[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Ontwikkelingen vogelgriep en dierziekten

Brief regering

Nummer: 2026D00936, datum: 2026-01-13, bijgewerkt: 2026-01-13 17:58, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z00373:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Op 14 januari a.s. heeft uw Kamer een Commissiedebat over Zoönosen en dierziekten gepland. In aanloop naar het debat is er een aantal actuele ontwikkelingen rond vogelgriep waar wij u van op de hoogte willen brengen. Daarnaast heeft uw Kamer op 18 december een aantal moties aangenomen die tijdens het debat door ons zijn ontraden. In deze brief wordt u geïnformeerd over de uitvoering van deze moties. Daarnaast informeren wij uw Kamer over enkele andere onderwerpen rond vogelgriep en diergezondheid.

Huidige vogelgriepsituatie
Eind december zijn er vijf uitbraken geweest met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) in de omgeving van Ysselsteyn (gemeente Venray, provincie Limburg). Het betrof bedrijven met verschillende bedrijfstypen: kalkoenen, leghennen en vleeskuikens. De NVWA maakt bij het bezoek aan ieder besmet bedrijf een inventarisatie van mogelijke risicovolle contacten met andere bedrijven en materialen. Uit deze inventarisatie blijkt tot nu toe dat hier bij deze bedrijven geen sprake van is geweest. Daarnaast wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd met behulp van de sequentieanalyse van het virus. Hiermee wordt onderzocht in hoeverre de virussen van de verschillende besmette bedrijven genetisch gezien op elkaar lijken. Dit geeft aanvullende informatie of eventueel toch risicovolle contacten hebben plaatsgevonden. Er is momenteel sprake van een hoge infectiedruk onder wilde vogels. Verspreiding via wilde vogels en de aanwezigheid van het virus in het milieu als gevolg daarvan, is een mogelijke verklaring waarom meerdere bedrijven in hetzelfde gebied in korte tijd besmet zijn geraakt. Naast de gebruikelijke maatregelen heeft de minister van LVVN besloten om in dit gebied aanvullende monitoring toe te passen. Bedrijven in de 1- en 3-kilometerzone rondom de uitbraken zijn gedurende 10 dagen gemonitord via kadaverbemonstering en gedurende 14 dagen intensief gevolgd via telefonische monitoring. Hiervoor is gekozen omdat deze bedrijven aan de rand van het pluimveedichte gebied De Peel liggen.

In de wilde vogelpopulatie in Nederland wordt verspreid over het land nog steeds verhoogde sterfte waargenomen. Recent is bij een zeehond uit het Zeehondencentrum Pieterburen in Lauwersoog HPAI aangetoond. Het dier vertoonde zenuwverschijnselen. Dit is een verschijnsel passend bij vogelgriep. Ook is begin januari HPAI vastgesteld bij een kat. De kat had verkoudheidsklachten en ontstoken ogen en is enkele dagen daarna overleden. De andere kat van de eigenaar had dezelfde verschijnselen maar testte negatief op vogelgriep en is inmiddels hersteld. De GGD heeft contact gehad met de eigenaar. Eerder is vogelgriep vastgesteld bij kittens waarover de minister van LVVN uw Kamer op 1 december jl. heeft geïnformeerd (TK 28807, nr. 311). In die brief heeft de minister van LVVN katteneigenaren opgeroepen alert te zijn en naar een dierenarts te gaan als hun dier ziekteverschijnselen vertoont die passen bij vogelgriep en als deze verschijnselen zijn opgetreden nadat het dier mogelijk in contact is geweest met een besmette vogel. Zoals aangegeven in de brief van afgelopen 16 december (TK 28807, nr. 312) wordt onderzoek naar vogelgriep bij katten en honden vergoed door LVVN, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden.1 Het aantonen van vogelgriep bij een kat past binnen het bestaande beeld dat het virus bij zoogdieren kan voorkomen, zeker door de hoge mate van aanwezigheid van het vogelgriepvirus onder wilde vogels, maar de kans hierop klein is.

