[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-03-04. Laatste update: 2026-03-04 22:08
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

47e vergadering, woensdag 4 maart 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 141 leden der Kamer, te weten:

Abdi, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Bevers, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en mevrouw Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Boswijk, staatssecretaris van Defensie, de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, de heer Heinen, minister van Financiën, mevrouw Palmen, staatssecretaris Herstel en Toeslagen, en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, minister van Defensie, viceminister-president.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 4 maart 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Termijn inbreng

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat Selibon. Het commissiedebat heeft plaatsgevonden op 12 februari. Ik heet de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in vak K van harte welkom. Dan is het woord aan de heer Ceder, als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Dat doet hij namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik feliciteer de nieuwe bewindspersonen. Vanwege de tijd ga ik gelijk over naar de moties. Die lees ik als volgt op.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij Selibon verschillende milieunormen aantoonbaar zijn overschreden;

overwegende dat de Kamer ingestemd heeft met de motie van Ceder c.s. op stuk nr. 422 (22343) (#1) voor een structurele en toekomstbestendige oplossing voor de afvalproblematiek onder coördinatie van het ministerie van IenW;

overwegende dat omwonenden al langere tijd melding maken van gezondheidsklachten die mogelijk samenhangen met blootstelling aan schadelijke stoffen;

verzoekt de regering:

  • om te onderzoeken hoe RIVM-monitoring ingericht kan worden zodat er continu luchtkwaliteitsmetingen plaatsvinden in de directe omgeving van Selibon Lagun;
  • scenario's voor te bereiden om direct te kunnen handelen, waaronder bijvoorbeeld het vervroegd sluiten van Selibon, indien uit de metingen blijkt dat continuering van de situatie onverantwoord is;
  • de resultaten openbaar te maken en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Heera Dijk, Tijs van den Brink en Tseggai.

Zij krijgt nr. 442 (22343) (#2).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de overheid verplicht is het voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer ernstige gezondheidsrisico's niet kunnen worden uitgesloten;

verzoekt de regering om het Openbaar Lichaam Bonaire aan te sporen om, zolang onduidelijkheid bestaat over de gezondheidsgevolgen van Selibon Lagun, voor omwonenden een tijdelijk relocatieplan voor te bereiden voor direct getroffen bewoners,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Heera Dijk, Tijs van den Brink, Schilder, Den Hollander, Tseggai en Nanninga.

Zij krijgt nr. 443 (22343) (#3).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Nationale ombudsman stelt dat de situatie rond de illegale vuilstort bij Lagun op Bonaire onhoudbaar is en dat ingrijpen noodzakelijk is;

overwegende dat de Ombudsman expliciet stelt dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat niet langer aan de zijlijn kan blijven en moet ingrijpen;

verzoekt de regering de aanbevelingen van de Nationale ombudsman over te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Tseggai en Schilder.

Zij krijgt nr. 444 (22343) (#4).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb nog twintig seconden, dus ik wil me toch even richten tot de nieuwe bewindspersonen. Ik hoop dat we met het aantreden van uw bewindspersonen er ook echt voor kunnen zorgen dat we dit grote onrecht, zoals ik het noem, eindelijk kunnen oplossen. Ik heb daar groot vertrouwen in. Dat de Kamer hier eensgezind in optrekt, blijkt uit de van links tot rechts breed ondersteunde moties. Ik hoop dan ook dat dit een aansporing is voor de ministeries om in actie te komen.

Dank u wel en bon dia.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Tseggai als tweede spreker van de zijde van de Kamer. Dat doet zij namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ga uw gang.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Goedemorgen, bon dia. Welkom aan de nieuwe bewindspersonen. Ik sluit me van harte aan bij de laatste woorden van de heer Ceder. Ik wens u veel succes met uw mooie portefeuilles.

Ik heb twee moties vandaag, voorzitter. De eerste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er al geruime tijd grote overlast is op Bonaire van branden op de afvalverbranding van Selibon en dat hierdoor de volksgezondheid, het leefmilieu en de natuur op Bonaire ernstig worden aangetast;

constaterende dat de Nationale ombudsman het kabinet oproept om in te grijpen en dat er breed draagvlak is om spoedig adequate maatregelen te nemen om deze onacceptabele situatie te beëindigen, maar dat er onvoldoende financiële middelen zijn voor een structurele oplossing;

van mening dat het zeer onwenselijk zou zijn wanneer een gebrek aan financiële middelen ertoe zou leiden dat de problemen nog langer voortduren;

verzoekt de regering om bij de Voorjaarsnota met voorstellen te komen voor een dekking van de structurele oplossing voor de problemen bij Selibon,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tseggai en Ceder.

Zij krijgt nr. 445 (22343) (#5).

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

De tweede motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er ook op Aruba en Curaçao uitdagingen zijn met de toekomstige afvalverwerking;

overwegende dat een goede samenwerking tussen Aruba, Bonaire en Curaçao kan bijdragen aan een structurele en duurzame oplossing voor de verwerking van afval;

verzoekt de regering om bij het vormgeven van een structurele oplossing voor de problemen bij Selibon te bezien hoe er samengewerkt kan worden met de regeringen van Aruba en Curaçao om tot een gezamenlijke toekomstgerichte afvalverwerking te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tseggai en Ceder.

Zij krijgt nr. 446 (22343) (#6).

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Schilder, die haar inbreng levert namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. U heeft mij nog minder tijd gegeven dan de rest, dus ik moet het helemaal snel doen. Van harte gefeliciteerd aan de nieuwe bewindspersonen. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Inspectie Leefomgeving en Transport vaststelt dat de situatie bij Selibon Lagun onverminderd zorgwekkend is en dat vergunningverlening, toezicht en handhaving structureel tekortschieten;

overwegende dat tijdens de eerdere indeplaatsstelling aantoonbaar voortgang werd geboekt, terwijl na terugkeer van de regie naar het lokale bestuur door bestuurlijk falen en onvermogen de uitvoering opnieuw stagneerde;

constaterende dat rijksfinanciering wordt ingezet zonder duidelijke regie, verantwoordelijkheid en afbakening;

overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor afvalbeheer bij het Openbaar Lichaam Bonaire ligt en dat structurele rijksfinanciering moet worden voorkomen;

van oordeel dat voortzetting van lichtere interventies, gelet op de jarenlange stagnatie en risico’s voor volksgezondheid en milieu, onverantwoord is;

verzoekt de regering de verantwoordelijkheid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving rond Selibon Lagun, zolang sprake is van rijksfinanciering, onder directe rijksregie te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder, Nanninga en Den Hollander.

Zij krijgt nr. 447 (22343) (#7).

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Die anderhalve minuut heeft niets met u persoonlijk te maken, maar met de interne afspraken die we hier met elkaar hebben voor fracties die zich hebben afgesplitst. Het woord is aan de heer Van den Brink voor zijn inbreng namens het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Goedemorgen, bon dia. Ook namens de CDA-fractie hartelijke felicitaties aan de bewindslieden. Veel succes en wijsheid gewenst.

Meneer de voorzitter. In het debat over Selibon op 19 februari waren we het eigenlijk allemaal wel met elkaar eens: de situatie rond de vuilstort moet zo snel mogelijk worden opgelost. Het kabinet kan niet anders dan het ongeduld van de Kamer hebben gevoeld. Tegelijkertijd was het kabinet ook heel duidelijk: "De verantwoordelijkheden liggen zoals ze liggen. In eerste instantie is het Openbaar Lichaam Bonaire aan zet. De Rijksvertegenwoordiger kan pas weer in stelling worden gebracht als de interventieladder is afgelopen." Ik snap dat het op die manier werkt. Tegelijkertijd is het ongeduld groot en kan er eigenlijk niet langer worden gewacht. Daarom wil ik de regering oproepen om zo snel mogelijk een plan te maken om te doen wat nodig is, zodra de mogelijkheid daarvoor bestaat.

Dat brengt mij tot de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de situatie bij Selibon Lagun al jarenlang ernstig is, maar nu steeds verder verslechtert;

constaterende dat het Rijk een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid, gezondheid en leefomgeving van de inwoners op Bonaire;

constaterende dat nu in actie komen niet kan, omdat de bevoegdheid bij het Openbaar Lichaam Bonaire ligt en de interventieladder nog niet volledig is doorlopen;

verzoekt de regering om alvast concrete plannen te maken om, zodra dat mogelijk is, te komen tot een oplossing, bijvoorbeeld door nu alvast een rijksprogramma op te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink, Den Hollander en Ceder.

Zij krijgt nr. 448 (22343) (#8).

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb daarbij één aanvullende vraag. Zou het mogelijk zijn om te onderzoeken of daarbij dan ook Nederlandse expertise van Nederlandse gemeenten en bedrijven kan worden ingezet?

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van den Brink. Het woord is aan mevrouw Den Hollander, die haar inbreng zal leveren namens de VVD.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant felicitaties voor de nieuwe bewindspersonen. Zoals u nieuw bent in deze taak, ben ik ook nieuw als woordvoerder op dit dossier. Om mij voor te bereiden heb ik dan ook het debat van, volgens mij, 12 februari even teruggekeken. Daarin bleek wel hoe ernstig en ingewikkeld de situatie daar is. Daarbij heb ik ook alle begrip voor de democratische spelregels die er zijn. Als het lokale bestuur echter aantoonbaar zijn taak niet goed uitvoert, lijkt ingrijpen door de Rijksoverheid niet alleen nodig, maar ook onvermijdelijk. Mijn vraag aan het kabinet is dan ook: wat heeft het kabinet nodig om tot een structurele oplossing te komen voor de problemen bij Selibon Lagun? Om te onderschrijven dat de samenwerking met deze Kamer belangrijk is, zijn we vandaag ook mede-indiener van drie moties.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot is het woord aan mevrouw Dijk, als laatste spreker van de zijde van de Kamer.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Bon dia, goedemorgen. Van mijn kant ook welkom en felicitaties aan de nieuwe bewindspersonen. We hebben nu een nieuwe staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid. Dat zou dan toch dé perfecte combinatie in één bewindspersoon moeten zijn die ervoor gaat zorgen dat we de problemen rondom Selibon oplossen. Het hele debat hebben we natuurlijk gevoerd met de vorige staatssecretaris. Nu ben ik benieuwd wat deze bewindspersoon gaat doen. U bent nu verantwoordelijk voor het dossier Selibon. We kijken al jaren aan tegen die afvalberg, die zorgt voor vervuiling en giftige stoffen en ervoor zorgt dat mensen niet veilig kunnen wonen en heel veel overlast hebben. Eigenlijk voldoet het aan geen enkele wet of regel. Ik ben dan ook heel erg benieuwd wat u concreet aan actie gaat ondernemen, zodat we niet elk jaar hetzelfde debat gaan voeren.

Ik heb nog een aanvullende vraag. Ik heb begrepen dat Selibon naar Klimaat en Groene Groei en dus naar een andere bewindspersoon gaat. Ik heb daar nog niemand over gehoord, dus ik vroeg me af of daar kort antwoord op kan worden gegeven.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors vijf minuten. Daarna gaan we naar beantwoording en de appreciaties.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voor de beantwoording van de vragen en de appreciaties van de moties.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Bertram:

Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de leden voor hun inbreng. Ik weet dat het heel druk is, maar ik zou van tevoren toch het volgende willen zeggen. Het kabinet realiseert zich zeer dat dit een probleem is dat moet worden opgelost. Het betekent ook dat we echt in een heel rap tempo, conform de moties die zijn ingediend, een aantal stappen willen zetten. Dat gaan we uiteraard ook samen met Bonaire doen. Ik plaats er twee kanttekeningen bij. Er zijn drie departementen bij betrokken. Het openbaar lichaam is erbij betrokken. Dat gebeurt uiteraard met ieders verantwoordelijkheid, maar voor ons is het allerbelangrijkste dat er resultaten worden geboekt en dat we in juli kunnen zeggen dat de gezette stappen echt tastbaar zijn. Dat is echt het begin van de oplossing, die hard nodig is.

Er is één vraag gesteld. Dat was de vraag over de relatie tussen IenW en KGG. Zoals u weet, staat in het regeerprogram dat een stukje van de portefeuille van IenW, circulaire economie, naar KGG gaat. We zitten eigenlijk nog midden in de afhechting, in het overbrengen, dus dat duurt nog heel even. We zullen u daar uiteraard op tijd van op de hoogte stellen. Tot dat moment betekent het dat de staatssecretaris van BZK en ikzelf er samen aan trekken en ervoor willen zorgen dat er resultaten worden geboekt.

De voorzitter:

De moties.

Staatssecretaris Bertram:

Dan gaan we naar de moties; precies. De motie op stuk nr. 442 wordt oordeel Kamer. Dat is de motie over RIVM-monitoring. Daarover hebben we inderdaad gezegd dat het heel belangrijk is dat dat gebeurt. We willen dat uiteraard ook met het bestuurscollege bespreken. We willen daar echt concrete resultaten op boeken, dus wat ons betreft krijgt die oordeel Kamer.

Aan de motie op stuk nr. 443, over de Ombudsman, zouden we het oordeel "ontijdig" willen meegeven. We zitten namelijk midden in de gesprekken met de drie departementen en met het openbaar lichaam. We willen daar dus heel even de tijd voor hebben, maar het signaal dat de Ombudsman geeft, is zoals ik net al zei uitermate belangrijk. Geef ons dus heel even de tijd.

De voorzitter:

Wat is "heel even"?

Staatssecretaris Bertram:

We zitten in de komende maanden … Laten we zeggen dat rond de zomer het een en ander moet worden meegenomen in dat plan.

De voorzitter:

Is de heer Ceder bereid om de motie aan te houden? Een korte interruptie, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Volgens mij vraagt de Ombudsman niet het onmogelijke. De uitgangspunten zijn ook heel redelijk. Ik ga nog even overleggen met de indieners, dus ik houd de motie nog niet aan, vanwege de urgentie.

De voorzitter:

Dan geven we 'm voor nu de appreciatie "ontijdig" en zullen we zien wat u besluit.

Staatssecretaris Bertram:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 446, over een structurele oplossing en toekomstgerichte afvalverwerking, ook voor Curaçao en Aruba. Die geef ik oordeel Kamer. Uiteraard heeft Bonaire daarbij onze topprioriteit, maar daarbij kijken we ook naar de andere eilanden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 446: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Bertram:

Dan komt de motie op stuk nr. 447: ook oordeel Kamer. Die gaat over de vergunningen, het toezicht en de handhaving. Ik wil 'm zo interpreteren dat we dit in het proces invlechten waaraan we werken met het eilandbestuur. Het wordt dus geen apart instrument, maar krijgt een plek in het totaal van instrumenten.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Schilder non-verbaal instemmen. Met die interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 447 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Bertram:

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. O, u heeft nog een interruptie van mevrouw Dijk.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Een hele korte. Ik dacht: ik laat u netjes uitpraten. Als ik het goed begrijp, is er een overdracht tussen de ministeries.

Staatssecretaris Bertram:

Tussen de twee departementen ja, over circulaire economie. Circulaire economie gaat naar KGG. Daar zit afvalverwerking in. We zijn nu aan het bekijken hoe dat zich verhoudt tot toezicht, handhaving et cetera. Dat moet even minutieus bekeken worden, zodat er niks tussen wal en schip geraakt.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Zodat er een soepele overdracht is ...

Staatssecretaris Bertram:

Zeker.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Ik wil ervoor waken dat we helemaal opnieuw beginnen. Het was eigenlijk meer een opmerking.

Staatssecretaris Bertram:

Ja, dat gaan we niet doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor twee resterende moties.

Staatssecretaris Van der Burg:

In mijn gedachten drie, voorzitter.

De voorzitter:

O, ik dacht dat u "twee" signaleerde naar mij.

Staatssecretaris Van der Burg:

Nee, ik doe de moties op de stukken nrs. 443, 445 en 448. En dan heb ik nog twee vragen waar ik nog even bij stil wil staan, voorzitter. De motie op stuk nr. 443: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 445 zou ik ook ingediend hebben als ik in de oppositie zat, maar u weet dat u daar "ontijdig" op hoort te krijgen, omdat wij dat natuurlijk gewoon bespreken op het moment dat wij als kabinet de Voorjaarsnota gaan bespreken, dus vooralsnog geef ik die het oordeel "ontijdig".

De voorzitter:

Dan moet ik vragen of mevrouw Tseggai de motie wil aanhouden.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp dat het kabinet het moet bespreken, maar de Kamer mag het kabinet toch iets meegeven? Wanneer zouden we deze motie dan moeten indienen volgens de staatssecretaris?

Staatssecretaris Van der Burg:

Het feit dat ik "ontijdig" zeg, betekent niet dat u er niet over kunt stemmen. Als u er een spreekt-uitmotie van had gemaakt, had ik er ook geen oordeel over gehad, maar ik moet 'm hier een oordeel geven, omdat het geen spreekt-uitmotie is. Als er had gestaan "spreekt uit dat de Kamer het kabinet meegeeft dat …", dan had ik er niet over geoordeeld. Maar nu moet ik 'm "ontijdig" noemen, want wij kunnen als kabinet niet vooruitlopen op de uitkomsten van de Voorjaarsnota.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Nee, maar mijn vraag was de volgende. De staatssecretaris vindt het ontijdig. Wanneer kan volgens de staatssecretaris de Kamer dan wel dergelijke verzoeken meegeven aan het kabinet?

Staatssecretaris Van der Burg:

Het komt door de formulering; dat is het ingewikkelde.

De voorzitter:

Neeneenee, mevrouw Tseggai, we doen dit gewoon netjes om de beurt. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Van der Burg:

Ik kan deze motie geen ander oordeel dan "ontijdig" geven, omdat het kabinet zich niet kan uitspreken over wat er in de Voorjaarsnota moet komen te staan alvorens het kabinet daar intern in het kabinet over heeft gesproken en aan de Kamer een Voorjaarsnota heeft gepresenteerd.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 445: ontijdig. Dan moet ik formeel vragen: houdt u de motie aan of brengt u 'm in stemming?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik houd 'm niet aan.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 445 het oordeel "ontijdig".

Staatssecretaris Van der Burg:

De motie op stuk nr. 448 neem ik over, voorzitter.

De voorzitter:

Dan moet ik eerst even kijken of de Kamer akkoord is met het overnemen van de motie van de heer Van den Brink. Is de heer Van den Brink het daarmee eens? Ik zie dat dat het geval is.

Staatssecretaris Van der Burg:

De heer Van den Brink had er ook nog een vraag over gesteld, namelijk over de expertise-inzet. Uiteraard, zou ik haast willen zeggen, doen we dat ook als het gaat om bijvoorbeeld de omgevingsdiensten en de VNG. Uiteraard gaan we dat doen.

Dan lag er ook nog een vraag van mevrouw Den Hollander. Ik ben op dit moment bezig om te kijken wat alle kosten zijn die hierbij horen. Dat is één. Twee: we hebben wel een vergelijk als we kijken naar Sint-Maarten, waar het tussen de 60 en 85 miljoen heeft gekost om dit met elkaar te regelen. Verder ligt er nog de, ik zou bijna zeggen "briljante", motie-Ceder/Van der Burg, die aangeeft dat wij voor de zomer moeten komen met een verhaal, inclusief wat het kost en alle ministeries daarbij.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan zijn we aanbeland bij de derde termijn van de begroting Koninkrijksrelaties, met twee sprekers van de zijde van de Kamer. Ik wil graag als eerste het woord geven aan mevrouw Tseggai van de fractie van GroenLinks-PvdA. Ik wijs erop dat deze derde termijn vooral is ontstaan door een wisseling vanuit de Kamer en het kabinet, dus laten we niet al te veel interrupties op elkaar plaatsen.

De algemene beraadslaging wordt heropend.

De voorzitter:

Mevrouw Tseggai, u heeft het woord.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad vrij uitzonderlijk dat we een derde termijn doen bij een begroting, maar gelet op het feit dat er veel onduidelijkheid bleek te bestaan na de tweede termijn van de begroting, leek het mij en mijn zeer gewaardeerde toenmalige collega Eric van der Burg een goed idee om een derde termijn aan te vragen, om ervoor te zorgen dat we helderheid krijgen over de afspraken die gemaakt zijn tussen BZK en de BES-eilanden over onder andere de uitbreiding van de eilandsraden.

Ik heb dus een paar concrete vragen aan de nieuwe staatssecretaris. Allereerst heb ik de vraag: wat is er nu precies afgesproken tussen het kabinet en de BES-eilanden bij de inmiddels beruchte bijeenkomst op De Bilt? Ik blijf dat namelijk toch een vreemd verhaal vinden. Wat is er sindsdien gebeurd waardoor het kabinet besloot om eenzijdig de afspraken te wijzigen ten aanzien van de functie van de Rijksvertegenwoordiger? Waarom is ervoor gekozen om het wetsvoorstel over het uitbreiden van het aantal eilandsraadsleden uit het tijdpad te halen dat toen is afgesproken en alvast aan de Kamer te sturen? Is dit alleen maar omdat anders de verkiezingen van 2027 niet worden gehaald of zijn er nog andere redenen? Wanneer worden die andere afspraken die in De Bilt gemaakt zijn dan nagekomen door het kabinet?

Specifiek ten aanzien van de uitbreiding van de eilandsraden heb ik een aantal vragen. Wat is nu het huidige standpunt van Bonaire, Statia en Saba ten aanzien van deze wijziging? Zit er nog verschil tussen de colleges van de eilanden en tussen de standpunten van de eilandsraden zelf? Is er sinds de begrotingsbehandeling in december nog nader overleg geweest met de eilanden en, zo ja, wat heeft dit opgeleverd? Klopt het dat de €300.000 die gereserveerd is voor de drie eilanden te weinig is om de uitbreiding volledig te financieren? Ik zou graag antwoord willen van de staatssecretaris op deze vragen. Ik hoop dat we dan goed geïnformeerd kunnen stemmen over de begroting. Omdat het debat vandaag in één ronde gevoerd wordt, heb ik een motie die ik graag wil indienen, maar ik zie eerst een interruptie, geloof ik. Nee. Oké. Dan ga ik verder met de motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er middelen gereserveerd zijn voor de uitbreiding van het aantal leden van de eilandsraden en de eilandcolleges per 2027;

overwegende dat er signalen van de BES-eilanden zijn die aangeven dat deze middelen onvoldoende zijn om het aantal eilandsraadsleden en leden van de colleges uit te breiden omdat onder andere geen rekening wordt gehouden met het uitbreiden van de ondersteuning en de huisvesting;

verzoekt de regering om voor de plenaire behandeling van de Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden te inventariseren welke middelen precies nodig zijn om deze wet goed uit te kunnen voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tseggai en Ceder.

Zij krijgt nr. 50 (36800-IV) (#9).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Twee dingen. Ik zou graag de motie mee willen ondertekenen, als dat mag.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ja, bij dezen.

De voorzitter:

Dat noteren we.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank. In het verlengde daarvan heb ik nog een vraag. Ik heb ook twee amendementen ingediend, omdat ik heel graag zou willen dat we deze wet gewoon snel behandelen, omdat ik denk dat de eilanden erbij gebaat zijn als wij het democratische mandaat dusdanig uitbreiden dat er meer plekken in de eilandsraad beschikbaar zijn. We zien nu dat het gewoon knelt. U heeft de derde termijn van dit debat aangevraagd. Begrijp ik goed dat u zegt dat als de afspraken die gemaakt zijn tussen de Rijksoverheid en de eilandsraden gewoon worden nagekomen en daar comfort is, u ook bereid bent om die behandeling snel te laten plaatsvinden, waardoor we ervoor kunnen zorgen dat de verkiezingen in 2027 doorgaan met de uitbreiding? Dat is namelijk ook mijn insteek.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik snap deze vraag. GroenLinks-PvdA is zeker niet tegen het uitbreiden van het aantal eilandsraadsleden, maar ik heb in de vorige termijn van deze begroting geprobeerd te achterhalen waarom het per se voor 2027 moet. Zouden we het bijvoorbeeld niet nog een termijn kunnen uitstellen? Ik hoop dat ik daar nu een goed antwoord op krijg van de staatssecretaris. Dan ben ik bereid dat proces te versnellen. Maar ik wil dat het goed geregeld wordt, ook voor de eilanden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Dijk als laatste spreker van de zijde van de Kamer tijdens deze derde termijn. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Heera Dijk (D66):

Dank u wel. Eigenlijk heb ik dezelfde vragen als mijn collega van GroenLinks-PvdA, dus die zal ik niet herhalen. Voor mij is er ook heel veel onduidelijkheid. Ik weet nog dat ik toen advies heb gevraagd aan mijn collega, de heer Van der Burg. Ik vroeg: wat moeten we doen? Nu ben ik benieuwd wat zijn antwoord wordt, want ik wil het natuurlijk ook zorgvuldig doen en niet onnodig tijd verliezen. Ik probeer ook heel goed te luisteren naar de geluiden van de eilanden. Ik ben eigenlijk op zoek naar een antwoord op de vraag: moeten Bonaire, Saba en Statia nu alle drie of kunnen we ook maatwerk aanbieden? Ik hoop gewoon op wat meer reflectie en tegelijkertijd snelheid.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is er toch nog een spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Van den Brink, die ik het woord geef voor zijn inbreng namens de fractie van het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik had wat willen zeggen over de eilandsraden, maar daar zijn alle vragen al over gesteld, dus dat komt wel goed. Ik heb daarnaast nog één andere vraag. Tijdens ons werkbezoek aan Aruba in het voorjaarsreces constateerden we dat daar onrust is ontstaan rond een zin uit het coalitieakkoord. Dat betreft de zin: "Het Statuut vormt de basis voor de verhoudingen tussen de verschillende landen. Hierin wordt opgenomen dat de eilanden kunnen verklaren onafhankelijk te worden, als zij dat willen." Zou de staatssecretaris ons willen vertellen hoe hij deze zin interpreteert?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Een hele korte interruptie van mevrouw Tseggai. Kort.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik had deze vraag eigenlijk ook, maar ik dacht: ik laat die even voor een andere keer. Het CDA heeft toch ook bij de onderhandelingen gezeten? Het staat toch in het regeerakkoord? Hebben de coalitiepartijen er dan niet goed over nagedacht voordat ze deze zin in het regeerakkoord zetten?

De voorzitter:

Kort dan, meneer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ja. Daar is ongetwijfeld goed over nagedacht. Ik ben daar niet bij betrokken geweest, dus ik ben heel benieuwd hoe het kabinet dat op dit moment uitlegt.

De voorzitter:

Dank u wel. We schorsen vijf minuten voor de beantwoording van de gestelde vragen en voor de appreciaties.

De voorzitter:

Ik heropen en geef het woord aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Van der Burg:

Voorzitter. Het is inderdaad wel een beetje vreemd om bij dit debat hier te staan, omdat wij in de tweede termijn aan het bespreken waren hoe we dit met de staatssecretaris zouden gaan doen. Gelukkig heb ik toen geen al te gekke dingen gezegd; dat helpt dan wel. Het ging oorspronkelijk ook over de vraag hoe het zat in het licht van het eventueel controversieel verklaren. Maar goed, controversieel verklaren kan sowieso niet meer, want er is een missionair kabinet ... "Met een uitstekende staatssecretaris", zo meldt GroenLinks-PvdA. Ik zeg dit nog maar even in de microfoon ...

De voorzitter:

Het staat opgenomen in de Handelingen!

Staatssecretaris Van der Burg:

... zodat het ook in de Handelingen is opgenomen; dat is sowieso goed. Kijk, de afspraken die in De Bilt zijn gemaakt, zijn vrij duidelijk en die heeft u als Kamer ook gehad. We zien echter dat mijn voorganger — en daarmee ik, want alles wat mijn voorgangers hebben gedaan, is nu van mij — daar specifieke uitbreiding uit heeft gelicht. Dat is gebeurd in het licht van 2027. We moeten tempo maken, anders kan het niet. Dat speelt ook mee bij de discussie over het controversieel verklaren, want door dat controversieel verklaren had 2027 niet meer gekund. En er was inderdaad discussie over wat te doen met de Rijksvertegenwoordiger. Doordat die discussie er was, is dit er nu uitgelicht. In De Bilt was namelijk de afspraak gemaakt waarbij mijn voorganger zei: daar wil ik het nog een keertje over hebben. Dat is dus de achtergrond van waarom deze wet hier nu specifiek voorligt.

Er wordt verschillend over gedacht door de drie eilanden. Statia is voor. Bonaire geeft aan wel voor te zijn, maar heeft bezwaar tegen het feit dat het in een aparte wet gebeurt, gezien het feit dat dit daarmee wordt uitgelicht. Bij Saba zitten bezwaren die meer inhoudelijk zijn. En dan lag er in dat licht nog een vraag van mevrouw Dijk: zou je niet moeten kijken naar maatwerk? Daar ben ik minder voor. We kennen natuurlijk wel maatwerk als het gaat om bijvoorbeeld gemeentes voor het aantal leden dat de gemeente heeft; Schiermonnikoog heeft er minder dan Amsterdam. En zo kun je ook kijken naar aantallen als het gaat om eilanden. Maar wat je niet moet doen, is zeggen dat we het wel gaan uitbreiden op Saba en niet op Bonaire en Statia, of nu wel op Saba en nu nog niet op die andere. Ik denk dat je daar wel één lijn in zou moeten trekken.

Overigens heb ik zelf nog niet met de eilandsraden gesproken. Ik heb al wel de gezaghebbers gesproken, maar nog niet de eilandsraden zelf. Die wil ik er zelf ook even over horen, ook om te kijken of, en zo ja hoe, ik de wet voortzet. Nu heeft u morgen uw indieningstermijn. Ik zou u in ieder geval ernstig willen vragen om dat in ieder geval wel door te zetten, want als u dit niet morgen zou doen of zegt "ik wacht eerst even af of Van der Burg de wet in deze vorm wil voortzetten", dan is de dodelijke datum van 2027 in gevaar, want dan moet het ook voor de zomer richting de Eerste Kamer. Dus zet u uw proces gewoon door. Ik ga dan zo snel mogelijk met de eilandsraden praten en kom er dan in ieder geval bij u op terug.

Sorry, voorzitter, ik was even aan het ademhalen omdat ik mevrouw Tseggai zag bewegen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we een korte interruptie toestaan aan het einde van uw beantwoording.

Staatssecretaris Van der Burg:

Ja. Over die €300.000 is inderdaad discussie. Wij zeggen dat dat genoeg is. Daar wordt anders over gedacht op de eilanden, dus daar moeten we nog even goed naar kijken.

De heer Van den Brink stelde nog een specifieke vraag over het voornemen in het regeerakkoord over het wijzigen van het Statuut. Kijk, daar spelen twee dingen. Eén. Voor Aruba is het geregeld. Voor Aruba staat in het Statuut opgenomen dat Aruba kan uittreden, dus in die zin kunt u die zin in het coalitieakkoord zodanig lezen dat we dit gelijktrekken voor de andere twee landen Curaçao en Sint-Maarten. Tegelijkertijd erkennen wij als Nederland gewoon het zelfbeschikkingsrecht in den brede. Mocht een van de twee andere landen zeggen dat het wil uittreden, kan dat nu dus ook al, zelfs met een niet gewijzigd Statuut. Ik zie deze Kamer — beide Kamers, moet ik zeggen — dit niet blokkeren. Als het gebeurt, is het overigens niet alleen een zaak van Nederland, maar van alle landen. Naast Nederland zouden dus ook de andere twee landen moeten instemmen als een van de drie landen wil uittreden. Ik zeg erbij: zij hebben er geen behoefte aan, want zij blijven graag in het Koninkrijk. Dat hebben de drie premiers in hun gesprekken met mij ook al gemeld.

De voorzitter:

De motie.

Staatssecretaris Van der Burg:

Dan de motie op stuk nr. 50. Die krijgt van mij oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zag twee interrupties, één van mevrouw Tseggai en één van de heer Ceder. Mevrouw Tseggai was eerst.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik had even een korte vraag over de gesprekken die de staatssecretaris gaat voeren met de eilandsraden. Zou hij daar misschien per brief op terug willen komen, en ervoor kunnen zorgen dat wij die brief hebben voor de behandeling van de wet?

Staatssecretaris Van der Burg:

Uiteraard.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dat zou heel prettig zijn. Dank u wel.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik vind het ingewikkeld dat de staatssecretaris in de lucht laat hangen of hij de wet gaat intrekken of niet. Als je hem intrekt, betekent dat namelijk de facto dat het aantal eilandsraadleden voor de volgende verkiezingen hetzelfde blijft, terwijl hierover in de Kamer, waar uiteindelijk het mandaat ligt om wetgeving voor te bereiden, anders gedacht wordt. De kans om wetgeving voor te bereiden wordt dus ontnomen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag is of de staatssecretaris het met mij eens is dat, als het gaat om de inrichting van gemeentelijke overheden, en daarmee ook de BES-eilanden, het niet per se aan de eilandsraad is. Net zoals gemeenteraden kunnen zij wel geadviseerd en geconsulteerd worden, maar uiteindelijk is het aan de wijsheid van de Kamer om te kijken hoe we dat inrichten. Ik wil dit meegeven, omdat ik wil voorkomen dat wij een briefje krijgen dat er na een gesprek met de huidige vertegenwoordigers een keuze gemaakt wordt, waardoor wij vervolgens voor een voldongen feit gesteld worden, terwijl ik graag de behandeling in de Kamer zou willen …

De voorzitter:

Het is helder, meneer Ceder. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van der Burg:

Uiteraard neem ik, in dit geval vier, democratisch gekozen organen serieus. Ik neem namelijk de drie eilandsraden serieus, maar uiteraard ook de Tweede Kamer. Daar ik staatssecretaris ben, is de Tweede Kamer voor mij daarin het hoogste orgaan, dus ik zal het serieus nemen. Maar ik heb in de tweede termijn van het debat ook gehoord dat ook voor een aantal Kamerfracties de mening van de eilandsraden uitermate belangrijk is. Daarom hadden we toen die discussie over het controversieel verklaren.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze derde termijn van de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot 11.00 uur, waarna we verdergaan met de begrotingsbehandeling Defensie. De vergadering is geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en verzoek de leden hun plaatsen in te nemen. Ik vraag ook de staatssecretaris plaats te nemen, in vak K. U zit tegenwoordig aan die kant, meneer Boswijk. Het is nog even wennen misschien. Het staat u goed.

Aan de orde is de eerste termijn van de begroting van Defensie. In de eerste termijn zullen we sprekers van de zijde van de Kamer horen. Ik heet de minister en de staatssecretaris van Defensie van harte welkom. Er zijn veertien sprekers van de zijde van de Kamer. Ik vind het altijd mooi als we bij begrotingshandelingen goed de ruimte bieden voor interrupties en het aantal interrupties niet maximeren, maar ik zeg er wel bij: dat vraagt ook een bepaalde verantwoordelijkheid, namelijk dat we het kort houden. Ik kan u vertellen dat ik afgelopen nacht tot 1.45 uur de begroting van VWS heb voorgezeten. Dat heb ik natuurlijk met liefde gedaan, maar er waren fracties bij die 38 interrupties hadden. Dat hoeft niet, zeg ik er bij voorbaat bij. Enige terughoudendheid is dus prettig. Een onbeperkt aantal interrupties schept een zware verantwoordelijkheid, dus ik vraag u daar rekening mee te houden. Interrupties, vragen en antwoorden zijn kort en bondig, niet meer dan in drieën. Als het echt uit de klauwen loopt, zullen we er met elkaar misschien toch een dakje op moeten zetten, maar ik denk dat dat niet nodig is, omdat we er met elkaar uit gaan komen.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Piri, als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Allereerst wil ik de bewindspersonen heel veel succes wensen, met meteen in de eerste week een begroting in de Kamer. Heel specifiek spreek ik de heer Boswijk aan, met wie ik in de Kamer altijd heel fijn heb samengewerkt. Ik hoop vooral dat hij de Afghanistanmotie die we in de Kamer hebben aangenomen, niet vergeet. We hopen dat het nieuwe kabinet die voortvarend zal gaan uitvoeren.

Voorzitter. Ik begin met de investeringen in Defensie. Deze twee bewindspersonen kunnen hier met een grote glimlach zitten, want dit is het enige ministerie in Den Haag waar fors in geïnvesteerd gaat worden. Laat ik duidelijk zijn: mijn fractie steunt de investeringen in Defensie, maar we hebben wel grote problemen met de financiële keuzes die dit kabinet maakt — dat zal de bewindspersonen niet verrassen — omdat wij ervan overtuigd zijn dat het draagvlak dat zo nodig is voor deze investeringen, op deze manier ernstig ondermijnd kan worden. Dan bedoel ik natuurlijk dat tegenover deze investeringen hele, hele zware bezuinigingen staan op zorg en sociale zekerheid. Dat ondermijnt het draagvlak. Denk bijvoorbeeld ook aan de vrijheidsbijdrage. We hebben er al eerder bij stilgestaan, mijn fractie ook, dat die, niet op progressieve manier, alleen maar wordt gevraagd aan de werkende mensen en niet aan de allerrijksten, en ook nog eens op zo'n manier dat de ministers letterlijk minder hoeven bij te dragen dan de conducteur of de schoonmaker.

Laten we eens kijken naar het hele domein van het buitenland. Vroeger waren we als Nederland trots op de 3D's: development, diplomacy en defence. Het lijkt nu slechts één D geworden te zijn: er zijn alleen nog maar investeringen in defensie; de andere takken worden weggelaten. Laat duidelijk zijn dat het voor mijn fractie een prioriteit is om te investeren in Europa. Ik hoor dan ook graag van het kabinet welke keuzes het maakt. Is de keuze het opvullen van de gaten binnen de NAVO of is de keuze — dat hoopt mijn fractie — om fors te investeren in Europese samenwerking? De EU-landen steken per jaar gezamenlijk 381 miljard euro in defensie. Volgens mij zijn we er allemaal van overtuigd dat dat geld efficiënter besteed kan worden. Volgens mij zijn we allemaal op zoek naar Europese autonomie en niet naar nationale autonomie. Wat dat betreft was ik ook enigszins verrast door het voorstel in het coalitieakkoord om te kijken naar het Amerikaanse DARPA-model. Het lijkt me heel goed om dat op Europees niveau te doen, maar wat gaan we daar qua schaal aan doen in Nederland? Als het gaat om 10% van het Defensiebudget, is mijn vraag of die ook uit de Defensiebegroting komt of ergens anders vandaan. Het lijkt me goed om het kabinet om een apart debat en een aparte brief te vragen.

Dan SAFE-2. Nederland heeft besloten om niet deel te nemen aan SAFE-1, terwijl je daarmee, even los van hoe je dat doet met leningen, juist die samenwerking met Europese partners kan vinden. Binnenkort komt SAFE-2 en ik ben benieuwd of het kabinet voornemens is om daar wel aan deel te nemen.

Ook de MFK-discussie speelt in Europa. Von der Leyen heeft gezegd dat ze 131 miljard — ik hoor dat het waarschijnlijk nog hoger wordt — wil investeren in defensie. Ik hoop te horen van dit kabinet dat het daar welwillend tegenover staat.

Het tweede punt dat voor mijn fractie natuurlijk van belang is, is het goed besteden van belastinggeld. Er is een angst dat er vooral een soort bestedingsdrang komt. De vraag die altijd voorop zal moeten staan, is: hoe dragen die extra investeringen in defensie op korte termijn bij aan nationale en Europese capaciteitsversterking en aan die binnen de NAVO?

Daar komt natuurlijk ook het volgende bij. Als we niet opletten met belastinggeld, kan er ook sprake zijn van overmatige winsten in de defensie-industrie. Er is hier in de Kamer eerder een motie aangenomen … Het vorige kabinet heeft die met een net briefje van de minister van Financiën eigenlijk weer opzijgelegd, maar dit blijft wel een zorgpunt. Hoe zorgen we ervoor, als het gaat om belastinggeld dat goed en efficiënt besteed wordt, dat publieke middelen niet alleen maar leiden tot woekerwinsten in de private sector?

Voorzitter. Dan een waarschuwing die we een aantal maanden geleden zagen van de Nederlandse Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst zelf. Zij noemen 2027 een "window of vulnerability". Dat is de kwetsbaarheid van de situatie waar we nu in zitten. Dan doemt de vraag op of alles wat we doen wel snel genoeg gaat. Ik noem het personeelsaantal en het opschalen van defensie. Rusland houdt zich niet aan onze planning. We weten ook dat die afhankelijkheid van de VS vele fracties in dit parlement een doorn in het oog is. Laten we zeggen dat de VS bijvoorbeeld militair ergens anders op de wereld actief zijn. Wat doen we dan met al die strategische afhankelijkheden wat betreft luchttransport en inlichtingen? Gaan we daar nu de komende jaren Europees werk van maken? De doelen in het coalitieakkoord, namelijk 40% gezamenlijke inkoop en 50% inkoop in Nederland of Europa, zijn wat mijn fractie betreft niet ambitieus genoeg. Dit zijn de minimale doelen die we al in Europa hadden gesteld. Mijn vraag is dan ook hoe wij dit vanuit de Tweede Kamer kunnen monitoren. Waar staan we nu? Is dit nou een harde eis of is dit een streven? Is Europees dan ook echt Europees of gaat het dan ook om licenties of joint ventures met de Amerikanen?

Voorzitter, dan Oekraïne en Rusland. Rusland is een dreiging voor het hele continent. Het is belangrijk om nu te werken aan onze afschrikking, het op orde krijgen van de gereedheid en de maximale steun aan Oekraïne. Daar komt de vraag over de motie-Klaver over de 2 miljard bij kijken. Ik vraag de drie fracties in de coalitie, die dit mede hebben geïnitieerd, waar die 2 miljard is gebleven. Vorig jaar besteedden we nog 5,7 miljard aan Oekraïne. Dit jaar staat er 3,5 miljard in de boeken. Het baart mij ook grote zorgen dat er is besloten om hulp voor Oekraïne buiten het uitgavenkader te plaatsen. Dat is ook weer iets wat zorgt voor ondermijning voor het draagvlak.

Over personeel komen we nog te spreken in een apart debat. Voor mijn fractie is dat altijd een heel belangrijk punt. Hoe kwamen we nou aan dat aantal van 122.000? Ik vraag me af hoe dat gaat aan zo'n onderhandelingstafel. "Moeten het er nou 120.000 of 130.000 zijn?" Hoe komen we nou aan die 122.000? Ook de opleidingen lijken steeds meer verkort te worden. De vraag is welke risico's we daarmee lopen.

Voorzitter. Dit is het gevaar als je een tekst niet uitschrijft; ik moet al richting afronding gaan. Ik heb nog een klein punt. Ik hoorde van een vader van twee mariniers die nu deelnemen aan een oefening in Noorwegen dat zij niet kunnen stemmen voor de gemeenteraadsverkiezingen, omdat ze al waren weggegaan voordat de stempas binnenkwam. Is dit iets waar het kabinet naar zou willen kijken? Hoe zorgen we ervoor dat onze militairen op training of missie gewoon kunnen stemmen wanneer er verkiezingen zijn in Nederland?

Tot slot, voorzitter. De afronding van mijn inbreng is: je loopt risico's met het draagvlak met het opeens opschalen van de vrijwillige bijdrage naar mogelijk een selectieve opkomstplicht. Dat geldt ook voor de keuzes die worden gemaakt rond de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg, maar ook over Oekraïne. Als we daarvoor extra geld nodig hebben, moeten we weer bezuinigen op een andere post. Ik hoop dus dat het kabinet alsnog bereid is om daarnaar te kijken en daar andere keuzes in te maken.

Dank u wel.

De heer Van Lanschot (CDA):

Mevrouw Piri zegt een aantal zeer terechte dingen, maar er is ook iets wat mij van het hart moet en dat is de relatie tussen politiek, publiek en het bedrijfsleven. De toon waarop wordt gesproken over te veel winsten, vind ik nogal wantrouwend. Het is noodzakelijk om de publiek-private samenwerking te versterken. Ik vraag mij af hoe mevrouw Piri denkt dat deze toon daaraan bijdraagt.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Discussies over toon vind ik prima. Ik denk dat we gewoon realistisch moeten zijn. Bij heel veel van de capaciteiten die we nodig hebben, gaat het niet om nationale autonomie. Wat wij volgens mij moeten doen, is niet zozeer ervoor zorgen dat we straks belastinggeld besteden aan Nederlandse bedrijven, maar ervoor zorgen dat bij alles wat we Europees doen om de capaciteit van onze defensie op orde te krijgen Nederlandse bedrijven onderdeel zijn van die keten. Ook de heer Van Lanschot kan toch zeggen: hoelang gaan we als Nederland ons best doen om bijvoorbeeld een bedrijf als Damen overeind te houden? We moeten er toch voor zorgen dat zo'n bedrijf gewoon in de Europese keten zit? Dat is toch geen nationale aangelegenheid?

De heer Van Lanschot (CDA):

Het lid Piri merkt terecht op dat het denken in ketens en op Europese schaal essentieel is voor een effectieve krijgsmacht en defensie-industrie. Mijn vraag ging over de tegenstelling die wordt gecreëerd tussen het bedrijfsleven, dat zogenaamd extra winsten zou maken, en de publieke belangen, terwijl die twee juist op één lijn zouden moeten staan. Ik zou het fijn vinden als mevrouw Piri daar nog op zou kunnen reflecteren.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tegen de heer Van Lanschot zeg ik: investeringen in defensie zijn altijd publiek geld. Het zijn natuurlijk altijd alleen maar overheden die dat soort orders plaatsen. Natuurlijk hebben wij de defensie-industrie nodig, maar neem de winstcijfers van een bedrijf als Rheinmetall in Duitsland. Zoiets met publiek geld doen gaat gewoon iets doen met het draagvlak in de samenleving, kan ik u vertellen. Dat is precies waar ik tijdens de behandeling van deze begroting voor wil waarschuwen. Ik denk dat Defensie zich er heel erg van bewust is in deze tijd, waarin zo veel miljarden naar Defensie gaan, dat zij ook een maatschappelijke rol te vervullen hebben. Dan zie ik de politiek, dit kabinet, keuzes maken die juist dat draagvlak dreigen te ondermijnen. Dat is mijn punt.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Piri. Dan is het woord aan mevrouw Belhirch voor haar inbreng namens de fractie van D66 in de eerste termijn.

Mevrouw Belhirch (D66):

Voorzitter. Allereerst feliciteer ik de minister en de staatssecretaris met hun benoeming. U treedt aan in een tijd waarin vrede, veiligheid en onze democratische waarden niet langer vanzelfsprekend zijn. De verantwoordelijkheid die u draagt, is groot. Wij zullen u daarop scherp houden.

Voorzitter. Wat zich nu in het Midden-Oosten afspeelt, laat zien hoe onvoorspelbaar en instabiel de wereld is geworden. De oorlog tussen Iran, Israël en de Verenigde Staten heeft zich in korte tijd verspreid over de regio. Wij leven mee met de Iraniërs en anderen in de regio die door dit geweld worden geraakt. Deze escalatie raakt onze energiezekerheid, onze economie en onze veiligheid. Het is goed dat hierover volgende week een debat wordt gevoerd. Wie nog denkt dat veiligheid vanzelfsprekend is, vergist zich. Juist daarom moeten wij investeren in onze veiligheid en in onze weerbaarheid. Niet tijdelijk, maar structureel. Juist daarom moet Europa zijn eigen defensieve verantwoordelijkheid steviger organiseren.

Voorzitter. Vier jaar Russische agressie tegen Oekraïne maakt één ding duidelijk: Europa moet zelf meer doen voor zijn veiligheid. Vorige week spraak ik met Vadim en Vitali. Vadim was bankier, Vitali advocaat. Vandaag staan zij aan het front. Hun leven veranderde in korte tijd volledig. Zij vechten voor hun land, voor hun vrijheid, voor hun democratie, maar ook voor de veiligheid van ons continent.

Steun aan Oekraïne staat voor ons niet ter discussie. Oekraïne verdedigt niet alleen zijn eigen vrijheid, maar ook de veiligheid van Europa. Die steun blijft er wat ons betreft zo lang als dat nodig is. Daarom is het goed dat dit kabinet de steun aan Oekraïne van jaarlijks 3 miljard euro voor de aankomende drie jaar heeft vastgelegd. Hoe gaat de minister ons op de hoogte houden van de uitputting daarvan en van de directe noden vanuit Oekraïne? Tegelijkertijd is er veel meer nodig dan alleen Nederlandse steun. Langdurige inzet vraagt om een eerlijke lastenverdeling binnen Europa. Meer lidstaten moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Hoe zorgt de minister ervoor dat alle lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen voor de financiële steun aan Europa?

Voorzitter. Europa moet zijn eigen verdedigingscapaciteit duurzaam versterken en Nederland neemt daarin verantwoordelijkheid. Met de stap naar 3,5% investeren wij niet alleen in defensie, maar ook in geloofwaardigheid binnen de NAVO en binnen Europa. Dit coalitieakkoord bevat daarom de meest Europese veiligheids- en defensieparagraaf ooit, niet uit idealisme, maar uit noodzaak. Dat is een bewuste keuze. Maar investeren zonder samenwerking levert geen resultaat op. Het moet leiden tot hogere paraatheid en tot het dichten van hiaten, onder meer in de luchtverdediging en qua munitie. Europa moet in staat zijn de eigen kritieke capaciteiten te organiseren en te leveren. Daarom wordt Europese samenwerking de norm: meer interoperabiliteit en gezamenlijk inkopen.

Mijn vragen aan de minister. Wat moet in 2030 concreet anders zijn in de Europese pijler binnen de NAVO? Zijn we dan daadwerkelijk in staat om zelfstandig kritieke capaciteiten te leveren? Welke stappen worden dit jaar gezet om Europese inkoop en standaardisatie te versnellen? Hoe wordt inzichtelijk gemaakt dat deze investeringen leiden tot meetbare paraatheid?

De heer Dassen (Volt):

Een terechte vraag. Ik heb daar ook een vraag over. De coalitie geeft aan dat ze 40% gezamenlijk wil inkopen, waarvan 50% gezamenlijk in Europa. Dat is eigenlijk ook al het voorstel van de Europese Commissie. Nederland gaat daarin dus niet verder dan de EC; ik denk dan ook niet dat wij ons wat dat betreft te hard op de borst moeten gaan kloppen. Dat zou ambitieuzer moeten zijn. Maar er zit nog een ander punt in, namelijk dat het ook onderdeel kan zijn van Europese leveranciers met licentieproductie, lees: Amerikaanse bedrijven met Europese licentieproductie. Is de coalitie van mening dat dit onderdeel is van die 40% en die 50%?

Mevrouw Belhirch (D66):

Dat is een heel goede vraag. Ik moet daarop terugkomen, want ik weet daar het antwoord niet op. Wat ons betreft is het heel erg belangrijk dat we steeds meer Europees inkopen, maar of die licentieproductie daar ook onder valt, daar moet ik op terugkomen. Ik kan hier wel wat over verzinnen, maar daar zal ik op dit moment eerlijk over zijn.

De heer Dassen (Volt):

Dat is fijn. Ik neem aan dat u terugkomt op wat de coalitie daarvan vindt. Ik ben ook benieuwd wat u, of wat mevrouw Belhirch, daar zelf van vindt. Is zij van mening dat we als Nederland voldoende gaan doen als die licentieproductie daar ook onder valt? Of is dat dan eigenlijk meer een escape richting Amerikaanse afhankelijkheid?

Mevrouw Belhirch (D66):

Allereerst geeft u aan — of, voorzitter, de heer Dassen geeft aan — dat wij ons hier niet op de borst kunnen kloppen. Het is toch echt wel zo dat dit het meest Europese veiligheids- en defensiecoalitieakkoord ooit is. Ik vind het belangrijk dat we die inkopen zo veel mogelijk Europees doen. Daar zouden die licenties ook bij betrokken moeten worden.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Dassen (Volt):

Ik denk dat we die afhankelijkheid van de Verenigde Staten nog veel sneller moeten afbouwen, en dat betekent inderdaad dat we nog veel meer gezamenlijk in Europa moeten gaan investeren. Wat je nu ziet, is dat gezamenlijk in kleine clubjes investeringen worden gedaan, waardoor vaak grote projecten niet van de grond komen. Ik hoop toch echt dat dadelijk niet die licentieovereenkomsten onderdeel gaan zijn van de percentages die net genoemd zijn. Mijn mening is dan namelijk dat de ambitie van Nederland op dit vlak erg tekortschiet.

Mevrouw Belhirch (D66):

Als ik daarop mag reageren: onze ambitie is juist groot en ook Europees. Wij willen ons er echt voor inzetten dat de afhankelijkheid van Europa richting bijvoorbeeld Amerika afneemt. Daar zullen we echt ons best voor doen.

De voorzitter:

U continueert.

Mevrouw Belhirch (D66):

We spreken vandaag over een Defensiebegroting die groter is dan ooit. Dat is nodig, maar bij zo'n omvang hoort verantwoordelijkheid. Elke euro moet effectief en toekomstgericht worden ingezet. De Kamer kijkt daarbij kritisch mee.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik dacht dat we misschien nog wat zouden horen over Europese samenwerking in dit blokje.

De voorzitter:

Is dat het geval?

