Lijst van vragen en antwoorden over de Stand van Defensie najaar 2025 (Kamerstuk 36800-X-3)
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D03775, datum: 2026-01-27, bijgewerkt: 2026-01-28 09:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie (D66)
- Mede ondertekenaar: N.E. Manten, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36800 X-26 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026.
Onderdeel van zaak 2026Z01574:
- Indiener: R.P. Brekelmans, minister van Defensie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Defensie
- 2026-01-29 12:55: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-12 10:45: Procedurevergadering Defensie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Defensie
Preview document (🔗 origineel)
| > Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag | |
|---|---|
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag |
|
| Datum | 27 januari 2026 |
| Betreft | Beantwoording feitelijke vragen Stand van Defensie najaar 2025 |
Ministerie van Defensie
Plein 4
MPC 58 B
Postbus 20701
2500 ES Den Haag
www.defensie.nl
Onze referentie
MINDEF20250047722
Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.
Geachte voorzitter,
Hierbij stuur ik u, mede namens de staatssecretaris van Defensie, antwoorden op feitelijke vragen over de Stand van Defensie najaar 2025 (Kamerstuk 36800-X nr. 3).
Hoogachtend,
DE MINISTER VAN DEFENSIE Ruben Brekelmans |
|---|
Antwoorden op feitelijke vragen over de Stand van Defensie najaar 2025 (Kamerstuk 36800-X nr. 3)
Welke categorieën of thema’s van informatie zijn sinds de vorige Stand van Defensie verplaatst van het openbare deel naar de vertrouwelijke bijlage? Wat is per categorie de motivering om deze informatie niet langer openbaar te maken?
Sinds de vorige Stand van Defensie (voorjaar 2025) zijn geen nieuwe onderwerpen of categorieën vanuit het openbare deel opgenomen in de vertrouwelijke bijlage. Het detailniveau in hoofdstuk 3 Vervullen Materiele behoefte, is minder gedetailleerd beschreven in het openbare deel in verband met veiligheids- en operationele belangen.
Op welke wijze wordt de Kamer gecompenseerd voor het vervallen van deze informatie in het openbare deel van de Stand van Defensie?
De Kamer wordt geïnformeerd middels de Stand van Defensie over alle verantwoordingsinformatie. Deze informatie is opgenomen in een openbaar deel en een vertrouwelijk deel. Hiermee is geen sprake van ‘vervallen’ informatie.
Welke informatie die in eerdere publicaties van de Stand van Defensie openbaar beschikbaar was, is in de Stand van Defensie Najaar 2025 uitsluitend nog vertrouwelijk opgenomen?
Als Defensie zijn we transparant waar het kan en vertrouwelijk waar dat moet. De SVD geeft namelijk niet alleen de Tweede Kamer inzicht hoe vergevorderd Defensie is met de voortgang van haar doelstellingen, maar ook onze tegenstanders. De voortdurende geopolitieke spanningen en de uitdagingen voor de veiligheid van Nederland nemen alsmaar toe. Als Defensie hebben we niets te verbergen, maar we hebben wel iets te beschermen. Juist om onze open en democratische rechtstaat te beschermen, zullen we minder open moeten zijn. In de Stand van Defensie voorjaar 2025 is hierop afgewogen welke informatie openbaar kan worden gemaakt en welke informatie door openbaarmaking mogelijk schadelijk is voor de belangen van Nederland en haar bondgenoten. Informatie, zoals prognoses en tussentijds gestelde doelen, nemen we niet meer op in het openbare deel, evenals de financiële gegevens. Met de Stand van Defensie najaar 2025 zijn er geen aanvullende onderwerpen vertrouwelijk gemaakt. We sluiten niet uit dat dit in toekomstige versies anders wordt. Veranderingen in de rapportage ten opzichte van voorgaande edities wordt in de inleiding vermeld. In samenspraak met uw Kamer en andere departementen willen we de juiste balans tussen vertrouwelijkheid en transparantie vinden.
Welke gevolgen heeft deze verplaatsing van informatie voor de controle- en informatiepositie van de Kamer?
De informatiepositie van de Kamer verandert niet. Echter kunnen onderwerpen die inzicht geven in operationele belangen om veiligheidsredenen alleen in beslotenheid worden besproken.
Op welke wijze wordt geborgd dat de Kamer haar controlerende taak volledig kan blijven uitoefenen ondanks de beperking van openbaarheid?
Om zonder beperking van openbaarheid de controlerende taak te blijven uitvoeren is het mogelijk om het debat achter gesloten deuren te voeren. Zoals ook aangeboden in het wetgevingsoverleg over drones van 26 november jl. gaan wij graag met uw commissie in gesprek over wat wij wel en niet met elkaar openbaar kunnen delen. Naast het besloten debat zouden wij hierin willen bespreken welke alternatieve vormen er mogelijk zijn.
Waarom ontbreekt in de meest recente publicaties van de Stand van Defensie een rapportage over trends in zwaarwegende knelpunten met betrekking tot gereedheid en inzetbaarheid per krijgsmachtdeel?
De rapportage over trends in zwaarwegende knelpunten met betrekking tot gereedheid en inzetbaarheid per krijgsmachtdeel ontbreekt in de Stand van Defensie omdat het openbaar maken ervan een risico voor de nationale veiligheid is. Defensie gebruikt het Digitaal Dashboard Operationele Gereedheid (DDOG). Dit dashboard gebruikt data uit bronsystemen en beoordelingen van operationele commandanten over hun eenheid voor inzicht in de operationele gereedheid van de strijdkrachten. Deze benadering, waarbij beeldopbouw gebeurt met kwantitatieve en kwalitatieve informatie, ondersteunt besluitvorming door de Commandant der Strijdkrachten.
Operationele commandanten melden knelpunten in de inzetbaarheid van hun eenheid in het dashboard. Dit is onderdeel van de Managementrapportagecyclus van Defensie. Door het toegenomen dreigingsniveau gaat Defensie terughoudend om met het delen van informatie over de operationele gereedheid van Defensie en de eventuele knelpunten die daarbij ondervonden worden. Informatie over gereedheid is standaard departementaal vertrouwelijk. Denk hierbij aan de gereedheid van wapensystemen – bijvoorbeeld het aantal inzetbare F35’s.
Op welke termijn wordt deze rapportage alsnog opgenomen in de Stand van Defensie?
In de Stand van Defensie wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de operationele gereedheid van de krijgsmacht. Gereedheid bevat de componenten Personele Gereedheid, Materiele Gereedheid en Geoefendheid. Knelpunten worden zoveel als mogelijk bij deze componenten in de Stand van Defensie vermeld. Zie hiervoor tevens beantwoording van vraag 3.
Op welke wijze wordt invulling gegeven aan de toezegging om deze knelpunten jaarlijks te rapporteren? (TZ202307-053)
Zie antwoord op vraag 6 en 7.
In welke vorm zullen de trends in zwaarwegende knelpunten per krijgsmachtdeel alsnog aan de Kamer worden gerapporteerd?
Zie antwoord op vraag 6 en 7.
Welke rapportages over deze knelpunten zijn in de afgelopen twee jaar wel aan de Kamer verstrekt buiten de Stand van Defensie om?
Zie antwoord op vraag 6 en 7.
Wat is het huidige bijsturingsbeleid om de disbalans tussen de instroom van burgerpersoneel en beroepsmilitairen te corrigeren?