De minister van LVVN houdt de Kamer regelmatig op de hoogte van de HPAI-situatie.

Doorzettingsmacht ministerie van VWS

De Kamer heeft naar aanleiding van het debat over vogelgriep van 18 december 2025 een motie van lid Kostić (TK 28807, nr. 313) c.s. aangenomen, die de regering verzoekt het ministerie van VWS alsnog doorzettingsmacht te geven bij de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid. De ministers van VWS en LVVN onderschrijven het standpunt van de Kamer dat, als het aankomt op het afwegen van belangen, de volksgezondheid altijd voorop dient te staan. Dat is ook staande praktijk. Hierover zijn afspraken gemaakt in de zoönosenstructuur die goed werken, wat ook blijkt uit evaluaties (TK 25295, nr. 1711). Hiermee handelen we reeds in de geest van de motie. Het daadwerkelijk toekennen van doorzettingsmacht is niet mogelijk, omdat dit een aanpassing van ons grondwettelijk stelsel zou vergen met vergaande complicaties voor de manier waarop ons land wordt bestuurd. Dit is eerder ook in reacties op het rapport van de Algemene Rekenkamer aangegeven.2 Als er een dreiging voor de volksgezondheid uitgaat van dierhouderijen wordt gewerkt conform de zoönosenstructuur. Het ministerie van VWS is leidend in de beleids- en besluitvorming. Dat gaat in samenwerking met het ministerie van LVVN, het RIVM, de NVWA, lokale bestuurders en GGD’en. De beide ministers besluiten in goed onderling overleg en behouden daarbij hun eigen beleidsverantwoordelijkheid, waarbij in alle gevallen de volksgezondheid voorop staat.

VWS heeft dus het voortouw bij de besluitvorming in de zoönosenstructuur, maar de betreffende motie kan de regering desondanks niet uitvoeren. Dit zou een aanpassing van het Nederlandse grondwettelijk stelsel vergen, met vergaande complicaties voor de manier waarop ons land wordt bestuurd. In Nederland is sprake van een grondwettelijk stelsel waarin zelfs de minister-president primus inter pares is en derhalve geen formele doorzettingsmacht bezit tegenover de collega-ministers. Er wordt in het algemeen gewerkt met afspraken om op afzonderlijke terreinen de verhouding tussen ministers te bepalen. De taakverdeling tussen VWS en LVVN is ook een voorbeeld van een dergelijke afspraak. De Wet Dieren geeft de minister van LVVN de bevoegdheid om voor de preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten ter bescherming van de dier- en volksgezondheid maatregelen te treffen. Indien het gaat om veterinaire maatregelen die invloed hebben op de volksgezondheid, doet de minister van LVVN dat in overeenstemming met de minister van VWS. De Wet publieke gezondheid voorziet in bevoegdheden om maatregelen te treffen ten aanzien van mensen, gebouwen, goederen en vervoermiddelen, en niet ten aanzien van dieren. Dat is ook niet nodig, omdat de Wet dieren daarin al voorziet. Alle besluiten die het kabinet neemt zijn dus de verantwoordelijkheid van het gehele kabinet. Bij de minister van VWS en de minister van LVVN staat de volksgezondheid uiteindelijk altijd voorop.

Landelijke voorlichtingscampagne vogelgriep

Ook heeft de Kamer de regering bij motie van lid Beckerman (TK 28807, nr. 320) verzocht om een landelijke voorlichtingscampagne over vogelgriep te starten, zodat breed bekend wordt hoe om te gaan met wilde besmette dieren. Het informeren van het publiek over de risico’s van zieke wilde vogels bij een uitbraak van vogelgriep is een relevante maatregel. Om die reden is laagdrempelig op verschillende websites informatie te vinden over hoe om te gaan met de door burgers gevonden zieke wilde vogels. Denk daarbij aan Rijksoverheid.nl of www.dwhc.nl en op de diverse websites van de dierenopvang. Daarnaast kan men bellen met het Landelijke Telefoonnummer Vogelgriep 088-0425020. De regering acht de bestaande publiekscommunicatie momenteel toereikend.

