Verslag van een schriftelijk overleg over de uitgangspunten voor de subsidieregeling voor grote restauraties (Kamerstuk 32820-556)
Nieuwe visie cultuurbeleid
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D01222, datum: 2026-01-14, bijgewerkt: 2026-01-15 09:41, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 32820 -562 Nieuwe visie cultuurbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z00509:
- Indiener: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-01-22 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 14 januari 2026 |
|---|---|
| Betreft | Reactie op verslag van een schriftelijk overleg over de brief van 3 oktober 2025 inzake de uitgangspunten subsidieregeling voor grote restauraties |
Erfgoed en Kunsten Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 58852864 |
Uw brief 10 december 2025 |
| Uw referentie |
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar aanleiding van mijn brief van 3 oktober 2025 inzake de uitgangspunten voor de subsidieregeling voor grote restauraties.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gouke Moes
Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling voor grote restauraties. Deze leden hebben op het moment geen vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling voor grote restauraties en de uitvoering van de motie van de leden Mohandis en Beckerman1 en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publiek geld doelmatig wordt besteed en delen met de minister dat de genoemde middelen eerlijk en transparant worden besteed. Deze leden lezen dat er in het geval van overvraag een selectie zal moeten plaatsvinden. Zij zijn benieuwd naar de kaders voor selectie. Kan de minister daarover al een richting schetsen? Kan de minister nader toelichten hoe cofinanciering vanuit decentrale overheden hierin een plaats heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af hoe de eigen financiële draagkracht van een aanvrager wordt meegewogen in het toekennen van een subsidie.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de onderhavige brief. De minister trekt een eenmalig bedrag van € 45 miljoen uit voor de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Nu verscheen in 2024 in opdracht van de minister het tussenrapport Onderzoek restauratieopgave niet-woonhuis-rijksmonumenten2, waarin werd gesteld dat de komende tien jaar € 770 miljoen extra nodig is voor restauraties van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Hoe verklaart de minister de kloof tussen het benodigde bedrag en het bedrag dat hij ervoor uittrekt? Betreft het ook maar iets meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Vindt de minister dat hij hiermee nog voldoende recht doet aan de geest van de motie van de leden Wuite en Van der Graaf3? Waar blijft de strijd van dit kabinet voor behoud van rijksmonumenten die in de problemen komen? Erkent de minister dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is van lagere overheden, maar ook de Rijksoverheid in positie moet komen bij rijksmonumenten die moeten worden gerenoveerd? Wat is de ambitie van deze minister bij het behoud van cultureel erfgoed?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ons cultureel erfgoed
behouden voor toekomstige generaties en investeren in restauratie,
verduurzaming en behoud van monumenten en historische gebouwen. Museum
Prinsenhof in Delft vormt hiervan bij uitstek een treffend voorbeeld.
Het betreft immers een Top 100-rijksmonument dat dringend aan
restauratie toe is, dat zeven vensters toont vanuit de Canon van
Nederland over vijf tijdvakken, waaronder het verhaal van Willem van
Oranje en het ontstaan van Nederland zoals we het vandaag de dag kennen.
De Kamer heeft met het aannemen van de motie van de leden Mohandis en
Beckerman4 de minister gevraagd om zich tot het
uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe subsidieregeling nog
dit jaar in te zetten om de restauratie van dit nationale cultureel
erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen, maar de minister
parafraseert nu de uitleg waarom hij de motie destijds had ontraden: hij
verwees al naar andere rijksmonumenten, naast Museum Prinsenhof, die een
grote restauratieopgave hebben en stelde dat een subsidieregeling met
heldere voorwaarden en criteria nodig was om deze opgaven op een
eerlijke en transparante manier te bedienen5.
Met deze woorden heeft de minister de Kamer echter niet weten te
overtuigen. Waarom weigert de minister een zo breed door de Kamer
gesteunde motie nu uit te voeren? Hoe serieus neemt deze demissionaire
minister van een kabinet met een uiterst smalle basis de Kamer nog, nu
hij blijft volharden in een herhaling van zetten?