Mevrouw Belhirch (D66):

Ja, ik kom nog op Europese samenwerking.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan neem ik een voorschot. Het gaat mij om de nucleaire samenwerking. We hebben gezien dat Macron een plan heeft gepresenteerd. Het kabinet heeft daarop gereageerd er constructief tegenover te staan. Het plan gaat over het uitbreiden van kernwapenarsenalen, maar Macron heeft het bijvoorbeeld ook over de mogelijkheid om strategische middelen tijdelijk ook in andere landen te plaatsen, zoals in Nederland, of over meedoen aan nucleaire oefeningen.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

D66 is ook voorstander van internationale verdragen en het nakomen daarvan. We hebben het non-proliferatieverdrag voor kernwapens. Hoe staat D66 tegenover deze plannen?

Mevrouw Belhirch (D66):

Allereerst, D66 staat nog steeds voor het non-proliferatieverdrag. Waar het hier om gaat, is dat Macron, Frankrijk, heeft aangegeven dat hij de afschrikking op nucleair gebied wil uitbreiden. Als we kijken naar hoe de wereld is veranderd, dan zien we dat het belangrijk is om extra afschrikking te hebben. Dit is een aanvulling op de afschrikking vanuit de NAVO. Dit is ook een aanvulling op onze collectieve verdediging. Dit wil niet zeggen dat we hiermee gaan doen aan een wapenwedloop op nucleair gebied. De inspanningen zijn nog altijd om met terughoudendheid het nucleair wapenarsenaal op peil te houden. Wij houden ons als Nederland aan het non-proliferatieverdrag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Er zit wel een beetje een tegenstelling in dit antwoord. Kijk, het non-proliferatieverdrag pleit ook voor kernontwapening, niet voor kernherbewapening, niet voor het uitbreiden van het wapenarsenaal en ook niet voor het uitbreiden en normaliseren van kernwapens. Dat is wel wat hier gebeurt. Als je zou zeggen "we houden ons aan het non-proliferatieverdrag", dan moet je eigenlijk zeggen: nee, hier staan wij niet achter; hier doen wij niet aan mee en daar zijn we duidelijk over. Wat betreft het begrip voor meer nucleaire afschrikking in deze gevaarlijke tijden: weet D66 hoeveel kernkoppen Frankrijk op dit moment heeft en hoeveel kernkoppen je precies nodig hebt om een kernoorlog te voeren?

Mevrouw Belhirch (D66):

Allereerst over het non-proliferatieverdrag. Daarin staat niet dat er ontwapening moet plaatsvinden. Er staat in dat er gesprekken gevoerd moeten worden over hoe het te beperken en eventueel ontwapenen. Dat is een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. Dat als eerste.

Dan het andere. We moeten kijken naar de realiteit, waar we nu momenteel in de wereld staan. Rusland heeft 5.500 nucleaire kernwapens. Je ziet hoe snel de wereld verandert. Daar moeten we wel naar kijken. Ik weet niet uit mijn hoofd hoeveel kernkoppen Frankrijk heeft, maar de afschrikking moet wel zodanig zijn dat wij in Europa, en ook in Nederland, een verdedigbaar continent hebben.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Misschien heeft D66 de cijfers niet paraat, maar eigenlijk doet dat er ook niet zo veel toe. De vraag die ik daarna stelde is namelijk veel relevanter, namelijk: hoeveel kernkoppen en hoeveel kernwapens zijn er volgens D66 nodig om een nucleaire oorlog te voeren voordat er geen oorlog meer te voeren valt? Zijn dat er niet al genoeg voor afschrikking? Een inspanningsverplichting voor non-proliferatie is niet het normaliseren en het uitbreiden van kernwapenarsenalen. Ik hoop echt dat D66 steviger stelling wil nemen voor het nakomen van het non-proliferatieverdrag.

Mevrouw Belhirch (D66):

Ik ga hier toch voor de derde keer herhalen dat wij dat serieus nemen. Het is ook belangrijk om aan te geven dat deze verdiepende gesprekken gaan plaatsvinden en dat we zeer zeker het non-proliferatieverdrag in ons achterhoofd houden.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Nucleaire afschrikking, en dan meer Europees gericht, is een belangwekkend en ingrijpend thema. Ook de SGP vindt het goed dat we het gesprek daarover voeren met Frankrijk. Ik ben wel benieuwd hoe D66 vervolgens die inbedding ziet. Er is nu sprake van nucleaire autonomie van de Fransen, heel begrijpelijk, maar kan dat zo blijven of zou dat juist ingebed moeten in de bredere NAVO-structuur? Heeft D66 daar ook gedachten bij?

Mevrouw Belhirch (D66):

Het is vers. Het is nog vrij nieuw. De nieuwe insteek is dat het natuurlijk een aanvulling is op de nucleaire capaciteit van de NAVO. Het is geen vervanging, maar het is ter aanvulling. Vanuit Frankrijk zijn de eerste duidingen ook aangegeven, dat zij als Frankrijk wel de autoriteit erover willen hebben, maar daar moeten nog wel verder gesprekken over plaatsvinden. Het Franse nucleaire wapenarsenaal verdedigt nu alleen maar Frankrijk, maar het gaat erom dat die een breder bereik heeft om ook, indien dat nodig is, een afschrikking vanuit ons te geven. Dat wil niet per definitie zeggen dat die wel of niet bij ons komen. De gesprekken en de verdere uitwerking daarvan moeten nog plaatsvinden.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank voor deze reactie. Die gesprekken moeten inderdaad nog plaatsvinden. Misschien kan D66 daar toch iets van zeggen. Welke kant zouden we idealiter op moeten gaan? Is er niet heel veel voor te zeggen dat je je zo veel mogelijk aansluit bij de bestaande NAVO-structuur op dit terrein?

Mevrouw Belhirch (D66):

Er is inderdaad een NAVO-structuur, maar de kernafschrikking daarvan is Amerikaans en wij willen juist onafhankelijk worden van Amerika. Het is wel belangrijk om dat ook te onderstrepen en dit is een stap daarnaartoe.

De voorzitter:

U vervolgt.

Mevrouw Belhirch (D66):

Intensievere Europese samenwerking kan tussen de 75 en 100 miljard euro besparen. Geen overlap en parallelle systemen, maar middelen die direct bijdragen aan onze defensieve kracht. Hoe voorkomt de minister dat middelen wegvloeien in inefficiëntie? Welke afspraken maakt zij hierover in Europees verband en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Ook nationaal moet het beter. De defensie-industrie wil opschalen, maar loopt vast in korte contracten en trage procedures. Zekerheid is de basis voor investering, investering is de basis voor productie en productie is de basis van paraatheid. Wat doen de bewindspersonen om langdurige contracten mogelijk te maken, procedures te versnellen en onderhoud structureel mee te nemen? Wanneer zien we het resultaat daarvan? Welke meetbare indicatoren gaat het kabinet hanteren om inzichtelijk te maken dat extra investeringen leiden tot een hogere paraatheid?

Voorzitter. We moeten streng controleren hoe belastinggeld wordt besteed, maar innovatie niet beperken. Controle en flexibiliteit moeten hier hand in hand gaan. Dit mag geen begroting van goede bedoelingen worden, maar wel een van aantoonbare slagkracht. Alleen dan wordt dit budget niet alleen groter, maar ook sterker. Hoe gaan de bewindspersonen concreet borgen dat deze extra middelen aantoonbaar leiden tot meer inzetbare capaciteit, terwijl innovatie en opschaling niet vastlopen in procedures?

Voorzitter. We bouwen een krijgsmacht van morgen. Innovatie is daarbij doorslaggevend. Defensie-investeringen hebben eerder geleid tot doorbraken als internet, gps en recent lifi. In een tijd van hybride dreigingen en snelle technologische ontwikkelingen is een technologische voorsprong cruciaal. Wie achterblijft, verliest strategisch terrein. Daarom steun ik de komst van een defensie-innovatieautoriteit naar het voorbeeld van DARPA. Wanneer ontvang de Kamer de tijdlijn van oprichting en inrichting? Hoe wordt daarbij Europees samengewerkt?

Voorzitter. Onze maritieme veiligheid is cruciaal. De Noordzee is geen randgebied, maar een strategische kern van onze nationale veiligheid. Onze energievoorziening, windparken, datakabels en logistieke routes komen hier samen. Wie daar ruimte laat ontstaan, raakt direct onze veiligheid en energiezekerheid. De Noordzee mag geen achterdeur worden voor sanctieontduiking, spionage of sabotage. Het kabinet werkt aan wetgeving om Russische schepen uit de schaduwvloot steviger aan te pakken. Wat is er tegen de aanwezigheid van deze schepen ondernomen? Wanneer ontvangt de Kamer dit wetsvoorstel? Kan de minister een tijdlijn geven, gezien de aanwezigheid van schaduwvlootschepen in onze Nederlandse exclusieve zone? Hoe wordt geborgd dat handhaving daadwerkelijk uitvoerbaar en afdwingbaar is?

Daarnaast staat de capaciteit van de Kustwacht onder druk. Regels alleen zijn niet genoeg; toezicht moet daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. Welke concrete stappen zet het kabinet om capaciteit en toezicht structureel te versterken? Wie is eindverantwoordelijk voor de coördinatie tussen Defensie, Kustwacht en andere betrokken diensten? Prioriteit vraagt niet alleen om woorden, maar om duidelijke aansturing en voldoende capaciteit.

Voorzitter. Ik ben trots op onze mannen en vrouwen die iedere dag hard werken voor onze vrede en veiligheid. Waar de druk op onze veiligheid toeneemt, is het dankzij hun inzet dat Nederland veilig blijft. Ik wil hen allen bedanken voor hun inzet. Onze krijgsmacht moet groeien, niet alleen in omvang, maar ook in kwaliteit en paraatheid en op de juiste plekken. Daarom vraag ik de staatssecretaris hoe hij borgt dat de personele groei zich daadwerkelijk vertaalt in inzetbare capaciteit. Hoe groeit daarnaast de opleidingscapaciteit tijdig mee met deze ambities, zodat mensen die willen dienen ook daadwerkelijk snel en goed inzetbaar worden?

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Belhirch heeft het nu net over het opschalen van Defensie. Nog geen jaar geleden heeft de vorige staatssecretaris een brief naar de Kamer gestuurd waarin staat dat Defensie naar 100.000 man moet gaan. Voor de duidelijkheid: we zitten nu op 76.000. Nu is die ambitie nog een keer opgeschaald. Denkt mevrouw Belhirch, als ze kijkt naar de maatregelen in het coalitieakkoord, dat het heel realistisch is om dat op deze manier op korte termijn te bereiken?

Mevrouw Belhirch (D66):

Er zijn verschillende maatregelen getroffen. We zien dat de motivatie en het enthousiasme van mensen om zich aan te melden bij Defensie groeit. Daarom heb ik inderdaad een aantal vragen gesteld aan de staatssecretaris over de opleidingscapaciteit. Daarnaast kijken we juist hoe we mensen kunnen motiveren om het leger in te gaan.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Daar is mijn fractie uiteraard ook voorstander van. Als ik kijk naar het coalitieakkoord, zie ik alleen een behoorlijke escalatie: van het invullen van een vrijwillige enquête tot een selectieve opkomstplicht als we het doel van 122.000 niet halen in 2030. Mag ik dan vragen aan mevrouw Belhirch: wat bedoelt de coalitie met een "selectieve opkomstplicht"?

Mevrouw Belhirch (D66):

Allereerst is het inderdaad zo dat we jongeren verplicht een enquête laten invullen. We doen dat omdat we dan zien waar mensen wel of niet in mee willen gaan. Je krijgt dan dus echt zeer gemotiveerde mensen die aan de slag gaan. De selectieve opkomstplicht is echt het laatste middel dat we gaan gebruiken als het écht niet mogelijk is om die opschaling tijdig te krijgen. Zover zijn we nog alleen nog niet.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dat begrijp ik, maar je zet het niet voor niks in het coalitieakkoord. Je zet in het coalitieakkoord dat we binnen vier jaar in Nederland over kunnen gaan op een selectieve opkomstplicht. Wat betekent dat nu voor jongeren? Met alle respect, maar stel dat je op je 17de of 18de een enquête invult en dat je daar op die dag heel enthousiast over bent. Als je vervolgens geselecteerd wordt en niet komt opdagen, dan staat daar twee jaar gevangenisstraf op. Ik wil dus toch tegen mevrouw Belhirch zeggen dat er heel veel mogelijkheden zijn tussen die enquête en een selectieve opkomstplicht. Ik maak me er zorgen over dat we binnen vier jaar, in vredestijd, aan jongeren vragen om verplicht te dienen, of op te draaien voor twee jaar gevangenisstraf.

Mevrouw Belhirch (D66):

Even over die gevangenisstraf. Ik denk dat de kijkers thuis daarvan schrikken. Dit staat echter letterlijk in de wet, die is opgeschort. Wij gaan er echt van uit — daar hebben we ook vertrouwen in — dat de staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat er met de maatregelen die worden genomen een groei zal komen. Ik wil hier dus niet op vooruitlopen. Ik heb er vertrouwen in dat dit tijdig kan.

De heer Van Baarle (DENK):

D66 heeft zichzelf altijd neergezet als een liberale partij, als een partij van individuele keuzes. Als je dan als D66 samen met de andere coalitiepartijen voor een selectieve opkomstplicht gaat — dat is een moeilijk woord voor "geforceerde dienstplicht" — waarbij mensen geforceerd het leger in moeten en een straf krijgen als ze dat niet doen, en als je daarvoor tekent, dan is dat een niet-liberaal principe. Dan dwing je mensen iets te doen. Hoe kan D66 nou kiezen voor het mogelijk mensen dwingen om het leger in te gaan?

Mevrouw Belhirch (D66):

Ik herhaal het nog één keer, maar ik heb het antwoord net al gegeven. Het is echt een laatste redmiddel, als Nederland zo bedreigd wordt dat we het niet aankunnen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we het redden met hoe we het nu hebben ingericht, met de inzet van de staatssecretaris en de mensen op Defensie, met de enquête en met de groei die we nu hebben. Ik denk dat we dat moeten afwachten.

De heer Van Baarle (DENK):

Even een paar stappen terug. Hoe kan D66 dit er überhaupt in zetten? Hoe kan D66 überhaupt de mogelijkheid erin zetten dat jongeren gedwongen het leger in moeten en misschien zelfs tegen hun zin gedwongen uitgezonden gaan worden? Dat is immers wat een opkomstplicht in de praktijk kan zijn. D66 is een liberale partij, die gestoeld is op individuele keuzes. Daar kan je toch niet voor kiezen? Nogmaals: hoe is het mogelijk dat dit erin is gekomen?

Mevrouw Belhirch (D66):

Wederom: het is een laatste redmiddel, een worstcasescenario. Ik ga hier niet van uit. Maar mocht het zo zijn dat er een acute dreiging is, dat Nederland verdedigd moet worden en dat er onvoldoende mensen in het leger zitten, dan is dit nodig voor onze veiligheid. Maar zoals ik al eerder zei, is dit een ultimum remedium. Volgens mij moeten we dit gewoon afwachten. Het gaat goed met de instroom, dus ik heb er alle vertrouwen in.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Van Baarle (DENK):

Ja, afrondend.

Dat is ook niet wat er staat. Er staat dat het leger moet toegroeien naar 122.000. Als dat niet gaat lukken, wordt de selectieve opkomstplicht een mogelijkheid. Die is dus niet gerelateerd aan acute dreiging, maar aan het getal van 122.000. Nogmaals, ik kan het gewoon niet begrijpen dat als je prat gaat op individuele vrijheid, wat D66 altijd doet, je dan kan tekenen voor een opkomstplicht, waarbij mensen tegen een straf gedwongen het leger in moeten. Dat kan toch niet de mogelijkheid zijn waar je als D66 dan voor kiest? Ik zou dus willen zeggen: haal die van tafel. Haal die eruit, want heel veel mensen, heel veel jongeren, maken zich hier nu zorgen over.

Mevrouw Belhirch (D66):

Volgens mij heb ik hier al eerder op gereageerd, dus ik hou het hierbij.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Volgens mij is het volstrekt gezond dat we van jongeren vragen om na te denken over de vraag hoe zij dit land kunnen dienen. Wat mij betreft kan dat op verschillende manieren. Dat kan bijvoorbeeld met een maatschappelijk dienstjaar, waarin je bij de politie of in de zorg aan de slag gaat. Dat kan zeker ook door in het leger een opleiding te krijgen en zo nodig opgeroepen te worden. Ik hoor genoeg jongeren die zeggen graag hun land te willen dienen. Wat mij betreft moeten we nu niet aan de slag gaan met spookbeelden. We moeten wel aan de slag gaan met de vraag voor welk Nederland we staan. Daarom is mijn vraag aan collega Belhirch of zij ook vindt dat we juist moeten werken aan de cultuur. Hoe zorgen we ervoor dat het weer vanzelfsprekend wordt dat er een defensie is die namens ons allen ons land beschermt en dat we dankbaar zijn voor de mensen die dat werk doen?

Mevrouw Belhirch (D66):

Daarover ben ik het helemaal met mevrouw Bikker eens. Daarom ben ik begonnen met het bedanken van onze mannen en vrouwen voor al hun inzet. Ik zie dat er de afgelopen jaren juist veel geïnvesteerd is om niet alleen te laten zien hoe belangrijk het is, maar ook hoe goed en fijn het is om in het leger te dienen. Daar heeft ook een cultuurverandering plaatsgevonden. Ik kom straks nog op het blokje reservisten, maar het is ook mooi om te zien dat onze koningin nu reservist is en dat de kroonprinses zich ook bij het leger heeft aangesloten. Het is dus heel erg belangrijk om positief en constructief te kijken naar de mensen die ons dagelijks verdedigen en om mensen te kunnen motiveren om zich bij het leger aan te sluiten. Ik denk ook dat wij daar als geheel een verantwoordelijkheid in hebben.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor dit antwoord. Ik vind het volstrekt normaal dat jongeren even nadenken over de vraag: hoe kan ik het land, waar ik zo veel van krijg, een poosje dienen? Wij moeten dat ook een beetje voorleven, in plaats van dat we alleen maar schetsen wat voor rampscenario's zich zouden kunnen voltrekken; kom nou. Maar nu pak ik even door. We gaan nu opschalen. Dat gaat om de nodige tijd en het nodige budget vragen. Deze coalitie heeft een aantal ruige keuzes gemaakt om dat te kunnen betalen. Mijn vraag aan collega Belhirch is of zij het met mij deelt dat je voor de draagkracht van een land ook moet opletten waar je dat geld de komende jaren vandaan haalt.

Mevrouw Belhirch (D66):

Ik begrijp uw vraag. Dat is ook belangrijk. We moeten investeren en dat geld moet ergens vandaan komen. Veiligheid is namelijk niet gratis. De keuze waar dat geld vandaan komt, ligt niet hier bij mij. We hebben deze week begrotingsdebatten over VWS en volgende week over Sociale Zaken. Daarover worden dus ook gesprekken gevoerd, maar ik begrijp wat u zegt.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik was gisteren, of beter gezegd vannacht, bij de begroting van VWS. Ik zie hoeveel pijn het doet. Ik denk dat twee dingen dan juist extra belangrijk zijn. Ten eerste moeten we nog eens heel goed kijken of we die verdeling nou goed hebben gedaan, ook op de lange termijn. Als we de Defensiebegroting namelijk op de lange termijn willen volhouden, vraagt dat om draagkracht van de hele bevolking. Het vraagt ook om draagkracht van de bedrijven, want die zijn net zo afhankelijk van de veiligheid. Ten tweede, heel kort, voorzitter, vraagt het van ons ook dat we iedere euro bij Defensie besteden als duur verdiend belastinggeld, in plaats van geld uit een grote, klotsend volle schatkist. Is collega Belhirch dat met mij eens? Hoe houden we daar het zicht op?

Mevrouw Belhirch (D66):

Het is een grote uitgave. Daarom geef ik ook aan dat we heel goed moeten controleren waar belastinggeld aan wordt uitgegeven. Ook moet er inderdaad naar het grotere plaatje gekeken worden, maar we kunnen tijdens dit Defensiebegrotingsdebat niet met elkaar bespreken waar dat geld vandaan wordt gehaald. Dat hoort echt thuis bij een ander debat.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb niet geturfd — ik ben bij tien gestopt — maar ik hoor steeds: jongeren, jongeren, jongeren. Ik wil het volgende toch even aan D66 meegeven. Ik heb recent een brief gekregen van net gepensioneerde militairen die heel graag hun bijdrage willen leveren. Ik krijg signalen uit de maatschappij van mensen die zeggen: op dit gebied ben ik keigoed en ik wil best mijn werk twee jaar neerleggen om een bijdrage aan onze vrijheid en veiligheid te leveren. Mijn vraag is: is D66 bereid tot een bredere oriëntatie, ook gericht op het generatiepact, zodat we versneld en met veel kennis en kunde op die 122.000 uitkomen?

Mevrouw Belhirch (D66):

Jazeker, dat onderstreep ik. Dat is ook een onderdeel van bijvoorbeeld het reservistenbeleid. Dat valt daar ook onder. We willen kijken hoe we zo breed mogelijk in de samenleving mensen kunnen motiveren om mee te doen. Ik onderstreep dat dus.

De heer Struijs (50PLUS):

Laten we dan ook breder kijken dan alleen naar reservisten. Dat is uitermate belangrijk. Er kloppen nu al mensen aan de deur die, denk ik, een bijdrage kunnen leveren. Ik kijk dan ook erg uit naar de gesprekken die we hierover gaan voeren.

Mevrouw Belhirch (D66):

Ik kijk er ook naar uit.

Mevrouw Dobbe (SP):

Even een beschouwende opmerking vooraf. Ik zit met een beetje verwondering te kijken naar hoe dit debat verloopt. Alle lessen die we hebben geleerd uit het verleden worden nu ineens wel heel gemakkelijk over de schutting gekieperd. Er komt een opkomstplicht voor jongeren. De dienstplicht komt gewoon terug. Daar moeten onze 17-jarigen straks mee dealen. Het uitbreiden van de arsenalen aan kernwapens is ook de normaalste zaak van de wereld. Het is blijkbaar ook heel normaal om wel geld te vinden voor defensie en de NAVO maar niet voor de zorg.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

De discussie over waar we al deze plannen van betalen is natuurlijk wel relevant, ook voor deze begroting. Hier staan een heleboel dingen in die heel veel geld kosten. Het moet 19 miljard extra kosten. Dat moet ergens van betaald worden. Mijn vraag is: welke discussie heeft D66 gevoerd over het feit dat er wel geld is gevonden voor de NAVO, die 19 miljard, maar niet voor de gehandicaptenzorg, niet voor de AOW en niet voor kinderen in armoede?

Mevrouw Belhirch (D66):

Allereerst dit. Hier wordt aangegeven dat we van alles over de schutting gooien, dat we mee gaan doen aan een nucleaire wapenwedloop en dat we de dienstplicht gaan invoeren, maar dat klopt niet. We gaan de dienstplicht niet invoeren. Die staat nog steeds in de wet, maar wordt opgeschort. We gaan beginnen met een enquête. Die wachten we af en pas later komen we eventueel tot een selectieve dienstplicht. Ook de discussie die wij wel of niet intern hebben gevoerd over waar het geld vandaan komt ... Het is belangrijk — ik hoop dat mensen dat beseffen — dat veiligheid, onze veiligheid, niet gratis is. We zien hoe instabiel de wereld is. Het is echt nodig om te investeren in onze veiligheid, ook voor onze mensen hier, ook om goede zorg te kunnen leveren. Ik ga hier niet — dat heb ik al eerder gezegd — de discussie aan of het geld ergens anders naartoe had gemogen. We staan hier nu voor het debat over Defensie. Dáár kan ik wat over zeggen, niet over waar andere gelden wel of niet naartoe moeten. Ik ben het wel met u eens dat het belangrijk is om ook te zorgen voor onze mensen en voor goede zorg. Mijn collega's die daarover gaan, zijn daar heel betrokken bij en gaan graag met u in gesprek om te kijken wat ze daaraan kunnen doen.

De voorzitter:

Denk echt aan de lengte van uw interrupties, want ze zijn eindeloos. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Als D66 geen selectieve opkomstplicht wil, zeg dat dan gewoon en doe het dan ook niet. Nu laat u de weg namelijk gewoon open. Als D66 niet een uitbreiding wil van kernwapenarsenalen, zeg dan gewoon: hier werken wij niet aan mee. Als D66 niet de zorg wil afbreken, graai de 19 miljard euro voor de Defensiebegroting dan niet uit de zorgpot en de AOW. Dat is namelijk wel wat er gebeurt. Wat ik hier mis, is erkenning van D66 van de keuzes die hier worden gemaakt.

Mevrouw Belhirch (D66):

Ik heb het gevoel dat hier meer een inbreng wordt geleverd dan een vraag wordt gesteld. Ik gaf al aan: we zijn ons echt wel bewust van de keuzes die we maken. Het is belangrijk om die keuze te maken om onze eigen veiligheid veilig te stellen. Daarnaast vinden we zowel de zorg als de sociale zekerheid belangrijk.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Heel kort, voorzitter. Heeft D66 enig idee wat deze plannen betekenen voor de zorg?

Mevrouw Belhirch (D66):

Ja, maar ik ga hier echt deze discussie niet aan. Ik besef zeer wat dat betekent. U heeft het debat gevoerd. Ik zou verzoeken om het debat daar verder te voeren.

De heer Dassen (Volt):

Als we sterk en onafhankelijk willen worden in Europa, moeten we ook zorgen dat we afkomen van die 178 wapensystemen, al die verschillende fregatten en tanks. Alleen gezamenlijk inkopen op papier helpt daarbij niet voldoende. Een voorstel is om te zorgen dat we komen tot één centraal inkooppunt in Europa, een gezamenlijke inkoopautoriteit. Ik was benieuwd: is D66 van mening dat die er moet komen?

Mevrouw Belhirch (D66):

U kaart het precies aan: daarom is standaardisatie belangrijk. We moeten eraan werken dat we veel meer gezamenlijk inkopen. Een gezamenlijk inkooppunt is een belangrijke stap waar we naartoe moeten. Maar nu zijn we nog niet zover. We gaan het wel intensiveren. Dat is ook waar de staatssecretaris en de minister zich voor inzetten. Het uiteindelijke doel is inderdaad een centraal inkooppunt.

De heer Dassen (Volt):

Op wat voor termijn moet dat er komen naar de mening van mevrouw Belhirch? Het is vaak een heikel punt geweest in de Tweede Kamer dat er niet Europees aangekocht gaat worden, maar landen daar steeds zelf over blijven gaan. In het Draghirapport staat wel degelijk dat er een inkoopautoriteit moet komen. Ik ben dus heel benieuwd of deze coalitie daar daadwerkelijk hard op gaat inzetten, om te zorgen dat die er op een zo kort mogelijke termijn gaat komen. Of zeggen verschillende partijen dadelijk: nee, we gaan er toch nog wat langer mee wachten? Is deze coalitie en is D66 van mening dat er centraal in Europa aangekocht moet gaan worden, juist om die versnippering tegen te gaan?

Mevrouw Belhirch (D66):

Voor ons is het belangrijk dat we nu intensiveren in de standaardisatie en zo veel mogelijk Europees en gezamenlijk inkopen. Ik heb ook vragen aan de bewindspersonen gesteld over hoe snel we hier resultaat in kunnen bereiken. De vraag is ook wanneer een Europees inkooppunt realiseerbaar is. Ik hoor dan ook graag van de minister en de staatssecretaris hoe zij dat zien en wanneer het realiseerbaar is.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Dassen (Volt):

Ik denk dat iets realiseerbaar is op het moment dat je je er hard voor gaat maken en daarvoor in Europa de barricades opgaat om te zorgen dat dit er zo snel mogelijk komt. Als we echt die afhankelijkheid en fragmentatie willen tegengaan, als we echt een sterke krijgsmacht willen, dan zal die autoriteit er snel moeten komen, zodat we tot die gezamenlijke inkoop gaan komen. Ik zal daarover ook vragen stellen aan het kabinet, maar ik hoop ook dat de coalitie van mening is dat het Draghirapport moet worden uitgevoerd, en dit dus ook.

De voorzitter:

Bent u aan het einde van uw inbreng?

Mevrouw Belhirch (D66):

Nee, nog niet.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw inbreng eerst afrondt. Daarna geef ik ruimte voor interrupties.

Mevrouw Belhirch (D66):

Ja, dat is goed. In een onzekere wereld hebben we daarnaast een krijgsmacht nodig die snel kan op- en afschalen. Reservisten zijn daarin geen bijzaak, maar een structureel onderdeel van onze paraatheid. Dat vraagt om meer dan incidentele oplossingen. Het vraagt om een samenhangende langetermijnstrategie. Ziet de staatssecretaris de noodzaak om het reservistenbeleid strategischer vorm te geven? Is hij bereid te bezien of wet- en regelgeving moet worden aangepast om rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor reservisten en werkgevers duurzaam te borgen?

Voorzitter. De wereld om ons heen is instabieler geworden. Dat vraagt hier om duidelijke en structurele keuzes. Historische investeringen brengen historische verantwoordelijkheid met zich mee, niet alleen om meer uit te geven, maar om daadwerkelijk sterker te worden als het gaat om paraatheid, slagkracht en betrouwbaarheid. Dat doen we niet voor vandaag alleen, maar voor de vrijheid en veiligheid van de generaties na ons. Veiligheid vraagt structurele inzet, niet tijdelijk, maar blijvend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog een vraag. Onze fracties hebben samen opgetrokken voor de 2 miljard voor Oekraïne. We hebben toen ook heel duidelijk gezegd: dat moet in het eerste kwartaal beschikbaar zijn voor Oekraïne. Waar is dat geld?

Mevrouw Belhirch (D66):

Goede vraag. De minister heeft de opdracht gekregen om te kijken hoe ze die 1,3 miljard kan vinden. Zoals ik al eerder zei, hebben we voor de komende drie jaar 3 miljard uitgetrokken. Binnen Europa is er 90 miljard uitgetrokken. Nederland zal 6 tot 9 miljard bijdragen. Het is ook belangrijk dat de bewindspersonen in nauw contact staan met Oekraïne over wat het nodig heeft. Het is vooral ook een vraag aan de bewindspersonen: hoe staat het er nu voor en wat zijn uw plannen met die 1,3 miljard?

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Even voor de duidelijkheid. Het oude kabinet zei: hier gaat de nieuwe ploeg over en die moeten het gewoon meenemen in de Voorjaarsnota. Kan ik rekenen op D66 om ervoor te zorgen dat we er alsnog gewoon voor staan? Oekraïne heeft dat geld nu nodig. We zien al dat de coalitie ervoor kiest om 2 miljard minder te sturen dan vorig jaar. Dat is niet toevallig die 2 miljard die we als Kamer hebben geregeld. Heb ik D66 aan mijn kant bij de Voorjaarsnota? Dan moet die breed aangenomen Kamermotie gewoon worden uitgevoerd. Het gaat om dat resterende, niet uitgegeven bedrag uit die motie.

Mevrouw Belhirch (D66):

We hebben onze naam daaronder gezet. Wij vinden het belangrijk dat Oekraïne het geld krijgt dat het nodig heeft. Wij wachten het antwoord af van de minister over hoe zij hiermee omgaat.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik wacht ook zeker het antwoord af, maar volgens mij is het hier in de Kamer gewoon aan fracties om duidelijk te maken wat wij verwachten van het kabinet. Ik reken op de steun van D66 om ervoor te zorgen dat dit bedrag gewoon duidelijk in de Voorjaarsnota komt.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Belhirch. Het woord is aan de heer Boon voor zijn inbreng in eerste termijn namens de PVV.

De heer Boon (PVV):

Voorzitter. Wie vandaag spreekt over de versterking van Defensie, moet eerst eerlijk durven zijn over hoe wij hier terecht zijn gekomen. Onder leiding van oud-minister-president Mark Rutte is onze krijgsmacht structureel uitgekleed. Terwijl de wereld instabieler werd, daalden de defensie-uitgaven tot ongeveer 1,1% van het bbp. Dat is ver onder de NAVO-norm en ver onder wat verantwoordelijk was. Dat was geen natuurverschijnsel. Dat waren politieke keuzes.

Onder Rutte werd de 41 Pantserbrigade opgeheven en gingen onze Leopardtanks de deur uit. Pantserhouwitsers werden afgestoten. De artilleriecapaciteit werd fors gereduceerd. De landmacht verloor zijn zware slagkracht. Bij de luchtmacht werden squadrons samengevoegd en werd vervanging van materieel uitgesteld. Daardoor namen transport- en helikoptercapaciteit af en kwam de inzetbaarheid onder druk te staan. Bij de marine verdwenen fregatten en ondersteuningsschepen uit de vaart. De mijnenjagersvloot werd verkleind. De vervanging van onderzeeboten werd járenlang vooruitgeschoven. Kazernes sloten hun deuren. Oefenterreinen verdwenen. Duizenden militairen en burgerpersoneelsleden verloren hun functie. Munitievoorraden werden zo ver teruggebracht dat zelfs trainen problematisch werd. De toenmalige D66-fractievoorzitter vernederde onze militairen door hen openlijk uit te lachen, met dat ze tijdens oefeningen "pang, pang" moesten roepen. Onze krijgsmacht werd gekleineerd en uitgekleed tot op het bot. Dat is de erfenis van Rutte. En vandaag betalen wij de rekening: miljarden om terug te kopen wat toen is verkwanseld; miljarden om te herstellen wat toen is gesloopt.

Mevrouw Belhirch (D66):

Een vraag aan de heer Boon. Kunt u zich Rutte I nog herinneren, waar ook de PVV in zat en waarin flink is bezuinigd?

De heer Boon (PVV):

Ja, dat kan ik mij zeker herinneren. Ik kan mij zeker herinneren dat de PVV toen ingezet heeft op 1 miljard extra voor de krijgsmacht. Alleen heeft de PVV dat niet voor elkaar gekregen; er is juist een miljard bezuinigd op Defensie. En ik vind het wel mooi dat de NRC een hele reconstructie heeft gemaakt van hoe dat nou kon: wie zat er nou achter die bezuiniging, wie ging er nou persoonlijk voor zorgen dat Defensie de genadeklap kreeg? Dat was meneer Rutte, onze oud-minister-president van de VVD. Hij heeft zich er persoonlijk voor ingezet dat Defensie kapot werd gemaakt. Ik kan me dat dus heel goed herinneren. Ik denk dat alle militairen in Nederland zich dat nog heel goed kunnen herinneren.

Mevrouw Belhirch (D66):

Nou, u zat ook in dat kabinet. Maar mijn andere vraag: hoe staat u nu dan tegenover deze investeringen?

De heer Boon (PVV):

Daar kom ik nog op. Maar ik sta er zeker positief achter; dat voorproefje wil ik u alvast geven.

De voorzitter:

U continueert.

De heer Boon (PVV):

Vandaag betalen wij dus de rekening: miljarden om terug te kopen wat toen is verkwanseld; miljarden om te herstellen wat er toen is gesloopt.

Voorzitter. Terwijl wij onze krijgsmacht afbraken, werd de wereld om ons heen steeds bedreigender. Vier jaar geleden viel Rusland Oekraïne binnen. Maar Rusland staat niet alleen. Er vormt zich opnieuw een as van het kwaad: landen die elkaar militair, technologisch en economisch versterken. China bouwt zijn militaire macht razendsnel uit en investeert massaal in cyberoorlogvoering en strategische beïnvloeding. Noord-Korea levert manschappen, munitie en raketten aan Rusland. Iran, waar de islamitische duivel, ayatollah Khamenei, gelukkig is geëlimineerd, vuurde zelfs raketten af richting Cyprus, een Europees land. Iran is al jaren de grootste sponsor van wereldwijd terrorisme. Het levert drones en andere wapens aan Hezbollah, Hamas en de Houthi's, en destabiliseert daarmee complete regio's. En er is hier één partij in dit huis die de Houthi's verheerlijkt als "fiere strijders". Ze zijn er weer niet. Maar laten we helder zijn: de Houthi's zijn een jihadistische terreurorganisatie die de sharia oplegt, homoseksuelen ter dood veroordeelt en vrouwen onderdrukt, en die de internationale scheepvaart aanvalt en daarmee onze economie direct raakt. Wanneer schepen in de Rode Zee worden aangevallen, lopen de transportkosten namelijk op en worden producten in de supermarkt duurder. Dat betaalt de Nederlandse consument. Wanneer energiecorridors worden bedreigd, stijgen gas- en stroomprijzen. Dat merkt ieder huishouden op de maandelijkse rekening. Wanneer onderzeese kabels kwetsbaar blijken, komt ook onze digitale infrastructuur in gevaar. Het raakt onze havens, onze bedrijven, onze communicatie.

Dagelijks worden westerse landen geconfronteerd met cyberaanvallen op ziekenhuizen, energiebedrijven en logistieke knooppunten. Dat zijn geen speldenprikken, maar gerichte pogingen om onze samenlevingen te ontregelen. Dit is geen ver-van-ons-bedshow. Dit raakt Nederland, dit raakt onze economie, dit raakt iedere burger. Hybride oorlog is geen toekomstscenario; het gebeurt nu. Als dit de dreiging is waar wij mee worden geconfronteerd, dan moet onze krijgsmacht daarop zijn gebouwd. Niet op papier, niet op beleidsnota's, maar met échte slagkracht: volle munitievoorraden, inzetbare brigades. Luchtafweer die drones en raketten uit de lucht haalt. Maritieme bescherming van onze Noordzee. Cybercapaciteit die tegenstanders afschrikt in plaats van ons alleen maar te laten reageren. Een sterke krijgsmacht is geen luxe. Het is een voorwaarde om als land te blijven bestaan. Die voorwaarde begint bij onszelf: bij het verdedigen van ons eigen grondgebied, bij ónze grenzen, bij ónze vitale infrastructuur, bij ónze zee- en luchthavens, bij ónze energievoorziening, bij ónze Noordzee, bij het Caribisch deel van het Koninkrijk. Eerst ons eigen huis veilig, en dan pas elders verantwoordelijkheid nemen.

Voorzitter. Vandaag staan we voor de taak om Defensie opnieuw op te bouwen; niet een beetje bijschaven, maar fundamenteel herstellen. Wat is afgebroken, moet worden hersteld. Wat is weggegeven, moet worden teruggebracht. Wij moeten onze krijgsmacht weer sterk maken. Die moet robuust, slagvaardig en onafhankelijk zijn. De feniks moet weer herrijzen uit het vuur, en dat begint hier.

De begroting voor 2026 laat zien dat Defensie groeit. De NAVO-norm van 2% wordt gehaald. Er wordt stevig geïnvesteerd in materieel, munitie, modernisering en uitbreiding van de capaciteit. De PVV steunt de investeringen die onze gevechtskracht daadwerkelijk versterken. Wij steunen de aanschaf van de Leopardtanks en de heroprichting van een volwaardig Nederlands tankbataljon. Wij steunen de moderne luchtdoelraketten en luchtverdedigingssystemen. Wij steunen investeringen in elektronische oorlogsvoering en in cyber- en ruimtecapaciteiten. Wij steunen de versterking van de marine en de bescherming van de vitale infrastructuur op de Noordzee.

Maar groei op papier is geen garantie voor slagkracht in de praktijk. Meer geld betekent niet automatisch meer gevechtskracht. Meer budget betekent niet automatisch meer paraatheid. Kan de minister garanderen dat deze begrotingsgroei niet verdwijnt in extra managementlagen, stafstructuren en diversiteitsadviseurs, maar dat die daadwerkelijk terechtkomt bij gevulde brigades, volle munitiedepots en inzetbare militairen?

De PVV ziet dat Defensie kampt met grote personeelstekorten. Er zijn naar schatting 14.500 nieuwe militairen nodig om de organisatie op sterkte te brengen. Tegelijkertijd is de arbeidsmarkt extreem krap. In 45 van de 59 beroepen die Defensie vraagt, bijvoorbeeld in ICT, techniek, transport, logistiek en zorg, is sprake van een zeer krappe arbeidsmarkt. Dat maakt het des te urgenter om het aanwezige personeel maximaal te benutten, en om geen onnodige drempels op te werpen. Wat gebeurt er met infanteristen en andere militairen in fysiek zware functies die na jaren inzet niet langer volledig operationeel inzetbaar zijn? Worden zij actief omgeschoold voor functies waar nu tekorten bestaan, zoals monteur, technicus of beveiligingsspecialist? Of blijven die vacatures extern openstaan, terwijl ervaren militairen de organisatie verlaten?

Voorzitter. Het gaat niet alleen om de doorstroom, maar ook om de instroom. Voor bepaalde gevechts- en beveiligingsfuncties gelden harde leeftijdsgrenzen bij aanstelling. Dat staat los van individuele fysieke en mentale geschiktheid. Neem als voorbeeld Jorrit Bergsma. Hij is 40 jaar, ónze olympisch kampioen, mentaal en fysiek uitzonderlijk fit. Toch zou zo iemand met vergelijkbare kwaliteiten in sommige functies niet eens mogen solliciteren, simpelweg vanwege een leeftijdsgrens op papier. Wat is de concrete onderbouwing van die grenzen? Waarom telt kalenderleeftijd zwaarder dan aantoonbare fysieke en mentale inzetbaarheid? Zijn deze grenzen nog houdbaar in een tijd van structurele personeelstekorten?

Voorzitter. Dan kom ik op een voor de PVV principieel punt. Het Wapen der Cavalerie krijgt weer een tanktaak; ons tankbataljon keert weer terug. Dat is herstel van onze zware slagkracht, maar de volledige stationering vindt plaats in Duitsland. Heropbouw van onze landmacht hoort ook zichtbaar te zijn op Nederlands grondgebied. Is de minister bereid te onderzoeken of een deel van het tankbataljon blijvend in Nederland kan worden geplaatst, zoals in het verleden ook het geval was?

Zonder munitie zijn tanks, artillerie en luchtafweer echter niets meer dan staal op rupsbanden. Nederland kan zich niet permitteren afhankelijk te blijven van buitenlandse leveranciers voor zoiets essentieels als munitie. In een crisis moeten wij nu eerst naar het buitenland bellen om onze krijgsmacht inzetbaar te houden. Onze militairen moeten kunnen rekenen op een eigen betrouwbare en structurele munitievoorziening. Zonder munitie geen inzetbaarheid. Daarom moet Nederland zelf munitie produceren en die productie structureel opschalen. Is de minister bereid hier concreet werk van te maken en munitieproductie op eigen bodem daadwerkelijk te realiseren?

Een ander punt. Ik wil niet te diep ingaan op de hele casus rondom chroom-6. De feiten, de rapporten en de juridische discussie zijn bekend. Maar achter die dossiers zitten mensen, voormalig en huidig Defensiepersoneel dat ziek is geworden, terwijl zij werk deden voor ons land. Ik wil vandaag wel het volgende vragen. Kan de minister toezeggen dat zij als nieuwe minister met open vizier en in alle redelijkheid een gesprek met de chroom-6-slachtoffers zal aangaan? Is zij bereid te luisteren, dingen opnieuw te bekijken waar dat nodig is en te zoeken naar oplossingen die recht doen aan deze mensen?

Dan nu onze veteranen, mannen en vrouwen die voor Nederland zijn uitgezonden en soms voor de rest van hun leven de gevolgen van hun inzet dragen. Erkenning en zorg zijn geen gunst, maar een plicht van de Staat. In deze begroting wordt geïnvesteerd in materiële en immateriële zorg, ondersteuning van het thuisfront en betere nazorg. Daar gaat extra geld naartoe, en dat is terecht. Ikzelf heb contact met jonge veteranen die psychische en sociale problemen hebben, maar moeilijk in beeld komen en zorg mijden. Hoe gaat de minister juist deze groep actief bereiken?

Voorzitter. De PVV steunt de inzet aan de oostflank van de NAVO, maar hoofdtaak 1 begint bij de bescherming van ons eigen grondgebied. Waarom sturen wij militairen naar het buitenland om onze grenzen te verdedigen tegen Russische dreiging, terwijl onze eigen grens onvoldoende wordt bewaakt? Waarom zijn er wel militairen beschikbaar voor inzet in het buitenland, maar niet voor structurele ondersteuning en bewaking van onze eigen landsgrens? We worden nu al aangevallen met hybride oorlogsvoering. Migratie is een van de wapens daarin. Kijk naar wat er in onze grote steden gebeurt. Groepen voornamelijk islamitische mannen in de militaire leeftijd, vaak Syrische statushouders of asielzoekers, maken hele wijken onveilig met intimidatie, straatterreur, berovingen en geweld. Zelfs linkse burgemeesters slaan alarm over ernstige overlast. Winkeliers durven hun zaak niet meer open te houden en bewoners voelen zich niet meer veilig in hun eigen buurt. Dit zijn geen incidenten meer; dit is structurele ontwrichting, recht in het hart van onze samenleving.

Dat is geen toeval. Dit is precies hoe hybride oorlogsvoering werkt: chaos zaaien zonder één schot te lossen. En wat doet de regering? Die stuurt soldaten naar Litouwen om de grens met Rusland te bewaken. Prima, maar onze eigen straten en wijken laat ze over aan deze ontwrichting. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Is de ongecontroleerde, structureel hoge instroom een veiligheidsdreiging voor Nederland? Is dit hybride oorlogsvoering tegen ons land? Zo ja, waarom verdedigen wij dan met man en macht de grenzen van andere landen, terwijl hier de asieltsunami van ongedocumenteerde asielzoekers maar doorgaat? Voor de PVV is het helder: hoofdtaak 1 begint hier, bij onze eigen grens. Wij willen defensie inzetten voor grensbewaking. Wie zijn grenzen niet controleert, geeft zijn land uit handen.

Voorzitter. Defensie is het zwaard en het schild waarmee wij onze vrijheid, rechtsstaat en manier van leven verdedigen, generatie op generatie. Onze vrijheid stond herhaaldelijk op het spel, door één en dezelfde dreiging: de islam, de strijd tussen vrijheid en de islam, de strijd tussen goed en kwaad. Die strijd is eeuwenoud en nog steeds actueel. Onze vrijheid is nooit een geschenk geweest. Zij is bevochten met bloed en vuur, door westerse militairen die hun leven gaven op het slagveld, zodat wij, hun nakomelingen, vandaag vrij kunnen ademen, vrij kunnen spreken en vrij kunnen leven in een samenleving die de onze is. Bij Tours, in Frankrijk, werd de islamitische opmars gestopt door Karel Martel. In 1492 viel Granada en eindigde de Moorse overheersing in Spanje. In 1683 werden de Ottomaanse legers bij het tweede beleg van Wenen teruggeslagen. Zonder koning Jan III Sobieski had dit het einde van de westerse wereld kunnen betekenen, maar gelukkig werd dit het begin van het verval van het Ottomaanse Rijk. Dit waren geen symbolische maatregelen; dit waren beslissende keerpunten voor het voortbestaan van onze samenleving. Dankzij die overwinningen leven wij vandaag in een vrije en democratische samenleving, gebouwd op rede, rechten en individuele vrijheid, en niet op onderwerping en sharia. Vrijheid die eeuwenlang met moed en offers is verdedigd, geven wij nu wel stap voor stap uit handen.

Defensie — u hoort het goed, voorzitter — organiseerde zelf een iftar. Zelfs de Commandant der Strijdkrachten, generaal Onno Eichelsheim, schoof daar officieel aan. Dat deed hij als hoogste militair van het Nederlandse leger, dus niet als privépersoon, maar in functie. Hij deed dat als generaal van de krijgsmacht. In plaats van onze vrijheid met hand en tand te verdedigen, viert hij een islamitisch feest, op kosten en initiatief van Defensie zelf. Waar helden als Karel Martel onversaagd streden tegen het kwaad, buigt de huidige commandant zich aan onderwerping. Wat vindt de minister ervan dat de hoogste generaal meedoet aan een Defensie-iftar? Staat zij toe dat de islam en de sharia nu gewoon binnen Defensie worden gevierd? Het mag duidelijk zijn dat de PVV wél tegen de islamisering van onze eigen krijgsmacht strijdt. Ons leger moet de vrijheid en democratie beschermen tegen dreigingen van buiten en van binnen. De islamitische ideologie, die onze rechtsstaat verwerpt, onze vrijheden haat en ons de sharia wil opleggen, verdient geen enkele ruimte binnen Defensie. Daarom zegt de PVV keihard en duidelijk: geen iftars, geen islamitische gebedsruimtes, geen Defensie-imams in ons leger en geen personeel met een dubbele nationaliteit. Deelt de minister dit standpunt of laat zij toe dat Defensie zelf het paard van Troje binnenlaat?

De heer Van Baarle (DENK):

Ik vind dat het mijn taak is als volksvertegenwoordiger om deze vormen van haat en verdachtmaking in het parlement altijd te weerspreken. Dit is niet alleen een kanonnade van haat in de richting van alle Nederlandse moslims, maar ook gewoon shoppen in en het vervalsen van de geschiedenis. De heer Boon weet namelijk ook dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in de legers van de geallieerden heel veel moslims uit bijvoorbeeld Marokko en de Kaukasus hebben meegevochten. Dat deden ze om uiteindelijk ook ons land te bevrijden van de tirannie van de nazi's. De heer Boon doet het hier voorstellen alsof er een soort tweestrijd zou zijn tussen "de westerse samenleving" en "anderen". Hij noemt de islam. Het is gewoon vervalsing van de geschiedenis. Ik zou hem willen vragen te stoppen met die verdachtmakingen en het in de verdachtenhoek plaatsen van al die Nederlandse moslims.

De heer Boon (PVV):

Ik wil hier graag op reageren, want het ís geen vervalsing van de geschiedenis. Overal waar de islam komt, verdwijnen vrijheid, gelijkheid en rechten. Daar verschijnt de sharia. Overal waar de islam verschijnt, ontstaan woestijnen. Ik wil van Nederland geen woestijn maken. Ik wil Nederland een vruchtbare oase houden. Daarom is hier geen plek voor de islam.

De heer Van Baarle (DENK):

De heer Boon heeft het feit dat hij überhaupt kan tellen, te danken aan de vooruitgang van heel veel Arabische en islamitische geleerden, die een enorme bijdrage hebben geleverd aan de wiskunde. Zo kan ik nog heel veel elementen noemen van de beschaving die de heer Boon nu noemt. Hij doet alsof die alleen westers zou zijn, maar die is juist ook gestoeld op de vooruitgang dankzij heel veel islamitische geleerden. De heer Boon verkoopt haat. Hij verkoopt ook klinkklare onzin. Daarmee geeft hij een klap in het gezicht van al het islamitische Defensiepersoneel. Zij dienen ook in het Nederlandse leger. Zij zitten in de Defensieorganisatie. Als het nodig is, zijn zij bereid om hun leven op te offeren voor mijn veiligheid en zelfs voor die van de heer Boon. Ik zeg tegen de heer Boon: geef die mensen geen klap in hun gezicht en stop met het zaaien van haat en verdeeldheid; stop met het wegzetten van die mensen die ons allemaal dienen.

De heer Boon (PVV):

Dat is grote onzin. Ik strijd juist tegen haat, tegen de haat van de islam, de haat van de sharia. Heeft u enig idee van wat er in de sharia staat over homoseksuelen? Die moeten van daken af worden gegooid. Over vrouwen? Mishandeling is gewoon toegestaan, zolang je geen botten breekt. Dat is laatst nog weer ingevoerd in Afghanistan. Ik noem de haat tegen Joden en de haat tegen christenen. Ik strijd juist tegen de haat. De PVV is opgericht om te strijden tegen deze islamitische haat en de haat van de sharia. Dat zullen wij altijd blijven doen, wat u ook zegt. Wij strijden tegen de haat.

De voorzitter:

Tot slot. Daarna gaan we weer terug naar de begroting van Defensie, zeg ik ook tegen de heer Boon, want die ligt vandaag ter bespreking voor.

De heer Van Baarle (DENK):

Dat klopt, voorzitter, maar als een groep van meer dan 1 miljoen Nederlanders hier in dit huis op deze manier verdacht wordt gemaakt en wordt weggezet, zie ik het als mijn taak om dat te weerspreken.

De voorzitter:

Dit was ook een opmerking voor de heer Boon. Dat u dit punt maakt, is meer dan terecht.

De heer Van Baarle (DENK):

Dat snap ik, voorzitter. De heer Boon bestrijdt geen haat. De heer Boon verkondigt haat. De PVV is haat, tot diep in de vezels. De heer Boon gaat niet in op wat ik zeg, namelijk dat de heer Boon het te danken heeft aan heel veel islamitische wetenschappers en aan de islamitische beschaving dat hij überhaupt kan tellen. De heer Boon reageert niet op het feit dat er talloze mensen zijn binnen de Defensieorganisatie met een islamitische achtergrond, die uiteindelijk voor ons allemaal hun leven willen geven. Stop met het verkondigen van haat. Stop met het verkondigen van onzin. Stop met het pompen van dit antimoslimgif in de Nederlandse samenleving.

De voorzitter:

Uw punten zijn gemaakt, maar ik zou echt willen voorstellen dat we weer teruggaan naar de begroting Defensie. De reconquista en alles uit de geschiedenis is zeer relevant, maar we bespreken volgens mij vandaag de begroting Defensie.