Defensie blijft werken aan het vergroten van de capaciteit en productiviteit van werving, selectie en keuring voor de instroom van militair personeel. Dit gebeurt onder meer door het inrichten van decentrale keuringslocaties - Wezep en Oirschot -, en door procesversnelling, zodat de voorziene hogere instroom van beroepsmilitairen kan worden gerealiseerd. Tevens is Defensie een initiatief gestart om burgerpersoneel te faciliteren ook reservist te worden en daarmee een win-win voor de organisatie te creëren.
Op welke termijn wordt verwacht dat de instroom van beroepsmilitairen weer 100% van de vastgestelde ambitie bereikt?
Defensie wil uiterlijk in 2027 de krijgsmacht hebben ingericht in een vredes- en een oorlogsorganisatie. De defensieonderdelen zijn bezig met het ontwerp hiervan. In 2026 realiseert Defensie de verdere uitwerking van processen en inrichting in de IT-systemen. Ook alle benodigde randvoorwaarden in het personele domein, zoals het benodigde HR-instrumentarium, de HR-organisatie, aanstellings- en contractvormen en financiële sturingsmechanismen worden in 2026 uitgewerkt. Hiermee beoogt Defensie in 2027 de benodigde instroom te realiseren.
Deze schaalbare krijgsmacht, die snel kan worden opgeschaald als de veiligheidssituatie verslechtert, moet uiterlijk in 2030 en waar mogelijk sneller zijn gevuld met ongeveer 100.000 mensen; indicatief bestaande uit 56.000 beroepsmilitairen, 20.000 reservisten en 24.000 burgermedewerkers. Indien de budgetten voor defensie verder stijgen, leidt dit opnieuw tot een groeiambitie.
Welke risico’s worden gezien bij de structurele vervulling van militaire functies door burgerpersoneel?
Structurele vervulling van militaire functies met burgers wordt terughoudend omgegaan. Burgers worden geplaatst op militaire arbeidsplaatsen waarvoor de functie-eisen dat toelaten en niet op operationele functies die deel uitmaken van de oorlogsorganisatie.
In welke mate worden momenteel militaire functies ingevuld door burgerpersoneel?
Per 1 januari 2026 zijn 714 burgers (in VTE’n) geplaatst op een arbeidsplaats die bedoeld is voor militairen.
Welke maatregelen zijn genomen om prioriteit te geven aan de werving van beroepsmilitairen ten opzichte van burgerpersoneel?
De vraag veronderstelt een prioritering van de werving van beroepsmilitairen boven die van burgerpersoneel. Beide personeelscategorieën zijn essentieel voor het functioneren van de krijgsmacht en kennen elk hun eigen wervings- en opleidingsopgave.
Defensie richt zich bij de arbeidsmarktcampagne ‘Tijd voor Defensie’ en vooral het opleiden van beroepsmilitairen op het concentreren van capaciteit in de instroom- en opleidingsketen.
Daarnaast vergroot Defensie de wervings- en selectiecapaciteit, wordt het selectieproces versneld (onder meer met het Specifiek Psychologisch Onderzoek) en worden decentrale selectie- en keuringslocaties ingericht om de instroom van beroepsmilitairen structureel te verhogen. Zie tevens: antwoord op vraag 11.
Welke concrete maatregelen worden genomen om de instroom van vrouwen bij de beroepsmilitairen te verhogen?
Defensie verhoogt de instroom van vrouwen in militaire functies door gerichte arbeidsmarktcommunicatie als onderdeel van de campagne “Tijd voor Defensie”, zoals de deelcampagne in juni 2025 die specifiek was afgestemd op het beter bereiken van vrouwen. Direct na deze campagne was in juli en augustus een aanzienlijke stijging te zien in het aantal vrouwelijke sollicitanten op militaire functies. Waar het aantal eerder in 2025 tussen de 210 en 340 per maand bedroeg, steeg dit aantal in juli naar 394 en in augustus zelfs naar 553 sollicitantes. Eind 2025 is deze deelcampagne herhaald en medio 2026 start een vervolgcampagne die gericht is op vrouwen. Daarnaast organiseert Defensie verschillende wervings- en themadagen specifiek gericht op vrouwen, zoals de Vrouwendag Dienjaar en de aankomende Ladies Day voor vrouwen met een MBO-diploma. Zoals is toegelicht in de Kamerbrief ‘Samen Werken, Samen Vechten’ (Kamerstuk 33763-165, juni 2025), werkt Defensie ook aan het bieden van meer flexibiliteit en maatwerk, verbeterde doorstroom binnen management development trajecten en loopbaanmogelijkheden voor vrouwen. Ook is er nu beter passende kleding en uitrusting zoals scherfwerende vesten en andere goed passende uitrustingsstukken omdat dit de instroom en het behoud van vrouwen in militaire functies ondersteunt.
Welke maatregelen zijn specifiek gericht op de instroom van vrouwen bij de beroepsmilitairen en niet op het burgerpersoneel?
Zie antwoord op vraag 16.
Welke meetbare doelen zijn vastgesteld voor het aandeel vrouwen bij de beroepsmilitairen tot en met 2030?
Defensie blijft streven naar een organisatie die in 2030 of eerder voor 30% uit vrouwen bestaat. Dit streefcijfer geldt voor het gehele personeelsbestand, dus beroepsmilitairen, burgers en reservisten.
Welke meetbare doelen zijn vastgesteld voor het aandeel vrouwen bij de reservisten tot en met 2030?
Zie antwoord op vraag 18.
Wat is de jaarlijkse beoogde groei van het aandeel vrouwen bij de beroepsmilitairen tot 2030?
Om de doelstelling van 30% vrouwen in het gehele personeelsbestand, dus zowel burger als militair, in 2030 te halen, werkt Defensie met een jaarlijkse groei-indicatie van plus 2% per jaar richting 2030.
Wat is de stand van zaken van de directe contractering bij de Nederlandse defensie-industrie over de eerste helft van 2025 in percentages?
Zie antwoord op vraag 22.
Wat is de stand van zaken van de directe contractering bij de Nederlandse defensie-industrie over de eerste helft van 2025 in bedragen?
In de eerste helft van 2025 contracteerde Defensie voor EUR 3 miljard bij de Nederlandse industrie. Dat komt overeen met 41% van het totaal door Defensie gecontracteerde bedrag in deze periode.
Inmiddels kan ik u ook voorzien van de gevraagde bedragen en percentages over heel 2025. In 2025 contracteerde Defensie voor EUR 6,5 miljard bij de Nederlandse industrie en voor EUR 13,8 miljard bij de Europese industrie. Dit komt overeen met 37% respectievelijk 78% van het totaal gecontracteerde bedrag over deze periode. Voor wat betreft de Nederlandse industrie steeg het gecontracteerde bedrag met EUR 2,5 miljard ten opzichte van 2024 toen 21% van de door Defensie gecontracteerde uitgaven bij de Nederlandse industrie terechtkwam. Binnen Europa daalde het gecontracteerde bedrag in 2025 met EUR 0,9 miljard in vergelijking met 2024, maar vond in relatief opzicht in 2025 een lichte stijging plaats met 1%.
Bovenstaande bedragen en percentagens betreffen bestellingen van Defensie bij in Nederland respectievelijk Europa gevestigde bedrijven. Dit kunnen ook buitenlandse bedrijven zijn met een vestiging in NL of EU. In de volgende SVD, voorjaar 2026, zullen we dit nader specificeren. Contracten die buitenlandse bedrijven gunnen aan de Nederlandse defensie-industrie als onderaannemer zijn hier niet in meegenomen. Onder andere via het industrieel participatiebeleid vloeit op die manier namelijk ook geld terug naar in Nederland gevestigde bedrijven. Grote investeringen kunnen een aanzienlijke impact hebben op het genoemde percentage.1
Welke concrete beleidsmaatregelen zijn in 2025 genomen om het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensieopdrachten te vergroten?