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat er al vanaf
begin 2022 intensief contact is tussen Museum Prinsenhof Delft en het
ministerie van OCW voor een eventuele bijdrage aan de restauratie en
renovatie van het Prinsenhof. Ook hebben tal van andere partijen – van
de gemeente Delft, de Provincie Zuid-Holland, de VriendenLoterij, tot
vele andere fondsen, particulieren en bedrijven – een bijdrage
toegezegd. Het ministerie ontweek echter een definitieve beslissing,
terwijl achtereenvolgende staatssecretarissen en ministers niettemin wel
het urgente probleem voor restauraties van grote monumenten erkenden,
waarvan het Prinsenhof als hét voorbeeld steeds werd aangehaald.
Minister Bruins stelde uiteindelijk in de zomer 2025 – in reactie op het
rapport Hylkema-Fenicks6 – een regeling in het vooruitzicht
waarbij hij – in eigen woorden – het Prinsenhof ‘in gedachten’ had. Het
ministerie van OCW liet op 26 november 2025 de wethouder Cultuur van de
gemeente Delft weten dat het Prinsenhof toch geen geld krijgt. Hoe zou
de minister, kijkend naar de lange voorgeschiedenis in deze tijdslijn,
het optreden van zijn departement bij nader inzien kenschetsen?
De minister beroept zich op rechterlijke uitspraken dat bij de verdeling van subsidies gelijke kansen moeten worden geboden om aanspraak te maken op subsidie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze uitspraken dan ook soms uitsluiten dat men ongelijke gevallen ongelijk zou mogen behandelen. Klopt het beeld dat de minister nu geen precedent wil scheppen? Is hij zich dan ervan bewust dat er in het recente verleden al meer van dergelijke zogenoemde precedenten zijn geschapen, zoals onlangs bij de restauratie van het aquarium van Artis? Klopt het dat Delft is aangemerkt als stad die valt onder de regeling Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en daarbij extra ondersteuning mag verwachten?
De minister ontkent dat er een objectieve rechtvaardiging zou bestaan om Museum Prinsenhof vooruitlopend op de subsidieregeling via een eenmalige bijdrage te steunen. De leden Mohandis en Beckerman hebben bij het indienen van hun motie deze objectieve rechtvaardiging juist geformuleerd in de overwegingen bij de motie. De restauratie is al begonnen. Iedereen doet mee, behalve het Rijk. Hoe verklaart de minister dat hij niet de creativiteit heeft opgebracht om, in de overwegingen bij de motie, een rechtvaardiging te vinden om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer? Is de minister dan niet doordrongen van de urgentie van de restauratie van het Prinsenhof? Is hij zich niet bewust van de historische waarde van het Prinsenhof en het feit dat Museum Prinsenhof Delft zeven vensters over vijf tijdvakken van de Canon laat zien? Weet hij niet dat hier al sinds 2022 op verschillende niveaus overleg is gevoerd met zijn departement hierover? Realiseert hij zich niet dat medeoverheden zoals de gemeente Delft en Provincie Zuid-Holland al volop participeren maar de Rijksoverheid als enige achterblijft? Realiseert hij zich niet dat zijn ambtsvoorganger verwachtingen heeft gewekt toen hij in de Kamer zei het Prinsenhof in gedachte te hebben? Beseft hij niet dat de genoemde regeling voor grote restauraties pas in 2026 in werking kan treden, zodat het Prinsenhof zelf achter het net vist? Welk excuus wil hij aanvoeren om deze relevante feiten nog langer te negeren?