De heer Boon (PVV):

Ja, voorzitter, maar in die tijd streden wij tegen de islam voor vrijheid en we moeten nu vandaag de dag hetzelfde doen. Vandaag zien we ook dat het paard van Troje hier binnen is en onze vrijheden wil afpakken.

De voorzitter:

U continueert.

De heer Boon (PVV):

Wij zijn opgericht om daartegen te strijden. Ik kan hele verzen met haat van de islam noemen: "wanneer gij ongelovigen ontmoet, houwt in op hun nekken". Sorry, u ziet het misschien als liefde, maar ik zie dat als haat.

De voorzitter:

Ik zie helemaal niets, want ik zit slechts uw vergadering voor en die gaat vandaag over de begroting Defensie. Ik stel voor dat we daar gewoon weer het debat over gaan voeren.

De heer Boon (PVV):

Het ging over het paard van Troje dat we hebben binnengehaald binnen Defensie. Dat paard heet: islam en sharia. Daar zijn wij tegen, dus het was een heel legitiem punt en ik zal altijd blijven strijden tegen de islam en de sharia, zolang ik leef. Ik heb het hier gedaan, ik heb het gedaan in Afghanistan en ik blijf het doen. Ik heb gezien hoe de islam hele samenlevingen vernietigt en hoe het hele Midden-Oosten is vernietigd door de islam. U noemt allerlei uitvindingen — voorzitter, ik bedoel u niet persoonlijk — die uit de tijd komen van voor de islam, toen de wetenschap nog wel domineerde. Maar toen kwam de islam en de islam heeft alles kapotgemaakt. Dat wil ik in Nederland voorkomen. Ik wil dat onze kinderen in vrijheid leven en niet onder de sharia.

Voorzitter, ik ga verder. Ik wilde gaan afsluiten. De begroting bevat positieve elementen: meer geld, meer investeringen en meer nadruk op gereedheid. Ook wordt geïnvesteerd in veteranenzorg en erkenning en nazorg voor wie ons land heeft gediend. Dat steunen wij. Na jaren van afbraak is er noodzakelijk herstel. Maar geld alleen is niet genoeg; het gaat om keuzes. Focus op Nederland. Focus op onze eigen grenzen. Focus op gevechtskracht en niet op bijzaken, maar op bescherming van ons grondgebied en onze bevolking. Defensie bestaat namelijk om Nederland te verdedigen; onze vrijheid, onze veiligheid en onze manier van leven. Ik zeg al onze militairen, veteranen en burgerpersoneel dank. Nederland ziet wat u doet. Voor de veteranen: Nederland zag wat u deed. Nederland waardeert wat u doet. Voor de veteranen: Nederland waardeert wat u deed. Nederland moet weer een land worden dat zichzelf kan en durft te verdedigen. De PVV kiest voor een sterke krijgsmacht, sterke grenzen en een veilig Nederland. Eerst ons eigen land, altijd! Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Peter de Groot, voor zijn inbreng namens de VVD.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik zou willen beginnen met de minister en de staatssecretaris van harte te feliciteren met de nieuwe klus die wacht. Ik wil hun vooral heel veel succes wensen de komende jaren, want er ligt een aantal grote uitdagingen en er rust een grote verantwoordelijkheid op uw beider schouders. Dat als start.

Het stormt namelijk in de wereld. Met een oorlog op het Europese continent en een agressief Rusland dat zijn invloed probeert uit te breiden, is veiligheid niet langer vanzelfsprekend. Vrijheid en veiligheid vormen de basis onder onze samenleving en onze welvaart. Zonder veiligheid zijn al onze andere voorzieningen uiteindelijk kwetsbaar. Voor de VVD is het daarom helder: een sterke krijgsmacht is geen luxe, maar een absolute noodzaak. Daarom investeren we fors in Defensie. Daarom hebben we als coalitie afgesproken dat Nederland doorgroeit naar 3,5% van het bbp voor Defensie, in lijn met NAVO-afspraken. Wat de VVD betreft wordt dat percentage wettelijk verankerd, zodat onze krijgsmacht ook op langere termijn zekerheid heeft. Veiligheid is geen concurrerende uitgave; veiligheid is de randvoorwaarde voor onze manier van leven. Zonder veiligheid is uiteindelijk niets houdbaar.

We hebben het vandaag over plannen, cijfers en percentages, maar waar het echt over gaat, zijn de mensen die ons land veilig moeten houden. Ik ben zelf opgegroeid in Harderwijk, aan de rand van de Veluwe. In mijn jeugd zag ik eigenlijk niets anders dan onze militairen op straat op weg naar een oefening, naar een schietterrein op de Veluwe, om te oefenen en te kijken hoe zij paraat zouden kunnen zijn in het geval zij klaar zouden moeten zijn voor welk conflict dan ook. Ik heb geen andere herinnering dan die uit mijn jeugd, namelijk dat het de mensen zijn die onze krijgsmacht maken. Het zijn de mannen en vrouwen die dagelijks werken aan onze veiligheid. Militairen die trainen en oefenen en zich voorbereiden op het uiterste. Mensen die bereid zijn hun leven te riskeren voor Nederland.

We moeten ook stilstaan bij onze veteranen. Dat zijn namelijk ook mannen en vrouwen die namens Nederland op missie zijn geweest en vaak blijvende gevolgen dragen van wat zij hebben meegemaakt. Voor de VVD staat één ding vast. Wie bereid is zijn leven te riskeren voor Nederland moet erop kunnen vertrouwen dat Nederland er ook voor hem of haar is. Veteranen verdienen niet alleen waardering in woorden, maar ook zekerheid in daden. Onze zorgplicht stopt niet bij terugkeer van een missie. Daarom wil ik de minister vragen: kan zij garanderen dat onze veteranen niets tekortkomen? Als dat risico er wel is, wat gaat zij dan doen om dat te voorkomen?

Voorzitter. Nederland blijft Oekraïne ook onverminderd steunen: militair, financieel en humanitair. Hun strijd voor vrijheid is ook onze strijd. Daarom was het mooi om te zien — complimenten daarvoor — dat de minister van Defensie samen met de minister van Buitenlandse Zaken in een van hun eerste dagen naar Kiev zijn afgereisd om Oekraïne steun te betuigen op het moment dat Oekraïne een wrange mijlpaal van vier jaar oorlog haalde. Vier jaar waarin het dappere Oekraïense volk en de militairen vechten voor hun en uiteindelijk onze vrijheid. Kan de minister na haar bezoek aan Oekraïne aangeven en/of bevestigen dat Nederland voldoende doet om Oekraïne te steunen? In dat verband: kan de minister ook aangeven dat die steun in 2026 onverminderd blijft?

Dan ga ik naar de uitvoering. Extra geld voor Defensie is noodzakelijk, maar extra geld alleen maakt Defensie niet sterker. Voor de VVD gaat het om uitvoering en snelheid. In 2026 geven we 28 miljard uit aan Defensie, inclusief het materieelfonds. Dat zijn enorme bedragen. Die bedragen lopen de komende jaren fors op. Daar hoort ook een enorme verantwoordelijkheid bij, want elke euro belastinggeld moet terechtkomen waar die hoort: bij onze militairen, bij munitie, bij materieel en bij geoefende eenheden. Dus niet in bureaucratie, niet in vertraging en niet in plannen die op papier goed klinken, maar in de praktijk te lang duren. Militairen moeten merken dat het beter wordt. Nederland moet zien dat Defensie sterker wordt, en niet alleen Nederland, maar ook iedereen daarbuiten. Daarom vraag ik aan de staatssecretaris wat hij concreet gaat doen om de uitvoering te versnellen. Waar zitten nu de grootste knelpunten? Welke procedures moeten sneller? En wanneer zien we daarvan het resultaat? In deze tijd is onderuitputting namelijk geen administratief probleem; het is een veiligheidsprobleem.

Voorzitter. De krijgsmacht groeit dus fors de komende jaren. Dat vraagt mensen maar ook ruimte. Onze militairen moeten kunnen oefenen. Defensie moet zichtbaar zijn in onze samenleving en ook onze krijgsmacht moet fysiek en juridisch de ruimte krijgen om zich voor te bereiden op zijn taak. Dat betekent dat vergunningstrajecten sneller moeten, dat betekent dat procedures korter moeten en dat betekent dat de nationale veiligheid soms zwaarder moet wegen dan andere belangen. Dat zal lokaal soms best schuren — daar ben ik me van bewust — maar veiligheid vraagt soms om moeilijke keuzes. De VVD steunt de minister en de staatssecretaris bij het maken van die keuzes. Wel vraag ik aan de staatssecretaris of de Wet op de defensiegereedheid voldoende instrumenten biedt om deze procedures echt te versnellen en belemmeringen weg te nemen, want zonder die ruimte komt er geen groei en daarmee uiteindelijk geen sterkere krijgsmacht.

Voorzitter. Ook Europa moet binnen de NAVO meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen veiligheid. De VVD ziet niks in een Europees leger, zoals u weet. De inzet van Nederlandse militairen blijft altijd een nationale beslissing van deze Kamer, maar de Europese samenwerking moet wel worden verdiept, op alle niveaus. Wij willen een sterke Europese pijler binnen de NAVO, waarbij ook samen met bijvoorbeeld het VK en Noorwegen wordt opgetrokken. Dat betekent gezamenlijke investeringen, strategische capaciteiten en gezamenlijke inkoop waar logisch. Hoever zijn we hiermee, is mijn vraag aan de minister. Is er al een inventarisatie gemaakt van welke kritieke systemen en capaciteiten op termijn met andere EU-landen aangeschaft moeten worden? Daarbij blijft voor de VVD één punt helder: Nederland gaat niet garant staan voor schulden van andere landen.

De heer Boon (PVV):

Ik heb één vraag. Hoe kijkt de VVD aan tegen de keuze óf gezamenlijk inkopen óf het allerbeste materiaal voor onze militairen? Kiest de VVD er duidelijk voor dat we altijd moeten kiezen voor het allerbeste materiaal voor onze militairen en dat dan de gezamenlijke inkoop — jammer dan — niet van toepassing is?

De heer Peter de Groot (VVD):

Het allerbelangrijkste dat wij te doen hebben, is dat wij onze militairen moeten voorzien van het materiaal dat nodig is. Wij moeten opschalen als Defensie. Dat betekent dat we niet altijd de luxe hebben om te kiezen waar en wat we kopen. Het is goed dat we dat in Europees verband gezamenlijk doen. U noemde het al in uw eigen bijdrage. We weten wat er in het verleden weleens is gebeurd bij een tekort aan bijvoorbeeld munitie. We kunnen ons niet permitteren om daar keuzes in te maken. Voor de VVD staat voorop dat we die opschaling verzorgen en dat we ervoor zorgen dat onze militairen goed uitgerust zijn. Dat is precies de reden waarom ik aan de minister vraag wat we gezamenlijk kunnen doen en wat we zelf kunnen doen.

De heer Boon (PVV):

Ik begrijp dat je iets wat er niets is, niet kunt inkopen, maar als het er wel is, kiest u dan wel altijd voor het beste materiaal dat voorhanden is voor onze militairen? Of kiest u dan voor datgene wat partners gezamenlijk inkopen?

De heer Peter de Groot (VVD):

Uiteindelijk gaat het er hier over wat wij in Nederland doen. Wij willen uiteraard voor onze militairen het allerbeste hebben. Zo is het ook. Alleen, ik wilde wel ook het vorige antwoord geven, omdat het ten eerste belangrijk is dat we alles kunnen verkrijgen met elkaar.

De heer Dassen (Volt):

Ik zou graag over die gezamenlijke inkopen een vraag willen stellen. Het kabinet heeft dezelfde ambitie als de Europese Commissie, namelijk 40% gezamenlijke inkoop. We lezen in het coalitieakkoord dat de licentieovereenkomsten daar onderdeel van zijn. Daar wordt vaker mee gewerkt, waardoor Europese bedrijven hier kunnen produceren, maar dat gebeurt wel met een licentie van Amerikaanse technologie. Daarmee blijven we eigenlijk afhankelijk van die Amerikaanse technologie en zeggenschap. Is de heer De Groot van mening dat onder die 40% ook die licentietechnologieën vallen?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik ga straks nog iets zeggen over de defensie-industrie en over hoe ik daar vanuit de VVD naar kijk, maar ik denk dat datgene wat we hebben opgeschreven over wat we samen in Europa willen doen, een gezonde ambitie is. Als de VVD zou moeten kiezen tussen het wel of niet inkopen van defensiematerieel, munitie of wat we ook nodig hebben dat van de VS afkomstig is op korte termijn, dan zullen we er altijd voor kiezen om ervoor te zorgen dat we de Defensie die we nodig hebben, kunnen zijn met elkaar. We weten ook dat we de defensie-industrie in Europa verder moeten opschalen. We weten ook dat we daar als Nederland een belangrijke rol in kunnen spelen. Het belangrijkste wat voor de VVD overeind staat, is echter dat we onszelf voldoende kunnen equiperen.

De heer Dassen (Volt):

Dit is niet helemaal een antwoord op de vraag. Ik ben echt zoekende. Wat is nou de afspraak die deze coalitie hierover heeft gemaakt? Zijn zij van mening dat we die 40% minimaal moeten gaan investeren in de gezamenlijke Europese defensie-industrie, of zitten daar ook die licentieproducties bij vanuit de Verenigde Staten en eventueel andere landen als Israël? Dat zou namelijk betekenen dat we dus helemaal niet in een groot tempo onafhankelijk aan het worden zijn, maar dat we het gewoon anders opschrijven.

De heer Peter de Groot (VVD):

Het doel is om zo snel mogelijk onafhankelijk te worden. Ik schets alleen het dilemma dat we met elkaar hebben, namelijk dat we die ambitie hebben — dat hebben we ook met elkaar opgeschreven — maar dat het tegelijkertijd zo kan zijn dat op het moment dat wij specifieke strategische inkopen moeten doen, we dan ook afhankelijk zijn van partijen buiten de Europese industrie. Zo simpel is het nou eenmaal. Als je morgen een strategisch middel wil inkopen en je het niet zelf produceert in Europa, is het niet zo dat je dat niet buiten Europa zou moeten inkopen. Wat mij betreft staat die afspraak voor 40% en 50% helder in het coalitieakkoord en zullen wij met elkaar moeten werken aan een sterke defensie-industrie in Europa.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Dassen (Volt):

Voor mij staat het dus niet helder in het coalitieakkoord, omdat daarachter tussen haakjes iets staat over die licentieovereenkomsten. Ik probeer duidelijkheid te krijgen bij de VVD en bij D66 — ik zal het dadelijk ook bij het CDA vragen — over wat dat nu precies betekent. Als we echt onafhankelijk willen worden, dan moeten we gezamenlijk in Europa gaan investeren. Ik heb grote twijfels of het daadwerkelijk een grote ambitie is, als al die licentieovereenkomsten onderdeel zijn van die 40%-ambitie. Ik vraag aan de heer De Groot of hij mij daar duidelijkheid over kan geven. Is de VVD van mening dat onder die 40% ook die licentieovereenkomsten vallen?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik blijf bij het vorige antwoord. We zijn het erover eens dat we moeten werken aan onafhankelijkheid en aan de productie in Europa. Daarvoor hebben we deze afspraken met elkaar gemaakt. Daar heb ik niets meer aan toe te voegen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik hoorde de heer De Groot zeggen: we moeten sneller onafhankelijk worden. Even voor de duidelijkheid: betekent dat dus ook onafhankelijker van de enorme afhankelijkheid die we hebben van de VS?

De heer Peter de Groot (VVD):

Dat zou de VVD heel graag willen, maar de realiteit is dat we daar in NAVO-verband nog heel afhankelijk van zijn als het gaat over de verdediging van Europa. Dat is precies de reden waarom de VVD ook zo hard geknokt heeft bij dit akkoord om die 3,5% te gaan halen. We zullen alleen minder afhankelijk van Amerika worden als wij zelf die investeringen doen met elkaar, als wij er zelf voor zorgen dat we de Nederlandse industrie daarbij betrekken en als wij er zelf voor zorgen dat we als Europa een sterke pijler worden binnen de NAVO, en op geen enkele andere manier.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Even voor de duidelijkheid: het doel is nog steeds … In het akkoord van D66 en het CDA stond dat namelijk ook heel duidelijk. Sorry, het was geen akkoord: het was een stuk van die twee partijen. Daarin stond heel duidelijk dat het een doel is om onafhankelijk te worden van de VS. In het coalitieakkoord van deze drie partijen staat iets over de Europese pijler van de NAVO, maar ik vraag gewoon expliciet: betekent dat nog steeds dat we dus ook onafhankelijker willen worden van de VS?

De heer Peter de Groot (VVD):

Binnen die Europese pijler binnen de NAVO moeten wij gewoon een sterke partij worden. Zonder in een semantische discussie met elkaar te willen belanden: wij hebben als Nederland en als Europa heel veel te doen binnen die Europese pijler binnen de NAVO, anders kunnen we alleen maar naar Amerika blijven kijken, en volgens mij is het gezond als wij gewoon onze eigen broek weten op te houden.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Het is niet zo'n hele moeilijke vraag. Nu zie ik vooral dat kennelijk het enige waar de drie partijen het over eens konden worden, was: laten we maar iets opschrijven over die Europese pijler in de NAVO. Maar ik hoor hier toch echt een ander verhaal van D66. Dat betekent gewoon echt investeren in de Europese industrie en op langere termijn onafhankelijkheid van de Amerikanen. Diezelfde woorden hoor ik niet bij de heer De Groot. Ik doe nog één keer een poging. Betekent het versterken van die Europese pijler ook dat we onze afhankelijkheid van de Amerikanen moeten afbouwen?

De heer Peter de Groot (VVD):

Volgens mij heb ik dat net gezegd. Wij willen onafhankelijker worden van de Verenigde Staten. Alleen — ik blijf bij het antwoord dat ik daar net over heb gegeven — duurt dat een tijd. Wij moeten daarom werken aan die stevige pijler binnen de NAVO. Maar als Europa en als Nederland moeten wij onszelf gewoon beter kunnen verdedigen. Dus onafhankelijker: ja. Maar volledig onafhankelijk zie ik niet direct gebeuren.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik deel de opbouw naar die onafhankelijkheid, maar één element mis ik, namelijk het gesprek dat ik met hoge militairen had. In deze discussie is één ding erg belangrijk, hoe snel of langzaam we ook afbouwen met onder andere de Amerikanen, namelijk dat de afhankelijkheid van die technologie hoog blijft en dat de veiligheid van onze militairen leidend is. Laten we dus niet onverantwoord in avonturen stappen richting Europese onafhankelijkheid, die ik ook nastreef. Ik zie nu een afhankelijkheid van satellieten, AI en noem allemaal maar op. Laten we dit debat dus ook realistisch voeren. Is de VVD dat met mij eens?

De heer Peter de Groot (VVD):

Het korte antwoord is ja. Dat is waarom ik zoek naar de woorden voor wat "onafhankelijk" betekent. Dat betekent dat we als Nederland meer zelf moeten regelen. Dat betekent ook dat we dingen gezamenlijk moeten doen in Europa, bijvoorbeeld als het gaat om satellietcapaciteit, AI — daar ga ik zo nog wat over vragen — en het opschalen van een defensie-industrie in Europa met de nieuwe technologieën die nodig zijn, waar ik zo ook nog even kort op terugkom. Ik denk dat dat allemaal voorwaardelijk is voordat je op een gegeven moment kunt zeggen: nu worden we onafhankelijker en laten we onze militairen niet in de steek als er iets belangrijks langskomt.

De heer Struijs (50PLUS):

Dank voor uw antwoord. De veiligheid van onze burgers en militairen moet altijd leidend zijn.

De voorzitter:

U vervolgt.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dank u wel. Dat is een mooie afhechting, zou ik zeggen.

Dan ga ik naar de defensie-industrie. Dat is het laatste onderwerp dat ik zal aansnijden. Investeren in defensie betekent namelijk ook gewoon investeren in Nederland. Als we richting die structurele opgave van 3,5% van het bbp gaan, moeten we ervoor zorgen dat onze eigen defensie-industrie kan meegroeien.

Voor de VVD is de defensie-innovatieautoriteit, naar voorbeeld van DARPA, vooral belangrijk als instrument om de defensie-industrie op te schalen. Innovatie is een belangrijke pijler waarvoor samenwerking bij investeringen in de industrie hét verschil maakt. Uiteindelijk zijn het de bedrijven die nieuwe technologieën moeten kunnen produceren. Goede ideeën zijn pas waardevol als ze leiden tot systemen en technologieën die beschikbaar zijn voor onze militairen. Er wordt daarbij tot diep in militaire oefeningen en bij echte gevechtsomstandigheden samengewerkt met ondernemers. Zo kunnen technologieën en systemen snel worden doorontwikkeld.

Daarom moet de aanbesteding eenvoudiger worden en moeten kleinere bedrijven beter toegang krijgen tot opdrachten. Daarom moet Defensie investeren in langdurige samenwerking met Nederlandse bedrijven. Ik vraag daarom aan de minister: hoe gaat de defensie-innovatieautoriteit concreet bijdragen aan het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie? Hoe zorgen we ervoor dat Nederlandse bedrijven daadwerkelijk kunnen doorgroeien? Hoe zorgen we ervoor dat innovatie sneller wordt omgezet in productie en inzetbare capaciteit? Als laatste vraag: hoe gaan we borgen dat we op het gebied van AI innovatief kunnen concurreren met andere grootmachten zoals China en de VS, zonder dat we onszelf verstikken in strengere ethische regels dan onze rivalen hebben? Investeren in Defensie is ook investeren in onze veiligheid, strategische autonomie en Nederlandse banen.

Voorzitter, ik kom tot een slot. Laat ik afsluiten met het volgende. De VVD steunt deze begroting, omdat investeren in Defensie noodzakelijk is. Steun betekent niet vrijblijvendheid. Het gaat om kráchtige uitvoering, met voldoende snelheid. Resultaat in de opschaling is namelijk keihard nodig. Elke euro belastinggeld moet bijdragen aan een sterkere krijgsmacht, voor onze veiligheid, voor onze militairen en voor onze veteranen.

Dank u wel.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik ben het erg eens met wat de heer De Groot in abstracte zin zegt over investeringen in de Nederlandse industrie. Om het toch even concreet te maken, denk ik aan een voorbeeld: de investeringen in de bergingscapaciteit. Die kunnen oplopen tot 1 miljard euro. Het vorige kabinet heeft dat uitbesteed aan een Duitse concurrent. Op zo'n punt vraag je je toch echt af: kan zo'n investering, met een producent als Rheinmetall in Ede, niet gewoon in Nederland blijven?

De heer Peter de Groot (VVD):

Dat is precies de reden waarom ik deze vragen stel. Ik ben zelf ook bij een aantal maritieme bedrijven geweest die zich bezighouden met technologie die uiteindelijk in de defensie-industrie gebruikt kan worden. Dat is natuurlijk iets dat wij moeten koesteren. Ik denk dat met name de maritieme industrie in Nederland belangrijk is, vooral vanwege onze geschiedenis daarmee. Ik zie ook kansen voor opschaling van bijvoorbeeld droneproductie. We moeten kijken hoe we het hier kunnen houden, maar ook hoe we het hier kunnen vermarkten. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat als wij iets maken, de andere Europese landen daar dan ook gebruik van moeten kunnen maken.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank voor deze reactie. Ik maak het even iets concreter. Het is een feit dat deze hele grote opdracht is uitbesteed aan een Duitse concurrent. Hoe kijkt de heer De Groot daarnaar vanuit zijn VVD-bril?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik heb net al iets gezegd over hoe we die aanbestedingen moeten vormgeven en wat voor effort we op dat vlak moeten doen. Ik heb daar ook vragen over gesteld aan de minister.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn vraag aan collega De Groot gaat over iets anders. We gaan nu heel veel investeren. Ik zie heel veel vacatures staan voor het kerndepartement. Mijn zorg is dat we straks een zelfrijzend bakmeel krijgen aan heel veel mensen van goede wil, maar dat we niet écht de slagkracht krijgen voor onze defensie. Is collega De Groot het met mij eens dat we de komende jaren even moeten opletten dat we niet een eindeloze groei krijgen van de beleidsmatige kant van de overheid, maar dat we juist een groei krijgen van de slagvaardige kant van de overheid?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik vind dit een hele mooie vraag. Ik denk dat we de kracht van onze strijdkracht pas kunnen vergroten als we de operationele capaciteit, de technologie en de inzet vergroten. Dus ja, ik kan het er eigenlijk alleen maar mee eens zijn dat we hiervoor moeten opletten.

Dan het tweede deel van het antwoord. Ik denk dat we op bepaalde beleidsterreinen vacatures hebben die we moeten invullen, zodat we de opschaling kunnen vormgeven. Ik denk dat dat ook belangrijk is. Ik vind echter wel dat er geen onevenwichtigheid moet ontstaan.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik zou willen voorkomen dat het de consultants zijn die ons vertellen hoe wij de opschaling gaan vormgeven. Ik zou dit juist heel graag zien vanuit de vakkennis die we op het ministerie hebben. Ik denk dat het belangrijk is dat we die vakkennis laten groeien en dat we niet tijdelijke krachten krijgen die duurbetaald een poosje een klus gaan doen. Is collega De Groot het met mij eens dat het kabinet daar juist zicht op moet houden? Dan kunnen we over tien jaar namelijk zeggen "we hebben geïnvesteerd in dat wat blijft" en niet "we hebben van alles gezaaid, en maar een paar bloemen geplukt".

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik zou graag een vergelijking willen maken met hoe ik dat zelf in het bedrijfsleven heb gezien. De kracht moet in de uitvoering zitten. De mooiste innovaties en technologieën worden ook ontwikkeld op de werkvloer. In algemene zin zou ik willen zeggen dat de doorgroei daar moet plaatsvinden.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn laatste vraag ziet op de wendbaarheid van de investeringen. Als ik namelijk iets heb gezien in de oorlog in Oekraïne, dan is het hoe razendsnel de ontwikkelingen gaan. Waar we vandaag in investeren, is overmorgen mogelijk achterhaald. Is collega De Groot het ook met mij eens dat we moeten bekijken of onze aanbestedingen voldoende wendbaar zijn om de industrie in staat te stellen om zich te verhouden tot nieuwe oorlogsvoering, in plaats van dat we aanbestedingen hebben en dingen blijven aanschaffen die niet meer of beperkt nuttig zijn?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik ben het er helemaal mee eens. Dat was eigenlijk de reden van mijn inbreng net. Ik heb aangegeven dat aanbestedingen daarom ook eenvoudiger moeten worden. Ik vind ook dat er in de samenwerking tussen Defensie en het bedrijfsleven dicht op de gevechtsomstandigheden gewerkt moet worden. Van daaruit kunnen de aanpassingen die nodig zijn weer teruggelegd worden bij bijvoorbeeld de inkooporganisatie van Defensie. Ik vind vooral dat dat beter moet werken en niet tegengehouden moet worden door juridische regels. Daar moet de snelheid gemaakt worden. Als je namelijk kijkt hoe dat op dit moment op andere plekken gaat — ik noem alleen maar Oekraïne — dan zie je dat je snel wendbaar moet zijn om dit voor elkaar te krijgen. Ik ben het dus helemaal met mevrouw Bikker eens.

De heer Boon (PVV):

Ik vraag mij af of de heer De Groot al zijn spreektekst al uitgesproken heeft, want ik miste volledig een stuk over hybride oorlogsvoering. Ik heb daar in mijn spreektijd ruim de tijd voor ingeruimd. Ik heb ook aangetoond dat wij worden aangevallen. Zelfs de EU heeft in whitepapers gezegd dat migratie een wapen is, dat nu al wordt ingezet. We hebben gisteren de tunnels in Polen gezien. Die zijn gegraven door terroristen, waarschijnlijk van Hamas of IS; dat is nog niet bekend. Polen werd volledig overspoeld door migranten. Die migranten blijven niet in Polen, maar komen hier. Dat zien we iedere week in Ter Apel, waar de cijfers blijven stijgen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Boon (PVV):

Waar is het antwoord van de VVD op deze hybride oorlogsvoering?

De heer Peter de Groot (VVD):

Volgens mij wordt de hybride oorlogsvoering binnen Defensie volledig erkend. Het is belangrijk om hierin door te groeien, om daar oog voor te hebben en om dat aan te pakken. Het is onderdeel geweest van mijn bijdrage. Ik heb het niet specifiek gehad over de marine, de luchtmacht of de landmacht. Ik heb een meer integrale inbreng geleverd over Defensie en daar maakt dit onderdeel van uit.

De heer Boon (PVV):

U zegt "aanpakken", maar ik heb nog geen begin gehoord van hoe u dit wilt aanpakken. Die gasten die door de tunnels komen, die migranten die als wapen worden ingezet, lopen gewoon door tot Ter Apel. Die komen gewoon in onze buurten. Hoe wilt u dat aanpakken? De PVV heeft een heel duidelijk plan, een tienpuntenplan zelfs: grenzen sluiten, Defensie inzetten. Dat lijkt ons het allerbeste middel om in te zetten tegen de hybride oorlogsvoering. Wat is nou het begin van het antwoord dat de VVD hierop heeft?

De heer Peter de Groot (VVD):

Kijk, het gaat niet alleen over deze vorm van hybride oorlogsvoering. Het gaat bijvoorbeeld ook over cyberoorlog of over ondermijning. Denk aan informatieverstrekking. Daar moeten we allemaal heel erg gespitst op zijn bij Defensie. Vergeef het mij, het is mijn eerste debat als defensiewoordvoerder. Ik heb me een week kunnen inlezen, maar het is ontzettend veel. Ik heb me vooral gefocust op de vraag hoe we sneller Defensie kunnen opbouwen. Ik zal daar op een ander moment zeker nog op terugkomen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

In het coalitieakkoord staat de ambitie, waar mijn fractie zeer voor is, voor het openbreken van die gesloten defensiemarkten. Dan luister ik naar de inbreng van de heer De Groot, zeker in respons op de collega van de SGP, en denk ik: ik hoor toch weer vooral een pleidooi voor die nationale markt. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar?

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik pleit er namens de VVD voor dat wij ervoor zorgen dat investeringen ook in Nederland gaan landen. Ik bedoel de ontwikkeling — daar maakt onder andere DARPA onderdeel van uit — dat Defensie samenwerkt met Nederlandse bedrijven om die technologie, bijvoorbeeld als het gaat om drones of andere vormen van inzet van technologie, ook in Nederland te ontwikkelen, zodat we die ook kunnen exporteren. Daarvoor is het natuurlijk nodig dat we die markt openbreken. Dat werkt natuurlijk twee kanten op; laten we wel zijn. Dat is ook de reden dat we met elkaar gezamenlijk gaan inkopen, zodat we dingen die we in Nederland niet produceren, in andere landen inkopen. Zo zou dat systeem volgens mij moeten werken.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Het staat toch een beetje op gespannen voet met elkaar. Als wij vooral bij andere Europese landen gaan bepleiten "zet je markt open en zorg ervoor dat er ook Nederlandse bedrijven op kunnen komen", dan kunnen wij hier niet nationaal een verhaal houden dat wij ons geld vooral nationaal willen besteden. Dat is precies waar de angst bij mij zit: dat juist nu er veel meer geld beschikbaar komt voor defensie, al die Europese landen dat vooral nationaal gaan besteden, in plaats van te zorgen voor een Europese markt, waarbij Nederlandse bedrijven juist onderdeel zijn van die keten. Ik zie u knikken. Wat is uw reactie daarop?

De heer Peter de Groot (VVD):

Misschien heb ik daar niet scherp genoeg op geantwoord. Het zijn twee verschillende dingen. We zullen als Europa en defensie-industrie met z'n allen moeten opschalen. Waar het om gaat, is dat wij in Europa voldoende zelf produceren van datgene waar elk land goed in is qua productie en wat we nodig hebben met elkaar, zodat we meer van onze defensie-investeringen hier kunnen doen en bijvoorbeeld niet alleen maar Amerikaans wapentuig moeten kopen. Daar gaat het over. Mijn pleidooi gaat erover dat we ervoor zorgen dat een deel van de investeringen die we als Nederland doen, ook in onze industrie landt, bij de dingen waar wij goed in zijn, waar wij goede technologieën op kunnen ontwikkelen. Dus ik ben het er helemaal mee eens dat er een ecosysteem ontstaat in Europa dat ervoor zorgt dat we ook zelf goed geëquipeerd zijn.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ja, afrondend. We gaan zien hoe het uitpakt. We hebben vaak gezien in landen dat niet per se wordt gekeken naar die efficiëntie, maar dat men het nog belangrijker vindt dat geld nationaal besteed wordt. Als we dat gaan doen met 381 miljard euro jaarlijks in Europa, dan is dat heel veel geld dat heel inefficiënt besteed gaat worden. Dus ik hoop de VVD daarin aan mijn zijde te krijgen.

De heer Peter de Groot (VVD):

Daar gaan we zeker samen naar kijken. Ja. Maar mijn pleidooi is ook dat niet al het geld over de grens heen gaat en dat we goed kijken hoe we ervoor zorgen dat we een deel daarvan in onze eigen economie kunnen steken. Dus het is wat de VVD betreft wel en-en, maar wel op de juiste en meest efficiënte manier.

De voorzitter:

Een korte interruptie van de heer Dassen. Daarna krijgt mevrouw Nanninga het woord.

De heer Dassen (Volt):

Het allergrootste deel van de uitgaven aan materieel doen we buiten de Europese Unie. Als we nu zorgen dat we daarvan een heel groot gedeelte binnen de Europese Unie gaan uitgeven, dan hebben we daar allemaal veel profijt van. Ik denk dat dat de inzet zou moeten zijn. Om daar te komen, moeten we inzetten op die Europese aankoopautoriteit. Ik ben benieuwd hoe de VVD daarnaar kijkt, dus dat er gezamenlijk in Europa voor de landen wordt aangekocht.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dat hebben we ook afgesproken in het coalitieakkoord.

De heer Dassen (Volt):

Dat is heel mooi. Het staat natuurlijk niet expliciet genoemd. Het is onderdeel van het Draghi-akkoord. Dan is de VVD het er dus mee eens dat een Europese inkoopautoriteit namens de landen de aankopen gaat doen?

De heer Peter de Groot (VVD):

Volgens mij staat in het coalitieakkoord de afkorting EDM; ik weet de precieze naam niet. Volgens mij gaan we daarin verkennen hoe we dat op een goede manier met elkaar kunnen doen. Anders moeten wij nog eens even doorpraten over wat het technische verschil is tussen een inkoopautoriteit en het EDM. Ik dacht namelijk dat dat hetzelfde was.

De voorzitter:

Dank u wel. Heel kort, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Daar zit dus inderdaad een verschil. Een EDM is niet iets wat binnen de Europese Unie gedaan wordt, terwijl het rapport-Draghi stelt dat dat juist wel moet gebeuren. Daar zit dus een verschil, ook tussen de manieren waarop daarnaar gekeken wordt. Daar moet inderdaad nog over gesproken worden, want als je het Draghirapport wil uitvoeren, moet je een Europese inkoopautoriteit hebben.

De heer Peter de Groot (VVD):

Misschien kunnen we dat tijdens de lunch doen, meneer Dassen.

De voorzitter:

Ja, daar gaan we zo naartoe.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Maar niet voordat we mevrouw Nanninga het woord geven voor haar inbreng in de eerste termijn namens JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Dank, voorzitter. Ik heb nu een beetje een kikker in de keel. Dat is ook lastig.

Anyway, Nederland haalt met deze demissionair opgestelde begroting net de 2%-norm, maar de tijd waarin dat voldoende was, is alweer voorbij. We zullen moeten doorgroeien naar 3,5%. We zijn dan ook blij dat het nieuwe kabinet deze lijn volgt en uiteindelijk toewerkt naar 19 miljard extra voor defensie. Het is wel zaak om ervoor te zorgen dat deze miljarden daadwerkelijk voor een sterkere defensie gaan zorgen. Daarover leven bij JA21 een aantal zorgen.

Sinds 2021 zien we een oplopende onderbesteding en steeds meer kasschuiven. In 2024 bleven er opnieuw miljarden liggen. Enerzijds hoort dat natuurlijk bij het karakter van de Defensiebegroting, omdat je afhankelijk bent van veel externe factoren. Anderzijds moet je wel een idee hebben van hoe dit te voorkomen wanneer wij, en vooral ook de rest van de NAVO, gigantisch veel meer geld gaan uitgeven. De kernvraag is niet alleen of we het georganiseerd krijgen om dat geld uit te geven. De vraag is ook wat we ervoor terugkrijgen. Als onderbesteding wordt opgelost doordat prijzen met 30% of 40% stijgen, zijn we per saldo niet verder. Dan betalen we simpelweg meer voor dezelfde wapensystemen, dezelfde munitievoorraden en dezelfde inzetbare capaciteit. Dat vergroot wel het budget, maar niet de gevechtskracht.

Ik wil daarom graag, al dan niet vertrouwelijk, concreet geïnformeerd worden over volume en niet alleen over het budget: hoeveel zware wapensystemen, hoeveel artilleriegranaten, hoeveel drones? Prijzen zijn namelijk volatiel en zeggen steeds minder over de daadwerkelijke capaciteit. Als de Kamer geen zicht heeft op concrete aantallen, dan is controle op de effectiviteit bijna onmogelijk. Ik vind deze informatie op dit moment simpelweg niet te controleren. Kortom, ik hoor graag van de minister hoe zij borgt dat extra geld daadwerkelijk leidt tot meer materieel en meer inzetbare capaciteit, en niet alleen tot hogere facturen.

Voorzitter. Al die miljarden moeten natuurlijk ook iets opleveren voor Nederland zelf. Defensie-uitgaven zijn ook investeringen in technologie, productie en innovatie. De vraag is hoe we die groei benutten om onze eigen economische positie te versterken. Er wordt gesproken over 40% gezamenlijke Europese inkoop en 50% inkoop bij Nederlandse en Europese ondernemers. Dat klinkt ambitieus, maar wat prevaleert als de doelen botsen? Wat weegt zwaarder? Dat is geen waardeoordeel, maar gewoon een vraag. Wat weegt zwaarder, de snelheid van levering of Europese industriepolitiek?

Daarnaast wordt een defensie-innovatieautoriteit naar het voorbeeld van DARPA aangekondigd, met een oplopend aandeel tot mogelijk 10% van het defensiebudget. Dat zijn hele forse bedragen. Hoe gaan we voorkomen dat dit overhead wordt, een extra bestuurlijke laag in plaats van een versneller en aanjager van innovatie? Welke concrete resultaten verwacht de minister binnen deze kabinetsperiode? Wat is de scope hiervan? Ik wil hier graag een toezegging op of meer duidelijkheid over. Anders overweeg ik op dit punt een motie.

Voorzitter. We moeten daarbij realistisch blijven over Europese ambities. Vorige week las ik nog een bericht over het nieuwe, gezamenlijke Europese jachtvliegtuig, het Future Combat Air System. Die ontwikkeling is zo goed als dood. Duitsland en Frankrijk worden het niet eens. Dit voorbeeld laat zien hoeveel Europa nog achterloopt op de VS. Ik begrijp dan ook niet dat veel partijen hier denken dat we onafhankelijk kunnen worden van Amerika, onze trans-Atlantische relatie. Europese versterking is zeker nodig, maar de NAVO blijft de hoeksteen van onze veiligheid. Zonder de Verenigde Staten is de afschrikkingskracht van Europa fundamenteel zwakker. Langjarige allianties verbreek je niet vanwege een tijdelijke politieke wind. Onze relatie met de VS is weleens beter geweest en de heer Trump is een bijzonder figuur, maar onze defensiebehoefte is structureel.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Nanninga is het misschien niet eens met de scenario's die mijn fractie voor zich ziet, maar laten we gewoon even een ander scenario pakken. Amerika is volledig gecommitteerd aan de NAVO, aan artikel 5, maar er gebeurt iets in Azië. China doet een inval in Taiwan. De Amerikanen zeggen: wij hebben nu alle middelen nodig in dat deel van de wereld. In dat opzicht, wat is het dan waarvan mevrouw Nanninga zegt dat we ons erop moeten voorbereiden? Dit is gewoon een reëel scenario, waarvan onze eigen inlichtingendiensten ook zeggen dat dit die window of vulnerability is waar we rekening mee moeten houden.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Ik ben het helemaal met mevrouw Piri eens. Het is interessant dat zij China noemt. Dat is een gevoelige slag toegebracht doordat het ook is afgesneden van de Iraanse olietoevoer dankzij Donald Trump, maar dit terzijde. Ik ben het dus helemaal eens met dat we ook onafhankelijker moeten worden van de NAVO en van Amerika, zeker. Maar het idee dat wij onafhankelijk van Amerika of de NAVO zouden kunnen opereren, is onzin. Je moet dus diversifiëren; je moet niet al je eieren in één mandje stoppen. Dat ben ik helemaal eens met mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Nou, dat is fijn. Maar laten we dan ook vooral geen karikatuur maken, zou ik zeggen, alsof GroenLinks-PvdA zou zeggen dat we morgen volledig onafhankelijk zouden moeten zijn van de Amerikanen. Ik denk gewoon dat we voor onze veiligheid, als het gaat om strategische autonomie, veel sneller, echt veel sneller, deze slag moeten maken, vanwege allerlei scenario's, waarvan ik er zonet eentje heb geschetst.

Mevrouw Nanninga (JA21):

De karikatuur die ik heb beluisterd, is "onafhankelijkheid van de Verenigde Staten". Als dat niet is gezegd door GroenLinks-PvdA, dan niet. Als het wel is gezegd, dan vind ik dat een karikatuur. De woordvoerder van de VVD zei terecht: onafhankelijker van de Verenigde Staten. Maar onafhankelijkheid daarvan is niet mogelijk en onzes inziens ook niet wenselijk.

Mevrouw Belhirch (D66):

Mevrouw Nanninga zei net dat het belangrijk is om ons belastinggeld goed uit te geven, maar ze zette ook kritische vraagtekens bij Europese samenwerking. Nu is het zo dat we, als we Europees samenwerken, ongeveer tussen de 75 en 100 miljard euro besparen. Ik zou dan zeggen dat dat heel goed is voor ons belastinggeld. Hoe kijkt mevrouw Nanninga daarnaar?

Mevrouw Nanninga (JA21):

Zeker. Wij zitten fijn op het standpunt "het Nederlands belang gaat altijd voor". Dus waar we dingen nationaal, bij het Nederlandse bedrijfsleven, kunnen aanbesteden, moeten we dat zeker doen; en als het Europees kan, dan Europees. Dat moeten we per geval, per aanbesteding, per contract bekijken. Maar we staan hier voor het Nederlandse belang. Wij zien graag dat het Nederlandse bedrijfsleven, de Nederlandse maakindustrie, hier zo veel mogelijk van profiteert, en dat we niet onnodig, om maar Europees te doen, maar zo veel mogelijk gaan uitbesteden. Maar ik ben het helemaal met D66 eens dat het ook zeer voordelig kan uitpakken.

Mevrouw Belhirch (D66):

Erkent mevrouw Nanninga dat we, als we het als Nederland niet alleen aankunnen, juist de Europese defensie-industrie nodig hebben om onze veiligheid te garanderen?

Mevrouw Nanninga (JA21):

Ik heb mezelf niet horen zeggen dat we Europa niet nodig hebben.

Mevrouw Belhirch (D66):

Daarom is het juist belangrijk om te onderstrepen dat we ook moeten investeren in een betere Europese samenwerking, en ook in de Europese defensie-industrie.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Ik heb mijzelf net niet het tegendeel horen beweren. JA21 is niet tegen Europese samenwerking op defensie; wij zien daar zeker het nut van in. Maar ik wil hier wel een lans breken en een heel duidelijke markering maken: wij denken wel altijd eerst vanuit het nationale belang, dus dat we wat nationaal kan, wat in Nederland kan, ook echt in Nederland moeten doen en dat we dat niet over de grens moeten brengen of overal Europees moeten onderbrengen.

De voorzitter:

U vervolgt.

Mevrouw Nanninga (JA21):

Dank u. Waar was ik? Zonder de Verenigde Staten is de afschrikking ... Nee, ik was hier: Trump. Ja, die is ingewikkeld, maar onze alliantie moet er wel zijn en heeft ook bestaansrecht. Ik hoor graag van de minister hoe zij verder de relatie ziet tussen het belang van Europese versterking, die wij ook nodig achten, en het behouden van de trans-Atlantische relatie. In dat kader ook nog even dit, in het kort. De uitnodiging van president Macron om te spreken over een nauwere Europese nucleaire samenwerking, een tweede levensverzekering naast de NAVO, kan heel interessant zijn, maar wat JA21 betreft moet het nadrukkelijk en-en zijn, niet of-of. Je wilt niet de ene afhankelijkheid inruilen voor de andere. Wij willen niets afdoen aan de trans-Atlantische relatie en de Amerikaanse nucleaire paraplu blijft voor ons de primaire garantie. We willen weten of deze gesprekken zijn afgestemd met de Verenigde Staten, en hoe dit zich verhoudt tot bestaande NAVO-verplichtingen.

Dan, voorzitter, Oekraïne. Voor de periode 2027 tot en met 2029 is jaarlijks 3 miljard euro gereserveerd. Dat bedrag wordt vanaf nu ingepast binnen het uitgavenkader. Tegelijk gaf Defensie eerder zelf aan dat de benodigde steun eerder dik boven de 4 miljard per jaar lag, en de afgelopen jaren zaten we ook op dat niveau. Is 3 miljard structureel voldoende of is dit een politiek vastgesteld plafond? Wij willen namelijk geen automatische ophoging van dit bedrag, maar we willen wel graag helderheid over de aannames. Als 3 miljard onvoldoende blijkt, hoe wordt dat dan opgevangen? Gaat dat ten koste van de eigen gereedheid? Wordt er alsnog een beroep gedaan op de algemene middelen? Wij zien overigens voor 2026 helemaal geen ophoging, klopt dat? Of is de minister nog van plan om dat ergens vandaan te halen? Zo ja, waarvandaan, en hoeveel dan exact?

Voorzitter. Een ander punt dat al jaren speelt, is de beveiliging van kritieke militaire infrastructuur. In een tijd van hybride dreiging en sabotage is het moeilijk te verdedigen dat de basisbeveiliging niet volledig op orde is. Ik begrijp eigenlijk niet waarom dit niet allang geregeld is. Mij dunkt dat geld niet meer het argument kan zijn. Waar gaat dit nu, operationeel gezien, nog steeds mis? Hoezo is dit probleem zo hardnekkig? Wat is er zo ingewikkeld aan het beveiligen van kritieke militaire infrastructuur? Het is niet dat we daar als Defensie geen ervaring mee hebben. We verwachten hier in mei meer informatie van de Rekenkamer over, maar dat duurt nog best wel lang. Ik hoop, maar verwacht vooral, dat het kabinet hier nu al kan toezeggen dat dit probleem wordt aangepakt en opgelost. Graag een reactie.

Voorzitter. Dan wil ik het nog hebben over strategische autonomie, met name in praktische zin. Dan bedoel ik: systemen die in aantallen inzetbaar zijn, zoals munitie, granaten en drones. De oorlog in Oekraïne laat zien dat massa weer telt. Dan heb ik een vraag over de Nederlandse maakindustrie. Ik wil hier als JA21 het volgende toch echt heel duidelijk markeren: alles wat in Nederland gemaakt kan worden, moet in Nederland gemaakt worden. Hoe kijkt de minister naar een Nederlandse munitiefabriek? Hoe worden bedrijven gestimuleerd om de productie op te schalen? Zijn er bepaalde regels die we kunnen versoepelen om dat aantrekkelijker te maken? Wat doet de staatssecretaris al? Is de staatssecretaris het met ons eens dat het, zolang de productie nog niet op niveau is, zinvol is om in ieder geval grote strategische voorraden aan te leggen? Hoe staat het bijvoorbeeld met de dronefabriek bij VDL? Ik begrijp dat dit misschien ook gevoelige informatie kan zijn, dus het zou ook vertrouwelijk mogen.

Voorzitter. Tot slot wil ik graag van de minister en de staatssecretaris weten hoe zij zich in deze termijn gaan onderscheiden van hun voorgangers. Waarop kunnen we deze twee bewindspersonen over vier jaar afrekenen? Wat zijn zaken waar zij zich nou echt extra voor gaan inzetten? We zijn daar heel erg benieuwd naar.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Nanninga.

De voorzitter:

Ik schors tot 13.45 uur voor de lunch.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is de regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor dinsdag 10 maart aanstaande ook te stemmen over de ingediende moties bij het wetgevingsoverleg over de begrotingsonderdelen die zien op digitalisering.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het tweeminutendebat Leven Lang Ontwikkelen en laaggeletterdheid (CD d.d. 04/03), met als eerste spreker het lid Tseggai van GroenLinks-PvdA.

Op verzoek van het lid Van der Plas stel ik voor haar motie (27625, nr. 723) opnieuw aan te houden.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan is de voortzetting van de begroting van Defensie aan de orde. Voordat ik de heer Van Lanschot het woord geef, geef ik het woord aan mevrouw Piri voor een punt van orde.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ja, voorzitter, ik heb een punt van orde. We hebben een brief van het kabinet gekregen deze ochtend, waarin wordt gemeld dat er een verzoek van de Fransen om bijstand ligt. Daarboven staat: artikel 100. Even voor de duidelijkheid: een artikel 100-brief kan natuurlijk pas naar de Kamer worden gestuurd als het kabinet een besluit heeft genomen. Dan komt dat met een motivering naar de Kamer en dan volgt een Kamerdebat. Mijn informatieverzoek is het volgende. A: ik neem aan dat het om een urgent besluit gaat, dus wanneer gaat het kabinet hier een besluit over nemen? B: kunnen wij dan meteen, op basis van een artikel 100-brief van het kabinet, het debat voeren? Ik ben namelijk bang dat als we dit tot dinsdag of woensdag laten liggen, dat te laat is. Vandaar mijn vraag, ook agendatechnisch: moeten wij iets inplannen voor morgen of overmorgen? Graag een reactie van het kabinet.

De voorzitter:

De vraag is even of de minister nu een toelichting kan geven op dat verzoek. Dat is het geval, zie ik. Dan geef ik kort het woord aan de minister.

Minister Yeşilgöz-Zegerius:

Dank u wel. Ik kan het in ieder geval proberen, want ik denk dat ik de vraag goed begrijp. Wij hebben dat verzoek gekregen, maar wij hebben daar zelf ook nog heel veel vragen bij. Het leek ons alleen een heel gekke figuur om, als we dat verzoek hebben liggen en hier met elkaar spreken over Defensie — weliswaar over de begroting voor dit jaar, maar toch — niet transparant met u te hebben gedeeld dat dat verzoek er ligt. Om die reden is die brief nu dus al uitgegaan.

Al deze vragen worden as we speak uitgezocht. Wat is de inzet van de Fransen? Wat wordt er concreet van ons verwacht? Wat gaan wij wel of niet doen? Dat besluit is inderdaad nog niet genomen. Ik denk dat we luid en duidelijk hebben gehoord wat mevrouw Piri zegt: informeer ons meteen zodra het kabinet een besluit heeft genomen en we iets gaan doen. Maar het eerlijke antwoord is dat ik nu nog niet weet wanneer dat is, omdat wij ook al deze vragen hebben. Ik heb veel contact met de mensen bij ons die dat uitzoeken en met de Fransen, maar ik denk niet dat we het aan het einde van de dag duidelijk hebben en dat we het dan morgen kunnen doen. Ik zal zorgen dat we het, zodra wij het weten, volgens de processen die we met elkaar hebben afgesproken, zo snel mogelijk doen. Dat probeerden we ook vanochtend te laten zien met dat briefje: meteen transparant maken waar we naar kijken.

De voorzitter:

Is dat afdoende voor nu, mevrouw Piri?

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ja, voorzitter. Ik neem aan dat in afwachting van het besluit van het kabinet het schip wel alvast die kant op gaat. Ik denk dat dat hier nu de moeilijkheid is. Maar ik hoor de toezegging van de minister dat er niks gaat gebeuren zolang de Kamer, mocht dat besluit vallen, niet gewoon een volwaardige artikel 100-procedure heeft kunnen voeren met het kabinet.

De voorzitter:

Ik zie non-verbale instemming vanuit de zijde van het kabinet.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Lanschot voor zijn inbreng namens het CDA in de eerste termijn.

De heer Van Lanschot (CDA):

Voorzitter. "Ik vrees dat we niets anders hebben gedaan dan een slapende reus wakker maken en hem vervullen met een verschrikkelijke vastberadenheid." Dat zou de Japanse admiraal Yamamoto gezegd hebben na de aanval op Pearl Harbor. Door oorlog in Europa, spionage en sabotage staan onze vrijheid en veiligheid weer op het spel. Nederland en Europa zijn inmiddels wakker, maar nog niet uit bed. We moeten in onafzienbare tijd in actie komen en gereed zijn voor een grootschalige confrontatie, die we dan moeten voorkomen. Het CDA heeft er vertrouwen in dat we grote stappen kunnen zetten op vier fronten: manieren, middelen, mensen en mindset.