In april 2025 is de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025-2029 gepubliceerd. Concrete beleidsmaatregelen die hieruit voorkomen staan in de Strategische Agenda Industrie, Innovatie en Kennis – Defensie (STRAIIK-D) 2025, deze wordt in 2026 geüpdatet. Onderdeel van de strategie is dat we inzetten op meer industrie versterkend inkopen. Dit betekent concreet dat we ernaar streven om meer in Nederland en Europa aan te schaffen. Defensie besteedt 1,15 miljard verspreid over meerdere jaren aan het opschalen en versterken van de Nederlandse defensie-industrie. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
Financieringsinstrumenten voor defensiebedrijven zoals de Thematische Technologie Transfer (TTT), de Seed Capital-regeling en het SecFund;
Aangaan van een samenwerking met VDL;
Financieren van een productielijn voor fotonische chips;
De Counter Strikedrone Challenge die Defensie in november heeft uitgezet;
Defensie stimuleert vroegtijdige betrokkenheid van Nederlandse industrie en kennisinstellingen met Strategic Defence Innovation Research (SDIR). De eerste SDIR-trajecten lopen al. Die zijn onder meer gericht op het ontwikkelen van onbemande vliegtuigen voor de marine.
Nederlands industrieversterkend inkopen door meer belang te hechten aan herkomst bij inkopen en aanbesteden door gebruik VWEU 346 en single source.
Welke nieuwe beleidswijzigingen zijn in voorbereiding om het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensiecontracten te verhogen?
In Q2 wordt u via de STRAIIK-D geïnformeerd over de stappen die we in 2026 gaan zetten. Met de inzet op industrie versterkend inkopen gaat Defensie het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensiecontracten verhogen. Zo gaan we afhankelijkheid van supervezels afbouwen door te eisen dat Nederlandse supervezels worden gebruikt in een intentieverklaring met Teijin en Avient. Een ander voorbeeld is het strategische partnerschap dat we met Thales Nederland zijn aangegaan in het kader van het programma Foxtrot. De opdracht aan Thales Nederland ziet zowel op instandhouding als ontwikkeling, zodat het product tijdens de gehele gebruiksperiode operationeel relevant blijft. Ten slotte, is de verwerving CV-90 ook een goed voorbeeld van vraagbundeling en industrieversterkend inkopen. Een deel van de uitvoering zal plaatsvinden in Nederland. Meer dan 20 Nederlandse bedrijven zijn als toeleverancier betrokken bij de productie.
Welke kwantitatieve doelstellingen gelden voor het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensiecontracten voor de komende jaren?
In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) maken Defensie en EZ beleid voor het instrument industrieversterkend inkopen. In de Strategische Actieagenda Industrie en Innovatie 2025 stelt Defensie zich ten doel circa de helft van de opdrachten bij Nederlandse partijen te contracteren.
Kunt u nader toelichten wat de praktische betekenis is van het feit dat de gemiddelde operationele gereedheid van alle A-(wapen)systemen medio 2025 op 50% zit? Betekent dit dat de helft van de A-systemen niet volledig gereed is?
De Materiële Gereedheid (MG) betreft de beschikbaarheid en geschiktheid van het materieel voor de uitoefening van operationele taken door een eenheid. Een defensiebrede MG van 50% betekent niet dat de helft van de A-systemen niet volledig gereed is. Dit is het gemiddelde van de MG-percentages per A-(wapen)systeem. De defensiebrede MG werd bijvoorbeeld in 2025 negatief beïnvloed door het opnemen van een systeem dat nu nog een lage MG heeft, zoals beschreven op pagina 16 van de vertrouwelijke bijlage bij de Stand van Defensie. Door het nemen van mitigerende maatregelen is dit systeem binnen afzienbare tijd beschikbaar. In de vertrouwelijke bijlage bij de Stand van Defensie wordt uw Kamer twee keer per jaar geïnformeerd over de ontwikkelingen in de MG, waaronder het gemiddelde MG-percentage per A-systeem op dat moment.
Wat is de reden dat de toename van uitgavenbudgetten voor Defensie niet leidt tot een stijging van de operationele gereedheid in 2023 en 2024 en een daling in 2025?
De mate van operationele gereedheid is de resultante van de componenten; Personele Gereedheid, Materiele gereedheid, Digitale Gereedheiden Geoefendheid. In de Stand van Defensie zijn per component belemmerende factoren uiteengezet. Voor Personele gereedheid betreft dit bijvoorbeeld de vooralsnog beperkte opleidingscapaciteit, voor Materiele Gereedheid betreft dit onder andere de beschikbaarheid van reservedelen en voor Geoefendheid zijn dit bijvoorbeeld beperkingen in de digitale en fysieke omgeving. Op elk van deze factoren werkt Defensie aan het mitigeren van deze belemmeringen, echter zijn de effecten hiervan nog niet direct zichtbaar.
Specifiek zijn de stagnatie in 2023 en 2024 en de daling in 2025 van operationele gereedheid te wijten aan het gemiddelde percentage van de A-wapensystemen. Zie hiertoe separate beantwoording van vraag 26 en vraag 54.
Waarom is in de Stand van Defensie geen voorlopig cijfer voor 2025 opgenomen ten aanzien van de contractering van de Nederlandse en Europese industrie (graag opgesplitst voor de twee geografieën)? Wat is voor 2025, in percentages en miljarden euro’s, de actuele stand van zaken op dit punt?
Defensie geeft de voorkeur aan een jaarlijkse rapportage op dit cijfer, omdat het cijfer gevoelig is voor schommelingen door contractondertekeningen met een significante financiële omvang. In de Stand van Defensie voorjaar 2026 rapporteert Defensie over het gehele cijfer over het jaar 2025. Het antwoord op de vraag over de actuele stand van zaken op dit punt kunt u vinden bij het antwoord op vraag 22.
Wat zijn de streefwaarden voor de komende vijf jaar, in euro’s en in percentages, van het aandeel van Defensiecontracten dat direct terecht komt bij de Nederlandse en Europese industrie (graag opgesplitst voor de twee geografieën)?
Defensie versterkt de NLDTIB door zoveel mogelijk Europees materieel aan te besteden ten behoeve van de versterking van de Europese strategische autonomie. Het is van belang dat dit zichtbaar wordt door stijgende omzetten en het vergroten van de industriële basis in de NLDTIB, maar te complex om hier harde streefwaarden aan te verbinden. Het onderzoek naar de NLDTIB dat in 2026 wordt uitgevoerd zal meer inzicht moeten geven in de versterkte industrie in Nederland. De Kamer zal later in het jaar over de resultaten van het onderzoek worden geïnformeerd.
Kunt u in de Stand van Defensie ook KPI’s en doelen opnemen ten aanzien van andere relevante aspecten van industriebeleid en samenwerking, zoals bijvoorbeeld industrieel participatiebeleid, R&D-uitgaven van Defensie en Europese samenwerking en/of aankoop van materieel?
Als Defensie het materieel in het buitenland verwerft, dan maken Defensie en EZ zich via Industriële Participatie hard voor de betrokkenheid van Nederlandse Defensiebedrijven en kennisinstituten bij de ontwikkeling, productie en instandhouding van Defensiematerieel. De voortgangsrapportage en realisatie op industriële participatie volgt in Q2.
