord is nee. Op de eilanden zijn een stuk minder schuldeisers. Dat ging over de incassodienstverlening. Dat vraagt om een andere aanpak. Vanuit SZW subsidiëren we de NVVK, de branchevereniging van schuldhulpverleners. Zij ondersteunen vervolgens de openbare lichamen in het maken van convenantenafspraken met schuldeisers over sociaal incasseren. We gebruiken dus een wat andere methode, maar we doen het dus wel.
De heer Van den Brink had nog een vraag. Ik had niet gezegd dat ik daar nog op terug zou komen, maar laat ik dat ook maar even doen, want ik vond het zelf ook een goede vraag, zal ik maar zeggen. Die was namelijk: waarom duurt het vijf jaar voordat je van een tijdelijke regeling naar een wet toe kan. Er zijn gegevens, alleen aannames, op dit moment. Er is geen polisadministratie en de hele ICT-uitvoeringsorganisatie wordt vervangen. Dat maakt dat de invoering hiervan nogal moeizaam is. Daarbij moet je er natuurlijk ook rekening mee houden, als je vervolgens een wet wilt maken — dat ligt aan u, aan mij en aan een heleboel andere dingen — dat dat gemiddeld twee jaar duurt. Dan is dat jaar — wat was het ook alweer? — minder ver weg dan het lijkt. Ik ben het wel met de heer Van den Brink eens dat als dat sneller kan, we dat sneller moeten doen.
Voorzitter, dan moet ik mezelf nog even corrigeren met betrekking tot die energiemaatregelen. De energietoelage en onbelaste kilometervergoeding gelden voor Caribisch Nederland. Wat betreft de motorrijtuigenbelasting moet ik heel eerlijk zeggen dat als je de brief leest, die wel suggereert dat we die ook verlagen, maar dat is een landelijke belasting, waar het eiland blijkbaar zelf over gaat. Die kunnen ze dus verlagen, maar ja, dat kost geld. Voor de verduurzamingsmaatregelen is geen geld gereserveerd in die enveloppen, maar ik maak mij er sterk voor dat wanneer we aan de invulling van die 30 miljoen gaan beginnen, we daar toch naar gaan kijken, zeg ik tegen de heer Ceder. Ik vind het namelijk helemaal niet raar om uit die envelop van 30 miljoen, die bedoeld is voor het sociale minimum, ook iets te proberen te doen aan structurele verlaging van de energiearmoede. Dat zal de heer Ceder ook niet gek vinden.
De vraag is dan wel om wat voor bedragen dat gaat. Ik zie namelijk in zijn ogen de vraag branden hoeveel dat gaat worden. Dat weet ik gewoon allemaal niet, maar laat ik het gewoon even zo interpreteren: het kabinet zal de maatregelen uit de brief, die wij nemen om energiearmoede structureel te bestrijden in Nederland, ook serieus meenemen als we gaan kijken naar de invulling van die 30 miljoen. Ik denk dat dat nu de beste manier is om deze vraag te beantwoorden. Dat zit dus niet nu in die envelop. Dat zou dan overigens ook allemaal wel heel precies geworden zijn. Dan moet je in al die enveloppen rekening gaan houden met een klein brokje Caribisch Nederland, maar de heer Ceder heeft mijn toezegging dat wij daar naar zullen kijken in het kader van de envelop.