Museum Prinsenhof Delft is al sinds januari 2025 gesloten en topstukken uit de collectie zijn nu tijdelijk verspreid over musea door het hele land, waarmee het historische beeld verder vergruist, maar inmiddels valt de restauratie stil bij gebrek aan middelen. Miskent de minister de urgentie? Hoe weegt de minister de sluiting en verspreiding van de topstukken in het licht van de waarde van juist dit museum voor ons nationale culturele geheugen? Moet Nederland er maar genoegen mee nemen om de kogelgaten van de moord op Willem van Oranje dicht te stuken?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling voor grote restauraties. Deze leden zien momenteel geen reden om aanvullende of verduidelijkende vragen te stellen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van BBB-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling voor grote restauraties. Deze leden hebben de volgende vragen aan de minister.
De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat groene monumenten een plek hebben gekregen in de regeling. Deze leden betreuren dat regionale ontmoetingsmonumenten, zoals kerken en andere gebouwen met een belangrijke sociale functie, niet zijn meegenomen. Juist deze gebouwen zijn van grote betekenis voor het sociale en culturele leven in dorpen en kleinere steden en dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van krimpregio’s en het platteland. Hoe zorgt de minister ervoor dat deze regionale ontmoetingsmonumenten niet buiten de boot vallen bij de verdeling van middelen? Ziet de minister mogelijkheden om, naast groene monumenten, ook ontmoetingsmonumenten met een regionale functie een plek te geven binnen de regeling? En zo niet, waarom niet? Kan de minister alsnog toezeggen dat bij de verdere uitwerking van de regeling expliciet wordt gekeken naar de impact op regionale identiteit en gemeenschapsvorming?
II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ik dank de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor hun inbreng en de gestelde vragen. Hieronder ga ik in op de vragen in de volgorde van het verslag.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publiek geld doelmatig wordt besteed en delen met de minister dat de genoemde middelen eerlijk en transparant worden besteed. Deze leden lezen dat er in het geval van overvraag een selectie zal moeten plaatsvinden. Zij zijn benieuwd naar de kaders voor selectie. Kan de minister daarover al een richting schetsen? Kan de minister nader toelichten hoe cofinanciering vanuit decentrale overheden hierin een plaats heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af hoe de eigen financiële draagkracht van een aanvrager wordt meegewogen in het toekennen van een subsidie.
In de Kamerbrief over de uitgangspunten voor de subsidieregeling grote restauraties heb ik aangegeven uit te zoeken hoe de regeling zo kan worden vormgegeven dat eigen bijdragen en cofinanciering vanuit decentrale overheden doorslaggevend kunnen zijn bij selectie in het geval van overvraag. Hieraan zal invulling worden gegeven door in het geval van overvraag te selecteren op basis van aangevraagd subsidiepercentage, en daarmee op de draagkracht van een aanvrager. Eigenaren krijgen de vraag voor welk subsidiepercentage zij willen aanvragen. Eigenaren die kiezen voor een lager subsidiepercentage krijgen voorrang. Voor eigenaren die vennootschapsbelasting betalen bedraagt het subsidiepercentage maximaal 30 procent. Voor alle overige eigenaren en professionele organisaties voor monumentenbehoud bedraagt het subsidiepercentage maximaal 50 procent. Met deze selectiemethode ontstaat er een prikkel voor eigenaren om zich in te spannen om zelf ook maximaal bij te dragen en cofinanciering, bijvoorbeeld vanuit decentrale overheden, bijeen te brengen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de onderhavige brief. De minister trekt een eenmalig bedrag van € 45 miljoen uit voor de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Nu verscheen in 2024 in opdracht van de minister het tussenrapport Onderzoek restauratieopgave niet-woonhuis-rijksmonumenten7, waarin werd gesteld dat de komende tien jaar € 770 miljoen extra nodig is voor restauraties van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Hoe verklaart de minister de kloof tussen het benodigde bedrag en het bedrag dat hij ervoor uittrekt? Betreft het ook maar iets meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Vindt de minister dat hij hiermee nog voldoende recht doet aan de geest van de motie van de leden Wuite en Van der Graaf8? Waar blijft de strijd van dit kabinet voor behoud van rijksmonumenten die in de problemen komen? Erkent de minister dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is van lagere overheden, maar ook de Rijksoverheid in positie moet komen bij rijksmonumenten die moeten worden gerenoveerd? Wat is de ambitie van deze minister bij het behoud van cultureel erfgoed?