Met betrekking tot de R&D-uitgaven van Defensie zijn er verschillende KPI's en doelen die opgenomen worden in de Stand van Defensie. Er wordt gerapporteerd over de KPI Research & Technology (R&T), met als doel om minimaal 1,3% van de Defensiebegroting hieraan te besteden. Deze KPI gaat over onderzoek en technologieontwikkeling tot en met Technological Readiness Level (TRL) 6: een technologische innovatie is gedemonstreerd in een relevante omgeving. Dit betreft een EDA/PESCO KPI dat ook in andere landen wordt gerapporteerd. Onder PESCO NIP wordt daarnaast gerapporteerd over de KPI dat 20% van de totale R&T uitgaven aan Europese samenwerking op het gebied van R&T dient te worden besteed.
In de STRAIIK-D zijn doelen geformuleerd ten aanzien van de relevante aspecten van industriebeleid en samenwerking, zoals benoemd in de D-SII. In de STRAIIK- D van 2025 is gecommuniceerd dat in 2024 circa de helft van alle opdrachten bij de Nederlandse industrie geplaatst is en deze lijn wordt voortgezet in 2025. De Kamer zal hierover in Q2 opnieuw geïnformeerd worden. Vanaf de Stand van Defensie 2027 zijn we voornemens om, naast de KPI R&T, over een overkoepelende KPI R&D te rapporteren waarin innovaties van laag tot hoog TRL meegenomen worden.
Op welke wijze waarborgt Defensie dat "goed gekwalificeerd personeel" de organisatie zal vullen, gezien de focus op snelle kwantitatieve groei?
Defensie borgt kwaliteit door gerichte selectie-, keurings- en opleidingseisen te hanteren, ook bij opschaling van de instroom. Groei in aantallen gaat niet ten koste van professionele standaarden voor veiligheid en inzetbaarheid. Defensie streeft naar kwaliteit op alle functies. Om nog beter te borgen dat we de juiste kwaliteiten op de juiste plekken inzetten, zal Defensie vanaf 2026 - naast de mogelijkheid om te solliciteren op specifieke functies - het ook mogelijk maken om te solliciteren op generieke functieprofielen of open sollicitaties in te sturen. Dit is handig voor kandidaten die al wel weten dat ze bij Defensie willen werken maar nog niet precies weten wat ze willen doen. Met deze aanbodgerichte manier van werven levert Defensie maatwerk en matcht kandidaten op functies waar ze hard nodig zijn en tegelijk de vereiste skills voor hebben of kunnen ontwikkelen. Op die manier worden de kwaliteit, de opleidbaarheid en het behoud verbeterd en wordt beoogd uitval tijdens werving en selectie te verminderen.
Welke criteria worden gehanteerd om te beslissen welke informatie "vertrouwelijk waar dat moet" is en hoe wordt voorkomen dat dit ten koste gaat van het parlementaire inzicht?
Als criteria worden gehanteerd: gegevens die informatie prijsgeven over de operationele- en veiligheidsbelangen van de krijgsmacht nu en in de toekomst. Deze informatie blijft beschikbaar voor de Kamer en is opgenomen in de vertrouwelijke bijlage.
Kunt u uw opmerking dat “bepaalde informatie, die eerder in het openbare deel is opgenomen, wordt verplaatst naar de vertrouwelijke bijlage” specificeren en nader motiveren?
Zie reactie bij vraag 1.
Daarnaast rapporteert SVD najaar over de eerste helft van het jaar. In de najaarseditie concentreren we ons op de gereedheidsinformatie van Defensie. Voor veel rapportage-onderwerpen, met name besturende en ondersteunende processen, is halverwege het jaar onvoldoende nieuwe informatie beschikbaar. We beperken ons in deze najaarseditie in beginsel tot de gereedstellingsinformatie en rapporteren niet over besturende en ondersteunende processen. In de voorjaarseditie rapporteren we over het hele jaar en daarbij wordt wél gerapporteerd over deze informatie.
Hoe staat het niet opnemen van Werkbeleving in verhouding tot de doelstelling van het geïntegreerd aanbieden van verantwoordingsinformatie aan de Kamer via één centraal document? Gaat u hier verbetering in brengen? Zo nee, waarom niet?
De meest actuele stand van zaken op het gebied van werkbeleving is opgenomen in de Stand van Defensie voorjaar 2025. Het eerstvolgende werkbelevingsonderzoek (Monitor, mening van de Medewerker) verscheen pas in oktober, dus na Prinsjesdag. De keuze is gemaakt om niet exact dezelfde tekst als in de eerste SVD van 2025 te herhalen. Uiteraard blijft werkbeleving een vast onderdeel van de SVD en we zullen steeds de resultaten van het meest actuele werkbelevingsonderzoek publiceren.
Hoe staat de opmerking met betrekking tot het “niet uitsluiten dat sommige informatie terug te vinden is in al verstuurde rapportages” in verhouding tot de doelstelling van het geïntegreerd aanbieden van verantwoordingsinformatie aan de Kamer via één centraal document? Gaat u hier verbetering in brengen? Zo nee, waarom niet?
In eerdere verstuurde Kamerstukken is mogelijk informatie opgenomen waarover nu het besluit is genomen dit niet meer openbaar te delen. Om deze reden is deze zin opgenomen in de Stand van Defensie. De verantwoording van niet-financiële KPI’n wordt nog steeds geïntegreerd in één document aangeleverd.
Hoe kan de Kamer nagaan of alle beschikbare en afgesproken informatie ook daadwerkelijk in de Stand van Defensie is opgenomen?
De Kamer kan ervanuit gaan dat alle beschikbare en afgesproken informatie opgenomen is in de Stand van Defensie. Als we hier vanwege operationele belangen en veiligheidsredenen van afwijken wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Hoe verhoudt het volledig weglaten van het hoofdstuk ‘Besturen en commandovoering’ zich tot de doelstelling van het geïntegreerd aanbieden van verantwoordingsinformatie aan de Kamer via één centraal document? Gaat u hier verbetering in brengen? Zo nee, waarom niet?
Vanaf de Stand van Defensie najaar 2024 wordt in het najaar verantwoord over de kernprocessen van Defensie inclusief vastgoed. Voor de rapportage onderwerpen is halverwege het jaar onvoldoende nieuwe informatie beschikbaar. Vandaar dat het hoofdstuk ‘Besturen en commandovoering’ volledig is weggelaten. Deze informatie wordt ook niet actief buiten de Stand van Defensie verstrekt. Zie verder antwoord op vraag 33.
Hoe verhoudt zich het refereren aan een Kamerbrief tot de doelstelling van het geïntegreerd aanbieden van verantwoordingsinformatie aan de Kamer via één centraal document? Gaat u hier verbetering in brengen? Zo nee, waarom niet?
Sommige onderwerpen vragen de aandacht van de Kamer buiten de rapportagemomenten van de Stand van Defensie om, gezien de huidige dynamiek op het wereldtoneel. Om doublures in rapportages te voorkomen verwijzen we in de Stand van Defensie naar de betreffende Kamerbrief.
Zie verder antwoord op vraag 41.
Hoe worden de plancijfers vastgesteld? Kunt u inzicht geven in de planning van aantallen reservisten, beroepsmilitairen en burgers voor de komende jaren?