Dan heb ik nog één vraag liggen, voorzitter. Dan heb ik zo'n beetje de hele tweede termijn gehad. De vraag gaat over artikel 26 van het VN-Kinderverdrag: kan het voorbehoud voor Caribisch Nederland worden opgeheven? Ik ben bereid dat te onderzoeken. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft dat verdrag ondertekend en geratificeerd, maar heeft bij de ratificatie een voorbehoud gemaakt voor artikel 26, dat het recht van ieder kind op sociale zekerheid met financiële ondersteuning betreft. Na onderzoek naar de juridische consequenties door het vorige kabinet is besloten om dat voorbehoud in te trekken. Dat moet nog wel worden goedgekeurd door het parlement. Dat besluit had nog geen betrekking op Caribisch Nederland, maar de intrekking van het voorbehoud zou natuurlijk een positief signaal zijn richting kinderen wier ouders niet kunnen voorzien in hun onderhoud. Met andere woorden, we gaan onderzoeken of dat ook kan. We trekken dus dat voorbehoud in en daarmee zouden we ook kunnen kijken of we dat kunnen toepassen op Caribisch Nederland. Daar hoort de Kamer dus nog over.
De voorzitter:
Ik zie toch nog een interruptie van mevrouw Tseggai.
Minister Vijlbrief:
Hoe is het mogelijk? Ik begrijp er niks van.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Nou, ik ben er nog niet doorheen, dus ik vond op zich dat ik me best wel inhield. Mijn vraag gaat eigenlijk over het punt van de heer Ceder. Ik hoor de minister zeggen: ik ga me hard maken om te kijken hoe we die energiearmoede op de eilanden langdurig kunnen aanpakken, duurzaam kunnen aanpakken, eigenlijk, in de dubbele zin van het woord. Ik had daar ook een vraag over gesteld. Ik ben benieuwd wanneer de minister denkt daarop terug te kunnen komen.
Minister Vijlbrief:
Dat is een vrij simpele vraag, gegeven mijn antwoord van net. Je hebt in debatten altijd van die kernpunten waarop alles samenkomt. Dat is nu die brief van ons. Ik denk dat het dat wordt. Ik weet eigenlijk niet precies wat voor vorm het krijgt, maar ik denk dat wij met een brief gaan komen over wat we precies gaan doen aan bestaanszekerheid in de Caraïben. Daarvan is energiearmoede een belangrijk onderdeel. We gaan dan met een brief komen waarin we dit adresseren. Dat zal in augustus zijn, want we moeten die enveloppen invullen. Voor die tijd moeten we wel op de eilanden geweest zijn, denk ik, en moeten wij ook overleg met bestuurders en sociale partners daar gehad kunnen hebben. Ik denk dat dat het moment is, als mevrouw Tseggai dat bedoelt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu echt aangekomen bij de tweede termijn. Bij de inventarisatie is gebleken dat er ook behoefte is aan tweede termijn. Ik wil de commissieleden meegeven dat u voor uw inbreng 1 minuut en 20 seconden heeft. Ik geef het woord aan de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. We hebben nog veel te bespreken. Daarom zou ik ook graag een tweeminutendebat willen aanvragen. Het gaat om onder andere energiemaatregelen. Daarover heb ik even het volgende. Ik ben blij met de toezegging van de minister dat hij dat gaat uitzoeken, maar ik heb een beetje het gevoel dat we te weinig tijd hebben tijdens dit debat voor mijn fundamentele vraag. Die is namelijk: wat haal je uit die envelop en wat hoor je te halen uit de begrotingen van andere ministeries? De BES zijn namelijk gewoon een integraal onderdeel van Nederland. Ik vind bijvoorbeeld principieel dat bij een discussie over infra de minister van Infra vanuit zijn kader ook naar de BES zal moeten kijken, net zoals we naar infraopgaves in Vlieland kijken. Dat moeten we dus niet uit de bestaanszekerheidsenvelop halen. Dat vind ik ook van de energiemaatregelen die we in Europees Nederland uit andere potten halen, maar ten aanzien van de BES wel uit de reeds toegezegde envelop halen. Dat vind ik dus een principiële discussie die we volgens mij nog wel moeten gaan voeren, maar daar hebben we nu te weinig tijd voor.
Verder heb ik daarover nu voldoende antwoord. De toezeggingen zullen er denk ik toe leiden dat we dit gesprek op termijn moeten vervolgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Ja, dank u wel. Dank ook voor de beantwoording. Ik sluit me aan bij mijn collega in het aanvragen van een tweeminutendebat. Er is nog voldoende te bespreken.
