36836 Nota van wijziging inzake Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nota van wijziging
Nummer: 2026D04342, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-01-29 16:35, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Beslisnota rechtsbijstand voor huurders
- Beslisnota Vergoedingen voor bewoners bij de aanpak onaanvaardbare verschillen
Onderdeel van zaak 2026Z01891:
- Indiener: E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Nota van wijziging PEGA-wetsvoorstel
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel N, wordt als volgt gewijzigd:
1. Subonderdeel 1 komt te luiden:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. Aan onderdeel a wordt een puntkomma toegevoegd.
b. In onderdeel b wordt “artikel 13i, derde lid” vervangen door “artikel 13i, tweede en derde lid”.
c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. het maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen een besluit van het Instituut of van Onze Minister op grond van deze wet.
2. Er wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:
4. Het zesde lid komt te luiden:
6. Bij algemene maatregel van bestuur kan het eerste, tweede, vierde of vijfde lid of kunnen onderdelen daarvan van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten aanzien van:
a. besluiten tot versterking van gebouwen of onderdelen daarvan waarop hoofdstuk 5, op grond van artikel 13a, tweede lid, niet van toepassing is verklaard;
b. andere besluiten van het Instituut of van Onze Minister op grond van deze wet;
c. besluiten gericht tot rechtmatige gebruikers van een gebouw, niet zijnde de eigenaar.
De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
B
Artikel I, onderdeel R, wordt als volgt gewijzigd:
Het opschrift van het voorgestelde hoofdstuk 7a komt te luiden:
Hoofdstuk 7a Aanpak verschillen.
Na het voorgestelde artikel 19c wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 19d
Onze Minister draagt zorg voor het aanpakken van onaanvaardbare verschillen die zijn ontstaan tussen gedupeerden van de gaswinning uit het Groningenveld met betrekking tot de versterking en daaraan verbonden vergoedingen en aanspraken, als gevolg van:
a. de regels over het vaststellen van een risicoprofiel van een gebouw;
b. wijzigingen van de regels en over de wijze waarop wordt vastgesteld of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en de wijze waarop wordt bepaald welke maatregelen nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen; en
c. de toepassing van de onder a en b genoemde regels.
C
In artikel II, onderdeel A, wordt “aan het slot van onderdeel aq” vervangen door “aan het slot van onderdeel ar”.
D
Artikel V wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid vervalt “en” voor “N” en wordt na “N, subonderdelen 1 en 3,” ingevoegd: “en R ten aanzien van het opschrift van hoofdstuk 7a en artikel 19d,”.
Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Artikel I, onderdeel R, ten aanzien van het opschrift van hoofdstuk 7a en artikel 19d, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 25 april 2023.
TOELICHTING
Deze nota van wijziging bevat enkele wetstechnische correcties en daarnaast enkele kleine inhoudelijke aanpassingen van het voorstel van wet.
Hieronder worden deze per onderwerp toegelicht.
Wijzigingen ten aanzien van artikel 13n Tijdelijke wet Groningen
Aan de wijziging van artikel 13n van de Tijdelijke wet Groningen (TwG), waarin het recht voor eigenaren op kosteloze rechtsbijstand en advisering door deskundigen is geregeld, in artikel I, onderdeel N, van het wetsvoorstel worden twee wijzigingen toegevoegd.
De eerste wijziging betreft het herstel van een omissie. In de tekst van het eerste lid zoals deze na inwerkingtreding van het desbetreffende onderdeel van de wet omissies1 komt te luiden, is abusievelijk het bestaande onderdeel b weggevallen, waarin expliciet wordt aangegeven dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen een besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: IMG) of de minister (lees de Nationaal Coördinator Groningen, hierna: NCG) op grond van deze wet onder het bereik van de rechtsbijstand valt. Hoewel geredeneerd kan worden dat bezwaar en beroep ook al deel uitmaken van “het proces, bedoeld in artikel 2” en van “de versterking, bedoeld in hoofdstuk 5”, zoals opgenomen in de nieuwe onderdelen a en b van dit eerste lid, is het beter om dit weer expliciet te bepalen. Daarom wordt dit onderdeel weer toegevoegd, als onderdeel c. Uiteraard wordt de rechtsbijstand voor bezwaar- en beroepsprocedures op grond van artikel 13n ook vooruitlopend op deze wijziging verleend. In artikel V van het wetsvoorstel is al voorzien in terugwerkende kracht voor de wijziging van het eerste lid; die terugwerkende kracht zag op de al in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 13n, eerste lid, onderdeel b (vervanging van “artikel 13i, derde lid” door “artikel 13i, tweede en derde lid”), dat nu in subonderdeel b van artikel I, onderdeel N, subonderdeel 1, is opgenomen, en heeft nu dus ook betrekking op deze nieuwe wijziging. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om een redactionele aanpassing door te voeren: aan het slot van onderdeel a ontbrak een puntkomma.