Defensie stelt plancijfers vast in het Defensie Personeelsplan op basis van de benodigde en gefinancierde formatie, de beoogde groei richting 2030 en daarvoor noodzakelijke capaciteit op het gebied van werven, selecteren, veiligheidsonderzoek en opleiden. Het meerjarige inzicht in de plancijfers met betrekking tot beroepsmilitairen, reservisten en burgers voor de komende jaren is opgenomen in de vertrouwelijke bijlage bij de Stand van Defensie.
Kunt u verklaren waarom de personele groei in de eerste helft van 2025 voor het overgrote deel (857 VTE) afkomstig is van burgerpersoneel, terwijl de aanwas van beroepsmilitairen (692 VTE) en reservisten (462 VTE) in verhouding achterblijft en hoe verhoudt zich dit tot de wens voor een gevechtsgerede krijgsmacht?
De personele groei in de eerste helft van 2025 laat een sterkere toename van het burgerpersoneel zien doordat burgers sneller inzetbaar zijn en minder afhankelijk van selectie-, keurings- en opleidingscapaciteit. Bij beroepsmilitairen en reservisten vormen juist deze ketenbeperkingen de bepalende factor voor het tempo van de instroom. Tegelijkertijd blijft Defensie sturen op het versnellen van de militaire instroom, omdat een inzetgerede en schaalbare krijgsmacht uiteindelijk vraagt om voldoende gevulde militaire functies. Zie ook: antwoord op vraag 11.
Hoe staat het verwijzen naar overige maatregelen in een Kamerbrief in verhouding tot de doelstelling van het geïntegreerd aanbieden van verantwoordingsinformatie aan de Kamer via één centraal document? Gaat u hier verbetering in brengen? Zo nee, waarom niet?
De Stand van Defensie is bedoeld als het centrale verantwoordingsdocument waarin samenhangend inzicht wordt geboden in de voortgang op personele, materiële en operationele gereedheid. Daarnaast zullen er altijd separate Kamerbrieven gestuurd blijven worden waarin bepaalde informatie aanvullend of in meer detail wordt opgenomen. Naast schriftelijke informatievoorziening maakt Defensie gebruik van technische briefings om de Kamer mondeling te informeren en duiding te geven bij complexe onderwerpen. Defensie blijft werken aan verdere integratie en samenhang in de rapportage, waarbij steeds wordt afgewogen hoe informatie het meest overzichtelijk en verantwoord aan de Kamer kan worden aangeboden. Zonder verdere doublures te creëren.
Kunt u aangeven of de sterke stijging van het burgerpersoneel deels wordt veroorzaakt door het invullen van vacatures voor beroepsmilitairen door burgers, en zo ja, welke effecten dit heeft op de inzetbaarheid en de operationele slagkracht van de eenheden?
Burgers worden geplaatst op militaire arbeidsplaatsen waarvoor de functie-eisen dat toelaten en niet op operationele functies die deel uitmaken van de oorlogsorganisatie. Deze inzet draagt eraan bij dat militaire capaciteit kan worden vrijgespeeld voor functies waar militaire vulling noodzakelijk is. De inzetbaarheid en operationele slagkracht worden daarmee per saldo ondersteund. Defensie blijft er tegelijkertijd op sturen dat militaire functies die essentieel zijn voor gereedstelling en inzet ook militair worden gevuld. Ook moedigt en faciliteert Defensie het reservistschap onder burgerfuncties.
Kunt u een overzicht geven van de totale kosten die gemoeid zijn met de externe inhuur van 5.852 medewerkers per 1 juni 2025 en toelichten welke concrete stappen worden gezet om dure inhuur in de beleids- en bedrijfsvoeringskolommen terug te dringen ten gunste van structurele formatieplaatsen?
Het gevraagde overzicht van de totale kosten van externe inhuur per 1 juni 2025 is opgenomen in de vertrouwelijke bijlage bij de Stand van Defensie. Defensie zet erop in om inhuur terug te dringen door structurele formatieplaatsen te creëren, gerichte werving in schaarse domeinen te intensiveren en kennis duurzaam binnen de organisatie te borgen. Tegelijkertijd is het voor sommige taken noodzakelijk en onvermijdelijk om personeel extern in te huren, omdat dit specialistische expertise betreft die alleen externe partijen kunnen bieden, bijvoorbeeld op het gebied van projectvoering in het materieeldomein en IT. Daarnaast biedt externe inhuur Defensie de mogelijkheid om flexibel met capaciteit om te gaan en snel op- en af te schalen bij piekbelasting of tijdelijke opgaven.
Wat is de verklaring voor de groei van externe inhuur? Was dit voorzien?
Defensie moet snel en hard groeien en kan de organisatie niet altijd in een dergelijk tempo vullen met eigen personeel, waardoor gebruik gemaakt wordt van externe inhuur als alternatieve personele capaciteit om de taken uit te kunnen voeren. De voornaamste redenen voor inhuur zijn tijdelijke behoefte en intern schaarse expertise. Voor sommige taken is het noodzakelijk en onvermijdelijk om personeel extern in te huren, omdat dit specialistische expertise betreft die alleen externe partijen kunnen bieden. Daarnaast kennen organisatorische aanpassingen zoals reorganisaties zorgvuldige besluitvormingsprocessen die tijd vergen, waarbij externe inhuur nodig kan zijn om continuïteit van werkzaamheden te waarborgen. Het uitgangspunt is dat primair zoveel mogelijk functies met eigen personeel worden gevuld. Daar wordt voorafgaand aan het uitvoeringsjaar op gepland. Gedurende het uitvoeringsjaar wordt vervolgens duidelijk hoeveel externe inhuur er daadwerkelijk nodig is.
Defensie heeft een grote ambitie qua instroom; wat kan Defensie aan met betrekking tot het opleiden? Zit daar een grens aan?
De noodzakelijke instroom van Defensie wordt mede bepaald door hoeveel mensen Defensie kan opleiden en trainen in een jaar. Deze wordt bepaald door fysieke opleidingsplaatsen, maatwerkoplossingen en de beschikbaarheid van opleiders en onderwijsleermiddelen. Om deze grens structureel te verleggen versterkt Defensie actief de opleidingscapaciteit, onder meer door modernisering (modern, open, flexibel en transparant) van het onderwijs in combinatie met publiek-private samenwerking. In dat kader zal meer gebruik worden gemaakt van instructeurs uit operationele eenheden en is op 17 november 2025 een intentieverklaring ondertekend met meerdere opleidingspartners, gericht op duurzame opschaling van de opleidingscapaciteit waarbij kennisverlies wordt vermeden en de operationele gereedheid geborgd.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er ook voldoende mensen zijn om de instroom op te leiden?
Defensie borgt de beschikbaarheid van opleiders door een samenhangend pakket aan maatregelen. Intern worden instructeurs planmatig ingezet, opleidingseisen waar mogelijk gerationaliseerd en opleidingen modulair en schaalbaar ingericht. Daarnaast wordt de instructieketen structureel versterkt door samenwerking met de civiele opleidingssector. De op 17 november 2025 ondertekende intentieverklaring met civiele opleidingspartners maakt het mogelijk om civiele en (oud-)militaire instructeurs in te zetten, waardoor de opleidingscapaciteit kan meegroeien met de instroom en operationele eenheden inzetbaar blijven. Deze aanpak vergroot de flexibiliteit en wendbaarheid van de opleidingsorganisatie.
Kunt u nader specificeren of de toename in websitebezoeken en de conversie naar voltooide sollicitaties als gevolg van de arbeidsmarktcampagne "Tijd voor Defensie" in gelijke mate geldt voor beroepsmilitairen en reservisten als voor burgerpersoneel? Welke Key Performance Indicators (KPI's) hanteert u voor deze campagne om de gewenste instroom te realiseren en op welke vlakken ziet u nog de meeste ruimte voor verbetering?
