Rekenmethodiek en parameterkeuzes
Bijlage
Nummer: 2026D00754, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 16:46, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Modernisering forfaits gebaseerd op de rente en levensverwachting in de schenk- en erfbelasting (2026D00752)
Preview document (🔗 origineel)
BIJLAGE 2 2025-1773387 BRIEF MODERNISERING FORFAITS S&E
Rekenmethodiek en parameterkeuzes
Deze bijlage werkt de voorgestelde rekenmethodiek en parameterkeuzes achter de forfaits in de schenk- en erfbelasting die gebaseerd zijn op de rente en levensverwachting (hierna de forfaits) in detail uit. Bij de uitleg wordt omwille van de leesbaarheid steeds uitgegaan van het forfait waarmee de waarde van (het fictief vruchtgebruik van) een onderbedelingsvordering wordt benaderd. Dit is de meest voorkomende erfrechtelijke verkrijging waarvoor een forfait wordt toegepast, en in het forfait speelt zowel de rente als levensverwachting een rol. De actuariële berekeningen achter de andere forfaits worden in paragraaf 4 toegelicht.
Actuariële waardering van een onderbedelingsvordering
Deze paragraaf licht toe hoe de waarde van een onderbedelingsvordering actuarieel berekend kan worden. Met deze uitleg wordt ook duidelijk op welke wijze de rente en levensverwachting doorwerken in de forfaits.
Waarde van een onderbedelingsvordering
Wanneer een nalatenschap volgens de wettelijke verdeling wordt afgewikkeld krijgen de kinderen hun erfdeel in de vorm van een (geldelijke) vordering op de langstlevende partner. De vordering is pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende partner evenals eventuele rente. Als er geen rente wordt vergoed, of minder dan de forfaitaire rente van 6%, dan worden de vorderingen van de kinderen niet naar het nominale bedrag belast. De langstlevende partner heeft het zogenoemde genot van de vorderingen van de kinderen, omdat de langstlevende partner minder dan de forfaitaire rente van 6% hoeft te vergoeden. Dit genot behoort tot de verkrijging van de langstlevende en komt in mindering op de verkrijging van de kinderen. Als er een rente van 6% wordt vergoed dan worden de vorderingen naar het nominale bedrag belast.
Een simpel getallenvoorbeeld helpt bovengenoemde te verduidelijken. Stel iemand overlijdt met achterlating van een partner en één kind en de waarde van diens nalatenschap is vastgesteld op € 200.000. De langstlevende partner en het kind zijn gezamenlijk en voor gelijke delen erfgenaam. De langstlevende partner verkrijgt de goederen van de nalatenschap en de voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor diens rekening. Het kind krijgt zijn erfdeel van € 100.000 in de vorm van een (geld)vordering op de langstlevende partner. Over de vordering wordt geen rente berekend. De langstlevende partner is 80 jaar oud. Veronderstel verder dat de resterende levensduur van de langstlevende partner exact negen jaar bedraagt. We rekenen met de huidige rekenrente van 6%. De € 100.000 die over negen jaar wordt uitgekeerd is vandaag € 59.1901 waard. Op basis van een actuariële berekening heeft de verkrijging van het kind niet een waarde van € 100.000, maar van € 59.190 (-€ 40.810). Om aan diens toekomstige verplichting van € 100.000 te voldoen hoeft de langstlevende partner nu minder dan € 100.000 apart te zetten. Als de langstlevende partner nu € 59.190 opzij zet tegen een jaarlijkse rente van 6% dan is dat bedrag over negen jaar aangegroeid tot € 100.000. Het verschil van € 40.810 kan de langstlevende partner aanwenden voor andere doeleinden. Dit rentevoordeel wordt voor de erfbelasting bij diens verkrijging opgeteld.
Actuariële berekening waarde onderbedelingsvordering
Uit bovengenoemde blijkt dat de hoogte van de opwaardering voor de langstlevende partner gelijk is aan:
$V - \ \frac{V}{{(1 + i)}^{T}}$
Waarbij V de hoogte van de vordering weergeeft, i de discontovoet en T het aantal resterende levensjaren van de langstlevende partner. Met wat algebra2 kan vergelijking (1) worden omgeschreven naar een vergelijking die de lezer bekender voor zal komen:
(2) $V - \ \frac{V}{{(1 + i)}^{T}}$ = $\ \ V \bullet i \bullet \sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}$ = $\ \ V \bullet i \bullet \left\lbrack \frac{1}{(1 + i)} + \frac{1}{{(1 + i)}^{2}} + \ldots + \frac{1}{{(1 + i)}^{T}} \right\rbrack$
De laatste term in het middenstuk van de vergelijking, de som van de contante waardefactoren ($\sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}$ ), is de kapitalisatiefactor uit artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit SW 19563. In de huidige forfaits is i gelijkgesteld aan 6%4.
Vergelijking (2) maakt verder duidelijk dat we het rentevoordeel voor de langstlevende partner op een andere manier kunnen interpreteren. De langstlevende partner kan direct een geldbedrag ter hoogte van de vordering V apart zetten (op een spaarrekening bijvoorbeeld) en een jaarlijks rendement maken dat gelijk is aan V*i. In de forfaitaire tabellen worden de jaarlijkse rendementen aangeduid met de meer generieke term ‘periodieke uitkeringen’. Om tot het rentevoordeel te komen dient de toekomstige stroom aan uitkeringen contant te worden gemaakt aan de hand van de kapitalisatiefactor.