Ik heb nog een korte vraag over dat VN-verdrag en het onderzoek. Ook daar weer ben ik benieuwd wanneer ik dat ongeveer kan verwachten.
Dat is het enige. Dank u wel.
De voorzitter:
De heer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Voorzitter. Ik ga het kort houden. Dank voor de uitgebreide beantwoording. Wat betreft bestaanszekerheid ben ik ook heel blij dat het duidelijk in samenhang wordt bekeken met zelfredzaamheid, maar ook met de veerkracht van de eilanden, en van de economie in het bijzonder. De staatssecretaris had het over een economisch plan dat wordt uitgewerkt, met name voor Saba en Sint-Eustatius. Daar nemen we graag kennis van. Mocht dat dus t.z.t. klaar zijn, dan zien we dat graag tegemoet.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Veel dank voor de antwoorden. Ik vond het een mooie introductie in het thema voor ons. Vooral het vuur van meneer Van der Burg is mooi om te zien. Ik vraag me af hoe u dat vroeger deed, toen u aan deze kant zat. Toen moest u het ook in 4 minuten en in 1 minuut 20 doen. "Hoe dan?", denk ik als ik dit zo hoor. Maar goed.
Verder heb ik een aantal vragen gesteld waarop wel gereageerd is, maar niet in heel concrete zin. Dat geeft ook niet nu, maar ik zie dus erg uit naar de brief waarin jullie met name die koopkrachtenvelop verder invullen. Dan zullen we inderdaad het debat zoals meneer Ceder net ook aangaf — wat moet in welk potje? — met elkaar moeten voeren.
Voor nu heb ik geen concrete aanvullende vragen. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik kan me allereerst aansluiten bij de fundamentele vragen van de heer Ceder. Ik ben het wel met hem eens dat het goed is om, zoals de heer Van der Burg ook al zei, er op een gegeven moment naar te streven dat steeds meer dingen ook buiten de commissie Koninkrijksrelaties besproken worden en ook buiten die begroting worden betaald. Dat is een.
Twee. Ik heb nog één vraag die ik was vergeten in mijn eerste termijn, maar die wel relevant is als we het hebben over de kosten van voedsel op Saba en Statia, denk ik. Die vraag gaat over de dubbele belasting die wordt geheven op goederen die vervoerd worden tussen Sint-Maarten, Saba en Statia. Ik vroeg me af of het kabinet daar nog stappen in wil gaan zetten of daar al stappen in heeft gezet. Ik denk dat dat belangrijk is voor de voedselzekerheid op de eilanden.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
De minister kan wel gewoon gelijk door? Nou, dank u wel. Dan ga ik over tot de beantwoording in deze tweede termijn. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Vijlbrief:
Heel kort. Ik hoop dat ik zo even hoor wanneer we iets kunnen zeggen over dat VN-verdrag. Dat heb ik nog niet gehoord.