Met manieren bedoelen we de samenwerking met de EU en NAVO-partners. Allereerst is het essentieel dat we Oekraïne blijven steunen. Daarom is het goed dat daarvoor 9 miljard is opgenomen in het regeerakkoord. Terecht wees de collega van GroenLinks-PvdA er al op dat er ook nog een deel ontbreekt, namelijk 1,3 miljard. We zijn benieuwd welke mogelijkheden de minister ziet om dat te adresseren.

Ten tweede is er nog geen doorbraak in de Oekraïense vredesbesprekingen. Toch is het belangrijk dat onze Kamer zich gaat voorbereiden op een mogelijk verzoek tot Nederlandse deelname aan een internationale afschrikkingsmacht. Wat zijn de randvoorwaarden voor succes? Welke exitstrategieën zijn er en welke lessen leren we uit het verleden? Dit soort vragen moeten we gaan beantwoorden. Daarom zal het CDA tijdens de volgende procedurevergadering een verzoek doen om de experts van de AIV, de Adviesraad Internationale Vraagstukken, hierover voor de zomer aan de Kamer te adviseren.

Ten derde juicht onze fractie het toe dat dit kabinet in Europa een leidende rol wil spelen. Vanochtend informeerden de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken, zoals net werd verteld, ons over het Franse verzoek voor de defensieve inzet van ons luchtverdedigings- en commandofregat Zijner Majesteits Evertsen bij de verdediging van met name Cyprus. De CDA-fractie heeft een positieve grondhouding ten opzichte van deze inzet en zal een definitief besluit nemen na nadere bestudering van het exacte verzoek. Wij steunen ook de uitnodiging van Frankrijk voor nucleaire samenwerking.

Voorzitter. Belangrijk is ook het opzetten van de Europese pijler in de NAVO. Wanneer kunnen we van de minister een brief verwachten van de Nederlandse positie daarin?

Voorzitter. Ten vierde zien we in de EU fragmentatie van materieel. Wij hebben negentien verschillende tanks en de VS hebben er één. Dat gaat zo door op allerlei fronten van het materieel. We kopen dus langs elkaar heen. Dat betekent verschillende onderdelen en onderhoudslijnen. Dat kost geld, tijd en inzetbaarheid. Het CDA wil daarom maximale Europese standaardisatie van materieel.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik ben blij dat ook de heer Van Lanschot vraagt wat we nog met die 1,3 miljard euro gaan doen. Dat staat dus genoteerd, net als bij de D66-fractie. Ik ben ook benieuwd. Ik hoop gewoon dat we dat gaan regelen.

De vraag die ik heb is eigenlijk als volgt. Het uitzenden van militairen, op welke manier dan ook, is het zwaarste besluit dat je hier in de Kamer kan nemen. Nu hebben we geloof ik anderhalf uur geleden een brief binnengekregen, waarvan de minister zegt: ik heb er zelf ook nog veel vragen over en we hebben er nog geen besluit over genomen. Ik begrijp dat in het laatste uur de CDA-fractie al vergaderd heeft of ze hier welwillend tegenover staan? Hoe moet ik de uitspraken van de heer Van Lanschot duiden?

De heer Van Lanschot (CDA):

Mevrouw Piri duidt dit uitstekend. De CDA-fractie heeft een positieve grondhouding ten opzichte van dit verzoek. We hebben het de hele ochtend gehad over meer Europese samenwerking en over het opbouwen van een afschrikwekkende krijgsmacht. Dit Franse verzoek is daar een goed voorbeeld van. Het gaat om defensieve inzet in de Middellandse Zee. Daarom hebben wij een positieve grondhouding. Dat wil nog niet zeggen dat wij instemmen met dat verzoek als het er komt, maar we willen wel alvast duiden dat wij hier in de basis positief tegenover staan.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het gewoon best raar. We hebben net een verzoek ontvangen dat letterlijk alleen maar een verzoek is, zonder details, zoals: om hoeveel man gaat het precies, om welke inzet gaat het, wat is de duur en wat is het doel? Laat ik het als volgt zeggen. Ik zou collega Van Lanschot in ieder geval willen meegeven nooit lichtvaardig te doen over dit soort besluiten. Dit zijn de zwaarste besluiten die je als Kamer kunt nemen. Het is prima dat u in principe altijd zegt: verzoeken van bondgenoten nemen wij altijd serieus. Dat is ook de grondhouding van GroenLinks-PvdA. Maar geef hier alstublieft geen blanco cheques terwijl we nog niet eens weten wat er aan de hand is.

De heer Van Lanschot (CDA):

Een korte reflectie. Een positieve grondhouding wil nog niet zeggen dat het een definitief besluit is. Daarvoor is natuurlijk het exacte verzoek leidend.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik hoorde het CDA niet alleen "een positieve grondhouding", maar ook het woord "steunen" zeggen. "Wij steunen het verzoek tot nucleaire samenwerking van de Fransen." Dat klopt, hè? Wat steunt u dan precies? Wat houdt dat verzoek voor nucleaire samenwerking met de Fransen in?

De heer Van Lanschot (CDA):

Wat dat verzoek inhoudt, hebben we allemaal in de krant kunnen lezen en in de speech van Macron kunnen horen. Het CDA steunt dit omdat je samen sterk staat. Collega Nanninga noemde dit al terecht "een tweede verzekeringspremie op nucleair gebied". Die kunnen we uitstekend gebruiken.

Mevrouw Dobbe (SP):

Als het CDA de informatie uit de kranten haalt, dan hebben wij gewoon dezelfde informatie als het CDA. Wij weten niet precies wat dat verzoek inhoudt. Er is bijvoorbeeld een optie dat Nederland meedoet aan nucleaire proeven. Steunt het CDA dat bij voorbaat? Wat voor proeven zijn dat dan? Hoe vaak gaan we die dan doen? Welke steun wordt hier nu gegeven door het CDA, toch ook een coalitiepartij? Er zouden kernwapens in verschillende landen worden geplaatst. Steunt het CDA het plaatsen van kernwapens op Nederlandse bodem? Waar moeten die kernwapens dan komen? Heeft het CDA hier meer informatie over dan wij of is het gewoon "we steunen alles wat de Fransen ons vragen op kernwapengebied en we zien wel wat we zo meteen moeten doen"?

De heer Van Lanschot (CDA):

We hebben evenveel informatie als de andere Kamerleden. Nucleaire proeven die we samen gaan doen, heb ik niet teruggezien, wel samen trainingen over nucleaire inzet doen, het onderhouden van de faciliteiten en inderdaad plaatsing. Dat gebeurt nu ook al met de Amerikaanse nucleaire afschrikkingsmacht die we hebben.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Het is echt heel erg zorgelijk dat het CDA, een grote partij, een coalitiepartij, zo lichtzinnig omgaat met kernwapens en het uitbreiden van kernwapenarsenalen. Kernwapens zijn massavernietigingswapens. Je moet die niet willen gebruiken. Nog los van de vraag of je dat wil of niet, maak je jezelf ook een doelwit als je ze plaatst. Waarom geeft het CDA hier een soort vrijbrief aan de Fransen door te zeggen het te steunen, terwijl het CDA duidelijk ook geen idee heeft van wat het inhoudt? Komen er zo meteen kernwapens op Nederlandse bodem? Moeten wij meedoen met nucleaire proeven? Dat is helemaal nog niet bekend. Ondanks dat dat niet bekend is, zegt het CDA: we steunen dat, want dat vinden we belangrijk. Het CDA heeft echter geen idee. Klopt dat nou?

De heer Van Lanschot (CDA):

Het CDA steunt de uitgestoken hand van Frankrijk op het gebied van het versterken van de nucleaire samenwerking. Er zijn misschien partijen in deze Kamer die dat bij voorbaat afwijzen. Dat zou ik heel onverstandig vinden. U heeft het CDA niet horen pleiten voor meer kernwapens, want het zou ook met herverdeling van de bestaande voorraad kunnen. Dit zijn allemaal uitwerkingsvragen waar het kabinet mee aan de slag gaat. Het is nu nog te vroeg om die hier in detail te bespreken.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Lanschot (CDA):

Dank, voorzitter. Ik was aan het vertellen hoe belangrijk het is om in Europa te standaardiseren op het gebied van materieel, zodat wij effectiever kunnen inkopen. Kan de staatssecretaris een plan sturen, het liefst zo snel mogelijk, met daarin de meest voor de hand liggende standaardisatiekeuzes en potentiële EU-partners waarmee we dat kunnen doen?

Dan ga ik verder met de middelen. Het is goed dat we versneld opschalen naar 3,5%, zeg ik terwijl de heer Dassen aan komt lopen.

De voorzitter:

Die ik het woord geef voor zijn interruptie.

De heer Dassen (Volt):

Ik heb aan D66 en de VVD gevraagd hoe het nou zit met die 50%. Zijn de licentieovereenkomsten daar ook onderdeel van? Die vraag zou ik ook graag aan het CDA willen stellen.

De heer Van Lanschot (CDA):

In het coalitieakkoord staat inderdaad: gezamenlijke inkoop bij Nederlandse en Europese ondernemers van materiaal (inclusief licentie en onderhoud). Dus ja, licenties horen daarbij.

De heer Dassen (Volt):

Dat is in ieder geval een helder antwoord; het is een ander antwoord dan dat ik net kreeg. Ik kan meteen door naar de volgende vraag, kijkend naar de voorzitter. Mijn vraag gaat over de gezamenlijke inkoopautoriteit. Draghi geeft aan dat we die moeten hebben. Is het CDA van mening dat er inderdaad een Europese inkoopautoriteit moet zijn die namens de lidstaten van de Europese Unie materieel gaat aankopen?

De heer Van Lanschot (CDA):

Misschien eerst een stap terug. Draghi heeft een gezaghebbend rapport uitgebracht. Dat is door velen omarmd, maar door weinigen zijn er echt acties op schaal uitgevoerd, een procent of 10. Volgens mij is het een bijzonder interessant idee dat Draghi genoemd heeft. Het zou ook een goed instrument kúnnen zijn in het effectiever samen Europees inkopen. Of we dat zouden moeten inzetten, vind ik echt een vraag die het kabinet primair moet beantwoorden.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Dassen (Volt):

Afrondend, voorzitter. Het komt uit het Draghirapport. Volgens mij staat in het coalitieakkoord dat het Draghirapport onverkort uitgevoerd gaat worden. Ik hoop dus dat het kabinet duidelijk aangeeft dat we dit gaan doen. Doet het dat niet, dan zijn de teksten in het coalitieakkoord een beetje dubbelzinnig. Als er iets in staat, dan moet het uitgevoerd worden, zou ik zeggen.

De heer Van Lanschot (CDA):

Ik zie een aanmoediging van de heer Dassen, namelijk dat het kabinet het Draghirapport goed ter hand neemt en de goede ideeën oppakt en uitwerkt.

De heer Boon (PVV):

Hoorde ik nou goed dat het CDA gewoon Volt links voorbijgaat en onze inkoopverantwoordelijkheid wil weggeven aan de Europese Unie, waardoor wij zelf niet meer gaan over onze inkoop? Heb ik dat nou daadwerkelijk goed gehoord?

De heer Van Lanschot (CDA):

Dan heeft u iets anders gehoord dan ik gezegd heb. Ik heb gezegd dat er een kans is om effectief in te kopen. Bij inkopen op schaal heb je inkoopkorting, zoals de meeste mensen weten die uit het bedrijfsleven komen, en ook de mensen die niet uit het bedrijfsleven komen overigens. Dit lijkt me een kans die je niet a priori moet wegcijferen.

De heer Boon (PVV):

Dat was de vraag niet. De vraag is: vindt u dat Nederland altijd zelf verantwoordelijk moet blijven voor wat wij inkopen en die verantwoordelijkheid niet aan de Europese Unie moet overdragen? Wij beslissen wat voor materieel, munitie en wapens onze mannen krijgen en niet de Europese Unie.

De heer Van Lanschot (CDA):

Ik zou niet noodzakelijkerwijs willen uitsluiten dat we samen inkopen. Dat lijkt me zeer onverstandig en geen goede inzet van belastingcenten.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Boon (PVV):

De laatste opmerking. Dan heb ik toch goed geconcludeerd dat het CDA Volt links voorbijgaat.

De heer Van Lanschot (CDA):

Voorzitter, ik vervolg mijn betoog.

De voorzitter:

Ja.

De heer Van Lanschot (CDA):

We waren bij de middelen. 3,5% in 2035 is prettig, maar geld alleen maakt ons niet veilig. Een van de belangrijke zaken die we moeten doen, is meer innovatief publiek-privaat samenwerken met het bedrijfsleven, overheden en onderwijsinstellingen. Daarom roept onze fractie op tot een herziene Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie. Dit in het afgelopen jaar opgeleverde document beschouwen wij, misschien niet heel parlementair gezegd, als een losse flodder. Daarin worden geen echte keuzes gemaakt noch smart doelstellingen in opgenomen. Wij verwachten dus eigenlijk een herziene strategie, waarin onder andere het volgende staat: een doorvertaling van de doelstellingen uit het regeerakkoord, zoals gezamenlijke Europese inkoop, voorfinanciering van de industrie en oprichting van de defensieautoriteit — die is door meerdere collega's al genoemd vandaag — en het identificeren van knelpunten in toeleveringsketens, vanuit het perspectief van zowel de OEM's als de toeleverende mkb-leveranciers. Bij zo'n industrie-innovatiestrategie moet je natuurlijk ook nauw het bedrijfsleven betrekken. We gaan ervan uit dat dat gebeurt. We zullen hiervoor een motie indienen in de tweede termijn.

DEFPORT is zo'n mooie publiek-private samenwerking. Daarvan ziet onze fractie de potentie in. We horen graag van de staatssecretaris waar we nu staan. Welke meetbare doelen stelt DEFPORT zich? Welke lessen kunnen we trekken op het gebied van publiek-private samenwerking in Oekraïne, zoals met Dignitas en Brave1? Wanneer kunnen we — ik citeer uit de begroting — "voorstellen in het kader van productie en opschaling" verwachten? En hoe zorgen we ervoor dat DEFPORT op voldoende afstand van Defensie opereert, zodat, net als in het succesvolle Brainportmodel, de publiek-private belangen gebalanceerd vertegenwoordigd kunnen worden?

Voorzitter. Ten derde is het belangrijk dat we innovatie in de praktijk brengen. Kan de staatssecretaris daarom toezeggen een inventarisatie te maken van campussen en clusters waar Defensie een leidende rol bij speelt? Ik maak dit even concreet. Tijdens een prachtig werkbezoek bij Vliegbasis Woensdrecht begrepen we dat er een mogelijke deelname verkend wordt van Defensie in de Hive Aerospace Collective, met als doelstelling een gelijkwaardiger partnerschap van de defensie-industrie en overheden. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat we kansen als deze effectief benutten? Kan hij ons ook iets vertellen over hoe we gezamenlijk innovatie met Oekraïne, zoals het kosteneffectief neerhalen van Shaheddrones, verder kunnen stimuleren?

Dan een wat meer zorgelijke ontwikkeling die we lezen in het rapport van de Rekenkamer, namelijk dat van de 103 projecten groter dan 50 miljoen een kwart meer dan zes jaar vertraagd is. Dat moet beter, vinden we. Kan de staatssecretaris ons vertellen wat er nodig is om die projecten vlot te trekken? Dat hoeft niet nu, maar dat kan ook in een brief of in een reguliere P&C-cyclus. Kan de staatssecretaris ons daarover blijven informeren? In april spreken we verder over de ruimte voor Defensie. Het CDA — ik geef alvast een voorproefje — gaat dan kijken of we zij aan zij staan met gemeentes en provincies in de uitvoering daarvan en of we ook de koppelkansen pakken met knooppunten rondom de militaire infrastructuur en civiele infrastructuur.

Voorzitter. Het laatste punt gaat over regels binnen het blokje middelen. Wij vragen ons af wat de minister en staatssecretaris gaan bijdragen aan het tegengaan van de regeldruk, een belangrijk thema in dit regeerakkoord. Alles staat of valt met onze mensen, niet alleen met tanks. In het coalitieakkoord is terecht opgenomen dat de samenleving weerbaar en samenredzaam moet zijn. Daarvoor moeten we een aantal zaken doen. Allereerst moeten we bouwen aan een schaalbare krijgsmacht met minstens 122.000 medewerkers. Er werden hier al een aantal vragen over gesteld. Ook het CDA wil van de staatssecretaris graag een, in goed Nederlands, strategic resource planning. Daarin zijn we eigenlijk benieuwd naar een paar zaken. Wat is nou de beoogde compositie? Denk aan reservisten, beroeps et cetera. In welk jaartal zou dit bereikt moeten worden? Hoe ziet het beoogde groeipad eruit? Wat zijn de talentpools? Dat is ook weer goed Nederlands. Hoe verhoudt dit zich tot het huidige groeipad? Als we dat allemaal weten — ik zie de collega's in vak K lachen — dan hebben we er zicht op of we een beetje op schema lopen of dat er extra maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld het flexibeler omgaan met medewerkers die nu vanwege hun leeftijd uitstromen en die we hartstikke goed kunnen gebruiken; de heer Struijs noemde het al. Onlangs heb ik ook vragen gesteld over de rechtspositie van reservisten. Ik ben benieuwd wanneer die antwoorden naar de Kamer komen, voorzitter.

Dan spreken we in het notaoverleg in juni …

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag gaat hierover. Het gaat over het opschalen van de krijgsmacht. Ik hoorde de heer Van Lanschot hier nu al allerlei opties noemen die heel redelijk zijn, en die ze ook gewoon in het coalitieakkoord hadden kunnen zetten in plaats van die selectieve opkomstplicht. Waarom is er dus meteen gekozen voor die escalatie naar de selectieve opkomstplicht?

De heer Van Lanschot (CDA):

Volgens mij staat dat er niet in. Er staat in: we schalen de krijgsmacht op en we bereiden dat voor als het niet snel genoeg gaat.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Zeker. We hebben nu 76.000 mensen. In het coalitieakkoord staat: als we binnen vier jaar niet op 122.000 zitten, dan is dit een serieuze overweging.

De heer Van Lanschot (CDA):

Dat klopt. Reflecterend op het debat vanochtend vind ik dat we er ook gewoon open en eerlijk over moeten zijn dat we wat vragen aan onze samenleving voor onze vrijheid, welvarendheid en onafhankelijkheid. Dat betekent ook dat dit een mogelijkheid is. Laten we even in cijfers denken. Een cohort is ongeveer 200.000 per jaar. Als 10% daarvan, dus 20.000 mensen, geïnteresseerd is in Defensie, kom je al makkelijk aan je aantal.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Hartstikke leuk, dit soort rekensommetjes, maar helaas is de ervaring iets hardnekkiger dan dit. Defensie doet al heel lang haar best om het personeel te laten groeien en dat is echt niet op het niveau dat we nu kunnen zeggen: als we op deze weg doorgaan, zit dat op 122.000 in 2030. Ik vind het dus zeer problematisch ... Kijk naar een land als Zweden, dat zo'n selectieve opkomstplicht heeft. Waar komt dat op neer? Elk jaar moeten twee of vijf jongeren de gevangenis in en moeten 3.000 jongeren geldboetes betalen omdat ze weigeren te komen terwijl ze geselecteerd zijn. Is dat daadwerkelijk wat we moeten doen om het draagvlak voor onze Defensie hoog te houden?

De heer Van Lanschot (CDA):

Meteen over dit soort escalaties praten vind ik dit debat in het absurde trekken. Laten we een paar dingen constateren. Allereerst hebben 17-jarigen — ik denk dat velen van ons dat herkennen — soms een steuntje en een duwtje in de rug nodig, zo van: Defensie, is dat niet iets voor jou? Ten tweede zit Defensie ook niet te wachten op mensen die niet gemotiveerd zijn; laten we daar ook gewoon eerlijk over zijn. We kunnen later nog praten over welke maatregelen je kunt nemen als het halen van de doelstelling echt heel krap wordt. Laten we dit vooral zien als een kans om aan iedereen in Nederland te vragen om een steentje bij te dragen voor onze veiligheid.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik vind dat een mooi bruggetje, want daar ging eigenlijk precies mijn vraag over. Mijn vraag ging niet alleen over ruimte voor Defensie, waar we nog over gaan spreken, maar ook over een beetje trots op Defensie. Ik gaf in mijn bijdrage al aan dat ik zelf op de Veluwe ben opgegroeid. Je was er gewoon trots op dat daar militairen waren. Je zou eigenlijk trots moeten zijn dat er straks een F-35 vanuit Flevoland opstijgt om ons land te verdedigen. Daar gaat mijn vraag ook over. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de kinderen van families die zich nu zorgen maken over geluidsoverlast en straks misschien in de file staan voor een colonne, er misschien toch wel in geïnteresseerd zijn om zich straks bij Defensie te voegen? Wat hebben wij dan nog meer te doen vanuit de Kamer?

De heer Van Lanschot (CDA):

Overlast zal er gewoon zijn. In sommige landen wordt dat "het geluid van vrijheid" genoemd. We moeten accepteren dat die overlast er is. Tegelijkertijd moeten we een inspirerende propositie neerzetten voor de krijgsmacht. Een heel goed voorbeeld daarvan is dat militairen weer vaker in uniform in het openbaar te zien zijn, met dank aan de huidige staatssecretaris, die zich daar hard voor heeft gemaakt. Daar moeten en mogen we gewoon fier op zijn.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik ben blij met dit antwoord, maar ik zou willen stoppen met zeggen dat we overlast van defensie ondervinden. We hebben profijt van ze, als dat straks nodig is. Ik denk dat we dat ook moeten gaan uitstralen met elkaar. Ik zou dus in dat commissiedebat met elkaar verder willen kijken hoe we aan voldoende personeel komen. Als we praten over ruimte voor defensie, moeten we ook echt meenemen hoe we families in Nederland weer trots maken op de defensie. Zo zorgen we ervoor dat het in de genen komt dat je daar een bijdrage aan levert. Ik hoorde mevrouw Bikker daar eerder in het debat iets over vragen, maar ik zou op dit punt echt nog meer in deze Kamer samen willen optrekken.

De heer Van Lanschot (CDA):

Met de nuance dat sommige mensen toch echt overlast zullen ervaren als ze hun boerderij moeten verplaatsen omdat daar een landingsbaan voor een F-35 komt, neem ik de uitgestoken hand om daar verder over door te praten graag aan.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik hoorde het CDA net zeggen dat het in de huidige situatie, met betrekking tot Iran, steun zou uitspreken. Nou lees ik net in de persberichten dat Iran inmiddels Turkije heeft aangevallen. Dat is een bericht van een halfuur geleden. We worden nu dus best snel door de feiten ingehaald. Als er vanuit de Kamer op korte termijn een verzoek komt voor steun aan Amerika en Israël in de strijd tegen Iran, kunnen we dan rekenen op de steun van het CDA?

De heer Van Lanschot (CDA):

Dit zijn zeer hypothetische scenario's. Daarbij helpt het niet om hier publiekelijk over te speculeren. Dat ga ik dus ook niet doen.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Daar wil ik toch op reageren, want we hebben wel snelle beslissingen nodig. Ons Europees grondgebied wordt aangevallen. Snel schakelen is daarbij gewenst.

De heer Van Lanschot (CDA):

Als dit een oproep is om snel te schakelen: dat kan het CDA zeker.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Heel goed.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil toch even terug naar het vorige punt, naar de mooie gedachtewisseling met collega De Groot over hoe we ervoor gaan zorgen dat een grotere krijgsmacht niet alleen een last is die op het land drukt, maar waarvan we gezamenlijk zeggen: we zijn dankbaar dat mensen zich in willen zetten en onze vrijheid is daarmee gediend. Mijn vraag aan de collega zou daarom juist ook zijn: hoe ziet hij dat ten aanzien van onze veteranen? Zouden we daar ook niet nog een aantal verdere stappen moeten zetten?

De heer Van Lanschot (CDA):

Dank aan collega Bikker voor dit prachtige bruggetje, want daar wilde ik eigenlijk net mee verdergaan. Als ik dat doe, kan zij daar misschien later nog aanvullingen op doen of daarop reageren.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, ik ken u als iemand die ongetwijfeld nog een keer terugkomt, en dat mag dan ook. U vervolgt, meneer Van Lanschot.

De heer Van Lanschot (CDA):

Voorzitter. In het notaoverleg in juni spreken wij uitgebreid over onze meer dan honderdduizend gewaardeerde veteranen. Het CDA wil het daarbij specifiek hebben over de arbeidsmarktpropositie van veteranen. Ik heb zelf mogen ervaren dat zij met hun doelgerichtheid, discipline en teamgeest een versterking zijn voor menig bedrijf. Kan de minister daarom ook voorafgaand aan dit debat de Kamer informeren over feiten, trends en lopende initiatieven?

Voorzitter. Het werd net al genoemd: niet alleen onze veteranen verdienen onze waardering, maar ook hun thuisfront. Dat zijn vaak onzichtbare mannen en vrouwen, vrienden en vriendinnen, die achter die militairen staan. Zij steunen hen en brengen offers. Dat zien we te weinig. Nu vindt op 27 juni de Nederlandse Veteranendag plaats. Dat is een mooie eerste kans om daar iets aan te doen. Kan de minister daarom toezeggen dat zij met het Nationaal Comité Veteranendag in gesprek gaat over het plaatsen van een extra tribune voor het thuisfront, zodat de partners het respect en de eer krijgen die zij verdienen, als een mooie eerste stap?

Tot slot, voorzitter. Het belangrijkste is het bijstellen van onze mindset. Defensie moet ondernemender worden, het bedrijfsleven flexibeler, de samenleving weerbaarder en de politiek realistischer. Bij een versnelde opschaling van de krijgsmacht zullen er zaken misgaan. Onze fractie begrijpt dat. Ook in het bedrijfsleven kiest men vaak voor óf sterk groeien óf scherp op de kosten letten. Beide tegelijkertijd is ontzettend moeilijk. Zolang de Kamer transparant geïnformeerd blijft en Defensie lessen trekt, beziet het CDA fouten met mildheid. Progressie boven perfectie.

Dank u wel.

De heer Boon (PVV):

Dit is mijn laatste vraag. Rutte heeft onze Leopardtanks wegbezuinigd. Daarna hebben we een gedeelte kunnen leasen van de Duitsers. Nu krijgen we weer ons eigen tankbataljon. Deelt het CDA de mening dat een gedeelte van dat tankbataljon vast in Nederland gestationeerd moet zijn? Deelt het CDA de mening dat het laten zien van de tanks en het uitstralen van trots kan bijdragen aan het halen van het doel om het aantal militairen verhogen? Iedereen die een tank ziet, is toch vol van trots?

De heer Van Lanschot (CDA):

Dit is enerzijds een operationele vraag. Die laat ik graag over aan de staatssecretaris. Over het punt van trots ben ik het helemaal eens.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Uw voorspellende gaven zijn weer eens bewezen, voorzitter. Mijn vraag aan collega Van Lanschot is de volgende. Ik zei al dat ik een vraag heb over veteranen en over hoe we ervoor kunnen zorgen dat we in ons land een betere veteranencultuur krijgen. Ik heb het dan niet alleen over de plekken waar veteranen samenkomen, maar veel meer over de erkenning voor offers die niet alleen zij, maar ook hun gezinnen soms hebben gebracht. Is collega Van Lanschot het me eens dat we daarin ook zouden moeten kijken naar de Diensten voor Geestelijke Verzorging bij Defensie? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ook daar een beschikbaarheid is voor de veteranen?

De heer Van Lanschot (CDA):

Dat vind ik een hele prikkelende en interessante gedachte. Onze oud-commissaris van de Koning hier in Zuid-Holland en vele anderen zullen ons ongetwijfeld kunnen helpen bij het vormgeven, dus ik ga graag in op die uitnodiging.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan houden we het gewoon daarbij, voorzitter. Had u dat niet gedacht?

De voorzitter:

Nee! Dank u wel voor uw medewerking. Het woord is aan de heer Van Baarle voor zijn inbreng namens de fractie van DENK.

De heer Van Baarle (DENK):

Dank, voorzitter. Het is duidelijk dat DENK geen voorstander is van de NAVO-norm en de massale investeringen die we zien in wapens. Dat hebben we tijdens vele debatten ook al gezegd. De Trumptaks duwt mensen in ons land die al moeite hebben om hun rekeningen te betalen de armoede in. Boodschappen worden duurder, de benzineprijs stijgt naar het hoogste niveau in jaren, het kabinet kort op de WW en door de verhoging van de AOW moeten mensen bijna tot hun dood blijven doorwerken. Nederlanders kunnen hun rekeningen aan het einde van de maand vaak al niet meer betalen, nemen steeds legere boodschappentassen mee naar huis en moeten pijnlijke keuzes maken in hun leven. Nu moeten ze dus ook gaan betalen voor de NAVO-norm. Als je wapens verkiest boven het helpen van kinderen in armoede en miljarden aan wapens uitgeeft terwijl heel veel mensen in Nederland het gewoon niet meer kunnen trekken, dan is dat volgens DENK geen rechtvaardige keuze.

Via de zogenaamde vrijheidsbijdrage, de Trumptaks, worden miljarden euro's opgehaald bij mensen in ons land. We zien dat de armoede in ons land daardoor gaat stijgen: bijna 40.000 mensen extra in armoede. Het gaat om honderden euro's per huishouden aan extra kosten. Waarom moeten normale Nederlanders, die het al niet meer kunnen hebben om extra bijdragen te leveren, zo op de lasten gejaagd worden?

Voorzitter. Daar komt nog eens bij dat we al dat geld misschien niet eens uitgegeven krijgen. Het Centraal Planbureau verwacht dat Defensie in 2030 ongeveer 1,4 miljard euro van het extra geld voor Defensie niet eens kán uitgeven. Volgens het Centraal Planbureau blijft door een gebrek aan uitvoeringscapaciteit meer dan 10% van de uitgaven op de plank liggen. Is de minister zich hiervan bewust? Waarom blijven we dan van gewone mensen eisen dat ze meer moeten bijdragen, terwijl het geld misschien niet eens besteed kan worden? Wat gaat er eigenlijk met dit soort onderbestedingen gebeuren?

Voorzitter. De fractie van DENK dankt het defensiepersoneel en waardeert het defensiepersoneel voor hun inzet en hun bereidheid om ons te beschermen en ons land bijvoorbeeld te dienen bij rampen. Maatregelen die wij van harte steunen, zijn maatregelen die het personeelsbeleid van ons defensiepersoneel structureel verbeteren. Al jaren is bekend dat militairen soms de organisatie verlaten vanwege werkdruk of beperkte loopbaanmogelijkheden. Wie mensen vraagt hun leven te riskeren voor onze veiligheid, moet die mensen ook fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden bieden.

In het verleden hebben we bijvoorbeeld weleens vragen gesteld over vergoedingen in Nederland aan defensiepersoneel voor trainingen die echt uit de pas liepen bij vergoedingen die andere landen hiervoor geven. Kan de regering voorbeelden geven van zaken die zij met de extra middelen wil gaan oppakken om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren? Daar hoort ook bij dat militairen kunnen wonen en werken in fatsoenlijke omstandigheden. De staat van veel woon- en verblijfsgebouwen bij kazernes en legeringen laat al lange tijd te wensen over vanwege te lang geen goed onderhoud. Renovaties duren vaak lang en militairen verblijven daardoor soms in verouderde accommodaties. Is de regering bereid om de renovatie en modernisering van deze gebouwen echt te gaan versnellen de komende tijd, ook gebruikmakend van de extra middelen? Kan de regering daar iets over zeggen?

Voorzitter. Daarnaast moet Defensie een veilige en en inclusieve organisatie zijn. Diversiteit in werving versterkt onze krijgsmacht ook. Discriminatie en racisme hebben nooit een plek, ook niet bij Defensie. Een moderne krijgsmacht moet een afspiegeling zijn van de samenleving die zij beschermt. Hoe gaat de regering de versterking van de diversiteit de komende tijd borgen?

Dan een ander punt. Nederland koopt nog steeds defensiematerieel van Israëlische bedrijven, terwijl Israël zich schuldig maakt ... Ik zie een interruptie, voorzitter.

De voorzitter:

Nog op het vorige punt.

De heer Van Lanschot (CDA):

Dank aan de heer Van Baarle voor zijn terechte interruptie net bij de PVV om het een en ander recht te zetten. Hij stelt de regering de vraag hoe we een inclusievere krijgsmacht kunnen opbouwen. Ik ben benieuwd naar de ideeën die hij daar zelf over heeft.

De heer Van Baarle (DENK):

Dat is een hele goede vraag. Ik dank collega Lanschot ook voor die vraag. De gebaren binnen Defensie om uit te stralen dat zij een inclusieve organisatie is — denk aan iftars of het deelnemen aan andere religieuze feesten; daarin moeten we niet selectief zijn, want Nederland is een divers land — moeten we omarmen. Daarvoor moeten we onze waardering uitspreken. We moeten bekijken hoe we die outreach nog breder kunnen maken, naar nog meer gemeenschappen. Ik zie dat er een flinke slag gemaakt wordt door Defensie om ook in de breedte van de samenleving aanwezig te zijn, op verschillende beurzen, bij verschillende scholen. Hoe zou je dat bijvoorbeeld kunnen versterken, zou een vraag kunnen zijn. Hoe kan je interne protocollen versterken tegen zaken zoals discriminatie en racisme en bewerkstelligen dat meldingen opgevolgd worden? Ik denk dat dit allemaal zaken zijn waarop je stappen kan zetten om ervoor te zorgen dat de organisatie een weerspiegeling is van de samenleving. We kunnen het in deze Kamer oneens zijn over hoeveel geld je aan Defensie uitgeeft en andere dingen, maar ik denk dat we het wel allemaal met elkaar eens zijn dat het personeel goed beloond moet worden, dat het personeel gerespecteerd moet worden en dat iedereen zich prettig moet voelen bij de Defensieorganisatie. Dank voor de vraag.

Voorzitter. Een ander punt. Nederland koopt nog steeds defensiematerieel van Israëlische bedrijven, terwijl Israël zich schuldig maakt aan ernstige en grootschalige misdaden en schendingen van het internationale recht. Er is een risico op genocide vastgesteld door het Internationaal Gerechtshof en ook in Gaza en op de Westbank pleegt Israël verschrikkelijke misdaden. Toch gaat Nederland door met de aanschaf van materieel van Israëlische bedrijven, zoals Elbit Systems, RAFAEL en Israel Aerospace Industries. Het gaat daarbij om verschillende wapensystemen. In de afgelopen tijd is daar enorm veel geld aan uitgegeven: systemen die aantoonbaar zijn ingezet bij het plegen van misdaden tegen Palestijnen. We weten dat deze bedrijven ook soms in hun marketing expliciet adverteren met het predicaat "battle-tested". Dat is gewoon in de praktijk getest op Palestijnen.

Voorzitter. Wij vinden niet dat de Nederlandse regering met ook maar één cent de Israëlische oorlogskas van Netanyahu mag spekken. Wij vragen de regering dan ook per direct alle contracten met Israëlische bedrijven op te schorten en te stoppen met het kopen van wapens in Israël. We hebben ook gezien dat een Israëlisch defensiebedrijf, Elbit, volgens de diensten van de NAVO betrokken is bij een corruptieschandaal en dat de Nederlandse regering zegt: daar doen we maar niks mee, want het is niet ons probleem; we blijven gewoon bij Elbit kopen. Is dat niet een extra reden om de aankoop van Israëlisch wapentuig te stoppen? Hoe kan Nederland hier maar gewoon mee doorgaan?

Voorzitter. Dan mijn laatste punt. Tijdens de genocide in Srebrenica zijn meer dan 8.000 Bosnische moslimmannen en -jongens systematisch vermoord: vaders, broers, zonen, kinderen. Het is een van de grootste genocides op Europese bodem sinds de Tweede Wereldoorlog. Die misdaad heeft diepe sporen nagelaten in Europa en ook in Nederland. Juist daarom rust op ons land een bijzondere verantwoordelijkheid om blijvend en zichtbaar te herdenken. De Tweede Kamer heeft meermaals gevraagd met moties om actieve inzet voor een nationale herdenkingsplek in Den Haag voor de genocide in Srebrenica. Het initiatief daarvoor kwam indertijd van verschillende Kamerleden. De minister schrijft dat er inmiddels een plaatsmarkering is onthuld en gaat ervan uit dat daarmee moties zijn opgevolgd. Maar DENK wil echt dat er snel een permanente herdenkingsplek komt voor die genocide in Srebrenica, een plek waar bijvoorbeeld de Bosnisch-Nederlandse gemeenschap ons gezamenlijke verleden daar kan herdenken, vanwege ook de aanwezigheid van Nederland. Voor de vervolgstappen verwijst de minister naar crowdfunding en een ontwerpwedstrijd, maar waarom spreekt de minister niet expliciet uit dat ook de Staat hier financiële verantwoordelijkheid voor neemt? Is de minister bereid bij te dragen aan de totstandkoming van dat nationale monument voor de herdenking van de genocide in Srebrenica? Wij hebben daarvoor een amendement ingediend, zodat er in ieder geval een bijdrage is van de Rijksoverheid om de eerste stappen te zetten om dat monument te realiseren, bijvoorbeeld op het gebied van ontwerp en het betrekken van deskundigen. Zo kan de eerste stap gezet worden. Er zal waarschijnlijk meer geld nodig zijn, maar de eerste stappen kunnen ermee gezet worden. Wij hopen op een positief oordeel over dat amendement.

Dat was mijn bijdrage. Ik zie dat er een vraag is, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, en daar geef ik ruimte voor. Mevrouw Ten Hove.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik wou nog even terug naar het puntje over de wapens uit Israël.

De heer Van Baarle (DENK):

Aha.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Persoonlijk ben ik bang dat als we de samenwerking met Israël omtrent wapens stoppen, we achter gaan lopen, bijvoorbeeld met de technologie. Wat voor oplossing hebben we daarvoor?

De heer Van Baarle (DENK):

Ik denk dat we eerst een stap terug moeten zetten. Als je als Nederlandse Staat koopt van Israëlische defensiebedrijven, draag je bij aan misdaden van de Israëlische regering. Die Israëlische defensiebedrijven zijn namelijk staatsbedrijven. Als je daar koopt, gaat er dus geld naar de oorlogskas van Netanyahu, waarmee hij zijn misdaden kan plegen en zijn onderdrukking van de Palestijnen kan financieren. Alleen al op basis van dat principe vinden wij dat je dat gewoon niet moet kopen en daar niet aan mee moet werken, ook omdat die bedrijven gewoon adverteren met het feit dat die producten battle-tested, dus getest op Palestijnen, zijn. Dan kom je op het andere vlak, namelijk of er alternatieven zijn. Ik denk dat die alternatieven er op heel veel vlakken zijn. Er zijn ook andere landen, zoals Spanje, die het besluit hebben genomen om geen zaken meer te doen met Israëlische defensiebedrijven. Als andere landen, ook binnen NAVO-verband, daarvoor kunnen kiezen, waarom zou Nederland dat dan niet kunnen?

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Oké, dan ga ik daar eens goed naar kijken. In mijn ogen waren wij nog enorm afhankelijk van Israël en maken we ons zwak doordat we onze eigen burgers en onze eigen veiligheid niet optimaal kunnen beschermen. Ik ga daar dus nog goed naar kijken.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik zou tegen mevrouw Ten Hove willen zeggen: gaat u daar eens goed naar kijken. We spenderen als Nederland op dit moment enorm veel geld door Israëlische defensiebedrijven te spekken die medeverantwoordelijk zijn voor een systeem van onderdrukking van de Palestijnen, het plegen van een genocide in Gaza, het uithongeren van de Palestijnen. DENK vindt dat daar gewoon geen cent naartoe moet. Er moet geen cent Nederlands belastinggeld naar de misdadige Netanyahu.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Daar wil ik toch nog kort op reageren. Wat Israël, in samenwerking met Amerika, nu aan het doen is in Iran, vind ik persoonlijk een heldendaad tegen het barbaarse regime dat zich daar bevindt. Het is monsterlijk wat het Iraanse regime allemaal teweegbrengt. Ik ben zelf ooit in Afghanistan geweest. Ik heb gezien wat het met vrouwen en met onze lhbtqi+-gemeenschap doet. Dat is echt verwerpelijk. Ik wil dat absoluut niet hier op ons grondgebied hebben. Dat wil ik nog wel even gezegd hebben.

De heer Van Baarle (DENK):

We gaan van een discussie over het als Nederland al dan niet aanschaffen van wapentuig uit Israël opeens naar een lofzang van mevrouw Ten Hove op de illegale aanval van Israël en de Verenigde Staten. Het moge duidelijk zijn dat de fractie van DENK het leger van Israël dan wel de regering van Israël op geen enkele manier ondersteunt. Integendeel, wij zijn daar een tegenstander van. De Israëlische regering is een apartheidsstaat die al decennialang misdaden pleegt tegen de Palestijnen. Het zal mevrouw Ten Hove dus niet verrassen dat ik haar lofzang verre, verre en verre van mij werp.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Als je er goed over nadenkt, word je er koud van: afgelopen jaar is er wereldwijd 2,7 biljoen dollar uitgegeven, niet aan de bestrijding van honger of ziekte, maar aan wapentuig. Andermaal blijkt dat de mensheid geen vooruitgang kent, maar naar verlossing snakt die alleen bij Christus te vinden is. Dit is de gebroken wereld waarin wij leven. Hoe paradoxaal ook, oorlog voorkom je alleen door de prijs voor de tegenstander te hoog te maken. Geloofwaardige afschrikking is daarvoor essentieel. Daarom staat de SGP pal voor een sterke defensie.

Voorzitter. De SGP herkent veel van het realisme uit de defensieparagraaf van het coalitieakkoord. De NAVO is en blijft de hoeksteen van onze collectieve veiligheid, terwijl Europa steeds meer zelf verantwoordelijkheid draagt voor de verdediging van zijn eigen grondgebied. Dan gaat het ook over nucleaire afschrikking. Daarvoor zijn twee dingen nodig: de bereidheid van bondgenoten om deze wapens in te zetten en de overtuiging bij vijandelijke mogendheden dat bondgenoten hiertoe in het ultieme geval overgaan. De SGP heeft er daarom begrip voor dat het kabinet met Frankrijk in gesprek is over verbreding van zijn nucleaire afschrikkingsrol. Wel rijst de vraag hoe deze inzet zich verhoudt tot de bestaande NAVO-structuur. Blijft Frankrijk in de nieuwe situatie vasthouden aan zijn traditionele nucleaire autonomie of kiest het ervoor zijn nucleaire garanties te verankeren binnen de NAVO-structuur, zoals het VK en de VS?

Voorzitter. Eerder legde ik de vinger bij de tekorten bij de Kustwacht. Daardoor zijn we kwetsbaar voor sabotage en spionage op de Noordzee. Het tegengaan hiervan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Defensie en IenW. Inmiddels ligt er een aangenomen motie-Stoffer/Grinwis voor structurele financiering van bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Graag hoor ik van de minister of ik erop kan vertrouwen dat daarmee ook een einde komt aan het gesteggel over geld tussen departementen. De SGP ziet een actieplan tegemoet.

Voorzitter. Nederland haalt zo'n 90% van zijn defensiemateriaal uit de VS. Daarmee zitten we ver boven het Europese gemiddelde. Willen we onze kwetsbaarheden afbouwen, dan zullen we meer Europees moeten doen. Complementariteit en specialiseren moeten daarbij het uitgangspunt zijn. Nederland blinkt technologisch uit in intelligente systemen. Daarom is het wat de SGP betreft logisch dat we in Europees verband leiderschap nemen op bijvoorbeeld het gebied van drones en counterdronesystemen.

Laten we bij al dit Europese denken onze capaciteit op andere gebieden niet verwaarlozen. Zo vraagt de SGP zich af — het kwam ook tijdens een interruptie terug — of de eigen defensie-industrie niet alsnog een grotere rol kan spelen bij de uitbreiding van zware bergingscapaciteit. In plaats van meer van hetzelfde te kiezen, koos het vorige kabinet voor een Duitse concurrent. Moeten die nieuwe bergingstanks niet gewoon in Nederland geproduceerd worden? Dat voorkomt hogere kosten en zorgt voor de gewenste familievorming.

Voorzitter. In december 2025 heeft het kabinet een definitief besluit genomen over het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Staphorst is definitief aangewezen als locatie voor grootschalige munitieopslag. Niets dan lof voor Staphorst en voor al die gemeenten die hun nek uitsteken. Het is nu aan het Rijk om te leveren en de motie-Diederik van Dijk c.s. (36592, nr. 34) onverkort uit te voeren. Daarom vraag ik de staatssecretaris: hoe en wanneer gaan we de gevolgen zien van de benodigde infrastructurele aanpassingen op de begrotingen van de verantwoordelijke departementen? Kan de nieuwe bewindspersoon aangeven hoe hij invulling geeft aan zijn coördinerende rol, zodat infrastructurele aanpassingen uit het NPRD prioriteit krijgen bij IenW?

Mevrouw Nanninga (JA21):

De lof voor Staphorst of enige andere gemeente die ruimte biedt aan Defensie, delen wij bij JA21 natuurlijk. Nog even op het voorgaande punt: hoe staat de SGP ertegenover om voor het verkleinen van de Amerikaanse afhankelijkheid ook te kijken naar bijvoorbeeld Israëlische technologie? Het Heilige Land wordt natuurlijk uitstekend beschermd door de Iron Dome. Ze liggen in veel opzichten op ons voor. Ik was benieuwd hoe de SGP daarnaar kijkt.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dat zal, denk ik, geen verrassing zijn. Wij zien Israël als een buitengewoon belangrijke bondgenoot, die wij vanaf onze kant moeten steunen waar we dat kunnen. Andersom is het helemaal waar wat mevrouw Nanninga zegt: Israël is op een aantal terreinen, ook in innovatief opzicht, een koploper. Waar het de SGP om gaat, is dat onze mannen en vrouwen van Defensie moeten kunnen rekenen op het allerbeste materiaal. Waar Israël dat kan leveren: graag bestellen.

Voorzitter, ik kom bij mijn laatste punt. Bij de VWS-begroting gisteren, of "vanochtend", moet ik zeggen, vroeg ik aandacht voor het voortbestaan van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Dat doe ik hier in het kader van het veteranenbeleid. Schattenberg, zoals het herinneringskamp destijds heette, heeft na de oorlog oud-KNIL-militairen opgevangen. Daarom vraag ik de minister: kan de vernieuwing van Kamp Westerbork ook opgenomen worden in het veteranenbeleid, zodat we mogelijk bij de Voorjaarsnota duidelijkheid krijgen over de financiering na 2027?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan mevrouw Bikker voor haar inbreng namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week was het vier jaar geleden dat Rusland Oekraïne op gruwelijke wijze binnenviel. Sindsdien zijn ontelbaar veel levens, dorpen en steden verwoest. De militaire begraafplaats waar ik vorig jaar in Lviv was, is inmiddels vol. Het is onvoorstelbaar. Rusland stopt niet. Europa sliep te lang. Daarom zijn investeringen in defensie noodzakelijk.

Over de groei van de begroting heb ik al twee vragen. Ten eerste. Defensie heeft extra miljarden, maar heeft moeite om die goed uit te geven; ook het CPB waarschuwt daarvoor. Ik zou het onverteerbaar vinden als in de zorg — over die begroting debatteerde ik gisteren — elke euro moet worden omgedraaid, terwijl bij Defensie het geld ondoelmatig wordt besteed. Dat zou het draagvlak ondermijnen. Wat doen de bewindslieden om dat te voorkomen? Hoe voorkomen zij dat vooral het kerndepartement buitenproportioneel groeit?

Groei betekent ook meer uitzendingen en oefeningen in het buitenland. Achter elke militair staat een thuisfront. Hoe wordt daarvoor gezorgd? Groeit met de begroting de geestelijke ondersteuning voor militairen, de ondersteuning voor veteranen en de hulp voor het thuisfront navenant mee?

Voorzitter. Nederland kent helaas nauwelijks een veteranencultuur, terwijl je land dienen iets is wat respect verdient. Ik denk dat het Dienjaar, dat zorgt voor meer reservisten, hieraan kan bijdragen. Het is mooi dat zo veel mensen zich melden. De ChristenUnie is groot voorstander van het Dienjaar en van de invoering van een militaire en maatschappelijke dienstplicht, want vrijheid en veiligheid zijn er niet vanzelf. Het is heel goed dat elke jongere een poosje de samenleving dient. Ik vind het ongelofelijk dat ik partijen hier hoor dreigen met celstraf. Het gaat niet om de celstraf. Het gaat om je land dienen. Dat is iets kostbaars. Dat is opstaan voor de vrijheid waar je zelf van geniet. Ik vraag het kabinet wel om er geen gemiste kans van te maken door het te versmallen tot alleen een militaire plicht. Kijk ook naar de maatschappelijke diensttijd.

Het kabinet wil het Dienjaar wel opschalen; mooi. Maar naar welke omvang? Wat houdt de herinvoering van de selectieve opkomstplicht nu in volgens de staatssecretaris, in plaats van de doembeelden die ik hoor en niet herken? Wat betreft reservisten: wat zijn de plannen van het kabinet om het met werkgevers gemakkelijker te maken om reservist te zijn, bijvoorbeeld rondom het bijzonder verlof?

Voorzitter. Veel mensen gaan in hun directe woonomgeving merken dat Defensie groeit. Een aantal vragen daarover. Wanneer krijgen de mensen in Staphorst de zekerheid dat de infrastructurele aanpassingen, de aansluiting op de A28 en een ongelijkvloerse spoorwegovergang, er echt gaan komen? Wanneer komt dit geld op de IenW-begroting te staan? Iets zuidelijker op de A28 stapelen de opgaven zich op: grote woningnood, grote stikstofproblematiek, netcongestie. Daar komen nu een grote kazerne in Zeewolde en uitbreiding in Ermelo bij. Er wordt heel wat van het gebied gevraagd en ik zie betrokken gemeenten, maar gebruik die dan ook, zou ik willen zeggen. Hoe wordt de bereikbaarheid rond dorpen als Nijkerk en Ermelo gewaarborgd? De A28 is nu al niet bepaald de meest rustige snelweg. Gaat de staatssecretaris daarin investeren?

Hoe wordt woningbouw gegarandeerd op plekken waar Defensie opschaalt? Zit de betrokken gemeente overal aan tafel, en ook de gemeenten die in hun eigen gebied geen Defensie-uitbreiding ondervinden, maar wel direct aanpalend zijn? Worden deze gemeenten ook financieel in staat gesteld om die processen op gang te brengen?

Voorzitter. De NAVO Capability Targets moeten leidend zijn bij ons defensiebeleid. Eerder schoot vooral de landmacht tekort. Wat betekent dat voor de Defensienota 2026? Worden de prio-targets van de NAVO nu echt het uitgangspunt bij de nieuwe Defensienota? Ik heb hierover eerder een motie ingediend met het oud-Kamerlid Yeşilgöz en mijn voorganger, collega Segers, deed dat met het oud-Kamerlid Boswijk. Kortom, ik zie mogelijkheden.

Voorzitter. Ik kan niet eindigen zonder iets gezegd te hebben over de meest recente oorlog, namelijk die in Iran. De onmacht van het internationale recht mag geen vrijbrief zijn voor regimes om gruwelijk hun gang te gaan. Tegelijkertijd mag de diepe waarde van gerechtigheid zich nooit versmallen tot het geweten van één man, de Amerikaanse president. Ik vraag het kabinet vierkant te staan voor recht en gerechtigheid voor het Iraanse volk. Vandaag dank ik in het bijzonder de militairen die in deze regio, ook namens ons land, actief zijn, samen met hun families, die daar veel voor leveren.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Het nieuwe kabinet-Jetten gaat onze samenleving versneld militariseren. Wat van waarde is in onze samenleving moet wijken voor het waanidee dat onze wereld veiliger wordt als we maar 5% van wat we allemaal samen verdienen, overmaken naar vooral de Amerikaanse wapenindustrie; zonder daadwerkelijke onderbouwing, maar omdat daddy Trump dit heeft geroepen. En nu moeten we met z'n allen 19 miljard euro ophoesten. Ik vraag deze minister: waarom heeft u wel 19 miljard euro voor de NAVO gevonden en niet voor de gehandicaptenzorg? Waarom wel 19 miljard voor de NAVO en niet voor een AOW op 65 jaar? En waarom wel 19 miljard euro voor de NAVO en geen geld om armoede onder alle kinderen in Nederland op te lossen?

Nu gaat ons belastinggeld dus naar de VS en naar Israël. Vindt het kabinet dit daadwerkelijk verantwoord? Nederland kocht in vijf jaar tijd voor bijna 2 miljard euro aan Israëlische wapens, de helft daarvan na het begin van de genocide in Gaza. Wapens die zijn getest op Palestijnen, van Elbit Systems, betrokken bij een corruptieschandaal van de NAVO en nog steeds niet uitgesloten als wapenverkoper aan Nederland. Wat is er dan nog meer nodig om zo'n bedrijf wel uit te sluiten en om daar geen wapens meer van aan te schaffen?