Het forfaitaire rendement, oftewel de i waarmee V wordt vermenigvuldigd in vergelijking (2), moet gelijk zijn aan de rente waarmee de toekomstige verkrijgingen worden verdisconteerd, oftewel de i in de contante waardefactoren. De gelijkstelling volgt logischerwijs uit de afleiding van vergelijking (2) (zie voetnoot 2)5. Wanneer de discontovoet zou afwijken van het rendement dan zou in sommige situaties de waarde van het vruchtgebruik hoger uitvallen dan de waarde van het volle eigendom.6 Een dergelijke situatie zou het axioma dat de waarde van het volle eigendom gelijk is aan de optelsom van de waarde van het blote eigendom en de waarde van het vruchtgebruik schenden. Uit de afgeleide van vergelijking (2) naar i wordt verder duidelijk dat een hogere rekenrente leidt tot een hogere waarde van het rentevoordeel van de langstlevende7.
Op het waarderingsmoment is uiteraard onbekend hoe lang de langstlevende partner nog te leven heeft. De onzekerheid omtrent de resterende levensverwachting wordt verwerkt aan de hand van cumulatieve overlevingskansen:
$_{n}^{}p_{z,x} = \prod_{u = 0}^{n - 1}{_{1}^{}p}_{z + u,\ x + u}$
De cumulatieve overlevingskans nPz,x geeft de kans weer dat iemand met leeftijd x op het waarderingsmoment z na n jaar nog in leven is. De cumulatieve overlevingskans wordt berekend door de eenjarige overlevingskansen met elkaar te vermenigvuldigen. Een voorbeeld helpt dit te verduidelijken: de kans dat een persoon die begin 2025 veertig jaar oud is over drie jaar nog in leven is, is gelijk aan de kans dat een 40-jarige aanvang 2025 een jaar later nog in leven is, vermenigvuldigd met de kans dat een 41-jarige aanvang 2026 een jaar later nog in leven is, vermenigvuldigd, tot slot, met de kans dat een 42-jarige aanvang 2027 een jaar later nog in leven is (3P2025,40 = 1P2025,40 x 1P2026,41 x 1P2027,42).
De levensverwachting wordt in vergelijking (2) verwerkt door de stroom aan toekomstige uitkeringen niet als zeker te veronderstellen, maar door per uitkering de verwachte waarde te berekenen8. De verwachte waarde van bijvoorbeeld de uitkering in het tweede jaar van de looptijd is gelijk aan de hoogte van de uitkering vermenigvuldigd met de kans dat de verkrijger van de uitkering na twee jaar nog in leven is (cumulatieve overlevingskans). De aldus verkregen verwachte waarde wordt contant gemaakt met de contante waardefactor voor twee jaar. Meer algemeen geformuleerd: de som wordt berekend van de producten van de contante waardefactoren met de cumulatieve overlevingskansen:
$V \bullet i \bullet \sum_{t = 1}^{\infty}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}_{t}^{}p_{z,x}$ , $_{t}^{}p_{z,x} = \prod_{u = 0}^{t - 1}{_{1}^{}p}_{z + u,\ x + u}$
De limiet in vergelijking (4) wordt gezet op 120 jaar. De prognosetafels van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (zie paragraaf 3) waaraan de levensverwachting voor de forfaits wordt ontleend hebben een bovengrens van 120 jaar.
Toelichting keuzes met betrekking tot de rekenrente
In de levensverzekeringswiskunde wordt i in vergelijking (2) aangeduid als de rekenrente. Tabel 2.1 vat de keuzes met betrekking tot de rekenrente samen. Elke keuze wordt in deze paragraaf nader toegelicht.
Tabel 2.1 Overzicht keuzes met betrekking tot de rekenrente
| Keuze |
|---|
|
|
|
|
|
|
Voor de rekenrente wordt uitgegaan van de risicovrije rente
De veronderstelling is dat de langstlevende partner er vanwege de nauwe familieband doorgaans voor zal willen zorgen dat de vordering bij zijn of haar overlijden volledig voldaan kan worden. Hieruit volgt dat de langstlevende partner voorzichtig omspringt met het geërfde vermogen en het vermogen belegt met een zekere terugbetaling van het kapitaal. Voor het rendement wordt daarom uitgegaan van de risicovrije rente.
In de praktijk bestaat een volledig risicovrije investering niet. De risicovrije rente wordt benaderd door uit te gaan van de Ultimate Forward Rate (UFR) rentetermijnstructuur die De Nederlandsche Bank (DNB) maandelijks publiceert (link). De UFR betreft de prijs waartegen de eenjaars rente op hele lange termijn kan worden vastgezet. Op basis van marktrentes en onder andere deze aanname kan een disconterings- of rentecurve worden afgeleid voor alle looptijden9. Pensioenfondsen en verzekeraars gebruiken de DNB UFR-rentetermijnstructuur bij het waarderen van hun verplichtingen.
De rekenrente wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van een voortschrijdend gemiddelde berekend over een middelingsperiode van vijf jaar
De risicovrije rente wijzigt dagelijks door veranderingen in vraag en aanbod op financiële markten. De laatst bekende rente, aangeduid als de spot rate, heeft een referentieperiode van één dag. De spot rate geeft weer wat op dat moment de waardering vanuit de financiële markten van de risicovrije rente is. Het is dus de meest actuele inschatting die gebaseerd is op alle informatie die op dat moment beschikbaar is.
De spot rate is echter gevoelig voor omstandigheden die bij toeval op een dag aan de orde kunnen zijn en de onzekerheid over die omstandigheden. Deze omstandigheden van een dag kunnen uitschieters bevatten en hoeven niet representatief te zijn voor de komende jaren. Bij het gebruik van een referentieperiode van bijvoorbeeld een maand worden deze dagspecifieke uitschieters uitgemiddeld. Dit levert een schatting op die representatiever zal zijn voor de komende jaren.