Ik wil toch even reageren op de heer Ceder, want ik vind dat er nu een verkeerd beeld blijft hangen. Hij mag ieder tweeminutendebat aanvragen; dat is zijn goed recht. Maar ik wil toch even het goede beeld neerzetten nu. Dit kabinet slooft zich nu uit om speciaal voor Caribisch Nederland 2 miljoen vrij te maken uit de envelop energiecrisis. Daar ben ik heel het weekend mee bezig geweest. Ik vind het een beetje vervelend als hier het beeld blijft hangen: ja, ja, het kabinet laat het maar een beetje gaan en dadada. Dat vind ik gewoon niet oké, zeg ik tegen de commissie. Wij hebben ons stinkende best gedaan om dit te regelen. Het is waar dat niet iedere regeling nu een-op-een is toegepast in een brief voor Caribisch Nederland. Vervolgens zeg ik: we hebben nog een hele grote envelop. Die is ook bedoeld om prijzen te drukken. Die is niet alleen bedoeld om het sociaal minimum te verhogen, maar ook om prijzen te drukken. Een manier om dat te doen is door te kijken naar energie. Ik vind dat de heer Ceder geen recht doet aan de inspanningen van het kabinet. Verder mag hij alles vinden en wil ik daar nog een uur met hem over in debat, maar ik vind het niet correct dat hij nu de indruk wekt dat dit kabinet comply or explain niet toepast, want dat zegt hij eigenlijk gewoon. Dat wilde ik even corrigeren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister mag vinden wat hij wil, maar feit is dat als we kijken naar de maatregelen ten aanzien van werkgevers die we in Nederland nemen, er op de BES gewoon minder gedaan wordt. Dat kan. Daar kunnen redenen voor zijn. Maar volgens mij is dat gewoon een feit. Ik probeer aan te geven dat er een aantal dingen uitgewerkt worden. Daar ben ik heel blij mee. Dat moeten we ook doen. Mijn fundamentele vraag — volgens mij is dat een terechte vraag, die GroenLinks-PvdA en andere partijen ook hebben — is: wat financier je nou met die envelop en wat niet? Daarmee wil ik geen onrecht doen aan SZW en zeggen dat ze niet hun best doen, maar volgens mij is dat wel een fundamentele vraag. Ik zie het namelijk al gebeuren, niet door de heer Vijlbrief, maar door ervaringen uit het verleden, dat er uit die envelop heel veel zaken gedekt worden die volgens mij gewoon bij bijvoorbeeld de minister van IenW horen te liggen. Die fundamentele discussie hebben we vandaag niet gevoerd. Dat is niet te wijten aan minister Vijlbrief en ook niet aan mezelf, denk ik. Misschien lag dat ook gewoon aan de tijd die we hebben om dit debat te voeren. Maar het is wel een discussie die ik graag nog in de toekomst zou willen voeren. Dus grote dank voor wat er reeds gedaan is, maar ik laat me niet aanpraten dat er inmiddels al evenveel gedaan is. Dat is niet erg. Dat snap ik, maar ik handhaaf wel mijn punt dat er echt nog meer stappen te zetten zijn.
Minister Vijlbrief:
De staatssecretaris wil daar misschien zo meteen in het algemeen nog wat over zeggen. Ik maakte gewoon even het punt dat je nu een punt kunt maken van alle maatregelen die in het pakket zitten maar die niet gelden voor Caribisch Nederland, maar dat je ook kunt zeggen: kabinet, jullie hebben 2 miljoen geregeld; goed gedaan. Dat heb ik niet gehoord. Dat andere heb ik wel gehoord. Dat vind ik gewoon geen recht doen aan het pakket. Verder kun je die principiële discussie natuurlijk altijd voeren. Dat mag ook. Het is prima dat de heer Ceder erop wijst dat Caribisch Nederland als een normale gemeente behandeld moet worden. Dat vind ik namelijk ook. Dat vindt het kabinet ook.
De voorzitter:
Staatssecretaris, u wenst ook nog te reageren?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, want ik moet sowieso op een paar vragen reageren. Uiteraard ben ik het met de heer Vijlbrief eens. Wij spreken namelijk niet alleen met één mond, maar de heer Vijlbrief heeft ook gewoon gelijk. Ik snap op dit punt ook werkelijk de kritiek van de heer Ceder niet. Het kabinet heeft gisteren positief gereageerd op de vraag vanuit GroenLinks-PvdA om de trein goedkoper te gaan maken met een ticket voor — wat was het? — €49. Nou, daar profiteren de Waddeneilandbewoners heel erg weinig van, want er is geen trein op de Waddeneilanden. Die profiteren daar dus niet van. Op het moment dat we kiezen voor andere voorzieningen en bijvoorbeeld iets willen doen voor alle Nederlanders, dan blijkt in de praktijk dat er heel veel maatregelen zijn waar individuele Nederlanders niet van profiteren. Die miljard die we daarvoor uittrekken, wordt collectief besteed aan alle Nederlanders. Het kabinet heeft alleen gezegd: wij gaan daarnaast specifiek voor deze groep, namelijk de iets meer dan 30.000 mensen op deze drie eilanden, 2 miljoen euro uittrekken. Als je dat gewoon even in verhouding bekijkt, zie je dat dat per hoofd van de bevolking minimaal vergelijkbaar is met datgene wat er per hoofd van de bevolking in de rest van Nederland wordt uitgetrokken. In die zin is de kritiek van de heer Ceder op dit punt dus onterecht.