Om onze samenleving te beschermen, wordt onze samenleving afgebroken, in het kader van weerbaarheid. Maar wat maakt een weerbare samenleving? Dat is een samenleving waarin er niet een steeds groeiende kloof is tussen arm en rijk. Een samenleving waar we mensen niet laten vallen als ze zorg of hulp nodig hebben, zodat ze niet in armoede vervallen, en met goede sociale voorzieningen zoals WIA en WW. Een weerbare samenleving betekent niet een eindeloze wapenwedloop en militarisering vooropzetten om je te kunnen verdedigen tegen Rusland, waar een vreselijke leider zit die een illegale oorlog voert in Oekraïne, maar al tijden nauwelijks in staat is om daar meer grondgebied te veroveren. Rusland geeft 186 miljard euro uit aan een oorlogsapparaat, terwijl de EU-landen zonder de VS 381 miljard euro uitgeven en 200.000 meer actieve manschappen hebben, twee keer zoveel landmaterieel en ongeveer drie keer zoveel boten. Wat wil je dan nog meer voor militaire afschrikking? Toch is er een grote wervingscampagne opgezet, voor nog meer militairen. Maar is er dan niet ook een gigantisch personeelstekort in onze ziekenhuizen en onze verpleeghuizen, en op onze scholen en in onze treinen? Is dat dan niet net zo belangrijk? En zelfs de dienstplicht, de opkomstplicht, komt hier weer op tafel, "naar Zweeds model" zegt men dan sussend — alsof dat dan beter is. De regering wil een dwanginstrument inzetten waardoor jongeren hun eigen tijd niet meer kunnen besteden aan dingen die niet met oorlog te maken hebben. Ze moeten, of ze willen of niet, oorlogsoefeningen gaan doen op de hei, anders krijgen ze een straf, terwijl zorgverleners en leraren met personeelstekorten doorwerken en ervoor zorgen dat de bodem niet uit onze samenleving zakt. Dit is geen goed idee. Zo wordt onze hele samenleving ingericht voor en door het leger. En de wapenindustrie groeit enorm met publieke investeringen, zonder dat hier publieke zeggenschap tegenover staat. Publieke zeggenschap lijkt me, als je ergens publiek geld in stopt, toch niet te veel gevraagd. Het is gewoon heel logisch. Gaat het kabinet dit ook regelen?

We verliezen ook steeds meer controle over wat onze bondgenoten doen. Polen, Finland, de Baltische Staten en Oekraïne stapten uit het Ottawa-verdrag tegen landmijnen. Litouwen stapte uit het Verdrag inzake clustermunitie. Deze wapens zijn onder het humanitair oorlogsrecht verboden omdat veel burgers slachtoffer daarvan worden, vooral kinderen. Deelt de minister de mening dat we nooit mogen bijdragen aan de productie en export van verboden wapens? En dat, als Nederland investeert in bijvoorbeeld de Oekraïense wapenindustrie, het een voorwaarde moet zijn dat er geen verboden wapens worden geproduceerd en dat zij ook dezelfde wapenexportcriteria hanteren als Nederland?

Dan tot slot, voorzitter. In de nieuwe coalitie zitten drie partijen die zeggen internationale verdragen belangrijk te vinden. Wat betekent dan het "constructief" staan "tegenover het versterken van een Europese nucleaire afschrikking"? Wat is er toegezegd aan de Fransen? Wat is er besproken? Wat wil Nederland? Hoe ziet samenwerking eruit als het gaat om kernwapens? Graag hierop een antwoord en transparantie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dobbe. Het woord is aan de heer Struijs voor zijn inbreng namens 50PLUS. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):

Voorzitter. In 1979 meldde de heer Struijs, Jan Albert, zich bij zijn opa voor zijn militaire dienstplicht. Zijn opa zei namelijk: "Jij moet gaan. We gaan de Russen tegenhouden, Jan." Dat zijn wel profetische woorden, nu ik hier in de Kamer sta. Ik sta nog steeds achter mijn opa en wat ik toen deed, want ik ging met trots het land verdedigen. Ik vind dat wij er met z'n allen aandacht voor moeten hebben dat we, voor al die mensen die we dadelijk naar gebieden sturen, en voor de mensen die er nu al zijn, regelmatig onze trots laten blijken. Het is namelijk zó belangrijk als je daar zit — ik weet dat als geen ander, uit een andere functie — dat je toch wel even gesteund wordt. Dat gezegd hebbende: ik steun de begroting. Ik heb wel een paar kritische vragen en opmerkingen.

Ten eerste een over het werven van personeel. Ik heb het al eerder aangegeven: kijk breder dan jongeren. Kijk met name ook naar de vele militairen die zich bij mij hebben gemeld, die bijvoorbeeld net met functioneel leeftijdsontslag zijn gegaan, oftewel: de gepensioneerden. Maar ook breder in de maatschappij zijn er mensen die een bijdrage willen leveren en twee jaar iets anders willen gaan doen dan de huidige functie die ze binnen ICT hebben. Ik verzoek dus om erop te reflecteren of die mogelijkheden er zijn, en of we daar gezamenlijk in op kunnen trekken.

Een andere is de besteding op de derde pijler. De derde pijler stelt dat defensie ook regelmatig bijspringt bij rampen en incidenten. Ik heb specifiek de haven van Rotterdam bezocht. Ik mag er niet te veel over zeggen, maar daar zijn momenteel veel militaire activiteiten. Die haven wordt dagelijks aangevallen op zijn cyberdomein. Kunnen we met de Defensiegelden ook dat soort belangrijke plaatsen, waar momenteel veel militaire activiteiten zijn, toch extra helpen met het beschermen tegen de hybride aanvallen? Ik kan meer plaatsen noemen, maar ik noem dit als voorbeeld, omdat er ook daar behoefte is om de Defensiegelden te gebruiken, met de specialisten die we daarvoor hebben. Het is ook daar namelijk uur U.

Een ander punt dat ik heel graag wil inbrengen, is iets wat wij snel vergeten in dit soort dingen, namelijk de flexibiliteit die wij met z'n allen moeten betrachten. Ja, wij moeten goed geïnformeerd worden. Maar het gaat nu ontzettend snel, zeker wat er in Iran en de omgeving gebeurt. De collega refereerde er al aan. De eerste ballistische raket is richting NAVO-gebied, richting Turkije, gestuurd. We verwachten de komende tijd heel veel extra activiteiten. Ik verzoek de regering, de staatssecretaris en de minister, daarom: gebruik die ruimte, maar informeer ons, daar waar het kan, snel. Ik verwacht die flexibiliteit ook van mezelf en van andere Kamerleden. Het is namelijk wel heel serieus aan het worden wat we met z'n allen meemaken.

Als laatste wil ik toch attenderen op de communicatiestrategie. Neem het volk zo goed mogelijk mee. Ik zie nog te veel mensen die niet het urgentiebesef hebben dat ik heb, dat we hier in de Kamer hebben en dat Defensiepersoneel heeft. Er moet nog veel worden gecommuniceerd om te beseffen — dat gaat verder dan een extra voorraad waterflessen in je garage zetten — hoe belangrijk het is dat we ons beschermen, zeker gezien hetgeen er nu met Oekraïne en Rusland gebeurt.

Nogmaals mijn waardering voor onze Defensiemedewerkers, maar ook voor de Oekraïense militairen. Ik heb er velen mogen spreken de laatste jaren. Ik heb diep respect voor hen, omdat ze ook vechten voor onze vrijheid. Zij verdienen maximale steun.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Struijs. Het woord is aan de heer Dassen voor zijn inbreng namens Volt. Gaat uw gang.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter. Mooi, nieuwe bewindspersonen in vak K. Veel succes met de flinke uitdagingen waar u voor staat. De Europese defensie heeft namelijk een flinke taak voor de boeg. Ik noem een gebroken wereldorde, onbetrouwbare bondgenoten en nog veel minder te vertrouwen vijanden. Van de droom van de defensieparaplu van de Verenigde Staten hebben we afscheid moeten nemen. Wat we moeten doen, is volgens mij voor menigeen duidelijk, ook als ik dit debat beluister. Maar hoe we daar komen, daarin spreken we nog lang niet dezelfde taal. De afgelopen maand demonstreerde Defensiecommissaris Kubilius dit nog heel erg goed. Hij zei dat Europa een eigen strijdmacht nodig heeft. Hij stelde de terechte vraag of de Amerikaanse supermacht even sterk zou zijn als 50 legers uit elke staat samen zouden moeten werken, als alternatief voor een eensgezind Amerikaans leger. Het antwoord op deze vraag is natuurlijk nee. Waarom kiezen wij in Europa nog steeds voor die verdeeldheid, voor verschillende wapensystemen, verdeelde kopgroepen, 27 varianten van aanbestedingsregels, fragmentatie in plaats van eenwording? Terwijl andere grootmachten doelgericht opkomen voor hun eigen belangen, krijgen wij niet eens een eigen gevechtsvliegtuig van de grond.

En dan zijn er partijen in deze Kamer die zich erover verbazen dat we keer op keer aan de zijlijn staan. Oekraïne, Palestina, Iran: we zitten niet aan tafel. Niemand zal ons die plek aan tafel komen geven; die moeten we zelf pakken met de ruggensteun van een Europees leger. De urgentie is groot. Het gokken met onze veiligheid moet afgelopen zijn. Deze coalitie wil gelukkig inzetten op meer Europese defensie-integratie, maar het is wat mij betreft nog veel te weinig en het gaat ook te langzaam. Coalitions of the willing en een verbeterd gezamenlijk inkoopbeleid klinken aantrekkelijk, maar houden de fragmentatie grotendeels in stand. Het is tijd dat we over de nationale ego's heen stappen en stoppen met de eilandjesaanpak.

Voorzitter. Niks kan effectiever en completer Nederlandse belangen beschermen, Europese start-ups stimuleren en een rol op het wereldtoneel opeisen dan een eensgezind leger, dat de kracht van 450 miljoen Europeanen weerspiegelt. Hoe reflecteert de minister op de uitspraak van Eurocommissaris Kubilius? Hoe denkt zij dat Europa weerstand kan bieden aan de militaire en politieke druk van landen die wel gebruikmaken van een federaal leger? We zien wat er nu met Spanje gebeurt. Trump zegt: als jullie ons niet helpen, stoppen wij de handel. Het is dus geen fictieve vraag. Dit is op dit moment de geopolitieke druk die door bepaalde bondgenoten op andere bondgenoten van ons wordt gelegd. Graag dus een reactie hierop.

Voorzitter. De kosten van de Europese verdeeldheid zijn vooral zichtbaar bij de organisatie en productie van defensie. We kunnen EU-breed tot wel 75 miljard euro besparen als we echt toe durven te werken naar een Europees leger. We lopen dus jaarlijks 75 miljard mis. Daar gaat dan ook de vrijheidsbijdrage. Hoeveel procent van deze VVD-belasting is wel niet weggegooid geld, omdat deze coalitie fragmentatie te veel in stand wil houden? Kan de minister aangeven waarom dit kabinet kiest voor een nationale belastingverhoging in plaats van verdere Europese integratie? Ziet zij ook de meerwaarde van defensie als Europese competentie, zoals handel nu ook is? Waarom wel of waarom niet?

Voorzitter. Het gaat niet alleen om de efficiëntie van onze uitgaven, maar ook om waar het geld terechtkomt. Momenteel haalt Europa namelijk twee derde van het materieel uit de Verenigde Staten. Voor Nederland geldt al een percentage van 90%. Dat betekent dat Europa jaarlijks ongeveer 80 miljard euro richting de Verenigde Staten brengt en daarmee dus zijn afhankelijkheid vergroot. Ongelofelijk, zou ik zeggen. We blijven bouwen aan afhankelijkheid. Amerikaanse systemen, Amerikaanse tech: als we daar gebruik van willen blijven maken, hebben we geen andere keus dan de lijnen van de Amerikanen te volgen op het gebied van diplomatie, handel en defensie. Die lijnen lijken echter steeds vaker te botsen, zoals we ook dit weekend zagen.

Welke investeringen die Defensie nu doet, zoals in Collaborative Combat Aircraft, zorgen voor verdere afhankelijkheid? Dat vraag ik aan de staatssecretaris. Kan hij uitleggen wat er in die intentieverklaring staat en waarom de Kamer hierin nog niet afdoende is meegenomen?

We willen dat het merendeel van onze investeringen in defensie, nationaal en Europees, bij Europese bedrijven terechtkomt. De Europese Commissie pleit er daarom voor dat bij de aanschaf van materieel minstens 50% uit Europa komt. Dat woordje "minstens" ontbreekt echter in het coalitieakkoord. Het lijkt iets kleins, maar in mijn ogen is het dat niet. Neemt het kabinet dit woordje alsnog mee en is het dus "minstens 50%", of stuurt het kabinet op het halen van maximaal 50%?

Waarom heeft de minister aangegeven ook licentieproductie onder het inkoopbeleid goed te keuren? Dit houdt de afhankelijkheid namelijk in stand. Kan de staatssecretaris wellicht aangeven voor hoeveel procent er op dit moment aan licentieproductie gedaan wordt? Dan kunnen we dat meenemen als onderdeel van het geheel van de Europese productie.

Voorzitter. In het coalitieakkoord wordt een eerder al door Volt aangedragen initiatief genoemd: het DARPA, dan wel het NADI. Dat is een heel goed initiatief, aangezien deze maand Europese defensieambtenaren nog waarschuwden voor het gevaar van technologische afhankelijkheid op militair vlak. Ik ben blij dat hiermee aan de slag wordt gegaan en ik hoop dat het een succes wordt, maar over de invulling daarvan is nog veel onduidelijkheid. Hoe gaat dit vehicle er precies uitzien? Hoe worden de financiering en scope ingevuld en waar komt de governance te liggen? Graag hoor ik de visie van de staatssecretaris. Hoe gaat de samenwerking met vergelijkbare Europese instituten eruitzien? Of wordt dit dadelijk onderdeel van een Europees DARPA? In mijn ogen zou het juist goed zijn als we gezamenlijk investeringen in innovatie en productie gaan doen, juist om ervoor te zorgen dat we als Europa daadwerkelijk een deuk in een pakje boter gaan slaan.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik ben heel blij met deze toevoeging, want ik neem toch aan dat ook de heer Dassen zegt dat we niet streven naar nationale strategische autonomie, maar naar Europese strategische autonomie. Het moet dus heel duidelijk zijn dat zo'n initiatief ook onderdeel moet zijn van een Europees initiatief, omdat het anders weinig uithaalt.

De heer Dassen (Volt):

Ik denk dat het mevrouw Piri niet zal verbazen dat toen wij hier moties over indienden, wij pleitten voor een Europees DARPA. Helaas werd dat door deze Kamer weggestemd. Ik denk wel dat het goed is om dan te bekijken hoe je ervoor kunt zorgen dat het initiatief dat nu op tafel ligt ook Europees getrokken wordt. In mijn ogen kan dat ook zijn als je met Europese instituten een soort ecosysteem bouwt, waarmee je dus gaat investeren in innovatie en ontwikkeling, maar dan moet dat wel gaan gebeuren. Ik geloof er namelijk niet in dat we op de juiste manier bezig zijn als we in Duitsland, Nederland, België en Luxemburg verschillende DARPA's neer gaan zetten die allemaal dezelfde innovaties gaan onderzoeken.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Nee, en waarschijnlijk komt er ook niet een uitvinding à la het internet uit als we dat allemaal nationaal gaan doen. Hier zijn we het dus over eens.

Ik hoorde de heer Dassen ook iets zeggen over licenties. Daar ben ik het ook van harte mee eens, maar we zien nu ook joint ventures. Neem bijvoorbeeld Israëlische bedrijven. Zeker na de oorlog in Gaza snappen ze dat het voor heel veel overheden gevoelig ligt om nu inkopen te doen in Israël. Wat je nu ziet, zijn dus joint ventures, bijvoorbeeld heel vaak met Duitse bedrijven. Het lijkt alsof je met een Duits bedrijf zakendoet, maar uiteindelijk worden er gewoon spullen uit Israël geleverd. Hoe kijkt de heer Dassen daartegen aan?

De heer Dassen (Volt):

Daar ben ik natuurlijk net zo kritisch op als op die licentieovereenkomsten. Dat is namelijk het behouden van een bepaalde mate van afhankelijkheid, terwijl je net doet alsof je investeert in Europese defensie. Dat is precies als de vraag die ik net heb gesteld. Dat moeten we voorkomen. We zijn dan op papier misschien met andere percentages bezig. Op papier zijn we dan Europees onafhankelijk aan het worden, terwijl dat in de praktijk helemaal niet het geval is en we nog steeds aan de leiband lopen van andere wereldmachten.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik zal zelf met een motie komen om te monitoren welke doelen het kabinet heeft gesteld en hoe het daaraan wil voldoen. Ik wil daarmee ook bekijken hoe er elke keer aan de Kamer gerapporteerd kan worden wanneer er toch wordt besloten om aankopen te doen buiten de Europese Unie. Ik hoop de heer Dassen dan aan mijn zijde te hebben.

De heer Dassen (Volt):

Ja, absoluut. Wat ons betreft kunnen we niet snel genoeg gaan investeren in Europese defensie. Het moet dan ook helder zijn wat daar precies onder valt. Qua joint ventures en licentieovereenkomsten moet het helder zijn. Wat mij betreft gaat het er dan ook om die 50% te halen en om wat de stappen zijn die daarna komen. Ik zal deze motie dus van harte steunen. Ik zal zelf ook een motie indienen over die licentieovereenkomst. Er zit namelijk toch nog wat onduidelijkheid in de antwoorden die ik net vanuit de coalitiepartijen kreeg. Ik hoop dus ook van harte op steun van mevrouw Piri om ervoor te zorgen dat we de coalitie en het kabinet op dat punt ook de juiste kant op wijzen.

De heer Van Lanschot (CDA):

Ik vraag mij af of de heer Dassen alvast een doorkijkje zou kunnen geven van wat hij dan beoogt in die motie over licenties.

De heer Dassen (Volt):

Ik stelde net de vraag hoeveel procent nu al onder die licenties valt en of dat ook wordt meegenomen. Als je streeft naar echte Europese onafhankelijkheid, naar een Europese defensie-industrie, en zegt dat minimaal 50% in Europa geïnvesteerd moet worden, dan kunnen die licentieovereenkomsten daar dus geen onderdeel van zijn. Dat is waar ik in die motie op ga inzetten, afhankelijk van de beantwoording van het kabinet.

De heer Van Lanschot (CDA):

Het CDA staat daar toch wat genuanceerder in. Het hangt wat ons betreft ook af van de manier waarop die licenties worden vormgegeven. Als de heer Dassen dat nog zou kunnen meenemen in zijn overwegingen, dan zouden wij dat waarderen.

De heer Dassen (Volt):

Ik wil alles meenemen in overwegingen. Het wordt dan slechts een langere motie. Tegelijkertijd wil ik ervoor waken om te doen alsof er allerlei nuanceringen zijn op dit vlak. Als je ervoor wilt zorgen dat je onafhankelijk wordt, dan moet je dus geen omwegen gaan verzinnen met licentieovereenkomsten die er eigenlijk voor zorgen dat je afhankelijk blijft van de Amerikaanse technologie, terwijl je net doet alsof het Europese investeringen zijn.

De voorzitter:

U vervolgt.

De heer Dassen (Volt):

In het kader van DARPA en NADI nog een laatste vraag. Hoe ziet de staatssecretaris de samenwerking met kennisinstellingen voor zich in het kader van de onervarenheid van universiteiten met dit soort projecten? Ik denk wel dat daar een kans ligt. Daarin moet natuurlijk ook het Europese aspect worden meegenomen, omdat juist kennisinstellingen over de grenzen met elkaar samenwerken.

Investeringen in militaire tech hebben bewezen ook veel maatschappelijke en economische waarde te hebben, aangezien er vaak maatschappelijke toepassingen uit voortvloeien. Bekende voorbeelden zijn inderdaad die welke zojuist al werden genoemd: het internet, gps en straalmotoren voor commerciële vliegtuigen. Die innovaties moeten ook wat Volt betreft niet stoppen op militair vlak, maar worden doorontwikkeld tot producten en diensten die ook maatschappelijk en economisch rendement opleveren. Op welke manieren gaat de staatssecretaris borgen dat de defensie-investeringen in innovatie en infrastructuur zo goed mogelijk worden doorontwikkeld tot maatschappelijke toepassingen? Is de staatssecretaris het met ons eens dat het programma zich niet moet beperken tot de innovaties die al bijna rijp zijn — ik geloof dat ik de VVD dat net hoorde zeggen — maar juist ook veel aandacht moet geven aan de innovaties in vroege stadia, omdat daar juist de ontwikkeling zit voor hetgeen we misschien nu nog niet kunnen bedenken? Dan heb je het over gps, internet of over die motoren die zijn ontwikkeld. Dat waren geen ontwikkelingen die al heel ver waren, maar in het begin zaten. Zo zie ik dat NADI ook, namelijk dat daarin wordt geïnvesteerd. Graag een reactie daarop.

We gaan bouwen aan ons eigen technologie. Laten we dat snel en veelvuldig doen, maar tot die tijd zijn we, ook bij Defensie, compleet afhankelijk van de Amerikaanse tech. Het gaat zelfs zo ver dat Europese topmilitairen waarschuwen dat discussies over digitale autonomie mogelijk onze defensieparaatheid ondermijnen, omdat alles, maar dan ook alles — en daar gaan we weer — op Amerikaanse systemen draait. Het gevaar daarvan zagen we afgelopen week ook bij het conflict tussen Anthropic en het Pentagon. Anthropic weigerde mee te werken aan massasurveillance en autonome wapens en toen werd duidelijk wat de consequenties zijn voor de bedrijven die niet gehoorzamen. Trump betitelde Anthropic als een extreemlinks woke bedrijf en Defensieminister Pete Hegseth noemde Anthropic een gevaar voor de veiligheid van het land. Dus de systemen die wij gebruiken, zijn totaal overgeleverd aan de orange fever van het Witte Huis. Hoe kijkt de minister naar deze Amerikaanse afhankelijkheid, maar ook naar de ontwikkelingen binnen de Verenigde Staten? Het is misschien een long shot, maar zouden we niet Anthropic naar Europa moeten halen, aangezien het nu in de VS door de Amerikaanse overheid kapot wordt gemaakt?

Voorzitter. Macron heeft aangekondigd zijn kernparaplu Europees beschikbaar te willen maken. Een jaar geleden hebben wij hier ook voor gepleit. Het is goed dat de coalitie hier positief op reageert, maar hoe gaan we dit Europeaniseren? Zeker met het oog op de aanstaande verkiezingen in Frankrijk, waar de grootste partij zich heeft uitgesproken tegen het delen van de Franse nucleaire paraplu. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat dit over een jaar niet een ander verhaal wordt, juist omdat het op dit moment zo belangrijk wordt? Ik ben benieuwd naar de visie van de minister hierop, zeker ook omdat dit nog helemaal verder uitgewerkt moet worden.

Dan een korte vraag. Niemand heeft zin in drukke zomerfiles, dus kunnen we alsjeblieft in juli stoppen met die grenscontroles, vraag ik de minister. Ik zie haar glimlachen, dus ik kan mij voorstellen dat zij daar ook geen zin meer in heeft.

Tot slot zou ik heel graag mijn dank willen uitspreken aan alle vrouwen en mannen die zich inderdaad elke dag inzetten voor Nederland, voor onze vrijheid en onze veiligheid, zowel in Nederland als ver daarbuiten, en zeker ook — de heer Van Lanschot zei het net al — aan alle families die daarachter staan en elke keer weer meemaken wat dat betekent. Ik denk dat we daar als Nederland, als parlement, onze waardering voor mogen uitspreken. Dat doe ik dan ook graag bij dezen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dassen. Dan is het woord aan mevrouw Ten Hove, als laatste spreker van de zijde van de Kamer in deze termijn. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dank u wel, voorzitter. Dit is mijn allereerste debat in de commissie Defensie, en gelijk een heel belangrijk debat. Ik heb het net al genoemd. Iran heeft vandaag een tweede aanval op NAVO-territorium uitgevoerd. Eerder al op een basis van het Verenigd Koninkrijk en Cyprus en nu een raket op Turkije. Iran is al jarenlang een immense bedreiging voor onze nationale veiligheid. Ik noem liquidaties en intimidatie in Nederland. Iran financiert al jaren terroristische organisaties in Europa. Ook heeft Iran recent gedreigd met het activeren van terroristische netwerken in Europa. Dat gaat ons aan. Dat is een regelrechte oorlogsverklaring aan de NAVO, Europa en Nederland. We willen dat dit kabinet de Amerikaanse missie niet alleen politiek steunt, maar ook militair. Stel het Defensieapparaat ter beschikking aan onze bondgenoten ter ondersteuning van het optreden tegen Iran. Als het kabinet zelf geen actie onderneemt, zal Groep Markuszower de Kamer middels een motie vragen hierover samen stelling te nemen.

Voorzitter, ik ga verder.

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik ben benieuwd naar het volgende. Ik heb namelijk ook het nieuws gezien over een droneaanval boven Turkije, die gelukkig lijkt te zijn afgeweerd. De collega heeft het over twee aanvallen op de NAVO. Die andere heb ik niet meegekregen. Waar heeft zij het over?

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dan doel ik op de basis op Cyprus. Die is van het Verenigd Koninkrijk. Het is niet de EU, maar het is wel NAVO-grondgebied, omdat het een basis is van het Verenigd Koninkrijk. Zo kom ik op twee.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Oké, want Cyprus zit zelf natuurlijk niet in de NAVO.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Precies.

Voorzitter. Wij steunen de investeringen in defensie. De vraag is echter of de werkende Nederlander moet opdraaien voor de Defensiebegroting. De vrijheidsbijdrage is wat ons betreft een ordinaire belastingverhoging die niet uit te leggen is in de wetenschap dat we geld van Brussel hadden mogen lenen om de noodzakelijke defensie-investeringen te kunnen doen. De vraag is ook of al dit geld uitgegeven gaat worden, want alleen al in 2024 lag er nog ruim 3,3 miljard euro op de plank. Hoe gaat het kabinet al dat geld daadwerkelijk uitgeven?

Voorzitter. De basis moet op orde. Het is natuurlijk leuk dat we groots uitpakken met persberichten waarin wordt gesteld dat we weer een nieuw vliegtuig hebben gekocht, maar we moeten niet vergeten dat ook aan de randvoorwaarden moet worden voldaan om zo'n vliegtuig überhaupt in de lucht te houden. Laat me een voorbeeld geven. Laatst mocht ik met de commissie mee op werkbezoek naar Vliegbasis Woensdrecht. Daar stonden twee F-35's in een hangar. Een van de twee vliegtuigen stond al negentien maanden stil. Het stond gewoon negentien maanden niks te doen. Dat is anderhalf jaar. Een machine van 100 miljoen staat gewoon stof te happen. Dat is onbegrijpelijk. Toen ik aan een vliegtuigtechnicus vroeg hoe het kan dat zo'n prachtig apparaat zo lang stilstaat, kreeg ik als alleszeggend antwoord: complexe logistieke processen. Ook was er maar één koelwagen beschikbaar die noodzakelijk is bij het onderhoud en testen van het toestel. Toevallig was die in gebruik. Concreet: bij het doen van investeringen moeten we de logistieke processen die daarmee gepaard gaan dus niet vergeten. Hoe gaat de minister hier invulling aan geven?

We zien dat er bijvoorbeeld bij de trainingen en de opleiding voor de F-35 al efficiëntieslagen worden gemaakt. Door dit samen met EU-bondgenoten te doen, worden onze slagkracht en onze reactiesnelheid vergroot. Nog zo'n voorbeeld is de samenwerking tussen Nederland en Duitsland ten aanzien van de Leopard 2A8-gevechtstank. Is er een plan om nog meer van dit soort gezamenlijke aankopen en trainingen uit te rollen zonder ons direct in een groot Europees leger te rommelen? Dat laatste willen wij namelijk absoluut niet.

Defensie groeit hard en gebruikt het Dienjaar als een manier om nieuw personeel te werven. Het Dienjaar is een vrijwillig programma waarbij jongeren gedurende één jaar fulltime als militair meedraaien. Het programma wordt versneld opgeschaald naar 1.500 deelnemers per jaar. Uit het werkveld bereiken ons twijfels over de effectiviteit ervan. Veel deelnemers stromen vroegtijdig uit en lijken gaandeweg hun motivatie te verliezen. Herkent de minister deze signalen? Welke maatregelen worden er al genomen om vroegtijdige uitval te voorkomen? Uit beschikbare cijfers blijkt dat na afronding van het Dienjaar 40% als beroepsmilitair en 16% als reservist aanblijft. Het is echter onbekend hoeveel deelnemers tussentijds stoppen. De kosten voor een regulier Dienjaar bedragen ongeveer €100.000 per deelnemer per jaar. Bovendien legt het Dienjaar een aanzienlijke claim op de beschikbare instructeurs en de opleidingscapaciteit. Kunnen we van de minister voorafgaand aan het commissiedebat Personeel een brief ontvangen met alle relevante feiten over het Dienjaar op een rij, en dan specifiek over hoeveel deelnemers er per lichting begonnen en wat het percentage is van vroegtijdige uitstroom? Wij zouden er namelijk voor willen zorgen dat het Dienjaar nog effectiever wordt in het behouden en ook in het enthousiasmeren van deelnemers. Om te onderzoeken hoe dit het beste kan worden bereikt, is wat ons betreft een evaluatie van het programma wenselijk.

Tot slot wil ook ik mij richten tot alle militairen, alle reservisten en al het burgerpersoneel van Defensie. Groep Markuszower is enorm trots op onze helden. Tegen mijn oud-collega's zeg ik: dank jullie wel voor jullie inzet voor een veilig Nederland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Ten Hove.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer bij het debat over de begroting Defensie. Ik dank de leden voor het gevoerde debat en de bewindspersonen voor hun aanwezigheid.

De voorzitter:

De voortzetting van dit debat zal aanstaande donderdag plaatsvinden, vanaf 16.30 uur. Ik schors de vergadering nu tot 16.00 uur, waarna we verdergaan met het tweeminutendebat Eurogroep/Ecofin-Raad van 9 en 10 maart 2026. De vergadering is geschorst tot 16.00 uur.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik heet de minister van Financiën van harte welkom bij het tweeminutendebat Eurogroep/Ecofin-Raad van 9 en 10 maart 2026. Er zijn drie sprekers aan de zijde van de Kamer en ik geef als eerste het woord aan de heer Hoogeveen namens JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank u, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de Europese Unie in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van Europese leningsinstrumenten waarbij de Europese Commissie geld aantrekt op de kapitaalmarkt om dit vervolgens door te lenen aan lidstaten, met de Europese begroting als garantie;

overwegende dat dergelijke constructies het risico met zich meebrengen dat prikkels voor begrotingsdiscipline en structurele hervormingen bij lidstaten kunnen verzwakken;

overwegende dat het Stabiliteits- en Groeipact het fundament vormt voor gezonde overheidsfinanciën binnen de eurozone;

verzoekt de regering zich er in Europees verband voor in te zetten dat toegang tot nieuwe door de Europese begroting gegarandeerde leningsinstrumenten nadrukkelijk wordt gekoppeld aan de naleving van het Stabiliteits- en Groeipact en aan een geloofwaardig pad naar de 60%-schuldnorm,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 2169 (21501-07) (#10).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Centrale Bank heeft aangedrongen op het creëren van een gemeenschappelijke Europese safe asset, hetgeen neerkomt op grootschalige, structurele en gezamenlijke financiering van overheidsuitgaven;

overwegende dat de spaar- en investeringsunie primair gericht moet zijn op het mobiliseren van privaat kapitaal ten behoeve van betere financiering van bedrijven;

verzoekt de regering zich in de Raad actief te verzetten tegen het creëren van een Europese safe asset of andere vormen van structurele gezamenlijke schulduitgifte in het kader van dẹ spaar- en investeringsunie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 2170 (21501-07) (#11).

De heer Hoogeveen (JA21):

Voorzitter, tot slot. We hadden een mooi debat vandaag. Mijn fractie steunt ook de ambitie van het kabinet om die Europese kapitaalmarkt verder te integreren en barrières voor grensoverschrijdende investeringen weg te nemen. Juist voor Nederland is dat van groot belang. Tegelijkertijd zien we in Europa een andere tendens ontstaan. We zien dat er in de discussies rondom kapitaalmarkten, bijvoorbeeld over clearing en de post-trade sector, weer meer wordt gekeken naar het geforceerd verplaatsen van financiële markten van buiten de EU naar binnen de EU. Ik overwoog hier een motie over in te dienen, maar ik vraag de minister nu gewoon of hij kan bevestigen dat de Nederlandse inzet blijft dat verdere integratie van de kapitaalmarkt dus primair marktgedreven plaatsvindt door het wegnemen van barrières en het versterken van concurrentiekracht en dat Nederland niet meegaat in dit soort protectionistisch Europees denken of het geforceerd afdwingen van relocatie van financiële activiteiten.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Bushoff namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ga uw gang.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europese emissiehandelssysteem (ETS) bedoeld is om industriële CO2-uitstoot jaarlijks te verlagen en dit bovendien in 2025 circa 923 miljoen aan veilingopbrengsten voor de Nederlandse schatkist oplevert;

overwegende dat voorstellen om de jaarlijkse daling van het aantal emissierechten te stoppen het klimaatbeleid ondermijnen, investerende en reeds verduurzaamde bedrijven benadelen en substantiële inkomsten voor de schatkist in gevaar brengen;

verzoekt de regering zich in Europa ondubbelzinnig uit te spreken tegen iedere afzwakking van het ETS en zich actief in te zetten voor behoud van de huidige systematiek en reductieambitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff en Van Oosterhout.

Zij krijgt nr. 2171 (21501-07) (#12).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik hoop dat u het kan lezen; het is een beetje gekrabbel.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Van Houwelingen. Hij spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland circa 612 ton goud bezit, waarvan een aanzienlijk deel is opgeslagen in de kluizen van de Federal Reserve Bank in New York;

overwegende dat dit goud eigendom is van de Nederlandse Staat en daarmee van het Nederlandse volk;

overwegende dat opslag in het buitenland risico's met zich meebrengt op het gebied van geopolitieke onzekerheid, toegankelijkheid en nationale soevereiniteit over de eigen goudreserves;

overwegende dat meerdere Europese landen, waaronder Duitsland, Oostenrijk en Hongarije, reeds zijn overgegaan tot (gedeeltelijke) repatriëring van hun goudreserves;

overwegende dat het in het belang van Nederland is om zeggenschap en controle over de eigen goudreserves te waarborgen;

verzoekt het kabinet het Nederlandse goud dat momenteel in New York is opgeslagen zo spoedig mogelijk te repatriëren naar Nederland, en de Kamer over de voortgang hiervan te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 2172 (21501-07) (#13).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Daar zou ik nog kort het volgende bij willen opmerken. De minister zei in het debat: daar gaat uiteindelijk De Nederlandsche Bank over. Maar ik kan me niet voorstellen — dat is mijn vraag aan de minister — dat zoiets belangrijks als de toekomst van onze nationale goudvoorraad uiteindelijk geen politiek besluit is, dus dat de Kamer en de minister daar niet over gaan. Als De Nederlandsche Bank daar inderdaad over gaat, is het dan ook zo dat die dan eindverantwoordelijk is als er iets misgaat met onze goudvoorraad? Het lijkt mij dat de minister dat is. Als dat zo is — ik hoop dat dat zo is — hoop ik dat de minister wanneer hij de motie ontraadt, zoals ik verwacht, met een andere onderbouwing komt dan dat De Nederlandsche Bank daarover gaat. Dat lijkt me dan wel redelijk.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer in deze termijn. Ik schors een enkel ogenblik voor de beantwoording van de minister van Financiën.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Heinen:

Dank u wel. Dank u wel ook voor de moties en voor de vraag die gesteld is door de heer Hoogeveen. Ik kan bevestigen dat de inzet op de kapitaalmarkt inderdaad "langs de lijn" is, zoals de heer Hoogeveen in dit debat heeft uiteengezet.

Voorzitter. Dan wil ik naar de moties. De motie op stuk nr. 2169 van de heer Hoogeveen gaat over de eventuele nieuwe instrumenten en de toegang daartoe voor landen die niet aan het SGP voldoen. Ik denk dat het goed is om hier even een gedachtewisseling aan vooraf te laten gaan, zodat we elkaar goed begrijpen. Als het namelijk gaat om leeninstrumenten zoals die in Europa plaatsvinden, bijvoorbeeld het SAFE-instrument, heeft Nederland altijd ingezet op het belang van schuldhoudbaarheid. Nederland is daar ook altijd onderdeel van geweest. Dat blijf ik ook doen. In die zin lees ik de motie als ondersteuning van het huidige beleid. Ik snap de heer Hoogeveen ook goed als hij zegt dat hij wil dat het voor de toekomst geborgd is. Uiteraard blijft schuldhoudbaarheid voor ons een belangrijke voorwaarde.

Voorzitter. Het is zaak dat we elkaar goed begrijpen. De heer Hoogeveen verwijst expliciet naar de 60%-schuldnorm. Ook landen in een buitensporigtekortprocedure die niet voldoen aan de 60%-norm kunnen wél voldoen aan de regels van het SGP. Ze zitten namelijk in een buitensporigtekortprocedure. Ze moeten toewerken naar een houdbare schuld en daar afspraken over maken. In die zin voldoen ze aan het SGP, maar niet aan de 60%-norm.

Voorzitter. Ik lees de motie zodanig dat ook deze landen — dat zijn landen die dus bijvoorbeeld in een buitensporigtekortprocedure zitten en toewerken naar schuldhoudbaarheid en in die zin voldoen aan het SGP — wel aan deze instrumenten mee kunnen doen. Ik zal dan inderdaad, als ik de motie zo goed lees, conform de motie dit punt altijd naar voren blijven brengen in de Europese Raad als belangrijke voorwaarde voor Nederland. We moeten altijd naar die schuldhoudbaarheid blijven kijken. Er is namelijk ook een achterliggend doel. We delen uiteraard de zorg voor toenemende schulden en een groeiende schuldenberg. Die willen we uiteraard voorkomen. Ik kijk dus ook even de heer Hoogeveen in de ogen met de vraag of we met deze motie hetzelfde bedoelen. Zo kan ik de juiste appreciatie geven.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank aan de minister voor deze bespiegeling. Ja, dit klopt. Het doel van mijn motie is echt om dit in de toekomst te waarborgen en die 60% uit het SGP niet uit het oog te verliezen voordat we dit soort leeninstrumenten gaan gebruiken. Ik begrijp uit de reactie van de minister dat dit al het geval is. Is er toch nog een manier waarop dat net iets formeler kan worden benoemd, voordat we beginnen aan nieuwe leeninstrumenten? We weten namelijk dat er een aantal landen zijn die in zo'n buitensporigtekortprocedure zitten en dat zij bij lange na niet voldoen aan die 60%-norm. Het zou fijn zijn als er een geloofwaardig pad aan ten grondslag ligt.

Minister Heinen:

Exact. Geloofwaardigheid is natuurlijk altijd een interpretatie, maar die borgen wij via een controle via de Europese Commissie en rapportages vanuit de landen die laten zien hoe ze dat geloofwaardige pad naar de schuldhoudbaarheid borgen. Dat is ook altijd de Nederlandse inzet. Ook in het licht van ReArm Europe en het SAFE-instrument heeft Nederland er altijd op ingezet dat als iets leidt tot aanvullende schulden bij lidstaten, dat ook leidt tot een grotere inspanning van die lidstaten om toe te bewegen naar schuldhoudbaarheid. Die instrumenten kunnen in die zin nooit een ontsnapping zijn uit een buitensporigtekortprocedure of een omzeiling om toch hogere schulden aan te gaan. In die zin denk ik dat wij de motie op dezelfde manier interpreteren. De motie verzoekt mij daar in Europa op te blijven inzetten. Dat zal ik ook doen. Daarmee kan ik de motie op stuk nr. 2169 oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Hoogeveen daarmee akkoord gaat. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 2169 oordeel Kamer.

Minister Heinen:

Ook dank voor deze toelichting, want het luistert nauw. We delen het belang van schuldhoudbaarheid. Dat is de kern van het financiële beleid.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 2170, van de heer Hoogeveen, verzoekt de regering zich in de Raad actief te verzetten tegen het creëren van een Europese safe asset. Ook hier geef ik, los van de appreciatie, een kleine interpretatie mee. Ik ben namelijk een groot voorstander van een Europese safe asset, om ervoor te zorgen dat lidstaten hun begroting op orde hebben, dat ze gezonde overheidsfinanciën hebben en dat ze een sterke economie hebben. Dan worden hun staatsobligaties namelijk een safe asset. Maar ik denk dat de heer Hoogeveen in de motie doelt op het creëren van eurobonds. Daar is dit kabinet geen voorstander van. Ik ben daar geen voorstander van en het kabinet onderschrijft die lijn. Nee, ik moet het anders zeggen. We onderschrijven die lijn, net zoals het vorige kabinet; zo zeg ik het goed. Daarom geef ik ook deze motie oordeel Kamer.

De motie ...

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2170: oordeel Kamer.

Minister Heinen:

De motie op stuk nr. 2171, van de heer Bushoff, zou ik de appreciatie "ontijdig" willen geven, vanwege dezelfde argumentatie als bij het debat van vanochtend. Wij zijn niet voornemens om het ETS-beleid te veranderen. Allereerst is dit niet aan mij, maar aan de minister van KGG. Zij is hier primair verantwoordelijk voor. Daarnaast kunnen we nu niet voorzien hoe dit zich in Europees verband ontwikkelt.

De voorzitter:

Dan stel ik eerst de formele vraag of de heer Bushoff bereid is om de motie aan te houden.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Het is inderdaad zo dat we niet kunnen voorzien hoe het zich in Europees verband ontwikkelt, maar we weten wel dat er ontwikkelingen zijn in Europees verband en dat de Nederlandse regering zich daartoe zou moeten verhouden. Deze motie geeft eigenlijk een opdracht mee aan de Nederlandse regering. In die zin vind ik het dus eigenlijk helemaal niet zo'n rare motie.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 2171 de appreciatie "ontijdig".

Minister Heinen:

Voor de Handelingen: ik heb 'm niet geduid als "raar". Ik vind 'm ontijdig. Dat is mijn formele appreciatie.

Dan de laatste motie, de motie op stuk nr. 2172 van de heer Van Houwelingen, die het kabinet verzoekt "om het Nederlandse goud dat momenteel in New York is opgeslagen" — dat is niet helemaal waar, want het ligt in zowel de Verenigde Staten, Canada en het Verenigd Koninkrijk als Nederland — "te repatriëren". Los van de feitelijke onjuistheden in deze motie zou ik 'm ook willen ontraden, omdat het niet aan het kabinet maar aan De Nederlandsche Bank is. Die is onafhankelijk in het bepalen van het monetaire beleid en ook het beheer van het goud. De heer Van Houwelingen doet hier in de plenaire zaal eigenlijk hetzelfde als vanochtend in het commissiedebat: hij stelt dat dit niet democratisch zou zijn. Het mandaat van De Nederlandsche Bank en de taak om de goudvoorraad te beheren staan gewoon in de wet en die wet wordt hier democratisch aangenomen. Ook hier zou ik wat de heer Van Houwelingen stelt de waarheid te zijn, willen challengen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Maar even zodat ik de minister goed begrijp. De toekomst en de veiligheid van een groot deel van onze nationale goudvoorraad zijn uiteindelijk niet in handen van dit parlement of van de Nederlandse bevolking, en ook niet van de regering hoor ik net, maar in handen van De Nederlandsche Bank.

Minister Heinen:

Net zoals elke euro die en elk bankbiljet dat in omloop is: het wordt beheerd door een centrale bank. De centrale bank doet dat in onafhankelijkheid. Het mandaat wordt verleend met een wettelijke basis die hier democratisch wordt vastgesteld en die ook in Europees verband is vastgesteld in het eurosysteem. Ik heb de Kamer ook — ik herhaal dat aanbod in de plenaire zaal, omdat wellicht andere kijkers dit debat volgen — een technische briefing aangeboden, zodat we dit onderwerp nader kunnen bespreken en ik u details kan verschaffen die ik niet plenair kan verschaffen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank daarvoor. Daar ga ik op zich graag op in. Maar dan toch nogmaals de vraag. Iemand moet uiteindelijk ergens verantwoordelijk voor zijn. Zo werkt het toch overal, in het bedrijfsleven, op scholen en hier ook. Stel dat straks blijkt dat we een deel van onze goudvoorraad kwijt zijn — dat zou kunnen — wie is daar dan verantwoordelijk voor? Is dat dan De Nederlandsche Bank? Dat is dan logisch, want wij gaan er blijkbaar niet over.

Minister Heinen:

Maar hier gaat steeds de aanname aan vooraf dat we het goud kwijt zullen zijn. Daar hebben we vanochtend al een debat over gevoerd. Ik snap dat de heer Van Houwelingen een frame probeert neer te zetten dat hem politiek uitkomt, maar dat is ver buiten de waarheid. Daar heb ik inmiddels voldoende over gezegd.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Tot slot, voorzitter. Met andere woorden, concludeer ik dan toch, zeg ik via u tegen de minister: als er wat verkeerd gaat — dat zou kunnen; de minister weet het ook niet — kunnen we niemand daarop aanspreken. Het is een soort act of God. Niemand is eindverantwoordelijk. Het is in ieder geval niet De Nederlandsche Bank en wij kunnen er als Kamer niks aan doen, want wij gaan er niet over, krijgen we de hele tijd te horen. Dat vind ik een bizarre conclusie, ja.

Minister Heinen:

Het feit dat meneer Van Houwelingen dat concludeert, maakt het nog niet waar.

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn appreciaties.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog één punt ter verduidelijking. De minister noemde mijn motie ontijdig. Daar ben ik het eigenlijk niet mee eens, maar dat kan. Maar de minister noemde tussen neus en lippen door dat het misschien wel voor een deel op het terrein van de minister van Klimaat en Groene Groei ligt. Dat kan ik begrijpen, maar als dat zo is, zouden we misschien de appreciatie van die minister kunnen krijgen voordat we erover stemmen.

Minister Heinen:

Ik zal het doorgeleiden. Ik denk dat dit de appreciatie niet verandert en dat de minister van KGG met dezelfde argumentatie uitkomt op de ontijdigheid van de motie. Uiteraard kan ik het doorgeleiden, zodat er ook vanuit de minister van KGG een appreciatie komt, maar dan stel ik ook voor dat voortaan dit soort moties worden ingediend bij debatten met de minister van KGG. Anders wordt het voor de ordentelijkheid van dit debat in deze Kamer wat onhandig.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Het is een beetje flauw, maar dan verwacht ik ook dat de minister van Financiën zich eigenlijk alleen op zijn eigen terreinen uitspreekt in de toekomst. Ik zeg, met een kuch: box 3!

Minister Heinen:

Ik ben eindverantwoordelijk voor het ministerie van Financiën, waar box 3 onder valt. In de taakopvatting is dat gedelegeerd aan de staatssecretaris, maar staatsrechtelijk is dat mijn verantwoordelijkheid.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal morgen bij aanvang van de middagvergadering worden gestemd. Ik schors de vergadering tot 16.30 uur, waarna we verdergaan met het debat over toeslagenouders die benadeeld worden omdat hun dossiers niet worden verstrekt door de Belastingdienst. De vergadering is geschorst tot 16.30 uur.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Aan de orde is het debat over toeslagenouders die benadeeld worden, omdat hun dossiers niet worden verstrekt door de Belastingdienst. Ik heet van harte welkom de staatssecretaris Herstel Toeslagen, de Kamerleden en de mensen op de publieke tribune. Ik wil gelijk beginnen met de eerste spreker van de zijde van de Kamer en dat is de heer Ergin. Hij spreekt namens de fractie van DENK.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter. De toeslagenmisdaad heeft het leven van tienduizenden mensen kapotgemaakt: ouders die vermorzeld zijn door het systeem, kinderen die jaren geleden uit huis zijn geplaatst en nog steeds niet thuis zijn, mensen die zijn blijven zitten met torenhoge schulden, ouders die hun baan en huis zijn kwijtgeraakt.

Voorzitter. De ellende is zo groot dat we al meer dan vijf jaar bezig zijn met de hersteloperatie. En al die jaren heeft de Kamer tegen het kabinet gezegd: "Los het op! Help de ouders! Regel het en geef deze ouders herstel!" Juist daarom heeft de Kamer ook een heldere belofte gedaan aan de ouders. We gaan geen informatie achterhouden. We gaan ruimhartig compenseren. En we gaan vooral werk maken van het herstel van vertrouwen.

Voorzitter. Deze ouders moesten alles aan de overheid laten zien. En nu is het tijd dat de overheid alles laat zien.

Voorzitter. De hersteloperatie, waar ik het net over had, duurt inmiddels meer dan 2.000 dagen. En waar gaat het vandaag over? Over opgedoken memo's en over stukken die er wel zijn, maar niet worden gedeeld met gedupeerde ouders. Begrijpt de staatssecretaris dat die hersteloperatie voor heel veel ouders inmiddels een herstelhel is geworden?

Voorzitter. Helaas kijken we ook vandaag naar een nieuwe, maar vooral oude Haagse soap, een soap die ergens begint met een oplettende journalist en een advocaat die een memo aan het licht brengen. Het is een soap waarin de Kamer constateert dat zij onvoldoende is geïnformeerd, een soap waarin de Kamer in een debat als een rechercheur op zoek moet gaan naar wat de staatssecretaris wist, naar wanneer de staatssecretaris iets wist, wanneer een memo op haar tafel heeft gelegen en wanneer een memo überhaupt aan de orde is geweest. En we weten verder ook dat die soap zal doorgaan met bestuurlijk gespin en gedraai, iets wat wij in debatten al heel vaak meemaakten.

Voorzitter. Precies daar ben ik helemaal klaar mee. Ik ben er klaar mee om te zien dat zelfs ouders bij hun herstel moeten knokken tegen de overheid. Zelfs als zij simpelweg willen weten waarom zij onterecht zijn weggezet als fraudeur, moeten ouders knokken tegen het systeem. Ik ben het ook spuugzat om weer te moeten zien dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd, om weer te zien dat het kleine beetje vertrouwen dat sommige ouders nog hebben, opnieuw wordt verspeeld.

Voorzitter. De staatssecretaris heeft het vertrouwen van de Kamer gekregen om de gedupeerde ouders te helpen. Sterker nog, heel veel woordvoerders die ik hier nu zie, hebben heel vaak in debatten tegen de staatssecretaris gezegd: "Wij staan achter u. Geeft u maar aan wat wij voor u moeten doen. Welke motie moeten wij indienen? Welke amendementen moeten wij indienen om die ouders te helpen?" Dat hebben we hier allemaal gedaan. We hebben allemaal de staatssecretaris gesteund. Dat hebben we gedaan voor de ouders en haar opdracht was daarom: "Ga aan de slag met het herstellen van die hersteloperatie. Trek het vlot. Ga het versnellen."

Voorzitter. Dat vertrouwen moet natuurlijk wel worden waargemaakt door de staatssecretaris. Als ouders onrecht wordt aangedaan, moeten die ouders gewoon worden geholpen. En het memo dat is opgedoken, roept dan ook heel veel vragen op. In dat memo staat een werkwijze waarbij er stukken worden achtergehouden voor de ouders. We weten dat dat memo niet nieuw is, maar we weten ook dat de staatssecretaris na berichtgeving heeft aangegeven dat het memo haar nooit heeft bereikt. Maar uit de tijdlijn blijkt iets anders.

Voorzitter. Ik rond af met drie vragen daarover. Vraag één. Heeft de staatssecretaris de Kamer, toen de memo's naar buiten kwamen, onjuist geïnformeerd over wat ze wel en niet heeft gezien? Twee. Kan de staatssecretaris heel precies aangeven wanneer haar niet het memo, maar de informatie dat het op gespannen voet zou staan met de wet, heeft bereikt? Voorzitter, de laatste vraag. Kan de staatssecretaris aangeven wat zij naar aanleiding van die informatie heeft gedaan?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu aan het woord de heer Jimmy Dijk. Hij spreekt namens de Socialistische Partij.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. 11 november 2019. Het was 11 november 2019. Meer dan zes jaar geleden kwamen de ouders die door de overheid jarenlang kapot zijn gemaakt naar het kantoor van de Belastingdienst. Daar vroegen ouders maar één ding: geef ons onze eigen dossiers. Ze wilden weten waarom ze als fraudeurs zijn weggezet, waarom de Staat alles in het werk heeft gesteld om hen het leven zuur te maken, waarom zij en hun advocaten in al die jaren daarvoor niet mochten lezen wat er over hen geschreven is door de overheid. 11 november 2019.