Los van incidentele uitschieters kan de rente ook over een meerjarige periode sterk wijzigen (zie figuur 2.1). Dat pleit voor een langere middelingsperiode, om op die manier de volatiliteit van de rente minder sterk door te laten werken in de belastingdruk. Sterke verschillen in belastingdruk tussen overlijdens die plaatsvinden net voor en na een actualisatiemoment zijn onwenselijk. Dat zou leiden tot onbegrip en minder acceptatie van het forfait. Tabel 2.2 met rekenvoorbeelden geeft een idee van de mate waarin de rente doorwerkt in de belastingdruk10.
Figuur 2.1 Lange rente 1970-2024
Bron: Centraal Planbureau (cMEV26-raming). De lange risicovrije rente in deze figuur betreft de rente op Duitse staatsobligaties met een looptijd van 10 jaar.
Tabel 2.211 Procentuele stijging erfbelasting kinderen bij het eerste overlijden voor renteloze vorderingen bij een 1%-punt daling van de rekenrente.
| Gemeenschappelijk vermogen ouders | € 100.000 | € 200.000 | € 300.000 | € 400.000 | € 500.000 | € 1.000.000 | € 4.500.000 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Erfenis per kind | € 16.667 | € 33.333 | € 50.000 | € 66.667 | € 83.333 | € 166.667 | € 750.000 | ||||||
|
50 | 234% | 69% | 64% | |||||||||
| 55 | 314% | 121% | 54% | 51% | |||||||||
| 60 | 121% | 71% | 39% | 37% | |||||||||
| 65 | 142% | 51% | 37% | 23% | 23% | ||||||||
| 70 | 77% | 39% | 30% | 21% | 20% | ||||||||
| 75 | 32% | 20% | 17% | 12% | 12% | ||||||||
| 80 | 279% | 25% | 17% | 14% | 11% | 11% | |||||||
| 85 | 17% | 5% | 4% | 3% | 3% | 3% | |||||||
| 90 | 5% | 2% | 2% | 2% | 1% | 1% | |||||||
Verder wordt voorgesteld om de rekenrente jaarlijks te actualiseren. Er wordt een voortschrijdend gemiddelde uitgerekend door de referentieperiode waarover het gemiddelde wordt berekend elk jaar een jaar op te schuiven. De combinatie van middeling en jaarlijks actualiseren zorgt voor de meest stapsgewijze wijzigingen van de rekenrente. Veel minder frequent actualiseren zou het risico met zich mee brengen dat de aanpassing van de rekenrente groter is met sterkere verschillen in belastingdruk tot gevolg tussen overlijdens vóór en na actualisatie.
De logische vervolgvraag is welke duur te kiezen voor de middelingsperiode. Hoe langer de middelingsperiode des te gladder het verloop van het voortschrijdend gemiddelde. Een langere middelingsperiode betekent echter ook dat gerekend wordt met rentes die verder in het verleden liggen. Dat doet afbreuk aan het streven om de forfaits actueel te houden. Er bestaat dus een afruil tussen het rekenen met een actuele rente en minder scherpe mutaties in de belastingdruk. Voorgesteld wordt om te middelen over een periode van vijf jaar. Tabel 2.3 laat zien dat middelen over een langere periode steeds minder bijdraagt aan het afvlakken van de rentereeks. Bij een middelingsperiode van vijf jaar valt op basis van historische gegevens over de periode 1970-2024 een maximale jaarlijkse mutatie van 0,8%-punt te verwachten.
Tabel 2.3 Grootste mutaties in de lange rente in de periode 1970-2024 voor verschillende middelingsperioden
| Middelingsperiode voortschrijdend gemiddelde | Grootste daling | Grootste stijging |
|---|---|---|
| Geen | -1,9% | 1,8% |
| 3 jaar | -1,3% | 1,3% |
| 5 jaar | -0,8% | 0,6% |
| 7 jaar | -0,5% | 0,3% |
| 10 jaar | -0,4% | 0,2% |
Zoals eerder vermeld gaat het rekenen met een voortschrijdend gemiddelde onvermijdelijk gepaard met een verlies aan accuratesse door het rekenen met verouderde rentes. Op basis van historische rentegegevens wordt dit verlies geschat op 1%-punt.12 Dit betekent dat gemiddeld genomen de rekenrente 1%-punt naast de actuele rente zal zitten. Omwille van een niet al te volatiele belastingdruk wordt dit verlies voor lief genomen.
De rekenrente wordt na middeling naar boven afgerond op halve procentpunten
Een niet afgeronde rekenrente kan de indruk wekken dat het forfait een actuele rente benadert. Dit is echter niet het geval door de keuze om te middelen over de afgelopen vijf jaar. Om een schijn van nauwkeurigheid te vermijden wordt de rekenrente na middeling naar boven afgerond op halve procentpunten. Ook vanuit het oogpunt van communicatie verdient dit de voorkeur. Het naar boven afronden is in het voordeel van de meeste belastingplichtigen, gemeten op het niveau van de nalatenschap. Een hogere rente betekent immers een hogere waarde van het fictieve vruchtgebruik van de langstlevende partner en daarmee een lagere waarde van de vorderingen van de kinderen, en daarmee een lagere totale erfbelasting. Weliswaar wordt bij de verkrijging van de langstlevende partner evenveel opgeteld als er bij de kinderen wordt afgetrokken, maar dat leidt vanwege de hoge partnervrijstelling in de erfbelasting in veel gevallen niet tot een hogere erfbelasting over de verkrijging van de langstlevende partner. Door af te ronden met een nauwkeurigheid van een half procentpunt wordt aangesloten bij de afrondingsnauwkeurigheid in de belasting- en invorderingsrente13.
De rekenrente hangt niet af van de looptijd van de vordering
In beginsel bestaat er een positief verband tussen de looptijd van een investering en het geëiste rendement. Vanwege het inflatierisico bijvoorbeeld zullen investeerders een hogere rente eisen voor investeringen met een langere looptijd. Bij het waarderen van toekomstige verplichtingen wordt doorgaans gerekend met looptijdafhankelijke rentes, oftewel met een rentermijnstructuur. Moet een pensioenfonds bijvoorbeeld over tien jaar een bepaald bedrag betalen, dan wordt er een andere (hogere) rekenrente gebruikt dan bij een betalingsverplichting over vijf jaar.