De tweede wijziging betreft een verruiming van de grondslag in het zesde lid2 om bij algemene maatregel van bestuur de reikwijdte van artikel 13n uit te breiden. Deze grondslag bestaat al voor besluiten tot versterking van gebouwen of onderdelen daarvan waarop hoofdstuk 5, op grond van artikel 13a, tweede lid, niet van toepassing is verklaard. Dit wordt nu onderdeel a van het zesde lid. Er worden twee onderdelen toegevoegd, respectievelijk ten aanzien van de besluiten van het IMG of van de NCG en de doelgroep die onder het artikel vallen.
De eerste verruiming van de grondslag betreft het toevoegen van “andere besluiten van het Instituut of van Onze Minister op grond van deze wet”. Vooralsnog wordt hierbij gedacht aan de mogelijkheid dat een eigenaar van een gebouw een vergoeding voor financiële en bouwkundige advisering krijgt bij de voorbereiding van een besluit op grond van het nieuwe artikel 19d. Dit artikel gaat over het aanpakken van onaanvaardbare verschillen die tussen gedupeerden van de gaswinning uit het Groningenveld met betrekking tot de versterking en daaraan verbonden vergoedingen en aanspraken zijn ontstaan. Dit biedt eigenaren de mogelijkheid om het voorstel of het ontwerp van het gebouw of het ontwerp van de versterkingsmaatregelen van de NCG op bouwtechnische aspecten te laten toetsen én te zorgen dat zij geen financieel nadeel ondervinden van het voorstel, bij besluitvorming van de NCG en de uitvoering daarvan.
De tweede toevoeging betreft de doelgroep die omschreven kan worden als “rechtmatige gebruikers van een gebouw, niet zijnde de eigenaar”. Artikel 13n richt zich tot de eigenaar van een gebouw, aangezien deze ten aanzien van zijn of haar eigendom in een schade- of versterkingstraject met het IMG of de NCG zit. Er kunnen echter redenen zijn om ook besluiten die zich richten tot deze doelgroep in specifieke gevallen onder het bereik van artikel 13n te brengen. Bijvoorbeeld omdat ook bewoners die een gebouw of woning huren een besluit voor een vergoeding van het IMG of de NCG kunnen krijgen, zoals een immateriële schadevergoeding of vergoeding voor verlies van zelf aangebrachte voorzieningen bij versterking van een huurwoning, en hiertegen in bezwaar of beroep willen gaan met hulp van een advocaat.
Voor de algemene maatregel van bestuur die op grond van deze delegatiegrondslag wordt voorbereid geldt een voorhangprocedure. Beide Kamers krijgen daardoor de gelegenheid zich over de uitbreidingen uit te spreken.
Wijzigingen ten aanzien van het voorgestelde hoofdstuk 7a van de Tijdelijke wet Groningen
In artikel I, onderdeel R, wordt voorgesteld een nieuw hoofdstuk 7a op te nemen, waarin één artikel was opgenomen. Dit artikel 19c betreft een bepaling die wordt ‘overgeheveld’ uit artikel 52c, tweede lid, Mijnbouwwet en die via een amendement3 tot stand is gekomen. De indieners van het amendement hadden blijkens de toelichting daarbij voor ogen “dat met het aannemen van dit wetsvoorstel [het wetsvoorstel tot wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld, Kamerstukken 36441] de verschillen tussen de bewoners van het aardbevingsgebied weer worden vergroot. Fouten uit het verleden dienen niet te worden herhaald.” Voor die ‘fouten uit het verleden’ refereerden de indieners in dezelfde toelichting op het amendement aan een specifieke conclusie van de Commissie Verschillen (de commissie-Van Geel) dat ‘onaanvaardbare verschillen’ moesten worden aangepakt. De Commissie constateerde dat het streven naar een gelijke uitkomst op sommige plekken niet afdoende is om de verschillen te verzachten.