Toen kwam daarop het verlossende antwoord van staatssecretaris Snel: jullie krijgen binnen een maand allemaal je dossiers thuisgestuurd. Die belofte is 2.304 dagen geleden gedaan. 2.304 dagen geleden. Belofte maakt schuld, ook 2.304 dagen later, toch? Dat vraag ik aan deze staatssecretaris. Ouders krijgen nog steeds niet de gevraagde stukken over henzelf. Daarom vraag ik de staatssecretaris: wilt u deze belofte niet nakomen, of wilt u het wel, maar wordt u tegengewerkt? Heeft u de controle niet en lukt het daarom niet? Wij zien een beeld van een organisatie die veel tijd kwijt is aan interne strubbelingen en e-mailruzies, in plaats van een organisatie die ouders hun informatie verschaft en financieel compenseert voor het jarenlange leed dat hun is aangedaan.

Een aantal vragen. Ik heb er veel. Waarom zijn uw ambtenaren zo druk met mailen en memo's opstellen, in plaats van zich dienstbaar op te stellen richting de ouders? Hoeveel van hun tijd zijn zij hieraan kwijt? Hoe komt het dat er al jaren een werkinstructie bestaat en dat de staatssecretaris die heeft laten bestaan? In die werkinstructie staat dat gegevens niet gedeeld moeten worden. Hoe kan het dat die informatie hierdoor achtergehouden wordt? Dat het niet houdbaar is, weten we nu ook. De memo toont aan dat het niet houdbaar is. Maar waarom gebeurt het dan wel? Heeft u de memo van 18 september gelezen, waarin wordt gestuurd op het schrappen van deze werkafspraak, ja of nee?

We zien een hersteloperatie met 1.900 fte. Een miljardenbudget. Als elk fte één, slechts één ouder per week zou helpen — één per week! — dan waren we in een jaar klaar geweest. Toch sleept deze lijdensweg voort. Daarom vraag ik de staatssecretaris het volgende. Wat is de einddatum? Waar kunnen we de organisatie op beoordelen? Heeft u de vrijheid om te doen wat nodig is? Zo ja, waarom gebeurt dit dan niet? Wilt u het niet of wordt u tegengewerkt? Ik wil het eerlijk horen, anders kan ik er geen oordeel over vellen. Ik ben geen superambtenaar en geen detective, en dat wil ik ook niet zijn. Ik ben een volksvertegenwoordiger. Ik zit hier met mensen die al jarenlang in de shit zitten en daar niet uit geholpen worden, met 1.900 fte. Eén zaak per week.

Wat de SP betreft kan dit debat maar op één manier eindigen: met een nieuw memo-Palmen. Komt de staatssecretaris per direct met een werkinstructie voor alle ambtenaren, consultants, managers, directeuren en wie dan ook maar betrokken zijn? Bij die werkinstructie zit slechts één simpele opdracht: verstrek alle dossiers en documenten die betrekking hebben op de ouders wanneer zij hierom vragen. Bent u bereid dit te doen? Want na 2.304 dagen moeten beloftes nú nagekomen worden. De tijd is op.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is aan het woord de heer Ceulemans. Hij spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Door de toeslagenaffaire is een groep ouders, samen met hun gezinnen, zeer ernstig gedupeerd. Hoewel met compensatie de aangerichte schade en de verloren jaren voor deze groep niet zijn terug te draaien, is iedereen het erover eens dat deze gedupeerden zo goed mogelijk gecompenseerd en ondersteund moeten worden.

Maar aan de afhandeling van de toeslagenaffaire kleeft ook een andere kant, een kant waar de politiek vaak voor wegkijkt. De afhandeling van de toeslagenaffaire is namelijk een totaal ontspoorde operatie met een astronomisch kostenplaatje geworden. Het gaat om een cocktail van, niet zelden, forse overcompensatie, die al begon met de Catshuisregeling, de brede ondersteuning door gemeenten, die verworden is tot een vrijwel ongereguleerde bodemloze put, waarin vaak allang niet meer het herstel, maar het vergaren van allerlei materiële zaken centraal staat, en het steeds verder oprekken van het begrip gedupeerden, waarover onder andere Jesse Frederik van De Correspondent het nodige heeft geschreven. De Kamer, waarin men bij ieder debat over de toeslagenaffaire vooraan staat om elkaar te overtoepen als het gaat om de vraag wie dit nu allemaal het allerergste vindt, en die steeds meer en royalere regelingen eist, is hier zeker debet aan.

Dit alles heeft ertoe geleid dat de hele hersteloperatie is verworden tot een gigantisch stuwmeer, waarop het zicht totaal verloren is, maar waarin ondertussen wel miljarden staan te verdampen en waarbij de aandacht voor echt zwaar gedupeerden verloren gaat. Dit alles zonder dat de Kamer en het kabinet daardoor echt gealarmeerd lijken, getuige de lauwe reacties op de recente bevindingen van de ADR, waarin er grote vraagtekens werden geplaatst bij een belangrijke compensatiegrond.

Voorzitter. Wij hebben als Kamer niet alleen een verantwoordelijkheid richting gedupeerden, maar ook richting de samenleving, die de kosten van deze operatie moet opbrengen. Binnen deze context is het wat ons betreft niet onlogisch dat er op de werkvloer gekeken wordt hoe processen zo efficiënt mogelijk ingericht kunnen worden. Er is immers geen verbod op nadenken, zeker aangezien de werkwijze met betrekking tot informatievoorziening richting ouders al vaker is aangepast als die onwerkbaar bleek.

Voorzitter. Eén ding staat natuurlijk als een paal boven water: juist de overheid moet de wet naleven en dient afspraken na te komen. Ouders die wettelijke rechten hebben op achterliggende stukken en informatie, moeten die krijgen. Zo simpel is het, ongeacht wat je van die regeling vindt.

Onder de agenda van vandaag hangen veel stukken die via de Woo- en de "artikel 68"-route zijn opgevraagd. Zonder context zijn deze stukken, die vaak een momentopname vormen binnen een langere periode van overleggen en verschillende werkwijzen, moeilijk te beoordelen. Daarom heb ik een aantal heldere vragen aan de staatssecretaris: wat is nu precies het karakter van dit interne stuk? Wat is de status ervan? Wat is er precies mee gedaan? Op welke fronten is het stuk onvoldragen? Wat is op dit moment de exacte werkwijze als het gaat om het verstrekken van informatie en onderliggende stukken met betrekking tot O/GS? Stokt dit volgens de staatssecretaris ergens in de praktijk en, zo ja, waardoor komt dat? En wat doet zij dan om dit vlot te trekken? Wordt er op dit moment volgens de staatssecretaris in lijn met de wet en gemaakte afspraken gehandeld als het gaat om het verstrekken van stukken waar ouders recht op hebben? Heeft de staatssecretaris het idee, ook op basis van dit memo, dat dit in het recente verleden anders is geweest? En tot slot: hoe ziet de staatssecretaris dit memo in relatie tot de meermaals gewijzigde werkwijze op dit terrein? Ik kijk uit naar de antwoorden.

Dan ga ik afronden, voorzitter. Het scherp controleren van de regering is onze hoofdtaak als Kamer. Het is goed dat we dat kritisch doen. Maar mij moet toch wel van het hart dat ik enigszins opkijk van de toch wel achterdochtige houding waarmee nu naar deze staatssecretaris wordt gekeken. Achter zaken die misschien niet altijd goed gaan, hoeft geen opzet of verborgen agenda te zitten. Zeker bij deze staatssecretaris is er, gelet op haar verleden in dit dossier, wat ons betreft ook geen aanleiding om daarvan uit te gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu mevrouw Westerveld aan het woord. Zij spreekt namens de fractie van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Het toeslagenschandaal gaat over mensen die geen enkele reden meer hebben om de overheid nog te vertrouwen, over mensen die plotseling werden uitgemaakt voor fraudeur en tienduizenden euro's of meer moesten terugbetalen, met als gevolg: carrière weg, dakloos, kinderen uit huis, diepe armoede, stress, een leven in puin en voor altijd angst voor de overheid, buiten hun schuld.

Het gaat ook over het traject dat is opgetuigd met de bedoeling om de geleden schade te herstellen. Het gaat dus niet alleen om een geldbedrag op de bankrekening: er kan alleen sprake van herstel zijn als er volledig open kaart wordt gespeeld. Daarvoor zijn openheid van zaken en vertrouwen nodig.

Precies die zaken maken de aanleiding van dit debat zo precair. Dit debat gaat namelijk over de vragen of de staatssecretaris wist van de interne werkafspraak van de Dienst Toeslagen, of die werkafspraak wel of niet werd toegepast en of dit in strijd was met de wet. Dit zijn voor ouders belangrijke vragen. Zij willen weten waarom zij aangemerkt werden als fraudeur, omdat ze daar tot op de dag van vandaag last van hebben. Ik zie weer een aantal betrokken gezichten op de tribune. Ik kan alleen maar die betrokkenheid heel erg waarderen, terwijl ik ook weet hoe diep het vertrouwen is gekrenkt. Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris: kan ze ons eens precies meenemen in zo'n proces voor zo'n ouder die in zo'n hersteltraject zit? Zo'n ouder wil informatie en heeft daar volgens de Algemene wet bestuursrecht ook recht op, recht op alle informatie dus, om te kunnen beoordelen of er op een juiste manier herstel wordt geboden en waarom die persoon werd aangemerkt als fraudeur. Hoe gaat zo'n proces nou in zijn werk? Welke stappen worden er doorlopen? Kan de staatssecretaris ons helemaal meenemen in zo'n traject?

Voorzitter. De staatssecretaris schrijft in haar brief van 12 februari dat de Dienst Toeslagen zich altijd aan de wet heeft gehouden, maar ook dat de werkafspraak is aangepast. Dat roept vragen op en ik heb daar graag een heel precies antwoord op. Was er nu wel of niet een werkafspraak om ouders te vertellen of ze wel of niet het label opzet/grove schuld hadden gekregen, maar niet aan te geven waarom? Voldeed deze werkafspraak wel of niet aan de wet? Als dit volgens de staatssecretaris aan de wet voldeed, hoe verklaart ze dan dat de ambtenaren in de memo van 18 september 2025 stellen dat dat niet zo is? Waarom is dan die werkwijze aangepast? Wanneer en op welke manier is de werkinstructie precies aangepast? Kan de staatssecretaris garanderen dat op geen enkel moment de wet is overtreden? Krijgen ouders die geen kwalificatie opzet/grove schuld hebben gekregen inmiddels wel een bewijs dat dit klopt als ze daarom vragen, bijvoorbeeld in de vorm van een screenshot van de resultaten van een zoekopdracht? Krijgen zij dit altijd als ze daarom vragen of moeten zij hun verzoek op een zeer specifieke manier formuleren? Simpel gezegd: vindt de staatssecretaris dat mensen recht hebben op al hun informatie en krijgen zij die ook? Zo ja, hoe kan het dan dat ouders die een procedure hebben lopen bij het College voor de Rechten van de Mens een veel uitgebreider dossier krijgen dan ouders die bij UHT lopen?

Voorzitter. Dan mijn laatste vragen. Over de memo schrijft de staatssecretaris in de brief van 12 februari dat deze niet ter besluitvorming is voorgelegd. Uit de tijdlijn die we gisteren kregen, blijkt dat deze wel is voorgelegd maar dat de staatssecretaris die niet heeft gezien. Lag die memo nou wel of niet voor? Wat betekent dat precies? Lag die op uw bureau? Heeft u die niet gelezen? Wist u wel van het bestaan af? Hoe zit dit nou precies? Wat is nou de status van zo'n memo en wat staat hier nou precies? En wat is het verschil tussen een memo voorgelegd krijgen en kennisnemen van een memo? Deelt de staatssecretaris de mening dat ze als bewindspersoon verantwoordelijk is voor het feit dat ze op de juiste momenten de juiste stukken leest en dat het ook haar politieke verantwoordelijkheid is als dit niet gebeurt?

Voorzitter. Ik verwacht — volgens mij hoorde ik dat collega's ook al zeggen — dat er vandaag duidelijke antwoorden komen over wat er is gebeurd. Geef openheid van zaken. Geef ons gewoon antwoord, geen woordspelletjes. De Kamer heeft daar recht op. Wij moeten onze controlerende taak kunnen doen, maar ouders en anderen die meekijken hebben daar al helemaal recht op.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Vermeer, die spreekt namens de BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. De toeslagenaffaire is een schande in de Nederlandse geschiedenis. Elke dag dat het afwikkelen langer duurt, is een dag te lang. Dat gezegd hebbende is het ook van belang dat de afwikkeling secuur gebeurt. Onlangs rapporteerden diverse media over een memo dat stelde dat ouders niet alle documenten krijgen waar zij recht op zouden moeten hebben. Als dat zou kloppen, is dat uiteraard zeer schadelijk voor het vertrouwen van de gedupeerden in de overheid. De schrijvers van het memo stelden dat de werkwijze dat relevante documenten niet inzichtelijk worden gemaakt in strijd is met de wet. In het document staat dat het achterhouden van stukken op gespannen voet staat met de informatieverplichtingen uit de Algemene wet bestuursrecht en dat deze praktijk niet houdbaar is in beroep. De staatssecretaris heeft inmiddels duidelijk gemaakt in haar brief van 12 februari dat als er geen sprake was van de kwalificatie opzet/grove schuld, in de basis aangenomen werd dat er geen relevante stukken zouden zijn. Ouders kregen dan ook geen inzage in de zoekslag of correspondentie waaruit bleek dat er geen onderzoek gedaan was.

Volgens de staatssecretaris is er instructie gegeven om op verzoek aanvullende stukken te leveren indien die er waren. Dit kan ook betekenen dat inzicht in de zoekslag wordt gedeeld. Dat lijkt in grote lijnen overeen te komen met de voorstellen uit het memo. Is de staatssecretaris voornemens om nog verdere aanpassingen te doen als ambtenaren intern aangeven dat de huidige werkwijze juridisch onhoudbaar is? Hoe weegt de staatssecretaris de uitvoeringsargumenten tegenover het juridisch inzicht om toch meer documenten inzichtelijk te maken en met welke werkwijze zijn gedupeerden het beste geholpen? Want daar gaat het niet om en niet om onze eigen verontwaardiging.

Voorzitter. In de basis snap ik dat de staatssecretaris om verdere vertraging voor gedupeerden te voorkomen niet alle stukken zomaar inzichtelijk wil maken als dit uitvoeringstechnisch vrijwel onmogelijk zou zijn. Immers, dat brengt ook de tijdige afronding van de hersteloperatie in gevaar. Deze aanpak moet echter wel wettelijk verdedigd kunnen worden en als ouders gerichte verzoeken doen waarbij ze in hun recht staan, moet het ministerie met de grootste spoed meewerken aan openbaring van die stukken. Overigens melden advocaten dat ook bij herhaalde verzoeken van ouders om aanvullende stukken deze toch niet worden verstrekt. Kan de staatssecretaris daarop ingaan? Klopt dit? Welke stappen zet zij concreet om enerzijds het systeem werkbaar te houden en anderzijds recht te doen aan de ouders?

Tot slot nog een vraag over de afhandeling van Woo-verzoeken. Ik heb dit zelf onlangs in mijn eigen woonplaats meegemaakt rond een vestiging of een voorgenomen vestiging van een azc. Woo-verzoeken laten wel een nieuwe situatie zien, ook in informatievoorziening richting de burgers. Als er na een Woo-verzoek intern op het ministerie akkoord wordt gegeven om de boel vrij te geven, vind ik dat er ook ergens een checklist moet zijn: wat moet de minister of staatssecretaris of wie dan ook nu gaan communiceren richting de mensen die het aangaat? Want er wordt onrust veroorzaakt en er wordt pas gehandeld als er een hoop commotie is of als de Kamer zich ermee gaat bemoeien. Men moet er gewoon rekening mee dat ieder Woo-verzoek in de pers kan komen. Dan zou je eigenlijk moeten reageren om mensen of gerust te stellen of gelijk te geven dat er nog een hoop ellende op ze afkomt. Hoe kan de staatssecretaris in de toekomst dergelijke onrust gaan temperen? Zijn er manieren om de politieke onrust voortaan proactief aan de voorkant af te vangen, bijvoorbeeld door gelijk een reactie naar de Kamer te sturen voordat deze er zelf om vraagt?

Dank u wel.

De voorzitter:

Wacht even, meneer Vermeer. Volgens mij heeft u een interruptie. De heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het is een interruptie waarmee ik ook woordspelletjes wil voorkomen. Ik zeg niet dat de heer Vermeer dat per se wil, maar als het gaat over dossiers overdragen, zit ik er niet echt op te wachten dat we weer een debat gaan hebben over welke dossiers wel en welke dan weer niet, en tot hoever dat gaat. Heeft de heer Vermeer door dat het echt gaat over mensen die zijn aangemerkt als fraudeur, dat het gaat om informatie over dat er sprake zou zijn van opzet en grove schuld en waarin mensen als fraudeur bestempeld zijn? De heer Vermeer is het toch met de SP eens dat het daarom gaat en dat mensen echt recht hebben al die informatie?

De heer Vermeer (BBB):

Als eerste wil ik zeggen dat ik niet per se wil dat er een woordspelletje ontstaat. Ik wil het gewoon helemaal niet. Dus als die indruk gewekt wordt, dan spijt mij dat. Nee, het is gewoon simpel: die informatie moet verstrekt worden. Ik wilde er even een punt van maken dat er ook als er geen sprake was van de kwalificatie opzet/grove schuld niet meteen maar aangenomen moet worden dat er dan ook geen stukken zijn. Dat hoeft niet te kloppen. We moeten elk geval goed bekijken en als er een informatievraag is, zou die informatie gewoon geleverd moeten worden.

De voorzitter:

De heer Dijk vervolgt.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat is een goede verduidelijking. Fijn. Dan begrijpen we elkaar.

De heer Vermeer (BBB):

Alstublieft.

De voorzitter:

Dat is mooi. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Mathlouti. Het is een mooi moment voor hem, want dit is zijn maidenspeech en bij maidenspeeches is het een goed gebruik dat we elkaar niet interrumperen. De heer Mathlouti spreekt namens de fractie van D66. Aan u het woord.

De heer Mathlouti (D66):

Voorzitter, dank. Ik ben geboren in Tunis, Tunesië, en sinds mijn derde opgegroeid in het mooie Leidschendam-Voorburg. Met die achtergrond draag ik twee werelden met mij mee. Tunis is onlosmakelijk verbonden met mijn familiegeschiedenis. Het is de stad waar ik meerdere keren per jaar kom, waar ik word omarmd door familie, waar gastvrijheid een vanzelfsprekendheid is en waar gesprekken aan de eettafel of op het strand tot laat in de avond duren. Daar zie ik waar mijn ouders vandaan komen, hun waarden, hun veerkracht en hun trots. Maar ik zie in de omstandigheden daar ook hun kracht om hun kinderen hier, in Nederland, hoe dan ook te laten slagen. Leidschendam-Voorburg daarentegen is de plek waar mijn leven zich vanaf mijn derde vormde, waar ik naar school ging, waar vriendschappen ontstonden en waar ik leerde wat meedoen betekent. Het is de gemeente die mij heeft gevormd tot wie ik vandaag ben. Het is mijn thuis.

Voorzitter. Ik kijk terug op een mooie jeugd die ook uitdagingen kende. Wat altijd overeind bleef, was de overtuiging van mijn ouders dat hun kinderen, ongeacht welke uitdaging dan ook, volwaardig mee moesten doen, niet aan de zijlijn maar midden in de samenleving. Sport speelde daarin een grote rol, voetbal in het bijzonder. Op het voetbalveld leerde ik de lessen die geen schoolboek mij had kunnen leren, bijvoorbeeld dat talent zonder discipline nergens komt en dat je alleen succesvol kan zijn wanneer je door blijft gaan bij tegenvallers of uitdagingen van buitenaf. Ik leerde er dat je soms harder moet werken dan een ander om hetzelfde doel te bereiken. Mede dankzij die instelling kwam ik in het voetbal terecht bij Telstar en mocht ik ruiken aan het profvoetbal. Dat was een droom die uitkwam, maar uiteindelijk bleken talent en keihard werken niet genoeg. Dat moment was bepalend, want dan sta je voor de keuze: blijf je hangen in wat niet is gelukt of bouw je verder met wat je hebt geleerd? Die ervaring heeft me gevormd: reflecteren, verantwoordelijkheid nemen, altijd blijven investeren in jezelf en, vooral, doorgaan.

Voorzitter. In de periode waarin mijn maatschappelijke loopbaan begon, werd het politieke debat scherper. Het rechts-extreme geluid werd luider en steeds vaker ging het gesprek over de moslim. Het voelde alsof die retoriek steeds vaker ging over mij en de mensen uit mijn omgeving. Dat bleef overigens niet beperkt tot talkshows of verkiezingsprogramma's; dat sijpelde door in het dagelijks leven: in uitgaansgelegenheden, waar je soms net iets kritischer werd bekeken, langs het voetbalveld en in stadions, waar racistische opmerkingen steeds vaker te horen waren, bij sollicitaties, waar je het gevoel had dat je net een stap extra moest zetten om hetzelfde vertrouwen te krijgen, of in een winkel, waar vertrouwen voelbaar kon zijn zonder dat er iets werd gezegd.

Ondanks die ervaringen wil ik hier ook heel duidelijk zijn dat ik mij nooit slachtoffer heb willen voelen, maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat het in verschillende situaties niet voor onzekerheid heeft gezorgd. Tegelijkertijd hebben die ervaringen mij niet kleiner gemaakt maar juist scherper. Ze versterkten de overtuiging dat meedoen geen vanzelfsprekendheid is en dat politiek ertoe doet. Dat was voor mij ook het moment om politiek actief te worden. Zaken als de vrijheid van het individu en de focus op onderwijs en ontwikkeling brachten mij bij D66, evenals de scherpe maar rechtvaardige debatten van Alexander Pechtold.

Namens D66 heb ik vervolgens acht jaar lang in de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg gezeten. Daar heb ik mij met volle overtuiging ingezet op dossiers die raken aan bestaanszekerheid, die direct gaan over de levens van mensen. Ik heb mij ervoor hard gemaakt dat inwoners niet vastlopen in regels, maar dat zij perspectief krijgen en zo veel mogelijk mee kunnen doen. Ik heb mij ervoor ingezet dat wij als overheid niet tegenover mensen staan, vanuit wantrouwen, maar naast hen gaan staan, vanuit vertrouwen. Met concrete voorstellen heb ik geprobeerd de politiek, de overheid en inwoners dichter bij elkaar te brengen. Vertrouwen ontstaat niet in beleidsstukken, maar in hoe beleid uitwerkt in het dagelijks leven van mensen, bijvoorbeeld omdat ze daar zelf ook invloed op uit kunnen oefenen en er naar hen geluisterd wordt.

Voorzitter. Daarmee kom ik bij het onderwerp van dit debat. Ikzelf ben gelukkig geen gedupeerde van de toeslagenaffaire, maar bij mensen in mijn omgeving heb ik van dichtbij gezien wat het met hen doet: jaren van stress, schulden, je huis uit moeten, relatieproblemen en een diep wantrouwen richting de overheid. Wat er in de toeslagenaffaire gebeurde, was niet alleen een uitvoeringsprobleem. Het was een systeem dat mensen reduceerde tot label en verdachte, zonder voldoende rechtsbescherming, zonder menselijke maat en zonder transparantie. Nu, jaren later, moeten ouders nog steeds vechten voor iets dat vanzelfsprekend zou moeten zijn, namelijk inzage in hun dossier, wat in sommige gevallen zelfs in strijd is met de wet. Daarom heb ik een aantal vragen aan de staatssecretaris. De meeste zijn natuurlijk al gedeeld. Hoe beoordeelt de staatssecretaris zelf het gebrek aan toegang tot gegevens van gedupeerden? Nog veel belangrijker: hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat gedupeerden die recht hebben op inzage, die ook gewoon zo snel mogelijk krijgen? Hoe rijmt het feit dat gedupeerden geen inzicht hebben in hun stukken met het standpunt van de werkgroep toeslagenadvocaten dat gedupeerde ouders moeten beschikken over alle stukken die raken aan de door hen geleden schade?

Voorzitter. Toch heb ik ook nog de vraag of we als Kamer hierachter waren gekomen als een paar actieve journalisten hier niet over hadden geschreven. Ik stel 'm toch maar.

Voorzitter, tot slot. We gaan er de komende tijd ongetwijfeld nog veel over praten, maar ik wil in het bijzonder aandacht blijven vragen voor kinderen van gedupeerden, een groep die wat mij betreft toch te vaak onzichtbaar blijft. Terwijl wij hier spreken over inzicht in gegevens, herstel en compensatie, groeien zij op met de gevolgen van stress, onzekerheid, wantrouwen en mentale problemen. Zo ook bij een kennis van mij. Die is gedupeerde geweest en heeft zijn leven nu eigenlijk wel aardig op orde. Dat geldt helaas niet voor zijn kind. Deze kinderen hebben geen formulieren ingevuld, maar dragen wel dagelijks de impact van wat hun ouders is overkomen. Daar moeten we wat mee.

Voorzitter, dank u wel.

(Applaus)

De voorzitter:

Dank u wel. Aan mij het genoegen om u als eerste te feliciteren met een mooie maidenspeech. Het was een waardevol verhaal, kwetsbaar en vastberaden. Zo ziet u maar: het verschil tussen de halve bekerfinale spelen vanavond met Telstar of hier Tweede Kamerlid zijn, is zo groot nog niet. Ik schors voor een enkel ogenblik, zodat u de felicitaties in ontvangst kunt nemen.

De voorzitter:

De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Grinwis. Die spreekt namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mijn hartelijke felicitaties. Dat laatste klinkt luid en duidelijk, nu de microfoon wel aan staat.

Voorzitter. Vandaag spreken we opnieuw over het toeslagenschandaal. Opnieuw wordt de conclusie getrokken dat ouders niet alleen in het verleden onrecht is aangedaan, maar dat dit onrecht tot op de dag van vandaag voortduurt, omdat dossiers bewust niet worden verstrekt. Ik sluit me aan bij de vragen van collega's, zoals die van collega Westerveld. De brief van 12 februari en de stukken die gisteren met de Kamer gedeeld zijn, lijken het in de media geschetste beeld sterk te nuanceren. Ik wil dus graag van de staatssecretaris horen hoe volgens haar de vork in de steel zit.

Voorzitter. Hier staat een normaal gesproken blijmoedig Kamerlid, maar met stevige frustraties. Precies drie jaar geleden heb ik in deze zaal het verhaal verteld van Regina, die mij destijds mailde met haar verhaal. Regina is een alleenstaande moeder van drie kinderen. Ze moest in 2009 bijna €30.000 aan kinderopvangtoeslag terugbetalen. Er werd beslag gelegd op haar loon. Haar huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget werden allemaal ingehouden. Ze dreigde met haar kinderen uit huis te worden gezet. Het gas werd afgesloten. Met geleende waterkokers maakte ze het water warm om haar kinderen toch nog in bad te kunnen doen, totdat een paar weken later ook de elektriciteit werd afgesloten. Ze zei: gelukkig had ik mijn geloof, want anders had ik het letterlijk niet gered. In 2023, drie jaar geleden dus, was ook in het herstelproces alles misgegaan bij haar. Volgens de lichte toets was ze niet gedupeerd. Er kwam dus geen schuldbekentenis van de overheid, geen steun en geen genoegdoening. Op de inhoudelijke beoordeling van haar casus wachtte ze op dat moment al ruim twee jaar. Dat laatste is gelukkig rechtgezet. Drie jaar geleden kreeg Regina te horen: het was niet jouw schuld, maar de overheid heeft jou dat aangedaan; het was de schuld van de overheid.

Wat mij ongelofelijk kwaad maakt, is dat nu, alweer drie jaar later, de beoordeling van haar werkelijke schade — het is een complexe casus — nog niet eens in behandeling is genomen. Dit is iemand die bijna twintig jaar geleden in diepe ellende is gestort. Dat is nu al zes jaar bekend en in die zes jaar zijn er allemaal mensen die nauwelijks schade hebben of zelfs niet eens gedupeerd zijn, met soms tienduizenden euro's aan compensatie naar huis gestuurd. Maar aan de echt heftige gevallen is nog steeds geen recht gedaan. Ik krijg het niet meer uitgelegd. Begrijpt de staatssecretaris dat? Wat wil zij zeggen tegen Regina en anderen die in die situatie zitten?

Voorzitter. Ik ben enorm geschrokken van de recente berichtgeving over uithuisplaatsingen. Ruim 3.500 kinderen zijn vanwege de toeslagenaffaire uit huis geplaatst, maar slechts 5% van hen is weer terug naar de ouders. Er zijn ouders die vele rechtszaken hebben moeten voeren om hun kinderen weer terug te krijgen. Het is zo bizar dat je bijna geneigd bent het niet te geloven. Gaat deze staatssecretaris met haar kabinetscollega's regelen dat deze kinderen, waar mogelijk, zo snel mogelijk naar huis kunnen?

Voorzitter. Dan kom ik bij een wat technische regeling, de hzk-regeling. Dat is een regeling voor huur- en zorgtoeslag en kindgebondenbudget. Voor aanmelding daarvoor is bij de Wet verbetermaatregelen toeslagen een einddatum gezet van 12 februari. Dat is in deze Kamer als hamerstuk aangenomen. Ik heb dat zelf helaas niet doorgehad. Volgens mij zit daar nu een probleem. Er zijn allemaal ouders die als het goed is door het ministerie geselecteerd worden, maar zichzelf niet meer kunnen aanmelden, mocht dat per abuis fout gaan. Mijn vragen. Waarom is er zo'n korte aanmeldtermijn? Waarom is de aanmeldtermijn al verlopen terwijl de inventarisatie bij Financiën nog loopt? Wat nu als mensen geen brief hebben gehad terwijl Financiën stelt iedereen in beeld te hebben? Kunnen mensen zich dan inderdaad niet meer melden? Zo ja, beknot dat de rechten van deze mensen niet? Dat zijn mijn vragen bij deze regeling.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het is heel terecht dat de heer Grinwis het heeft over de zwaarst gedupeerde mensen die het laatst of het minst geholpen worden. Het is ook zeer terecht dat u de vragen stelt over de uithuisplaatsing van kinderen. Kunt u aangeven waarom u denkt dat het gaat zoals het gaat? In vorige debatten ging het namelijk ook vaak over de uithuisgeplaatste kinderen en dat daar iets aan gedaan moet worden. Hoe komt het volgens u dat dat niet gebeurt?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dit is een grote vraag. Als ik het antwoord wist, zou ik gelijk op de knop drukken om het op te lossen. Ik ben bang dat dit een veelkoppig monster is. Maar een van de oorzaken is natuurlijk dat geprobeerd is dit probleem, het hele schandaal waarmee we als overheid mensen onrecht hebben aangedaan en niet thuis hebben gegeven, op te lossen met dezelfde middelen die het schandaal hebben veroorzaakt. We hebben een organisatie gebouwd — ik wil alle mensen bij de UHT die te goeder trouw zich keihard inzetten om mensen te helpen echt niet in diskrediet brengen — en langs dezelfde wegen, processen, bureaucratie en hiërarchie dit geprobeerd op te lossen. Ik ben bang dat dat een van de oorzaken is. Ik denk dat het nog dieper gaat. De overheid is met generieke regelingen niet in staat recht te zetten wat allemaal krom is en is misgegaan. Daar moet je veel meer voor een maatwerkaanpak kiezen. We dachten aan de voorkant dat een generieke regeling als een Catshuisregeling ging helpen. Aan de achterkant moeten we constateren dat die fout was.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank voor het begin van het antwoord. Ik deel ook heel erg dat het probleem zit in het mensbeeld dat de overheid toepast op mensen en op die manier organiseert. Ik vraag dit omdat … Nogmaals, uw vragen zijn heel terecht. Ik had ze ook kunnen stellen, maar ik probeer wel een manier te vinden zodat we niet over een halfjaar en een jaar weer dezelfde vragen stellen. Tegelijkertijd — ik ga toch gewoon de olifant in de ruimte benoemen — schieten we er weinig mee op als we de politieke hoofdverantwoordelijken iedere keer op pad sturen met dezelfde boodschap, vragen en opdrachten. Ik merk halverwege dit debat dat ik een soort herhaling van zetten zie en daar wil ik doorheen. Mijn vraag is dan: wat is volgens de heer Grinwis een manier om dat te bereiken?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik vind het terechte vragen. Ik heb hier zelf nadrukkelijk stilgestaan bij Regina, die zeer heftig onrecht is aangedaan, dat nog altijd niet hersteld is. Het gaat niet alleen om haar, maar om heel veel mensen die in dezelfde positie zitten. Ik zou eigenlijk aan de staatssecretaris willen meegeven om alsjeblieft prioriteit te geven, ook in de schadeafwikkeling, aan de meest heftige gevallen uit het toeslagenschandaal. Dat is één antwoord.

Een ander antwoord is iets wat de SP vaak heeft voorgesteld, namelijk om te kiezen voor het proces waarbij je met één persoon een dag in een kamer gaat zitten, waar je pas weer uit komt als het is opgelost. Die manier van praktisch denken waardeer ik altijd zeer, maar in de praktijk is dat bitter tegengevallen tot nu toe. Daar is het vaak over gegaan. Misschien kan de staatssecretaris daar nog wat over zeggen. Tegelijkertijd worden er inmiddels meerdere sporen bewandeld om mensen recht te doen na de integrale beoordeling. Mij past ook bescheidenheid. Als wij als Kamerleden iedere keer weer een alternatief spoor ernaast zetten, organiseren we weer meer bureaucratie en minder hulp. Mij gaat het erom dat de mensen die het meeste onrecht is aangedaan, die dus het meest benadeeld zijn door de overheid en het diepst in de ellende zijn gestort, het meest moeten worden geholpen. De overheid redeneert juist vaak vanuit de grote aantallen: mensen die een beetje schade is aangedaan, gaan we ruimhartig bezien. Maar de mensen die echt diep in de put en diep in de shit zitten, laten we zitten. Daar ergens zit de sleutel …

De voorzitter:

Mag het iets korter?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

… om dat op te lossen. Voorzitter, dit is een zoekend antwoord omdat ik er niet een panklaar antwoord op heb.

De voorzitter:

Dat begrijp ik. Ik denk dat de heer Dijk u met nog een vervolgvraag nog verder gaat helpen in die zoektocht.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik denk dat bij veel onderwerpen waarbij er zulk groot leed is — we hebben helaas meer van dit soort onderwerpen: de WIA, Groningen — degenen die het hardst geraakt zijn het meest urgent geholpen moeten worden. Daar worden commissies voor opgericht en die doen daar onderzoek naar, maar toch lukt dat dan niet. Het zit erg diep in onze overheid dat we niet in staat zijn om een gesprek met iemand te voeren en alles op tafel te krijgen. Ik vind het gek dat Stichting (Gelijk)waardig Herstel, een organisatie buiten de overheid, dat wel weet te bereiken. Het is niet altijd tot volledige tevredenheid, maar als ik tevreden mensen spreek, dan gaat het toch vaak daarover. Ik zou graag willen dat onze overheid die werkwijze kopieert om tot oplossingen te komen. Het bevreemdt mij dat dit niet lukt. Dan krijg ik vaak het gevoel dat "we" — u mag dan zelf invullen wie dat zijn — tegengewerkt worden. Ik zou graag willen dat u daarop reageert.

De voorzitter:

Tot slot hierop, meneer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik weet niet goed wat ik zelf op die laatste vraag zou moeten antwoorden. Ik denk dat het echt aan de staatssecretaris is om op deze vraag te reageren. Het is wel zo dat er ten opzichte van de oorspronkelijke eendimensionale oplossingsrichting via UHT inmiddels meerdere routes naast elkaar bestaan, met name voor de schadeafwikkeling en eigenlijk voor de hele behandeling en beoordeling. Dat is wel winst, denk ik. Tegelijkertijd blijft het natuurlijk buitengewoon treurig dat we nu zo veel jaren verder zijn en we zo slecht in staat zijn om juist mensen die écht gedupeerd zijn serieus te helpen. Dat is precies het punt dat ik naar voren wilde brengen en waarop ook de heer Dijk naar voren kwam om mij te interrumperen. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op deze terechte en prangende vraag.

Voorzitter. Ik heb nog een kort laatste punt. Twee weken terug heeft de Kinderombudsman aan de bel getrokken dat er iets moet gebeuren voor kinderen die een studielening zijn aangegaan om hun gedupeerde ouders financieel bij te staan. Mijn fractie heeft altijd aarzelingen gehad bij generieke regelingen; dat heb ik net ook gezegd. Ziet de staatssecretaris de DUO-problematiek? Welke mogelijkheden ziet zij voor maatwerk om deze kinderen recht te doen?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Inge van Dijk. Zij spreekt namens het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik hoop dat jullie mij een beetje kunnen verstaan vanwege mijn stem. Allereerst proficiat aan de collega. Het is altijd mooi als iemand praat over passie voor opgroeien in de sport en wat dat hem heeft gebracht.

Voorzitter. Vandaag gaat het over inzicht hebben in je dossier en hopen daarin het antwoord te vinden op de vraag: waarom ik? We praten in de Kamer al vijf jaar over hoe belangrijk dit is. Het raakt de kern van het herstel van ouders en van hun vertrouwen in onze rechtsstaat. Het staat vast dat toeslagenouders zijn gedupeerd door de Staat. Dat geschade vertrouwen herstellen begint met open zijn over de fouten die zijn gemaakt. Geen openheid geven over de vraag of en waarom het stempel opzet/grove schuld is toegekend, staat daar haaks op, zeker als dat in strijd is met de wet.

Voorzitter. Het memo van 18 september 2025 roept daarom vragen op. Er staat namelijk dat het niet verstrekken van onderliggende stukken op gespannen voet staat met de informatieverplichting uit de Awb, en dat deze werkwijze in bezwaar niet houdbaar is in beroep. Met andere woorden, de UHT wist dat het juridisch niet deugde, maar toch gebeurde het.

Voorzitter. Ik heb dan ook een paar vragen. Wanneer was de staatssecretaris precies op de hoogte van de memo's uit 2024 en 2025, voordat hierover signalen verschenen in de media en vanuit de advocatuur? Heeft zij ingestemd met een van deze memo's, of met de daarin beschreven werkwijze? Hoe is het mogelijk dat een organisatie die midden in een hersteloperatie zit een interne werkafspraak hanteert, of in ieder geval lijkt te hanteren, die niet alleen strijdig is met de wet, maar ook willens en wetens voorbijgaat aan de kernvraag die een essentieel onderdeel is van herstel en die zo veel toeslagenouders hebben, namelijk: waarom ík? Is de staatssecretaris het met ons eens dat uitvoeringsorganisaties geen ruimte hebben om af te wijken van wet of rechtspraak?

Voorzitter. Een ander ding dat ik niet begrijp, is dat advocaten hierover kennelijk al maanden bij de UHT en het ministerie aan de bel trokken. Wat is er met die signalen gedaan? Ook heeft de werkgroep van advocaten die over dossiers adviseerde een lijst met stukken aangedragen die minimaal noodzakelijk zijn om ouders adequaat te kunnen adviseren. Wat wordt binnen de UHT gedaan met deze adviespunten? Worden die opgevolgd? Zo niet, waarom niet? Ik denk dat alle Kamerleden hier mails krijgen van ouders die onder andere verwijzen naar de werkwijze van de UHT en de kritiek die ze hierop hebben, in de uitvoering zelf, maar ook in de rechtszaal. Natuurlijk is niet alle kritiek per definitie terecht, maar we kunnen met elkaar inmiddels wel de conclusie trekken dat het geen incidenten zijn.

Terug naar vandaag de dag. Is het nu, in 2026, inmiddels wel standaardpraktijk dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken volledig en in één keer worden verstrekt? Kan de staatssecretaris hier een helder ja of nee op antwoorden? Als het antwoord nee is, hoe rechtvaardigt deze staatssecretaris dit dan?

Voorzitter. Ook de commissie-Van Dam constateerde eerder een gebrekkige juridische kwaliteit binnen de hersteloperatie. Ik hoor graag van de staatssecretaris welke concrete maatregelen zij heeft genomen om de juridische kwaliteit, de dossierdiscipline en de kennis van het bestuursrecht binnen de UHT structureel te verbeteren. Hoe houdt zij hierop toezicht en wat zijn haar instrumenten als zij ziet dat het blijft misgaan?

Ik rond af. We zijn al sinds 2020 met elkaar aan het proberen ouders herstel te bieden. We proberen aan hen vertrouwen terug te geven in een overheid die zo gruwelijk tekort is geschoten. Heel eerlijk, dat lukt ons slecht. Als Kamer zien we iedere keer weer dingen misgaan, onder andere bij dossiers. We stellen daar vaak dezelfde vragen over en zien het vervolgens wéér misgaan. Ik vind het dan ook frustrerend dat er dan toch weer een stuk informatie naar buiten komt waardoor we weer een paar stappen terugzetten in het fragiele vertrouwen van gedupeerden in de hersteloperatie.

Voorzitter. Soms vraag ik me af welke toon er vanuit de Kamer nodig is om wel beweging in de hersteloperatie te krijgen. Moeten we maar gaan schreeuwen of gaan dreigen, of gaat het kabinet signalen van ouders, advocaten en de Kamer serieus nemen? Dus daarom mijn slotvraag: kan de staatssecretaris hier vandaag toezeggen dat gedupeerden en hun advocaten voortaan altijd volledig, tijdig en binnen de wettelijke kaders worden geïnformeerd, en dat de UHT in álle gevallen wet- en regelgeving volgt? Want herstel begint met openheid en openheid begint met volledige naleving van de wet. Dat mag in ieder geval geen discussiepunt meer zijn.

Dank je wel, voorzitter.

De heer Ergin (DENK):

Ik heb een vraag over het een-na-laatste punt van mevrouw Van Dijk. In de afgelopen periode zijn we hier met alle collega's samen opgetrokken om de ouders te helpen. Daarbij zijn we eigenlijk een beetje uit onze rol gegaan. We hebben met z'n allen bekeken hoe we het kabinet en de staatssecretaris kunnen helpen om de ouders beter te helpen. U bent daar net even op ingegaan, maar ik zou wel iets meer van u willen horen over hoe u terugkijkt op die periode. Daarbij hadden we met name een meewerkende en meedenkende houding richting de staatssecretaris, en hebben we niet onze controlerende, zeg maar harde kant laten zien. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Van Dijk daarop terugkijkt.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik denk dat we op dit dossier als Kamer moeten doen wat nodig is. Enerzijds is dat die harde controlerende taak. Anderzijds kan dat ook mee helpen duwen zijn als de staatssecretaris zegt: help, ik heb even een duwtje van de Kamer nodig want ik kom er zelf niet doorheen. Wat dit dossier betreft heb ik de samenwerking ontzettend gewaardeerd. Ik denk ook dat dit belangrijk is, want als we hier continu politiek over gaan bedrijven, komen we voor de ouders geen steek verder. Ik ben bereid om als Kamerlid te doen wat nodig is. Vandaag is dat deze toon aanslaan. Ik meen oprecht dat ik soms echt zoekende ben: moet ik boos worden, of moet ik juist gaan helpen? Dat kan per debat verschillen. Ik vind het fijn om daar nauw contact over te houden met elkaar. Samen weten we meer dan ik als Kamerlid alleen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Ergin (DENK):

Wat mevrouw Van Dijk hier aangeeft, is duidelijk. Ik heb een ander gevoel. Ik voel me als Kamerlid gepiepeld. We denken mee en we hebben heel veel gesprekken gevoerd met de staatssecretaris, gedupeerde ouders en gedupeerde kinderen. Telkens zijn we te goeder trouw geweest richting het kabinet. We gingen ervan uit dat het kabinet er bijvoorbeeld alles aan deed om ouders hun dossiers te geven. Dan moeten we in de krant, op basis van een opgedoken memo, lezen dat de werkwijze waarvan wij allemaal dachten dat die werd gehanteerd — mensen zouden netjes hun stukken krijgen en er zou zelfs sprake zijn van versnelling — niet werd gevolgd. Voelt mevrouw Van Dijk zich dan ook niet gepiepeld door het kabinet?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik voel vooral heel veel frustratie. We hebben de afgelopen vijf jaar al heel veel gesproken over de dossiers. We hebben het gehad over gelakte stukken; daar is het soms meer over gegaan dan over ouders de informatie geven die ze nodig hebben. We hebben het gehad over de software die ingekocht moest worden. We hebben het gehad over het aanleveren van volledige dossiers. Ik heb even gekeken wat voor moties er allemaal zijn ingediend over de dossiers. Vorig jaar in januari hebben de heer Dijk en ik nog een motie ingediend om ervoor te zorgen dat de dossiers volledig bij de ouders terecht zouden komen vóór 1 januari. Ik voel me soms vooral gefrustreerd en een beetje zoekende over wat ik als Kamerlid nog kan doen om de hersteloperatie in beweging te krijgen. Voel ik me daarin gepiepeld? Enerzijds voel ik me strijdbaar om door te gaan, maar anderzijds denk ik af en toe: wat kun je als Kamerlid nog, behalve iedere keer weer boos worden en iedereen naar huis sturen? Gaat er dan überhaupt wel iets veranderen? Dat is een beetje het gevoel dat ik heb. Eerlijk gezegd ben ik continu zoekende naar wat wél werkt.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Ergin.

De heer Ergin (DENK):

Dan zou ik aan mevrouw Van Dijk willen vragen: wat is de oplossing die zij voor zich ziet voor de huidige situatie? We gaan straks nog een discussie voeren met de staatssecretaris over de memo. Ik hoop dat we daar snel klaar mee zijn en heel snel kunnen overgaan naar de vraag wat we voor de ouders gaan doen. Ziet mevrouw Van Dijk de oplossing erin om met z'n allen, via een motie, tegen het kabinet te zeggen "ga morgen de werkwijze wijzigen en zorg er vanaf morgen voor dat alle stukken in alle gevallen bij de ouders terechtkomen", of kijkt mevrouw Van Dijk op een andere manier naar de oplossing?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Mijn moties geven een duidelijk signaal af aan de staatssecretaris over wat wij verwachten. Daarmee is het nog geen staande praktijk. Ik ben veel meer op zoek naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat dit staande praktijk wordt. Oftewel, hoe krijgen we grip op wat er binnen die organisatie gebeurt? Dat is misschien niet onze rol. Ik denk dat we niet alleen in debatten, maar continu signalen moeten blijven sturen naar de staatssecretaris en het ministerie, en continu moeten laten merken dat we meekijken, en dat niet alleen doen tijdens een debat voor de bühne. Dus ja, we moeten moties indienen, maar ik denk ook dat we tussentijds steviger moeten blijven controleren. Dat is echt onze taak en verantwoordelijkheid. Misschien is het niet formeel onze taak en verantwoordelijkheid, maar het is wel aan ons om het in beweging te zetten.

De heer Ceulemans (JA21):

Mevrouw Van Dijk zegt: we debatteren hier al jaren over, en we raken alleen maar verder van de regen in de drup. Ik zou mevrouw Van Dijk willen vragen hoe zij reflecteert op de rol van de Kamer in dat proces. Is zij met mij van mening dat de Kamer daar mede debet aan is geweest? We weten hoe elk debat over de toeslagenaffaire hier loopt en afloopt. Het is een echokamer waarin iedereen elkaar probeert te overtroeven door te zeggen hoe erg het allemaal is. Vervolgens komt er een sloot aan moties die vaak onder morele druk "oordeel Kamer" krijgen en worden aangenomen. Daardoor worden regelingen steeds verder uitgebreid en royaler gemaakt, en komen er steeds meer mensen voor in aanmerking. In de praktijk vallen daar ook veel mensen onder die niet of nauwelijks gedupeerd zijn. Is mevrouw Van Dijk het met mij eens dat dit en de rol van de Kamer ertoe hebben geleid dat deze operatie compleet uit de klauwen is gelopen, dat het zicht erop volledig kwijtgeraakt is en dat dat heeft geleid tot de zaken waar we vandaag over spreken?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Nee, dat ben ik niet met u eens. Ik zal ook even uitleggen waarom. De regels die bepalen of een ouder wel of niet gedupeerd is, zijn aan het begin van de hersteloperatie al vastgelegd. De Kamer heeft niet gezegd dat die regels heel ver opgerekt moeten worden. Ik denk dat de hersteloperatie onuitvoerbaar is geworden door de manier waarop deze is ingericht. We hebben vervolgens allerlei hoepeltjes bedacht waar ouders doorheen moeten springen om compensatie te krijgen. Ik geloof daar niet in. Dat weten de mensen die mij al langer volgen hier in de Kamer. Ik geloof in integrale beoordeling. Zorg dat je aan tafel komt met de ouders en met de instanties die daarbij nodig zijn, zodat je in één keer het goede gesprek hebt: wie bent u, hoe gaat het met u, wat heeft u meegemaakt en wat heeft u nodig? Dan wordt er samen met de gemeente, qua financiën et cetera een oplossing gezocht waar de ouder mee vooruit kan. Zij moeten niet te horen krijgen: u bent door het eerste hoepeltje gesprongen; nu mag u een jaar wachten en wellicht mag u dan door het tweede hoepeltje springen, maar dan moet u wel weer even allerlei nieuwe bewijsstukken aanleveren. Dat is wat mij betreft wat er echt fout gaat hier.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Ceulemans (JA21):

Maar het gaat natuurlijk ook om de uitvoering. De Kamer heeft, en dat is op zich het goed recht van de Kamer, in elk debat over de toeslagenaffaire heel veel opvattingen over de uitvoering: die moet royaler en daar moet toch weer een extra slag in worden gemaakt. Laten we het dan toespitsen op de uitvoering. Is mevrouw Van Dijk het niet met mij eens dat het laatste wat wij als Kamer moeten doen, is dadelijk weer met allemaal moties komen die vragen om nieuwe of uitgebreidere regelingen of om het intern herzien van hele werkprocessen? Brengt dat ons niet van de regen in de drup, omdat dat het alleen maar onoverzichtelijker maakt?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Volgens mij moet de uitkomst van dit debat zijn dat wet- en regelgeving na wordt geleefd. Moties die daarover worden ingediend, zullen wij dus steunen, en niet die over allemaal nieuwe dingen die we al dan niet met elkaar bedacht hebben. Dit debat gaat er wat mij betreft over dat de ouders moeten krijgen waar ze wettelijk recht op hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker is mevrouw Moinat. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank. Al jaren wachten toeslagenouders op volledige openheid over wat hun is aangedaan. Een aantal van hen zijn hier persoonlijk aanwezig op de tribune. Deze ouders hebben recht op hun eigen dossier, niet op een stapel zwartgelakte pagina's, maar gewoon op hun volledige dossier. Toch blijft de Belastingdienst dossiers niet of onvolledig verstrekken. Dat is onacceptabel. Voor deze ouders gaat het om de waarheid, de erkenning en vooral het rechtsherstel. Zonder hun volledige dossiers kunnen zij hun zaak niet onderbouwen, geen fouten aantonen en geen recht halen. De overheid blijft dus opnieuw tegenover hen staan in plaats van naast hen. Het moet nu eens klaar zijn met al deze tegenwerking bij het krijgen van eigen dossiers.

Voorzitter. De Belastingdienst heeft een wettelijke plicht tot dossierverstrekking. Als dat structureel niet gebeurt, is dat niet alleen een bestuursrechtelijk falen, maar ook een schending van de fundamentele rechtsbeginselen, namelijk het recht op inzage in eigen gegevens. Hoe kan de staatssecretaris verdedigen dat slachtoffers weer moeten procederen om hun eigen stukken te krijgen? Daarom heb ik vier concrete vragen. Erkent de staatssecretaris dat volledige en tijdige dossierverstrekking een harde voorwaarde is voor rechtsherstel en dat hierin nu structureel tekort wordt geschoten? Hoeveel ouders wachten nog op hun volledige dossier en wat is de maximale termijn waarbinnen ieder zijn complete dossier ontvangt, zonder uitzondering? Graag een concrete toezegging. Welke consequenties volgen er voor de Belastingdienst wanneer dossiers niet worden verstrekt? Zonder het nemen van enige verantwoordelijkheid blijft dit namelijk zo doorgaan. Wat gaat de staatssecretaris vandaag nog doen om de Belastingdienst te sommeren deze dossiers ongelakt binnen zeer korte termijn in de handen van deze ouders te laten komen?

Voorzitter. De ouders en kinderen zijn door de overheid pijn gedaan, en goed pijn gedaan. Dan druk ik mij nog zacht en voorzichtig uit. Het minste wat de overheid, en dus de staatssecretaris, nu moet doen, is volledige openheid geven: geen bureaucratische muren meer, geen vertragingstechnieken en geen nieuwe obstakels, maar zorgen dat die dossiers, zonder een letter van de eigen gegevens zwartgelakt, gegeven worden aan de ouders, die daar simpelweg recht op hebben. Ik zal daarom straks drie moties indienen om de ouders te helpen die dossiers te krijgen, iets waar zij recht op hebben. Ik weet het; het zijn weer moties, maar ik blijf dit doen zolang ik hier zit.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Van Eijk. Zij spreekt namens de VVD.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dank u wel, voorzitter. En ook vanaf deze plek: hartelijke felicitaties aan de heer Mathlouti voor zijn prachtige maidenspeech en zijn bijdrage aan het debat.