In april 2025 is de nieuwe campagne ‘Tijd voor Defensie’ van start gegaan. De kernboodschap van deze campagne is dat iedereen welkom is, én nodig. Met de inzet van verschillende media heeft de campagne inmiddels miljoenen mensen bereikt en de wervingsdoelgroep beoordeelt deze als positief. Het maandelijkse aantal bezoeken aan de website ‘www.werkenbijdefensie.nl’ ligt rond de 900.000; dit heeft geleid tot een duidelijke stijging van het aantal sollicitaties bij alle instroomsporen van Defensie. Defensie stuurt hierbij op bereik, websiteverkeer, conversie naar sollicitatie, aandeel aanstelbare kandidaten, doorstroom naar startfunctie en uitval tijdens initiële opleidingen. Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren. Verbeterpotentieel ligt met name in het verhogen van de conversie van geïnteresseerden naar aanstelbare kandidaten en in het beter laten aansluiten van instroom op de beschikbare opleidingscapaciteit.
Kunt u uitleggen waarom er in de Stand van Defensie wel plancijfers zijn opgenomen voor de instroom van beroepsmilitairen en burgers, maar niet voor reservisten, terwijl de opschaling van de reservistencapaciteit cruciaal is voor de schaalbaarheid van de krijgsmacht?
In het openbare deel van de Stand van Defensie zijn plancijfers opgenomen op hoofdlijnen. De meer gedetailleerde plancijfers voor de instroom en ontwikkeling van de groei van het personeelsbestand (zowel beroepsmilitairen, burgers als reservisten) zijn opgenomen in de vertrouwelijke bijlage. We bezien de mogelijkheden om een plancijfer voor reservisten in de toekomst op te nemen.
Wat zijn de plancijfers met betrekking tot reservisten, waarom zijn deze niet opgenomen en kunnen die voortaan wel gepresenteerd worden in de Stand van Defensie?
Zie antwoord op vraag 48.
Kunt u toelichten waarom de Stand van Defensie geen inzicht biedt in het totale aantal aanmeldingen voor het Dienjaar, kunt u dit aantal alsnog verstrekken, en wat zijn de concrete knelpunten (naast opleidingscapaciteit en functieruimte) die een snellere doorstroming belemmeren? Ziet u, met het oog op de verdere schaalbaarheid van de krijgsmacht, toegevoegde waarde in het verplicht stellen van een vorm van het Dienjaar?
De Stand van Defensie richt zich primair op gerealiseerde instroom, doorstroom en behoud, omdat deze kengetallen het beste inzicht geven in de feitelijke bijdrage van het Dienjaar aan de personele gereedheid. Vanaf de zomer van 2023 hebben zich bijna 8.000 kandidaten aangemeld. Daarvan zijn 1.639 dienjaarmilitairen gestart met het Dienjaar en per 1 december 2025 zijn 822 dienjaarmilitairen nog bezig met het traject. Defensie vergroot de capaciteit en productiviteit van werving, selectie en keuring. Daarnaast wordt het aantal opleidingsplaatsen uitgebreid. In eerdere Kamerbrieven is benoemd dat er effectievere manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen dan het reactiveren van de opkomstplicht, en dus ook het verplicht stellen van het Dienjaar. De Defensie-enquête bijvoorbeeld, is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september 2025 gestart.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel procent van de deelnemers aan het Dienjaar en het Defensity College uiteindelijk doorstroomt naar een vaste aanstelling als beroepsmilitair en hoe dit rendement zich verhoudt tot de investeringen in deze trajecten?
Ruim 60% van de Dienjaarmilitairen blijft na afronding van het Dienjaar verbonden aan Defensie als beroepsmilitair (ca. 50%) of reservist (ca. 15%). Defensie beziet het rendement nadrukkelijk in samenhang met de bredere doelen van personele gereedheid, nationale weerbaarheid en maatschappelijke binding, en niet uitsluitend als directe instroom naar vaste aanstellingen.
Voor Defensity College geldt dat tot nu toe circa 55% van de deelnemers behouden blijft voor Defensie, ondanks dat doorstroom naar een vaste aanstelling niet de hoofddoelstelling van dit traject is. Van deze groep is 12% doorgestroomd naar een aanstelling als beroepsmilitair. Daarnaast blijft een substantieel deel verbonden aan Defensie in andere rollen: 11% als fulltime reservist, 6% als burgermedewerker en reservist, 3% als burgermedewerker en 23% als reservist. Ook bij Defensity College wordt het rendement niet uitsluitend beoordeeld op basis van directe instroom naar vaste aanstellingen, maar in relatie tot de bijdrage aan personele gereedheid, het versterken van de reservistenorganisatie en het vergroten van maatschappelijke betrokkenheid bij Defensie.
Welke gevolgen worden er concreet ondervonden door de beperkte beschikbaarheid van onderwijsleermiddelen door leveringen aan Oekraïne? Wanneer verwacht u deze beschikbaarheid van opleidingsmaterieel weer op orde te hebben en welke maatregelen neemt u daartoe?
Steun aan Oekraïne is van groot belang voor onze veiligheid en Defensie levert hieraan een substantiële bijdrage via de Taskforce Oekraïne en internationale opleidingsinspanningen, zoals operatie Interflex. Deze inzet gaat deels ten koste van de opleidingscapaciteit van de eigen defensieonderdelen, omdat naast opleidingscapaciteit ook capaciteit vanuit operationele eenheden wordt geleverd en daarnaast gebruik wordt gemaakt van externe partijen ter ondersteuning van het opleidings- en trainingsdomein.
Defensie neemt maatregelen langs drie samenhangende operatielijnen om achterstanden te beperken en in te lopen: het rationaliseren van opleidingseisen, het versterken, opschonen en flexibiliseren van de opleidingscapaciteit, en het verbeteren van de aansturing van het opleidingsdomein. Opleidingen worden geprioriteerd en schaarse middelen worden over de opleidingen verdeeld. Waar opleidingsmaterieel tijdelijk niet beschikbaar is, wordt gebruikgemaakt van moderne middelen zoals simulatie en daarnaast worden middelen gedeeld tussen de diverse eenheden. De beschikbaarheid van opleidingsmaterieel wordt stapsgewijs hersteld, afhankelijk van levertijden en vervangingsprogramma’s. Het beoogde effect van de genomen maatregelen is dat Defensie meer mensen in dezelfde tijd kan opleiden en daarmee eventuele achterstanden structureel inloopt.
Welke “andere groepen die nu onbedoeld onvoldoende worden bereikt” bedoelt u exact en wat betekent dit voor de veranderde wervingsstrategie?
Met “andere groepen” worden segmenten van de arbeidsmarkt bedoeld die we met eerdere campagnes nog minder goed bereikten en die dus ondervertegenwoordigd zijn binnen het personeelsbestand van Defensie. Er wordt meer aandacht besteed aan de werving en het behoud van vrouwen en biculturele groepen, en er worden maatregelen genomen gericht op LHBT+, neurodiversiteit en het verbeteren van de positie van mensen met een (arbeids)beperking.
Zie ook het antwoord op vraag 16.
Kunt u per krijgsmachtdeel nader specificeren welke van de genoemde knelpunten (beschikbaarheid personeel, reserveonderdelen, onvoorzien onderhoud, of transitie-/modificatieprogramma's) het zwaarst weegt in de daling van de Materiële Gereedheid (MG) naar 50% medio 2025? Welke concrete en gerichte maatregelen worden genomen om deze specifieke hoofdoorzaken op korte termijn weg te nemen om de MG weer naar de norm te brengen?