In het kader van het Intensiveringsplan preventie vogelgriep zijn door experts diverse scenario’s van een vogelgriepuitbraak uitgewerkt en welke maatregelen per scenario noodzakelijk zijn. Hierbij is ook nagedacht over passende publieks- en/of risicogroepencommunicatie. Gelet op het feit dat het risico voor de algemene bevolking door de Risk Assessment-groep vogelgriep van het RIVM nog steeds als zeer laag wordt ingeschat, voldoet de huidige publiekscommunicatie en is een aanvullende publiekscampagne wat de minister van VWS en de minister van LVVN betreft nu nog niet aan de orde. Indien de risico’s voor de volksgezondheid significant wijzigen, kan daar alsnog toe worden overgegaan.

Vogelgriep onderzoek vossen in Friesland
Recent heeft de minister van LVVN de resultaten ontvangen van het onderzoek naar hoogpathogene vogelgriep (HPAI) bij vossen in Friesland. Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) en het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) hebben in opdracht van LVVN 50 vossen uit Friesland onderzocht op HPAI. Deze vossen waren in het kader van beheer- en schadebestrijding geschoten. Er is voor gekozen om deze vossen te testen omdat Friesland een gebied is waarin de afgelopen jaren veel sterfte was onder wilde vogels door vogelgriep en de verwachting was dat dit ook tot besmettingen bij vossen zou kunnen leiden. In 22 van de 47 onderzochte vossen zijn afweerstoffen tegen vogelgriep gevonden, waarvan het bij vijf van de 22 vossen om de H5-variant ging en vermoedelijk de hoogpathogene variant. Bij twee van de 50 vossen is vogelgriepvirus aangetoond. Het aantonen van afweerstoffen wijst erop dat de vossen ooit in hun leven met het vogelgriepvirus in aanraking zijn geweest. Het virus werd aangetoond in de neus- en keelswabs. Uit het onderzoek blijkt dat waarschijnlijk één van de twee vossen een actieve infectie doormaakte. Van de tweede vos is dit onduidelijk en kan het ook zijn dat er contaminatie heeft plaatsgevonden. Dit kan bijvoorbeeld door het eten van besmette kadavers. In geen van de 50 onderzochte swabs van de hersenen werd virus aangetoond. Volgens de onderzoekers suggereert dit dat infecties met het vogelgriepvirus bij vossen niet altijd gepaard gaan met beschadigingen aan de hersenen en waarschijnlijk geen zenuwverschijnselen laten zien. Het volledige verslag is als bijlage meegestuurd met deze brief.

Het is bekend dat vossen, net als andere zoogdieren, vogelgriep kunnen krijgen. Waarschijnlijk zijn de vossen besmet geraakt door het eten van met vogelgriep besmette dode wilde vogels. De kans dat zoogdieren vogelgriep krijgen is klein. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding om de huidige surveillance van vogelgriep bij wilde zoogdieren uit te breiden. Het DWHC blijft dode vossen, net als andere dood gevonden wilde zoogdieren en wilde vogels, testen op HPAI. Daarnaast krijgt de NVWA meldingen van dode wilde zoogdieren met neurologische verschijnselen binnen via het Landelijk meldpunt dierziekten. Ook deze dieren worden, naast testen op Rabiës, ook getest op vogelgriep. Ten slotte geldt er ook een meldplicht voor positieve laboratoriumuitslagen van HPAI bij zoogdieren, waaronder vossen. Hierdoor hebben de ministeries van VWS en LVVN een goed beeld van de aanwezigheid van vogelgriep bij zoogdieren en waar in Nederland deze besmettingen plaatsvinden.

Evaluatie basismonitoring

Middels deze brief biedt de minister van LVVN de Kamer het evaluatierapport aan inzake de basismonitoring diergezondheid (hierna: de basismonitoring) over de periode 2021-2025. Het betreft een ex durante evaluatie, aangezien de basismonitoring doorloopt gedurende en na de evaluatieperiode. Dit evaluatieonderzoek is uitgevoerd door het onderzoeksbureau Technopolis, in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), conform de planning op de strategische evaluatieagenda (SEA). De evaluatie is tweeledig van aard: enerzijds wordt de doeltreffendheid en doelmatigheid van de basismonitoring beoordeeld, anderzijds wordt de uitvoering van de basismonitoring door Royal GD als aangewezen rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) geëvalueerd.