De gezamenlijke ambitie van Rijk en provincies is om het aantal niet-woonhuisrijksmonumenten in matige of slechte staat terug te brengen tot ongeveer 10%.9 Dat kost – afhankelijk van of dat doel in 2033 of in 2040 moet worden bereikt – in totaal € 770 of € 367 miljoen, bovenop de bestaande middelen voor restauratie.10 Bij aanvang van de regeringsperiode heeft het kabinet de budgettaire kaders vastgesteld. Er zijn geen extra middelen beschikbaar gesteld voor grote restauraties, waardoor dekking moest worden gevonden via een zo optimaal mogelijke inzet van de beschikbare middelen voor monumentenzorg op de OCW-begroting. Met het huidig beschikbare bedrag van € 45 miljoen voor de subsidieregeling grote restauraties kunnen twee aanvraagrondes mogelijk worden gemaakt. Van eigenaren mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij zelf ook maximaal bijdragen in de restauratiekosten. Met een subsidiepercentage van maximaal 50 procent gaat het om minimaal € 90 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten. Met de motie van de leden Wuite en Van der Graaf is de regering verzocht om de restauratieopgave voor groot iconisch erfgoed voor de Voorjaarsnota 2024 aan de Kamer te verzenden. Aan dit verzoek is invulling gegeven met de Kamerbrief van 4 april 2024.11
De subsidieregeling grote restauraties is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen die het Rijk neemt gericht op de instandhouding van rijksmonumenten, zoals gepresenteerd in de Kamerbrief van 2 juni 2025.12 Andere maatregelen zijn onder andere een structurele ophoging van de middelen voor regulier onderhoud in de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) en het versterken van de fondsen voor laagrentende leningen bij het Nationaal Restauratiefonds.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ons cultureel
erfgoed behouden voor toekomstige generaties en investeren in
restauratie, verduurzaming en behoud van monumenten en historische
gebouwen. Museum Prinsenhof in Delft vormt hiervan bij uitstek een
treffend voorbeeld. Het betreft immers een Top 100-rijksmonument dat
dringend aan restauratie toe is, dat zeven vensters toont vanuit de
Canon van Nederland over vijf tijdvakken, waaronder het verhaal van
Willem van Oranje en het ontstaan van Nederland zoals we het vandaag de
dag kennen. De Kamer heeft met het aannemen van de motie van de leden
Mohandis en Beckerman13 de minister
gevraagd om zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de
nieuwe subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie van
dit nationale cultureel erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen,
maar de minister parafraseert nu de uitleg waarom hij de motie destijds
had ontraden: hij verwees al naar andere rijksmonumenten, naast Museum
Prinsenhof, die een grote restauratieopgave hebben en stelde dat een
subsidieregeling met heldere voorwaarden en criteria nodig was om deze
opgaven op een eerlijke en transparante manier te bedienen14. Met deze woorden heeft de
minister de Kamer echter niet weten te overtuigen. Waarom weigert de
minister een zo breed door de Kamer gesteunde motie nu uit te voeren?
Hoe serieus neemt deze demissionaire minister van een kabinet met een
uiterst smalle basis de Kamer nog, nu hij blijft volharden in een
herhaling van zetten?