Omdat de redenen voor de daling in de MG (zie vraag 26) per (wapen)systeem verschillen, is het complex om dit per krijgsmachtdeel te specificeren. Er zijn verschillende knelpunten zoals de instroom van en overgang naar nieuwe (onderdelen van) (wapen)systemen, wat beslag legt op de beschikbare onderhoudscapaciteit. Daarnaast beïnvloedt een tekort aan technisch en logistiek personeel en de beperkte beschikbaarheid van sommige reserveonderdelen de MG.
Defensie zet in op het vergroten van de schaalbare onderhoudscapaciteit door gerichte werving van personeel, de intensivering van de samenwerking met civiele partijen en het uitbreiden van raamcontracten waar mogelijk. Indien nodig stelt Defensie prioriteiten zodat mensen en materieel daar worden ingezet waar ze op dat moment het hardst nodig zijn. Ook brengt Defensie door instandhoudingsanalyses de opbouw van de voorraad reservedelen in kaart. Dit maakt een gerichtere verwerving van schaarse onderdelen mogelijk en beperkt de onvoorziene uitloop van de onderhoudsfase.
Gezien de lange levertijden voor materieel, waarbij contractering (bijvoorbeeld Stinger) leidt tot levering pas in 2028; acht u deze termijnen getuigen van de vereiste urgentie die het huidige dreigingsbeeld vraagt? Heeft u de opties verkend om op korte termijn de productie op te schalen van goedkopere, massaal produceerbare wapensystemen (zoals de door de VS geproduceerde Low-Cost Uncrewed Combat Attack Systems (LUCAS) kamikaze drones), in plaats van primair te focussen op hoogtechnische systemen? Ziet u meerwaarde in het verwerven van dergelijke systemen voor de tactische diepte van de krijgsmacht?
Defensie investeert in verschillende (wapen)systemen voor de versterking van de krijgsmacht en heeft hierbij te maken met de toenemende vraag en oplopende levertijden als gevolg van het huidige dreigingsbeeld. Defensie neemt verschillende maatregelen om tijdig over het materieel te kunnen beschikken, waaronder het ophogen van lopende bestellingen en samenwerking met bondgenoten, bijvoorbeeld door middel van vraagbundeling bij de aanschaf van de pantserwielvoertuigen Boxer Remote Controlled Tower of verwerving van anti-tank wapens via de NATO Support and Procurement Agency (NSPA). Ook kiest Defensie soms voor sneller leverbaar materiaal vanwege de oplopende levertijden voor materieel. Dit zijn bijvoorbeeld de snel leverbare combat C-UAS systemen vooruitlopend op de instroom van de mobiele anti-drone kanonsysteem Skyranger30 (Kamerstuk 27 830, nr. 474).
Ook zet Defensie zich in om de productie van militair materieel en munitie in Nederland en Europa op te schalen, in lijn met de ambities uiteengezet met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025-2029 (D-SII) (Kamerstuk 31 125, nr. 134 van 4 april 2025). Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie hiermee ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen voor het aangrijpen van doelen in de diepte hoort daarbij. Met het Actieplan Onbemenste Systemen (APOS) wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de opbouw van een Nederlands ecosysteem, waarin op continue wijze wordt geproduceerd en doorontwikkeld en waarin wordt geleerd van toepassing door de eigen krijgsmacht en door Oekraïne. Op deze wijze benadert Defensie de markt om innovatieve oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect voor de krijgsmacht. Een voorbeeld hiervan is de challenge waarmee de Staatssecretaris tijdens de NEDS in 2025 heeft opgeroepen een alternatief voor de Tomahawk als Deep Precision Strike capaciteit te ontwikkelen.
Kunt u, met het oog op het versterken van de Nederlandse economie en strategische autonomie, verklaren waarom het percentage directe contractering bij de Nederlandse industrie is gedaald van 59,70% in 2023 naar 21,42% in 2024 en welke concrete doelstellingen (KPI’s) u hanteert om dit percentage in 2025 en verder weer te verhogen?
Zoals ik ook in de stand van Defensie benadruk is deze KPI gevoelig voor schommelingen door grote opdrachten die in één keer worden verantwoord. In 2024 uit zich dit door een daling in het aandeel dat in Nederland is gecontracteerd als gevolg van grote projecten zoals Vervanging Onderzeebootcapaciteit (VOZBT), Vervanging Tactisch Luchttransport en MRAD SHORAD die in 2024 in het buitenland werden besteld. Deze daling is te verklaren doordat in 2024 in absolute getallen ruim twee keer meer is besteld dan in 2023.
Contractering bij de Nederlandse industrie kan tevens via onderaannemerschap van buitenlandse OEMs plaatsvinden. Het primair meten op directe contractering geeft dus een vertroebeld beeld omdat het geen inzicht geeft in de industriële participatie van Nederlandse bedrijven in de internationale leveringsketens. De voortgangsrapportage industriële participatie van EZ geeft hier wel meer inzicht in. Defensie is strategische partnerschappen aangegaan met VDL en AVULAR. Daarnaast is de Counter UAS challenge een voorbeeld van industrieversterkend inkopen.
Hoe wordt geborgd dat bij de uitvoering van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) ook het Nederlandse Midden- en Kleinbedrijf (MKB) laagdrempelig toegang krijgt tot defensieopdrachten en innovatiebudgetten?
Verschillende financieringsinstrumenten voor technologieontwikkeling, innovatieprojecten en industriesamenwerking en -opschaling zijn beschikbaar en gericht op het MKB. Voor de innovatie- en opschalingsopgave wordt een extra stap gezet om MKB'ers nog beter te betrekken. Dit gebeurt onder andere met de volgende instrumenten en initiatieven:
Wat betreft de defensieopdrachten voor het Nederlandse bedrijfsleven en MKB is met ingang van de Defensienota 2024 1,15 miljard in de periode 2025 t/m 3031 beschikbaar gesteld om de Nederlandse innovatieve Defensie-industrie te versterken en op te schalen.
Om resultaat voor Defensie en toegang voor en samenwerking met het Nederlands bedrijfsleven, waaronder MKB, te optimaliseren, creëert en regisseert ODIN (Orchestrating Defence Innovation) regionale ecosystemen. In elk daarvan werken, zoals vastgelegd in convenanten tussen de overheid en lokale markten samen: Defensie, het Ministerie van Economische Zaken, provincies, regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) en bedrijven. Deze regioteams ontwikkelen zelf weer clusters, programma’s en ecosystemen. Daarmee stimuleren we de actieve participatie met regio’s in Nederland om meer te besteden.
Vraag- en aanbod worden op elkaar afgestemd; iniatieven worden gekoppeld aan passend (financieel) instrumentarium, zoals het SecFund. Met fysiek aanwezigheid in de regio worden tevens innovaties binnen bedrijven (waaronder MKB) gescout.
Daarnaast zijn er investeringsfondsen zoals het NIF en SecFund om deze ondernemingen makkelijk toegang te bieden tot (risico)kapitaal en om het nog haperende (vroege fase) investeringsklimaat voor de dual-use industrie weer aan te slingeren. Ook wordt er via instrumenten zoals SDIR's, technologieontwikkeling en het Missiegedreven Innovatie Budget ruimte geboden voor het MKB om mee te doen aan de uitdagingen van Defensie.