Dat gezegd hebbende had ik ook nog een aantal vragen te beantwoorden.
De voorzitter:
Sorry, staatssecretaris, ik geef eerst nog even het woord aan de heer Ceder, zodat hij kan reageren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Twee korte dingen. Allereerst: goed gedaan met die 2 miljoen. Dat zeg ik even voor de verslaglegging. Dat is prima.
Het tweede is dat er volgens mij twee dingen door elkaar gehaald worden, maar ik ga er niet van uit dat dat bewust is. Die 2 miljoen wordt uit een ander potje gehaald, blijkt vandaag, en daar ben ik heel blij mee, maar bij heel veel andere maatregelen wordt ermee geschermd om die wel uit die envelop te halen. Dat kan een afweging zijn, maar ik stel hier dat die volgens mij niet per se vanzelfsprekend is, ook in het licht van het punt dat we dat ook niet met Texel, Vlieland en andere eilanden doen. Die fundamentele discussie zou ik graag nog willen voeren voordat die keuzes gemaakt worden. Volgens mij heb ik wat dat betreft wel degelijk gelijk en worden die maatregelen van gister niet uit de Vlielandenvelop of uit de Nederlandenvelop gehaald, maar juist bij de ministeries vandaan. Zoiets vergelijkbaars zou ik misschien ook wel willen zien richting de augustusbesluitvorming, maar dat is mijn persoonlijke standpunt en ons fractiestandpunt. Volgens mij heb ik ook de toezegging gekregen dat dat verder verkend wordt.
Staatssecretaris Van der Burg:
Maar die kritiek kan de heer Ceder nog niet hebben, want zolang we die 30 miljoen nog niet als voorstel bij u neer hebben gelegd, kan de heer Ceder niet constateren dat hij gelijk heeft, want we hebben het nog niet gedaan. Neem even als voorbeeld het goedkoper maken van vliegen naar een ander land, wat het formeel is, want je vliegt van Saba en Statia naar een ander land. Dat is dan inderdaad een maatregel die uit die 30 miljoen betaald zou moeten worden, omdat wij binnen de reguliere begroting van IenW geen subsidiebudget hebben voor Nederlanders om gesubsidieerd naar een ander land toe te vliegen. Dit speelt echt heel specifiek en alleen maar in een heel klein deel van Nederland, namelijk Saba en Statia. Dit speelt niet in Simpelveld. Dit speelt niet in Delfzijl. Het speelt zelfs niet in Amsterdam en Rotterdam. Als we het zo inzetten, heeft de heer Ceder in die zin dus ongelijk. Als wij straks die 30 miljoen gaan besteden door dingen voor u en voor mij te doen die op andere manieren worden betaald, dan vangen de heer Vijlbrief en ik de klappen graag op.