Het is mogelijk om de hoogte van de rekenrente in de forfaits te koppelen aan de verwachte looptijd van de vordering. De UFR benadert ook voor langere looptijden de risicovrije rente. Daarnaast is de verwachte looptijd van een onderbedelingsvordering gelijk aan de verwachte resterende levensduur van de langstlevende partner, welke afhangt van diens leeftijd op het waarderingsmoment. De leeftijd van de langstlevende partner is op dat moment uiteraard bekend.
Er wordt echter afgezien van het rekenen met looptijdafhankelijke rentes. De rentermijnstructuur kan namelijk (sterk) wijzigen (zie figuur 2.2). Zo bestond er bijvoorbeeld in 2008 nauwelijks een renteverschil tussen een looptijd van 10 respectievelijk 2 jaar, terwijl in 2009 het verschil ruim 2%-punt bedroeg. Als met looptijdafhankelijke rentes gerekend zou worden dan zou het belastingdrukverschil tussen langstlevende partners met verschillende leeftijden van jaar op jaar sterk kunnen wijzigen. Dat zou leiden tot onbegrip en minder acceptatie van het forfait. Bovendien maakt het rekenen met looptijdafhankelijke rentes de toepassing van de forfaits complexer. De hoogte van de forfaits zou naast het kalenderjaar van overlijden dan ook gaan afhangen van de leeftijd van de langstlevende partner.
Figuur 2.2 Renteverschil in procentpunten tussen AAA-staatsobligaties uit het eurogebied met een looptijd van 10 en een looptijd van 2 jaar.
Bron: Europese Centrale Bank
Zoals hierboven toegelicht bevat de UFR voor elke looptijd een andere rente. Voorgesteld wordt om voor de rekenrente uit te gaan van de risicovrije rente die hoort bij een looptijd van negen jaar. Uit aanslaggegevens erfbelasting over de jaren 2017 tot en met 2021 blijkt namelijk dat de mediane duur van een onderbedelingsvordering negen jaar bedraagt.14 Het rekenen met looptijdonafhankelijke rentes leidt tot een verlies aan nauwkeurigheid door voor elke onderbedelingsvordering uit te gaan van dezelfde looptijd. Op basis van historische rentegegevens wordt dit verlies geschat op 0,7%-punt.15 Dit betekent dat gemiddeld genomen de rekenrente 0,7%-punt zal afwijken van de rente die hoort bij de (geschatte) looptijd van de vordering.
Samenvattend wordt voorgesteld om de rekenrente jaarlijks als volgt te actualiseren. Op het moment van actualiseren wordt op basis van de UFR-rentetermijnstructuur allereerst de rente geselecteerd horend bij een looptijd van negen jaar, voor alle maanden in de afgelopen vijf jaar. Vervolgens wordt van deze 60 rentes het gemiddelde berekend.
De rekenrente is constant gedurende de gehele looptijd van de vordering
Voorgesteld wordt om gedurende de hele looptijd van de vordering te rekenen met dezelfde rekenrente. Dus de hoogte van de rekenrente wordt bepaald door het kalenderjaar waarin de vordering ontstaat. De schenk- en erfbelasting zijn tijdstipsbelastingen wat betekent dat de waarde van de verkrijging op het moment van overlijden of schenking wordt bepaald. Dit geldt eveneens voor de waarde van toekomstige verkrijgingen. Op het moment van overlijden wordt met de dan geldende rekenrente gerekend om de waarde van (het fictieve vruchtgebruik van) de onderbedelingsvordering te berekenen. De keuze voor een constante rekenrente is daarnaast ingegeven door uitvoerbaarheidsoverwegingen. Het zou voor zowel de belastingplichtige als Belastingdienst te complex worden wanneer de rekenrente tijdens de looptijd van de vordering wijzigt, bijvoorbeeld bij de berekening of sprake is van bovenmatige rente.16
De rekenrente wordt niet negatief
In lijn met jurisprudentie17 wordt een ondergrens van 0% voorgesteld voor de rekenrente. Met een negatieve rekenrente rekenen zou er op neerkomen dat een verkrijging van een bloot-eigendom belast met een vruchtgebruik meer waard is dan de volle eigendom. Het is niet de bedoeling van de wetgever om het bloot-eigendom voor een hoger bedrag dan het volle eigendom te belasten.
Toelichting keuzes met betrekking tot de levensverwachting en overige keuzes
Tabel 3.1 vat de keuzes met betrekking tot de levensverwachting samen. Elke keuze wordt in deze paragraaf nader toegelicht.
Tabel 3.1 Overzicht keuzes met betrekking tot de levensverwachting en overige keuzes
| Keuze |
|---|
|
|
|
|
|
Voor de levensverwachting wordt uitgegaan van de cohortlevensverwachting
Een vordering vanwege de wettelijke verdeling is in beginsel pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende partner. Op het waarderingsmoment18 is de resterende levensduur uiteraard onbekend. Het zou niet doelmatig zijn als van iedere langstlevende partner de resterende levensduur zou moeten worden ingeschat aan de hand van een medisch rapport. Daarom wordt in het forfait gerekend met een statistische levensverwachting. Er bestaan meerdere definities van het begrip levensverwachting. De bekendste zijn de periodelevensverwachting (periodetafel) en de cohortlevensverwachting (prognosetafel).