De met brede steun aangenomen motie van de leden Mohandis en Beckerman ‘verzoekt de regering zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie van dit nationale cultureel erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen’. Ik heb aan deze motie uitvoering gegeven door nogmaals, en zo grondig mogelijk, juridisch te laten onderzoeken wat de mogelijkheden hiertoe zijn. Daarbij ben ik opnieuw tot de conclusie gekomen dat subsidieverlening aan Museum Prinsenhof vooruitlopend op de publicatie van de subsidieregeling grote restauraties strijdig is met het gelijkheidsbeginsel op basis waarvan iedere eigenaar op basis van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat er al vanaf begin 2022 intensief contact is tussen Museum Prinsenhof Delft en het ministerie van OCW voor een eventuele bijdrage aan de restauratie en renovatie van het Prinsenhof. Ook hebben tal van andere partijen – van de gemeente Delft, de Provincie Zuid-Holland, de VriendenLoterij, tot vele andere fondsen, particulieren en bedrijven – een bijdrage toegezegd. Het ministerie ontweek echter een definitieve beslissing, terwijl achtereenvolgende staatssecretarissen en ministers niettemin wel het urgente probleem voor restauraties van grote monumenten erkenden, waarvan het Prinsenhof als hét voorbeeld steeds werd aangehaald. Minister Bruins stelde uiteindelijk in de zomer 2025 – in reactie op het rapport Hylkema-Fenicks15 – een regeling in het vooruitzicht waarbij hij – in eigen woorden – het Prinsenhof ‘in gedachten’ had. Het ministerie van OCW liet op 26 november 2025 de wethouder Cultuur van de gemeente Delft weten dat het Prinsenhof toch geen geld krijgt. Hoe zou de minister, kijkend naar de lange voorgeschiedenis in deze tijdslijn, het optreden van zijn departement bij nader inzien kenschetsen?
In de jaren 2023 en 2024 is er een verkenning uitgevoerd naar het financieringsstelsel voor de monumentenzorg. In juni 2024 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten hiervan.16 Verder heeft de Kamer na het erfgoeddebat van 17 oktober 2024 twee moties aangenomen over de financiering van de monumentenzorg.17 Op basis van de uitkomsten van de verkenning en de moties van uw Kamer is een maatregelenpakket ontwikkeld gericht op de financieringsproblematiek bij grote rijksmonumenten. Hierover is de Kamer op 2 juni 2025 geïnformeerd. De subsidieregeling grote restauraties vormt een belangrijk onderdeel van dit maatregelenpakket. In de brief van 3 oktober 2025 is de Kamer vervolgens geïnformeerd over de uitgangspunten van de subsidieregeling grote restauraties. Met deze stappen is sprake geweest van een zorgvuldig en transparant proces.
Een belangrijk uitgangspunt voor de regeling is dat iedere eigenaar op basis van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie. Verder komen alleen de restauratiekosten voor subsidie in aanmerking. Uiteraard heb ik begrip voor de urgentie, maar het is de keuze van de gemeente als eigenaar geweest om vooruitlopend op de openstelling van de regeling en besluitvorming over toekenning al te starten met de verbouwingswerkzaamheden.
De minister beroept zich op rechterlijke uitspraken dat bij de verdeling van subsidies gelijke kansen moeten worden geboden om aanspraak te maken op subsidie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze uitspraken dan ook soms uitsluiten dat men ongelijke gevallen ongelijk zou mogen behandelen. Klopt het beeld dat de minister nu geen precedent wil scheppen? Is hij zich dan ervan bewust dat er in het recente verleden al meer van dergelijke zogenoemde precedenten zijn geschapen, zoals onlangs bij de restauratie van het aquarium van Artis? Klopt het dat Delft is aangemerkt als stad die valt onder de regeling Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en daarbij extra ondersteuning mag verwachten?
Ik hecht aan een zorgvuldig en transparant proces als het gaat om de verdeling van schaarse subsidiemiddelen. Daarnaast moet vanuit het gelijkheidsbeginsel iedere eigenaar op basis van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans worden geboden op subsidie. Naast Prinsenhof zijn er verschillende andere eigenaren van grote monumenten die te maken hebben met een urgente restauratieopgave en/of verbouwingsopgave. Om al deze partijen een eerlijke kans te bieden, wordt er gewerkt aan een open subsidieregeling op basis van heldere voorwaarden, zoals ook bepleit door de sector zelf en de provincies. Ook de bijdrage die in 2023 is toegekend aan de restauratie van het Artis Aquarium was onderdeel van een zorgvuldig traject dat is doorlopen met provincies. Aan provincies is daarbinnen gevraagd om op basis van een aantal criteria voorstellen te doen voor restauratieopgaven die realiseerbaar waren binnen het beschikbare budget. Naast het Artis Aquarium is toen ook aan drie andere urgente restauratieopgaven subsidie toegekend. Over de uitkomsten van dit traject is de Kamer op 26 september 2023 geïnformeerd.18
Delft-West is een van de 20 stedelijk focusgebieden die vallen onder het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Dit programma ondersteunt op verschillende manieren deze 20 gebieden waar multiproblematiek aan de orde is. Museum Prinsenhof ligt niet in het betreffende gebied.