Veel van de verschillen die na verloop van tijd zijn ontstaan in de schadeafhandeling of versterking zijn of worden opgelost met gebruikmaking van de bestaande kaders.
Voor schade gaat het daarbij in de eerste plaats om de ruimte voor het zelfstandig bestuursorgaan IMG om te bepalen hoe de schadeafhandeling wordt ingericht en daarvoor, op grond van artikel 10 van de TwG, een procedure en een werkwijze vast te stellen. Een voorbeeld hiervan is de ‘aanvullende vaste vergoeding’ die eigenaren op grond van die procedure en werkwijze4 kunnen ontvangen indien ze in het verleden (ook in de periode dat de afhandeling nog door de NAM en het Centrum Veilig Wonen (hierna CVW) werd uitgevoerd) een vergoeding hebben ontvangen van minder dan de 10.000 euro die eigenaren tegenwoordig krijgen als vaste vergoeding bij een eerste schademelding op dat adres. Een ander voorbeeld is het mogelijk maken van een aanvullende aanvraag voor een vergoeding voor immateriële schade bij nieuwe feiten. Daarnaast valt te wijzen op de nieuwe regeling daadwerkelijk herstel waarmee in lijn met het advies van de commissie-Van Geel herstel in natura zoveel mogelijk wordt gestimuleerd of de taak om knelpunten in verband met schade aan te pakken waarvoor de grondslag is opgenomen in artikel 2, elfde lid, TwG. Ook heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpak op maat voor de omgang met oude NAM/CVW-schades5
Voor versterken is het kader de algemene zorgplicht in artikel 13ba TwG om ‘alle maatregelen’ te nemen om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad’. Geconstateerd is dat dit kader voor bepaalde verschillen nog onvoldoende ruimte biedt. Specifiek gaat het daarbij om verschillen die als gevolg van de versterkingsoperatie, maar niet binnen de versterkingsoperatie, zijn ontstaan. In maatregel 12 van Nij Begun is hierover het volgende aangegeven: “Conform het advies van de enquêtecommissie zal het kabinet verschillen tussen bewoners oplossen die zijn ontstaan door de toepassing van veranderende berekeningsmethoden in de uitvoering van de versterking.” Die verschillen zijn enerzijds ontstaan door de wijze waarop het risicoprofiel van een gebouw wordt bepaald, inclusief de verrijking daarvan, en daarmee of dat gebouw in de ‘scope’ van de versterkingsoperatie wordt opgenomen. Anderzijds zijn de verschillen ontstaan door wijzigingen in de wijze waarop wordt vastgesteld of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en de wijze waarop wordt bepaald welke maatregelen nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. Verschillen kunnen zijn ontstaan door (actualisering van) de regels en door toepassing van de regels. Een voorbeeld van actualisering van de regels is het verwerken van de gevolgen van de afbouw van de gaswinning in de NPR en de typologie-aanpak. Deze actualisering kan in zeer specifieke gevallen hebben geleid tot onaanvaardbare verschillen. Een voorbeeld van een verschil door toepassing van de regels is de keuze om een gebouw/woning wel of niet op te nemen in de versterkingsopgave. Deze keuze wordt gemaakt op basis van een modelmatige inschatting van het veiligheidsrisico van het gebouw en (handmatige) verrijking door onder meer de gemeenten met opname van het gebouw in het lokaal plan van aanpak (LPA). Bij deze verrijking zijn woningen aan de versterking toegevoegd die conform het model aan de veiligheidsnorm voldoen.6 Door met het oog op veiligheid in bepaalde situaties woningen die volgens het model naar verwachting aan de veiligheidsnorm voldoen wel aan de versterking toe te voegen en in bepaalde situaties niet kan nu blijken dat er onaanvaardbare verschillen zijn ontstaan nu de versterking in gebieden is uitgevoerd. Dit