De periodelevensverwachting geeft aan hoeveel jaar iemand van een gegeven leeftijd en geslacht naar verwachting nog te leven heeft, onder de veronderstelling dat de sterftekansen in de toekomst gelijk blijven. We weten echter dat een betere gezondheidszorg en een gezondere of minder gezonde levensstijl de sterftekansen beïnvloeden. De sterftekans van een 80-jarige over twintig jaar is waarschijnlijk lager dan de sterftekans van een huidige 80-jarige. De cohortlevensverwachting tracht hier wel rekening mee te houden en geeft daarmee een betere benadering van de resterende levensduur. In het forfait wordt daarom gerekend met de cohortlevensverwachting.
De cohortlevensverwachting wordt gebaseerd op prognoses van het Koninklijk Actuarieel Genootschap
Het forfait gaat uit van de meest recente prognosetafel van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG). Momenteel is dit de Prognosetafel AG 2024. Het AG is de beroepsvereniging voor actuarissen en publiceert om de twee jaar een prognosetafel met sterftekansen. Uit deze sterftekansen kan een cohortlevensverwachting worden afgeleid. Deze prognosetafels worden door pensioenfondsen en verzekeraars gebruikt om de hoogte van hun voorzieningen te bepalen. Het AG stelt de prognosetafels op door de sterftekansen modelmatig te extrapoleren naar de toekomst.19 De tafel is naast historische sterftedata in Nederland ook gebaseerd op de sterftedata in een aantal Europese landen met een vergelijkbare welvaart.
Er wordt gerekend met een geslachtsneutrale cohortlevensverwachting
De huidige forfaits in de SW 1956 maken geen onderscheid tussen de levensverwachting van mannen en vrouwen. Een onderscheid in de forfaits voor mannen en vrouwen valt juridisch niet goed te verdedigen.20 In het forfait wordt daarom uitgegaan van een geslachtsneutrale cohortlevensverwachting. De geslachtsneutrale sterftekans wordt bepaald door uitgaand van de meest recente prognosetafel van het AG per kalenderjaar en per leeftijd een ongewogen gemiddelde te berekenen van de sterftekans voor mannen en de sterftekans voor vrouwen.
De klassenbreedtes in de forfaitaire tabellen worden aangepast
In de huidige forfaitaire tabellen worden de kapitalisatiefactoren niet per looptijd en of per leeftijd gepresenteerd, maar per looptijd- en of per leeftijdsklasse. De klassebreedte bedraagt in veel gevallen vijf jaar maar soms ook wel twintig jaar (bijvoorbeeld artikel 6 UBSW). Dit laatste zorgt voor minder accurate forfaits. Vooral voor leeftijden aan de randen van de klassen zijn de afwijkingen groot. Voor een verkrijging van €1.000 bedraagt de afwijking voor de eerste vijf jaar voor een 40-jarige bijv. €300 (30%). De tabel in artikel 6 UBSW is ook niet consistent met de vergelijkbare tabel in de inkomstenbelasting. Daarom is het wenselijk om de aanbeveling van Deloitte op te volgen om de klassenbreedten te verkleinen.
Er wordt gerekend met een prenumerando uitkering
Bij de berekeningen van de forfaits wordt verondersteld dat de uitkering plaatsvindt aan het begin van het jaar; prenumerando uitkering. Dit leidt tot een hogere waardering van de uitkering, omdat de verkrijger bijna een jaar rente kan genieten, ten opzichte van een postnumerando uitkering, en omdat een verkrijger niet het hele jaar hoeft te overleven om de uitkering te ontvangen. Eerder is bij de keuze voor het naar boven afronden van de rekenrente toegelicht dat een hogere waardering in het voordeel is van de belastingplichtige op het niveau van de nalatenschap. Overigens is de keuze voor een prenumerando uitkering van geringe invloed op de actuariële waarde.
Toelichting vergelijkingen achter forfaitaire tabellen in de schenk- en erfbelasting die gebaseerd zijn op de rente en levensverwachting
Deze paragraaf beschrijft de vergelijkingen achter alle forfaitaire tabellen in de schenk- en erfbelasting die gebaseerd zijn op de rente en levensverwachting.
4.1 Periodieke uitkering voor bepaalde tijd, niet afhankelijk van een leven
Deze forfaitaire tabel is bedoeld voor periodieke uitkeringen waarvan de looptijd vooraf vaststaat, en waarbij de looptijd van de uitkering niet afhangt van de levensduur van de verkrijger. Het gaat om de laatste kolom in de tabel in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. De factoren in deze tabel zijn alleen op de contante waarde factoren gebaseerd. De contante waarde factor voor een uitkering met looptijd T kan worden berekend aan de hand van vergelijking (4.1.1) waarbij de rekenrente gelijk is aan i.
(4.1.1) ${CW}_{T} = \sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}$
In de forfaitaire tabel worden de factoren niet per looptijd, maar per looptijdsklasse gepresenteerd met een klassebreedte van vijf jaar. De factoren worden geaggregeerd naar het niveau van een looptijdsklasse door middeling. De middeling gebeurt in twee stappen. In een gegeven looptijdsklasse vallen vijf verschillende looptijden. In de eerste looptijdsklasse van een tot en met vijf jaar bijvoorbeeld vallen alle periodieke uitkeringen met een looptijd van of 1 jaar, of 2 jaar, of 3 jaar, of 4 jaar of 5 jaar. Voor elke afzonderlijke looptijd in de klasse wordt de gemiddelde contante waarde factor per jaar bepaald aan de hand van vergelijking (4.1.2).
(4.1.2) ${CW}_{T} = \frac{1}{T}\sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}$
Vervolgens worden alle vijf gemiddelde contantewaardefactoren binnen de looptijdsklasse bij elkaar opgeteld, en de som wordt vervolgens gedeeld door 5. Het verkregen gemiddelde wordt afgerond op twee decimalen. Op deze wijze wordt er gewogen naar looptijd. De contantewaardefactor van de uitkering met de kortste looptijd krijgt het zwaarste gewicht.