De minister ontkent dat er een objectieve rechtvaardiging zou bestaan om Museum Prinsenhof vooruitlopend op de subsidieregeling via een eenmalige bijdrage te steunen. De leden Mohandis en Beckerman hebben bij het indienen van hun motie deze objectieve rechtvaardiging juist geformuleerd in de overwegingen bij de motie. De restauratie is al begonnen. Iedereen doet mee, behalve het Rijk. Hoe verklaart de minister dat hij niet de creativiteit heeft opgebracht om, in de overwegingen bij de motie, een rechtvaardiging te vinden om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer? Is de minister dan niet doordrongen van de urgentie van de restauratie van het Prinsenhof? Is hij zich niet bewust van de historische waarde van het Prinsenhof en het feit dat Museum Prinsenhof Delft zeven vensters over vijf tijdvakken van de Canon laat zien? Weet hij niet dat hier al sinds 2022 op verschillende niveaus overleg is gevoerd met zijn departement hierover? Realiseert hij zich niet dat medeoverheden zoals de gemeente Delft en Provincie Zuid-Holland al volop participeren maar de Rijksoverheid als enige achterblijft? Realiseert hij zich niet dat zijn ambtsvoorganger verwachtingen heeft gewekt toen hij in de Kamer zei het Prinsenhof in gedachte te hebben? Beseft hij niet dat de genoemde regeling voor grote restauraties pas in 2026 in werking kan treden, zodat het Prinsenhof zelf achter het net vist? Welk excuus wil hij aanvoeren om deze relevante feiten nog langer te negeren?
Naar aanleiding van de aangenomen motie heb ik nogmaals grondig onderzocht wat de mogelijkheden zijn om Prinsenhof via een eenmalige bijdrage te ondersteunen. Daarbij ben ik, zoals gezegd, opnieuw tot de conclusie gekomen dat het steunen van Prinsenhof strijdig is met het gelijkheidsbeginsel op basis waarvan iedere eigenaar op basis van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie. Naast Prinsenhof zijn er verschillende andere eigenaren van grote monumenten die te maken hebben met een urgente restauratieopgave en/of verbouwingsopgave. Bovendien wordt vanuit het Rijk reeds circa € 2 miljoen bijgedragen aan de verbouwing. Via de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) is circa € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld en vanuit de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) heeft Prinsenhof € 1,5 miljoen toegekend gekregen. Mijn ambtsvoorganger heeft Prinsenhof in het Commissiedebat Cultuur van 12 juni 2025 genoemd als voorbeeld van een grote restauratieopgave. Daarnaast is in hetzelfde debat duidelijk benoemd dat de regeling goed moet worden doordacht en dat er sprake moet zijn van een zorgvuldig proces. Het is de keuze van de gemeente als eigenaar geweest om vooruitlopend op de openstelling van de regeling en besluitvorming over toekenning al te starten met de verbouwingswerkzaamheden.
Museum Prinsenhof Delft is al sinds januari 2025 gesloten en topstukken uit de collectie zijn nu tijdelijk verspreid over musea door het hele land, waarmee het historische beeld verder vergruist, maar inmiddels valt de restauratie stil bij gebrek aan middelen. Miskent de minister de urgentie? Hoe weegt de minister de sluiting en verspreiding van de topstukken in het licht van de waarde van juist dit museum voor ons nationale culturele geheugen? Moet Nederland er maar genoegen mee nemen om de kogelgaten van de moord op Willem van Oranje dicht te stuken?