De basismonitoring is actief sinds 2002 en ingesteld naar aanleiding van de motie Waalkens-Ter Veer uit 2000. De basismonitoring is een permanent systeem om de gezondheid van landbouwhuisdieren in Nederland te volgen en vroegtijdig afwijking te signaleren. Veehouders en dierenartsen kunnen contact opnemen met de zogenaamde Veekijker3 als zij opvallende of onbekende verschijnselen waarnemen. Ook kunnen zij gestorven dieren insturen voor pathologisch onderzoek. Daarnaast wordt gestructureerd data-analyse gedaan om signalen van mogelijke gezondheidsproblemen in een vroeg stadium op te pikken. Een team van gespecialiseerde dierenartsen van Royal GD beoordeelt en analyseert de signalen. De resultaten hiervan worden gedeeld met veehouders, dierenartsen en betrokken partijen zoals de overheid, veehouderijsector, humane gezondheidszorg en omringende landen zodat zij indien nodig actie kunnen ondernemen. Het instrument wordt gefinancierd uit het diergezondheidsfonds (DGF) voor 50% uit bijdrage van LVVN en 50% uit heffingen bij houders van runderen, geiten, schapen, varkens en pluimvee. De feitelijke uitvoering van deze werkzaamheden ligt al sinds de start in 2002 bij Royal GD. In 2021 is Royal GD aangewezen als RWT voor de uitvoering van de basismonitoring als wettelijke taak ter uitvoering van artikel 26 van de EU-diergezondheidsverordening (Vo(EU)2016/429).

De conclusie van het evaluatieonderzoek is dat de basismonitoring doeltreffend en overwegend doelmatig is. Het instrument voorziet in een laagdrempelige mogelijkheid om signalen van diergezondheidsproblemen te delen, waarna deze worden geanalyseerd en besproken met LVVN, de NVWA, de sector en waar relevant in het signaleringsoverleg zoönosen. De conclusie ten aanzien van de uitvoering van de wettelijke taak is positief. Royal GD wordt als inhoudelijk sterk en voldoende onafhankelijk beoordeeld. Werkwijzen en processen zijn stevig geborgd en worden aangepast waar nodig. Het rapport doet ook aanbevelingen voor behoud en verdere versterking van de basismonitoring richting de toekomst en benoemt daarbij een aantal ontwikkelingen op gebied van omvang veehouderij, beschikbaarheid en gebruik van databronnen en communicatie bij niet-meldingsplichtige dierziekten.

De minister van LVVN onderschrijft de bevindingen en aanbevelingen van het rapport. De evaluatie laat zien dat de basismonitoring doet wat overheid en sectoren ervan verwachten. Dit is belangrijk voor het behoud van de hoge diergezondheidsstatus in Nederland en het vertrouwen van onze handelspartners. De minister van LVVN gaat samen met alle betrokkenen met de aanbevelingen aan de slag om de basismonitoring verder te versterken en daarmee toekomstbestendig te maken.

Hoogachtend,

Femke Marije Wiersma Jan Anthonie Bruijn

Minister van Landbouw, Visserij, Minister van Volksgezondheid, Voedselzekerheid en Natuur Welzijn en Sport


  1. Te vinden via: Wat kan ik als particulier doen tegen vogelgriep? | Vogelgriep | NVWA↩︎

  2. Te vinden via: https://www.rekenkamer.nl/documenten/2022/05/18/resultaten-verantwoordingsonderzoek-2021-ministerie-van-landbouw-natuur-en-voedselkwaliteit-en-diergezondheidsfonds↩︎

  3. Te vinden via: https://www.gddiergezondheid.nl/nl/Diergezondheid/Monitoring/Veekijker↩︎