De voorgestelde nieuwe tabelstructuur is te zien in tabel 4.1.1. Om bijvoorbeeld de forfaitaire waarde van een periodieke uitkering die gedurende 7 jaar elk jaar € 1.000 uitkeert te bepalen dient de tabel als volgt te worden toegepast. De forfaitaire waarde is gelijk aan € 1.000 x 5 x 0,94 + € 1.000 x 2 x 0,81. De waarden in de tabel zijn berekend op basis van de levensverwachting en rentevoorspellingen op moment van schrijven. De waarden zullen worden geactualiseerd op het moment van invoeren.
Tabel 4.1.1 Voorgestelde tabel periodieke uitkeringen, niet afhankelijk van een leven
| Uitkeringsjaren | Kapitalisatiefactor |
|---|---|
| het eerste vijftal jaren | 0,94 |
| het tweede vijftal jaren | 0,81 |
| het derde vijftal jaren | 0,70 |
| het vierde vijftal jaren | 0,61 |
| het vijfde vijftal jaren | 0,52 |
| het zesde vijftal jaren | 0,45 |
| het zevende vijftal jaren | 0,39 |
| het achtste vijftal jaren | 0,34 |
| het negende vijftal jaren | 0,29 |
| het tiende vijftal jaren | 0,25 |
| het elfde vijftal jaren | 0,22 |
| het twaalfde vijftal jaren | 0,19 |
| de volgende jaren | 0,11 |
4.2 Periodieke uitkering voor onbepaalde duur, afhankelijk van een leven
Deze forfaitaire tabel is bedoeld voor het berekenen van de forfaitaire waarde van periodieke uitkeringen die stoppen wanneer de verkrijger komt te overlijden. Het gaat om de tabel in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. De contante waarde van dit type verkrijging wordt bepaald door per startleeftijd voor elk jaar na het startjaar de contantewaardefactor te vermenigvuldigen met de cumulatieve overlevingskans, en vervolgens alle termen bij elkaar op te tellen. De forfaitaire waarde van een jaarlijkse uitkering voor onbepaalde duur, afhankelijk van een leven ter grootte van € 1 wordt gegeven door vergelijking (4.2.1).
(4.2.1) $\sum_{t = 1}^{\infty}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}_{t}^{}p_{z,x}$
$$(4.2.2)\ \ \ \ \ \ _{t}^{}p_{z,x} = \prod_{u = 0}^{t - 1}{_{1}^{}p}_{z + u,\ x + u}$$
De eerste term in (4.2.1) is de contantewaardefactor voor de uitkering in periode t en de tweede term is de cumulatieve overlevingskans dat een persoon met leeftijd x in jaar z bij de start van de verkrijging na t jaar nog in leven is. De limiet verschilt per startleeftijd en is maximaal 120 jaar.
In de forfaitaire tabel worden de kapitalisatiefactoren geaggregeerd naar leeftijdsklassen door te middelen. De klassebreedten zijn vijf jaar. In de leeftijdsklasse van 20 tot en met 24 jaar bijvoorbeeld vallen alle levensafhankelijke periodieke uitkeringen van verkrijgers die bij aanvang van de uitkering 20 jaar, of 21 jaar, of 22 jaar, of 23 jaar of 24 jaar zijn. Voor elke afzonderlijke leeftijd wordt de som van het product tussen de contantewaardefactoren en de cumulatieve overlevingskansen bepaald conform (4.2.1). Vervolgens worden alle vijf somproducten bij elkaar opgeteld en de som wordt gedeeld door vijf. Het verkregen gemiddelde wordt naar boven afgerond op gehele getallen.
De voorgestelde nieuwe tabelstructuur is te zien in tabel 4.2.1. De forfaitaire waarde van een levenslange jaarlijkse uitkering van € 1.000 aan een 20-jarige in deze voorbeeldtabel bedraagt dus € 1000 x 30. De waarden in de tabel zijn berekend op basis van de levensverwachting en rentevoorspellingen op moment van schrijven. De waarden zullen worden geactualiseerd op het moment van invoeren.
Tabel 4.2.1 Voorgestelde tabel periodieke uitkeringen voor onbepaalde duur, afhankelijk van een leven
| wanneer degene gedurende wiens leven de uitkering moet plaatshebben | kapitalisatiefactor |
|---|---|
| jonger dan 20 jaar is | 30 |
| 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is | 28 |
| 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is | 28 |
| 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is | 27 |
| 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is | 25 |
| 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is | 24 |
| 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 22 |
| 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is | 21 |
| 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 19 |
| 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 17 |
| 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is | 14 |
| 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is | 12 |
| 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is | 9 |
| 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is | 7 |
| 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is | 4 |
| 90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is | 3 |
| 95 jaar of ouder is | 1 |
4.3 Periodieke uitkering voor bepaalde tijd, afhankelijk van een leven
Deze forfaitaire tabel is bedoeld voor periodieke uitkeringen waarvan de looptijd vooraf vaststaat, maar waarbij de uitkering eindigt als de verkrijger voor het einde van de looptijd komt te overlijden. Het gaat om de eerste drie kolommen in de tabel in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Net als bij de forfaitaire tabel voor levenslange periodieke uitkeringen wordt per startleeftijd voor elk jaar na het startjaar de cumulatieve overlevingskans vermenigvuldigd met de contantewaardefactor. Bij de levensafhankelijke periodieke uitkeringen voor bepaalde tijd loopt de sommatie echter tot aan het einde van de looptijd (4.3.1).