Dat gezegd hebbende kom ik bij de vragen. Geldt dat dus ook voor de opmerking die de heer Ceder heeft gemaakt? Ja. Als een ministerie, bijvoorbeeld IenW, iets zou doen in Simpelveld of in Leuven ... Nou ja, niet Leuven. Dat is in het verkeerde land. Dan keer ik terug naar mijn diepe wens van voor 1839, maar daar gaan we het over een ander moment over hebben. Ik bedoelde "Leusden" te zeggen. Als we vanuit IenW iets zouden doen in Leusden, dan zouden we dat ook moeten doen op Bonaire. Maar vergist u zich niet: heel veel zaken zijn taken die echt gewoon bij een gemeente horen, dus thuishoren bij een openbaar lichaam, en waarbij het ministerie van IenW geen rol speelt, bijvoorbeeld niet-rijkswegen. Op Saba, Statia en Bonaire zijn geen rijkswegen, dus in die zin zou IenW daar niet moeten investeren in wegen.
Neem ook havens. Er zijn twee gemeentes in Nederland die in het bezit zijn van een luchthaven en een gewone haven, namelijk Texel en Rotterdam, waarbij de haven van Texel geen internationale haven is. Dan komt natuurlijk onze positie wat betreft Saba en Statia in beeld, omdat dat echt wel zeer uitzonderlijk is. Richting de heer Van den Brink zeg ik: wat ik vooral deed, meneer Van den Brink, is interrupties uitlokken.
De voorzitter:
Sorry, staatssecretaris, de heer Van den Brink heeft nu zelf een interruptie naar aanleiding van uw betoog.
Staatssecretaris Van der Burg:
Nou, precies!
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank voor het uitlokken!
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat deed ik dus, voorzitter.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Toch nog even over die PSO. Het gesprek over die PSO vond hier namelijk al plaats voordat de koopkrachtenvelop er was, dus als u nu zegt dat het volstrekt logisch is dat die PSO uit de koopkrachtenvelop betaald wordt, vraag ik me af of dat wel zo vaststaat als u het nu zegt. Dat gesprek liep daarvoor namelijk al. U kunt zeggen: het is een keuze van ons om dat te doen. Dat mag en dat zien we dan vanzelf als die koopkrachtenvelop wordt uitgewerkt, maar dat ligt volgens mij niet helemaal vast. Dat is een keuze.
Staatssecretaris Van der Burg:
Uiteindelijk is alles een keuze. Wat er weleens gebeurt, zonder al te veel kritiek te willen leveren op de Kamer, laat staan op de coalitie, is dat partijen in meerderheid zeggen iets te willen, maar nog niet automatisch voor alles de dekking geregeld hebben. Dat kan zomaar voorkomen in een coalitieakkoord. Het komt zelfs af en toe voor bij moties of amendementen. In dit geval had de Kamer wel de wens neergelegd om met de PSO aan de gang te gaan, maar er geen dekking bij gelegd. Voor een deel kon de Kamer — dat is de verdediging die de Kamer zou kunnen aanvoeren — nog niet weten welk bedrag eraan gekoppeld zou worden, want het maakt uit of je bij de PSO zegt of je minimaal vluchten moet leveren voor 400 dollar, 300 dollar of 200 dollar. Dat bepaalt natuurlijk de dekking die bij de PSO hoort. U heeft als Kamer in het debat dus wel aangegeven die PSO te willen, maar niet aangegeven er bijvoorbeeld 5 miljoen voor te reserveren. Dat heeft de coalitie in het coalitieakkoord wel gedaan. In die zin hebben de heer Van den Brink, de heer De Beer en mevrouw Dijk, als degenen die het coalitieakkoord dragen, nu de suggestie gedaan om daar die 30 miljoen voor uit te trekken. De heer Vijlbrief en ik zijn slechts dienaren. "Nederige dienaren", zegt de heer Vijlbrief. Dat horen we te zeggen.
De voorzitter:
Gaat u door met uw beantwoording.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik heb nog een vraag liggen. Die gaat over de dubbele belasting. Die herkennen we niet, tenzij het gaat over luchthavenbelasting. Anders herkennen we de vraagstelling van mevrouw Tseggai niet. Naar aanleiding van dit debat kom ik met een epistel naar u, dus ik zal kijken of we het daarin kunnen meenemen. We herkennen die dubbele belasting die mevrouw Tseggai in haar vraagstelling neerlegde op dit moment namelijk niet. Ik kom daar dus even op terug.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dit signaal kreeg ik van de gedeputeerden van Saba en Statia. Ik kan hier dus nog even achteraan gaan.