Wat is de reden dat deze Stand van Defensie een aparte paragraaf over Oekraïne gerelateerde inzet bevat? Kunt u in een volgende Stand van Defensie ook in andere relevante hoofdstukken specifiek aandacht besteden aan de gevolgen die de inzet voor Oekraïne heeft op het functioneren van Defensie?
Het kabinet hecht eraan uw Kamer zo goed mogelijk te informeren over het Oekraïne-beleid. In de Stand van Defensie is informatie over de Oekraïne-gerelateerde inzet ditmaal gebundeld weergegeven. Door de informatie te bundelen, wordt de Kamer voorzien van een duidelijk overzicht van de relevante ontwikkelingen rondom de inzet voor Oekraïne.Wat betekenen de spanningen tussen de VS en Venezuela voor de Nederlandse inzet in het Caribisch gebied? Is daarbij sprake van samenwerking met andere landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk en wat betekent dit concreet?
Defensie is als Koninkrijksdepartement primair verantwoordelijk voor de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes. Ook houdt Defensie rekening met verschillende scenario’s, zoals beperkingen voor de lucht- en zeevaart, en bereidt zich hierop voor. We houden hierin ook nauw contact met partners in de regio, zoals Frankrijk en het VK. Met Frankrijk zijn we ook in gesprek over gezamenlijk optreden indien de situatie daar om vraagt
Kunt u voortaan ook doelstellingen en kritieke prestatie-indicatoren met betrekking tot Ruimte voor Defensie opnemen? Zo nee, waarom niet?
In het definitieve Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) dat eind december 2025 aan uw Kamer is gestuurd, is aangegeven welke ruimtelijke uitbreidingen gaan plaatsvinden, inclusief de beoogde fasering van deze uitbreidingen. In het NPRD is tevens aangegeven dat via de periodieke rapportage Stand van Defensie zal worden gerapporteerd over de realisatie van het programma. In de toekomst wordt in de Stand van Defensie op basis van indicatoren hierover gerapporteerd.Kunt u aangeven in hoeverre de samenwerking met marktpartijen wordt geïntensiveerd om de vastgoedopgave, waaronder de verduurzamingsslag en de realisatie van legering, te versnellen en kostenefficiënter te maken?
Een randvoorwaarde voor de groei van de krijgsmacht is voldoende, passend en toekomstbestendig vastgoed. In 2025 is de Commandopost Vastgoed (CPV) opgericht die als doel heeft de realisatie van vastgoed voor Defensie substantieel te versnellen en te verhogen. De CPV is op initiatief van Defensie, het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en de markt opgezet. In oktober is een samenwerkingsovereenkomst ondertekend met een vertegenwoordiging van marktpartijen, bestaande uit zowel bouwbedrijven als ingenieursbureaus. Door fundamenteel anders samen te werken is het doel om jaarlijks te streven naar een realisatie van ongeveer ca. 400 miljoen euro in de afgelopen jaren naar 2 miljard euro in de komende jaren.
Defensie en het RVB streven in dit proces naar vroegtijdige betrokkenheid van de markt, langdurige partnerschappen en innovatieve samenwerkings-en contractvormen, waarbij de Defensie de behoefte functioneel specificeert en de oplossing aan de markt overlaat. Een uitgangspunt is standaardisatie van gebouwsoorten, zoals recent toegepast bij de aanbesteding van standaardlegering. Deze nieuwe manier van werken draagt ook bij aan de doelen om het vastgoed te verduurzamen en de financiële balans te herstellen.
Kunt u garanderen dat de aangekondigde herprioritering van de vastgoedopgave niet leidt tot kapitaalvernietiging bij reeds opgestarte projecten en kunt u een geactualiseerd financieel risicoprofiel schetsen voor de vastgoedportefeuille tot en met 2030?
Voor opgestarte projecten die in voorbereiding zijn gegeven aan het RVB maar nog niet zijn aanbesteed, worden kosten gemaakt zoals voor advies en (omgevings)onderzoek. Deze voorbereidingsactiviteiten blijven nodig, ook als deze projecten in de herprioritering vallen. Deze werkzaamheden zijn dus geen kapitaalvernietiging. Projecten die reeds zijn aanbesteed, worden onverminderd uitgevoerd.
Defensie hanteert geen financieel risicoprofiel voor de vastgoedportefeuille, maar streeft naar een duurzame instandhouding van het vastgoed. Een doelstelling hierbij is het herstellen van de balans tussen het beschikbare budget en de omvang van het defensievastgoed. Door de gewijzigde omstandigheden accepteert Defensie nu een hoger financieel risico ten opzichte van de situatie waarop het Strategisch Vastgoedplan 2022 was gebaseerd.
Kunt u, ten aanzien van de onvolkomenheid 'Beveiliging Militaire Objecten', aangeven of de extra gereserveerde financiële middelen en personele capaciteit inmiddels hebben geleid tot een meetbare verhoging van het beveiligingsniveau op de meest risicovolle locaties?
De extra financiële middelen en de uitbreiding van de personele capaciteit hebben inderdaad geleid tot een verhoging van het beveiligingsniveau binnen Defensie. Conform het defensiebeleid gaat de hoogste prioriteit uit naar de te beschermen belangen van categorie 1 en 2, aangezien deze samenhangen met de meest risicovolle locaties en de potentieel grootste impact van een calamiteit. Het afgelopen jaar zijn, naast de reeds lopende verbeteractiviteiten bij de defensieonderdelen, de eerste stappen gezet in de realisatie van het Verbeterplan dat eerder dat jaar is goedgekeurd.
Defensie blijft investeren in het vergroten van de security awareness onder medewerkers en in het versterken van de gehele beveiligingsketen. Daarnaast is €40 miljoen vrijgemaakt in de vorm van een investeringsprogramma voor het op korte termijn verbeteren van elektronische en bouwkundige beveiligingsmaatregelen. Ook is toezicht uitgevoerd om de beveiliging van defensieobjecten te beoordelen en waar nodig te verbeteren.
Verder worden begin 2026 aanvullende projecten opgepakt op basis van prioritering, mogelijk gemaakt door de vergrote programmatische capaciteit. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat het structureel borgen van een hoger beveiligingsniveau tijd vergt: nieuwe medewerkers moeten worden ingewerkt, financiële middelen moeten worden omgezet in concrete beveiligingsmiddelen. Daarnaast vragen noodzakelijke verbeteringen van vastgoed en elektronische beveiligingsmiddelen een lange adem.
Vanaf 14 mei 2025 heeft Defensie ook de Alert State voor Defensielocaties verhoogt. Deze gaat van het eerste naar het tweede niveau: van A naar A+. In totaal zijn er vier niveaus. Van laag naar hoog zijn dat A, B, C en D. Ook zijn er twee tussenniveaus, namelijk A+ en B+. De aanleiding voor de verhoging is de algehele dreigingsanalyse van de MIVD waarin wordt geconstateerd dat andere landen steeds meer bereid zijn tot sabotage-activiteiten. Er is op dit moment geen concrete dreiging tegen een specifieke locatie van Defensie. Alert State A+ betekent dat extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen, waarbij
Defensiepersoneel wordt opgedragen extra waakzaam te zijn op verdachte situaties, personen, voertuigen en drones - en om deze te melden. Ook zijn commandanten geïnstrueerd intern de verhoging bij al het personeel onder de aandacht te brengen. Inhoudelijk treedt Defensie, zoals gebruikelijk, niet verder in de openbaarheid over de maatregelen.
Zie Stand van Defensie Najaar 2025, p. 35 (Kamerstuk 36800-X-3).↩︎