(4.3.1) $\sum_{t = 1}^{N}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}_{t}^{}P_{z,x}$
Voor dit type uitkering wordt eerst gemiddeld naar looptijd en vervolgens naar leeftijd. Daarbij worden de volgende stappen gezet voor bijvoorbeeld de kruising van de looptijdsklasse van 1 tot en met 5 jaar met de leeftijdsklasse 20 tot en met 24 jaar. Start bij leeftijd 20 jaar en:
Bereken voor elke afzonderlijke looptijd in de looptijdsklasse 1 tot en met 5 jaar het gemiddelde van het somproduct tussen de contantewaardefactoren en de cumulatieve overlevingskansen:
(4.3.2.) $\frac{1}{N}\sum_{t = 1}^{N}\frac{1}{{(1 + i_{t})}^{t}}_{t}^{}P_{z,x}$ N ∈ 1, 2, 3, 4, 5
Vervolgens worden alle vijf gemiddelde somproducten binnen een looptijdsklasse bij elkaar opgeteld, en de som wordt vervolgens gedeeld door vijf.
Herhaal stap 1 voor alle andere leeftijden binnen de leeftijdsklasse. Tel de vijf gewogen gemiddelden bij elkaar op, en deel de verkregen som vervolgens door vijf. Het verkregen gemiddelde wordt afgerond op 2 decimalen.
De voorgestelde nieuwe tabelstructuur is te zien in tabel 4.3.1. De forfaitaire waarde van een jaarlijkse uitkering van € 1.000 aan een 73-jarige met een looptijd van 7 jaar, of een kortere looptijd als de 73-jarige binnen deze 7 jaar overlijdt, bedraagt € 1000 x 5 x 0,91 + € 1000 x 2 x 0,7. De waarden in de tabel zijn berekend op basis van de levensverwachting en rentevoorspellingen op moment van schrijven. De waarden zullen worden geactualiseerd op het moment van invoeren.
Tabel 4.3.1 Voorgestelde tabel periodieke uitkering voor bepaalde tijd, afhankelijk van een leven
| Uitkeringsjaren | Jonger dan 20 jaar | 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is | 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is | 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is | 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is | 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is | 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is | 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is | 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is | 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is | 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is | 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is | 90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is | 95 jaar of ouder is |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| het eerste vijftal jaren | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,94 | 0,93 | 0,92 | 0,91 | 0,89 | 0,84 | 0,75 | 0,63 | 0,49 |
| het tweede vijftal jaren | 0,81 | 0,81 | 0,81 | 0,81 | 0,81 | 0,81 | 0,80 | 0,80 | 0,79 | 0,77 | 0,74 | 0,70 | 0,61 | 0,46 | 0,27 | 0,12 | |
| het derde vijftal jaren | 0,70 | 0,70 | 0,70 | 0,70 | 0,69 | 0,69 | 0,68 | 0,67 | 0,65 | 0,62 | 0,58 | 0,49 | 0,34 | 0,18 | 0,06 | ||
| het vierde vijftal jaren | 0,60 | 0,60 | 0,60 | 0,60 | 0,59 | 0,59 | 0,57 | 0,56 | 0,53 | 0,49 | 0,41 | 0,28 | 0,14 | 0,04 | |||
| het vijfde vijftal jaren | 0,52 | 0,52 | 0,52 | 0,51 | 0,51 | 0,50 | 0,48 | 0,46 | 0,42 | 0,35 | 0,24 | 0,12 | 0,03 | ||||
| het zesde vijftal jaren | 0,45 | 0,44 | 0,44 | 0,44 | 0,43 | 0,42 | 0,40 | 0,36 | 0,31 | 0,21 | 0,10 | 0,03 | |||||
| het zevende vijftal jaren | 0,39 | 0,38 | 0,38 | 0,37 | 0,36 | 0,34 | 0,32 | 0,27 | 0,19 | 0,09 | 0,03 | ||||||
| het achtste vijftal jaren | 0,33 | 0,33 | 0,32 | 0,31 | 0,30 | 0,28 | 0,24 | 0,17 | 0,09 | 0,02 | |||||||
| het negende vijftal jaren | 0,28 | 0,28 | 0,27 | 0,26 | 0,24 | 0,21 | 0,15 | 0,08 | 0,02 | ||||||||
| het tiende vijftal jaren | 0,24 | 0,23 | 0,23 | 0,21 | 0,19 | 0,14 | 0,07 | 0,02 | |||||||||
| het elfde vijftal jaren | 0,21 | 0,20 | 0,19 | 0,16 | 0,12 | 0,07 | 0,02 | ||||||||||
| het twaalfde vijftal jaren | 0,18 | 0,16 | 0,14 | 0,11 | 0,06 | 0,02 | |||||||||||
| de volgende jaren | 0,09 | 0,06 | 0,04 | 0,02 | 0,01 |
4.4 Perpetuïteit
In artikel 10b van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 wordt een vermenigvuldigingsfactor voorgeschreven waarmee een jaarlijkse erfpachtcanon vermenigvuldigd moet worden om tot de forfaitaire waarde van een erfpachtrecht te komen. Momenteel bedraagt de vermenigvuldigingsfactor 17. Op basis van het actualisatievoorstel en de meeste rentevoorspelling op moment van schrijven zou de factor 33 gaan bedragen. Als het actualisatievoorstel doorgang vindt zal de factor op het herijkingsmoment worden geactualiseerd.