Voorzitter. Vandaag spreken we over een specifiek onderwerp binnen de hersteloperatie: de verstrekking van dossiers, en in het bijzonder de onderliggende stukken bij een "opzet/grove schuld"-kwalificatie. Andere onderdelen van de hersteloperatie, zoals de voortgang, de uitvoering en de bredere knelpunten, bespreken we uitgebreid in het commissiedebat van 19 maart. Vandaag richten we ons dus bewust op dit ene zeer belangrijke punt: krijgen ouders de stukken waar zij recht op hebben? Achter dit onderwerp zitten geen papieren of digitale dossiers, maar mensen: ouders die jarenlang in onzekerheid hebben gezeten, die fouten van de overheid hebben moeten verdragen en die nu vooral duidelijkheid willen. Voor de VVD is er één ding helder: het herstel moet snel, maar ook zorgvuldig en altijd volgens de wet. Ouders hebben recht op alle stukken die over hun zaak gaan. Dat is een verplichting op basis van de wet. Als uit interne memo's blijkt dat het niet geven van onderliggende o/gs-stukken mogelijk in strijd is met de wet, en ook niet houdbaar is in beroep, dan is dat een serieus signaal. De wet staat altijd boven interne afspraken. Juist in dit dossier waarin het eerder zo mis is gegaan, mogen we daar geen enkele twijfel over laten bestaan.

Voorzitter. We zien ook dat er stappen zijn gezet. Het ouderdossier is ingevoerd om het proces beter uitvoerbaar te maken. Dat is begrijpelijk, want de hersteloperatie is groot en ingewikkeld. Veel medewerkers zetten zich hier elke dag hard voor in. Maar uitvoerbaarheid mag nooit ten koste gaan van rechtsbescherming. Openheid moet de standaard zijn. Ouders moeten niet eerst bezwaar hoeven maken of naar de rechter hoeven gaan om informatie te krijgen waar ze recht op hebben. Daarom wil de VVD een duidelijke schriftelijke en openbare werkinstructie. Daarin zou zwart-op-wit moeten staan dat ook onderliggende stukken bij een o/gs-kwalificatie standaard worden verstrekt. Dit moet overal op dezelfde manier worden toegepast en juridisch getoetst zodat ook medewerkers weten waar ze aan toe zijn en ouders niet hoeven te twijfelen.

Voorzitter. Ik heb drie vragen aan de staatssecretaris. Eén. Wist zij van deze werkwijze en wanneer is er ingegrepen? Twee. Hoe zorgt zij ervoor dat in de hele organisatie volgens artikel 8.42 van de Awb wordt gewerkt, zodat in alle procedures alle relevante stukken worden overlegd? Drie. Wat merken ouders hier snel van? Krijgen zij sneller en volledig inzicht in hun dossier zonder eerst een juridische procedure te starten? Is de huidige werkwijze rond wel of geen o/gs juridisch echt voldoende of moeten onderliggende stukken standaard onderdeel zijn van het ouderdossier?

Voorzitter. Herstel gaat over zo veel meer dan geld. Het gaat over vertrouwen. Duizenden ouders zijn hard geraakt. Dan moet de overheid laten zien dat zij zich in ieder geval aan de wet houdt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Vlottes, die spreekt namens de fractie van de PVV.

De heer Vlottes (PVV):

Veel dank, voorzitter. Ja, daar staan we weer: de toeslagenaffaire. We kunnen ons allemaal herinneren hoe de hele affaire aan het licht kwam en hoe de omvang steeds groter werd. We zien de totale ellende waar de mensen, de ouders, in zitten en hoe ze gedupeerd zijn. Dan vragen we ons af waar we nu staan. We hebben hier een debat over het niet verstrekken aan de gedupeerden van dossiers of niet-volledige dossiers door de Belastingdienst. Het is werkelijk te gênant voor woorden. Wat denkt de staatssecretaris dat dit met de mensen doet: hun geknakte vertrouwen in de overheid en de verwerking van al het leed, dat ze jarenlang door de overheid zijn weggedrukt en de ellende zijn ingedrukt?

Voorzitter. Even een terugblik, want dit probleem is niet van gisteren. Kijkend naar wat nieuwsberichten uit de afgelopen jaren kom je van alles tegen. Ik citeer uit 2019: "Ouders krijgen inzage in het toeslagendossier Belastingdienst binnen een maand." Toen werd het al beloofd en er is niets van terechtgekomen. 2021: "Brandbrief advocaten over bijstaan toeslagenouders: wij weten helemaal niks." Oftewel, dossiers werden toen al niet of niet volledig verstrekt. In 2024: de vorige staatssecretaris wil dat de toeslagenouder sneller zijn volledige dossier krijgt. Weer is er niets gebeurd.

Voorzitter. Dan zijn we nu, anno 2026, geen steek verder, en is er weer een memo boven water gekomen waaruit blijkt dat de toeslagenouders bewust geen volledige inzage hebben gekregen in hun dossier. Er is zelfs door de Dienst Toeslagen geaccepteerd dat dit weigeren om inzage te geven bij de rechter waarschijnlijk geen stand zou houden. We hebben het dan dus wel over staatssecretaris Palmen, die zelf bekend werd van de memo-Palmen, maar die nu naar eigen zeggen niet op de hoogte was van deze cruciale interne memo.

Voorzitter. Voordat ik daar verder op inga, nog wat context. Ik heb een citaat van mevrouw Palmen uit een interview in de Volkskrant uit 2023: "Als er was geluisterd, had dat jaren leed gescheeld." Ja, had staatssecretaris Palmen dat inderdaad maar gedaan! Had maar geluisterd, dan was het leed verzacht en niet verergerd, zoals nu wel is gebeurd. Als zij had geluisterd, waren de dossiers allang volledig verstrekt. En daarmee was leed voorkomen.

Voorzitter. Dan de memo zelf. Daarin staat dat het niet geven van inzage in het dossier is gebaseerd op een interne werkafspraak bij de Dienst Toeslagen. Maar het is dan wel weer meegenomen bij interne afwegingen en gesprekken. Hier is geen chocolade meer van te maken! Twee. Hoe kan het zijn dat de staatssecretaris niet op de hoogte was van deze cruciale interne werkafspraken, deze interne afwegingen en deze gesprekken?

In de brief van de staatssecretaris van 12 februari werd het een en ander wat genuanceerd. Zo was de instructie niet voldragen en daarom nog niet voor besluitvorming voorgelegd binnen het UHT. Sterker nog, de instructie was zelf zo dat er op verzoek gewoon aanvullende stukken werden geleverd aan het dossier. Dat is allemaal lekker vaag: hele lappen tekst en vage termen. Maar het gaat eigenlijk maar om één ding: is het nu geregeld? Nou, blijkbaar niet, want de werkgroep van advocaten die de toeslagenouders bijstaat, zegt dat het niet verstrekken van informatie tot op de dag van vandaag nog altijd de praktijk is.

Voorzitter. Hoogleraar Schuurmans is hier duidelijk over. Ik citeer: "Als burger moet je een overheidsbesluit kunnen controleren. Maar als je de onderliggende stukken niet krijgt, sta je met lege handen tegenover de overheid. En het niet verstrekken van die documenten is onrechtmatig." Daarmee wordt het alweer een stuk duidelijker, want daar kan geen wollige ambtenarentekst tegenop. Het probleem is: mensen staan met lege handen tegenover de overheid, terwijl het juist de overheid is die die lege handen bewust leeg houdt voor de toeslagenouders. Ongelijker kun je die strijd niet hebben.

Voorzitter, afrondend. Staatssecretaris, geef die ouders nu volledig en onbeperkt, dus geen zwart gemaakte stukken of andere gekke dingen, inzage in hun dossier. Het is hun dossier en ze hebben recht om op z'n minst te kunnen inzien hoe hun dat leed is aangedaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we over naar de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Struijs, die spreekt namens 50PLUS.

De heer Struijs (50PLUS):

Voorzitter. 50PLUS mengt zich nu ook in deze heftige discussie. Het is algemeen bekend dat ik dertig jaar als recherchechef heb gewerkt. En ook in dat werk ben ik met de toeslagenaffaire in aanraking gekomen. Ik heb daar zware kwalificaties aan gegeven vanuit mijn empirische ervaring. Ik heb meerdere politiemensen bijgestaan die zelf slachtoffer waren van deze toeslagenaffaire.

Ik vind het echt een vorm van machtsbederf hoe de overheid met deze slachtoffers is omgegaan. Er was vanaf het begin een duidelijke doctrine: het waren allemaal fraudeurs. Ik zeg het even heel plat en veel te zwart-wit, maar dat was de doctrine van alle ambtenaren die hieraan werkten. En de mensen die dat tegenspraken, kregen onder uit de zak. Dat is blijven hangen tot en met — ik maak een hele grote sprong — de hersteloperatie.

Het is volgens mij ongekend hoeveel ambtenaren hieraan werken. Ik hoorde de heer Dijk "1.900 ambtenaren" zeggen, maar het zijn er volgens de laatste cijfers 2.100. Ik heb het dan over mensen en niet over fte's. Maar goed, die discussie gaan we niet aan. Er is tot nu toe ongeveer 7 miljard naar de hersteloperatie gegaan, maar nog niet eens de helft daarvan is bij de slachtoffers terechtgekomen. Ik wil hier geen juridisch debat meer, ik wil een moreel debat! Dit zijn slachtoffers.

Het vertrouwensprincipe moet terug. Ze worden hersteld, als dat al mogelijk is, met alles wat in ons is. Ik ga dan ook mee met mevrouw Van Eijk: er moet een werkinstructie komen, niet alleen op juridisch gebied, maar met name ook om deze ondertoon van moraliteit ingang te doen vinden. We hebben hier met slachtoffers te maken en alle remmers in vaste dienst, laat die ander werk gaan doen. We gaan deze mensen eindelijk na al die jaren leed eens compenseren.

Ik doe er naast het morele debat nog een schepje bovenop. Bekende traumatologen, onder anderen professor Gersons, zeggen mij: hoe langer de hersteloperatie duurt, hoe meer trauma's je erbij opbouwt. Nou, hoe bont wil je het maken? We hebben het hier ook over het welzijn van mensen. Het duurt veel te lang en het is onverantwoord.

Dan nog die memo. Is die memo nou een exemplaar van de werkwijze die nog steeds onderhuids geldt: we vertrouwen ze toch niet helemaal? Daar moeten we mee stoppen. Daar moeten we gewoon mee stoppen. Vanuit het morele debat zeg ik: 50PLUS zal alles steunen om die openbaarheid te krijgen, om te zorgen dat iedereen de stukken krijgt en dat we vol gas geven richting herstel. Volledig herstellen zullen we nooit doen, maar we willen dat dit veel meer een plaats krijgt. Nogmaals, na zó veel jaren recherche-ervaring heb ik recht van spreken; ik heb de meest zware onderzoeken gedaan. Maar dit? Dit is écht ongekend. We moeten ons allemaal doodschamen. Iedereen die geen deel van de oplossing is, laat die alsjeblieft wat anders gaan doen. Dat meen ik oprecht. Dit mag niet langer zo voortduren. We hebben de mensen te veel leed aangedaan. Toch nog even terug naar de memo. Geef nog even duidelijkheid over wat de ondertoon was en wanneer u ervan op de hoogte was. Is dit het beeld dat nu geldt, of zijn we nu echt bezig met het herstel?

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik ga gelijk schorsen voor de dinerpauze. We gaan verder om 18.45 uur. We schorsen voor een uur.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en vraag de Kamerleden of zij hun plaatsen weer willen innemen. Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Daarvoor geef ik graag het woord aan de staatssecretaris Herstel Toeslagen. Het woord is aan u.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Palmen:

Dank u wel, voorzitter. In de eerste plaats natuurlijk mijn felicitaties aan de collega met zijn maidenspeech. Ik kan me nog goed herinneren dat ik hier zelf stond met mijn maidenspeech. Toevalligerwijs ging die over hetzelfde onderwerp. Nu staan we hier weer voor dit belangrijke onderwerp in de Kamer. Als ik aan de ouders denk, breekt mijn hart vanwege het feit dat zij nu weer geconfronteerd zijn met deze berichten. Ik vind dat zó erg.

Voorzitter. Tegelijkertijd ervaar ik in de Kamer iets wat ik hier niet zo heel erg vaak zie, namelijk dat we het allemaal met elkaar eens zijn. Ouders hebben recht op stukken die hen het inzicht geven in wat er is gebeurd. Natuurlijk! Dat is altijd mijn beleid geweest, en dat zal het ook altijd blijven. Ons uitgangspunt is en blijft dat ouders altijd op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen, zoals dat onder andere in de wet en in de rechtsbeginselen staat, zoals we dat met elkaar doen. Er is dus ook geen sprake van "bewust beleid om stukken achter te houden". Dat wil ik hier heel duidelijk stellen. De suggestie dat stukken niet worden verstrekt, raakt mij enorm diep, maar de ouders nog meer. Die roept begrijpelijke zorgen op. Ik vind het dan ook volledig terecht dat u vragen stelt. Volledig terecht! Maar die zorg wil ik heel graag wegnemen. Wij houden ons aan de wet. Wij zijn maximaal transparant en leveren wat nodig is.

Voorzitter. Ik wil graag eerst schetsen hoe we hier zijn gekomen en wat nu de werkwijze is. Daarna zou ik uiteraard graag willen ingaan op het memo. In een herstelorganisatie als deze zijn dossiers enorm van belang. Transparantie is een van de belangrijkste waarden die we met elkaar hebben. Daarnaast wil je ook rust en herstel bieden: dat zijn ook twee waarden die altijd enorm van belang zijn geweest. In het begin heeft men binnen de hersteloperatie enorm geworsteld met de vraag: hoe moeten we dat doen? Maar al vrij snel zijn er gesprekken gevoerd met advocaten over de vraag: hoe gaan we dit nu met elkaar doen?

Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het ouderdossier, met daarin 35 punten die minimaal verstrekt moeten worden. U kent de 35 punten ongetwijfeld. U weet ook: punt 19 gaat over o/gs, opzet/grove schuld. Dat zit standaard in dit ouderdossier, of in ieder geval het screenshot van die uitkomst o/gs. Als mensen behoefte hebben aan nadere stukken, kan daarom worden verzocht en dan krijgen zij die ook. Ze krijgen dan een gerichte set met stukken. Dit ouderdossier bevat daarmee alle op de zaak betrekking hebbende stukken en wordt, zoals gezegd, waar nodig aangevuld. We hebben dit samen met advocaten, werkgroepen en ouders gedaan, zodat het dossier aansluit op hun behoeftes, maar ook een goede indexering en uitleg biedt ten aanzien van de volgende vragen. Hoe is de opbouw? Welke stukken vindt u overal? Hoe zit het allemaal in elkaar?

Ik snap natuurlijk heel goed dat het voor ouders enorm van belang is om te weten of er sprake is van de kwalificatie opzet/grove schuld. Dat is heel erg belangrijk. Daarom zit die informatie ook standaard in hun dossier. Opzet/grove schuld is een kwalificatie die gebruikt wordt bij betalingsregelingen. Dan heb ik het dus niet over de terugvorderingsbeschikkingen, maar over de invordering van die terugvordering. Het is een beetje een technisch verhaal, maar het gaat dus over betalingsregelingen. Als jij die kwalificatie opzet/grove schuld had en een betalingsregeling aanvroeg, dan kreeg jij geen betalingsregeling, want dan stond je in de systemen bekend als fraudeur; dat was bijvoorbeeld het geval als je, als gedupeerde, onderdeel was van de CAF-populatie. We kennen die verschrikkelijke verhalen allemaal. Daarom is het van belang om te weten of dat heeft doorgewerkt. Daarom is het ook volstrekt helder dat als de o/gs-kwalificatie ja is, mensen die stukken krijgen.

Dat onderzoek wordt natuurlijk heel zorgvuldig uitgevoerd. Ik heb in de kabinetsreactie u de uitnodiging gedaan en ik doe dat nogmaals: ga op werkbezoek bij CAP, Centrale Administratieve Processen. Dat hebben de advocaten ook gedaan op 1 december. Ik heb dat uiteraard ook diverse malen gedaan en ik raad u dat ten zeerste aan. Dan kunt u zien hoe het werkt met o/gs. Daar zitten heel ervaren mensen die u perfect kunnen uitleggen hoe systemen werken — er zijn tientallen systemen waarin gezocht wordt — en hoe men dan tot die kwalificatie komt. Daar is men zo'n negen à tien uur mee bezig, onder het vierogenprincipe, en dat wordt gecontroleerd door de leidinggevende. Het is een heel belangrijk proces. Het is goed om ons dat te realiseren.

Nogmaals, het is heel erg van belang voor die ouder om te weten of er sprake is geweest van die kwalificatie. Meestal zal het, omdat de ouders al gedupeerde zijn op basis van de CAF-populatie of op basis van hardheden in het stelsel of non-respons, samenlopen met die o/gs-kwalificatie. Bepalen en betalen loopt dus qua gedupeerdheid gelijk op. Dat is niet altijd het geval. Van de 70.000 mensen die zich gemeld hebben zijn er op dit moment zo'n 2.500 situaties bekend waarin o/gs alleen een rol speelt. Voor die mensen is het nog belangrijker om te weten wat er aan de hand is geweest.

De voorzitter:

Even huishoudelijk voordat we naar de interruptie van mevrouw Westerveld gaan. Staatssecretaris, u heeft een blokje algemeen en een blokje memo geschetst. Zijn er meer blokjes of is dat de lijn van uw beantwoording? Dat helpt ook even voor de rest van de Kamer.

Staatssecretaris Palmen:

Nee, in eerste instantie is er een algemene inleiding. Dan kunnen we nog dieper ingaan op het proces van dossierverstrekking en het memo.

De voorzitter:

Dat is helder. Dan ga ik naar mevrouw Westerveld, maar eerst geef ik even aan dat ik in eerste instantie voor zes interrupties ga. We hebben de eerste termijn vrij snel doorlopen. Als we hier netjes mee omgaan, kunnen we altijd nog kijken of we het iets kunnen oprekken. Maar ik wil beginnen met zes losse interrupties. Ik geef het woord aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Even terug naar de inleiding. De staatssecretaris had het over de suggestie dat stukken niet worden verstrekt; de suggestie. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris: hoe kan het dan dat wij daadwerkelijk van ouders hoorden — vandaag nog hoorde ik dit van een ouder — dat er stukken niet zijn verstrekt?

Staatssecretaris Palmen:

Wij zetten ons keer op keer in om alle stukken te verstrekken. Gaat het daarmee goed in alle situaties? Nee. Dat is het eerlijke verhaal. In de uitvoeringspraktijk gaat het niet 100% goed.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, ik heb nog een tweede vraag over dit onderwerp. Het is goed dat de staatssecretaris eerlijk aangeeft dat dit niet altijd goed gaat. Dan is natuurlijk een tweede vraag: waarom gaat het niet altijd goed? Maar belangrijker nog: waarom hebben wij dan een memo gekregen met een interne werkafspraak waarin wordt gezegd "wat wij nu doen" — ik parafraseer een beetje — "staat op gespannen voet met de wet"? Lees: we houden ons niet aan de wet. Waarom staat dat dan in zo'n memo, als de staatssecretaris aangeeft dat dat nooit de praktijk is geweest?

Staatssecretaris Palmen:

Dat vind ik een hele terechte en hele goede vraag. Dat is ook de vraag die ik had toen ik het memo op LinkedIn voorbij zag komen. Ik heb toen direct daarna mijn directeuren-generaal bij elkaar geroepen en gevraagd: wat is dit, waar kijk ik naar; het kan toch niet waar zijn? Het blijkt dat dit een intern memo is geweest, opgesteld door een van de juristen van de afdeling Vaktechniek. Dat is intern besproken geweest met de collega's: de collegiale toetsing. Uiteindelijk is dat bij het managementteam van dat cluster aangeboden geweest. Daarvan heeft het managementteam gezegd: wij kunnen hier nog geen besluit op nemen, want niet alle informatie staat hier goed in. Sterker nog, niet alle relevante werkinstructies zijn kennelijk bekend geweest. Dat maakt het heel lastig. Daarnaast is het zo — dat ziet u op bladzijde 2 van het memo — dat de schrijver zich er vooral zorgen over maakt als er geen kwalificatie o/gs is: wat moet je dan doen? Dat is een interessant punt en daar ga ik u graag in meenemen, want de o/gs-kwalificatie nee is een standaardkwalificatie. Die wordt pas ja op het moment dat er een besluit wordt genomen. Die staat dus standaard op nee en pas op het moment dat iemand een betalingsregeling aanvraagt, wordt dat beoordeeld. Dan wordt er in de systemen gekeken van: kunnen wij een betalingsregeling verstrekken? Op het moment dat iemand inderdaad bijvoorbeeld in die CAF-populatie geëtiketteerd is als fraudeur, werkt dat door. Dan heb je stukken en kun je dat laten zien, maar als die standaardkwalificatie op nee blijft staan, heb je in heel veel situaties geen stukken. Dan moet je wat anders doen, zegt de rechter. Dan moet je wat anders doen; dan moet je namelijk goed zoeken en mensen meenemen in de manier waarop jij zoekt. Daar hebben we die uitgebreide werkinstructies voor en dat hele stelsel van zoeken in de systemen met twee medewerkers, het vierogenprincipe, en controle door de leidinggevende.

Daarmee is dat voor een heel groot deel afgehecht, maar het kan natuurlijk toch altijd zijn — de uitzondering bevestigt de regel — dat er iets verkeerd in de administratie terecht is gekomen. Als dat bij het zoeken naar voren komt, moet dat ook verstrekt worden. Dat is heel simpel: als we dingen hebben, gaan we die gewoon verstrekken. Maar dat is dus niet altijd het geval. De rechter heeft zich hier ook over gebogen en gezegd: als duidelijk is hoe er is gezocht, met welke procedure, is dat in principe voldoende. Daar staat tegenover dat we met een hersteloperatie te maken hebben. Ik vind persoonlijk dat we dan een stapje harder moeten werken. Daarom zijn wij tot op de dag van vandaag met de werkgroepadvocaten in gesprek over: hoe doen we dit nu met elkaar? Ik heb het dan specifiek over de situatie o/gs nee wanneer er eigenlijk geen stukken zijn. Hoe doen we dat?

De voorzitter:

Ik begrijp dat het soms een uiterst technisch onderwerp is, maar ik ga de staatssecretaris toch vragen om de beantwoording iets bondiger te doen. Ik wil mevrouw Westerveld in ieder geval voor haar eerste interruptie complimenteren. Als we ze zo kort en bondig kunnen houden, kunnen we er misschien ook meer toestaan. U krijgt mogelijk een bonus, ja. Dat ligt eraan of u nu nog een vervolgvraag gaat stellen en hoe kort en bondig die dan is. Nee, dat is niet het geval. Dan is mevrouw Inge van Dijk.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik had eigenlijk een vervolgvraag op de vraag van collega Westerveld. De staatssecretaris geeft aan: het gaat niet in alle gevallen goed. Dat kan. Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt, maar die moet je, zeker in een hersteloperatie, vervolgens zo snel mogelijk herstellen. De signalen die we vervolgens van ouders krijgen, zijn echter dat het heel moeilijk is om alsnog die informatie te krijgen en dat alleen al die strijd zo veel energie kost dat ik me afvraag: doen we dit wel goed met elkaar?

Staatssecretaris Palmen:

Het is natuurlijk terecht dat u deze vraag stelt. Dit debat is niet alleen voor de ouders, de Kamer en de bewindspersonen, maar ook voor alle ambtenaren. Alle ambtenaren luisteren mee en horen mij nu voor de zoveelste keer zeggen: alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstrekt. Dat is zoals het in het ouderdossier staat en zoals we dat met elkaar een aantal jaar geleden hebben afgesproken. Mocht er dus iemand twijfelen hoe het nu ook alweer met die werkinstructie zit, dan is deze twijfel nu weg. Dan nog zul je meemaken dat het in de praktijk niet altijd goed gaat.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dan gaat het in de praktijk dus niet goed en trek ik aan de bel als ouder of als advocaat. Waar kan ik dan terecht om ervoor te zorgen dat de stukken wel zo snel mogelijk op de juiste plek, namelijk in de rechtbank, terechtkomen?

Staatssecretaris Palmen:

Daarvoor is in ieder geval een procedure mogelijk. Er is een meldpunt waar je je kunt melden als je een individuele situatie meemaakt. Ik ben het helemaal met u eens: ik zou het liefste willen dat het niet voorkwam. Maar daar moet ik gewoon realistisch in zijn. Mensen kunnen zich melden en eventueel ook een klacht indienen, als dat nodig is.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ja, tot slot op dit punt. Dat zou ik nou juist niet willen, dat we weer naar een meldpunt moeten of een klacht indienen. Ik zou heel graag zien dat op het moment dat het geconstateerd wordt, er gewoon een andere werkinstructie gaat gelden en binnen zoveel dagen de stukken wél op tafel komen, zonder weer heel ingewikkelde procedures die ouders moet doorlopen om gewoon hun dossier op de juiste plek te krijgen.

Staatssecretaris Palmen:

Ik hoor u ook zeggen dat de signalen uit de praktijk heel erg belangrijk zijn. Het is goed om die naar voren te krijgen. Tegelijkertijd wil ik die interne signalen ook naar boven hebben. Ik wil ook gewoon weten waar medewerkers mee worstelen en welke vragen zij hebben. Dat vind ik belangrijk. Als wij vandaag dit debat niet hadden gehad, dan was ik voor de zoveelste keer op werkbezoek geweest bij de afdeling Bezwaar en Beroep, omdat ik gewoon wil weten: wat speelt er, wat leeft er en waar worstelen jullie mee? Het moet volstrekt helder zijn. Dat geldt ook voor de werkinstructies. Die moeten gewoon zo eenduidig, accuraat en actueel mogelijk zijn.

De heer Ergin (DENK):

De staatssecretaris zei net in haar inleiding dat er wordt voldaan aan de wet. Hier in dit huis hebben we heel veel debatten gevoerd over dossiers. Alleen vorig jaar al hadden we drie debatten over het verstrekken van dossiers. We lezen nu dus in een memo dat ergens in een Woo-verzoek is opgedoken terug dat de werkwijze die al jarenlang is toegepast, op gespannen voet staat met de wet. Ik vind dat de staatssecretaris daar wel heel makkelijk mee omgaat in haar inleiding door te stellen "wij voldoen aan de wet", terwijl het advies dat in het memo staat heel duidelijk zegt dat de werkwijze op gespannen voet staat met de wet. Hoe kan dat, zou ik aan de staatssecretaris willen vragen.

Staatssecretaris Palmen:

Het is natuurlijk zo dat medewerkers, en vooral de professionals die wij hebben … In een open cultuur wil je juist dat mensen die signalen opschrijven. Dat is heel belangrijk. Als zij vragen hebben of als zij ergens over twijfelen, dan moeten ze dat op kunnen schrijven. Maar er gaan wel interne processen werken. Er gaat een collegiale toetsing plaatsvinden. Er zijn collega's die zeggen: goh, we krijgen binnenkort een uitspraak. Of anderen zeggen: goh, heb je die instructie van dat oude dossier wel meegenomen en heb je dat wel gezien? Kortom, er gaat collegiale toetsing plaatsvinden. Dan gaat zo'n memo besproken worden. Dan gaat het voorzien worden van alle perspectieven. Dan ga je dat aanvullen met alle relevante omstandigheden. Dat is niet voldoende gebeurd. Daarom heeft het mt van dit cluster gezegd: dit memo kan niet verder komen dan concept, dus we sturen het terug naar de afdeling; ga het opwerken, want we kunnen hier geen besluit op nemen. Dat is het punt.

De heer Ergin (DENK):

De staatssecretaris hoeft niet uit te leggen hoe het hier in dit huis en op departementen werkt met nota's et cetera. Alleen, het gaat hier om een onderwerp dat heel veel ouders aangaat. Dit is een onderwerp waarover heel veel politieke partijen en heel veel mensen in het land zeggen: los het nou op; regel het nou. Dan begrijp ik niet dat als ergens in een memo staat dat een werkwijze op gespannen voet staat met de wet, de alarmbellen niet gaan rinkelen en dat er niet wordt gezegd "weet je wat, het is onvoldragen" of "weet je wat, we gaan er even nog een keer goed naar kijken", terwijl wij allemaal in commissiedebatten en in moties tegen de staatssecretaris zeggen: grijp in, want het gaat niet goed met dossiers. Heel lang is ons voorgedaan alsof het een capaciteitsprobleem was. Nu blijkt uit een memo dat het dus helemaal geen capaciteitsprobleem was, maar een werkwijze die op gespannen voet staat met de wet. Ik zou dus aan de staatssecretaris willen vragen waarom er op haar departement toen deze conclusie werd getrokken en toen deze informatie over die gespannen werkwijze naar voren kwam, niet direct is ingegrepen.

Staatssecretaris Palmen:

Zoals ik net al zei, vind ik het belangrijk dat mensen hun professionele visie kunnen neerleggen. Daarmee is het nog geen conclusie of concluderend stuk; dat moet je collegiaal toetsen. Zo werkt het nu eenmaal in een groot departement met duizenden mensen. Dat is volstrekt helder. Ik vind het belangrijk dat mensen de vrijheid en veiligheid blijven ervaren om dit te kunnen doen. Het betekent ook dat we dit met elkaar moeten doen, want je hebt al die perspectieven nodig. Gelukkig heeft die andere werkinstructie de bewindspersoon destijds wel bereikt en zijn daar wel beleidsbesluiten op genomen. Die is geldend. Dat moet iedereen weten. Daar gaat het om.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt.

De heer Ergin (DENK):

Ik vind het echt heel jammer, echt heel jammer, dat we hier een staatssecretaris hebben waaraan we een conclusie of informatie voorleggen waarin staat dat een werkwijze op gespannen voet staat met de wet en die dat een beetje afdoet met prietpraat — sorry, ik kan er niets anders van maken, voorzitter — over hoe nota's werken en hoe memo's werken, terwijl het er hier om gaat dat het vertrouwen van de ouders in de overheid opnieuw is geschaad en er opnieuw pijn is aangedaan. Terwijl wij allemaal weten dat er iets niet lekker ging — niemand wist alleen wat — komt er opeens een memo naar boven. De staatssecretaris staat hier een beetje bestuurlijke prietpraat te houden over hoe memo's werken en hoe dossiers werken. Waarom zegt de staatssecretaris niet gewoon: "Dit is fout gegaan. Alle alarmbellen hadden moeten rinkelen. Hier moest werk van gemaakt worden. Dit moest heel snel opgeschaald worden van de staatssecretaris naar het kabinet. Hier had snel op gehandeld moeten worden."? Waarom zegt de staatssecretaris dat niet?

Staatssecretaris Palmen:

Nogmaals, we hebben hier procedures voor. Ik snap dat dit niet het gewenste antwoord is; dat begrijp ik heel goed. Tegelijkertijd vinden er natuurlijk ook binnen dat departement andere processen plaats. Ik praat zelf bijvoorbeeld heel regelmatig met de werkgroep van advocaten. Dat doe ik één keer in de maand of zes weken. Dan praten zij ook over dit onderwerp. Dus we hebben eigenlijk altijd contact met elkaar over dit onderwerp en hoe we dit met elkaar doen. Dat heeft ertoe geleid dat je nieuwe werkinstructies krijgt. Je kunt dat gaan standaardiseren. Er zijn dus parallelle processen in een enorm grote organisatie die bestaat uit zo'n 50 tot 55 teams. Het is logisch dat daar processen gelden.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog en is nu denk ik bij het proces? Of zitten we nog in de inleiding?

Staatssecretaris Palmen:

Ja, dat klopt.

De voorzitter:

Oké, het proces.

Staatssecretaris Palmen:

Ik wilde dat heel even samenvatten. Nogmaals, het ouderdossier vermeldt standaard of er wel of geen kwalificatie o/gs is. Op verzoek kan die verduidelijking worden gegeven. Daarnaast kan er nog een keer een extra zoekslag worden gemaakt. Zo hebben we dat inmiddels met elkaar ingericht, ook naar aanleiding van recente gesprekken met de advocaten. Ik heb het al gezegd en ik vind dit ook echt tot in mijn kleinste teen: we zijn het er allemaal met elkaar over eens dat ouders stukken waar ze recht op hebben moeten krijgen. Ik vind het ook echt, echt heel erg vervelend dat de publiciteit van één memo dit andere beeld heeft laten ontstaan. Het was een discussiestuk en het is niet ter besluitvorming voorgelegd en het heeft dan ook geen nieuwe instructie opgeleverd.

De conclusie van al deze overleggen was dat we met het ouderdossier en de invulling daarvan aan de wet voldoen. Maar het feit dat iemand dit heeft opgeschreven, betekent dat kennelijk niet al die instructies bij iedereen even duidelijk zijn geweest. Dus daar hebben we op dat moment heel erg hard aan gewerkt. Hoe zorgen we er nu voor dat we al deze mensen tegelijkertijd gaan informeren? Doorlopend zijn er gesprekken met de werkgroep advocaten, niet alleen door mij, maar ook door UHT en andere mensen die daar een rol in spelen. Op de website staat trouwens ook totaal transparant en openbaar hoe het nu geregeld is.

Ik ben natuurlijk de werkgroep toeslagenadvocaten enorm dankbaar voor hun blijvende inzet in het signaleren van knelpunten. Ik vind het ook altijd heel waardevol om met hen verder in gesprek te gaan. Ik vind het ook oprecht heel erg belangrijk dat ambtenaren hun werk moeten kunnen blijven doen. Zij moeten kunnen en durven signaleren, want we moeten elkaar scherp houden. Soms mogen die teksten ook scherp zijn, want het is te belangrijk om te laten verslappen. Dit verdient blijvende aandacht. Nogmaals, mijn ambtenaren hebben het op mijn hart gedrukt: nodig de Kamerleden uit voor een werkbezoek aan CAP. Zij willen u graag meenemen in het hele verhaal.

Dan kom ik nu bij de verdieping over het blokje memo. Ik snap heel goed dat je die zorgen hebt en dat het vragen oproept, maar we houden ons aan de wet. Dat is onze inzet. Het was een discussiestuk, hoe vervelend het ook is. Voor de ouders vind ik het echt verschrikkelijk, echt oprecht verschrikkelijk. Ik heb zoals gezegd de memo voor het eerst op LinkedIn gezien. Het was begin december. Ik ben me werkelijk rot geschrokken. Vandaar ook dat ik direct daarna met mijn directeuren heb gesproken over de vragen: wat is dit en waar kijk ik naar? We hebben dat intern onderzocht en dat is naar voren gekomen.

Ik weet niet of u naar aanleiding van de memo en de tijdlijn nog vragen heeft, maar dan zou ik ze graag willen beantwoorden. Ik denk namelijk dat ik het merendeel al heb beantwoord, maar ik kijk even naar de leden.

De voorzitter:

Begrijp ik goed dat u aan het einde bent van uw betoog?

Staatssecretaris Palmen:

In ieder geval van dit blokje. Dan ga ik verder naar het volgende blokje: de werkwijze rond opzet/grove schuld, het o/gs-beleid. Ik heb net al uitgelegd hoe dat gaat. Het gaat over betalen. In sommige gevallen, dus als de o/gs-kwalificatie nee is, zijn er heel vaak geen stukken. Het is complexe materie, die ook voor heel veel medewerkers ontzettend moeilijk te grijpen is. Je ziet in het memo dat het gaat over o/gs en dat er op bladzijde 2 wordt ingezoomd op wat er gedaan moet worden als er geen o/gs-kwalificatie is.

(Onrust op de publieke tribune.)

De voorzitter:

Ik herinner de mensen op de publieke tribune eraan dat we geen blijken van instemming of afkeuring geven in dit huis. Er wordt neutraliteit bewaard. De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Palmen:

Er werd door iemand op de publieke tribune gezegd dat het ouderdossier heel belangrijk is. Ik wil best wel even ingaan op het ouderdossier. Ik snap dat mensen daar behoefte aan hebben. Ik hoor ook weleens terug van advocaten: moeten we daar niet toch naar kijken? Maar dat is een AVG-verwerkingsdossier. Dat is een heel veelomvattend dossier. Dat hebben we in het begin gehad. Daar hebben zich diverse werkgroepen over gebogen, ook met deskundigen, wetenschappers en advocaten. Dan had je een stapel van een tiental dossiers waarvan er acht of negen niet relevant waren voor de vraag of iemand wel of niet gedupeerd was. Vandaar ook dat uiteindelijk de commissie-Van Dam heeft gezegd: stop met die ouderdossiers en ga de dossiers leveren die mensen nodig hebben om hun gedupeerdheid te kunnen duiden. Dat is de achtergrond daarvan.

De voorzitter:

Voordat u verdergaat: dat roept een vraag op bij de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Excuses. Ik kom toch nog heel even terug op het vorige blokje. Ik liep even mijn vragen af en eigenlijk staat er nog een vraag open. In de brief staat duidelijk dat het memo onvoldragen was. Ik had de staatssecretaris gevraagd nader te duiden wat zij bedoelt met "onvoldragen". Bedoelt ze daarmee dat het puur een intern discussiestuk was dat verder niet tot besluitvorming heeft geleid? Of is het ook een kwalificatie van de inhoud van het memo?

Staatssecretaris Palmen:

Omdat het geschreven is door een van de collega's, merk je dat er met andere collega's in het team overlegd wordt. Dan ga je elkaar toetsen. Dat hoort in zo'n organisatie thuis. Dan vragen andere collega's bijvoorbeeld: "Heb je deze achtergrond ook meegenomen? Heb je die jurisprudentie meegenomen? Klopt het wel wat je zegt, want we hebben toch dat ouderdossier? Hoe zit dat nou precies?" Je gaat dus kijken of het dossier voorzien is van alle relevante grondslagen. Dat bleek niet zo te zijn.

De voorzitter:

Dat roept weer een vervolgvraag op van mevrouw Van Eijk.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik dank de staatssecretaris voor de toelichting op het proces. Er worden natuurlijk heel vaak werkinstructies opgesteld. Die beginnen ergens in de organisatie. Daar wordt over gesproken en die worden aangepast. Dat leidt al dan niet tot een definitieve versie. Dit memo heeft niet geleid tot een werkinstructie waar besluitvorming over heeft plaatsgevonden of …

Staatssecretaris Palmen:

Een definitieve versie.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Precies. Geen definitieve versie. Mag ik daar dan uit afleiden dat er ook geen medewerkers in de organisatie zijn geweest die op basis van dit onvoldragen memo, deze niet vastgestelde werkinstructie, hebben gehandeld?

Staatssecretaris Palmen:

Garanties kan ik natuurlijk nooit geven, maar het zal hoogst onwaarschijnlijk zijn geweest dat van deze afdeling een niet voldragen stuk verder verspreid zou worden.

Ik ben even aan het kijken, want volgens mij heb ik het meeste al gezegd over o/gs en hoe dat werkt. Ik weet niet of daar nog vragen over zijn? Nee? Oké.

Dan waren er nog een aantal vragen die niet specifiek te maken hebben met het onderwerp van dit debat, maar daar wel aan raken.

De voorzitter:

Voordat u daaraan begint, is er nog een vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik pakte net mijn vragen erbij. Op twaalf punten heb ik specifieke vragen gesteld. De eerste vraag was: kan de staatssecretaris ons nou eens precies meenemen in dat proces voor een ouder; schets het proces hoe het voor een ouder is nou eens. Daarnaast stelde ik vragen waarbij ik vroeg of de staatssecretaris daar een heel specifiek antwoord op zou kunnen geven. Ik kan ze opnieuw aflopen, maar ik denk dat de staatssecretaris ze ook in haar lijstje heeft staan. Ik wil gewoon graag een heel precies antwoord op de vragen die door mij en andere collega's zijn gesteld, in plaats van een algemeen verhaal waarin de vragen worden meegenomen.

De voorzitter:

Ik kan me dat eerlijk gezegd ook herinneren. Kan de staatssecretaris aangeven of er nog beantwoording komt van specifieke vragen, of zit dit verwerkt in de verschillende blokjes?

Staatssecretaris Palmen:

Het merendeel zit natuurlijk in de blokjes verwerkt. Ik zie hier bijvoorbeeld nog de vraag of ik besef dat ik politiek verantwoordelijk ben. Ja, dat besef ik heel goed. Maar goed, als bewindspersoon ben ik natuurlijk niet altijd op de hoogte van álle memo's die in het hele departement verschijnen. Ik moet natuurlijk wel op de hoogte zijn als het gaat om beleid, als het beleid gaat raken of als het een afwijking van beleid is. Maar dat stadium had dit memo niet bereikt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is dus het punt als er algemene antwoorden worden gegeven. Mijn vraag was niet: bent u politiek verantwoordelijk? Ik zal het even precies voorlezen. Mijn vraag was: "Deelt de staatssecretaris de mening dat ze als bewindspersoon verantwoordelijk is voor het feit dat ze op de juiste momenten de juiste stukken leest en dat het haar politieke verantwoordelijkheid is als dit niet gebeurt?" Dat is een andere vraag dan die de staatssecretaris net beantwoordde.

Staatssecretaris Palmen:

Op enig moment moet je wel die signalen hebben. Op het moment dat ik dit voorbij zag komen, ben ik er ook direct naar gaan vragen. In die zin ga je dan op onderzoek uit, natuurlijk.

De voorzitter:

Allereerst de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

In dat memo, dat u niet gezien heeft, staat: "De werkafspraak met CAP UHT B&I dat geen onderliggende onderbouwing/stukken worden verstrekt over o/gs, is (...) kwetsbaar en (...) niet houdbaar in beroep. Genoemde werkafspraak vraagt aldus om herziening." Nou vind ik dit memo niet per se erg, maar ik vind het wel erg dat een werkafspraak blijkbaar al heel erg lang aan herziening toe is. Ik ben even in die stukken gedoken en ga er niet iedereen mee lastig vallen, maar die werkafspraak blijkt al zes jaar te gelden, vanaf 2020. Ik maak me niet zulke zorgen over deze memo, maar wel over dat die werkafspraak al zes jaar geldt en dat die eigenlijk niet houdbaar is. Ik wil een antwoord hebben op de vraag hoe dat kan, wie daar verantwoordelijk voor is en hoe u ervoor gaat zorgen dat zulke dingen niet voorkomen. Het memo is niet het probleem. De werkafspraak die eronder ligt en die blijkbaar niet standhoudt is het probleem.

Staatssecretaris Palmen:

Deze werkafspraak heeft in het begin gegolden, maar die is al vrij snel ingehaald door het ouderdossier. U ziet ook in het memo staan: CAP levert niet aan UHT. Dat had ermee te maken dat men in het begin werkte met het persoonlijk dossier. Dan zouden de ouders het wel kunnen ontvangen. Het gaat hier dus over de verstrekking via de ene afdeling naar de andere afdeling. Dat is het kenmerkende van deze afspraak geweest. We weten allemaal dat het in het begin niet werkbaar was met de dossiers. Vandaar ook de behoefte om het aan te passen naar het ouderdossier, met de 35 punten, waarbij o/gs ook genoemd staat als een van de onderwerpen, punt 19 om precies te zijn, met daarbij ook de afspraak: als er behoefte is aan nadere stukken, dan worden die gewoon verstrekt. Dat staat onder andere ook in het bijgevoegde stuk van 2 oktober 2023. Toen is dat op enig moment ook formeel vastgesteld. Op die manier is die werkafspraak verdwenen in de andere werkinstructies.

De voorzitter:

Een vervolgvraag hierover van de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Nee, ik moet hier even over nadenken, maar ik kom wel met een andere vraag. Ik ben een beetje terughoudend in het aantal interrupties, omdat ik vind dat ik dingen af en toe even moet laten bezinken. Ik vind het wederom wel problematisch dat we in het nieuws die memo hebben, maar als ik dat even allemaal achterwege laat, zou dit debat dan nog moeten gaan over de 2.304 dagen dat mensen op dossiers aan het wachten zijn. Ik zei net vanaf het spreekgestoelte: de tijd is wel een beetje op. Ik wil van de staatssecretaris dus eigenlijk horen: wanneer krijgen de mensen die daar recht op hebben hun dossiers, en al het andere waar ze recht op hebben?

Staatssecretaris Palmen:

Ik heb het net nog nagevraagd bij de ambtenaren. Op dit moment moeten er nog 281 dossiers worden opgesteld. Alle 43.000 erkend gedupeerden, en soms nog meer, worden inmiddels grotendeels voorzien. De verwachting is dat we de laatste dossiers rond de zomer kunnen verstrekken. Dan heb ik het natuurlijk over de ouderdossiers. Af en toe komen er nog vragen bij. Als er nieuwe mensen bij komen, ontstaat er nog een kleine toename, maar de prop in de dossiervorming is gelukkig achter de rug.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dus heel concreet: deze zomer?

Staatssecretaris Palmen:

Dat geldt voor de voorraad die we nu hebben. Maar als iemand zich nog aanmeldt in september, kan ik dat niet voorspellen.

De voorzitter:

Die vraag tel ik niet mee, meneer Dijk.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De staatssecretaris gaf in antwoord op de heer Dijk net aan dat die werkafspraak er even was, maar niet meer gold. In de memo van 18 september 2025 staat letterlijk: "Genoemde werkafspraak vraagt aldus om herziening." Hoe kan het dan dat die werkafspraak kennelijk niet meer bestaat of maar heel even heeft gegolden, aldus de staatssecretaris, maar dat er in 2025 wordt geconstateerd dat deze werkafspraak vraagt om een herziening? Was er een werkafspraak tot de datum van deze memo of niet? Als die er niet was, welke werkafspraak moest dan worden herzien?

Staatssecretaris Palmen:

We hebben natuurlijk meerdere versies van dit memo verstrekt. De eerste versie is begin 2024 ontstaan. Waarschijnlijk is eind 2023 de eerste letter op papier gezet. Deze heeft waarschijnlijk net gekruist met het ouderdossier. We hebben versie 1, 1.5, 2, 3, 4 en 5. Versie 5 is van september 2025. U ziet dat de datum is aangepast. Dat heeft te maken met de agendering in het cluster.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De vraag is dus: was er op het moment dat dit memo, met als datum 18 september 2025, werd geschreven, sprake van een werkafspraak, of was er geen sprake van een werkafspraak?

Staatssecretaris Palmen:

Ik probeer te zeggen dat deze werkafspraak in het begin van de hersteloperatie heeft gegolden in verband met het persoonlijk dossier. Ouders hoefden het dan niet van UHT te krijgen, maar kregen het via een andere afdeling. Dat is ingehaald door het ouderdossier. Daarin staat klip-en-klaar dat mensen een screenshot van de uitkomst krijgen. Als er behoefte is aan meer informatie, kunnen zij die op verzoek krijgen. Dat is de werkafspraak die vanaf dat moment gold.

De voorzitter:

Voordat ik naar meneer Ceulemans ga, zie ik dat mevrouw Inge van Dijk ook nog een vraag heeft. Heeft u ook een vraag op dit punt? Oké. Dan mag de heer Ceulemans eerst.

De heer Ceulemans (JA21):

Misschien hebben we dezelfde vraag. Er blijven heel veel vraagtekens boven de markt hangen, dus laten we dit nu opklaren. Zegt de staatssecretaris dus klip-en-klaar dat in het memo van die datum — volgens mij was het september 2025 — werd verwezen naar een werkafspraak die op dat moment niet meer van kracht was?

Staatssecretaris Palmen:

Correct.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

In mijn hoofd betrof de werkafspraak het dossier met de 35 stukken.

Staatssecretaris Palmen:

Precies.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dat was in mijn beleving de werkafspraak waarnaar verwezen werd in het memo.

Staatssecretaris Palmen:

Nee, want in de werkafspraak die het ouderdossier betreft, staat dat er 35 punten zijn waarmee het dossier is opgebouwd. Punt 19 betreft o/gs. Daar zit standaard al een screenshot bij. Op verzoek komen daar overige stukken bij. Dat is de afspraak die toen is ingegaan.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dan wordt de suggestie van mevrouw Van Eijk van de VVD steeds relevanter: we moeten zorgen voor hele duidelijke instructies, zodat we echt weten waar we over praten met elkaar. Je merkt dat er, in de discussie in de Kamer en waarschijnlijk ook voor ouders, te veel onduidelijkheid is.

Staatssecretaris Palmen:

Dat is ook het eerste wat ik gezegd heb: we moeten ervoor zorgen dat alle werkinstructies op één lijn liggen en uniform zijn. Het liefst staat er ook een linkje bij, zodat iedereen steeds de meest actuele versie heeft. Dat soort dingen zijn van belang.

De voorzitter:

U verrast mij allemaal positief in de bondigheid van uw interrupties. Ondanks het feit dat mevrouw Westerveld al zes interrupties heeft gehad, ga ik er nu wat meer toestaan. Als u mij belooft dat u het op dezelfde bondige wijze doet, gaat dit prima zo. Als dat niet meer lukt, grijp ik in. Voor nu is het woord aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Als de werkafspraak die in de memo staat niet meer accuraat is, waarom is daarna dan de instructie aangepast, zoals we lezen in de brief van 12 februari, dus de brief van twee weken geleden?

Staatssecretaris Palmen:

Klopt. Dat had ermee te maken dat we nog in gesprek waren over die o/gs-kwalificatie nee, en over de vraag hoe je dan precies om moest gaan met de zoekslagen. We hebben afgelopen 1 december de Werkgroep Toeslagenadvocaten uitgenodigd bij CAP om daar te zelf te komen kijken hoe het gaat. We hebben hen uitgebreid meegenomen. Daar kwamen natuurlijk ook allerlei bevindingen uit naar voren. Daarover ga je het gesprek aan. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het keurig omschrijven van die o/gs-kwalificatie nee, zodat het ook voor iedereen helder is.

De voorzitter:

Ik denk dat de staatssecretaris haar betoog kan vervolgen.

Staatssecretaris Palmen:

Oké. Eens heel even kijken. Ik ben heel even kwijt welke vragen er nog openstaan, want ik heb natuurlijk in mijn tekst en bij de interrupties al het een en ander beantwoord. Ik zie hier nog een vraag van de Groep Markuszower over het ongelakt verstrekken van dossiers. De advocaten hebben gevraagd of we niet een versnelling kunnen krijgen als we niet meer hoeven te lakken. Daar hebben we een pilot mee uitgevoerd. De eerste beelden waren positief. Alleen bleek achteraf, gaandeweg de pilot, dat de tijdwinst zeer beperkt was omdat er tegenwoordig gebruik wordt gemaakt van geavanceerde laksoftware. Daardoor is die tijdwinst wat minder. We zien ook dat heel veel advocaten eigenlijk zeggen: we hoeven daar geen gebruik van te maken; op deze wijze vinden we het prima. Dat is vooral omdat de opstopping inmiddels achter de rug is. De conclusie uit de pilot is dus dat die daarom niet wordt voortgezet.

De voorzitter:

Dat roept een vraag op van mevrouw Moinat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Voorzitter, via u wil ik dan toch het volgende vragen. We hebben inderdaad ook gevraagd om de Belastingdienst daartoe te sommeren. U heeft het over een pilot. Maar hoe moeilijk kan het zijn om in een dossier bijvoorbeeld alleen de ambtenaren weg te lakken die het stuk geschreven hebben? Voor de rest staat er volgens mij alleen maar inhoudelijke informatie van deze ouders in.

Staatssecretaris Palmen:

Nou, dat is niet altijd het geval. Soms staan er ook andere adresgegevens in, bijvoorbeeld van mensen die inmiddels in een blijf-van-mijn-lijfhuis wonen, of dat soort gevoelige informatie. Daar moet je toch wel altijd op screenen. Daarnaast moet je ook kijken naar de ondertekenaar van een besluit. Die mag niet weggelakt zijn, want mensen moeten kunnen controleren of de ambtenaar die een besluit heeft getekend, een bevoegd persoon is geweest. Je kunt dus bijvoorbeeld niet standaard alle namen weglakken. Het vraagt wel een bepaalde geavanceerdheid. Maar nogmaals, we hebben dit geprobeerd en de advocaten geven zelf aan dat ze hier ook niet meer zo de meerwaarde van zien omdat die laksoftware op dit moment gewoon goed werkt.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Het bevreemdt mij toch, want deze mensen hier op de publieke tribune hebben recht op inzage in hun dossier. Dat wordt dus bemoeilijkt door het lakken, door een pilot. Dit dossier, onder andere van deze mensen die hier zitten, is van belang voor hun rechtsherstel. Ik begrijp dus niet dat deze stukken niet gewoon verstrekt kunnen worden. En dan hebben we het over zwartlakken of over een pilot of noem het allemaal maar op! De helft van de dingen die hier nu net besproken zijn, heeft geeneens meerwaarde voor dit debat, vind ik. Het gaat erom dat deze mensen hun stukken moeten krijgen zodat ze hier wat mee kunnen. Het zijn hun persoonlijke stukken. Ik vraag dus nog eens aan de staatssecretaris: wat gaat u doen, zodat deze mensen zo snel mogelijk die stukken krijgen?

Staatssecretaris Palmen:

Ik geloof dat hier een misverstand is. Wij gaan geen delen weglakken, hè. Het gaat hier over namen en gegevens die gelakt moeten worden volgens wettelijke kaders waar wij ons ook aan hebben te houden.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Moinat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dat snap ik. Dat begrijp ik. Ik weet hoe dat werkt. Maar ik heb het altijd, gegeven het dossier van deze mensen … Dat er bepaalde dingen wel gelakt moeten worden, snap ik, want ja: het is niet in trend met wat er naar buiten moet. Maar hoe moeilijk kan dat zijn?