zijn de “veranderende berekeningsmethoden” waarop de maatregel in Nij Begun doelde. Bij nader inzien is het van belang de reeds via het genoemde amendement opgenomen bepaling die ziet op de periode na de beëindiging van de gaswinning aan te vullen met een bepaling die een grondslag biedt voor het nemen van besluiten voor de aanpak van deze verschillen, die als gevolg van de versterkingsoperatie in het verleden zijn ontstaan. Daartoe wordt een nieuw artikel 19d opgenomen. Dit artikel maakt het mogelijk onaanvaardbare verschillen aan te pakken die zijn ontstaan door de hiervoor genoemde wijzigingen. Dat gaat ook over wijzigingen die al zijn doorgevoerd voordat de TwG tot stand kwam. Het woord ‘onaanvaardbare’ sluit aan bij de genoemde conclusie van de Commissie Van Geel. Deze term laat uiteraard ruimte voor de benodigde afwegingen per geval. Wettelijk is er geen passende definitie te geven van wat dat in de praktijk is. Het kabinet heeft hiervoor samen met de regio een routekaart ontwikkeld waarmee kan worden bepaald of er sprake is van onaanvaardbare verschillen én zo ja op welke wijze die kunnen worden verzacht. Om te bepalen of een verschil onaanvaardbaar wordt geacht worden de aantallen en mate van verschillen - gerelateerd aan de versterking - in kaart gebracht. Ook wordt gekeken naar de oorzaak van die verschillen en wordt gekeken naar de samenhang in het gebied waar verschillen voorkomen. Voor de keuze van een mogelijke oplossing worden de effecten op omliggende buurten in beeld gebracht en wordt gekeken naar vergelijkbare situaties in de rest van het gebied, dit om te voorkomen dat er nieuwe onaanvaardbare verschillen in het versterkingsgebied worden gecreëerd. De lokale stuurgroepen die per versterkingsgemeente zijn ingericht hebben een centrale rol in het bepalen van de onaanvaardbaarheid én het voorstel om de onaanvaardbare verschillen te dempen.
Om het mogelijk te maken dat al vooruitlopend op de inwerkingtreding van artikel 19d verschillen worden aangepakt die niet op die inwerkingtreding kunnen wachten, wordt aan dit nieuwe artikel terugwerkende kracht verleend in artikel V. Omdat de aanpak van verschillen altijd in nauw overleg met de betrokken bewoners of ondernemers die eigenaar zijn van het gebouw wordt bepaald en uitgevoerd, en nooit tegen hun wil, en er geen derde belanghebbenden zijn, bestaat er geen bezwaar tegen deze terugwerkende kracht. Voor de datum daarvoor is gekozen voor het moment waarop het kabinet Nij Begun met daarin opgenomen maatregel 12 publiceerde, te weten 25 april 2023.
Wijzigingen ten aanzien van artikel 1 van de Mijnbouwwet
In de voorgestelde wijziging van artikel 1 van de Mijnbouwwet is abusievelijk in de aanhef van de wijzigingsopdracht verwezen naar een onjuist onderdeel. Dit wordt met deze nota van wijziging hersteld. Daarmee wordt aangesloten bij de op grond van artikel IV, onderdeel A, van de Verzamelwet KGG 2026 (Stb. 2025, 349) doorgevoerde aanpassing in artikel 1 van de Mijnbouwwet die op 1 januari jl. van kracht is geworden.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Artikel I, onderdeel H, van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62). Deze tekst is voortgekomen uit het amendement Beckerman/Bushoff, Kamerstukken II 2024/25, 36566, nr. 23.↩︎
Ook weer in de versie zoals deze na inwerkingtreding van het desbetreffende onderdeel van de wet omissies komt te luiden; zie de eerste voetnoot.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 36441, nr. 32.↩︎
Artikel 2.8b van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 33529, nr. 1338.↩︎
Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen: Kamerstukken II 2020/21, 35603, nr. 3, p. 16/17.↩︎