De vermenigvuldigingsfactor in artikel 10b is gebaseerd op de waarde van een eeuwigdurende uitkering; een perpetuïteit. De contante waarde van een postnumerando perpetuïteit met een vaste rentevoet i is gelijk aan (4.4.1).
$$\ (4.4.1)\ \ \ \sum_{t = 1}^{\infty}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}} = \frac{1}{i}$$
$\frac{€\ 100.000}{{(1 + 6\%)}^{9}}$↩︎
(1) $V - \ \frac{V}{{(1 + i)}^{T}}$ = V(1− (1 + i)−T)
↩︎(2) V(1− (1 + i)−T) = $V \bullet i\ \bullet \ \frac{(1 - \ {(1 + i)}^{- T})\ \ \ \ }{i}$
De laatste term in de vergelijking aan de rechterzijde is de formule voor een meetkundige reeks. Dit geeft:
(3) $V \bullet i\ \bullet \ \frac{(1 - \ {(1 + i)}^{- T})\ \ \ \ }{i}$= $V \bullet i \bullet \sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + i)}^{t}}$ = $V \bullet i \bullet \left\lbrack \frac{1}{(1 + i)} + \frac{1}{{(1 + i)}^{2}} + \ldots + \frac{1}{{(1 + i)}^{T}} \right\rbrack$
In dit versimpeld voorbeeld is er een leeftijdsonafhankelijke kapitalisatiefactor. De forfaitaire tabel in artikel 5 bevat leeftijdsafhankelijke kapitalisatiefactoren.↩︎
Artikel 10 Uitvoeringsbesluit SW 1956.↩︎
In stap (2) kan $\frac{i}{i}$ niet vervangen worden door een breuk waarbij de teller en noemer van elkaar verschillen. Dan is de deling niet meer gelijk aan 1 en klopt de vergelijking niet meer.↩︎
Als de discontovoet niet gelijk is aan het rendement dan geldt:
$V \bullet i \bullet \sum_{t = 1}^{T}\frac{1}{{(1 + j)}^{t}}$ = $V \bullet i \bullet \frac{1 - \ {(1 + j)}^{- T}}{j}$
We willen weten wanneer:
$V \bullet i \bullet \frac{1 - \ (1 + j)^{- T}}{j} > V$ = $i > \frac{j}{1 - \ (1 + j)^{- T}}$
Bij de combinatie van bijvoorbeeld een looptijd van 30 jaar met een discontovoet van 2% is de waarde van het vruchtgebruik groter dan de waarde van het volle eigendom bij een rendement hoger dan 4,46%.↩︎
De afgeleide van vergelijking (2) naar i is positief: $\frac{V*T}{(1 + i)^{T + 1}}$ , voor i>-1↩︎
In het verleden is de levensverwachting op een andere wijze verwerkt in de forfaits. De voorgestelde rekenmethodiek waarin gerekend wordt met 6% geeft lichte verschillen met de huidige forfaits.↩︎
Voor de constructie van de UFR gaat DNB uit van Europese swaprentes voor verschillende looptijden. Een renteswap is een financieel product waarbij twee partijen vaste en variabele rente uitruilen. Ze dekken hiermee renterisico’s af, met name als het gaat om de variabele rente. Voor de UFR wordt uitgegaan van renteswaps waarbij de 6-maands EURIBOR wordt uitgeruild tegen een vaste rente. Het overgrote deel van de swapmarkt is gedekt met onderpand, dat wil zeggen dat marge gestort wordt zodra een swap een negatieve marktwaarde heeft. Hiermee is het kredietrisico feitelijk grotendeels geëlimineerd. Zie pagina 5 uit Vaststelling methode rentetermijnstructuur (link), De Nederlandsche Bank (2005).↩︎
De sterke procentuele stijgingen in de tabel boven de 100% worden veroorzaakt doordat in die rekenvoorbeelden de verkrijging net boven de vrijstelling erfbelasting uitkomt. Beperkte mutaties in euro’s leiden in die situaties tot procentueel grote stijgingen.↩︎
In alle rekenvoorbeelden is sprake van twee partners die in gemeenschap van goederen getrouwd zijn (waarbij geen van beiden over privévermogen beschikt), twee kinderen hebben, er geen pensioenvermogen wordt nagelaten aan de langstlevende partner en waarbij de erfdelen gelijk zijn.↩︎
Voor het berekenen van het informatieverlies is gebruik gemaakt van historische rentegegevens voor AAA-staatsobligaties in het eurogebied voor verschillende looptijden over de periode 2004-2025, gepubliceerd door de Europese Centrale Bank (ECB). Voor elke dag in de observatieperiode is per looptijd de gekwadrateerde fout (MSE) berekend van de actuele rente ten opzichte van het voortschrijdend gemiddelde. Vervolgens is de wortel genomen (RMSE) van de gemiddelde MSE. De gemiddelde RMSE over de gehele observatieperiode bedraagt circa 1%-punt. Historische rentegegevens over Amerikaanse staatsobligaties over de periode 1977-2025 geven eenzelfde beeld.↩︎
Artikel 1, lid b Besluit belasting- en invorderingsrente.↩︎
De duur van een onderbedelingsvordering kan worden afgeleid uit de aangifte erfbelasting op basis van de overlijdensdatum van de erflater en de overlijdensdatum van een eventueel eerder partner van de erflater. Deze laatste overlijdensdatum wordt uitgevraagd bij het onderdeel over eventuele onderbedelingsvorderingen die in mindering gebracht moeten worden op de bezittingen van de erflater.↩︎
Hiervoor is een gemiddelde RMSE over de gehele observatieperiode berekend waarbij de fout per looptijd is gedefinieerd als het verschil tussen het voortschrijdend gemiddelde en het voortschrijdend gemiddelde die hoort bij een looptijd van 9 jaar. Ook op dit punt leiden de rentegegevens over Amerikaanse staatsobligaties niet tot een wezenlijk andere conclusie.↩︎
Artikel 9 SW 1956.↩︎
Arrest BNB 1989/260.↩︎
Het waarderingsmoment is het moment van overlijden van de kortst levende partner. Bij zijn of haar overlijden ontstaat de onderbedelingsvordering.↩︎
Zie de website van het AG voor een uitgebreide toelichting op de totstandkoming van de prognosetafels.↩︎
Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. Zo is voor levensverzekeringen en pensioenrechten een onderscheid tussen mannen en vrouwen niet meer toegestaan.↩︎