Staatssecretaris Palmen:

Ik zou u bijna zeggen: kom op werkbezoek, dan kunnen we het u laten zien. Je probeert het zo snel en zo goed mogelijk en zo zorgvuldig mogelijk te doen.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik heb een beetje een dilemma. Ik heb zojuist het verhaal over de oude dossiers gehoord. Het lijkt er dan op dat we een heel eind zijn, maar dan ga je weer zitten en krijg je weer heel veel berichtjes van ouders die zeggen: ja, maar wij hebben 'm nog niet gehad. Dan denk ik: het voelt gewoon heel tegenstrijdig. Daar komen we vanavond niet uit, maar ik denk dat het goed is dat we in ieder geval voor het commissiedebat meer informatie krijgen, zodat we precies weten hoe die pijplijn eruitziet. Ik vind het gewoon heel ongemakkelijk dat ik aan de ene kant iets hoor wat ik graag wil geloven, maar aan de andere kant andere signalen uit de praktijk krijg. Het zou mij in ieder geval helpen als ik er voor het commissiedebat extra informatie over krijg.

Staatssecretaris Palmen:

Ik begrijp uw opmerking heel goed. Ik vind het zelf ook heel vervelend dat je de werkinstructie hebt en het je inzet is om alles te verstrekken, maar dat je tegelijkertijd uit de praktijk de voorbeelden kent van waar het niet goed gaat. Dat vind ik zelf ook verschrikkelijk vervelend, maar …

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Kunnen we daarover de meest actuele informatie krijgen voor het commissiedebat? Ik wil daar toch echt graag iets meer inzicht in hebben. Nogmaals, ik krijg nu hier ter plekke weer signalen. Ik wil als Kamerlid mijn controlerende taak goed doen. Ik zeg niet dat ik de staatssecretaris niet vertrouw, maar we praten hier wel met elkaar over een serieus onderwerp.

De voorzitter:

Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris Palmen:

Zeker, want het is te belangrijk.

De voorzitter:

Duidelijk.

De heer Struijs (50PLUS):

Er moet me even wat van het hart. Ik zit het echt heel aandachtig te beluisteren en dan denk ik: zit ik hier nou echt te luisteren naar een hersteloperatie? Mijn vraag aan de staatssecretaris is meer een cultuurvraag over de mensen die werken aan deze hersteloperatie. Heeft zij oprecht de indruk dat al die ambtenaren openheid, herstel, vertrouwen en niet naar ze kijken als een verdachte hoog in hun vaandel hebben? Die memo is een cultuuruiting die bij mij het beeld oproept dat er nog steeds structureel wantrouwen is naar deze slachtoffers. Kan de staatssecretaris dus eens reflecteren op de vraag of zij oprecht de indruk heeft dat dat structurele wantrouwen naar de slachtoffers echt niet meer aan de orde is?

Staatssecretaris Palmen:

Voor de goede orde: ik sta wel voor mijn ambtenaren. De mensen die zich destijds hebben aangemeld om te gaan werken voor de hersteloperatie, zijn vaak mensen die juist heel bewust hebben gesolliciteerd om te gaan werken voor zo'n hersteloperatie. Ze willen het goede blijven doen voor ouders. Wat je wel ziet, is dat de organisatie heel erg in onderdelen werkt. Mensen werken heel hard op hun eigen onderdeel en daarom is het mijn taak om ervoor te zorgen dat we veel meer de mens achter die dossiers en achter die regeling gaan zien.

De heer Struijs (50PLUS):

Die eilandencultuur is mij ook geschetst door de mensen die met ziel en zaligheid bij u werken. Die mensen schetsen ten eerste een eilandencultuur en ook die eilandencultuur kan soms wantrouwen in de hand werken. Wat doet u eraan om die cultuur zo te krijgen dat we met voortvarendheid, vertrouwen en openheid voort kunnen gaan? Ik vraag dat, ook horende dit debat, omdat er iets in is geslopen wat volgens mij niet goed is. Ziet u kansen om die eilandencultuur te doorbreken en die cultuur zo open mogelijk te krijgen? Of heeft u een sturingsprobleem? Want dat kan natuurlijk ook.

Staatssecretaris Palmen:

Wij zetten er natuurlijk heel erg op in om die cultuur en de ouders centraal te stellen. Dat willen we steeds meer in de organisatie krijgen. Je blijft daarom bijvoorbeeld investeren in hoogleraren die de mensen meenemen in hoe je dat met elkaar doet. We organiseren dialogen over casussen en de echte verhalen van de gedupeerden en de mensen. Dus je blijft investeren en leren, want je bent een lerende organisatie. Dat moet je natuurlijk wel blijven doen.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik wil u een oprechte tip meegeven: vergiffenis mag ook als u voortvarend gaat. Daar bedoel ik mee dat je de snelheid erin brengt, zodat je de slachtoffers hiervan tegemoetkomt. Je kan weleens vastlopen in te veel zorgvuldigheid. Dat is een tip die ik u wil meegeven. Dank u wel.

De heer Vermeer (BBB):

Ik krijg terwijl het debat gaande is appjes over wat er gezegd wordt. Ik kan dat allemaal niet zelf terplekke controleren; zelfs de staatssecretaris kan dat waarschijnlijk niet, maar die heeft ongetwijfeld ook een hulplijn. Er wordt gezegd dat er nog maar 280 ouderdossiers verstrekt zouden moeten worden. Dat is volgens de mensen zelf niet zo. Als ik hier één berichtje over krijg, dan zijn het er minimaal 281 als iemand daar verder niks van hoort en niet op zo'n lijst staat. Er wordt door de advocaten gezegd dat er tegen ze gezegd wordt dat dit al bij de inkomstenbelasting verstrekt is. Dat heeft er natuurlijk helemaal niks mee te maken.

Staatssecretaris Palmen:

Nee, IB is de afkorting voor "integrale beoordeling".

De heer Vermeer (BBB):

Sorry, bij de integrale beoordeling dan. Maar ik hoor dus dat dat gewoon niet aan de orde is en dat niet het hele dossier dat is aangevraagd op dat moment is ingeleverd. Kan er een verschil zijn met wat er aan de staatssecretaris gerapporteerd wordt over wat er nog op die lijst staat voor de verstrekking van dossiers? Kan het zijn dat er een hele groep is die wel antwoord gehad heeft, maar tegen wie ten onrechte gezegd is "u heeft het al gehad"? Kan het zijn dat daar een groot verschil zit, dus dat er volgens de rapportagelijsten nog 280 verstrekt moeten worden, maar dat een hoop mensen een antwoord hebben gekregen dat iets anders weergaf dan waar ze om gevraagd hebben? Kan daarin het verschil zitten, in het gevoel van "wij hebben het niet", terwijl bij de dienst gezegd wordt "nee, ze hebben het wél; die ouders hebben dat bij de integrale beoordeling gekregen"?

Staatssecretaris Palmen:

Ik weet natuurlijk niet welke mensen dit precies zijn. Ik moet uitgaan van wat mijn professionals aan mij doorgeven. Daar moet ik op vertrouwen. Op dit moment zijn alle integrale beoordelingen afgerond. Die primaire fase is afgerond, dus de dossiers spelen nu alleen nog maar een rol in de bezwaar- en beroepfase, en eventueel voor mensen die nog in het restantje van de Commissie Werkelijke Schade zitten.

De heer Vermeer (BBB):

Ja, maar men zegt: oké, dit is allemaal afgerond, dus dan moet het daar klaar zijn. Die ouders hebben het gevoel: ik heb niet de informatie die ik moet hebben, en ik heb ook niet mijn complete dossier. Hoe kunnen we dit dan doorbreken? Laat ik het anders zeggen. Wat heeft de staatssecretaris dan van mij nodig qua informatie, van de mensen die dat appen, om te kunnen checken of zij nou wel of niet, volgens uw dienst, het complete dossier gehad hebben, terwijl zij zeggen dat dat niet zo is? Hoe moeten wij hier als Kamer grip op krijgen, om de juiste informatie te krijgen over de vraag of die ouders gelijk hebben of de staatssecretaris? Waar zit dat 'm in?

Staatssecretaris Palmen:

Ik vind dat een lastige vraag om nu direct te beantwoorden. Vindt u het goed als ik daar in de tweede termijn even op terugkom?

De voorzitter:

Helder. Oké, dan vervolgt de staatssecretaris haar betoog. Als dat betoog klaar is, is dat ook goed. Dan is het aan de Kamer om te beoordelen of er nog openstaande vragen zijn. Dan hoeven we niet te wachten op interrupties, zeg ik maar even.

Staatssecretaris Palmen:

Een aantal vragen zien niet direct op het onderwerp van dit debat, maar zijn uiteraard toch heel relevant. Dat gaat bijvoorbeeld om de vraag van de SP over de einddatum. Uw vraag was als volgt. Je hebt een enorm budget, mensen moeten geholpen worden en het duurt al zo lang. U vraagt naar de einddatum. Ik heb natuurlijk al diverse malen aangegeven dat wij als kabinet inzetten op het afronden van de financiële compensatie in 2027. Ik besef heel goed dat financiële compensatie iets anders is dan volledig herstel. Natuurlijk blijven we die ouders, als het gaat om het herstel, langer hulp bieden. Ik zie dat er bijvoorbeeld een aantal vragen zijn gesteld over de informele schulden en de studieschulden. Daar vroeg de ChristenUnie naar. We zijn nog bezig met een kabinetsreactie. Die reactie gaan we geven vóór het commissiedebat. Die volgt dus nog.

U vroeg naar de hzk. We hebben nog niet alle brieven verzonden. Het kan dus heel goed kloppen dat er mensen zijn die zeggen: ik ben gedupeerd met betrekking tot de hzk, maar ik heb nog niks gekregen. Dat klopt. Dat volgt nog. Hiervoor gelden natuurlijk — want ik zie u al aankomen! — de normale rechtsbeschermingsregels vanuit de Algemene wet bestuursrecht.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dank aan de staatssecretaris. Wat een beetje bevreemdend was aan deze regeling, was dat er werd gecommuniceerd richting de gedupeerden "u hoeft niets te doen want wij lossen het op" terwijl er ondertussen wel een uiterste aanmelddatum in stond; 12 februari was de uiterste aanmelddatum. Dat bevreemdt. Het schijnt dan formeel zo te horen dat er een aanmelddatum moet staan, maar als Financiën ervan overtuigd is alle gegevens te hebben, dan had je als aanmelddatum toch ook een datum kunnen kiezen nadat Financiën die klus had geklaard?

Staatssecretaris Palmen:

Het is goed gebruik om zo snel mogelijk dit soort technische omissies te verhelpen. Aangezien dit een ambtshalve regeling is, is het natuurlijk zo dat mensen zichzelf niet hoeven aan te melden, maar dat zij bericht krijgen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Het is heel raar dat je 12 februari als datum communiceert terwijl Financiën zelf vóór die 12 februari nog niet alle mensen heeft verwittigd over hoe er zal worden omgegaan met het feit dat meer dan één toeslag onterecht bij hen is weggenomen. Daar zit natuurlijk de zorg van veel gedupeerden: "De eventuele aanmeldtermijn is verlopen. Het is nu nog maar afwachten of ik een positieve bejegening krijg vanuit deze regeling." Dat geeft heel veel onzekerheid. Wat kan de staatssecretaris toezeggen om deze onzekerheid te verminderen? Is er een hardheidsclausule nodig? Wat is er nodig om de onrust weg te nemen die nu is ontstaan rondom deze regeling?

Staatssecretaris Palmen:

Ik betreur dat hier überhaupt onrust over is ontstaan. Dat heeft natuurlijk te maken met de batchverzending, met het aanschrijven van alle rechthebbenden. Hiervoor gelden uiteraard de normale rechtsbeschermingsregels van de Algemene wet bestuursrecht. U moet dan niet direct denken aan een hardheidsclausule, maar wel aan de rechtsbeginselen. Ik noem bijvoorbeeld ook de overschrijding van de verschoonbare termijn.

De voorzitter:

De heer Grinwis tot slot op dit punt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Oké. Voor nu moet ik het met dit antwoord doen. Is de staatssecretaris dan wel bereid om nog actief te communiceren dat mensen niet moeten denken dat zij, als hen onverhoopt geen recht wordt gedaan ten aanzien van deze regeling, zich niet kunnen melden bij het betreffende loket, met de normale rechtsmiddelen, omdat die uiterste aanmelddatum van 12 februari al geweest is? Daar is nu namelijk onrust over. Een beetje proactieve communicatie is wel prettig. Als je nu namelijk naar de website gaat, kun je werkelijk niets vinden hierover.

De voorzitter:

Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris Palmen:

Uiteraard.

De voorzitter:

Helder.

Staatssecretaris Palmen:

Volgens mij ben ik nu een heel end door mijn ...

De voorzitter:

Ja. Als de staatssecretaris klaar is met haar betoog, dan kunnen we naar de veegrondes gaan. Ik kan me namelijk voorstellen dat niet alle vragen beantwoord zijn. Dan begin ik gewoon bij de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Toch nog een vraagje. Er wordt ook wel aangegeven dat het gebrek aan verstrekte dossiers met name speelt bij mensen die in het buitenland wonen. Als de staatssecretaris hier toch nog in de tweede termijn op terugkomt, kan zij dan ook nog eens specifiek bekijken of er op dit moment een groep buiten beschouwing blijft? Kan de staatssecretaris ook aangeven hoeveel bezwaren er op dit moment nog lopen van mensen die zeggen "volgens onze informatie hebben wij niet gekregen wat we gevraagd hebben"? Kan ze dat nog even meenemen?

Staatssecretaris Palmen:

Oké. Ik weet niet of we die gronden direct kunnen vinden. Er staan op dit moment zo'n 8.000 tot 9.000 bezwaren open, maar die zien natuurlijk niet allemaal op dossierverstrekking. Daar zitten andere gronden bij. Op de vraag over mensen in het buitenland kan ik in de tweede termijn verder antwoord geven.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik had een aantal vragen waarop ik in mijn eigen termijn vroeg om een specifiek antwoord. Die zijn er op een flink aantal vragen niet gekomen. Ik herhaal er een paar, want ik heb ze al gesteld. De eerste. Ik vroeg de staatssecretaris: krijgen ouders die geen opzet/grove schuldkwalificatie hebben gekregen inmiddels wel een bewijs dat dit klopt als ze daarom vragen, bijvoorbeeld in de vorm van een screenshot van de resultaten van een zoekopdracht? En krijgen ze dit altijd of moeten ze daar op een hele specifieke manier naar vragen?

Staatssecretaris Palmen:

Mensen krijgen standaard de screenshots van de uitkomst: ja of nee. Er is eigenlijk geen screenshot van de zoekactie. Je hebt wel de zoekactie zelf, de werkinstructies en hoe dat werkt. Dan is het afhankelijk van de vraag of er iets gevonden wordt, want dan wordt dat ook verstrekt. Daarnaast hebben we met de advocaten het volgende afgesproken. Soms komt het voor dat mensen zeggen: ik weet toch zeker dat ik in 2013 een betalingsregeling heb aangevraagd. Mensen kunnen dan nog een keer vragen om een zoekactie.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Krijgen ze dit altijd? Dus ouders krijgen altijd die informatie als ze daarom vragen?

Staatssecretaris Palmen:

Dat zijn de afspraken. Die staan op dit moment ook gewoon op de website.

De voorzitter:

Hoeveel heeft u er, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb er nog vier.

De voorzitter:

Nog vier? Zullen we er twee doen en twee in de tweede termijn?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Deze vragen zijn gewoon niet beantwoord.

De voorzitter:

Dat begrijp ik, maar uiteindelijk gaat het kabinet over de eigen beantwoording. Laten we er twee doen, en dan bewaart u er twee voor uw tweede termijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is goed. Ik stelde de staatssecretaris nog de vraag hoe het kan dat ouders die een procedure hebben lopen bij het College voor de Rechten van de Mens veel meer informatie krijgen, dus een veel groter dossier krijgen dan ouders die bij de UHT lopen. Hoe kan dat dan?

Staatssecretaris Palmen:

Dat heeft ermee te maken dat er een andere juridische grondslag is. Het onderwerp van onderzoek is breder. Vaak beslaat het veel meer jaren of ook andere elementen van dat hele proces; elementen die geen rol spelen bij de gedupeerdheid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik wil daar wel op doorvragen, maar ik heb de voorzitter net goed gehoord. Mijn laatste vraag heb ik ook al gesteld. Ik zou heel graag willen weten wat nou precies de status van de memo was. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen: het was een onvoldragen memo. Ik hoor haar ook zeggen: ik heb 'm pas op LinkedIn gezien toen ik daarop werd geattendeerd. Tegelijkertijd zien we in de tijdlijn ook dat die memo wel is aangeboden. We hoorden al eerder in een woordvoeringslijn dat de staatssecretaris daar geen kennis van heeft genomen. Heeft die memo nou wel of niet op het bureau van de staatssecretaris gelegen bij de stukken? Wat is daar nou precies gebeurd?

Staatssecretaris Palmen:

Dat aanbieden is aanbieden bij dat cluster. Dat is niet aanbieden buiten dat cluster om. Het is dus intern bij UHT gebleven.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik heb ook een aantal vragen gesteld, maar ik heb het idee dat daar een beetje zigzaggend doorheen wordt gegaan. Ik zal nu één vraag stellen. Ik heb gevraagd welke consequenties er volgen voor de Belastingdienst wanneer dossiers niet worden verstrekt, want zonder enige verantwoordelijkheid blijft dit zo doorgaan. Mijn vraag is: gaat u de verantwoordelijkheid nemen? Want de Belastingdienst is verplicht, volgens mij volgens AVG-artikel 15 en de Awb-artikelen 7:4 en 8:42, ze te verstrekken.

Staatssecretaris Palmen:

U doelt op twee verschillende procedures: de AVG-procedure en de 8:42-procedure. In Nederland is er goede rechtsbescherming. Op het moment dat de Belastingdienst zonder stukken bij de rechter verschijnt, zie je als Belastingdienst alle hoeken van de rechtszaal, om het oneerbiedig te zeggen. Zover wil ik het zeker niet laten komen, want mensen hebben gewoon recht op hun stukken.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik vroeg welke consequenties er volgen voor de Belastingdienst wanneer deze dingen niet verstrekt worden. Dat is echt mijn concrete vraag. Wie gaat hier de leiding nemen, wie gaat hier de Belastingdienst aanspreken en wie gaat die consequenties uitvaardigen?

Staatssecretaris Palmen:

We hebben hier gewoon een systeem van rechtsbescherming en op de zaak betrekking hebbende stukken. Ik vind het dus … Ik zou eerlijk gezegd niet goed weten hoe ik hier verder op moet antwoorden.

De heer Ergin (DENK):

Ik begrijp niet goed dat de staatssecretaris over het memo zegt: ik heb het op LinkedIn gezien. Dat memo is naar buiten gekomen vanwege een Woo-verzoek. We hebben hier een nota die we naar aanleiding van het informatieverzoek hebben gekregen, waarin de ambtenaren wat betreft de documenten die gaan over het verstrekken o/gs-gerelateerde stukken aangeven dat ervan is uitgegaan dat deze de bewindspersoon bereikt zouden moeten hebben. Wat klopt er dan? Klopt het verhaal dat de staatssecretaris niks heeft gezien of klopt het verhaal dat hier wordt geschetst, waarin er kennelijk van uit wordt gegaan dat het memo de staatssecretaris bereikt zou hebben?

Staatssecretaris Palmen:

Nogmaals, het memo heeft mij niet bereikt. Ik heb het begin december gezien op LinkedIn.

De heer Ergin (DENK):

Dat hoor ik. Dat heeft de staatssecretaris nu al drie keer gezegd. Tegelijkertijd is er dus kennelijk ergens een memo richting de staatssecretaris gegaan volgens deze nota. Op een of andere rare, merkwaardige wijze heeft het memo de staatssecretaris niet bereikt. Heeft de staatssecretaris onderzoek gedaan naar waarom dat niet heeft plaatsgevonden?

Staatssecretaris Palmen:

Ik heb wel gevraagd hoe dat nou zat met die Woo-verzoeken. Daar heb ik wel naar gevraagd, maar ik heb daar nog geen antwoord op.

De heer Ergin (DENK):

Mijn vraag gaat niet over het Woo-verzoek, maar over een nota waarin staat dat ervan wordt uitgegaan dat deze informatie, het memo, de staatssecretaris zou hebben moeten bereikt. Dat is niet gebeurd. De staatssecretaris kan hier zeggen: ik weet het niet. Maar dit lijkt me toch zo belangrijk dat de staatssecretaris zou moeten staan te springen om te onderzoeken hoe het kan dat zo'n alarmerende memo haar nooit heeft bereikt. Daar krijg ik geen antwoord op, dus ik zou mijn vraag graag willen herhalen: hoe kan het dat zo'n memo met alarmerende informatie de staatssecretaris niet bereikt?

De voorzitter:

De staatssecretaris tot slot op dit punt.

Staatssecretaris Palmen:

We hebben hier natuurlijk de cultuur van: snel melden als er iets is. Die wil ik zo houden. Ik wil wel — dat heb ik ook richting mijn directeuren gecommuniceerd — dat als er belangrijke signalen zijn, wij daar veel beter op gaan letten. In die zin gaan we daar wel serieus naar kijken.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik merk dat dit wel een beetje een moeizaam debat is, ook omdat het op een gegeven moment zo technisch wordt en onwijs op de uitvoering zit. Dat heb ik net niet gedaan in mijn bijdrage. De staatssecretaris zei net: er gaan zeker wel dingen fout. Dat verbaast me ook niks. Ik hoor zo ongeveer alle Kamerleden hier aangeven dat ze, net zoals wij, door ouders en advocaten erop worden gewezen dat mensen nog steeds bij hun gegevens kunnen en nog steeds niet de stukken krijgen. Ik stelde een vraag die ik nu graag wil herhalen: heeft u de vrijheid om te doen wat nodig is? Ik wil ook de serieuze vraag stellen of u weleens het gevoel heeft dat u wordt tegengewerkt. Ik vraag me af of u daar eerlijk op kunt antwoorden, maar ik stel de vraag hier wel. Ik vraag me namelijk echt al sinds ik dit onderwerp heb mogen overnemen van mijn voorgangers af of er op dit moment überhaupt echt controle is.

Staatssecretaris Palmen:

We hebben natuurlijk een ambtelijke organisatie met heel veel professionals. Ik sta wel voor mijn mensen en hun kwaliteit.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat hoort u te doen. Dat is ook … Dat hoort u te doen. Maar dat is niet mijn vraag. U zei net dat u het zo vervelend vond dat die memo's nu naar buiten komen en dat daar werkafspraken in stonden die nog gevormd moesten worden, wat nog onderwerp van discussie was. Maar hoe je het ook wendt of keert, die zijn er wel en die komen hier wel uit het niets ter sprake, waardoor zo'n debat weer een heel andere koers op wordt gestuurd. Daardoor hebben we nu een heel technisch debat hier, niet over de oplossingen voor ouders of dat de dossiers sneller en beter verstrekt worden. Mijn vraag blijft staan: heeft u de vrijheid om te doen wat nodig is en heeft u controle of heeft u het gevoel dat er hier en daar wordt tegengewerkt?

De voorzitter:

Afrondend, de staatssecretaris.

Staatssecretaris Palmen:

Ik ben natuurlijk bezig met een missie. Die missie is het afronden van de hersteloperatie; zo staat het ook in het regeerakkoord. Daarbij zullen er allerlei dingen gebeuren die niet goed zijn, maar we moeten ons niet laten afleiden van die missie. Ik denk dat dat heel erg belangrijk is.

De voorzitter:

We gaan daarmee de termijn van de staatssecretaris afronden. O, de heer Grinwis nog. Tot slot, meneer Grinwis. Hopelijk kan het in enen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat gaan we zien, voorzitter. Ik heb nog een vraag, want ik heb best wel uitgebreid stilgestaan bij één specifiek verhaal, namelijk dat van Regina. Daar heeft de staatssecretaris nog niet op gereageerd. Ik snap dat ze niet op individuele casuïstiek kan ingaan, maar het staat tegelijkertijd voor meer, namelijk voor mensen die echt heel diep in de put zijn geduwd of gestort door de overheid en die echt onrecht zijn aangedaan. De meest complexe gevallen worden maar zo moeilijk volledig recht gedaan. Ik heb het verhaal van Regina gehoord. Ik heb zojuist in de schorsing gesproken met een aantal ondernemers, die niet alleen als privépersoon zijn geraakt, maar ook in hun onderneming, en niet als groep als zodanig worden bejegend, geholpen en erkend. Wat is de boodschap van de staatssecretaris aan hen?

Staatssecretaris Palmen:

Gelukkig hebben we in ieder geval een deel van de hersteloperatie achter de rug, namelijk de integrale beoordeling. Dat betekent dat een heel groot deel, met name de mensen met iets lagere schades, geholpen is, waardoor er nu ruimte is voor de aanvullende compensatieregelingen, via de Stichting Gelijkwaardig Herstel en via MijnHerstel. Daarmee móeten we die versnelling kunnen aanbieden.

De voorzitter:

We gaan daarmee deze termijn afronden. Het is een belangrijk onderwerp. We hebben, denk ik, een waardig debat gevoerd in deze termijn, met heel veel ruimte. We gaan de ruimte nu wel iets beperken en er iets meer vaart achter zetten. Daarmee wil ik gelijk overgaan naar de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Dan wil ik als eerste de heer Ergin uitnodigen. Hij spreekt namens DENK.

Termijn inbreng

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ik vind het een raar debat, omdat we allemaal voelen en weten dat er heel veel speelt in het land. Onze mailboxen stromen vol met mails van ouders die ten einde raad zijn. Er komt opeens een memo opduiken. We stellen hier vragen over en eigenlijk vervallen we hier binnen no time in een debat dat over de techniek en de uitvoering gaat. Ik vind het echt erg dat we na zo veel tijd en na zo'n lange hersteloperatie keer op keer weer op dit punt belanden.

Maar ik heb twee moties om de uitvoering te verbeteren. De eerste motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat binnen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen een werkafspraak bestaat waarbij bij de beoordeling van opzet of grove schuld, o/gs, slechts de uitkomst wordt gedeeld met ouders en niet de onderliggende stukken;

constaterende dat uit interne stukken van de Dienst Toeslagen blijkt dat deze werkwijze op gespannen voet staat met de informatieverplichtingen uit de Algemene wet bestuursrecht en in bezwaar zelfs juridisch niet houdbaar kan zijn;

verzoekt de regering per direct een einde te maken aan de werkwijze waarbij onderliggende stukken over de beoordeling van opzet of grove schuld niet worden gedeeld;

verzoekt de regering tevens te waarborgen dat ouders en hun gemachtigden standaard en actief inzage krijgen in alle stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van opzet of grove schuld, zowel in de primaire fase als in bezwaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 68 (36708) (#14).

De heer Ergin (DENK):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit interne stukken blijkt dat de capaciteit bij CAP voor het verzamelen en verstrekken van stukken over opzet/grove schuld zeer beperkt is;

overwegende dat een gebrek aan capaciteit nooit een reden mag zijn om ouders de informatie te onthouden waarop zij volgens de wet recht hebben;

verzoekt de regering per direct extra capaciteit vrij te maken bij CAP zodat ouders en hun gemachtigden tijdig toegang krijgen tot alle stukken die betrekking hebben op de vaststelling van opzet/grove schuld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 69 (36708) (#15).

De heer Ergin (DENK):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De tweede spreker van de zijde van de Kamer in de tweede termijn is de heer Jimmy Dijk. Hij spreekt namens de SP.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Er staat nu al "afronden, alstublieft" op het klokje. Dat kan niet waar zijn.

De voorzitter:

Ik ben preventief bezig, meneer Dijk! Gaat uw gang. U krijgt alle tijd.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Ik zei net al in mijn eigen bijdrage: ouders hebben recht op hun stukken. De staatssecretaris zei: er gaan nog wel dingen mis. Dat horen wij ook van ouders en advocaten die nog steeds aangeven dat zij de stukken en hun dossiers niet krijgen. Ik merk dat er een Tweede Kamer is die voortvarend is en vooruit wil en er ook bovenop zit en blijft duwen. Er is genoeg geld en er is genoeg menskracht, maar het loopt veel te traag. Daarom wil ik twee concrete antwoorden op concrete vragen. U zei net als antwoord op mijn vraag wanneer de hersteloperatie afgelopen is: 2027, financieel. Oké, wanneer? Dat is een best lange tijd, 2027. Ook dat is een jaar. Twee: als ouders om hun dossiers vragen, hebben ambtenaren dan toestemming om volledig openheid te geven?

Ik heb twee moties. Die ga ik snel voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen die kapot zijn gemaakt door de overheid in het toeslagenschandaal nog steeds niet alle informatie uit hun dossiers ontvangen;

constaterende dat meerdere aangenomen moties en inbrengen in de Kamer oproepen tot het ruimhartig en dienstbaar tegemoetkomen aan de verzoeken om informatie van de ouders;

verzoekt de regering een werkinstructie op te stellen die alle ambtenaren, consultants en andere betrokkenen opdraagt de gevraagde dossierinformatie te overhandigen aan de ouders in het toeslagenschandaal en hun advocaten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 70 (36708) (#16).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de hersteloperatie voor het toeslagenschandaal al jaren duurt;

constaterende dat dit niet ligt aan een gebrek aan menskracht, financiële middelen of politiek mandaat;

overwegende dat een einddatum de benodigde urgentie en afrekenbare doelen kan geven aan de hersteloperatie en duidelijkheid voor de ouders biedt;

verzoekt de regering uiterlijk eind maart 2026 een einddatum van de hersteloperatie en een tijdpad hiernaartoe aan de Kamer te verzenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 71 (36708) (#17).

De heer Jimmy Dijk (SP):

De tweede motie mag ook graag een toezegging of een antwoord krijgen, als dat beter schikt.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter, dank u wel. Twee zaken staan wat ons betreft in deze kwestie centraal. Ten eerste: de overheid dient zich aan de wet te houden. Ten tweede: ouders moeten alles kunnen ontvangen waar zij volgens de wet en afspraken recht op hebben. De beantwoording van de staatssecretaris is wat ons betreft helder. Het memo verwijst naar een werkafspraak die op dat moment niet meer van kracht was. De werkwijze is dat de informatie te allen tijde wel aan de ouders moet worden verstrekt. We horen ook, ook vandaag weer, dat er dingen fout gaan. Het belangrijkste is dus dat de staatssecretaris zich inzet om het zo snel mogelijk vlot te trekken. Wij hebben wat dat betreft geen twijfels over haar inzet. Verder hebben wij de nodige kritiek op de brede afhandeling van de toeslagenaffaire en het beleid daaromtrent. Dat komt over twee weken in de commissie uitgebreid aan bod.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Westerveld namens de fractie van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de staatssecretaris voor haar beantwoording. Maar ik wil hier ook het ongemak benoemen. Er is sprake van ongemak omdat we het hier hebben over herstel. Herstel is niet een bedrag op je bankrekening. Herstel gaat ook over vertrouwen. Het gaat erover dat mensen weten dat ze gezien worden, dat ze gehoord worden, dat ze serieus worden genomen. Dan vind ik het heel lastig om, als wij hier in een debat vragen hebben, van de staatssecretaris allerlei technische antwoorden te horen, terwijl we van ouders, advocaten en andere mensen die hen bijstaan gewoon andere verhalen horen. We horen gewoon wel verhalen waarin ze aangeven dat ze het gevoel hebben dat ze niet serieus worden genomen, dat ze te veel worden tegengewerkt. Maar ik vind het ook onze taak om er met elkaar aan te werken om dat vertrouwen te herstellen. Ik zou echt als hartenkreet aan de staatssecretaris willen meegeven om er samen met de Kamer, maar nog liever samen met de ouders, de advocaten en anderen keihard aan te werken dat dat vertrouwen wordt hersteld, want mensen moeten hun volledige dossiers kunnen krijgen. Mensen moeten dit weten als zij ooit werden aangemerkt als fraudeur en daar nog steeds last van hebben. Zelfs bij het openen van een rekening of bij het afsluiten van een telefoonabonnement kunnen ouders daar tot op de dag van vandaag nog steeds last van hebben. Dat draagt niet bij aan dat herstel. Dat zou mijn oproep aan de staatssecretaris zijn.

Ik wil iedereen die meeluistert ontzettend veel sterkte wensen en aangeven dat we met jullie blijven strijden en dat we jullie stemmen horen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de heer Vermeer voor zijn tweede termijn namens de fractie van de BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Over de Woo-verzoeken heb ik een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Woo-publicaties kunnen leiden tot maatschappelijke en politieke onrust;

constaterende dat recente publicaties rondom het proces van de kwalificatie opzet/grove schuld (o/gs) hebben aangetoond dat het ontbreken van tijdige context tot aanzienlijke commotie leidt;

van mening dat dit waar mogelijk voorkomen moet worden omdat dit het vertrouwen in de overheid schaadt;

verzoekt het kabinet een protocol te ontwikkelen waarbij het kabinet proactief en gelijktijdig met een Woo-publicatie, gerelateerd aan de hersteloperatie kinderopvangtoeslag, een inhoudelijke reactie naar de Kamer stuurt, zodat de Kamer tijdig geïnformeerd is over publiekelijk beschikbare informatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 72 (36708) (#18).

De heer Vermeer (BBB):

We zouden dit eigenlijk liever over Woo-verzoeken in het algemeen doen, maar laten we eerst maar eens beginnen met het aanpakken hiervan.

Voorzitter. Ik moet nog even iets corrigeren. Ik kreeg via de fractie een berichtje binnen. Ik begon mijn inleiding met: de toeslagenaffaire is een schande. Een toeslagenouder heeft geappt dat ze helemaal geen affaire gehad heeft en dat het een toeslagenschandaal is. Ik wil daarvoor dus het juiste woord gebruiken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Bij dezen. De volgende spreker is de heer Mathlouti namens D66.

De heer Mathlouti (D66):

Voorzitter, dank. Volgens mij zijn er veel terechte vragen gesteld. Ik moet eerlijk zeggen dat de status van de memo en de gehanteerde werkwijze toch nog steeds voor mij een vraagteken zijn. De frustratie van de gedupeerden kunnen we volgens mij allemaal voelen. Die konden we ook even horen vanaf de tribune. Wat D66 betreft moeten mensen te allen tijde inzicht kunnen krijgen in hun gegevens, zeker als ze daar gewoon simpelweg recht op hebben. Verder zijn er geen vragen van onze kant. We gaan de ingediende moties met belangstelling lezen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik stond hier vandaag voor Regina, die na bijna twintig jaar nog steeds niet van de ongelofelijke ellende waar ze door de overheid in is gestort, is verlost. De overheid heeft haar nog steeds geen recht gedaan. Ze heeft zoveel schade en de Commissie Werkelijke Schade, of welke schadespoor ook wordt bewandeld, is nog steeds niet aan haar toegekomen. Dat vind ik echt heel erg. Ik hoop zeer op wat de staatssecretaris aan het einde zei, namelijk dat inderdaad deze echt "complexe gevallen", zoals we ze vaak noemen, nu als eerste aan bod komen. Er is al heel veel tijd verloren gegaan. Nu is het aan hen. Ik hoop dat de staatssecretaris die woorden met haar organisaties en alle routes die haar ter beschikking staan, waar kan gaan maken.

Ik stond hier vandaag ook voor de ondernemers, onder andere op die de tribune, die zich eigenlijk weggezet, ontkend en genegeerd voelen— het zijn er bijna 9.000 — omdat vooral naar de privésituatie is gekeken en niet naar de doorwerking op hun onderneming, die door het stempel "fraudeur" van de overheid kapot is gemaakt. Ik vraag daar aandacht voor en daar gaan we het bij het commissiedebat verder over hebben.

Ik had een motie meegebracht, maar de toezegging van de staatssecretaris op de hzk-regeling — ze gaat met haar ambtenaren duidelijk op de website communiceren dat mensen zich geen zorgen hoeven te maken en dat ze zich bij de instanties kunnen melden op het moment dat zij onterecht worden overgeslagen bij deze regeling — stelt mij gerust, zodat ik niet met een motie kom en het hierbij laat.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik mevrouw Inge van Dijk uit namens de fractie van het CDA voor haar tweede termijn.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank voor de antwoorden. Ik heb ook de geluiden van de collega's in de Kamer goed gehoord. We willen volgens mij allemaal geloven dat het beter gaat na dit debat, maar we voelen ons volgens mij tegelijkertijd ook allemaal heel ongemakkelijk hierbij, vooral ook omdat we eigenlijk allemaal op dit moment van ouders en advocaten berichtjes krijgen die zeggen: we krijgen helemaal geen printscreens van systemen; we krijgen alleen maar te zien dat iets er niet is. Vertrouwen terugwinnen doen we niet met mooie woorden; daar zullen we iets voor moeten laten zien. Wij denken dat het goed is om de komende tijd hier extra inzet op te plegen, vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het niet juist en volledig uitvoeren van vastgesteld beleid, zoals het bieden van voldoende duidelijkheid over de kwalificatie opzet/grove schuld van toeslagenouders, op gespannen voet staat met de informatieverplichtingen uit de Awb en rechtsbeginselen;

overwegende dat de werkgroep van advocaten de UHT eerder geadviseerd heeft welke stukken of inzichten minimaal noodzakelijk zijn voor advocaten om ouders adequaat te kunnen adviseren, maar dat in de uitvoeringspraktijk dossiers of inzichten nog steeds onvolledig kunnen zijn;

verzoekt de regering voor maximaal zes maanden een kleine slagvaardige commissie in te stellen waar belanghebbenden bij terechtkunnen wanneer stukken ontbreken die minimaal noodzakelijk zijn, die transparant samenwerkt met de UHT en waarin onder anderen een destijds betrokken advocaat zit;

verzoekt de regering deze commissie periodiek te laten rapporteren over haar bevindingen aan de staatssecretaris, en via de staatssecretaris aan de Kamer;

verzoekt de regering na de zes maanden, voor zover mogelijk, de commissie de Kamer in een gesprek te laten informeren over haar bevindingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk en Van Eijk.

Zij krijgt nr. 73 (36708) (#19).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank je wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Moinat namens de Groep Markuszower voor haar tweede termijn.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank, voorzitter. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een nationaal coördinator toeslagenouders aan te stellen en hiervoor bijvoorbeeld Pieter Omtzigt, Renske Leijten en Farid Azarkan voor te dragen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 74 (36708) (#20).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om te zorgen dat alle dossiers per direct worden vrijgegeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 75 (36708) (#21).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering in rechtszaken van toeslagenouders nooit meer in hoger beroep te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 76 (36708) (#22).

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik wil deze staatssecretaris toch nog meegeven dat ik het idee heb dat we in twee verschillende debatten hebben gezeten met elkaar. Dat vind ik zonde. We zitten hier met z'n allen voor onder anderen deze mensen op de publieke tribune. Ik heb het idee dat we een beetje langs elkaar heen zijn gegaan. Ik vind dat zonde van uw tijd, van onze tijd, en zeker ook voor deze mensen, want deze zaak is urgent. Ik hoop echt dat we zo snel mogelijk alles kunnen regelen voor deze mensen. Ik zie mevrouw Westerveld staan.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld en de heer Ergin. Eerst mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Er worden een paar moties ingediend over onderwerpen waarover het in het debat niet is gegaan, bijvoorbeeld de eerste motie over een nationaal coördinator. Ik heb dus eigenlijk geen beeld van wat ik me daarbij moet voorstellen of wat het doet met de positie van de staatssecretaris. Ik weet ook niet welke grote ideeën erachter zitten. Ik vind dit best een lastige motie om dinsdag over te stemmen omdat ik gewoon niet weet of we hier verstandig aan doen. Ik ken de achterliggende ideeën niet namelijk. Ik zou hier dus graag meer uitleg over horen en anders zou ik graag zien dat de motie wordt aangehouden totdat we het er wel een keer uitgebreider over kunnen hebben. Nu vind ik de motie niet heel erg passen bij dit debat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik zal erop reageren. Het doel van deze motie is om een team neer te zetten tussen de ambtenaren en de staatssecretaris. Dat is eigenlijk het doel van deze motie. Ze moeten overstijgend zijn bij de ambtenaren en tussen hen en de staatssecretaris staan. Ze moeten gaan doen waar deze mensen in onze ogen goed in zijn, namelijk het helpen van het ambtelijk apparaat en de staatssecretaris, maar vooral de ouders. Als u nog meer informatie wilt, ben ik te allen tijde bereikbaar.

De voorzitter:

Ik zeg alvast dat we op 10 maart over deze moties stemmen, dus dat geeft nog even ruimte.

De heer Ergin (DENK):

We hebben toch al een nationaal coördinator? Die zit daar toch in vak K? We hebben toch al een nationaal coördinator voor de hersteloperatie toeslagen? Ik waardeer de personen die in de motie genoemd worden enorm. Zij hebben keihard gestreden om de toeslagenmisdaad boven tafel te krijgen. Maar toch begrijp ik eigenlijk niet waarom mevrouw Moinat zich niet richt op de staatssecretaris, want dat is de nationaal coördinator die we al hebben. Wat voegt dit nou precies toe?

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik denk dat we in de loop der tijd hebben gezien dat we deze debatten nog veel vaker zullen voeren, al hoop ik van niet. Ik denk dat je op een gegeven moment iets anders moet proberen. Dat is wat ik nu probeer door deze motie in te dienen en deze drie mensen op een positie tussen de ambtenaren en de staatssecretaris te zetten. Ik heb het idee, samen met mijn fractie, dat de dingen boven het hoofd groeien. Deze drie mensen zijn wat ons betreft uitermate geschikt om zo'n team te leiden, voor de ambtenaren, de staatssecretaris en de ouders. Dat is de bedoeling van deze motie, gewoon puur om alles door te laten stromen, zodat het goed en snel gaat lopen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Ergin. Daarna nog een vraag van de heer Dijk.

De heer Ergin (DENK):

Het gaat mij er niet om of deze drie personen wel of niet geschikt zijn. Ze zijn uitermate geschikt. Het gaat mij erom dat we in dit huis op alle onderwerpen een staatssecretaris of minister hebben die verantwoordelijk is. Een nationaal coördinator stel je meestal aan om meer aandacht te creëren voor een deelonderwerp, om daar meer onderzoek naar te doen en meer aandacht voor te hebben. Maar dit heeft al de volle aandacht, we hebben al genoeg geld en we hebben al een staatssecretaris. Als mevrouw Moinat niet tevreden is over hoe de staatssecretaris optreedt, dan moet ze daar een punt van maken in plaats van nog een bestuurslaag ertussen te proppen. Ik hoop dat mevrouw Moinat daar nog een keer over gaat nadenken.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik neem de woorden mee, maar ik denk dat ik deze motie weloverwogen heb ingediend. Ik sta dan ook volledig achter deze motie.

De voorzitter:

Helder. De heer Dijk is weer gaan zitten. Dat betekent dat we naar de volgende spreker gaan en dat is de heer Vlottes. Hij spreekt namens de PVV.

De heer Vlottes (PVV):

Voorzitter, veel dank. Ook veel dank voor de beantwoording. Het is enig om te horen hoe dat ambtelijk allemaal zo wordt geregeld, welke unit en welke jurist ooit ergens naar heeft gekeken en welke werkafspraak al dan niet bestond. Superinteressant, maar het gaat erom dat ouders gewoon volledig inzicht moeten hebben in hun dossier. Ik hoorde de staatssecretaris voorzichtig het antwoord geven dat dit waarschijnlijk rond de zomer zo is. Vandaar de volgende motie, die kan gelden als een soort fatale termijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de gedupeerde toeslagenouders nog voor zomer 2026 volledige en onbeperkte inzage hebben gekregen in hun dossier,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.

Zij krijgt nr. 77 (36708) (#23).

De heer Vlottes (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot de heer Struijs namens 50PLUS.

De heer Struijs (50PLUS):

Dank, voorzitter. Laat ik duidelijk zijn dat we dadelijk bij het commissiedebat de thermometer nog één keer in de cultuur van de hele herstelorganisatie willen steken, omdat wij toch merken dat er een soort onderstroom is ontstaan, of die nou door de eilandcultuur komt of doordat er toch remmers in vaste dienst zijn, met ook heel veel welwillenden. Ik snap het antwoord van de staatssecretaris dat zij voor haar mensen staat. Maar wij willen hier nog een spade dieper gaan en nog eens goed doorpraten met de mensen die zich bij ons gemeld hebben en die in dat team zitten, om te horen wat zij hiermee bedoelen.

Verder dank ik u voor het debat, want het is wel een worsteling. Wij gaan geen moties indienen, maar wij gaan zeker wel moties steunen die elke vorm van werkinstructie duidelijker maken en die gaan helpen bij snelheid en openheid, zodat die dossiers zo snel mogelijk worden verstrekt.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Even voor de kijkers thuis. Er wordt tijdens dit debat een paar keer gerefereerd aan een commissiedebat. Het gaat dan heel specifiek om het commissiedebat Hersteloperatie kinderopvangtoeslag, op 19 maart, van de vaste Kamercommissie voor Financiën.

Goed, ik ga een kwartier schorsen. Dan gaan we door met de beantwoording en de appreciaties van de zijde van het kabinet. Ik schors de vergadering voor vijftien minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Misschien worden er nog vragen beantwoord, maar in ieder geval worden de moties geapprecieerd. Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Palmen:

Dank u wel, voorzitter. Allereerst heel veel dank voor alle inbreng en de gesprekken die we hier hebben gevoerd. Het ging over allerlei details. Af en toe was het heel erg ingewikkeld en technisch. Dat snap ik. Het gaat natuurlijk om het allerbelangrijkste: de ouders en hen voorbij dat onrecht proberen te helpen. De inzet van het kabinet blijft om het financiële deel van de hersteloperatie zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor eind 2027, af te ronden. Dat zeg ik ook richting meneer Dijk. Die stip op de horizon willen we graag aanhouden. Juist vanwege het onderwerp van het debat wil ik blijven benadrukken hoe belangrijk ik het vind dat we de stukken blijven verstrekken, zoals afgesproken. Ik snap alle zorgen. Ik vind het heel verschrikkelijk dat de ouders hier weer door geraakt zijn. Het gaat er nu om dat de werkinstructie helder, duidelijk en openbaar is, en dat ouders en advocaten daarop kunnen vertrouwen, zodat de ouders krijgen waar zij recht op hebben.

Er zijn nog een paar open vragen die ik ga proberen te beantwoorden. Eén vraag ging over de ouderdossiers. Meneer Vermeer vroeg waar ouders terechtkunnen als ze het idee hebben dat er iets niet helemaal klopt. Dat staat allemaal op de website van UHT. Het is afhankelijk van in welke fase mensen bezwaar maken: tegen de integrale beoordeling of tegen de Commissie Werkelijke Schade. Die informatie is daar allemaal terug te vinden.

Dan was er nog een vraag over mensen in het buitenland. Mensen in het buitenland kunnen ook altijd hun ouderdossier opvragen. Dat kan eventueel digitaal verzonden worden. Eventueel kan het Ondersteuningsteam Buitenland daarbij van dienst zijn.

Dan heb ik nog de vraag van de SP over de lakinstructies. De vraag was: als ouders om hun dossier vragen, hebben ambtenaren dan toestemming om volledige openheid te geven? We hebben natuurlijk lakinstructies. Die zijn tot stand gekomen vanwege andere wet- en regelgeving, zoals privacywetgeving en vanwege veiligheidsredenen. Wij kunnen dus niet alles ongebreideld en ongelakt verstrekken, ook al is daar toestemming voor. We zullen ons toch aan die instructies moeten houden. Daarbij wil ik wel gezegd hebben dat we zo min mogelijk lakken.

Dan de moties. De eerste is de motie op stuk nr. 68 van meneer Ergin. Ik ben uiteraard een jurist die de hele overweging tot op de letter nauwkeurig zou willen hebben, maar eigenlijk ben ik het wel eens met het verzoek. Omdat ik het daarmee eens ben, geef ik de motie oordeel Kamer. Nogmaals, ik ben het niet helemaal eens met de overwegingen, maar wel met het verzoek.

Dan de tweede motie van de heer Ergin, de motie op stuk nr. 69 over CAP en de extra mensen bij CAP. Ik verzoek u om deze motie aan te houden, omdat ik dit met mijn collega, de heer Eerenberg, moet afstemmen. Hij is namelijk bevoegd om te praten over de Belastingdienst.

De voorzitter:

Wacht even. Dat is een vraag voor de heer Ergin. Wilt u de motie aanhouden?

De heer Ergin (DENK):

De motie kan dan toch ook schriftelijk worden geapprecieerd?

De voorzitter:

Ja. Ik kijk even naar de staatssecretaris. De stemming is aanstaande dinsdag, op 10 maart. Het verzoek van de heer Ergin is of er misschien later, na overleg, een appreciatie kan komen op deze motie.

Staatssecretaris Palmen:

Dat is prima.

De voorzitter:

Oké. Dan volgt de appreciatie op de motie op stuk nr. 69 nog.

Staatssecretaris Palmen:

De motie op stuk nr. 70 van de SP krijgt oordeel Kamer. Dat volgt eigenlijk al uit wet- en regelgeving, maar ik vind dat helemaal prima.

Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 71. Echt een harde datum kan ik niet zomaar noemen. Ik kan wel zeggen dat voor het financiële deel van de hersteloperatie ons streven blijft om dat eind 2027 af te ronden. Maar daarmee heb ik, nogmaals, niet gezegd dat daarmee alle ouders dan volledig hersteld zijn. Dat is namelijk iets anders. Onder andere die brede ondersteuning zal nog wat langer doorlopen, maar dat hoeft niet gelijk op te gaan met de hersteloperatie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 71 krijgt dus "ontraden".

Staatssecretaris Palmen:

Dan de motie op stuk nr. 72 van de heer Vermeer over de Woo-publicaties. Ik verzoek u deze aan te houden. Die moet ik namelijk laten lopen via mijn collega, de heer Van der Burg van BZK. Die moet ook besproken worden in de ministerraad. Daar heb ik dus iets meer tijd voor nodig.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Dan geldt hier hetzelfde. Dan houd ik 'm aan en dan wacht ik wel de schriftelijke appreciatie af.

Staatssecretaris Palmen:

Die gaat waarschijnlijk niet komen vóór 10 maart. Ik vraag u dus om 'm iets langer aan te houden, zodat ik even wat ruimte heb voor de ministerraden.

De heer Vermeer (BBB):

Ja hoor, daar ben ik toe bereid.

Staatssecretaris Palmen:

Fijn, dank u wel.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Vermeer stel ik voor zijn motie (36708, nr. 72) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 73.

Staatssecretaris Palmen:

De motie op stuk nr. 73 van de leden Van Dijk en Van Eijk. Mag ik deze motie zo interpreteren dat we niet gaan werken met een extra loket? Ik wil vooral de slagvaardigheid van deze commissie kunnen blijven garanderen. Het is uiteraard wel van belang dat ouders hun signalen kunnen afgeven. Over de precieze invulling wil ik graag nog met de indieners in gesprek gaan. Dan kan die wat mij betreft oordeel Kamer krijgen.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Fijn dat we in overleg kunnen over de precieze invulling. Ik maak me er juist zorgen over dat we langs elkaar heen communiceren. Het gaat er mij wel om dat dit een extra escalatiemogelijkheid is voor als dat nodig is.

De voorzitter:

Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 73 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Palmen:

Dan de motie op stuk nr. 74 over een nationaal coördinator. Die moet ik ontraden. Die zou ook tegen het kabinetsbeleid ingaan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 74: ontraden.

Staatssecretaris Palmen:

De motie op stuk nr. 75 moet ik ook ontraden. Ik interpreteer die namelijk zo dat het persoonlijk dossier weer opnieuw verstrekt zou moeten worden. Dat is gewoon niet uitvoerbaar, zoals we in het verleden hebben moeten constateren. Dat is ook in overeenstemming met de commissie-Van Dam, die dit destijds ontraden heeft.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 75: ontraden.

Staatssecretaris Palmen:

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 76. Wij hebben natuurlijk als uitgangspunt dat wij een overheid willen zijn die vooral naast de ouders staat. Toch ontkomen we er niet aan om af en toe een hoger beroep in te stellen. Ik kan dus niet de garantie geven dat wij nooit meer in hoger beroep gaan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 76: ontraden.

Staatssecretaris Palmen:

Dan de laatste motie, de motie op stuk nr. 77. Die gaat volgens mijn interpretatie ook over het persoonlijk dossier. Daarvoor geldt hetzelfde: die moet ik ontraden omdat die onuitvoerbaar is.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 77: ontraden.

Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de staatssecretaris voor het debat. Ik dank ook de Kamerleden voor het debat. Ook de mensen op de publieke tribune die het gehele debat hier gevolgd hebben: veel dank daarvoor.

De voorzitter:

We stemmen op 10 maart over de ingediende moties. Daarmee sluit ik de vergadering.

Sluiting