Staatssecretaris Van der Burg:
Bij de luchthaven klopt het namelijk wel. Je betaalt, uit mijn hoofd, €9 luchthavenbelasting op Saba. Je betaalt, uit mijn hoofd, €80 aan luchthavenbelasting als je vervolgens op Sint-Maarten landt. We kunnen aan dat laatste vanuit Nederland niets doen, want Sint-Maarten is een zelfstandig land. Wel zouden we kunnen kijken naar die €9. Dat zou je bijvoorbeeld mee kunnen nemen in die 30 miljoen.
De voorzitter:
Ik geef even het woord aan de minister. Hij wilde nog wat toevoegen. O, toch niet.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag ging niet over de luchthavenbelasting, maar over de boodschappen die via Sint-Maarten doorgevoerd worden naar Saba en Statia. Over die goederen wordt een dubbele belasting geheven.
Staatssecretaris Van der Burg:
O, het gaat over de douane. Het is ingewikkeld omdat je vanuit een ander land iets invoert in Nederland. Dat gebeurt natuurlijk als het vanuit Sint-Maarten naar Saba, en dus naar Nederland komt.
De voorzitter:
Invoerrechten.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja. We gaan er even naar kijken en dan komen we er schriftelijk op terug.
De voorzitter:
Ik geef nu eerst het woord aan de minister.
Minister Vijlbrief:
In de opwinding van het enorm interessante debat dat ik met de heer Ceder had, ben ik helemaal vergeten om antwoord aan mevrouw Dijk te geven. In het najaar van 2026, dus dit jaar, proberen we wat betreft het VN-Kinderrechtenverdrag iets bereikt te hebben. Ik zal dan in ieder geval een update sturen. Dat is de toezegging.
De voorzitter:
Dank u wel. De staatssecretaris is bij het einde van zijn beantwoording. Dat is mooi. Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van dit debat. Er is behoefte aan een tweeminutendebat, dus de griffier zal dit inplannen met als eerste spreker het lid Ceder.
Ik lees ook nog even de toezeggingen van de bewindspersonen op.
- De staatssecretaris informeert de Kamer voor de zomer over de nadere invulling van het fonds van 18 miljoen euro.
- De staatssecretaris informeert de Kamer per brief over de termijn waarop de Kamer nader wordt geïnformeerd over de medische vluchten.
- De Kamer wordt in augustus geïnformeerd over de besteding van de envelop van 30 miljoen.
- De staatssecretaris informeert de Kamer in het najaar van 2026 over de uitkomsten van het gesprek met UNICEF.
- De Kamer wordt geïnformeerd over de uitwerking van de taakstelling op Bonaire, Saba en Statia.
- De minister zal de Kamer in het najaar erover informeren of het voorbehoud bij het VN-Kinderrechtenverdrag zal worden ingetrokken en of het verdrag kan worden toegepast op Caribisch Nederland.
Ik zie een vraag van de heer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Ja, over het economische plan waar de staatssecretaris het over had.
Staatssecretaris Van der Burg:
De staatssecretaris kan toezeggen dat zodra er plannen liggen van Saba en Statia, ik die ook ter kennisname naar u zal sturen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
En dan nog het laatste waar we het over hadden, de schriftelijke reactie op de kwestie van de dubbele douane.
De voorzitter:
Die staat ook genoteerd. Dank u wel.
Dan wil ik de bewindspersonen, de Kamerleden en de belangstellenden die dit debat hebben gevolgd van harte bedanken. Ik wens u een fijne dag. Hierbij sluit ik de vergadering.