Net als veel andere opgaves is ook de restauratie van Prinsenhof urgent en vertelt Prinsenhof net als veel andere rijksmonumenten een belangrijk verhaal over onze geschiedenis. Daarom werk ik aan een subsidieregeling waarvoor iedere eigenaar die aan de subsidievoorwaarden voldoet de mogelijkheid heeft een aanvraag in te dienen. Met het delen van de conclusie dat een eenmalige bijdrage (bovenop de reeds verleende rijksbijdrage van € 2 miljoen) niet tot de mogelijkheden behoort, heb ik de gemeente duidelijkheid geboden en is de afweging hoe verder te gaan met de verbouwing aan hen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat groene monumenten een plek hebben gekregen in de regeling. Deze leden betreuren dat regionale ontmoetingsmonumenten, zoals kerken en andere gebouwen met een belangrijke sociale functie, niet zijn meegenomen. Juist deze gebouwen zijn van grote betekenis voor het sociale en culturele leven in dorpen en kleinere steden en dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van krimpregio’s en het platteland. Hoe zorgt de minister ervoor dat deze regionale ontmoetingsmonumenten niet buiten de boot vallen bij de verdeling van middelen? Ziet de minister mogelijkheden om, naast groene monumenten, ook ontmoetingsmonumenten met een regionale functie een plek te geven binnen de regeling? En zo niet, waarom niet? Kan de minister alsnog toezeggen dat bij de verdere uitwerking van de regeling expliciet wordt gekeken naar de impact op regionale identiteit en gemeenschapsvorming?
In algemene zin geldt dat veel rijksmonumenten bijzondere gebouwen zijn en medebepalend zijn voor de lokale of regionale identiteit. Alle rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt kunnen in aanmerking komen voor deze regeling, als ze voldoen aan de voorwaarden.19 Dat geldt voor rijksmonumentale kerken, maar ook voor andere rijksmonumentale openbare gebouwen. Wel moet er sprake zijn van een grote restauratie met minimaal € 2,5 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten. In het geval van overvraag zal er selectie plaatsvinden op basis van aangevraagd subsidiepercentage. Eigenaren die kiezen voor een lager subsidiepercentage krijgen voorrang. Een hogere eigen bijdrage inclusief beschikbare cofinanciering wordt dus beloond. Voor eigenaren van gebouwen die sterk verbonden zijn met de regionale identiteit zal het naar verwachting gemakkelijker zijn om cofinanciering bijeen te brengen.
Kamerstuk 32 820, nr. 548.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 127.↩︎
Kamerstuk 31 511, nr. 62.↩︎
Kamerstuk 32 820, nr. 548.↩︎
Handelingen der Tweede Kamer, 9 september 2025, blz. 112-36-8.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 128.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 127.↩︎
Kamerstuk 31 511, nr. 62.↩︎
De ratio achter dit percentage is dat er een ’werkvoorraad’ nodig is voor uitvoerende bedrijven werkzaam in de restauratiebranche. Sinds de publicatie van het Strategisch Plan voor de Monumentenzorg van toenmalig minister D’Ancona in 1994 is 10 procent restauratieachterstand het uitgangspunt van beleid.↩︎
Hylkema Erfgoed en Fenicks (2024) Onderzoek restauratieopgave 2024-2033 en evaluatie restauratiesubsidies niet-woonhuisrijksmonumenten.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 127.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32156, nr. 140.↩︎
Kamerstuk 32 820, nr. 548.↩︎
Handelingen der Tweede Kamer, 9 september 2025, blz. 112-36-8.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 128.↩︎
Kamerbrief 32 156, nr. 128.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32 156, nr. 134 en 139.↩︎
Kamerstuk 32156, nr. 124.↩︎
Hierbij kan het zowel om gebouwde als om groene rijksmonumenten gaan.↩︎