Antwoord op vragen van het lid Stultiens over het artikel 'Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken'
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D01130, datum: 2026-01-14, bijgewerkt: 2026-01-14 15:24, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën ()
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota Antwoord op vragen van het lid Stultiens over het artikel 'Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken'
Onderdeel van zaak 2025Z18294:
- Gericht aan: E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
- Indiener: L.C.J. Stultiens, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 878
2025Z18294
Antwoord van staatssecretaris Heijnen (Financiën) (ontvangen 14 januari 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 494.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel 'Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken'1 en het artikel 'Al is de leugen nog zo snel...'2?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Antwoord 2
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Vraag 3
Klopt het dat de mogelijkheden tot 'belastingoptimalisatie' al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Antwoord 3
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Vraag 4
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Antwoord 4
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
Verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een
belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een
verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in
één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar
kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere
jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen
of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk.
Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse
vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over
de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader
toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend 'genotsrecht',9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is “elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen”.13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Vooruitbetaling van huur
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te
betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in
een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken
van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar
zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement
in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn
om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan
onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging
van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box
3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van
onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien
is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen
mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in
principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële
middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van
belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In
dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van
toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box
3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Vraag 5
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Antwoord 5
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom).32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Vraag 5a
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Vraag 6
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Antwoord 5a en 6
Er is voor het overbruggingsstelsel geen reparatiewetgeving nodig. Zie voor een toelichting het antwoord op vraag 4.
Vraag 7
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Antwoord 7
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Vraag 8
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Antwoord 8
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Financieel Dagblad, 21 september 2025.↩︎
Weekblad voor fiscaal recht, 17 september 2025.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 6.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 3, p. 25.↩︎
Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3856.↩︎
Parket bij de Hoge Raad 18 september 2008, ECLI:NL:PHR:2009:BF3856.↩︎
Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3856, r.o. 3.5.2.↩︎
Parket bij de Hoge Raad 18 september 2008, ECLI:NL:PHR:2009:BF3856, vanaf overweging 4.23.↩︎
Artikel 5.22, derde lid, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.19, tweede lid, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001.↩︎
Parket bij de Hoge Raad 18 september 2008, ECLI:NL:PHR:2009:BF3856, overweging 4.26.↩︎
Artikel 5.22, derde lid, Wet IB 2001.↩︎
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p 248.↩︎
De bezittingen in box 3 zijn opgesomd in artikel 5.3, tweede lid, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.22, tweede lid, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.30, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.28, eerste lid, Wet IB 2001.↩︎
De betaling van de overdrachtsprijs wordt op grond van artikel 5.29, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 als storting in aanmerking genomen. Op grond van artikel 5.28, eerste lid, Wet IB 2001 worden stortingen in mindering gebracht bij het bepalen van de vermogensaanwas.↩︎
Artikel 5.26, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001.↩︎
Op dit punt is er een belangrijk verschil tussen de Wet IB 2001 en de Wet IB 1964. De opsomming van bezittingen die een bron van inkomen zijn, is in artikel 5.3 van de Wet IB 2001 namelijk veel uitgebreider dan in artikel 24, eerste lid, van de Wet IB 1964. Hierdoor is er in de Wet IB 2001 eerder sprake van dat een bron niet in stand blijft, waardoor er minder snel een regulier voordeel ontstaat dan op grond van de Wet IB 1964 het geval was. De wetgever van de Wet IB 1964 had de opsomming van bronnen expres kort gehouden, zodat zo veel mogelijk sprake zou zijn van een voordeel getrokken uit een bron (de waardeontwikkeling van vermogen werd namelijk niet belast). Zie Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 3, p. 41. Daarnaast bevat het box 3-stelsel geen regeling die vergelijkbaar is met artikel 31 van de Wet IB 1964.↩︎
Denk bijvoorbeeld aan box 2, waar de vestiging van een genotsrecht tot een vervreemdingsvoordeel leidt dat wordt bepaald op grond van artikel 4.19, eerste lid, tweede zin, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.22, eerste lid, Wet IB 2001 in samenhang met de artikelen 18 en 19, zesde lid, UBIB 2001.↩︎
Artikel 5.29, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.28 Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.30, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.28 Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.27, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001.↩︎
Artikel 5.22, eerste lid, Wet IB 2001 in samenhang met de artikelen 18 en 19, zesde lid, UBIB 2001.↩︎
Artikel 5.19, vierde lid, Wet IB 2001.↩︎
De waarde daalt op grond van artikel 5.22, tweede lid, Wet IB 2001. Deze daling is het gevolg van de waardestijging van het voorafgaand aan de vooruitbetaling van de huur al bestaande genotsrecht van de huurder. Er is hier dus (in tegenstelling tot bij een cessie) geen sprake van de verkoop van een bezitting en de waardedaling wordt niet gecorrigeerd via een onttrekking.↩︎
https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg21320259-verkoop-royaltystroom/↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3, p. 8.↩︎