Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen (Kamerstuk 35633-24)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D04835, datum: 2026-02-02, bijgewerkt: 2026-02-02 14:55, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (D66)
- Mede ondertekenaar: R.P. Jansma, griffier
Onderdeel van zaak 2025Z20889:
- Indiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2025-12-02 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-12-17 10:15: Debat over de najaarsnota 2025 (36850-1) (Plenair debat (overig)), TK
- 2025-12-17 11:15: Procedurevergadering Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-02-02 12:00: Uitspraken CBb beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
35 633 Wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij
Verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 1 december 2025 ‘Uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen’ (Kamerstuk. 35633-24). De op 2 februari 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Podt
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 1
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 2
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower 3
II Antwoord / Reactie van de minister voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur 3
III Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met betrekking tot de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroepszaken betreffende de nadeelcompensatie voor pelsdierhouderijen. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de gekozen beleidsregel als systematiek voor forfaitaire compensatie in stand laat, maar tegelijkertijd oordeelt dat de toegepaste kortingen wegens normaal maatschappelijk risico en leegstand onvoldoende waren gemotiveerd. Daarmee zijn de beroepen van de betrokken ondernemers gegrond verklaard en is het kabinet gehouden om binnen afzienbare termijn nieuwe besluiten te nemen met een hogere vergoeding. Hoe duidt het kabinet deze uitspraken in het licht van rechtszekerheid voor ondernemers die door overheidsmaatregelen versneld hun bedrijfsactiviteiten moesten beëindigen?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de positie van pelsdierhouders die geen bezwaar of beroep hebben ingesteld. In hoeverre acht het kabinet het wenselijk en juridisch mogelijk om ook voor deze groep duidelijkheid te bieden, mede met het oog op gelijke behandeling en het voorkomen van nieuwe procedures?
De leden van de VVD-fractie constateren ten slotte dat het CBb in een aantal zaken rond voergeldgevers en voergeldnemers tot afwijkende oordelen komt over de aanspraak op compensatie en de wijze van schadevaststelling. Hoe zal het kabinet deze complexe casuïstiek uitwerken en welke gevolgen kan dit hebben voor zowel de uitvoeringspraktijk als de uiteindelijke financiële impact?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen
van de brief van de minister over de uitspraken van het CBb in de
beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen. Het
College van Beroep heeft heel duidelijk te verstaan gegeven dat de 15
procent korting in verband met ’normaal maatschappelijk risico’ en de 38
euro per fokteef bij bedrijven die al waren geruimd of leegstonden (de
’leegstand-korting’) volledig onterecht waren.
Vrijwel alle pelsdierhouders hebben daarmee veel te weinig geld gekregen
bij de gedwongen uitkoop van hun bedrijven. Deze leden zijn verbaasd dat
niet is gekozen om alle pelsdierhouders te compenseren, maar slechts de
appellanten. Volgens deze leden gaat het hier niet over wie er juridisch
gelijk krijgt, maar over wat een betrouwbare overheid betaamt tegenover
burgers die geen keuze hadden. Het feit dat alleen appellanten worden
gecompenseerd, betekent dat de overheid een onrechtmatige besparing
behoudt die is gerealiseerd over de ruggen van burgers die geen andere
keuze hadden dan meewerken. Deze leden constateren dat dit past in een
patroon dat ook in andere overheidsdossiers zichtbaar werd: burgers die
vertrouwen op de overheid, blijken achteraf degenen te zijn die het
meest tekort zijn gedaan.
De brieven die de vaste Kamercommissie voor LVVN de afgelopen maanden ontving over dit onderwerp laten een indringend en consistent beeld zien. Daaruit blijkt dat de gebrekkige compensatie pelsdierhouders niet alleen financieel, maar ook emotioneel en sociaal diep heeft geraakt. Ondernemers beschrijven hoe het gedwongen beëindigen van hun bedrijf hun levenswerk, toekomstperspectief en bestaanszekerheid ontnam. Familiebedrijven die generaties lang waren opgebouwd, verdwenen. Kinderen die het bedrijf wilden overnemen, verloren dat perspectief. In meerdere brieven wordt duidelijk hoe de financiële onzekerheid en de gedwongen beëindiging hebben geleid tot stress, spanningen binnen gezinnen en langdurige mentale belasting.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van deze signalen uit de praktijk die een beeld tonen van een groep ondernemers met de rug tegen de muur. Ondernemers die hadden moeten kunnen vertrouwen op een eerlijke overheid, maar die werden geconfronteerd met een regeling die achteraf door de rechter als financieel ontoereikend is beoordeeld. Hoewel alle pelsdierhouders formeel de mogelijkheid hadden om de regeling aan te vechten, blijkt uit de ontvangen brieven dat een formele mogelijkheid in de praktijk niet voor iedereen een reële mogelijkheid was. De omstandigheden maakten het voor een deel van de ondernemers onmogelijk om opnieuw een juridische strijd aan te gaan. Uit de brieven komt naar voren dat eerdere langdurige procedures, financiële uitputting, mentale belasting en de afhankelijkheid van de overheid in deze fase maakten dat zij erop vertrouwden dat de gehanteerde regeling juridisch juist en zorgvuldig was. Uit meerdere brieven komt naar voren dat ondernemers in hun contacten met de overheid de indruk kregen dat het aangaan van een juridische procedure onverstandig zou zijn en de relatie met de overheid zou kunnen schaden. Daarnaast speelde voor een deel van de ondernemers de maatschappelijke context een rol. Zij hadden niets verkeerd gedaan, maar werden geconfronteerd met maatschappelijke druk en acties tegen hun sector. Dit versterkte de behoefte om het proces zo snel mogelijk af te sluiten en geen nieuwe conflicten aan te gaan. Procederen was dus niet voor alle ondernemers een reële optie.
De leden van de BBB-fractie wijzen er daarbij op dat de
pelsdierhouders niet kozen voor vrijwillige uitkoop, maar dat zij
uitvoering moesten geven aan een wettelijk besluit dat hen dwong hun
bedrijf te beëindigen. Juridisch gezien hebben alleen de appellanten
recht op herstel van de fout die door de overheid is gemaakt bij de
uitkoop van de pelsdierbedrijven. Moreel gezien ligt dat anders. Moreel
gezien is het aan de overheid om gemaakte fouten te herstellen tegenover
alle mensen die buiten hun eigen toedoen hun bedrijf kwijtraakten en
door de overheid tekort zijn gedaan. Ook tegenover degenen die door
omstandigheden, stress, afhankelijkheid en (maatschappelijke) druk niet
de mogelijkheid hadden om de overheid juridisch te bestrijden, maar erop
vertrouwden dat zij eerlijk werden behandeld.
Alle pelsdierhouders hebben moreel gezien recht op de vergoeding die zij
destijds al hadden moeten krijgen. Een overheid die alleen herstelt
wanneer burgers procederen, leert haar burgers dat vertrouwen naïef is
en wantrouwen rationeel. Dat kan en mag niet de les zijn die uit deze
affaire wordt getrokken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de uitspraken van het CBb beroepszaken betreffende de nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen hierbij en hebben hierover voor nu geen aanvullende vragen en/of opmerkingen.
II Antwoord / Reactie van de minister
III Volledige agenda